Operation Manual

163
[F7]: CTRL (Controller)
Deze instellingen staan in relatie tot de Controllers. Te
beginnen met het [PITCH] wiel zijn de instellingen die
algemeen zijn voor alle parts georganiseerd in een lijst-
type scherm en kunnen in die lijst worden ingesteld. Als
het CTRL menu wordt geselecteerd met de [F7] toets,
verschijnen de volgende menus op de display. Met de [F6],
[F7] en [F8] toetsen kunt u makkelijk door de types scrol-
len.
[F6]: WHEEL
[F7]: KNOB
[F8]: OTHER
Elk van onderstaande parameters kan worden ingesteld
voor de 13 typen controllers hierboven opgesomd.
Assign
Wijst een control functie toe (MIDI control change
nummer) aan iedere controller.
Instellingen: 000~095 (Zie de Control Lijst in het aparte
Data Lijst boek).
Afhankelijk van de controller, zoals het [PITCH] wiel
bijvoorbeeld, kan deze een vaste control functie hebben.
Depth
Stelt de diepte in van de besturing van de control func-
tie die is geselecteerd in Assign.
Instellingen: 8 ~+7
Ofst (Offset)
Past op preciese wijze de diepte van de besturing in
van de waarde die is ingesteld in Depth. De hier inge-
stelde waarde wordt toegevoegd aan of afgetrokken van
de ingestelde waarde in Depth.
Instellingen: 64 ~+63
Curve
Stelt de richting van de beweging en de wijzigingsgraad
in van de waarde (control curve) die is toegewezen
door Depth en Offset. Als bijvoorbeeld het [PITCH]
wiel opwaarts wordt bewogen (positive[+] richting),
bepaalt dit of de ingestelde waarde in positieve[+] rich-
ting beweegt om de toonhoogte te verhogen of in een
negatieve[] richting om de toonhoogte te verlagen.
De Control Curve
Aan de rechterkant van het scherm wordt de hui-
dige control curve voor iedere controller getoond. U
kunt dat beeld bekijken als u een waarde instelt.
[F8]: NAME
Hiermee kunt u een naam geven aan de door u gecreëerde
Performance van maximaal twaalf karakters
.
De methode om een naam te geven aan een Performance
is dezelfde als aan een Voice. Zie pag. 79 voor meer
informatie.