I N S T R U K T I O N S B O K V O LV O X C 9 0 Glödlampor Kontrollera regelbundet 1. Spolarvätska. Se till att behållaren alltid är välfylld. På vintern med frostskydd! Se sidan 142. 2. Servostyrning. Nivån skall ligga mellan MINoch MAX markeringarna. Se sidan 143. 10 3. Kylvätskan. Nivån skall ligga mellan MINoch MAX markeringarna på expansionstanken. Se sidan 142. 9 8 7 6 4. Oljenivån. Nivån skall ligga mellan markegarna på mätstickan. Se sidan 141. 5. Bromsvätskenivån.
Volvo Service Bepaalde onderhoudswerkzaamheden aan de elektrische systemen van de auto kunnen alleen worden uitgevoerd met speciaal ontwikkelde elektronische apparatuur. Neem daarom altijd contact op met uw Volvo-werkplaats, voordat u onderhoudswerkzaamheden aan het elektrische systeem laat uitvoeren. Installatie van accessoires Een verkeerde aansluiting en installatie van accessoires kan de werking van de elektronische systemen van de auto negatief beïnvloeden.
Inleiding Inhoud Gebruik van het instructieboekje In het instructieboekje vindt u tips en adviezen voor het gebruik en onderhoud van uw auto. U vindt er tevens belangrijke informatie over de veiligheid van u en uw medepassagiers. Gebruik het instructieboekje om de verschillende functies van uw auto te leren kennen en specifieke informatie op te zoeken. Het instructieboekje helpt u om de mogelijkheden van uw Volvo maximaal te benutten.
De specificaties, constructiegegevens en afbeeldingen in dit instructieboekje zijn niet bindend. We behouden ons het recht voor om zonder voorafgaande mededeling wijzigingen aan te brengen.
Inhoud Veiligheid Instrumenten, schakelaars en bediening Klimaatregeling Interieur Sloten en alarm Starten en rijden Wielen en banden Verzorging Onderhoud en service Infotainment Technische gegevens Alfabetisch register 9 29 53 67 87 97 121 129 135 159 203 213 3
Dashboard Linkse besturing 25 26 27 28 29 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 1 24 23 4 22 21 20 19 18 17 16 15 14 13
1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9. 10. 11. 12. 13. 14. 15. 16. 17. 18. 19. 20. 21.
Rechtse besturing 25 26 27 28 29 12 11 10 9 8 7 6 5 4 3 2 1 13 6 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24
1. Verlichtingspaneel 2. Blaasmond 3. Controle- en waarschuwingslampjes 4. Brandstofmeter 5. Buitentemperatuurmeter/ Klokje/Schakelstandindicatie 6. Toerenteller 7. Indicatorlampjes richtingaanwijzer 8. Snelheidsmeter 9. Kilometerteller/Dagteller/ Cruise control 10. Temperatuurmeter 11. Display 12. Blaasmonden 13. Dashboardkastje 14. Alarmlichten 15. Infotainmentsysteem 16. Klimaatregeling 17. Richtingaanwijzers/Schakelaarhendel groot licht/ dimlicht/Leesknop 18. Parkeerrem 19. Cruise control 20. Claxon 21.
8
Veiligheid Veiligheidsgordels 10 Airbags (SRS) 12 SIPS-airbags (Zij-airbag) 15 Roll-Over Protection System (ROPS) 17 Opblaasgordijn (IC-systeem) 18 WHIPS-systeem 19 Activering van de veiligheidssystemen 21 Inspectie van de airbags, opblaasgordijnen en gordelspanners 22 Kinderen en veiligheid 23 9
Veiligheid Veiligheidsgordels 'RH KHW YROJHQGH RP GH JRUGHO ORV WH PDNHQ: Druk op de rode knop van de vergrendeling. Laat het oprolmechanisme de gordel naar binnen trekken. Als de gordel niet volledig wordt opgerold, moet u de gordel handmatig zover terugrollen dat deze niet langer slap hangt.
Veiligheid Veiligheidsgordels en gordelspanners Alle veiligheidsgordels zijn uitgerust met gordelspanners. Een geringe hoeveelheid springstof, ingebouwd in het oprolmechanisme, wordt bij een botsing tot ontploffing gebracht. Hierdoor wordt de veiligheidsgordel strak over het lichaam van de inzittende getrokken om eventuele speling door dikke kledingsstukken weg te nemen. De gordel houdt de inzittende zo beter tegen.
Veiligheid Airbags (SRS) $XWR PHW OLQNVH EHVWXULQJ $XWR PHW UHFKWVH EHVWXULQJ 3RVLWLH YDQ DLUEDJ DDQ SDVVDJLHUV]LMGH Airbag aan bestuurderszijde Airbag aan passagierszijde Om de passieve veiligheid van uw auto nog verder te verhogen is uw auto uitgerust met een airbag (SRS1) als aanvulling op de driepuntsgordels. De airbag, een opblaasbare luchtzak, is opgevouwen in het hart van het stuurwiel gemonteerd. Het stuurwiel is voorzien van het opschrift SRS.
Veiligheid :$$56&+8:,1* $LUEDJ SDVVDJLHUV]LMGH • Bevestig QRRLW een kinderzitje op de passagiersstoel, als de auto is uitgerust met een airbag aan de passagierszijde (SRS). • Laat kinderen QRRLW voor de passagierstoel zitten of staan. • Personen kleiner dan 1,40 m mogen QRRLW op de passagiersstoel plaatsnemen. • Laat de passagier zoveel mogelijk rechtop zitten met de voeten op de vloer en de rug tegen de rugleuning. De passagier moet de veiligheidsgordel omdoen.
Veiligheid Airbags (SRS) (vervolg) “Volvo Dual-Stage Airbag” (tweetraps airbags) Bij minder zware aanrijdingen die desondanks gevaar voor verwondingen opleveren, worden de airbags opgeblazen tot ruim de helft van het totale volume. Bij zware aanrijdingen worden de airbags volledig opgeblazen.
Veiligheid SIPS-airbags (Zij-airbag) Kinderzitjes en SIPS-airbags Als uw auto alleen SIPS-airbags heeft (en dus geen airbag aan de passagierszijde (SRS)), mag u een kinderzitje op de passagiersstoel aanbrengen. :$$56&+8:,1* SIPS-airbags, (zij-airbags) De SIPS-airbags verhogen de passieve veiligheid in de passagiersruimte. Het SIPS-airbagsysteem is opgebouwd uit twee hoofdonderdelen: de SIPS-airbags en de sensoren. De SIPS-airbags zijn in het frame van de rugleuning van de voorstoelen gemonteerd.
Veiligheid SIPS-airbags (Zij-airbag) (vervolg) $XWR PHW OLQNVH EHVWXULQJ SIPS-airbagsysteem Het SIPS-airbagsysteem bestaat uit gasgeneratoren (1), elektrische sensoren, kabels (3) en SIPS-airbags (2). Bij een voldoende krachtige aanrijding, worden de gasgeneratoren geactiveerd door de sensoren. De SIPS-airbags worden vervolgens opgeblazen. De airbags worden opgeblazen tussen de inzittenden en het portierpaneel. De klap van een aanrijding wordt opgevangen, waarna de airbags weer leeglopen.
Veiligheid Roll-Over Protection System (ROPS) Het Roll-Over Protection System van Volvo is ontwikkeld om het gevaar te beperken dat de auto over de kop slaat en maximale bescherming te bieden als een ongeluk onvermijdelijk blijkt. Het systeem bestaat uit: • een stabilisatiesysteem, het RSC (Roll Stability Control) dat het gevaar beperkt dat de auto kantelt en over de kop slaat wanneer u bijv. krachtige afremt of in de slip raakt.
Veiligheid Opblaasgordijn (IC-systeem) Opblaasgordijn (IC-systeem) (Inflatable Curtain) Het opblaasgordijn wordt geactiveerd om de inzittenden te beschermen tegen hoofdletsel, wanneer ze met hun hoofd tegen de zijkant of het plafond van de auto stoten. Het opblaasgordijn biedt eveneens bescherming tegen de obstakels zoals voertuigen of palen waar de auto tegenop botst. Het IC-systeem beschermt de inzittenden voorin en de achterpassagiers links en rechts op de achterbank.
Veiligheid WHIPS-systeem “Whiplash Protection System” Juiste zithouding WHIPS-systeem en kinderzitjes Het WHIPS-systeem bestaat uit energie-absorberende rugleuningen en speciaal ontwikkelde hoofdsteunen voor de voorstoelen. Voor optimale bescherming moeten de bestuurder en de voorpassagier zoveel mogelijk in het midden van de stoelen plaatsnemen en de afstand tussen het hoofd en de hoofdsteun zo klein mogelijk houden.
Veiligheid WHIPS-systeem (vervolg) :$$56&+8:,1* Let erop dat u de werking van het WHIPSsysteem niet beïnvloedt! • Als u één van de ruggedeelten van de achterbank hebt neergeklapt, moet u de voorstoel aan dezelfde kant dusdanig bijstellen dat de rugleuning van de stoel niet tegen het neergeklapte ruggedeelte van de achterbank aankomt. • Plaats geen koffers en dergelijke tussen het zitgedeelte van de achterbank en de rugleuning van de voorstoelen.
Veiligheid Activering van de veiligheidssystemen Systeem Activering *RUGHOVSDQQHUV Bij frontale botsingen of wanneer de auto over de kop slaat. De veiligheidsgordel wordt strak over het lichaam van de inzittende getrokken om eventuele speling door dikke kledingsstukken weg te nemen. De gordel houdt de inzittende zo beter tegen. Tijdens aanrijdingen waarbij de inzittenden voorin het gevaar lopen gewond te raken wanneer ze tegen het dashboard of het stuurwiel slaan.
Veiligheid Inspectie van de airbags, opblaasgordijnen en gordelspanners De stickers op de portierstijl(en) geven het jaar en de maand aan waarin u contact moet opnemen met uw erkende Volvo-werkplaats om de airbags en/of gordelspanners te laten controleren en eventueel vervangen. Neem voor meer informatie over de systemen contact op met een erkende Volvo-werkplaats.
Veiligheid Kinderen en veiligheid Kinderen moeten comfortabel en veilig zitten Kinderzitje en gordelwaarschuwing Onthoud dat alle kinderen, ongeacht hun leeftijd en lengte, een veiligheidsgordel moeten dragen. Laat kinderen nooit bij passagiers op schoot zitten! Als u een baby- of kinderzitje (achterstevoren) op de passagiersstoel hebt aangebracht en met de aanwezige veiligheidsgordel hebt vastgezet, wordt er niet altijd een gordelwaarschuwing gegeven.
Veiligheid Kinderen en veiligheid (vervolg) Plaats van kinderen in de auto Gewicht (leeftijd) NJ WRW PDDQGHQ Passagiersstoel met airbag* Passagiersstoel zonder airbag (extra) Ongeschikte plaats voor deze leeftijdscategorie. 0RJHOLMNKHGHQ • • • Achterstevoren gemonteerd kinderzitje, te bevestigen met veiligheidsgordel en extra bevestigingsband. 7\SHJRHGN ( Achterstevoren gemonteerd babyzitje, te bevestigen met veiligheidsgordel.
Veiligheid Gewicht (leeftijd) Tweede zitrij, buitenste zitplaatsen* NJ WRW PDDQGHQ 0RJHOLMNKHGHQ ± NJ ± PDDQGHQ 0RJHOLMNKHGHQ ± NJ ± MDDU • Achterstevoren gemonteerd kinderzitje, te bevestigen met veiligheidsgordel, steunbeen en extra bevestigingsband. 7\SHJRHGN ( • Achterstevoren gemonteerd babyzitje, te bevestigen met veiligheidsgordel en steunbeen. 7\SJRHGN ( • Achterstevoren gemonteerd babyzitje, te bevestigen met ISOFIX-systeem en steunbeen.
Veiligheid Kinderen en veiligheid (vervolg) =RUJ GDW • het kinderzitje in de vergrendelde stand staat; • de stand van de hoofdsteun zorgvuldig afgestemd is op de lengte van het kind; • de veiligheidsgordel goed strak langs het lichaam van het kind loopt en nergens slap hangt of verdraaid is; • de veiligheidsgordel goed over de schouder loopt (en dus niet onderlangs); • de heupgordel laag over de heupen, het bekken, loopt om maximale bescherming te bieden.
Veiligheid :$$56&+8:,1* Als het geïntegreerde kinderzitje aan grote krachten blootgestaan heeft, zoals bij een aanrijding, moet u het kinderzitje met de gordel in zijn geheel, d.w.z. inclusief de schroeven, vervangen door een nieuw kussen en nieuwe schroeven. Ook als het geïntegreerde kinderzitje er op het oog intact uitziet, kan het kussen een deel van zijn beschermende eigenschappen hebben verloren. .LQGHU]LWMH XLWNODSSHQ .LQGHU]LWMH LQNODSSHQ 1.
