WEB EDITION GEBRUIKERSHANDLEIDING
BESTE VOLVO-BEZITTER, DANK U DAT U GEKOZEN HEBT VOOR VOLVO! Wij hopen dat u jarenlang rijplezier van uw Volvo zult hebben. Bij het ontwerp hebben veiligheid en comfort van u en uw passagiers vooropgestaan. Een Volvo is een van de veiligste auto’s ter wereld. Uw Volvo is ook ontworpen om aan alle geldende veiligheidsvoorschriften en milieueisen te voldoen.
Inhoud 01 Inleiding Bedieningsinformatie................................ Instructieboekje lezen............................... Vastlegging van gegevens........................ Accessoires en extra uitrusting................. Verkoop van auto met Volvo On Call*....... Informatie op internet................................ Milieubeleid van Volvo Car Corporation... Milieu-aspecten van het instructieboekje. Gelaagd glas.............................................
Inhoud 03 Instrumenten, schakelaars en bediening Instrumenten en bediening, auto met stuur links - overzicht................................ Instrumenten en bediening, auto met stuur rechts - overzicht............................. Instrumentenpaneel.................................. Instrumentenpaneel, analoog - overzicht. Instrumentenpaneel, digitaal - overzicht... Eco guide & Power guide*........................ Instrumentenpaneel - betekenis controlesymbolen..............................................
Inhoud 04 Klimaat Algemene informatie over de klimaatregeling...................................................... Werkelijke temperatuur........................... Sensoren - klimaat.................................. Luchtreiniging......................................... Luchtreiniging - interieurfilter.................. Luchtreiniging - Clean Zone Interior Package (CZIP)*............................................ Luchtreiniging - IAQS*............................ Luchtreiniging - materiaal...........
Inhoud 06 Sloten en alarm Transpondersleutel met sleutelblad........ 155 Transpondersleutel - verlies ................... 155 Sleutelgeheugen*.................................... 155 Indicatie vergrendeling/ontgrendeling instellen................................................... 156 Elektronische startblokkering.................. 156 Op afstand bediende startblokkering met opsporingssysteem................................. 157 Transpondersleutel - functies.................
Inhoud 07 Bestuurdersondersteuning Actief chassis - FOUR-C*....................... Stabiliteits- en tractieregelsysteem (DSTC)..................................................... Stabiliteits- en tractieregelsysteem (DSTC) - bediening.................................. Stabiliteits- en tractieregeling (DSTC) symbolen en meldingen.......................... Verkeersbordinformatie (RSI)*................. Verkeersbordenherkenning (RSI)* bediening................................................
Inhoud 08 Starten en rijden Park Assist* - aan de voorzijde............... Park Assist* - storingsindicatie............... Park Assist* - sensoren schoonmaken... Park Assist-camera................................. Park Assist-camera - instellingen........... Park Assist-camera - beperkingen......... BLIS* (Blind Spot Information System)... BLIS*(Blind Spot Information System) bediening................................................ CTA (Cross Traffic Alert)*........................
Inhoud 09 Wielen en banden Voorbereidingen bij lange reizen............. 290 Winterse ritten......................................... 290 Tankvulklep - openen/sluiten.................. 291 Tankvulklep - handmatig openen........... 291 Brandstof tanken.................................... 292 Brandstof - gebruik................................. 292 Brandstof - benzine................................ 293 Brandstof - diesel.................................... 294 Katalysatoren..................................
Inhoud 10 Onderhoud en service Noodreparatieset voor banden* - banden oppompen............................................... 327 Noodreparatieset voor banden* - afdichtmiddel..................................................... 328 Serviceprogramma van Volvo................. 330 Auto opnemen........................................ 331 Motorkap - openen en sluiten................. 333 Motorruimte - overzicht.......................... 333 Motorruimte - controle............................
Inhoud 11 Specificaties Interieur reinigen..................................... 375 Lakschade............................................... 376 Type-aanduidingen................................. Maten...................................................... Gewichten............................................... Trekgewicht en kogeldruk....................... Motorspecificaties................................... Motorolie - ongunstige rijomstandigheden.......................................................
Inhoud 12 Alfabetisch register Alfabetisch register.................................
INLEIDING
01 Inleiding Bedieningsinformatie Instructieboekje lezen Uw auto is voorzien van een beeldscherm* waarop u informatie kunt vinden over de werking van uw auto. Deze gebruikershandleiding vormt een aanvulling op deze informatie en bevat belangrijke tekst, de nieuwste gegevens en handige instructies, wanneer u de informatie op het beeldscherm om praktische redenen niet kunt lezen.
01 Inleiding 01 || N.B. Het instructieboekje is te downloaden als app (geldt voor bepaalde modellen en mobiele telefoons), zie www.volvocars.com. De app biedt tevens video’s en doorzoekbare informatie en eenvoudige navigatie tussen de verschillende hoofdstukken. Opties/accessoires Alle soorten opties staan aangegeven met een sterretje* in het instructieboekje.
01 Inleiding Gevaar voor materiële schade Informatie voerd, staan genummerd in het instructieboekje. 01 Wanneer er een reeks afbeeldingen bij een stapsgewijze instructie bestaat, zijn de verschillende stappen van de instructie op dezelfde manier genummerd als de bijbehorende afbeeldingen. Witte ISO-symbolen en een witte tekst/ afbeelding in een zwart of blauw waarschuwings- en tekstveld.
01 Inleiding 01 || Opsommingslijsten Vastlegging van gegevens Bij opsommingen in het instructieboekje wordt gebruik gemaakt van een opsommingslijst. Bepaalde gegevens over de werking en functionaliteit van de auto en eventuele (bijna-)aanrijdingen worden door de auto vastgelegd. Bijvoorbeeld: • • Koelvloeistof Motorolie Gerelateerde informatie Gerelateerde informatie verwijst naar andere gedeelten met voor de hand liggende informatie.
01 Inleiding Accessoires en extra uitrusting Maten Een verkeerde aansluiting en montage van accessoires en extra uitrusting kan een nadelige invloed hebben op de werking van de elektronische systemen van de auto. A 47 mm B 87 mm Bepaalde accessoires werken alleen, wanneer de bijbehorende software in de computersystemen van de auto wordt geladen.
01 Inleiding 01 Informatie op internet Op www.volvocars.com vindt u meer informatie over uw auto. Met een persoonlijke Volvo ID kunt u inloggen op My Volvo, een persoonlijke webpagina voor u en uw auto. QR-code Voor het uitlezen van de QR-code hebt u een QR-codelezer nodig die als extra programma (app) verkrijgbaar is voor tal van mobiele telefoons. QR-codelezers zijn bijvoorbeeld te downloaden via App Store, Windows Phone of Google Play.
01 Inleiding Milieubeleid van Volvo Car Corporation 01 een fabriek die zeer schoon is en efficiënt met hulpbronnen omgaat. G000000 Uw Volvo voldoet aan strenge internationale milieueisen en is bovendien geproduceerd in Zorg voor het milieu is een van de kernwaarden van Volvo Car Corporation die van invloed zijn op alle activiteiten. We zijn ervan overtuigd dat onze klanten onze zorg voor het milieu delen.
01 Inleiding 01 || Een geavanceerd luchtreinigingssysteem, IAQS* (Interior Air Quality System), zorgt ervoor dat de lucht die de passagiersruimte binnenkomt schoner is dan de lucht buiten in het verkeer. Het systeem bestaat uit een elektronische sensor en een koolstoffilter. De binnenkomende lucht wordt continu gecontroleerd en als het gehalte aan bepaalde schadelijke gassen zoals koolmonoxide te hoog oploopt, wordt de luchtinlaat gesloten.
01 Inleiding Milieu-aspecten van het instructieboekje De papiervezels waarvan deze publicatie gemaakt is afkomstig zijn uit FSC®-gecertificeerde bossen of andere gecontroleerde bronnen. Het Forest Stewardship Council®-symbool geeft aan dat de papiervezels waarvan een gebruikershandleiding in drukvorm gemaakt is afkomstig zijn uit FSC®-gecertificeerde bossen of andere gecontroleerde bronnen. 01 Gelaagd glas Gelaagd glas De voorruit en het panoramadak zijn voorzien van gelaagd glas.
VEILIGHEID
02 Veiligheid Algemeen over veiligheidsgordels Remmen kan ernstige gevolgen hebben als de veiligheidsgordel niet wordt gedragen. Let er daarom op dat alle passagiers hun veiligheidsgordel tijdens het rijden om hebben. Waar u op moet letten • Gebruik geen klemmen of andere accessoires waardoor u de veiligheidsgordel niet strak langs uw lichaam kunt trekken. • De veiligheidsgordel mag niet gedraaid zitten. • De heupgordel moet laag zitten (niet over de buik).
02 Veiligheid Veiligheidsgordel - losmaken Veiligheidsgordel - zwangerschap Doe de veiligheidsgordel (p. 23) om voordat u gaat rijden. Maak de veiligheidsgordel (p. 23) pas los als de auto stilstaat. Rol de gordel langzaam af en maak deze vast door de borglip in de gordelsluiting te steken. Een duidelijke ‘klik’ geeft aan dat de gordel vastzit. Druk op de rode knop van de gordelsluiting en laat het oprolmechanisme de gordel naar binnen trekken.
02 Veiligheid het stuur (p. 79) dusdanig verstellen dat ze de auto volledig onder controle hebben (wat inhoudt dat ze met gemak bij het stuur en de pedalen moeten kunnen komen). Streef ernaar de afstand tussen de buik en het stuur zo groot mogelijk te maken. Gordelwaarschuwing Wanneer iemand de veiligheidsgordel niet draagt, gaan er waarschuwingssymbolen branden en worden er geluidssignalen afgegeven om de bewuste persoon eraan te herinneren de veiligheidsgordel om te doen (p. 24).
02 Veiligheid 02 Gordelspanners Veiligheid - waarschuwingssymbool Alle veiligheidsgordels (p. 23) zijn uitgerust met gordelspanners. Dit is een mechanisme dat bij een voldoende krachtige aanrijding de veiligheidsgordel rond het lichaam spant. De veiligheidsgordel kan de passagier daarmee beter in de stoel gedrukt houden. Het waarschuwingssymbool verschijnt, als er tijdens de storingsdiagnose een storing wordt geconstateerd of als het systeem geactiveerd is.
02 Veiligheid Als het waarschuwingslampje voor het airbagsysteem blijft branden of tijdens het rijden korte tijd oplicht, betekent dit dat het airbagsysteem niet naar behoren werkt. Het symbool kan ook duiden op een storing in de gordelspanners, het SIPS- en het IC-systeem of op een andere storing in het systeem. Volvo adviseert u zo spoedig mogelijk contact op te nemen met een erkende Volvo-werkplaats.
02 Veiligheid || Gerelateerde informatie 02 • • • Airbag aan de bestuurderszijde (p. 28) Passagiersairbag (p. 28) Veiligheid - waarschuwingssymbool (p. 26) Airbag aan de bestuurderszijde Passagiersairbag Uw auto heeft behalve de veiligheidsgordel (p. 23) aan de bestuurderszijde ook een airbag (p. 27) in het stuurwiel. Uw auto heeft behalve de veiligheidsgordel (p. 23) aan de passagierszijde ook een airbag (p. 27). De airbag zit opgevouwen in het midden van het stuurwiel.
02 Veiligheid WAARSCHUWING Vervoer kinderen nooit in een kinderzitje of op een comfortkussen voorin, wanneer de airbag aan die kant geactiveerd is. Laat nooit iemand voor de passagierstoel zitten of staan. Personen kleiner dan 1,40 m mogen nooit op de passagiersstoel voorin plaatsnemen, als de airbag geactiveerd is. Het niet opvolgen van de bovenstaande aanbevelingen kan levensgevaarlijke situaties opleveren. Positie van de passagiersairbag in een auto met het stuur rechts.
02 Veiligheid || de voorstoel zitten, maar kinderen in een kinderzitje of op een kussen beslist niet. 02 De airbag is gedeactiveerd. Met de schakelaar in deze stand kunnen kinderen in een kinderzitje of op een kussen aan de passagierszijde op de voorstoel zitten, maar passagiers groter dan 1,40 m beslist niet. WAARSCHUWING N.B. WAARSCHUWING Wanneer de transpondersleutel in sleutelstand II (p. 73) staat, brandt ca. 6 seconden lang het waarschuwingssymbool (p.
02 Veiligheid WAARSCHUWING Laat geen passagier op de passagiersstoel plaatsnemen als het waarschuwingssymbool(p. 26) voor het airbagsysteem op het instrumentenpaneel oplicht, terwijl de melding op de plafondconsole aangeeft dat de airbag aan die kant gedeactiveerd is. Dit duidt op een ernstige storing. Bezoek zo spoedig mogelijk een werkplaats. Volvo adviseert u daarvoor contact op te nemen met een erkende Volvo-werkplaats.