Veiligheid Kinderen en veiligheid (vervolg) Belangrijke adviezen! Bij het gebruik van andere in de handel zijnde veiligheidsproducten voor kinderen is het EHODQJULMN dat u de bijgeleverde montagevoorschriften zorgvuldig doorleest en nauwkeurig opvolgt. Hier volgen enkele punten waar u op moet letten: • Volvo heeft veiligheidsuitrusting voor kinderen die afgestemd is op uw Volvo en uitvoerig door Volvo getest is. • Breng een kinderzitje altijd volgens de instructies van de fabrikant aan.
Instrumenten, schakelaars en bediening Instrumentenpaneel 30 Controle- en waarschuwingslampjes 31 Schakelaars op middenconsole 36 Verlichtingspaneel 38 Richtingaanwijzerhendel 39 Ruitenwisser/-sproeier 40 Alarmlichten, elektrisch verwarmde achterruit/ buitenspiegels/voorstoelen 42 Boordcomputer 43 Cruise control 44 Parkeerrem, motorkap, elektrische aansluiting e.d.
Instrumenten, schakelaars en bediening Instrumentenpaneel 7HPSHUDWXXUPHWHU De temperatuurmeter geeft de temperatuur in het koelsysteem van de motor aan. Op het display verschijnt een bericht, als de temperatuur abnormaal hoog is en de naald tot in het rode gebied uitslaat. Let erop dat verstralers voor de radiateurgrille het koelvermogen verminderen bij een hoge buitentemperatuur en een zware belasting van de motor.
Instrumenten, schakelaars en bediening Controle- en waarschuwingslampjes Storing in ABS-systeem Als het waarschuwingssymbool voor het ABS-systeem oplicht, werkt het ABS-systeem niet meer. Het normale remsysteem van de auto werkt dan nog, zij het zonder ABS-regeling. De controle- en waarschuwingslampjes lichten korte tijd op, wanneer u vóór het starten de contactsleutel in de rijstand (stand II) draait. Dit geeft aan dat de lampjes naar behoren werken.
Instrumenten, schakelaars en bediening Controle- en waarschuwingslampjes (vervolg) Als de waarschuwingssymbolen 5(06<67((0 en $%6 tegelijkertijd branden, kan er een storing in de remkrachtverdeling zijn opgetreden. • • • • 32 •Breng de auto op een veilige plaats tot stilstand en zet de motor af. Start de motor opnieuw. Als de beide symbolen weer doven, was er geen sprake van een werkelijke storing.
Instrumenten, schakelaars en bediening Gordelwaarschuwing Storing in SRS-systeem Parkeerrem aangezet Het lampje brandt, zolang de bestuurder en de voorpassagier de gordel niet hebben omgedaan. Als het waarschuwingssymbool oplicht, is er een storing in het SRS-systeem geregistreerd. Rijd de auto naar een erkende Volvo-werkplaats om het systeem te laten controleren. Let erop dat het lampje alleen aangeeft dát u de parkeerrem hebt aangezet en niet hoe hard.
Instrumenten, schakelaars en bediening Controle- en waarschuwingslampjes (vervolg) DSTC met RSC Het DSTC-systeem (Dynamic Stability and Traction Control) met RSC-systeem (Roll Stability Control) staat uitvoeriger beschreven op pagina 36 en pagina 108. Het systeem bestaat uit meerdere deelsystemen: :$$56&+8:,1* Onder normale omstandigheden zorgt het DSTC-systeem voor een betere wegligging. Dit mag echter voor u geen reden zijn om sneller te gaan rijden.
Instrumenten, schakelaars en bediening Displayberichten Wanneer er een controle- of waarschuwingssymbool oplicht, verschijnt er tevens een bericht op het display. Wanneer u het bericht gelezen en begrepen hebt, kunt u op de knop READ (A) drukken. Het bericht wordt dan van het display gewist en in het geheugen opgeslagen. Het bericht blijft in het geheugen opslagen, totdat u de onderliggende storing hebt laten verhelpen.
Instrumenten, schakelaars en bediening Schakelaars op middenconsole 1 2 3 4 5 6 7 8 1 % 'H RQGHUOLQJH SRVLWLH YDQ GH NQRSSHQ NDQ YDULsUHQ ³3DUNLQJ 6XSSRUW´ (extra) De “Parking Support” (parkeerhulpsysteem) is bij het starten van de motor altijd ingeschakeld. Druk op de knop om de “Parking Support” uit te schakelen/opnieuw in te schakelen. ,QNODSEDUH EXLWHQVSLHJHOV (extra) Met deze knop kunt u de elektrisch bediende buitenspiegels in- en uitklappen.
Instrumenten, schakelaars en bediening $LUFRQGLWLRQLQJ DFKWHU LQ SDVVDJLHUVUXLPWH (extra) Druk op de knop om de airconditioning achter in de passagiersruimte in te schakelen. De airconditioning achter in de passagiersruimte wordt uitgeschakeld, wanneer u het contact uitschakelt. 6DIHORFN IXQFWLH HQ DODUPVHQVRUHQ XLWVFKDNHOHQ Met deze knop kunt u de safelock-functie desgewenst uitschakelen (safelock houdt in dat portieren na vergrendeling niet meer van de binnenkant te openen zijn).
Instrumenten, schakelaars en bediening Verlichtingspaneel A B C A - Koplampen en stadslichten D - Mistlampen, vóór &RQWDFWVOHXWHO LQ VWDQG ,, Druk op de knop. De mistlampen vóór branden in combinatie met de stadslichten en het groot licht/dimlicht. De LED in de knop brandt, wanneer u de mistlampen hebt ingeschakeld. Alle verlichting uit.
Instrumenten, schakelaars en bediening Richtingaanwijzerhendel 7HUXJYHUHQGH VWDQG Bij het wisselen van rijstrook of inhalen duwt u de hendel zo ver omhoog of omlaag dat deze merkbaar weerstand biedt. De hendel keert in de ruststand terug, wanneer u deze loslaat. 1RUPDOH ERFKW De richtingaanwijzers gaan knipperen, wanneer u de hendel met het stuurwiel mee beweegt. Wanneer u het stuurwiel na de bocht weer in de uitgangspositie terugdraait, worden de richtingaanwijzers automatisch uitgeschakeld.
Instrumenten, schakelaars en bediening Ruitenwisser/-sproeier Regensensor (extra) De regensensor vervangt de intervalfunctie. De ruitenwissers gaan automatisch sneller of langzamer slaan afhankelijk van de hoeveelheid regen op de voorruit die de regensensor registreert. 8 NXQW GH JHYRHOLJKHLG van de sensor afstellen met behulp van de ring (zie afbeelding) op de wisserhendel.
Instrumenten, schakelaars en bediening Ruitenwissers, achteruitrijden Als u de auto in de achteruitversnelling zet terwijl de voorruitwissers actief zijn, zal de achterruitwisser automatisch in de intervalstand* gaan staan. Als de achterruitwisser echter al op normale snelheid werkt, vindt er geen wijziging in de wisfunctie plaats. * Deze functie (intervalfunctie tijdens het achteruitrijden) kunt u desgewenst uitschakelen. Neem daarvoor contact op met uw Volvo-dealer.
Instrumenten, schakelaars en bediening Alarmlichten, elektrisch verwarmde achterruit/buitenspiegels/voorstoelen Elektrisch verwarmde achterruit en buitenspiegels Alarmlichten Gebruik de alarmlichten (alle richtingaanwijzers knipperen), wanneer u de auto noodgedwongen tot stilstand moet brengen of moet parkeren op een plaats waar deze gevaar of hinder voor het overige verkeer oplevert. Druk op de knop om de alarmlichten in te schakelen.
Instrumenten, schakelaars en bediening Boordcomputer Bediening Functies Om toegang te krijgen tot de informatie van de boordcomputer moet u de ring (B) op de hendel stapsgewijs linksom of rechtsom draaien. Wanneer u na het laatste menu nogmaals aan de ring draait, keert u terug in de uitgangspositie. De boordcomputer krijgt een grote hoeveelheid gegevens binnen die voortdurend door een microprocessor worden beoordeeld.
Instrumenten, schakelaars en bediening Cruise control Tijdelijk uitschakelen Uitschakelen Druk op om de Cruise control tijdelijk uit te schakelen. Druk op CRUISE om de Cruise control uit te schakelen. De tekst “CRUISE” verdwijnt van het instrumentenpaneel. U kunt van de ingestelde snelheid afwijken, wanneer u op het rem- of koppelingspedaal trapt. De eerder ingestelde snelheid blijft in het geheugen opgeslagen. De Cruise control wordt bovendien uitgeschakeld, als...
Instrumenten, schakelaars en bediening Parkeerrem, motorkap, elektrische aansluiting e.d. 2 1 Parkeerrem Links op de vloer vindt u het parkeerrempedaal. U zet de parkeerrem aan door op het pedaal (1) te trappen. U lost de parkeerrem door de handgreep (2) uit te trekken. De parkeerrem werkt op de achterwielen. Wanneer de rem is aangezet, brandt het bijbehorende waarschuwingssymbool op het instrumentenpaneel.
Instrumenten, schakelaars en bediening Parkeerrem, motorkap, elektrische aansluiting e.d. (vervolg) Elektrische aansluiting voor achterpassagiers (extra) U kunt de elektrische aansluiting voor verschillende accessoires gebruiken die op een spanning van 12 V werken, zoals een mobiele telefoon of een cd-speler. U kunt maximaal 10 A via de aansluiting afnemen. Stuurwielafstelling Achterklep openen U kunt het stuurwiel zowel in de hoogte als in de lengte verstellen.
Instrumenten, schakelaars en bediening Elektrisch bediende ramen Met de schakelaars op de armleuning van de portieren kunt u de ramen elektrisch bedienen. U kunt de ramen alleen bedienen, wanneer de contactsleutel in stand I of II staat. Ook wanneer de auto stilstaat en u de contactsleutel hebt uitgenomen, kunt u de ramen nog steeds openen en sluiten zolang u geen van de voorportieren hebt geopend.
Instrumenten, schakelaars en bediening Elektrisch bediende ramen (vervolg) :$$56&+8:,1* Wanneer u de zijramen in de achterportieren met de knoppen op het bestuurdersportier sluit, moet u erop letten dat eventuele achterpassagiers niet met hun handen bekneld kunnen raken.
Instrumenten, schakelaars en bediening Achteruitkijkspiegel en buitenspiegels Buitenspiegels met geheugen (extra) Als de auto is uitgerust met buitenspiegels met geheugen, werkt het geheugen synchroon met dat van de bestuurdersstoel, pagina 70. A B Achteruitkijkspiegel Buitenspiegels A. Normale stand. De schakelaars waarmee u de twee buitenspiegels bedient vindt u voor op de armleuning van het bestuurdersportier. B. Anti-verblindingsstand.
Instrumenten, schakelaars en bediening Elektrisch bediend schuifdak (extra) +DQGPDWLJH EHGLHQLQJ 2SHQHQ: Trek de schakelaar achteruit naar het drukpunt (3). Het schuifdak schuif steeds verder open zolang u de schakelaar in deze stand vasthoudt. A 4 2 1 3 5 B 6 Openingsstanden De bedieningsknoppen voor het schuifdak zitten op het plafond.
Instrumenten, schakelaars en bediening Zonnescherm Beveiliging tegen overbelasting Aan de binnenkant van het schuifdak zit een handbediend zonnescherm. Het zonnescherm glijdt automatisch naar achteren bij het openen van het schuifdak. Doe het volgende om het zonnescherm te sluiten: Pak de handgreep beet en schuif het scherm naar voren. Het schuifdak is voorzien van een beveiliging tegen overbelasting die wordt geactiveerd, als het schuifdak door een bepaald voorwerp wordt gehinderd.
Instrumenten, schakelaars en bediening 52
Klimaatregeling Algemene informatie over de klimaatregeling 54 Handbediende klimaatregeling met airconditioning, AC 56 Elektronische klimaatregeling, ECC 60 Standverwarming (extra) 64 53
Klimaatregeling Algemene informatie over de klimaatregeling Beslagen ramen Auto’s met ECC Een probaat middel om het beslaan van de voorruit en/of andere ruiten tegen te gaan is poetsen. Gebruik een normaal poetsmiddel voor glaswerk. Let erop dat u vaker moet poetsen, als er in de auto gerookt wordt.
Klimaatregeling D D C A C A B B Luchtverdeling De binnenkomende lucht wordt verdeeld over meerdere blaasmonden die op verschillende punten in de auto zijn aangebracht. Blaasmonden in dashboard Blaasmonden in portierstijlen A. Open B. Dicht C. Luchtstroom naar links of rechts D. Luchtstroom omhoog of omlaag A. Open B. Dicht C. Luchtstroom naar links of rechts D. Luchtstroom omhoog of omlaag • Richt de buitenste blaasmonden op de zijramen om ze te ontwasemen.
Klimaatregeling Handbediende klimaatregeling met airconditioning, AC 2. Recirculatie 3. Luchtverdeling 4. Elektrisch verwarmde achterruit en buitenspiegels 1. AC aan/uit 9. Ventilator 8. Temperatuur linkerzijde • Als u het AC-systeem wilt inschakelen, moet u de ventilatorknop (9) uit stand 0 draaien. • Gebruik het AC-systeem ook bij lage temperaturen (0 tot 15 °C) om de inkomende lucht van vocht te ontdoen. 56 7. Schemeringssensor 6. Temperatuur rechterzijde 5.
Klimaatregeling 1. AC, ON/OFF De koel- en ontwasemingsfunctie van de airconditioning is actief, wanneer de LED (ON) brandt. De airconditioning is uitgeschakeld, wanneer de LED (OFF) brandt. Wanneer u op de ontdooierknop drukt, is de airconditioning ook altijd actief (voor zover de draaiknop voor de ventilatorsnelheid niet in stand 0 staat). • Telkens wanneer u op drukt, wordt de timerfunctie geactiveerd.
Klimaatregeling Handbediende klimaatregeling met airconditioning, AC (vervolg) 2. Recirculatie 3. Luchtverdeling 4. Elektrisch verwarmde achterruit en buitenspiegels 1. AC aan/uit 9. Ventilator 58 8. Temperatuur linkerzijde 7. Schemeringssensor 6. Temperatuur rechterzijde 5.
Klimaatregeling 4. Elektrisch verwarmde achterruit en buitenspiegels Met deze knop kunt u de achterruit en de buitenspiegels snel ontdoen van condens of ijs, zie pagina 42 voor meer informatie over deze functie. 9. Ventilator U kunt de snelheid waarmee de ventilator draait verhogen of verlagen door aan de knop te draaien. 5.
Klimaatregeling Elektronische klimaatregeling, ECC 3. Recirculatie 4. AUTO 5. Luchtverdeling 6. Interieurtemperatuursensor 2. Recirculatie/Combifilter met “Air Quality Sensor” 7. Ontdooien voorruit en zijramen 8. Elektrisch verwarmde achterruit en buitenspiegels 1. AC aan/uit 13. Ventilator 9. Elektrisch verwarmde voorstoelen 12. Temperatuur linkerzijde 11. Schemeringssensor 10. Temperatuur rechterzijde 14.
Klimaatregeling 1. AC, ON/OFF Wanneer de LED bij ON brandt, wordt het ACsysteem automatisch geregeld. De binnenkomende lucht wordt dan automatisch afgekoeld en van vocht ontdaan. Wanneer u gekozen hebt voor AC OFF en de LED bij OFF brandt, blijft het AC-systeem uitgeschakeld totdat u het weer handmatig inschakelt. De overige functies van de klimaatregeling worden nog steeds automatisch geregeld. Het AC-systeem werkt tot temperaturen tot ongeveer 0 °C.
Klimaatregeling Elektronische klimaatregeling, ECC (vervolg) 2. Recirculatie/ Combifilter met “Air Quality Sensor” 3. Recirculatie 4. AUTO 5. Luchtverdeling 6. Interieurtemperatuursensor 7. Ontdooien voorruit en zijramen 8. Elektrisch verwarmde achterruit en buitenspiegels 1. AC aan/uit 9. Elektrisch verwarmde voorstoelen 13. Ventilator 12. Temperatuur linkerzijde 11. Schemerings- 10. Temperatuur rechterzijde sensor 14.
Klimaatregeling 5. Luchtverdeling • Wanneer u de bovenste knop hebt ingedrukt, stroomt er lucht uit de openingen bij de ruiten. • Wanneer u de middelste knop hebt ingedrukt, stroomt er lucht uit de openingen ter hoogte van bovenlichaam en hoofd. • Wanneer u de onderste knop hebt ingedrukt, stroomt er lucht uit de openingen ter hoogte van benen en voeten. Druk op AUTO, wanneer u de automatische luchtverdeling weer wilt activeren. 6.
Klimaatregeling Standverwarming (extra) Korte druk op de knop RESET (C) weergave van uren en minuten U kunt de standverwarming meteen inschakelen of twee verschillende uitschakeltijden voor de standverwarming instellen: TIMER 1 en TIMER 2. Onder de uitschakeltijd wordt het tijdstip verstaan waarop de auto op de gewenste temperatuur is.
Klimaatregeling TIMER 1 en 2 instellen Tijdgestuurde verwarming uitschakelen Accu en brandstof Om veiligheidsredenen kunt u alleen uitschakeltijden voor het volgende etmaal programmeren en dus niet voor meerdere dagen tegelijk. Doe het volgende om de tijdgestuurde verwarming uit te schakelen voordat de timer dat doet: Als de accu niet voldoende opgeladen is of als de brandstoftank bijna leeg is, wordt de standverwarming uitgeschakeld. 1. Ga met de draairing (B) naar TIMER 1. 2.
Klimaatregeling 66
Interieur Voorstoelen 68 Achterbank 72 Interieurverlichting 74 Opbergmogelijkheden in passagierscompartiment 76 Bagageruimte 80 Opbergvakken in bagageruimte 85 Gevarendriehoek (bepaalde landen) 86 67
Interieur Voorstoelen Afstelling in de hoogte, voorstoel De voorzijde van het zitgedeelte van de beide voorstoelen kunt u in zeven verschillende standen zetten, de achterzijde in negen. Voorste hendel (A): Voorzijde zitting afstellen. Achterste hendel (B): Achterzijde zitting afstellen. Lendesteun Afstelling in de lengte Wanneer u de beugel optilt, kunt u de stoel naar voren of naar achteren schuiven.
Interieur Rugleuning voorstoel naar voren klappen U kunt de rugleuning van de passagiersstoel horizontaal vooroverklappen om lange voorwerpen te kunnen vervoeren. Klap de rugleuning als volgt naar voren: • Schuif de stoel zo ver mogelijk naar achteren. • Zet de rugleuning rechtop. • Trek de pallen aan de achterzijde van de rugleuning omhoog. • Klap tegelijkertijd de rugleuning naar voren.
Interieur Elektrisch bediende voorstoel (extra) Voorbereidingen Passagiersstoel: U kunt de stoel alleen verstellen, als de contactsleutel in stand I of II staat. %HVWXXUGHUVVWRHO U kunt de stoel alleen verstellen, als de contactsleutel in stand I of II staat. U kunt de bestuurdersstoel ook in de volgende gevallen verstellen: 1. Gedurende een periode van 40 seconden, nadat u de contactsleutel in stand 0 hebt gedraaid of uit het contactslot hebt genomen. 2. Gedurende een periode van ca.
Interieur Noodstop Als de stoel per ongeluk in beweging komt, kunt u op één van de knoppen drukken om de stoel tot stilstand te brengen. :$$56&+8:,1* Zorg dat er bij het afstellen geen voorwerpen vóór of achter de stoel liggen. Zorg er tevens voor dat geen van de achterpassagiers gekneld raakt. Vanwege het gevaar voor beknelling mag u kinderen niet met de schakelaars laten spelen.
Interieur Achterbank 1 2 A Achterbank, tweede zitrij (model met zeven zitplaatsen) Verschuifbare stoel (model met zeven zitplaatsen) Ruggedeelte vooroverklappen om in te stappen U kunt de middelste stoel van de tweede zitrij iets verder naar voren zetten dan de resterende stoelen. Wanneer u de middelste stoel naar voren schuift kunt u een kind op het geïntegreerde kinderzitje beter in de gaten houden vanaf de voorstoelen. • Til/trek de handgreep (1) omhoog en duw de middelste stoel naar voren.
Interieur :$$56&+8:,1* Zet de hoofdsteun alleen in de onderste positie, wanneer u het ruggedeelte van de stoel vooroverklapt of wanneer er niemand op de stoel zit. Na u de stoelen op de tweede en derde zitrij rechtop gezet hebt, moet u controleren of het ruggedeelte van de stoelen geblokkeerd is. Als dat niet het geval is, kan het beveiligingssysteem zijn werk niet doen.
Interieur Interieurverlichting De algemene verlichting wordt ingeschakeld om 10 minuten lang te blijven branden, wanneer... • één van de portieren openstaat; • de algemene verlichting niet wordt uitgeschakeld. De algemene verlichting gaat uit, wanneer... Algemene verlichting U schakelt de algemene verlichting in en uit, wanneer u op de middelste knop drukt.
Interieur Vloermatten Volvo biedt vloermatten aan die speciaal voor uw auto vervaardigd zijn. Zorg dat u de vloermatten goed in de bevestigingsklemmen voor matten aanbrengt en vastzet om te voorkomen dat ze achter of onder de pedalen aan bestuurderszijde blijven haken. Make-upspiegel Wanneer u het deksel van de make-upspiegel opklapt gaat het ingebouwde lampje branden.
Interieur Opbergmogelijkheden in passagierscompartiment 2SEHUJYDNNHQ HQ EHNHUKRXGHUV 3DUNHHUNDDUWKRXGHU 2SEHUJYDN RS GHUGH ]LWULM 'DVKERDUGNDVWMH 7DIHOWMH LQ PLGGHQFRQVROH +RXGHU YRRU ERRGVFKDSSHQWDVVHQ 2SEHUJYDN %HNHUKRXGHUV YRRU DFKWHUSDVVDJLHUV H[WUD :$$56&+8:,1* Zorg dat er geen harde, scherpe of zware voorwerpen in de opbergruimten liggen of er uitsteken om te voorkomen dat ze verwondingen kunnen veroorzaken bij een krachtige remmanoeuvre.
Interieur Pennenvak Dashboardkastje Kledinghaak Op het dashboard vindt u een vak waarin u pennen kunt bewaren. In het dashboardkastje kunt u bijv. het instructieboekje, wegenkaarten, pennen en een tankpas bewaren. Gebruik de kledinghaak voor niet al te zware kledingsstukken.
Interieur Opbergmogelijkheden in passagierscompartiment (vervolg) Asbak voor achterpassagiers (extra) Bekerhouder/flessenhouder voor achterpassagiers (extra) Opbergvakken en bekerhouders (model met zeven zitplaatsen) U opent de asbak door de bovenkant van het klepje naar buiten toe te klappen. Trek het insteekelement aan de onderkant openen. U kunt het insteekelement voor bekers als volgt verwijderen.
Interieur Tafeltjes in middenconsole Bekerhouders De middenconsole kan tevens dienst doen als tafeltje om bijv. eten en drinken op weg te zetten. U moet daarvoor de middenarmsteun naar achteren toe wegkleppen, zodat de achterpassagiers het onderliggende blad als “afeltje” kunnen gebruiken. Bekerhouders voor de bestuurders- en passagierszijde. Opbergvak op derde zitrij (model met zeven zitplaatsen) U kunt de opbergvakken gebruiken om bijv. pennen en kleine voorwerpen in te bewaren.
Interieur Bagageruimte 1 Bagageruimte vergroten, tweede zitrij 1. Zet de stoelen in de achterste stand (geldt alleen voor modellen met zeven zitplaatsen). 2. Klap de hoofdsteunen omlaag. 3. Hef de blokkering (1) op en klap het ruggedeelte voorover. Duw het ruggedeelte aan om het in neergeklapte stand te blokkeren. :$$56&+8:,1* Om veiligheidsredenen mag u geen passagiers op de derde zitrij vervoeren, als de hoofdsteunen van de buitenste zitplaatsen van de tweede zitrij omlaaggeklapt zijn.
Interieur • Breng de lading zo dicht mogelijk tegen de rugleuning van de achterbank aan. • Leg zware voorwerpen zo veel mogelijk plat op de vloer. • Breng zware lading dusdanig aan dat deze recht voor de deellijn in de rugleuning van de achterbank komt te zitten. • Zet de lading met sjorbanden aan de verankeringsogen vast. • Zorg dat de lading nooit boven de rugleuning uitsteekt, wanneer u geen gebruik maakt van een bagagenet.
Interieur Bagageruimte (vervolg) 1 Bagagenet Het bagagenet voorkomt dat bagage of lading uit de bagageruimte de passagiersruimte kan binnendringen bij krachtige remmanoeuvres. Het bagagenet is gemaakt van stevige nylonmateriaal en kan op twee verschillende manieren worden bevestigd: 1. Achter het ruggedeelte van de achterbank, 2. Achter de voorstoelen, als u de achterbank hebt neergeklapt. Bagagenet aanbrengen 1.
Interieur 9. Draai de beide bevestigingsbeugels beurtelings vast. 10. Breng de beschermdoppen aan op het blootliggende schroefdraadsegment boven de draaiknoppen. :$$56&+8:,1* Stalen bagagerek (extra) Het bagagerek in de bagageruimte voorkomt dat bagage of huisdieren bij krachtige remmanoeuvres de passagiersruimte in worden geslingerd. U moet het bagagerek voor de veiligheid altijd op de juiste manier bevestigen en verankeren. Breng het bagagerek als volgt aan: 1.