02 Veiligheid || WAARSCHUWING • 02 • Volvo adviseert u de reparatie uitsluitend door een erkende Volvo-werkplaats te laten uitvoeren. Een verkeerde ingreep in het SIPS-systeem kan tot een onjuiste werking leiden met ernstig letsel als gevolg. Plaats geen voorwerpen in het gebied tussen de buitenzijde van de stoel en het portierpaneel, aangezien dit gebied door de zijairbag kan worden beïnvloed. • Volvo adviseert om uitsluitend door Volvo goedgekeurde overtrekbekleding te gebruiken.
02 Veiligheid WAARSCHUWING Hang of bevestig nooit zware voorwerpen aan de plafondhandgrepen. De haak is alleen bedoeld voor niet al te zware kledingstukken (en niet voor harde voorwerpen zoals paraplu’s). Schroef of bevestig geen onderdelen op de plafondbekleding, portierstijlen of de zijpanelen van de auto. Ze kunnen daarbij hun beschermende werking verliezen. Volvo adviseert u uitsluitend originele Volvo-onderdelen, bestemd voor montage op deze plaatsen, te gebruiken.
02 Veiligheid || en de materiaaleigenschappen van dat voertuig. WAARSCHUWING 02 Het WHIPS-systeem vormt een aanvulling op de veiligheidsgordel. Gebruik de veiligheidsgordel altijd. Eigenschappen van de stoel Als het WHIPS-systeem wordt geactiveerd, klappen de rugleuningen van de voorstoelen naar achteren zodat de zithouding van de bestuurder en de passagier op de voorstoelen verandert. Zo wordt de kans op zogeheten whiplash-letsel beperkt. WHIPS - kinderzitje WHIPS - zithouding Het WHIPS-systeem (p.
02 Veiligheid WAARSCHUWING Plaats dozen e.d. niet zodanig, dat deze vastgeklemd zitten tussen het zitkussen van de achterbank en de rugleuning van de voorstoel. Let erop dat u de werking van het WHIPS-systeem niet hindert. WAARSCHUWING Als de stoel heeft blootgestaan aan grote krachten zoals bij een aanrijding van achteren, moet u het WHIPS-systeem laten controleren. Volvo adviseert u het te laten controleren door een erkende Volvo-werkplaats.
02 Veiligheid Als de systemen activeren 02 Bij een aanrijding werken de verschillende persoonsveiligheidssystemen van Volvo samen om de schade te verkleinen. Systeem Activering gordelspanner (p. 26) voorstoel Bij een frontale botsing en/of aanrijding in de zij, van achteren en/of kantelen Gordelspanners achterbank Bij een frontale botsing en/of aanrijding in de zij en/of kantelen Airbags Bij een frontale botsing.A (Stuur- (p. 28) en passagiersairbag (p. 28)) SIPS-airbags (p.
02 Veiligheid Algemene informatie over de Safety mode Gerelateerde informatie • • Safety mode is een veiligheidsfunctie die in werking treedt, wanneer de aanrijding belangrijke onderdelen van de auto zoals de brandstofleidingen, de sensoren voor een van de veiligheidssystemen of het remsysteem, kan hebben beschadigd. Safety mode - startpoging (p. 38) Safety mode - auto verrijden (p. 38) 02 De gevarendriehoek op het digitale instrumentenpaneel.
02 Veiligheid Safety mode - startpoging 02 WAARSCHUWING Als de auto in de Safety mode (p. 37) staat, is een startpoging mogelijk als alles in orde lijkt te zijn en u gecontroleerd hebt dat er geen sprake is van brandstoflekkage. Probeer in geen geval de auto opnieuw te starten, als u een brandstofgeur waarneemt terwijl de melding Veiligheidsstand Zie instructieboek getoond wordt. Verlaat de auto onmiddellijk. Controleer eerst of er geen brandstof uit de auto is gelopen.
02 Veiligheid Algemeen over kinderveiligheid N.B. Ongeacht leeftijd en lengte moeten kinderen altijd met de gordel goed om in de auto zitten. Laat kinderen nooit bij passagiers op schoot zitten. Volvo adviseert u kinderen zo lang mogelijk te vervoeren in een achterstevoren gemonteerd kinderzitje (in ieder geval tot een leeftijd van 3–4 jaar) en daarna tot een leeftijd van 10 jaar op/in een zittingverhoger of een kinderzitje dat in de rijrichting geplaatst is.
02 Veiligheid Kinderzitje 02 N.B. Kinderen moeten comfortabel en veilig kunnen zitten. Zorg dat u het kinderzitje op de juiste wijze gebruikt. Bij gebruik van kinderveiligheidsproducten is het belangrijk om de meegeleverde montagehandleiding te lezen. WAARSCHUWING G020739 Zet de bevestigingsband van het kinderzitje niet aan de lengteverstelstang, veren of rails en balken onder de stoel vast. Scherpe randen kunnen de bevestigingsband beschadigen. Kinderzitjes en airbags gaan niet samen.
02 Veiligheid Aanbevolen kinderzitjes2 Gewicht Voorstoel (met gedeactiveerde airbag) Groep 0 Groep 0+ Typegoedkeuring: E1 04301146 max. 13 kg (L) Groep 0 Volvo-babyzitje (Volvo Infant Seat) – achterstevoren gemonteerd kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel. Volvo-babyzitje (Volvo Infant Seat) – achterstevoren gemonteerd kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel. Groep 0+ Typegoedkeuring: E1 04301146 Typegoedkeuring: E1 04301146 max.
02 Veiligheid || 02 Gewicht Voorstoel (met gedeactiveerde airbag) Buitenste zitplaats achterbank Middelste zitplaats achterbank Groep 0 Kinderzitjes met universele goedkeuring. Kinderzitjes met universele goedkeuring. max. 10 kg (U) (U) Kinderzitjes met universele goedkeuring. Achterstevoren gemonteerd/omkeerbaar Volvo-kinderzitje (Volvo Convertible Child Seat) – achterstevoren gemonteerd kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel en bevestigingsband.
02 Veiligheid Gewicht Voorstoel (met gedeactiveerde airbag) Buitenste zitplaats achterbank Middelste zitplaats achterbank Groep 1 Kinderzitjes met universele goedkeuring. Kinderzitjes met universele goedkeuring. 9–18 kg (U) (U) Kinderzitjes met universele goedkeuring. Groep 2 Achterstevoren gemonteerd/omkeerbaar Volvo-kinderzitje (Volvo Convertible Child Seat) – achterstevoren gemonteerd kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel en bevestigingsband.
02 Veiligheid || 02 Gewicht Voorstoel (met gedeactiveerde airbag) Buitenste zitplaats achterbank Middelste zitplaats achterbank Groep 2/3 Zittingverhoger met of zonder rugleuning (Booster Cushion with and without backrest). Zittingverhoger met of zonder rugleuning (Booster Cushion with and without backrest). Zittingverhoger met of zonder rugleuning (Booster Cushion with and without backrest).
02 Veiligheid Kinderzitje - positie WAARSCHUWING Plaats kinderzitjes/zittingverhogers (p. 40) altijd op de achterbank als de airbag aan de passagierszijde geactiveerd (p. 29) is. Als de airbag wordt opgeblazen, kan een kind op de passagiersstoel ernstig letsel oplopen.
02 Veiligheid WAARSCHUWING 02 Verkeerde positie: de hoofdsteun moet even hoog afgesteld zijn als het hoofd en de gordel mag niet onder de schouder door lopen. Zorg alvorens weg te rijden dat: • de geïntegreerde zittingverhoger met twee standen correct ingesteld zie tabel (p.
02 Veiligheid Stand 1 3 Stand 24 Til de zittingverhoger aan de voorkant op en duw het achteruit tegen het ruggedeelte aan om het te vergrendelen. N.B. 02 Het is niet mogelijk de zittingverhoger vanuit stand 2 in stand 1 te zetten. U moet de verhoger eerst volledig inklappen (p. 48) in het zitgedeelte van de achterbank. Trek de handgreep naar voren en omhoog om de zittingverhoger vrij te geven. Werk vanuit de onderste stand. Druk op de knop.
02 Veiligheid Geïntegreerde zittingverhoger met twee standen* - inklappen 02 Kinderzitje - ISOFIX ISOFIX is een bevestigingssysteem voor kinderzitjes (p. 40), gebaseerd op een internationale standaard. De geïntegreerde zittingverhoger (p. 45) op de achterbank kan van de bovenste of onderste stand worden ingeklapt naar een volledig ingeklapte stand in de zitting. Het is echter niet mogelijk de zittingverhoger vanuit de bovenste stand in de onderste stand te zetten.
02 Veiligheid Gerelateerde informatie • • • ISOFIX - afmetingscategorieën (p. 49) ISOFIX - soorten kinderzitjes (p. 50) Algemeen over kinderveiligheid (p. 39) ISOFIX - afmetingscategorieën Voor kinderzitjes met een ISOFIX (p. 48)bevestigingssysteem zijn er afmetingscategorieën om gebruikers te helpen bij het kiezen van het juiste type kinderzitje (p. 50).
02 Veiligheid ISOFIX - soorten kinderzitjes Kinderzitjes kunnen net als auto’s verschillende afmetingen hebben. Kinderzitjes passen 02 Type kinderzitje Babyzitje, overdwars Babyzitje, achterstevoren daardoor niet op alle zitplaatsen van de verschillende modellen. Gewicht max. 10 kg max. 10 kg Afmetingscategorie Zitplaatsen voor montage ISOFIX-kinderzitje Voorstoel Buitenste zitplaats achterbank F X X G X X E X OK (IL) Babyzitje, achterstevoren max.
02 Veiligheid Type kinderzitje Kinderzitje, in rijrichting Gewicht 9–18 kg Afmetingscategorie B Zitplaatsen voor montage ISOFIX-kinderzitje Voorstoel Buitenste zitplaats achterbank X OKA 02 (IUL) B1 X OKA (IUL) A X OKA (IUL) X: De ISOFIX-stand leent zich niet voor ISOFIX-kinderzitjes in deze gewichts- en/of afmetingscategorie. IL: Geschikt voor specifieke ISOFIX-kinderzitjes.
02 Veiligheid Kinderzitje - bovenste bevestigingspunten 02 N.B. Klap de hoofdsteunen omlaag om het monteren van dit type kinderzitje te vereenvoudigen bij auto’s met neerklapbare hoofdsteunen op de beide buitenste zitplaatsen. De auto is uitgerust met bovenste bevestigingspunten voor bepaalde kinderzitjes (p. 40) die in de rijrichting worden gemonteerd. Deze bevestigingspunten zitten achter op het zitgedeelte van de achterbank. N.B.
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Instrumenten en bediening, auto met stuur links - overzicht In het overzicht staat waar de displays en bedieningen van de auto zitten.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Overzicht auto’s met het stuur links 03 }} 55
03 Instrumenten, schakelaars en bediening || 03 56 Functie Zie Functie Zie Functie Zie Menu- en meldingsfuncties, richtingaanwijzers, groot licht/ dimlicht, boordcomputer (p. 104), (p. 106), (p. 90), (p. 84) en (p. 116). Openingshandgreep portier – Bedieningspaneel (p. 81), (p. 291) en (p. 171). Handmatig schakelen bij automatische versnellingsbak* (p. 263). (p. 169), (p. 175), (p. 95) en (p. 97). Bedieningsknoppen verlichting, ontgrendeling tankvulklep en achterklep Stoelverstelling* (p.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Instrumenten en bediening, auto met stuur rechts - overzicht In het overzicht staat waar de displays en bedieningen van de auto zitten.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening || Overzicht auto’s met het stuur rechts 03 58
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Functie Zie Functie Zie Functie Zie Beeldscherm voor infotainment en weergave van menu’s (p. 107) en supplement Sensus Infotainment. Bedieningspaneel (p. 169), (p. 175), (p. 95) en (p. 97). Stuurwielafstelling Contactslot (p. 72). Stoelverstelling* (p. 75). (p. 107) en supplement Sensus Infotainment. START/STOP ENGINE-knop (p. 254). (p. 81), (p. 291) en (p. 171). Handmatig schakelen bij automatische versnellingsbak* (p. 263).
03 Instrumenten, schakelaars en bediening || Gerelateerde informatie • • • 03 60 Buitentemperatuur (p. 70) Dagtellers (p. 70) Klok (p.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Instrumentenpaneel Op het informatiedisplay van het instrumentenpaneel wordt informatie weergegeven over bepaalde functies van de auto en meldingen. • Instrumentenpaneel, analoog - overzicht (p. 61) • Instrumentenpaneel, digitaal - overzicht (p. 62) • Instrumentenpaneel - betekenis controlesymbolen (p. 66) • Instrumentenpaneel - betekenis waarschuwingssymbolen (p.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening || Toerenteller. De meter geeft het motortoerental in duizenden omwentelingen per minuut aan. Schakelindicator2/Schakelindicator3. Zie ook Schakelindicator* (p. 262), Automatische versnellingsbak - Geartronic* (p. 263) of Automatische versnellingsbak Powershift* (p. 266).
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Meters en wijzers, digitaal instrument 263) of Automatische versnellingsbak Powershift* (p. 266). Voor het digitale instrumentenpaneel zijn verschillende thema’s te kiezen. De mogelijke thema’s zijn ‘Elegance’, ‘Eco’ en ‘Performance’. Het ingestelde thema kan bij vergrendeling van de auto worden opgeslagen in het geheugen van de transpondersleutel, zie pagina Transpondersleutel met sleutelblad (p. 155) en MY CAR (p. 107).
03 Instrumenten, schakelaars en bediening || Toerenteller. De meter geeft het motortoerental in duizenden omwentelingen per minuut aan. Schakelindicator6 /Schakelindicator7. Zie ook Schakelindicator* (p. 262),Automatische versnellingsbak - Geartronic* (p. 263) of Automatische versnellingsbak Powershift* (p. 266). 03 matie (p. 116) en Brandstof tanken (p. 292). Controle- en waarschuwingssymbolen Temperatuurmeter koelvloeistof motor Snelheidsmeter Toerenteller.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Als de motor niet aanslaat of als de functietest wordt uitgevoerd in sleutelstand II, gaan binnen enkele seconden alle symbolen uit, behalve het symbool voor storingen in het uitlaatgasreinigingssysteem en dat voor een lage oliedruk. Gerelateerde informatie • • • Instrumentenpaneel (p. 61) Instrumentenpaneel - betekenis controlesymbolen (p. 66) Instrumentenpaneel - betekenis waarschuwingssymbolen (p.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Instrumentenpaneel - betekenis controlesymbolen Groot licht aan Controlesymbolen Richtingaanwijzers rechts Betekenis Storing in ABL Beschikbaar motorvermogen Benut vermogen Uitlaatgasreinigingssysteem Storing in ABS Beschikbaar motorvermogen De kleinere wijzer bovenaan toont het beschikbare motorvermogen9. Hoe groter de uitslag op de schaal, hoe meer vermogen er beschikbaar is in de actuele versnelling.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Storing in ABS Voorgloeifunctie motor (diesel) Richtingaanwijzers links/rechts Als het symbool brandt, is het systeem defect. Het normale remsysteem van de auto werkt dan nog wel, zij het zonder ABS-regeling. Het symbool gaat branden wanneer de motor wordt voorverwarmd. Voorverwarming vindt meestal plaats bij lage temperaturen. Beide richtingaanwijzersymbolen knipperen bij gebruik van de alarmlichten. 1.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Instrumentenpaneel - betekenis waarschuwingssymbolen De waarschuwingssymbolen attenderen u erop dat de bijbehorende belangrijke functies/ systemen ingeschakeld zijn of dat er ernstige storingen of gebreken zijn opgetreden.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening 2. Start de motor opnieuw. • Rijd verder als beide symbolen uitgaan. • Als de symbolen echter blijven branden, moet u het peil in het remvloeistofreservoir controleren, zie Rem- en koppelingsvloeistof - peil (p. 341). Als de symbolen blijven branden ondanks dat het peil van de remvloeistof in orde is, moet u de auto uiterst voorzichtig naar een werkplaats rijden om het remsysteem te laten controleren.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Buitentemperatuur Dagtellers Klok Het buitentemperatuurmeterdisplay is zichtbaar op het instrumentenpaneel. Het dagtellerdisplay is zichtbaar op het instrumentenpaneel. Het klokdisplay is zichtbaar op het instrumentenpaneel. Dagteller, digitaal instrument. Klok, digitaal instrument.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Volvo Sensus Volvo Sensus vormt het hart van uw persoonlijke Volvo-beleving. Sensus bundelt informatie, entertainment en autofuncties voor een probleemloos bezit. instellingen te verrichten onder Instellingen van de auto, Audio en media, Klimaat e.d. Overzicht Met de knoppen en bedieningselementen op de middenconsole en het rechter toetsenblok* op het stuurwiel kunt u functies activeren en deactiveren en tal van instellingen verrichten.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening || Gerelateerde informatie • Licenties (p. 413) Sleutelstanden Met de transpondersleutel is het elektrische systeem van de auto in verschillende standen te zetten om het gebruik van verschillende functies/systemen mogelijk te maken, zie Sleutelstanden - functies in verschillende standen (p. 73). 03 plaats de transpondersleutel in het contactslot. 2. Duw de transpondersleutel vervolgens tot aan de aanslag in het slot.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Sleutelstanden - functies in verschillende standen Om het gebruik mogelijk te maken van een beperkt aantal functies met uitgeschakelde motor, kan het elektrisch systeem van de auto met de transpondersleutel in 3 verschillende (sleutel-)standen worden gezet: 0, I en II. In dit instructieboekje worden deze standen in algemene zin aangeduid als ‘sleutelstanden’. De volgende tabel geeft aan welke functies beschikbaar zijn in de verschillende sleutelstanden/niveaus.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening || N.B. Om niveau I of II te realiseren zonder dat de motor wordt gestart, trapt u niet het rem-/koppelingspedaal in als u deze sleutelstanden wilt selecteren. • Sleutelstand II - Met de transpondersleutel volledig in het contactslot13 geduwd druk lang14 op START/STOP ENGINE. • Terug naar sleutelstand 0 - Om terug te gaan naar sleutelstand 0 vanuit stand II en I - druk kort op START/STOP ENGINE.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening De rugleuning van de passagiersstoel kan worden omgeklapt om ruimte te maken voor lange lading. Zet de stoel zo ver mogelijk naar achteren en omlaag. Zet de rugleuning rechtop. Trek de pallen aan de achterzijde van de rugleuning omhoog tijdens het omklappen. Voorstoelen - elektrisch bediend Voor het best mogelijke zitcomfort hebben de voorstoelen verschillende instelmogelijkheden. De elektrisch bediende stoel kan naar voren/achteren en omhoog/omlaag worden gezet.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening || Stoel met geheugenfunctie* zal de instelling van de stoel onmiddellijk worden beëindigd. Elektrisch verwarmde stoelen/ achterbank Voor elektrisch verwarmde stoelen/achterbank, zie Elektrisch verwarmde voorstoelen* (p. 126) en Elektrisch verwarmde achterbank* (p. 126). 03 Geheugen* van transpondersleutel17 In alle transpondersleutels kunnen de instellingen voor de bestuurdersstoel en de buitenspiegels18 voor verschillende bestuurders worden opgeslagen.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening opgeslagen (als de stand van de stoel na vergrendeling van de auto werd gewijzigd). U kunt het sleutelgeheugen activeren/deactiveren in het menusysteem MY CAR. Voor een beschrijving van het menusysteem, zie MY CAR (p. 107). Noodstop Achterbank De rugleuning en de buitenste hoofdsteunen van de achterbank kunnen worden neergeklapt. De hoofdsteun van de middelste zitplaats kan aan de lengte van de passagier worden aangepast.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening || Ruggedeelte achterbank omklappen Houd voor het rechtop zetten de omgekeerde volgorde aan. BELANGRIJK N.B. Bij het neerklappen van de achterbank mogen er zich geen voorwerpen op de achterbank bevinden. De veiligheidsgordels mogen evenmin zijn ingestoken. Schade aan de bekleding van de achterbank is anders namelijk niet uitgesloten. 03 Als de rugleuning is teruggeklapt, mag de rode indicatie niet langer zichtbaar zijn.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening 2. Druk op de knop om de beide buitenste hoofdsteunen op de achterbank om te klappen en het zicht naar achteren te verbeteren. WAARSCHUWING Klap de buitenste hoofdsteunen niet om, als er iemand op een van beide buitenste zitplaatsen van de achterbank zit. Stuurwiel Het stuurwiel heeft meerdere verstellingsmogelijkheden en bedieningselementen voor de claxon, cruisecontrol en het menu-, het audioen het telefoonsysteem.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening || Elektrische stuurverwarming* matische versnellingsbak - Geartronic* (p. 263) Het stuurwiel is elektrisch te verwarmen. Bediening menusysteem, audio en telefoon, zie supplement Sensus Infotainment Functie Claxon 03 De positie van de knop kan variëren afhankelijk van de overige gekozen uitrusting en de markt. Claxon. Druk op het midden van het stuurwiel om te claxonneren. Gerelateerde informatie • Elektrische stuurverwarming* (p.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Bedieningspaneel verlichting Met het bedieningspaneel voor de verlichting kunt u de buitenverlichting inschakelen en aanpassen. U kunt het ook gebruiken om de display-, instrumenten- en interieurverlichting aan te passen. Overzicht bedieningspaneel verlichting Standen draaiknop N.B. Dezelfde lampen worden gebruikt voor de dagrijlichten en stadslichten/parkeerlichten vóór. De lichtsterkte is groter, wanneer de lampen worden gebruikt voor de dagrijlichten.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening || Stand Betekenis Dimlicht en stadslichten/ parkeerlichten/sidemarkers. Groot licht kan worden geactiveerd. 1. Laat de motor draaien of zet het elektrische systeem van de auto in de sleutelstand I. Stadslichten vóór en achterlichten U schakelt de stadslichten vóór en achterlichten in met de verlichtingsdraaiknop. 2. Draai het duimwiel omhoog of omlaag om de koplampen hoger of lager af te stellen. Grootlichtsignalering mogelijk.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Gerelateerde informatie • Bedieningspaneel verlichting (p. 81) Dagrijlicht Wanneer de verlichtingsdraaiknop in stand staat en het elektrische systeem van de auto in sleutelstand II of als de motor loopt, wordt in goede lichtomstandigheden automatisch het dagrijlicht ingeschakeld.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening 03 Tunneldetectie* Groot licht/dimlicht Op markten zonder automatisch dimlicht activeert de tunneldetectie het dimlicht als de auto een tunnel binnenrijdt. Ca. 20 seconden nadat de auto de tunnel heeft verlaten, dooft het dimlicht weer. Wanneer de verlichtingsdraaiknop in stand staat en het elektrische systeem van de auto in sleutelstand II of als de motor loopt, wordt in slechte lichtomstandigheden automatisch het dimlicht ingeschakeld.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Gerelateerde informatie • • • • • Actieve xenon-koplampen* (p. 87) Actief groot licht* (p. 85) Bedieningspaneel verlichting (p. 81) Koplampen - lichtbundel aanpassen (p. 92) Tunneldetectie* (p. 84) Actief groot licht* Actief groot licht ontdekt de koplampen van een tegenligger of de achterlichten van een voorligger en schakelt dan over van groot licht naar dimlicht.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening || bundel iets sterker brandt dan het geval is bij dimlicht. Auto met digitaal instrumentenpaneel Wanneer AHB geactiveerd is, brandt het symbool op het informatiedisplay van het instrumentenpaneel wit. 03 Stuurhendel en verlichtingsdraaiknop in stand AUTO. De functie kan starten bij ritten in het donker, wanneer de auto op een snelheid van 20 km/h of hoger rijdt.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening BELANGRIJK Voorbeelden van situaties waarin u mogelijk moet wisselen tussen groot licht en dimlicht: • • • • • in zware regen of dichte mist Actieve xenon-koplampen ABL bij stuifsneeuw of sneeuwmodder bij maanlicht bij ritten in zwak verlichte bebouwde gebieden bij voorliggers met een zwakke voertuigverlichting • • bij voetgangers op of naast de weg • als de verlichting van tegenliggers schuilgaat achter bijvoorbeeld vangrails • • bij verkeer op verbinding
03 Instrumenten, schakelaars en bediening || U kunt de functie23 deactiveren/activeren in het menusysteem MY CAR, zie MY CAR (p. 107). Voor het aanpassen van de lichtbundel, zie Koplampen - lichtbundel aanpassen (p. 92). Mistachterlicht Bij een beperkt zicht door mist kunt u het mistachterlicht gebruiken om achterliggers tijdig op uw aanwezigheid te attenderen. wordt het mistachterlicht automatisch uitgeschakeld. N.B. De voorschriften voor het gebruik van een mistachterlicht verschillen per land.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Remlichten Alarmlichten De remlichten gaan automatisch branden wanneer u remt. De alarmlichten waarschuwen medeweggebruikers doordat alle richtingaanwijzers gelijktijdig knipperen, wanneer deze functie actief is. Bij het bedienen van het rempedaal gaan de remlichten branden. Ze gaan ook branden wanneer een van de rij-assistentiesystemen, Adaptieve cruisecontrol (p. 189), City Safety (p. 207) of Collision Warning (p. 214) de auto afremmen.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Richtingaanwijzer De richtingaanwijzers van de auto zijn te bedienen met de linker stuurhendel. De richtingaanwijzers knipperen driemaal of blijven knipperen, afhankelijk van hoe ver u de hendel omhoog- of omlaaghaalt. worden of veert automatisch terug bij het terugdraaien van het stuurwiel. Richtingaanwijzersymbolen Voor de richtingaanwijzersymbolen, zie Instrumentenpaneel - betekenis controlesymbolen (p. 66).