Interieur Bagageruimte (vervolg) Elektrische aansluiting in bagageruimte Bagagerolhoes (extra uitrusting, model met 7 zitplaatsen) Houder voor boodschappentassen Verwijder het kapje, wanneer u de aansluiting wilt gebruiken. De elektrische aansluiting werkt onafhankelijk van de stand van het contactslot. Trek de bagagerolhoes over de bagage heen uit en haak de hoes vast in de openingen die in de achterste stijlen van de bagageruimte zitten. Open het luik in de bagageruimte.
Interieur Opbergvakken in bagageruimte 4 3 2 3 4 2 1 1 PRGHO PHW YLMI ]LWSODDWVHQ Vakken onder vloer bagageruimte (model met vijf zitplaatsen) • Til het luik in de vloer van de bagageruimte op. Doe het volgende als uw auto is uitgerust met een houder voor boodschappentassen: • Til het vloerluik op en maak de bagagebanden van de houder voor de boodschappentassen los. Onder de vloer van de bagageruimte vindt u het volgende: 1. 2. 3. 4. 3. Gevarendriehoek 4.
Interieur Gevarendriehoek (bepaalde landen) Gevarendriehoek Houd u aan de bepalingen die gelden voor het gebruik van gevarendriehoeken in uw land. Gebruik de gevarendriehoek als volgt: • Haal de opberghoes met de gevarendriehoek los. De hoes zit met klittenband vast. • Haal de gevarendriehoek uit de hoes (A). • Klap de vier steunpootjes van de gevarendriehoek uit. • Klap de beide rode driehoekszijden uit.
Sloten en alarm Sleutels en afstandsbediening 88 Vergrendelen en ontgrendelen 90 Kinderslot 93 Alarmsysteem 95 87
Sloten en alarm Sleutels en afstandsbediening Sleutels, elektronische startblokkering Bij de auto worden twee hoofdsleutels en een servicesleutel geleverd. Eén hoofdsleutel is inklapbaar en voorzien van een ingebouwde afstandsbediening. +RRIGVOHXWHO Sleutel die op alle sloten past. Als u één van de sleutels verliest, moet u contact opnemen met een erkende Volvowerkplaats en alle resterende sleutels meenemen.
Sloten en alarm functie weer uit met een druk op een willekeurige knop van de afstandsbediening. Als u niets doet, wordt de paniekfunctie na 25 seconden automatisch uitgeschakeld. 4. “Approach”-verlichting Doe het volgende, wanneer u de auto nadert: • Druk op de gele knop (4) van uw afstandsbediening. De interieurverlichting, de stadslichten, de kentekenplaatverlichting en de lampjes in de buitenspiegels (extra) gaan branden.
Sloten en alarm Vergrendelen en ontgrendelen Auto van de buitenzijde vergrendelen en ontgrendelen Auto van de binnenzijde vergrendelen en ontgrendelen Met de hoofdsleutel of de afstandsbediening kunt u alle portieren en de achterklep gelijktijdig (vanaf de buitenkant) vergrendelen of ontgrendelen. De vergrendelingsknoppen en de openingshendels zijn dan niet meer vanaf de binnenkant te bedienen.
Sloten en alarm 1 % Als u van deze toets gebruik maakt om de achterklep te ontgrendelen ]RQGHU de klep te openen, wordt de klep twee minuten later automatisch opnieuw vergrendeld. Automatische vergrendeling Als u geen van de portieren noch de achterklep binnen twee minuten na ontgrendeling vanaf de buitenkant met de afstandsbediening opent, worden alle sloten automatisch weer vergrendeld. Deze functie voorkomt dat u de auto per ongeluk onvergrendeld kunt laten staan. Voor auto’s met alarm, zie pagina 95.
Sloten en alarm Vergrendelen en ontgrendelen (vervolg) Safelock-functie Bij activering van de zogeheten safelockfunctie zijn de portieren niet meer van de binnenzijde te openen, als ze eenmaal vergrendeld zijn. De safelock-functie kan alleen van de buitenzijde worden geactiveerd door het bestuurdersportier met de sleutel of de afstandsbediening te vergrendelen. Alle portieren moeten zijn gesloten, voordat u de safelock-functie kunt activeren.
Sloten en alarm Kinderslot A A B Handbediend kinderslot, achterportieren en achterklep De bedieningscilinders van het kinderslot (op bepaalde markten) vindt u achter op de korte kant van de achterportieren, zodat ze alleen bereikbaar zijn wanneer de portieren openstaan. Gebruik de contactsleutel van de auto om de bedieningscilinder te verdraaien en zo de kindersloten in of uit te schakelen. B A. Het portier kan wel vanaf de binnenkant worden geopend B.
Sloten en alarm Kinderslot (vervolg) 1 % Wanneer u het elektrisch kinderslot DFWLYHHUW, worden tegelijkertijd de instellingen van het handbediende kinderslot tenietgedaan. Elektrisch kinderslot, achterportieren (extra, bepaalde markten) Gebruik de knop op de middenconsole om het kinderslot op de achterportieren in of uit te schakelen. Het contactslot moet daarbij in stand I of II staan. De LED in de knop brandt om aan te geven dat het kindersloten is ingeschakeld.
Sloten en alarm Alarmsysteem Wanneer het alarm is ingeschakeld, worden alle beveiligde onderdelen continu gecontroleerd. Het alarm gaat af, als...
Sloten en alarm Alarmsysteem (vervolg) keer dat u het contact inschakelt, worden de sensoren weer geactiveerd. Als uw auto is uitgerust met de zogeheten safelock-functie, wordt ook deze functie tegelijkertijd geactiveerd, zie pagina 92. Alarmdiode op dashboard Een alarmdiode boven op het dashboard (zie afbeelding) geeft de status van het alarmsysteem aan: Alarmsensoren en safelockfunctie tijdelijk deactiveren Om te voorkomen dat het alarm afgaat wanneer u bijv.
Starten en rijden Algemene informatie 98 Tanken 100 Motor starten 101 Handgeschakelde versnellingsbak 102 Automatische versnellingsbak AW5en GM met Geartronic 103 Vierwielaandrijving 105 Remsysteem 106 Stabiliteitssysteem 108 “Parking Support” (extra) 110 Slepen 111 Starten met hulpaccu 112 Rijden met een aanhanger 113 Trekhaak (extra) 115 Lading op het dak 119 97
Starten en rijden Algemene informatie Zuinig rijden Op oneffen wegen rijden Zuinig rijden houdt in dat u anticiperend en rustig rijdt en uw rijstijl en snelheid afstemt op de heersende verkeerssituatie. Let op het volgende: • Laat de motor zo spoedig mogelijk op bedrijfstemperatuur komen! D.w.z. dat u de motor niet stationair moet laten lopen, maar zo spoedig mogelijk moet wegrijden en de motor licht moet belasten. • Een koude motor verbruikt meer brandstof dan een warme.
Starten en rijden Voorkom oververhitting van de motor en het koelsysteem met een geopende achterklep moet rijden, kunt u het volgende doen: In speciale omstandigheden, bijv. op steile hellingen en bij het vervoer van een zware lading, bestaat het gevaar dat de motor en het koelsysteem oververhit raken. Dit geldt in het bijzonder bij warm weer. • Doe alle ramen dicht. • Stuur de lucht naar de voorruit en de vloer en laat de ventilator op de hoogste snelheid draaien.
Starten en rijden Tanken Tankvuldop Benzine tanken De tankvuldop vindt u achter de tankvulklep in het spatscherm rechtsachter. 1 % Voeg nooit zelf reinigende additieven (dopes) aan de benzine toe zonder het uitdrukkelijke advies van een Volvo-werkplaats. Bij hoge buitentemperaturen kan er een bepaalde mate van overdruk in de brandstoftank ontstaan. Draai de tankvuldop dan langzaam open. Tank niet te veel brandstof in de tank.
Starten en rijden Motor starten U start de motor als volgt (benzine) 1. Trap op het parkeerrempedaal. 2. $XWRPDWLVFKH YHUVQHOOLQJVEDN Zet de keuzehendel in stand P of N. +DQGJHVFKDNHOGH YHUVQHOOLQJVEDN Zet de versnellingspook in de vrijstand en trap het koppelingspedaal volledig in. Dit is vooral van belang bij strenge kou. 3. Draai de contactsleutel in de startstand. Als de motor niet binnen 5 tot 10 seconden aanslaat, moet u de sleutel loslaten en een nieuwe startpoging doen.
Starten en rijden Handgeschakelde versnellingsbak Schakelstanden Blokkering achteruitversnelling Trap het koppelingspedaal tijdens het schakelen altijd zo ver mogelijk in. Haal uw voet na het schakelen weer van het koppelingspedaal af! Houd u aan het aangegeven schakelpatroon. Schakel de achteruitversnelling alleen in, wanneer de auto stilstaat! Om het brandstofverbruik zo laag mogelijk te houden moet u zoveel mogelijk gebruik maken van de 6de versnelling.
Starten en rijden Automatische versnellingsbak AW5- en GM met Geartronic P – Parkeerstand N – Neutraalstand Zet de keuzehendel in de parkeerstand, wanneer u de motor start of de auto parkeert. Stand N is de neutraalstand. In deze stand kunt u de motor starten, maar er is geen versnelling ingeschakeld.
Starten en rijden Handmatige schakelstanden keuzehendel Als u vanuit de automatische stand ' wilt overgaan op de handmatige standen, moet u de hendel naar links duwen. Als u vanuit stand 0$1 wilt overgaan op ', moet u de hendel naar rechts in stand ' duwen. De 3de, 4de en 5de versnelling hebben een slipvrije overbruggingsfunctie (lock-up), waardoor er beter op de motor kan worden afgeremd en er minder brandstof wordt verbruikt.
Starten en rijden Vierwielaandrijving AWD, “All Wheel Drive” De vierwielaandrijving van uw Volvo is altijd actief en voldoet aan zeer strenge eisen qua technische standaard. Bij het juiste gebruik ervan biedt vierwielaandrijving in vergelijking tot conventionele voor- of achterwielaandrijving de bestuurder grotere mogelijkheden om zich uit onvoorziene situaties op verschillende soorten ondergrond te redden. Vierwielaandrijving houdt in dat alle vier de wielen van de auto tegelijkertijd worden aangedreven.
Starten en rijden Remsysteem Als een remkring defect raakt Wanneer één van de remkringen defect is, moet u het rempedaal verder dan normaal intrappen. Het pedaal voelt bovendien iets minder stug aan. Ook moet u dan meer kracht uitoefenen voor hetzelfde remmende vermogen. De rembekrachtiging werkt alleen, als de motor loopt Als de auto rijdt of wordt gesleept met een uitgeschakelde motor, moet u ongeveer vijfmaal zoveel druk uitoefenen op het rempedaal.
Starten en rijden Anti-blokkeerremsysteem (ABS) Het ABS-systeem (Anti-lock Braking System) is ontworpen om te voorkomen dat de wielen tijdens het remmen geblokkeerd raken. Hierdoor kan tijdens het remmen een zo groot mogelijke respons van het stuurwiel worden verkregen. Het ABS-systeem zorgt ervoor dat de auto beter bestuurbaar blijft om bijvoorbeeld obstakels te kunnen ontwijken. Het ABS-systeem verbetert de totale remcapaciteit niet.
Starten en rijden Stabiliteitssysteem DSTC, Dynamisch stabiliteits- en tractieregelsysteem Het DSTC-systeem (Dynamic Stability and Traction Control) omvat meerdere functies: • 7UDFWLHUHJHOLQJ 7& (Traction Control) De tractieregeling brengt de aandrijfkracht voor een slippend wiel over op een aandrijfwiel dat niet slipt, door het slippende wiel af te remmen. Om de aandrijfkracht in een dergelijke situatie te verhogen kan het zijn dat u het gaspedaal verder dan normaal moet intrappen.
Starten en rijden Het waarschuwingssymbool licht op en dooft weer na ca. 2 seconden wanneer... • u de motor start. (Het lampje licht op om het systeem te testen.) De LED in de knop dooft en op het display verschijnt de melding “DSTC SPIN CONTROL UIT”, wanneer... • u de functie van het SC-systeem van het DSTC-systeem hebt beperkt met een druk op de knop DSTC. Het oranje waarschuwingssymbool licht op en blijft continu branden en de melding “TRACTIECONTROLE TIJDELIJK UIT” verschijnt op het display, wanneer...
Starten en rijden “Parking Support” (extra) Werking van “Parking Support” De “Parking Support” is bedoeld als hulpmiddel tijdens het parkeren. Bij gebruik van het systeem geven de luidsprekers van het audiosysteem een signaal af dat de afstand tot een obstakel achter de auto aangeeft. Wanneer u ondertussen naar een andere geluidsbron van het audiosysteem luistert, wordt het volume daarvan tijdelijk verlaagd.