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Plafondverlichting voorin U kunt de lampjes in- en uitschakelen met een druk op de bijbehorende knop. De leeslampjes voorin worden in- en uitgeschakeld met een druk op de bijbehorende knoppen op de plafondconsole. Instapverlichting De instapverlichting (alsmede de interieurverlichting) worden in- en uitgeschakeld bij het openen c.q. sluiten van een portier.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening 03 Follow Me Home-verlichting Approach-verlichting Koplampen - lichtbundel aanpassen De Follow Me Home-verlichting bestaat uit de het dimlicht, de parkeerlichten, de lampen in de buitenspiegels, de kentekenplaatverlichting, de plafondverlichting en de instapverlichting. De Approach-verlichting bestaat uit de stadslichten, de lampen in de buitenspiegels, de kentekenplaatverlichting, de plafondverlichting en de instapverlichting.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Wissers en -sproeiers Intervalstand Regensensor* De ruitenwisser en -sproeier reinigen de voorruit en achterruit. De koplampen worden met hogedruksproeiers gereinigd. Met het duimwiel kunt u het aantal wisslagen per eenheid van tijd instellen wanneer u de intervalstand hebt geselecteerd. De regensensor registreert de hoeveelheid regen op de voorruit en schakelt automatisch de ruitenwissers op de voorruit in.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening || De regensensor wordt automatisch gedeactiveerd, wanneer u de transpondersleutel uit het contactslot neemt of vijf minuten nadat u de motor hebt afgezet. BELANGRIJK 03 In een automatische wasstraat kunnen de ruitenwissers van de voorruit starten en beschadigd raken. Schakel de regensensor uit terwijl de auto loopt of de transpondersleutel in stand I of II staat. Het symbool op het instrumentenpaneel en het lampje in de knop doven.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Ruitenwisser achterklep, achteruitrijden Elektrisch bedienbare ruiten Als u de auto in de achteruitversnelling zet terwijl de voorste ruitenwissers actief zijn, zal de intervalstand van de ruitenwisser op de achterklep starten25. Bij het inschakelen van een andere versnelling valt de ruitenwisser op de achterklep stil. Vanaf het bedieningspaneel van het bestuurdersportier zijn alle elektrisch bedienbare ruiten te bedienen.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening || Bediening 03 Bedieningsknoppen elektrisch bedienbare zijruiten. Handmatige bediening Automatische bediening Met het bedieningspaneel van het bestuurdersportier kunnen alle elektrisch bedienbare ruiten worden bediend. De bedieningspanelen van de overige portieren kunnen alleen de ruit van het desbetreffende portier bedienen. Er kan slechts één bedieningspaneel tegelijk worden bediend.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Buitenspiegels WAARSCHUWING Stel de stand van de buitenspiegels bij met het hendeltje op het bedieningspaneel van het bestuurdersportier. De spiegel aan bestuurderszijde is groothoekig voor een optimaal zicht. Voorwerpen kunnen verder weg lijken dan ze in werkelijkheid zijn. Buitenspiegels Stand vastleggen26 De stand van de buitenspiegels en de bestuurdersstoel worden vastgelegd, wanneer u de auto met de transpondersleutel vergrendelt.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening || zodat het elektrisch in- en uitklappen weer correct werkt: 1. Klap de spiegels in met de knoppen L en R. 2. Klap de spiegels weer uit met de knoppen L en R. 03 3. Herhaal de bovenstaande procedure zo nodig. De spiegels staan daarmee weer in de neutrale stand. Approach-verlichting en Follow Me Home-verlichting Ruiten en buitenspiegels - elektrische verwarming De lampjes op de buitenspiegels gaan branden, wanneer u de Approach-verlichting (p.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening niets doet, wordt de functie na enige tijd automatisch uitgeschakeld. Zie ook Voorruit ontwasemen en ontdooien (p. 129). De buitenspiegels en de achterruit worden automatisch van condens/ijsvorming ontdaan, als de auto wordt gestart bij een buitentemperatuur lager dan +7 °C. Automatische ontwaseming is te selecteren in het menusysteem MY CAR, zie MY CAR (p. 107).
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Kompas* Op de achteruitkijkspiegel zit een display waarop wordt aangegeven in welke richting de voorkant van de auto wijst. Bediening knopje aan de onderzijde van de achteruitkijkspiegel indrukken. Kalibreren Om de juiste kompasrichting aan te geven moet het kompas soms worden gekalibreerd. 03 G030295 De aarde is in 15 magnetische zones verdeeld. Het kompas dient te worden gekalibreerd, als u met de auto meerdere magnetische zones doorkruist.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening 7. Auto’s met elektrische voorruitverwarming*: Als bij activering van de elektrische voorruitverwarming het teken C op het display verschijnt, kalibreer dan volgens punt 6 hierboven met de elektrische voorruitverwarming ingeschakeld, zie Voorruit ontwasemen en ontdooien (p. 129). 8. Herhaal de bovenstaande procedure zo nodig.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Panoramadak* - bediening volgen - duw de bedieningsknop nu echter vooruit naar de stand voor automatisch sluiten. Bij automatische bediening wordt het gordijn/dak maximaal geopend. Versneld openen/sluiten In de ventilatiestand wordt de achterkant van het voorste daksegment opengekanteld.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening volgen - duw de bedieningsknop nu echter vooruit naar de stand voor handmatig sluiten. N.B. Voordat het panoramadak handmatig kunnen worden geopend moet het gordijn volledig geopend zijn. Omgekeerd geldt dat het panoramadak volledig gesloten moet zijn voordat het gordijn kan worden gesloten. helemaal dichtstaat bij activering van de ventilatiestand, schuift het automatisch ca. 50 mm open.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Menufuncties - instrumentenpaneel Menu-overzicht - instrumentenpaneel Met de linker stuurhendel bedient u de menu’s (p. 104) die op het informatiedisplay van het instrumentenpaneel (p. 61) verschijnen. Welke menu’s er verschijnen hangt af van de sleutelstand (p. 73). Welke menu’s er op het informatiedisplay van het instrumentenpaneel verschijnen hangt af van de sleutelstand (p. 73).
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Boordcomp reset Gerelateerde informatie Meldingen Wanneer er een waarschuwings-, informatieof controlesymbool oplicht, verschijnt er tevens een aanvullende melding op het informatiedisplay. • Instrumentenpaneel, analoog - overzicht (p. 61) • Instrumentenpaneel, digitaal - overzicht (p. 62) Melding Betekenis • Menufuncties - instrumentenpaneel (p. 104) Stop auto z.s.m.A Breng de auto tot stilstand en zet de motor af.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening || Melding Betekenis Versnellingsbak heet Rijd langzamer Rijd voorzichtiger of breng de auto zo spoedig mogelijk tot stilstand. Zet de versnellingsbak in de neutraal en laat de motor stationair draaien totdat de melding verdwijntC. 03 A B C 106 Versnellingsbak heet Stop auto z.s.m. Wachten op afkoelen Kritieke storing. Breng de auto zo spoedig mogelijk tot stilstand en bezoek een werkplaatsB.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening MY CAR kiezen/aan te vinken of de gekozen functie in het geheugen op te slaan. MY CAR is een menugroep voor hantering van tal van autofuncties, zoals City Safety, sloten en alarm, automatische ventilatorsnelheid, klokinstelling e.d. TUNE - aan de draaiknop op de middenconsole of het duimwiel op het stuurwiel draaien om een stap omhoog/omlaag te gaan door de menu-opties.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening 03 Boordcomputer Groepsmenu’s De boordcomputer van de auto kan tijdens het rijden informatie registreren, berekenen en tonen. De boordcomputer heeft twee verschillende groepsmenu’s: De functies en het uiterlijk van de boordcomputer verschillen afhankelijk van de vraag of het instrumentenpaneel er een van het type "Analog" of "Digital" is: • Boordcomputer - instrumentenpaneel ‘Analog’ (p. 109) • Boordcomputer - instrumentenpaneel ‘Digital’ (p.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Boordcomputer - instrumentenpaneel "Analog" De boordcomputer van de auto kan tijdens het rijden informatie registreren, berekenen en tonen. De menu’s van de boordcomputer volgens elkaar op in een eindeloze lus. Een van opties bestaat erin dat het boordcomputerdisplay dooft – dit geeft tevens het begin/eind van de lus aan. Functies Doe het volgende om functies te openen en regelen/aanpassen: 1.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening || 03 Functies Informatie Digit. snlhd. Geeft de rijsnelheid digitaal weer in het midden van het instrumentenpaneel: • • • • km/h mph Open een functie met OK, kies een optie met het duimwiel, bevestig met OK en verlaat de functie met ENTER. Geen aanduiding Verwarming* • • DIRECTE START • - Timer 2 - voert naar het menu voor selectie van het tijdstip.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening A Functies Informatie OliepeilA Voor meer informatie, zie Motorolie - controleren en bijvullen (p. 336). Meldingen (##) Voor meer informatie, zie Meldingen - functies (p. 106). Bepaalde motoren. Rubrieken U kunt een van de rubrieken in de volgende tabel uitkiezen voor constante weergave op het instrumentenpaneel. Doe het volgende om een keuze te maken: 2. Draai aan het duimwiel - de te kiezen boordcomputerrubrieken liggen in een lus. 03 3.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening || Tijdens het rijden kunt u op ieder gewenst moment een andere boordcomputerrubriek voor het instrumentenpaneel kiezen: Ga als volgt te werk: – Draai aan het duimwiel - stop met bladeren bij de rubriek van uw keuze. Gerelateerde informatie 03 112 • Boordcomputer - aanvullende informatie (p. 116) • Boordcomputer - rijstatistiek* (p. 117) * Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Boordcomputer - instrumentenpaneel "Digital" De boordcomputer van de auto kan tijdens het rijden informatie registreren, berekenen en tonen. De menu’s van de boordcomputer volgens elkaar op in een eindeloze lus. Een van opties bestaat erin dat alle drie de boordcomputerdisplays doven – dit geeft tevens het begin/ eind van de lus aan. Functies Doe het volgende om functies te openen en regelen/aanpassen: 1.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening || Functies Informatie Boordcomp reset N.B. Bij deze functie worden de beide dagtellers T1 en T2 niet op nul gesteld - zie de tabel in het volgende gedeelte ‘Rubrieken’ of het gedeelte ‘Op nul stellen bij Digital’ (p. 116) voor informatie hierover. • • 03 Gemiddeld Gemiddelde snelheid Meldingen Voor meer informatie, zie Meldingen - functies (p. 106). Thema's Hier kiest u het uiterlijk van het instrumentenpaneel (p. 61).
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Rubrieken Er kunnen drie boordcomputerrubrieken tegelijk worden weergegeven: één op elk van drie ‘vensters’ (zie voorgaande afbeelding). U kunt een van de rubriekcombinaties in de volgende tabel uitkiezen voor constante weergave op het instrumentenpaneel. Doe het volgende om een keuze te maken: 1. Om er zeker van dat geen van de bedieningselementen zich midden in een procedure bevindt, moet u ze eerst ‘resetten’ met 2 keer drukken op RESET. Rubriekcombinaties 2.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Boordcomputer - aanvullende informatie De boordcomputer van de auto kan tijdens het rijden informatie registreren, berekenen en tonen. Hier volgt aanvullende informatie over enkele functies. Gemiddeld 03 Het gemiddelde brandstofverbruik sinds de laatste maal dat de waarde op nul gesteld werd. N.B. Er kunnen onjuiste waarden verschijnen als er een verwarming op brandstof* is gebruikt.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Eenheid wijzigen Boordcomputer - rijstatistiek* Bediening U kunt van eenheid veranderen voor weergave van de afstand en snelheid (km/miles) in het menusysteem My Car, zie MY CAR (p. 107). Er wordt informatie vastgelegd over het gemiddelde brandstofverbruik en de gemiddelde snelheid tijdens eerdere ritten. Deze informatie is weer te geven op het beeldscherm in de vorm van een staafdiagram. In het menusysteem MY CAR kunt u uiteenlopende instellingen verrichten.
KLIMAAT
04 Klimaat Algemene informatie over de klimaatregeling De auto is voorzien van elektronische klimaatregeling (p. 125). De klimaatregeling zorgt ervoor dat de lucht in het interieur gekoeld, verwarmd of van vocht ontdaan wordt. N.B. Airconditioning (AC) (p. 128) uitschakelen, maar voor optimaal klimaatcomfort in de passagiersruimte en om te voorkomen dat de ruiten beslaan dient u de airconditioning altijd te laten aanstaan.
04 Klimaat 04 Werkelijke temperatuur Sensoren - klimaat Luchtreiniging De ingestelde interieurtemperatuur komt overeen met de gevoelstemperatuur op basis van de heersende omstandigheden in en rond de auto wat de luchtsnelheid, de luchtvochtigheidsgraad, de ingestraalde warmte enz. betreft. De klimaatregeling beschikt over enkele sensoren om de temperatuur (p. 120) in de auto te regelen.
04 Klimaat Luchtreiniging - interieurfilter Alle lucht die de passagiersruimte binnenkomt wordt gereinigd door een filter. Vervang het filter regelmatig. Raadpleeg het Serviceprogramma van Volvo voor het aanbevolen vervangingsinterval. In zeer sterk verontreinigde gebieden moet u het filter mogelijk vaker vervangen.
04 Klimaat Luchtreiniging - IAQS* Het Interior Air Quality System (IAQS) ontdoet de binnenkomende lucht van gassen en stofdeeltjes om zo hinderlijke geurtjes en verontreinigingen in de passagiersruimte te beperken. Als de Air Quality Sensor een verhoogde concentratie van verontreinigingen in de buitenlucht meet, wordt de luchtinlaat afgesloten waarna de lucht in de passagiersruimte wordt gerecirculeerd. 04 Het is mogelijk het systeem te activeren/ deactiveren in het menusysteem MY CAR.
04 Klimaat Menu-instellingen - klimaat Luchtverdeling passagiersruimte Via de middenconsole is het mogelijk de basisinstellingen voor zes van de klimaatregelingsfuncties te activeren/deactiveren of wijzigen. De binnenkomende lucht wordt verdeeld over uiteenlopende blaasmonden verspreid over het interieur. • Ventilatorstand bij automatische klimaatregeling (p. 127). • • Recirculatietimer (p. 130). • • • Blaasmonden in dashboard Automatische achterruitverwarming (p. 98).
04 Klimaat || Blaasmonden in portierstijlen 04 Dicht Luchtverdeling - ontwaseming voorruit Open Luchtverdeling - blaasmond dashboard Luchtstroom naar links of rechts Luchtverdeling - ventilatie vloer Luchtstroom omhoog of omlaag Richt de blaasmonden bij koud weer op de achterste zijruiten om deze te ontwasemen. Richt de blaasmonden, bij warm weer, naar binnen toe voor een behaaglijke temperatuur achter in de auto. N.B. Let erop dat kleine kinderen gevoelig kunnen zijn voor luchtstromen en tocht.
04 Klimaat Elektronische klimaatregeling, ECC ECC (Electronic Climate Control) handhaaft de temperatuur die in het interieur wordt gekozen en kan voor de bestuurders- en passagierszijde apart worden ingesteld. Met de autofunctie worden temperatuur, airconditioning, ventilatorsnelheid, recirculatie en luchtverdeling automatisch geregeld. 04 Temperatuurregeling (p. 128), links Elektrisch verwarmde voorstoel (p. 126), linkerkant Elektrisch verwarmde voorstoel (p. 126), rechterkant Temperatuurregeling (p.
04 Klimaat Elektrisch verwarmde voorstoelen* De verwarming van de voorstoelen heeft drie standen om het zitcomfort voor bestuurder en voorpassagier bij kou te verhogen. • • Laagste verwarmingsstand - er brandt één oranje veld op het beeldscherm. Verwarming uitschakelen - geen van de velden brandt. WAARSCHUWING Elektrisch verwarmde achterbank* De verwarming voor de buitenste plaatsen van de achterbank1 heeft drie standen om het comfort voor passagiers te verhogen als het koud is.
04 Klimaat WAARSCHUWING Een elektrisch verwarmde stoel mag niet worden gebruikt door personen die niet goed kunnen voelen dat de temperatuur toeneemt of die om een andere reden moeilijkheden hebben om de elektrisch verwarmde stoel te bedienen. Er kunnen dan namelijk brandwonden ontstaan. Gerelateerde informatie • Algemene informatie over de klimaatregeling (p. 119) • Elektrisch verwarmde voorstoelen* (p.
04 Klimaat Temperatuurregeling passagiersruimte Bij het starten van de motor wordt de laatst verrichte temperatuurinstelling hervat. N.B. Het is niet mogelijk om het opwarmen/ afkoelen te versnellen door een hogere/ lagere temperatuur te kiezen dan die eigenlijk gewenst is. 04 De actuele temperatuur voor beide zones staat aangegeven op het display van de middenconsole. Met deze knop kunt u de temperatuur aan de bestuurders- en passagierszijde onafhankelijk van elkaar instellen.
04 Klimaat Voorruit ontwasemen en ontdooien U kunt de elektrische voorruitverwarming* en de maximale ontwaseming gebruiken om de vooruit en zijruiten snel te ontwasemen en ontdooien. Voor auto’s zonder elektrische voorruitverwarming: • Er stroomt lucht naar de ruiten - op het beeldscherm brandt het symbool (2). • Functie uitschakelen - geen van de symbolen brandt. Voor auto’s met elektrische voorruitverwarming: Het beeldscherm van de middenconsole geeft de gekozen instelling aan.
04 Klimaat Luchtverdeling - recirculatie Kies voor recirculatie als u vieze luchtjes, uitlaatgassen en dergelijke buiten wilt houden. Er komt met andere woorden geen lucht van buiten de auto in, wanneer deze functie actief is. Wanneer de recirculatie actief is, brandt het oranje lampje in de knop. 04 BELANGRIJK Als de lucht in de auto te lang recirculeert, kan de binnenzijde van de ruiten beslaan.
04 Klimaat Luchtverdeling - tabel Met drie knoppen kiest u de gewenste luchtverdeling (p. 123). Luchtverdeling Toepassing Lucht naar de ruiten. Er komt een bepaalde hoeveelheid lucht uit de blaasmonden. De lucht wordt niet gerecirculeerd. De airconditioning is altijd ingeschakeld. om snel te ontdooien en te ontwasemen. Lucht naar de voorruit, via de blaasmond voor ontwaseming, en de zijruiten. Er komt een bepaalde hoeveelheid lucht uit de blaasmonden.
04 Klimaat || Luchtverdeling Toepassing Lucht naar de vloer en de ruiten. Er komt een bepaalde hoeveelheid lucht uit de blaasmonden in het dashboard. om een comfortabel klimaat en een goede ontwaseming te verkrijgen bij koud weer. Lucht naar de vloer en uit de blaasmonden in het dashboard. bij zonnig weer en matige buitentemperaturen. Lucht naar de vloer. Er komt een bepaalde hoeveelheid lucht uit de blaasmonden in het dashboard en op de ruiten. om warme of koude lucht naar de vloer te sturen.
04 Klimaat Motor- en interieurverwarming* Tanken Met preconditioning bereidt de verwarming de motor en het interieur voor om de slijtage en het stroomverbruik tijdens de rit te beperken. ming automatisch uitgeschakeld en verschijnt er een melding op het informatiedisplay. Bevestig deze melding door op de knop OK op de richtingaanwijzerhendel (p. 104) te drukken. De verwarming is direct (p. 134) in te schakelen of vertraagd met een timerfunctie (p. 134).
04 Klimaat Motor- en interieurverwarming* direct inschakelen/uitschakelen Motor- en interieurverwarming* timers 4. Druk kort op OK zodat de uuraanduiding gaat branden. Bij directe inschakeling van de motor- en interieurverwarming (p. 133) blijft de verwarming 50 minuten lang draaien. De timers van de motor- en interieurverwarming (p. 133) zijn gekoppeld aan de klok van de auto. 5. Stel de gewenste uuraanduiding in met het duimwiel.
04 Klimaat Uitschakelen U kunt de timergestuurde verwarming uitschakelen voordat de timer dat doet. Ga als volgt te werk: 1. Druk op de knop OK om het menu te openen. 2. Ga met het duimwiel naar Verwarming en maak een keuze met OK. > Als een timer ingesteld maar niet actief is, staat er een kloksymbool naast de ingestelde tijd. 3. Kies een van de beide timers met het duimwiel en bevestig uw keuze met OK. 04 4.
04 Klimaat Motor- en interieurverwarming* meldingen Wanneer een van de timers geactiveerd is, brandt het symbool voor een geactiveerde timer op het display met de ingestelde tijd ernaast. Symbolen en displaymeldingen ten aan zien van de motor- en interieurverwarming (p. 133) verschillen afhankelijk van de vraag of het om een analoog of digitaal instrumentenpaneel (p. 61) gaat. Symbool voor een geactiveerde timer op een analoog instrumentenpaneel.
04 Klimaat Symbool Display Betekenis Brandstofkachel gestopt Brandstofpeil laag De verwarming kan niet worden geactiveerd door een te laag brandstofpeil – dit om het mogelijk te maken de motor te starten en nog ca. 50 km te rijden. Brandstofkachel Service vereist Verwarming defect. Neem voor reparatie contact op met een werkplaats. Volvo adviseert u daarvoor contact op te nemen met een erkende Volvo-werkplaats. Een tekstmelding verdwijnt automatisch na enige tijd.
04 Klimaat Extra verwarming* Extra verwarming op brandstof* In landen met een koud is wellicht een extra verwarming vereist om de motor op bedrijfstemperatuur te brengen en een behaaglijke temperatuur in de passagiersruimte te realiseren. De auto is uitgerust met een extra verwarming (p. 138) op stroom (p. 139) of op brandstof. Op auto’s met een dieselmotor is een extra verwarming op brandstof (p. 138) gemonteerd.
04 Klimaat Extra verwarming op stroom* De auto is uitgerust met een extra verwarming (p. 138) op brandstof (p. 138). De verwarming is niet handmatig te regelen, maar wordt nadat de motor is aangeslagen automatisch geactiveerd bij buitentemperaturen lager dan 14 °C en wordt gedeactiveerd wanneer de ingestelde interieurtemperatuur is bereikt. Gerelateerde informatie • Motor- en interieurverwarming* (p. 133) 04 * Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
LAAD- EN OPBERGMOGELIJKHEDEN
05 Laad- en opbergmogelijkheden Opbergmogelijkheden Overzicht van opbergmogelijkheden in passagiersruimte.
05 Laad- en opbergmogelijkheden || Opbergvak in portierpaneel Opbergzak* aan de voorkant van de voorstoelzittingen Parkeerkaarthouder Dashboardkastje (p. 144) Opbergvakken, bekerhouder (p. 143) Kledinghaak (p. 143) Bekerhouder* in armsteun, achterbank Opbergvak WAARSCHUWING 05 142 Bewaar losse voorwerpen, zoals een mobiele telefoon, camera, afstandsbediening voor extra uitrusting e.d., in het dashboardkastje of andere opbergruimten.
05 Laad- en opbergmogelijkheden Kledinghaak Middenconsole Middenconsole - aansteker en asbak* De kledinghaak zit links op de hoofdsteun van de passagiersstoel. De middenconsole zit tussen de voorstoelen. In bekerhouder onder de middenarmsteun zit een uitneembare asbak. De aansteker zit in de 12V-aansluiting (p. 145) voor de voorpassagiers. De kledinghaak is alleen bestemd voor niet al te zware kledingstukken. De asbak in de middenconsole (p. 143) is te verwijderen door deze recht omhoog te tillen.
05 Laad- en opbergmogelijkheden Dashboardkastje Inlegmatten* Make-upspiegel Het dashboardkastje zit aan de passagierszijde. De inlegmatten vangen bijvoorbeeld vuil en natte sneeuw op. Volvo biedt inlegmatten die speciaal vervaardigd zijn. De make-upspiegel zit aan de achterkant van de zonneklep. WAARSCHUWING Controleer voordat u wegrijdt of de inlegmat voor de bestuurdersstoel goed ligt en aan de knoppen vastzit, zodat deze niet naast of onder de pedalen klem kan komen te zitten.
05 Laad- en opbergmogelijkheden Middenconsole - 12V-aansluiting U kunt de elektrische aansluiting voor verschillende accessoires gebruiken die op een spanning van 12 V werken, zoals beeldschermen, mediaspelers of mobiele telefoons. De transpondersleutel moet ten minste in sleutelstand I (p. 73) staan, anders geeft de aansluiting geen stroom. De elektrische aansluitingen (12 V) vindt u naast de bekerhouder1 en achter in de middenconsole.
05 Laad- en opbergmogelijkheden Lading vervoeren Het laadvermogen is afhankelijk van het rijklaar gewicht van de auto. Het laadvermogen is afhankelijk van het rijklaar gewicht van de auto. Het laadvermogen dient te worden verminderd met de som van het gewicht van eventuele inzittenden en dat van gemonteerde accessoires. Voor uitvoerige informatie over gewichten, zie Gewichten (p. 384).
05 Laad- en opbergmogelijkheden Lading vervoeren - lange lading Lading op het dak Verankeringsogen Om het in- en uitladen (p. 146) van de bagageruimte te vereenvoudigen, kunt u de ruggedeelten van de achterbank neerklappen. Voor het vervoer van extra lange lading kunt u ook de rugleuning van de passagiersstoel omklappen2. Voor vervoer van lading op het dak adviseren we u de door Volvo ontwikkelde lastdragers. Dit om schade aan de auto te voorkomen en voor maximale veiligheid tijdens het rijden.
05 Laad- en opbergmogelijkheden Lading vervoeren - houder voor boodschappentassen 12V-aansluiting - bagageruimte* Met de houder voor boodschappentassen kunt u draagtassen vastzetten om te voorkomen dat ze omvallen en hun inhoud over de vloer van de bagageruimte verspreiden. N.B. U kunt de elektrische aansluiting voor verschillende accessoires gebruiken die op een spanning van 12 V werken, zoals beeldschermen, mediaspelers of mobiele telefoons.