Starten en rijden Slepen Motor niet op gang slepen Als u de motor van een auto met een handgeschakelde versnellingsbak op gang probeert te slepen, kan/kunnen de katalysator(en) beschadigd worden. Auto’s met een automatische versnellingsbak kunt u niet op gang slepen. Als de accu uitgeput is, moet u een opgeladen hulpaccu gebruiken. 6OHHSRRJ YRRU Als de auto gesleept moet worden • Zorg ervoor dat de contactsleutel in stand I staat, zodat het stuurslot niet werkt en de auto bestuurbaar is.
Starten en rijden Starten met hulpaccu 4 2 3 • Start de motor van de “hulpauto”. Laat de motor enkele minuten draaien op een toerental dat iets hoger ligt dan normaal, 1500 omw/min. • Start de motor van de auto met de uitgeputte accu. • Verwijder de kabels in omgekeerde volgorde. 1 % Kom niet aan de klemmen tijdens de startpoging (gevaar voor vonkvorming). 1 :$$56&+8:,1* Ga als volgt te werk om de auto met een hulpaccu te starten...
Starten en rijden Rijden met een aanhanger • De trekhaak van de auto moet van een goedgekeurd type zijn. • Als u een model met trekhaak bij Volvo hebt besteld wordt de auto compleet aangeleverd met de benodigde randuitrusting voor het gebruik van een aanhanger. Bij montage achteraf moet u contact opnemen met uw Volvo-dealer om te controleren of uw auto van de nodige uitrusting is voorzien om met een aanhanger te kunnen rijden.
Starten en rijden Rijden met een aanhanger in een Volvo met een automatische versnellingsbak • Zet bij het parkeren op hellingen eerst de parkeerrem aan, voordat u de keuzehendel in stand P zet. Zet bij het wegrijden op een helling eerst de keuzehendel in de rijstand en haal de auto vervolgens van de parkeerrem. • Kies op steile hellingen of in langzaam rijdend verkeer de juiste lageversnellingsstand. Zo voorkomt u dat de automatische versnellingsbak opschakelt.
Starten en rijden Trekhaak (extra) 1 % Controleer of de auto is uitgerust met een transmissie-oliekoeler, als u achteraf een trekhaak monteert. Vaste trekhaak (A) Let erop dat u de veiligheidskabel altijd aan de daarvoor bestemde bevestiging vastmaakt, zie figuur! A Afneembare trekhaak (B) Volg altijd nauwkeurig de montagevoorschriften op.
Starten en rijden %HYHVWLJLQJVSXQWHQ RQGHU GH DXWR Specificaties Afstand A in de bovenstaande figuur: Afstand B in de bovenstaande figuur: Vaste trekhaak: = Vaste trekhaak: = 1124 mm Afneembare trekhaak: = 1124 mm Max.
Starten en rijden Afneembare trekhaak, monteren 1 2 ONTGRENDELD 3 ONTGRENDELD B Verwijder de beschermkap. 4 Steek de sleutel in het slot en draai de sleutel rechtsom in de ontgrendelde stand. 5 BLOKKEREN Duw het kogelsegment zover op de koppelpen dat het blokkeert. Wees voorzichtig, omdat de handgreep met kracht in positie schiet! Houd het kogelsegment vast en draai de handgreep rechtsom in de vergrendelde stand.
Starten en rijden Afneembare trekhaak, demonteren 1 ONTGRENDELD 2 ONTGRENDELD Steek de sleutel in het slot en draai de Draai de handgreep linksom in de sleutel rechtsom in de ontgrendelde stand. vergrendelde stand. 4 VERGRENDELD Draai de sleutel linksom in de vergrendelde stand. Neem de sleutel uit het slot. 118 5 Schuif de beschermkap over de koppelpen zoals aangegeven in de figuur. 3 Trek het kogelsegment van de koppelpen.
Starten en rijden Lading op het dak Positie van lasdragers (accessoire) Zorg dat u de lastdrager in de juiste positie op de dakrelingen (rails) aanbrengt. U kunt de lastdragers in iedere gewenste stand over de volle lengte van de dakrelingen aanbrengen. Wanneer u geen lading op het dak vervoert, moet u de voorste lasdrager ca.
Starten en rijden Waar u bij het gebruik van lastdragers op moet letten • Om schade aan de auto te voorkomen en op een veilige manier lading op het dak te kunnen vervoeren, adviseren wij u alleen gebruik te maken van de lastdragers die Volvo speciaal voor uw auto ontwikkeld heeft. • Controleer regelmatig of de lastdragers en de lading goed vastzitten. Zet de lading stevig vast met sjorbanden! • De maximale dakbelasting bedraagt 100 kg (incl. lastdragers).
Wielen en banden Algemene informatie 122 Bandenspanning 125 Wielen verwisselen 126 121
Wielen en banden Algemene informatie Algemene informatie over wielen en banden bandentype geldt. De meest voorkomende snelheidsklassen staan in de onderstaande tabel. Op alle autobanden staat een bepaalde maataanduiding. Een voorbeeld van een dergelijke aanduiding is 5 +. Let erop dat de aangegeven snelheid de maximumsnelheid is.
Wielen en banden Winterbanden 6QHHXZNHWWLQJHQ Voor alle XC90-modellen met vijf zitplaatsen of zonder een T6-motor adviseert Volvo winterbanden met de maten 225/70 R16. Voor de modellen met een T6-motor of zeven zitplaatsen adviseert Volvo winterbanden met de maten 235/65 R17. Het gebruik van sneeuwkettingen is alleen toegestaan op de voorwielen. Gebruik altijd winterbanden op alle vier de wielen! 1 % Neem contact op met uw Volvo-dealer voor advies over de beste velgen en banden voor uw auto.
Wielen en banden Banden met slijtageindicatoren De slijtage-indicatoren bestaan uit smalle ophogingen die dwars op het profiel staan (de letters TWI op de zijkant van de band geven aan dat de band is uitgerust met slijtage-indicatoren). Wanneer een band dusdanig versleten is dat de profieldiepte nog slechts 1,6 mm bedraagt, zijn de indicatoren duidelijk zichtbaar en moet u de band ]R VSRHGLJ PRJHOLMN vervangen.
Wielen en banden Bandenspanning De bandenspanning is belangrijk! Controleer de bandenspanning regelmatig. Als u met de verkeerde bandenspanning rijdt, is het rijgedrag van de auto opvallend veel slechter en slijten de banden sterker dan normaal. Bandenspanning Op de sticker aan de binnenzijde van de tankvulklep staat de juiste bandenspanning voor uw auto aangegeven. Let erop dat de waarden in de tabel gelden voor koude banden (buitentemperatuur).
Wielen en banden Wielen verwisselen Reservewiel, terugplaatsen Het is handigst als u iemand u helpt bij het terugplaatsen van het reservewiel. Eén van u beiden draait aan de slinger, terwijl de ander het wiel in de juiste richting duwt. Reservewiel, te voorschijn halen Het reservewiel zit onder de auto. U kunt het met de slingerdelen uit de gereedschapstas en onder het vloerluik losmaken, zie pagina 85. Maak het reservewiel als volgt los: 1. Klap het onderste gedeelte van de achterklep omlaag. 2.
Wielen en banden :$$56&+8:,1* 'H NULNVWHXQSXQWHQ ]LWWHQ LQ KHW PLGGHQ GH RQGHU GH SRUWLHUHQ Wielen verwisselen Let erop dat u de gevarendriehoek opzet, wanneer u een wiel moet verwisselen aan de kant van de weg. Er zitten twee kriksteunpunten aan weerszijden van de auto. Deze steunpunten zitten in het midden onder de portieren. :$$56&+8:,1* Controleer of u gebruik maakt van de juiste steunpunten. Tussen de kriksteunpunten op de auto is een speciale kriksteunpunt voor productiedoeleinden aangebracht.
Wielen en banden Wielen verwisselen (vervolg) :LHO PRQWHUHQ 5. Zet de krik onder een kriksteunpunt neer en breng de krik zo ver omhoog dat deze tegen de bodemplaat van de auto aankomt. Controleer of u de krik juist hebt aangebracht onder het kriksteunpunt, voordat u de auto van de grond krikt. Stel de krik vervolgens dusdanig af dat de voet van de krik loodrecht onder het kriksteunpunt van de auto zit. Zie afbeelding.
Verzorging Schoonmaken 130 Lakschade herstellen 132 Roestwering 133 129
Verzorging Schoonmaken Was de auto regelmatig! Was de auto zodra deze vuil geworden is. Dit is met name‘s winters van belang, omdat strooizout en vocht al snel aanleiding kunnen geven tot corrosie. Was de auto als volgt: • Spoel zorgvuldig het vuil van het onderstel van de auto. • Spoel de auto in zijn geheel af om het vuil los te weken. Let op het volgende bij gebruik van een hogedrukreiniger: Houd bij het wassen de spuitkop van de hogedrukreiniger ten minste 30 cm van de carrosserie af.
Verzorging Bekleding reinigen Veiligheidsgordel schoonmaken Behandeling van vlekken op textiel Uw Volvo-dealer heeft een speciaal reinigingsmiddel voor stoffen bekleding. Andere reinigingsmiddelen kunnen de brandvertragende eigenschappen van de bekleding aantasten. Gebruik water en een synthetisch wasmiddel. Behandeling van vlekken op vinyl Krab of wrijf QRRLW over een vlek. Gebruik QRRLW sterke ontvlekkingsmiddelen. Neem het vinyl af met een milde zeepoplossing en handwarm water.
Verzorging Lakschade herstellen Lak De lak vormt een belangrijk onderdeel van de roestwering van de auto en moet daarom regelmatig worden gecontroleerd. Lakschade moet u meteen herstellen om roestvorming te voorkomen.
Verzorging Roestwering Roestwering, controleren en bijwerken Uw auto heeft in de fabriek een uiterst grondige en complete roestwerende behandeling ondergaan. De carrosserie bestaat ten dele uit gegalvaniseerd plaatwerk. Het onderstel is voorzien van een slijtvaste bodembescherming “undercoating”. In de langsdragers, de holle ruimten en de gesloten profielen werd een dunne, penetrerende roestwerende vloeistof gespoten.
Verzorging 134
Onderhoud en service Volvo Service 136 Onderhoud 137 Motorkap en motorruimte 138 Diesel 139 Oliën en vloeistoffen 140 Wisserbladen 144 Accu 145 Gloeilampen 147 Gloeilampen vervangen 148 Zekeringen 155 135
Onderhoud en service Volvo Service Volvo Serviceprogramma Ongunstige rijomstandigheden Milieuzorg Voordat de auto de fabriek verliet, werd deze uitvoerig getest. De auto werd nogmaals gecontroleerd naar de normen van Volvo Car Corporation, net voordat de auto aan u werd geleverd. Bij gebruik van de auto in ongunstige rijomstandigheden wordt u geadviseerd de motorolie, het oliefilter en het luchtfilter vaker te verversen/vervangen dan aangegeven in het Service- en garantieboekje.
Onderhoud en service Onderhoud • Als u de auto met een tweekoloms hefbrug omhoogbrengt, moet u zorgen dat de voorste en achterste dragerarmen onder de hefpunten bij de drempelkokers komen te zitten, zie figuur. :$$56&+8:,1* Verricht QRRLW zelf reparaties aan het SRS- of SIPS-airbagsysteem. Ingrepen in het systeem kunnen aanleiding geven tot storingen in de werking en ernstige verwondingen veroorzaken. Laat dergelijke ingrepen daarom over aan een erkende Volvo-werkplaats.
Onderhoud en service Motorkap en motorruimte 9 10 11 8 7 6 5 1 4 2 3 Motorkap openen Motorruimte 1. Trek aan de ontgrendelingshandgreep uiterst links onder het dashboard (of rechts op modellen met het stuur rechts). U hoort dat de slotpal losschiet. 2. Steek uw hand rechts onder de voorzijde van de motorkap (onder de grille). 3. Duw de handgreep van de slotpal omhoog. 4. Laat de handgreep weer los. 5. Open de motorkap. 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8.
Onderhoud en service Diesel Brandstofsysteem Dieselmotoren zijn gevoelig voor verontreinigingen. Maak daarom alleen gebruik van dieselolie van de gerenommeerde oliemaatschappijen. Giet nooit dieselolie van twijfelachtige kwaliteit in de tank. De grote oliemaatschappijen hebben tevens een speciale dieselolie bestemd voor gebruik tijdens de wintermaanden. Deze dieselolie is dunner bij lage temperaturen en beperkt de kans op uitvlokkingen in het brandstofsysteem.
Onderhoud en service Oliën en vloeistoffen Oliekwaliteit: %HQ]LQHPRWRUHQ $&($ $ U mag ook olie gebruiken die voldoet aan de kwaliteitsnorm ACEA A3. Let erop dat een bepaalde soort olie kan voldoen aan zowel ACEA A1 als ACEA B1. Dit ongeacht de vraag of de gebruikte olie van minerale oorsprong is of geheel of gedeeltelijk van synthetische aard is. 'LHVHOPRWRUHQ $&($ % Let erop dat een bepaalde soort olie kan voldoen aan zowel ACEA A3, ACEA B3 als ACEA B4.