05 Laad- en opbergmogelijkheden Bagagenet* Bevestigen, uitvoering 1 Een bagagenet voorkomt dat bagage in de bagageruimte bij krachtig afremmen de passagiersruimte in worden geslingerd. N.B. Het veiligheidsnet wordt het eenvoudigst via het ene achterportier gemonteerd. Het bagagenet, dat in vier bevestigingspunten wordt gemonteerd, is in twee uitvoeringen verkrijgbaar. WAARSCHUWING G034213 Bagagenet, uitvoering 2. Bagagenet, uitvoering 1.
05 Laad- en opbergmogelijkheden || 3. Haak het andere uiteinde van de stang vast aan de plafondbevestiging aan de tegenoverliggende zijde – de bevestigingshaken met telescoopveren maken het aanbrengen eenvoudiger. 4. Montage achterin: Haak, met het net bevestigd aan de achterste plafondbevestigingen, de spanbanden van het bagagenet vast in de vloerverankeringsogen voor in de bagageruimte. Let erop dat u de bevestigingshaken van de stang in de voorste eindstand van de beide plafondbevestigingen duwt.
05 Laad- en opbergmogelijkheden Het ingeklapte en opgerolde bagagenet kan worden opgeborgen onder de vloer in de bagageruimte. Bevestigen, uitvoering 2 N.B. Het veiligheidsnet wordt het eenvoudigst via het ene achterportier gemonteerd. 3. Haak de andere bevestigingshaak van het net vast aan de plafondbevestiging aan de tegenoverliggende zijde - de bevestigingshaken met telescoopveren maken het aanbrengen eenvoudiger. 4.
05 Laad- en opbergmogelijkheden BELANGRIJK Als de stoel/rugleuning te hard achteruitgeduwd wordt tegen het veiligheidsnet, kan het net en/of zijn plafondbevestigingen beschadigd raken. Demonteren en opbergen, uitvoering 2 Het bagagenet is eenvoudig te demonteren en op te vouwen. 1. Druk de verende delen van de karabijnhaken in en maak de karabijnhaken los uit de ogen. 2. Maak de bevestigingshaken van het net los uit de plafondbevestigingen.
05 Laad- en opbergmogelijkheden lengen. U kunt het veiligheidsrek desgewenst demonteren en uit de auto nemen. Bagagerolhoes Duw beide kanten vast. De rolhoes moet hoorbaar vastklikken en de rode markering moet verdwijnen. > Controleer of beide eindstukken vergrendeld zijn. Voor informatie over het vereiste gereedschappen en de te volgen methode bij montage/demontage, zie de montagevoorschriften3 die bij aankoop bijgeleverd werden.
SLOTEN EN ALARM
06 Sloten en alarm Transpondersleutel met sleutelblad Transpondersleutel - verlies Sleutelgeheugen* U gebruikt de transpondersleutel om de auto te starten en deze te vergrendelen en ontgrendelen. De sleutel bevat een afneembaar sleutelblad (p. 161). Het zichtbare deel bestaat in twee uitvoeringen om de transponders van elkaar te kunnen onderscheiden. Bij verlies van een transpondersleutel kunt u een nieuwe bestellen bij een werkplaats – geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
06 Sloten en alarm Indicatie vergrendeling/ontgrendeling - instellen Wanneer u de auto vergrendelt of ontgrendelt met een transpondersleutel (p. 155), lichten de richtingaanwijzers een bepaald aantal malen op om aan te geven dat de auto op de juiste manier vergrendeld/ontgrendeld is. • • Vergrendelen – eenmaal oplichten en de buitenspiegels worden ingeklapt1. Ontgrendelen – tweemaal oplichten en de buitenspiegels worden uitgeklapt1.
06 Sloten en alarm Op afstand bediende startblokkering met opsporingssysteem De op afstand bediende startblokkering met opsporingssysteem maakt het mogelijk om de auto op te sporen en te lokaliseren alsmede op afstand de startblokkering te activeren, zodat de motor afslaat. Transpondersleutel - functies De transpondersleutel heeft functies voor bijvoorbeeld vergrendeling en ontgrendeling van de portieren.
06 Sloten en alarm || Bij lang indrukken worden alle ruiten tegelijkertijd geopend (zie ook Doorluchtfunctie (p. 170)). De gelijktijdige ontgrendeling van alle portieren is dusdanig te wijzigen dat bij eenmaal indrukken van de knop eerst het bestuurdersportier ontgrendeld wordt en bij de tweede maal indrukken – één en ander binnen 10 seconden – de resterende portieren te ontgrendelen. U kunt de functie wijzigen in het menusysteem MY CAR. Voor een beschrijving van het menusysteem, zie MY CAR (p. 107).
06 Sloten en alarm Gerelateerde informatie • Transpondersleutel - functies (p. 157) PCC* - unieke functies Gebruik van de informatietoets Een transpondersleutel met PCC heeft extra functies ten opzichte van een transpondersleutel zonder PCC (p. 155) in de vorm van een informatieknop en controlelampjes. – Druk op de informatietoets . > Ca. 7 seconden lang lichten de controlesymbolen op de PCC om de beurt op. Dit geeft aan dat informatie over de auto wordt uitgelezen.
06 Sloten en alarm || PCC* - bereik N.B. Het bereik van de PCC voor vergrendeling, ontgrendeling en bediening van de achterklep is ca. 20 m rond de auto – voor de overige functies geldt een maximumbereik van ca. 100 m. Als binnen het bereik van de PCC geen van de controlelampjes brandt bij het indrukken van de informatietoets, vertoont de communicatie tussen de PCC en de auto mogelijk storingen onder invloed van radiogolven in de lucht, omringende gebouwen, topografische omstandigheden e.d.
06 Sloten en alarm Afneembaar sleutelblad De transpondersleutel (p. 155) bevat een afneembaar metalen sleutelblad waarmee u enkele functies kunt activeren en bepaalde handelingen kunt uitvoeren. De unieke code van de sleutelbladen is bekend bij de erkende Volvo-werkplaatsen, waar ook nieuwe sleutelbladen kunnen worden besteld. Afneembaar sleutelblad - verwijderen/ aanbrengen Het verwijderen/aanbrengen van het afneembare sleutelblad (p.
06 Sloten en alarm Afneembaar sleutelblad - portier ontgrendelen Het afneembare sleutelblad (p. 161) kan worden gebruikt als de centrale vergrendeling niet kan worden geactiveerd met de transpondersleutel (p. 155), bijv. als de batterij van de sleutel leeg is. Als de centrale vergrendeling niet op de transpondersleutel reageert (omdat de batterijen bijvoorbeeld leeg zijn), kunt u het bestuurdersportier op de volgende manier ontgrendelen en openen: 1.
06 Sloten en alarm N.B. Keer de transpondersleutel met de knoppen naar boven om te voorkomen dat de batterijen eruit vallen als deze wordt geopend. Batterijtype Gebruik batterijen met het opschrift CR2430, 3 V (twee per transpondersleutel en twee per PCC). N.B. Volvo adviseert u om batterijen voor de transpondersleutel/PCC te gebruiken die voldoen aan UN Manual of Test and Criteria, Part III, sub-section 38.3.
06 Sloten en alarm Keyless drive* Keyless drive* - bereik PCC 159)2 Keyless drive, alleen met PCC (p. houdt in dat het vergrendel- en startsysteem van de auto zonder sleutel kan worden bediend. Met de Keyless drive-functie van de PCC kunt u zonder een sleutel te gebruiken de auto ontgrendelen (p. 166), starten en vergrendelen. U hoeft de PCC alleen bij u te dragen. Het systeem maakt het eenvoudiger om de auto te openen wanneer u bijvoorbeeld uw handen vol hebt.
06 Sloten en alarm Keyless drive* - veilig gebruik van de PCC Keyless drive* - storingen in de functie van een PCC Pas goed op al uw transpondersleutels. De Keyless-functie kan gestoord worden door elektromagnetische velden en afschermingen. Als u een PCC met keyless-functie in de auto laat liggen, wordt de PCC bij het vergrendelen van de auto tijdelijk gedeactiveerd. Onbevoegden kunnen de portieren er dan niet meer mee openen.
06 Sloten en alarm || N.B. Op auto's met een automatische versnellingsbak moet de keuzehendel in de Pstand staan. Anders kan de auto niet worden vergrendeld of op alarm worden gezet. Gerelateerde informatie • • Keyless drive* (p. 164) Alarmindicatie (p. 177) 06 Keyless drive* - ontgrendelen Er wordt ontgrendeld wanneer iemand een portierhandgreep beetpakt of op het met rubber beklede drukplaatje van de achterklep drukt – open het portier of de achterklep op de normale manier.
06 Sloten en alarm 1. Duw het sleutelblad ca. 1 cm recht omhoog in de opening aan de onderkant van de portierhandgreep/afdekking – niet wrikken. > De kunststof afdekking komt automatisch los, wanneer u het blad recht omhoog de opening induwt. 2. Steek het sleutelblad vervolgens in de slotcilinder en ontgrendel het portier. 3. Plaats de kunststof afdekking na ontgrendeling terug. N.B. Wanneer u het bestuurdersportier met het sleutelblad ontgrendeld hebt en vervolgens opent, gaat het alarm af.
06 Sloten en alarm Keyless drive* vergrendelingsinstellingen De vergrendelingsinstellingen voor het Keyless-systeem zijn aan te passen. Keyless drive* - locatie antennes De vergrendelingsinstellingen voor het Keyless-systeem zijn aan te passen door in het menusysteem MY CAR aan te geven welke portieren er ontgrendeld moeten worden. Voor een beschrijving van het menusysteem, zie MY CAR (p. 107). • Keyless drive* (p.
06 Sloten en alarm Vergrendelen/ontgrendelen - vanaf de buitenkant N.B. Let erop dat het alarm afgaat, wanneer het portier na ontgrendeling met het sleutelblad wordt geopend – het alarm wordt uitgeschakeld, wanneer de transpondersleutel in het contactslot wordt geplaatst. Met de transpondersleutel (p. 155) is vergrendeling/ontgrendeling van de buitenkant mogelijk. Met de transpondersleutel kunt u alle portieren en de achterklep gelijktijdig vergrendelen/ontgrendelen.
06 Sloten en alarm || Bij lang indrukken worden ook alle zijruiten* tegelijkertijd geopend (zie ook Doorluchtfunctie (p. 170)). • Trek eenmaal aan de openingshandgreep en laat deze vervolgens los – het portier is ontgrendeld. Wanneer u nogmaals aan de handgreep trekt wordt het portier geopend. Doorluchtfunctie Bij warm weer kunt u de doorluchtfunctie gebruiken om alle zijruiten tegelijk korte tijd te openen en weer te sluiten en op die manier snel voor frisse lucht in de auto te zorgen.
06 Sloten en alarm Vergrendelen/ontgrendelen achterklep De achterklep is op meerdere manieren te openen, vergrendelen en ontgrendelen. Handmatig openen BELANGRIJK • De achterklep is met heel weinig kracht te ontgrendelen – druk gewoon lichtjes op het met rubber beklede platje. • Breng geen druk aan op het met rubber beklede plaatje bij het openen van de achterklep – maar til de handgreep op. Bij te veel druk kan de elektrische schakelaar in het met rubber beklede plaatje beschadigd raken.
06 Sloten en alarm || Om de achterklep te ontgrendelen: – Druk op de knop (1) op het verlichtingspaneel. > De klep wordt ontgrendeld en kan binnen 2 minuten worden geopend (als de auto vanaf de binnenzijde vergrendeld werd). Elektrische achterklepbediening N.B.
06 Sloten en alarm Beveiliging tegen overbelasting Als de achterklep tijdens het openen/sluiten in zekere mate wordt gehinderd door een obstakel treedt de beveiliging tegen overbelasting in werking. • Gebeurt dit tijdens het openen dan wordt de elektrische achterklepbediening uitgeschakeld en de achterklep vrijgegeven. • Gebeurt dit tijdens het sluiten dan komt de achterklep tot stilstand om vervolgens enkele centimeters van het obstakel af te bewegen.
06 Sloten en alarm Safelock-functie* Tijdelijk deactiveren N.B. Bij activering van de Safelock-functie worden alle vergrendelknoppen en openingshandgrepen mechanisch losgekoppeld, wat het openen van de portieren van zowel de binnen- als de buitenzijde onmogelijk maakt. Met de transpondersleutel (p. 155) activeert u de Safelock-functie die ca. 10 seconden na vergrendeling van de portieren in werking treedt. 06 Bij Safelock is de auto alleen met de transpondersleutel te ontgrendelen.
06 Sloten en alarm Kinderslot - handmatige activering N.B. Het kinderslot voorkomt dat kinderen een achterportier vanaf de binnenzijde kunnen openen. Kinderslot activeren/deactiveren • De vergrendelbus van een portier dient alleen om het desbetreffende portier te vergrendelen – dus niet beide achterportieren. • Op auto’s met een elektrisch kinderslot zit geen handmatig kinderslot. G021077 Gerelateerde informatie • Kinderslot - elektrische activering* (p.
06 Sloten en alarm || 2. Druk op de bijbehorende knop van het bedieningspaneel op het bestuurdersportier. > Op het informatiedisplay van het instrumentenpaneel staat de melding Kinderslot Actief en het lampje in de knop brandt - het slot is geactiveerd. Wanneer het kinderslot actief is, zijn de achterste: • zijruiten alleen vanaf het bedieningspaneel op het bestuurdersportier te bedienen • portieren niet van de binnenkant te openen.
06 Sloten en alarm N.B. Probeer niet zelf de onderdelen van het alarmsysteem te repareren of te wijzigen. Dergelijke pogingen kunnen van invloed zijn op de verzekeringsvoorwaarden. Alarmindicatie De alarmindicatie geeft de status aan van het alarmsysteem (p. 176). Druk op de vergrendelingstoets op de transpondersleutel. Alarm deactiveren – Druk op de ontgrendelingstoets op de transpondersleutel.
06 Sloten en alarm Alarmsysteem - transpondersleutel defect Als u het alarm (p. 176) niet kunt uitschakelen met de transpondersleutel (als bijvoorbeeld de batterij (p. 162) van de sleutel leeg is), kunt u de auto als volgt ontgrendelen, het alarmsysteem deactiveren en de motor starten: 1. Open het bestuurdersportier met het afneembare sleutelblad (p. 166). > Het alarm gaat af, de alarmindicatie (p. 177) knippert snel en de sirene klinkt. Alarmsignalen Beperkt alarmniveau Wanneer het alarm (p.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
07 Bestuurdersondersteuning Actief chassis - FOUR-C* Bediening Het actieve chassissysteem FOUR-C (Continously Controlled Chassis Concept) stemt de eigenschappen van de schokdempers af op de gewenste rijeigenschappen van de auto. U hebt de keuze uit drie standen: Comfort, Sport en Advanced. Het stabiliteits- en tractieregelsysteem, DSTC (Dynamic Stability & Traction Control), helpt u voorkomen dat de wielen doorslippen en verbetert de tractie van de auto.
07 Bestuurdersondersteuning aandrijfwiel over op een aandrijfwiel dat niet slipt. Motorremregeling (EDC) EDC (Engine Drag Control) voorkomt ongewenste blokkering van de wielen, zoals na terugschakeling of bij gladheid tijdens het afremmen op de motor in een lage versnelling. Een van de gevolgen van ongewenste blokkering van de wielen is dat u de auto moeilijk onder controle kunt houden.
07 Bestuurdersondersteuning || Sport-stand is te kiezen in het menusysteem MY CAR. Voor een beschrijving van het menusysteem, zie MY CAR (p. 107). De Sport-stand is actief, totdat u de stand verlaat of de motor afzet. De volgende keer dat u de motor start, staat het stabiliteits- en tractieregelsysteem weer in de normale stand. Gerelateerde informatie • 07 182 Stabiliteits- en tractieregeling (DSTC) symbolen en meldingen (p.
07 Bestuurdersondersteuning Stabiliteits- en tractieregeling (DSTC) - symbolen en meldingen Het stabiliteits- en tractieregelsysteem (p. 180) (DSTC - Dynamic Stability & Traction Control) helpt u voorkomen dat de wielen doorslippen en verbetert de tractie van de auto. Tabel Symbool Melding Betekenis DSTC Tijdelijk UIT Wegens een te hoge temperatuur van de remschijven gelden er tijdelijk beperkingen voor het systeem.
07 Bestuurdersondersteuning Verkeersbordinformatie (RSI)* WAARSCHUWING Het verkeersbordinformatiesysteem (RSI – Road Sign Information) helpt u onthouden welke snelheidsborden u gepasseerd bent. RSI werkt niet in alle situaties, maar is uitsluitend bedoeld als een aanvullend hulpmiddel. Als bestuurder bent u er altijd verantwoordelijk voor dat u de auto op een veilige manier bestuurt en dat u zich aan de geldende verkeersregels en voorschriften houdt.
07 Bestuurdersondersteuning Einde snelheidsbeperking of snelweg Aanvullende borden Wanneer het RSI een bord registreert dat het einde van een snelheidsbeperking aangeeft (of andere snelheidsgerelateerde informatie zoals het einde van een snelweg), verschijnt het desbetreffende verkeersbord ca. 10 seconden lang op het instrumentenpaneel: Het snelheidsbord dat aan dit type aanvullend bord is gekoppeld, verschijnt alleen als u de richtingaanwijzer gebruikt.
07 Bestuurdersondersteuning || Instelling in MY CAR Speed Alert De beschikbare opties voor het RSI vindt u in het menusysteem MY CAR, zie MY CAR (p. 107). Het verkeersbordinformatiesysteem (RSI – Road Sign Information) helpt u onthouden welke snelheidsborden u gepasseerd bent. Het systeem heeft de volgende beperkingen. Road Sign Information Aan/Uit Het is mogelijk de weergave van snelheidssymbolen op het instrumentenpaneel te deactiveren.
07 Bestuurdersondersteuning Cruisecontrol* WAARSCHUWING De cruisecontrol (CC – Cruise Control) helpt u een gelijkmatige snelheid te houden, wat zorgt voor een comfortabeler rijervaring op lange ritten op snelwegen en lange, rechte hoofdwegen met een gelijkmatige verkeersstroom. De bestuurder dient altijd rekening te houden met de verkeersomstandigheden en in te grijpen, wanneer de cruisecontrol geen passende snelheid en/of afstand aanhoudt.
07 Bestuurdersondersteuning || Om aan te passen met +/- 1 km/h: • Houd de knop ingedrukt en laat los bij de gewenste snelheid. Wanneer u tijdelijk gas geeft via het gaspedaal zoals bij een inhaalmanoeuvre, blijft de instelling van de cruisecontrol ongewijzigd – de auto hervat de ingestelde snelheid zodra u het gaspedaal loslaat. N.B. Als u een knop van de cruisecontrol meerdere minuten ingedrukt houdt, wordt de cruisecontrol geblokkeerd en uitgeschakeld.
07 Bestuurdersondersteuning Cruisecontrol* - ingestelde snelheid hervatten De cruisecontrol (CC – Cruise Control) helpt u een gelijkmatige snelheid aan te houden. Na tijdelijke deactivering en de stand-bystand (p. 188) kunt u de eerder ingestelde snelheid hervatten. Om de cruisecontrol opnieuw te activeren vanuit de stand-bystand: • Druk op de stuurtoets > De markering (5) en het symbool (6) op het instrumentenpaneel verkleuren van GRIJS naar WIT en de laatst ingestelde snelheid wordt hervat. . N.B.
07 Bestuurdersondersteuning || WAARSCHUWING De bestuurder dient altijd rekening te houden met de verkeersomstandigheden en in te grijpen, wanneer de adaptieve cruisecontrol geen passende snelheid of afstand aanhoudt. De adaptieve cruisecontrol leent zich niet voor alle verkeers-, weers- en wegomstandigheden. Gerelateerde informatie • Adaptieve cruisecontrol* - overzicht (p. 192) • • Adaptieve cruisecontrol* - functie (p. 190) • Adaptieve cruisecontrol* - symbolen en meldingen (p.
07 Bestuurdersondersteuning WAARSCHUWING De adaptieve cruisecontrol is geen systeem dat botsingen voorkomt. Grijp zelf in zodra u merkt dat het systeem een voorligger niet registreert. De adaptieve cruisecontrol reageert niet op voetgangers of dieren noch op kleinere voertuigen, zoals fietsen of motorfietsen e.d. Tegenliggers, langzaam rijdende en stilstaande voertuigen of vaste obstakels worden eveneens genegeerd.
07 Bestuurdersondersteuning || Steile wegen en/of zware belading Adaptieve cruisecontrol* - overzicht Let erop dat de adaptieve cruisecontrol in eerste instantie bestemd is voor gebruik tijdens ritten op vlakke weggedeelten. De cruisecontrol heeft mogelijk moeite om de juiste volgafstand ten opzichte van voorliggers aan te houden bij ritten op steile aflopende wegen, bij vervoer van zware belading of met een aanhanger/caravan achter de auto – blijf dan extra alert en rem zo nodig zelf.
07 Bestuurdersondersteuning Adaptieve cruisecontrol* - snelheid regelen Alleen als op het symbool de afbeelding van een ander voertuig verschijnt, wordt de afstand tot de voorligger geregeld door de cruisecontrol. De adaptieve cruisecontrol (ACC – Adaptive Cruise Control) helpt u om een gelijkmatige snelheid en een veilige afstand tot voorliggers te houden.
07 Bestuurdersondersteuning Adaptieve cruisecontrol* - volgtijd instellen De adaptieve cruisecontrol (ACC – Adaptive Cruise Control) helpt u om een gelijkmatige snelheid en een veilige afstand tot voorliggers te houden. U kunt verschillende volgtijden ten opzichte van voorliggers kiezen en deze worden op het instrumentenpaneel weergegeven met 1–5 horizontale streepjes – hoe meer streepjes, hoe langer de volgtijd. Eén streepje komt overeen met ca.
07 Bestuurdersondersteuning Wanneer u tijdelijk gas geeft via het gaspedaal zoals bij een inhaalmanoeuvre, blijft de instelling van de cruisecontrol ongewijzigd – de auto hervat de laatst opgeslagen snelheid zodra u het gaspedaal loslaat. Automatische stand-bystand De adaptieve cruisecontrol is afhankelijk van andere systemen, zoals DSTC (stabiliteits- en tractieregeling) (p. 180). Als een van dergelijke systeem uitvalt, wordt de cruisecontrol automatisch uitgeschakeld.
07 Bestuurdersondersteuning Adaptieve cruisecontrol* uitschakelen Adaptieve cruisecontrol* - fileassistent De adaptieve cruisecontrol (ACC – Adaptive Cruise Control) helpt u om een gelijkmatige snelheid en een veilige afstand tot voorliggers te houden. De adaptieve cruisecontrol (ACC – Adaptive Cruise Control) helpt u om een gelijkmatige snelheid en een veilige afstand tot voorliggers te houden. De file-assistent biedt de adaptieve cruisecontrol meer functionaliteit, ook bij snelheden lager dan 30 km/h.
07 Bestuurdersondersteuning > De cruisecontrol zal dan de voorligger opnieuw volgen. WAARSCHUWING Wanneer de cruisecontrol een rijdende voorligger volgt bij snelheden boven 30 km/h, van doelvoertuig verandert en vervolgens een stilstaand voertuig volgt, zal de cruisecontrol het stilstaande voertuig negeren en de opgeslagen snelheid aanhouden. N.B. De file-assistent kan de auto maximaal 4 minuten stilhouden - daarna wordt de parkeerrem aangezet, waarna de cruisecontrol wordt uitgeschakeld.
07 Bestuurdersondersteuning Adaptieve cruisecontrol* - van cruisecontrol-functie wisselen De adaptieve cruisecontrol (ACC – Adaptive Cruise Control) helpt u om een veilige afstand tot voorliggers te houden. Wisselen van ACC naar CC Adaptieve cruisecontrol - ACC* (p. 189) • Adaptieve cruisecontrol* - functie (p. 190) Adaptieve cruisecontrol* - overzicht (p.
07 Bestuurdersondersteuning Radarsensor - beperkingen WAARSCHUWING Een radarsensor (p. 198) heeft bepaalde beperkingen die onder meer terug te voeren zijn op het beperkte blikveld. De bestuurder dient altijd rekening te houden met de verkeersomstandigheden en in te grijpen, wanneer de adaptieve cruisecontrol geen passende snelheid of afstand aanhoudt.
07 Bestuurdersondersteuning || WAARSCHUWING De adaptieve cruisecontrol is geen systeem dat botsingen voorkomt. Grijp zelf in zodra u merkt dat het systeem een voorligger niet registreert. De adaptieve cruisecontrol reageert niet op voetgangers of dieren noch op kleinere voertuigen, zoals fietsen of motorfietsen e.d. Tegenliggers, langzaam rijdende en stilstaande voertuigen of vaste obstakels worden eveneens genegeerd.
07 Bestuurdersondersteuning Adaptieve cruisecontrol* - storingen opsporen en verhelpen De adaptieve cruisecontrol (p. 189) (ACC – Adaptive Cruise Control) helpt u om een gelijkmatige snelheid en een veilige afstand tot voorliggers te houden. Als op het instrumentenpaneel de melding Radar afgedekt Zie instructieb. verschijnt, worden de radarsignalen van de radarsensor (p. 198) gehinderd zodat voorliggers niet kunnen worden geregistreerd.