Onderhoud en service MIN MAX Ca. 1,5 liter voor benzinemotoren Ca. 2,0 liter voor dieselmotoren Oliepeil controleren Volvo adviseert u het oliepeil om de 2500 km te controleren. Het is buitengewoon belangrijk dat u het oliepeil van de motor controleert, voordat de olie de eerste keer volgens schema moet worden ververst. Parkeer de auto op een egale ondergrond, zet de motor af en wacht ten minste vijf minuten, zodat de olie terug het carter in kan lopen.
Onderhoud en service Oliën en vloeistoffen (vervolg) Controleer de koelvloeistof regelmatig! De koelvloeistof moet tussen het MIN- en MAX-streepje op het expansiereservoir staan. Als u het reservoir niet goed gevuld houdt, kan de temperatuur in het systeem plaatselijk dusdanig hoog oplopen dat er gevaar voor schade (scheurvorming) in de cilinderkop ontstaat. Vul koelvloeistof bij, wanneer het peil tot onder het MIN-streepje is gezakt. 5HVHUYRLU VSURHLHUYORHLVWRI .
Onderhoud en service 1 % Wanneer uw vaak met uw auto in de bergen of in landen met een tropisch klimaat en een hoge relatieve luchtvochtigheidsgraad rijdt, moet u de remvloeistof ieder jaar verversen. Verversing van de remvloeistof maakt weliswaar geen deel uit van het serviceschema, maar kan het beste tijdens een servicebeurt in uw Volvo-werkplaats worden uitgevoerd.
Onderhoud en service Wisserbladen Wisserbladen voorruit vervangen 1. Klap de wisserarm uit en houd het wisserblad onder 45° ten opzichte van de wisserarm. Druk de borgveer op het wisserblad in. 2. Trek het complete wisserblad omlaag, zodat het oog van de wisserarm door het gat in de wisserbladhouder gaat. 3. Til het wisserblad vervolgens omhoog, zodat het oog van de wisserarm aan de zijkant van de wisserbladhouder kan passeren.
Onderhoud en service Accu Onderhoud van de accu De rijomstandigheden, de rijstijl, het aantal startpogingen, de weersomstandigheden e.d. zijn stuk voor stuk van invloed op de levensduur en de werking van de accu. . Belangrijk! Herhaaldelijk gebruik van de standverwarming en soortgelijke grote stroomverbruikers bij korte ritten kan ertoe leiden dat de accu uitgeput raakt en startproblemen opleveren.
Onderhoud en service Accu (vervolg) Afvoer van knalgas Accu vervangen De accu kan het zeer explosieve knalgas produceren. Om te voorkomen dat dit knalgas in de bagageruimte blijft hangen, is er een ontluchtingsslang om het gas af te voeren. Als u de accu om wat voor reden dan ook moet vervangen, moet u altijd zorgen dat u de ontluchtingsslang op de nieuwe accu aansluit op de afvoeropening in de carrosserie.
Onderhoud en service Gloeilampen 9. Kentekenplaatverlichting W5W Stadslichten W5W in koplampen Zijmarkeringslichten W5W Zijrichtingaanwijzers (oranje) W5W 10. Mistlampen, vóór 55W H1 11. Mistachterlicht 21W BA5 12. Achterlichten P21 4 W Uw auto is voorzien van de onderstaande gloeilampen: 1. Dimlicht 55W H7 Groot licht 55W H7 2. Bi-Xenon (extra) 35W D2R (gasontladingslamp) 3. Achteruitrijlichten 21W BA 15 4. Remlichten 21W BA15 5. Richtingaanwijzers achter (oranje) PY21W 6. Richtingaanwijzers voor H21W 7.
Onderhoud en service Gloeilampen vervangen 1 5 Dimlicht, groot licht, richtingaanwijzers, stadslichten en zijmarkeringslichten Bij het vervangen van de gloeilampen van het dimlicht, groot licht en de stadslichten moet u eerst het lampelement in zijn geheel verwijderen. Verwijder de gloeilampen door het lampelement als volgt te verwijderen en volg daarna de specifieke aanwijzingen voor de verschillende gloeilampen op. 1. Schakel alle lichten uit en draai de contactsleutel in stand 0. 2. Open de motorkap.
Onderhoud en service Gloeilamp dimlicht Gloeilamp groot licht 1. Draai de buitenste afdekking linksom los. 2. Trek de connector los. 3. Maak de veerklem los. Duw de klem eerst naar rechts zodat de veerklem loskomt en haal de klem vervolgens schuin naar buiten toe omlaag. 4. Trek de gloeilamp naar buiten. 5. Breng de nieuwe gloeilamp aan. Dit kan slechts op één manier. 6. Druk de veerklem omhoog en iets naar links, zodat deze in de pal vast komt te zitten. 7. Druk de connector in positie terug. 8.
Onderhoud en service Gloeilampen vervangen (vervolg) 55W H1 W5W (oranje) Richtingaanwijzers Zijrichtingaanwijzers Mistlampen, vóór De lamphouder is voorzien van een bajonetfitting. 1. Schakel alle lichten uit en draai de contactsleutel in stand 0. 2. Probeer voorzichtig met een platte schroevendraaier het lamphuis los te halen. 3. Draai de lamphouder een kwartslag linksom en trek deze recht naar buiten toe. 4. Trek de defecte gloeilamp recht naar buiten toe. 5.
Onderhoud en service 1 B 2 C D A 3 4 D Positie van gloeilampen in achterlamphuis 1. 2. 3. 4. Richtingaanwijzers Remlichten Achteruitrijlichten Achterlichten PY 21 W (oranje) 21 W BA 15 21 W BA 15 P21/4W Gloeilampen in achterlamphuis 1. Schakel alle lichten uit en draai de contactsleutel in stand 0. 2. Klap het onderste gedeelte van de achterklep omlaag en open het vloerluik. 3. Als uw auto is uitgerust met een houder voor boodschappentassen (extra), moet u de steunband van deze houder losnemen.
Onderhoud en service Gloeilampen vervangen (vervolg) W5W W5W Mistachterlicht Kentekenplaatverlichting Instapverlichting 1. Steek een platte schroevendraaier bij de pijl op de afbeelding naar binnen. 2. Beweeg het lampelement naar buiten toe. 3. Draai het lampelement linksom en trek de gloeilamp naar buiten. 4. Vervang de gloeilamp. 1. Schakel alle lichten uit en draai de contactsleutel in stand 0. 2. Draai de schroef los met een schroevendraaier. 3.
Onderhoud en service Gloeilamp in achterklep Make-upspiegel 1. Steek een schroevendraaier achter het lamphuis en verdraai deze iets, zodat het lamphuis loskomt. 2. Verwijder de defecte gloeilamp. 3. Breng een nieuwe gloeilamp aan. Controleer of de gloeilamp werkt. 4. Plaats het lamphuis terug. 1. Steek een platte schroevendraaier naast de middelste clip onder aan het spiegelelement. Beweeg het spiegelelement omhoog, zodat de middelste clip loskomt. 2.
Onderhoud en service Gloeilampen vervangen (vervolg) Leeslampjes achterin De gloeilampjes zijn van een speciaal type. Wij raden u aan de vervanging door een Volvowerkplaats te laten uitvoeren.
Onderhoud en service Zekeringen Om te voorkomen dat de elektrische systemen van uw auto beschadigd raken door kortsluiting of overbelasting, zijn alle verschillende elektrische functies en componenten door een aantal zekeringen beschermd.
Onderhoud en service Zekeringen (vervolg) A. Relais-/zekeringenkastje in de motorruimte $ Het zekeringenkastje in de motorruimte biedt plaats aan 24 zekeringen. Let erop dat u een doorgebrande zekering altijd vervangt door een nieuwe zekering met dezelfde kleur en hetzelfde amperage. =HNHULQJWUHNNHU ,QWDFWH ]HNHULQJ 'RRUJHEUDQGH ]HNHULQJ Zekeringen in de motorruimte 1U $PSHUDJH 1. Standverwarming (extra)..................................................................25 2. Verstralers (extra) ......
Onderhoud en service B. Zekeringenkastje in de passagiersruimte De zekeringen zitten achter het luikje aan de korte kant van het dashboard. U vindt er ook een aantal reservezekeringen. 1U $PSHUDJH 1. Ventilator klimaatregeling ................................................................30 2. Versterker audiosysteem...................................................................30 3. Elektrisch bediende stoel (bestuurderszijde)....................................30 4.
Onderhoud en service Zekeringen (vervolg) C. Relais- en zekeringenkastje in de bagageruimte =HNHULQJWUHNNHU ,QWDFWH ]HNHULQJ 'RRUJHEUDQGH ]HNHULQJ 1U $PSHUDJH 1. Achterste elektronische module (REM), verlichting (bagageruimte) ..................................................................................10 2. Mistachterlicht..................................................................................10 3. Remlichten ............................................................................
Infotainment Infotainment 160 Bedieningspanelen 161 Functies Infotainmentsysteem 165 Functies radio 170 Cd/md (extra) 182 Cd-wisselaar (extra) 184 Menu-instellingen en menuselectie, audio 187 Telefoonsysteem 189 Telefoonfuncties (extra) 191 Menu-instellingen en menuselectie, telefoon 199 159
Infotainment Infotainment Informatie en amusement Het Infotainmentsysteem bestaat uit een geïntegreerd audio- en telefoonsysteem. Het Infotainmentsysteem kunt u handig en eenvoudig bedienen vanaf het gemeenschappelijke bedieningspaneel of de toetsenset op het stuur. Op het display staat altijd aangegeven welke functie er in gebruik is. De XC90 is uitgerust met Dolby Surround Pro Logic II (extra). Dit systeem zorgt voor een zeer realistische geluidsweergave met een breed en natuurlijk geluidsprofiel.
Infotainment Bedieningspanelen 3 4 5 6 7 8 2 1 9 10 11 12 13 20 19 18 14 17 $DQ XLW DXGLRV\VWHHP 9ROXPHUHJHOLQJ 9RRUNHXUWRHWV FG 9RRUNHXUWRHWV $0 )0 )0 ± )0 ±$0 'LVSOD\ (17(5 PHQX RSWLHV NLH]HQ HHQ NHX]H DFWLYHUHQ RI WHOHIRRQ DFWLYHUHQ GLH VWDQG E\ VWDDW $DQ XLW VWDQG E\ WHOHIRRQ 16 15 0< .
Infotainment Bedieningspanelen (vervolg) 1 Menusysteem Met het menusysteem kunt u instellingen controleren of wijzigen en nieuwe functies in het systeem programmeren. De verschillende menu-opties verschijnen op het display. Wanneer menu-opties gevolgd worden door een aantal punten bestaan er meerdere subniveaus. Druk op de toets MENU (1) om het menusysteem te openen.
Infotainment 1 Aansluiting voor hoofdtelefoon (extra) De passagiers beschikken over hoofdtelefoonaansluitingen in de portierstijlen achter de tweede zitrij. Zo kunnen er meerdere personen tegelijk elk naar hun eigen geluidsbron luisteren, zonder elkaar te storen. Op elke aansluiting zijn twee hoofdtelefoons aan te sluiten. • Met de toets SEL kunt u de verschillende geluidsbronnen doorbladeren. • Met de pijltoetsen of kunt u van nummer wisselen op de cd/md of van radiozender veranderen.
Infotainment Bedieningspanelen (vervolg) 1 4 2 5 3 6 7 8 9 Afstandsbediening (extra) 0(025< VODDW GH JHYRQGHQ UDGLR ]HQGHUV RS 6OD HHQ ]HQGHU DOV YROJW RS • Druk op de toets MEMORY. • Selecteer PRESET met PRESET/DISC (5). • Bevestig uw keuze met de toets MEMORY.
Infotainment Functies Infotainmentsysteem 3 4 2 1 Aan/uit-knop, audiosysteem Geluidsbron kiezen Druk op de knop POWER (1) om het audiosysteem in of uit te schakelen. U kunt op twee verschillende manieren een geluidsbron kiezen: Als u de motor afzet terwijl het audiosysteem actief is, zal het audiosysteem de volgende keer dat u de motor start opnieuw actief zijn. Met de selectietoetsen CD (2) en AM/FM (3) of met de knop SELECTOR (4).
Infotainment Functies Infotainmentsysteem (vervolg) 1 Volumeregeling Draai de knop (1) rechtsom of linksom om het volume te verhogen of te verlagen. De volumeregeling verloopt elektronisch en kent geen eindstanden. U kunt het volume ook verhogen of verlagen met de toetsen (+) of (–) van de toetsenset op het stuurwiel mits de telefoon niet actief is. Pauzestand Wanneer u het volume op nul hebt afgeregeld, staat de cd/md-speler in de pauzestand. Activeer de speler in dat geval door het volume te verhogen.
Infotainment 1 2 Geluidsregeling 1. Druk op de toets SOUND (1). 2. Druk net zolang op de toets SOUND totdat de aanduiding van de functie verschijnt die u wilt bijregelen. U hebt de keuze uit BASS, TREBLE, FADER, BALANCE, SUBWOOFER (extra), CENTRE (extra) en SURROUND (extra). 3. Regel het niveau bij met de knop SELECTOR (2). Op het display verschijnt een schaal van MIN tot MAX. De functie is normaal gesproken op de middelste stand afgesteld.
Infotainment Functies Infotainmentsysteem (vervolg) SURROUND (extra) Dolby Surround Pro Logic II In combinatie met een centrale luidspreker in het midden van het dashboard zorgt Dolby Surround Pro Logic II voor een zeer realistische geluidsweergave. De normale stereokanalen links en rechts worden dan opgedeeld in links, midden en rechts. Bovendien produceren de luidsprekers achterin het zogeheten “ambient surround sound”. Dit effect evenaart de nagalm in de opnameruimte.
Infotainment Basluidsprekers, SUBWOOFER (extra) De basluidspreker ondersteunt het audiosysteem en zorgt voor een voller geluidsbeeld en een diepere basweergave. 1. Kies voor AUDIO SETTINGS in het menu en druk op ENTER. 2. Kies voor SUBWOOFER en druk op ENTER. Een kruisje in het selectievakje geeft aan dat u voor SUBWOOFER hebt gekozen. Equalizer FR (extra) Equalizer RR (extra) De functie Equalizer FR gebruikt u om de geluidsweergave van de voorste luidsprekers fijn af te regelen.
Infotainment Functies radio 1 2 Zenders zoeken • Kies een golflengte AM/FM1/FM2 met de knop SELECTOR (2) of de toets AM/FM (1). • Druk de toets of korte tijd in om de eerstvolgende goed doorkomende zender op te zoeken. • Druk nogmaals op één van de toetsen om een andere zender te zoeken. 170 Handmatig een bekende frequentie instellen 1. Druk op de toets of en houd deze ingedrukt. Op het display verschijnt de tekst MAN.
Infotainment 1 Zenders opslaan U kunt als volgt een favoriete radiozender opslaan onder één van de voorkeurtoetsen 0–9 (1) voor radiozenders: 1. Stel de gewenste radiozender in. 2. Druk op de voorkeurtoets waaronder u de zender wilt opslaan en houd de toets ingedrukt. Het geluid valt enige seconden weg en op het display verschijnt STATION STORED. De zender is daarmee opgeslagen. U kunt tot 10 radiozenders per golflengte (AM, FM1 en FM2), dus in totaal 30 zenders opslaan.
Infotainment Functies radio (vervolg) Automatisch zenders opslaan, AUTOSTORE Met behulp de functie AUTOSTORE kunt u tot tien goed te ontvangen AM- of FM-zenders opzoeken en deze opslaan in een afzonderlijk geheugen. Als er meer dan tien zenders gevonden worden, worden alleen de tien best doorkomende zenders geselecteerd. Deze functie is met name handig in gebieden, waar u de radiozenders en hun frequenties niet kent. 1. Kies een golflengte met de knop SELECTOR of de toets AM/FM. 2.
Infotainment 1 Scannen, SCAN “Radio Data System”, RDS Bij activering van de functie scannen zoekt de radio automatisch de dichtstbijzijnde radiozender (AM of FM) met een krachtig signaal op. Wanneer de radio een zender heeft gevonden, wordt het scannen ca. 8 seconden stopgezet. De radio gaat daarna verder met scannen. RDS is een systeem dat radiozenders binnen een netwerk met elkaar verbindt.
Infotainment Functies radio (vervolg) Nieuws, NEWS Met de functie NEWS kunt u ervoor zorgen dat de weergave van andere geluidsbronnen zoals een cd wordt onderbroken voor een nieuwsbulletin. 1. Kies een golflengte met de knop SELECTOR of de toets AM/FM. 2. Kies voor NEWS en druk op ENTER. 3. De tekst NEWS verschijnt op het display. 4. Kies nogmaals voor NEWS en druk op ENTER om de functie NEWS uit te schakelen. 174 Bij activering van deze functie krijgt u nieuwsbulletins binnen van RDS-zenders.
Infotainment Verkeersinformatie, TP Bij activering van de functie TP krijgt u verkeersinformatie binnen van RDS-zenders. Als u een andere geluidsbron dan de radio beluistert, wordt deze weergave onderbroken en ontvangt u de verkeersinformatie op het volume voor het beluisteren van verkeersinformatie dat u tevoren hebt ingesteld. Na afloop van de verkeersinformatie hervat het audiosysteem de weergave van de voorgaande geluidsbron op het oude volume. 1. Kies voor TP in het menu en druk op ENTER. 2.
Infotainment Functies radio (vervolg) Radiotekst Alarm Sommige RDS-zenders geven informatie door over de inhoud van de programma’s, de uitvoerende artiesten e.d. Dergelijke informatie kan dan in tekstvorm op het display verschijnen. Alarmmeldingen worden altijd automatisch doorgegeven, zodat u de functie niet kunt uitschakelen. 1. Druk op de toets MENU. 2. Kies voor RADIOTEXT in het menu en druk op ENTER. 3. Kies nogmaals voor RADIOTEXT en druk op ENTER om de functie uit te schakelen.
Infotainment Programmatype, PTY Met de functie PTY kunt u programma’s met een bepaald onderwerp kiezen. U hebt de keuze uit de programmatypes die in de nevenstaande lijst staan. PTY weergeven Tot welk PTY behoort de zender die u beluistert? 1. Kies voor RADIO SETTINGS in het menu en druk op ENTER. 2. Kies voor PTY in het menu en druk op ENTER. 3. Kies voor SHOW PTY en druk op ENTER. Het PTY van de zender die u beluistert verschijnt vervolgens op het display.
Infotainment Functies radio (vervolg) Zender met een bepaald programmatype (PTY) zoeken U kunt de radio een zender met een bepaald soort programma’s laten opzoeken op de aangegeven golflengte. 1. Kies FM1 of FM2 en druk op de toets MENU. 2. Kies voor RADIO SETTINGS en druk op ENTER. 3. Kies voor PTY en druk op ENTER. 4. Kies voor SELECT PTY en druk op ENTER. 5. Druk op ENTER om een of meer van de opgesomde programmatypes te selecteren.
Infotainment Verkeersinformatie, TP STATION In het menu TP STATION kunt u aangeven van welke radiozender u verkeersinformatie wenst te ontvangen. Let erop dat de functie alleen werkt wanneer het symbool ))) op het display staat. 1. Stem af op de radiozender met de verkeersinformatie die u wilt ontvangen. 2. Kies voor RADIO SETTINGS in het menu en druk op ENTER. 3. Kies voor TP en druk op ENTER. 4. Kies voor TP STATION en druk op ENTER. 5. Kies voor SET CURRENT en druk op ENTER.
Infotainment Functies radio (vervolg) Automatische afstemfunctie, AF De functie AF is normaal gesproken actief en zorgt ervoor dat de radio afstemt op de zender met het sterkste signaal voor de gekozen zender. 1. Kies voor RADIO SETTINGS in het menu en druk op ENTER. 2. Kies voor AF en druk op ENTER. 3. Om de functie AF uit te schakelen, moet u nogmaals AF kiezen en op ENTER drukken.
Infotainment EON – LOCAL/DISTANT (Enhanced Other Networks) RDS-instellingen resetten, RESET ALL De functie EON staat normaal gesproken in de stand DISTANT. De functie EON LOCAL/ DISTANT geeft aan of het radioprogramma dat u beluistert alleen moet worden onderbroken voor bijv. verkeersinformatie of nieuwsbulletins (voor zover u deze functies hebt geselecteerd). De functie kent twee standen. Als u voor LOCAL kiest, vindt er alleen onderbreking plaats wanneer het signaal krachtig genoeg is.
Infotainment Cd/md (extra) 1 2 3 4 Cd/md-speler starten • Start de cd-speler met de knop SELECTOR (3) of druk op de toets CD (1). Leg een cd in de cd-speler (4). • Start de md-speler met de knop SELECTOR (3). Leg een md in de mdspeler (2). Van nummer wisselen Druk op om naar het volgende nummer te gaan of op om naar het vorige nummer te gaan. Het display geeft het nummer aan dat wordt afgespeeld. Als uw stuurwiel is uitgerust met een toetsenset, kunt u gebruik maken van de bijbehorende toetsen.
Infotainment 1 2 Scannen Disctext (alleen md) Md uitwerpen De functie SCAN kunt u gebruiken om van ieder nummer de eerste tien seconden weer te geven. Op sommige schijven staat informatie over het album en de nummers. Deze informatie verschijnt in tekstvorm op het display, als u de functie DISCTEXT hebt geactiveerd. Als u op de uitwerptoets (1) drukt, valt de weergave van de md stil en wordt de md uitgeworpen. 1. Kies voor SCAN en druk op ENTER. 2.
Infotainment Cd-wisselaar (extra) 2 1 3 Cd-wisselaar starten Sleuf kiezen Van nummer wisselen De cd-wisselaar biedt plaats aan maximaal zes cd’s. U kiest de sleuf waarin de af te spelen cd ligt met de voorkeurtoetsen 1–6 (3). Op het display verschijnt het nummer van de geselecteerde cd en het gekozen nummer op deze cd. Druk op om naar het volgende nummer te gaan of op om naar het vorige nummer te gaan. Het display geeft het nummer aan dat wordt afgespeeld.
Infotainment Willekeurige afspeelvolgorde, RANDOM Met de functie RANDOM kunt u de nummers op een cd/md in een willekeurige volgorde laten afspelen. Versneld spoelen Scannen Druk op of en houd deze toets ingedrukt om een bepaald gedeelte binnen een nummer of op de cd/md op te zoeken. Zolang u de toets ingedrukt houdt, zoekt de speler verder. Als uw stuurwiel is uitgerust met een toetsenset, kunt u gebruik maken van de bijbehorende toetsen.
Infotainment Cd-wisselaar (extra) (vervolg) Alle cd’s uitwerpen, EJECT ALL Wanneer u de uitwerptoets EJECT (1) lang indrukt, activeert u de functie EJECT ALL. Alle cd’s in het magazijn van de cd-wisselaar worden dan één voor één uitgeworpen. De tekst EJECTING ALL verschijnt op het display. 1 Disctekst Cd uitwerpen Op sommige schijven staat informatie over het album en de nummers. Deze informatie verschijnt in tekstvorm op het display, als u de functie DISCTEXT hebt geactiveerd.
Infotainment Menu-instellingen en menuselectie, audio Hoofd-/submenu’s 5$',2 1. AUTOSTORE* 1.1. AST Mode 1.2. AST Search 1.2.1. AUTOSTORING 2. SCAN* ON/OFF** 3. NEWS* ON/OFF** 4. TP* ON/OFF** 5. RADIOTEXT* ON/OFF** 6. RADIO SETTINGS 6.1. PTY 6.1.1. SELECT PTY 6.1.2. SEARCH PTY* 6.1.3. SHOW PTY ON/OFF** 6.2. TP 6.2.1. TP STATION SET CURRENT/RESET STN 6.2.2. TP SEARCH ON/OFF** 6.3. NEWS STATION 6.3.1. SET CURRENT/RESET STN 6.4. AF* ON**/OFF 6.5. REGIONAL* ON/OFF** 6.6. EON 6.6.1. OFF 6.6.2. LOCAL 6.6.3.
Infotainment Hoofd-/submenu’s &'; 0' 1. RANDOM* 1.1. Off** 1.2. Single Disc 1.3. All Discs 1. RANDOM* 2. SCAN* 3. NEWS* 3. NEWS* ON/OFF** 4. TP* 4. TP* ON/OFF** 5. DISC TEXT* ON/OFF** 5. DISC TEXT* ON/OFF** 6. AUDIO SETTINGS 6.1. SURROUND* 6.1.1. Pro Logic II 6.1.2. 3 Channel 6.1.3. Off** 6.2. SUBWOOFER* ON**/OFF (extra) 6.3. EQUALIZER Fr (extra) 6.4. EQUALIZER Rr (extra) 6.5. RESET All 6. AUDIO SETTINGS 6.1. Dolby AM/FM 6.1.1. Pro Logic II 6.1.2. 3 Channel 6.1.3. Off** 6.2. Dolby cd/md 6.2.1.
Infotainment Telefoonsysteem 189
Infotainment 7RHWVHQVHW RS VWXXUZLHO Met de toetsenset op het stuurwiel kunt u de meeste functies van uw telefoonsysteem regelen. Wanneer het telefoonsysteem in de actieve stand staat, kunt u de toetsenset op het stuurwiel alleen gebruiken voor de telefoonfuncties. In de actieve stand staan er altijd telefoongegevens op het display. 0LFURIRRQ De microfoon voor de handsfree is ingebouwd in de achteruitkijkspiegel of in het plafondpaneel.
Infotainment Telefoonfuncties (extra) 1 2 2 3 4 4 8 7 'LVSOD\ (17(5 ± JHVSUHNNHQ EHDQWZRRUGHQ PHQXVHOHFWLHV YHUULFKWHQ RI WHOHIRRQ DFWLYHUHQ GLH VWDQG E\ VWDDW $DQ XLW VWDQG E\ (;,7 &/($5 HHQ JHVSUHN EHsLQGLJHQ ZHLJHUHQ WHUXJEODGHUHQ LQ PHQX¶V HHQ NHX]H DQQXOHUHQ RI LQJHYRHUGH FLMIHUV WHNHQV ZLVVHQ 6,0 NDDUWKRXGHU .
Infotainment Telefoonfuncties (extra) (vervolg) 1 Toets Aan/uit/stand-by, telefoon Systeem activeren: • Druk op de toets PHONE (1) om het telefoonsysteem in te schakelen. Systeem uitschakelen: • Houd de toets PHONE ingedrukt om het telefoonsysteem uit te schakelen. Zet het systeem als volgt stand-by: • Druk korte tijd op de toets PHONE of druk op de toets EXIT/CLEAR om het telefoonsysteem stand-by te zetten. • Druk korte tijd op de toets PHONE om het systeem opnieuw te activeren.
Infotainment Stand-by Sneltoetsen in menu’s Verkeersveiligheid Wanneer het telefoonsysteem stand-by staat, kunt u gesprekken aannemen terwijl het audiosysteem aanstaat en er informatie van de geluidsbronnen van het audiosysteem op het display verschijnt. Wanneer u met de menutoets naar het menusysteem bent gesprongen, kunt u gebruik maken van de numerieke toetsen in plaats van de pijltoetsen en de toets ENTER om naar het gewenste submenu op het hoofdniveau te springen.
Infotainment Telefoonfuncties (extra) (vervolg) SIM-kaart Het telefoonsysteem is alleen te gebruiken in combinatie met een geldige SIM-kaart (Subscriber Identity Module). U hebt deze kaart van uw provider ontvangen. Breng altijd de SIM-kaart aan, als u gebruik wilt maken van het telefoonsysteem. • Schakel het telefoonsysteem uit. • Duw de SIM-kaarthouder naar buiten toe door de houder korte tijd in te drukken. • Leg de kaart dusdanig in de houder dat de kant met het metaal omlaagwijst.
Infotainment A het bedieningspaneel) en kies voor Handsfree. Druk op ENTER en leg de handset neer. Als u de handset al hebt opgenomen wanneer de telefoon gaat, wordt het geluid via het handsfreesysteem doorgegeven. Druk op de toets MENU, ga naar Handset en druk op ENTER om het geluid in de handset weer te geven. Laatst gekozen nummers Het telefoonsysteem slaat automatisch de tien laatst gekozen telefoonnummers/namen op. Handset Als u privégesprekken wilt voeren, kunt u gebruik maken van de handset.
Infotainment Tijdens een lopend gesprek een tweede gesprek aannemen Als u tijdens een lopend gesprek twee korte geluidssignalen hoort, komt er een tweede gesprek binnen. U kunt deze functie in- of uitschakelen in dit menu. U kunt het tweede gesprek vervolgens wel of niet aannemen. Als u het gesprek QLHW wilt aannemen, moet u op EXIT/CLEAR drukken of niets doen. Als u het gesprek echter ZHO wilt aannemen, moet u op ENTER drukken. U parkeert het lopende gesprek dan tijdelijk.
Infotainment Telefoonboek def3èéëê Telefoonnummers en namen kunt u in het geheugen van de telefoon zelf opslaan of in het geheugen op de SIM-kaart. ghi4ìíîï Wanneer u een gesprek aanneemt afkomstig van één van de nummers die in het telefoonboek liggen opgeslagen, wordt de bijbehorende naam op het display weergegeven. U kunt maximaal 255 namen in het geheugen van de telefoon opslaan. Telefoonnummers met namen opslaan 1. Druk op de toets MENU, kies voor Telefoonboek en druk op ENTER. 2.
Infotainment Specificaties Vermogen SIM-kaart Geheugenposities SMS (Short Message Service) Data/Fax Dualband 2W klein, 3V 255 a Ja Nee Ja (900/1800) a.255 geheugenposities in het geheugen van de telefoon. Het aantal geheugenposities op de SIM-kaart verschilt naargelang het abonnement. Dubbele SIM-kaart Veel providers bieden dubbele SIM-kaarten aan: één voor de autotelefoon en één voor een andere telefoon.
Infotainment Menu-instellingen en menuselectie, telefoon 1. Oproepreg., CALL 1.1. Gem. oproep 1.2. Ontvangen oproepen 1.3. Uitgaande opr. 1.4. Wis lijst 1.4.1. Alle oproepen 1.4.2. Gemiste oproepen 1.4.3. Ontv. oproepen 1.4.4. Uitgaande opr. 1.5. Duur oproep 1.5.1. Laatste oproepen 1.5.2. Tel oproepen 1.5.3. Totale tijd 1.5.4. Reset timer 2. Boodschappen 2.1. Lezen 2.2. Nieuwe boodschap invoeren 2.3. Inst. boodsch. 2.3.1. SMSC-nummer 2.3.2. Geldigheid 2.3.3. Soort boodsch. 3. Telefoonboek 3.1. Toevoegen 3.
Infotainment Menu 1. Oproepregister *HPLVWH RSURHSHQ In dit menu verschijnt een lijst met de tien laatst gemiste oproepen. U kunt de nummers bellen, wissen of toevoegen aan het telefoonboek. 2QWYDQJHQ RSURHSHQ In dit menu verschijnt een lijst met de tien laatst ontvangen oproepen. U kunt de nummers bellen, wissen of toevoegen aan het telefoonboek. 8LWJDDQGH JHVSUHNNHQ In dit menu verschijnt een lijst met de tien laatst gekozen nummers.
Infotainment Menu 4. Bel-opties 1XPPHU PHH Geef aan of uw eigen nummer wel of niet op het display van de ontvanger moet verschijnen. Neem contact op met uw provider voor een permanent geheim nummer. 2SURHS ZDFKW Geef aan of u wel of geen signaal wilt ontvangen, wanneer er tijdens een lopend gesprek een tweede oproep wacht. $XWR DQWZ Geef aan of u inkomende gesprekken automatisch wilt beantwoorden.
Infotainment 202
Technische gegevens Type-aanduidingen 204 Maten, gewichten, hoeveelheden 205 Smeermiddelen 206 Koelsysteem 206 Katalysator 207 Brandstof 208 Wielophanging, vering 209 Elektrisch systeem 210 Motorspecificaties 211 203
Technische gegevens Type-aanduidingen Wanneer u contact opneemt met uw Volvodealer of vervangingsonderdelen en accessoires wilt bestellen, kan het handig zijn als u de typeaanduiding, het chassisnummer en het motornummer van de auto bij de hand hebt. &KDVVLVQXPPHU 9,1 In de motorruimte gestampt, onder de voorruit.
Technische gegevens Maten, gewichten, hoeveelheden Maten en gewichten Lengte Breedte Hoogte Wielbasis Spoorbreedte, vooras Spoorbreedte, achteras 480 cm 190 cm 178 cm 286 cm 163 cm 162 cm Toelaatbare belasting (zonder bestuurder) = Totaalgewicht, rijklaar gewicht Hoeveelheden %UDQGVWRIWDQN (liter) Benzine Diesel ca. 72 68 0RWRUROLH incl.
Technische gegevens Smeermiddelen Motor Benzinemotoren: ACEA A1 U mag ook olie gebruiken die voldoet aan de kwaliteitsnorm ACEA A3. Let erop dat een bepaalde soort olie kan voldoen aan zowel ACEA A1 als ACEA B1. Dit ongeacht de vraag of de gebruikte olie van minerale oorsprong is of geheel of gedeeltelijk van synthetische aard is. Dieselmotoren: ACEA B4 Let erop dat een bepaalde soort olie kan voldoen aan zowel ACEA A3, ACEA B3 als ACEA B4.
Technische gegevens Katalysator Katalysator De katalysator vormt een aanvulling op het uitlaatsysteem en heeft tot taak de uitlaatgassen te reinigen. De katalysator bestaat in hoofdzaak uit een behuizing met daarin twee zogeheten monolieten, die zó geconstrueerd zijn dat de uitlaatgassen er via kanalen doorheen stromen. De wanden van deze kanalen zijn bekleed met een dun laagje platina/rhodium/palladium. Deze edelmetalen hebben een katalytische werking, d.w.z.
Technische gegevens Brandstof Benzine Brandstofverbruik en uitstoot van kooldioxide De motor loopt op benzine met een octaangetal van 91, 95 en 98 RON. Motor Versnellingsbak Verbruik in liter/100 km Uitstoot van kooldioxide (CO²) g/km • 98 (RON) wordt geadviseerd voor een maximaal rendement tegen een minimaal brandstofverbruik. • 95 (RON) is te gebruiken in de normale rijomstandigheden. • 91 (RON) kunt u beter alleen in uitzonderingsgevallen gebruiken.
Technische gegevens Wielophanging, vering Voortrein McPherson-veerpoten. De schokdempers zijn in de veerpoten ingebouwd. Rondsel-entandheugelstuurinrichting. Veiligheidsstuurkolom. Achtertrein Gescheiden ophanging met onafhankelijk afgeveerde wielen en schokdempers. De ophanging bestaat uit naar achteren gerichte wieldraagarmen, bovenste en onderste ophangarmen, spoorstangen en een stabilisatorstang.
Technische gegevens Elektrisch systeem 12-voltsysteem met wisselstroomdynamo en spanningsregelaar. Enkelpolig systeem waarbij het chassis en het motorblok als geleiders worden gebruikt. De minpool is verbonden met het chassis. $FFX Als u de accu moet vervangen, moet u erop letten dat de nieuwe accu dezelfde koudestartcapaciteit en reservecapaciteit als de originele accu heeft (zie de sticker op de accu). Motor Spanning Koudestartcapaciteit (SAE) Reservecapaciteit (RC) 2.5T 12 V 520 A* 90 min.
Technische gegevens Motorspecificaties Vermogen* (kW bij omw/s) (pk bij omw/min) Koppel* (Nm bij omw/s) (kpm bij omw/min) Aantal cilinders Cilinderboring (mm) Slaglengte (mm) Cilinderinhoud (cm³) Compressieverhouding B5254T2 2,5T 154/83 210/5000 320/25–75 32,6/1500–4500 5 83 93,2 2521 9,0:1 B6294T T6 200/85 272/5100 380/30–83 38,8/1800–5000 6 83 90 2922 8,5:1 D5244T D5 120/67 163/4000 340/29–50 34,7/1750–3000 5 81 93,2 2401 18,0:1 1 % Bovenstaande motoren zijn niet op alle markten verkrijgbaar.
Technische gegevens 212
Alfabetisch register Alfabetisch register $ Aanhanger ..................................................113 Aansteker ......................................................37 ABS ......................................................31, 107 AC ................................................................57 Accu ...........................................137, 145, 210 Achterklep ....................................................46 Achterlichten ..............................................
Alfabetisch register ) Fader ...........................................................167 Follow-Me-Home..........................................39 * Geavanceerde gebruikersfunctie ................177 Geavanceerde gebruikersstand ...................180 Gemiddeld brandstofverbruik ......................43 Gemiddelde snelheid ....................................43 Gereedschapstas ...........................................85 Gevarendriehoek ....................................
Alfabetisch register Oliefilter .....................................................140 Onderbreking tekstinvoer ...........................197 Ontdooier ......................................................63 Ontgrendelen ................................................90 Opbergmogelijkheden in passagierscompartiment ...............................76 Opbergvakken ..............................................79 Opblaasgordijn .............................................18 Overzicht, telefoonsysteem ....
Alfabetisch register Voorruitwisser ............................................144 Voorstoelen ..................................................68 : Waarschuwingssymbool ...............................31 WHIPS-systeem ...........................................19 Wielen ........................................................122 Wielen verwisselen ....................................126 Wielophanging ...........................................209 Winterbanden .............................................
I N S T R U C T I E B O E K J E V O LV O X C 9 0 Gloeilampen Regelmatig controleren 6SURHLHUYORHLVWRI. Zorg dat u het reservoir altijd goed gevuld houdt. Gebruik tijdens de wintermaanden antivries! Zie pagina 142. 10 6WXXUEHNUDFKWLJLQJ. Zorg dat het peil tussen de MIN- en MAX-streepjes ligt. Zie pagina 143. 9 8 7 6 .RHOYORHLVWRI. Zorg dat het peil tussen de MINen MAX-streepjes op het expansiereservoir ligt. Zie pagina 142. 0RWRUROLH.