07 Bestuurdersondersteuning Adaptieve cruisecontrol* - symbolen en meldingen snelheid en een veilige afstand tot voorliggers te houden. Soms kan de adaptieve cruisecontrol een symbool en/of een melding weerge- De adaptieve cruisecontrol (ACC – Adaptive Cruise Control) helpt u om een gelijkmatige Symbool Melding Betekenis Het symbool is GROEN De auto houdt de opgeslagen snelheid aan. Het symbool is WIT De adaptieve cruisecontrol staat stand-by. ven.
07 Bestuurdersondersteuning Symbool Melding Betekenis ACC Service vereist De adaptieve cruisecontrol werkt niet. • Neem dan contact op met een werkplaats. Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats. Remmen om stil te blijven staan + geluidssignaal De auto staat stil en de cruisecontrol lost de bedrijfsrem, zodat de parkeerrem verder kan remmen en de auto stil kan houden. Door een storing in de parkeerrem zal de auto echter spoedig in beweging komen.
07 Bestuurdersondersteuning Afstandswaarschuwing* N.B. De afstandswaarschuwing (Distance Alert) is een functie die u inlicht over de volgtijd ten opzichte van de voorligger. De afstandswaarschuwing is uitgeschakeld, zolang de adaptieve cruisecontrol actief is. Distance Alert is actief bij snelheden hoger dan 30 km/h en reageert uitsluitend op voorliggers die in dezelfde richting als u rijden.
07 Bestuurdersondersteuning Hetzelfde symbool verschijnt ook wanneer de adaptieve cruisecontrole geactiveerd is. N.B. Hoe hoger de snelheid, hoe langer de volgafstand in meters voor een bepaalde volgtijd. De ingestelde volgtijd wordt ook gebruikt door de adaptieve cruisecontrol (p. 190). Houd alleen een volgtijd aan die niet in strijd is met de geldende verkeersregels. Gerelateerde informatie • Afstandswaarschuwing* - beperkingen (p.
07 Bestuurdersondersteuning Afstandswaarschuwing* - symbolen en meldingen opzichte van de voorligger. Het systeem heeft bepaalde beperkingen. De afstandswaarschuwing (Distance Alert) is een functie die u inlicht over de volgtijd ten SymboolA Melding Betekenis Radar afgedekt Zie instructieb. De afstandswaarschuwing werkt tijdelijk niet. De radarsensor kan geen andere voertuigen registreren.
07 Bestuurdersondersteuning City Safety™ BELANGRIJK City Safety™ is een hulpmiddel om u te helpen een botsing te voorkomen tijdens filerijden e.d., waarbij plotselinge wijzigingen in het verkeer vóór u gekoppeld aan onoplettendheid tot bijna-ongelukken kunnen leiden. Onderhoud en vervanging van onderdelen in City Safety™ mogen uitsluitend door een werkplaats worden uitgevoerd - geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
07 Bestuurdersondersteuning || Wanneer het systeem ingrijpt en remt, verschijnt op het instrumentenpaneel de tekstmelding dat het systeem actief is/was. N.B. Als City Safety™ remt, gaan de remlichten branden. City Safety™ - bediening City Safety™ is een hulpmiddel om u te helpen een botsing te voorkomen tijdens filerijden e.d., waarbij plotselinge wijzigingen in het verkeer vóór u gekoppeld aan onoplettendheid tot bijna-ongelukken kunnen leiden.
07 Bestuurdersondersteuning WAARSCHUWING De lasersensor geeft ook laserlicht af, wanneer u City Safety™ handmatig uitgeschakeld hebt. Gerelateerde informatie • • • • • City Safety™ - functie (p. 207) • MY CAR (p. 107) City Safety™ (p. 207) City Safety™ - beperkingen (p. 209) City Safety™ - lasersensor (p. 211) City Safety™ - symbolen en meldingen (p. 213) City Safety™ - beperkingen De City Safety™-sensor is erop gebouwd om auto’s en andere voertuigen vóór u te ontdekken, zowel overdag als ’s nachts.
07 Bestuurdersondersteuning || Storingen opsporen en verhelpen BELANGRIJK Als de melding Voorruitsensoren afgedekt op het instrumentenpaneel verschijnt, worden de lasersensoren gehinderd zodat ze geen voertuigen vóór de auto kunnen registreren. Dit betekent op zijn beurt dat City Safety™ niet werkt. Als het voorruitoppervlak vóór een van beide ‘ogen’ barsten, krassen of steenslag vertoont van ca.
07 Bestuurdersondersteuning City Safety™ - lasersensor Het City Safety™-systeem maakt gebruik van een sensor die laserlicht uitzendt (zie afbeelding (p. 207) voor de locatie van de sensor). Neem contact op met een gekwalificeerde werkplaats als de lasersensor een storing vertoont of nagekeken moet worden – geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats. Het is daarom essentieel dat u de aangegeven instructies opvolgt bij het hanteren van de lasersensor.
07 Bestuurdersondersteuning || • Koppel de connector van de lasersensor los voordat u deze van de voorruit demonteert. • Zorg dat de lasersensor op de voorruit gemonteerd is alvorens de connector aan te sluiten. • De lasersensor zendt laserlicht uit wanneer de transpondersleutel in sleutelstand II (p. 73) staat, ook al is de motor afgezet. Gerelateerde informatie • • • • • 07 212 City Safety™ (p. 207) City Safety™ - beperkingen (p. 209) City Safety™ - functie (p. 207) City Safety™ - bediening (p.
07 Bestuurdersondersteuning City Safety™ - symbolen en meldingen instrumentenpaneel gaan branden in combinatie met een tekstmelding. Meldingen kunt u van het display halen door de OK-knop op de richtingaanwijzerhendel kort in te drukken. Terwijl City Safety™ (p. 207) automatisch remt, kunnen een of meer symbolen op het Symbool Melding Betekenis/Maatregel Autom. remmen door City Safety City Safety™ remt op dit moment of remde eerder automatisch.
07 Bestuurdersondersteuning Collision Warning* Uitvoering 1 ‘Collision Warning met Auto Brake en voetgangers- en fietserdetectie’ is een hulpmiddel dat bedoeld is om u te waarschuwen, wanneer het gevaar bestaat dat u op een voetganger of achter op een (stilstaande of rijdende) fietser of voorligger botst. U wordt alleen met visuele en akoestische signalen gewaarschuwd12 voor obstakels – er wordt niet automatisch geremd, u moet zelf remmen.
07 Bestuurdersondersteuning Collision Warning* - functie 3. Auto Brake14 ‘Collision Warning met Auto Brake en voetgangers- en fietserdetectie’ is een hulpmiddel dat bedoeld is om u te waarschuwen, wanneer het gevaar bestaat dat u op een voetganger of achter op een (stilstaande of rijdende) fietser of voorligger botst. Collision Warning en City Safety™ (p. 207) vullen elkaar aan. 1 – Collision Warning Eerst wordt u gewaarschuwd voor een dreigende aanrijding.
07 Bestuurdersondersteuning || WAARSCHUWING Collision Warning werkt niet in alle rijsituaties, verkeers-, weers- en wegomstandigheden. Collision Warning reageert niet op naderende tegenliggers of fietsers noch op dieren. Er wordt alleen gewaarschuwd wanneer het risico van een botsing groot is. In het onderdeel “Functie” en “Beperkingen” wordt geïnformeerd over de beperkingen die u als bestuurder moet kennen, voordat u de Collision Warning met Auto Brake gebruikt.
07 Bestuurdersondersteuning evenals een bewegingspatroon dat voor mensen als normaal te beschouwen is. Het systeem kan een fietser niet ontdekken, als de camera grote delen van het lichaam van de fietser of zijn/haar fiets niet kan waarnemen. • Fietsers die links of rechts op de denkbeeldige snijlijnen door de zijkanten van uw auto fietsen worden mogelijk laat of helemaal niet ontdekt. • Bij zonsondergang en -opgang kan het systeem fietsers minder goed registreren – vergelijkbaar met het menselijk oog.
07 Bestuurdersondersteuning • Collision Warning* - beperkingen van de camerasensor (p. 222) • Collision Warning* - detectie van voetgangers Collision Warning* - symbolen en meldingen (p. 224) ‘Collision Warning met Auto Brake en voetgangers- en fietserdetectie’ is een hulpmiddel dat bedoeld is om u te waarschuwen, wanneer het gevaar bestaat dat u op een voetganger of achter op een (stilstaande of rijdende) fietser of voorligger botst.
07 Bestuurdersondersteuning Gerelateerde informatie • • • • Collision Warning* (p. 214) Collision Warning* - functie (p. 215) Collision Warning* - bediening (p. 219) Collision Warning* - detectie van fietser (p. 216) • Collision Warning* - algemene beperkingen (p. 221) • Collision Warning* - beperkingen van de camerasensor (p. 222) • Collision Warning* - symbolen en meldingen (p.
07 Bestuurdersondersteuning || Maak alleen in uitzonderingsgevallen zoals bij dynamisch rijden gebruik van de waarschuwingsafstand Kort. N.B. WAARSCHUWING Geen enkel automatisch systeem kan in alle situaties een 100 % feilloze werking garanderen. Test Collision Warning met Auto Brake daarom nooit uit op mensen of voertuigen - dat kan namelijk tot ernstig letsel/ernstige schade en levensgevaarlijke situaties leiden.
07 Bestuurdersondersteuning Collision Warning* - algemene beperkingen ‘Collision Warning met Auto Brake en voetgangers- en fietserdetectie’ is een hulpmiddel dat bedoeld is om u te waarschuwen, wanneer het gevaar bestaat dat u op een voetganger of achter op een (stilstaande of rijdende) fietser of voorligger botst. Het systeem heeft bepaalde beperkingen – zo is het systeem pas actief bij snelheden van zo’n 4 km/h en hoger.
07 Bestuurdersondersteuning || Met geactiveerde achteruitversnelling is de Collision Warning met Auto Brake tijdelijk gedeactiveerd. Collision Warning met Auto Brake wordt niet geactiveerd op lage snelheden (onder 4 km/h), wat betekent dat het systeem niet ingrijpt in situaties waarbij uw auto een voorligger uiterst langzaam nadert zoals tijdens het parkeren. In situaties waarin u actief en bewust rijgedrag laat zien, wordt Collision Warning minder actief.
07 Bestuurdersondersteuning in dat de sensor minder goed ‘ziet’ bij hevige regen- of sneeuwval en in dichte mist. In dergelijke omstandigheden kunnen functies die gebruik maken van de camera grote beperkingen ondervinden of tijdelijk gedeactiveerd worden. Dit houdt bovendien in dat niet alleen Collision Warning met Auto Brake maar ook de functies Automatische dimfunctie groot licht/ dimlicht, Road Sign Information, Driver Alert Control en Lane Departure Warning niet voor de volle 100 % zullen werken.
07 Bestuurdersondersteuning Collision Warning* - symbolen en meldingen ‘Collision Warning met Auto Brake en voetgangers- en fietserdetectie’ is een hulpmiddel SymboolA dat bedoeld is om u te waarschuwen, wanneer het gevaar bestaat dat u op een voetganger of achter op een (stilstaande of rijdende) fietser of voorligger botst. Melding Betekenis CWS-systeem UIT Collision Warning is uitgeschakeld. Verschijnt bij het starten van de motor. De melding dooft automatisch na ca.
07 Bestuurdersondersteuning SymboolA Melding Betekenis Radar afgedekt Zie instructieb. Collision Warning met Auto Brake werkt tijdelijk niet. De radarsensor kan geen andere voertuigen registreren. Bijvoorbeeld wanneer deze wordt gehinderd door hevige regenval of als sneeuwmodder of andere verontreinigingen de radarsensor afdekken. Lees meer over de beperkingen van de radarsensor (p. 199). CWS-systeem Service vereist A Collision Warning met Auto Brake werkt niet of gedeeltelijk.
07 Bestuurdersondersteuning Driver Alert System* Driver Alert System is bestemd om u te helpen als de auto op een ongecontroleerde manier wordt bestuurd of op het punt staat de rijstrookmarkering te overschrijden. Driver Alert System bestaat uit verschillende functies die tegelijk of apart in te schakelen zijn: • • Driver Alert Control - DAC (p. 227). Gerelateerde informatie • • Driver Alert Control (DAC)* (p. 226) Driver Alert Control (DAC)* - symbolen en meldingen (p.
07 Bestuurdersondersteuning u bij opkomende vermoeidheid de auto op een geschikte plek parkeert om een pauze in te lassen, ongeacht de vraag of DAC nu wel of niet heeft gewaarschuwd. N.B. Driver Alert Control (DAC)* bediening Via het menusysteem op het display van de middenconsole zijn instellingen te verrichten. Voor informatie over het gebruik van het menusysteem, zie MY CAR (p. 107). De functie mag niet worden gebruikt om de rijtijd te verlengen.
07 Bestuurdersondersteuning Driver Alert Control (DAC)* - symbolen en meldingen mentenpaneel of op het beeldscherm van de middenconsole laten verschijnen. Het DAC (p. 226) kan in uiteenlopende situaties symbolen en meldingen op het instru- Instrumentenpaneel SymboolA Melding Betekenis Driver Alert Tijd voor pauze De auto vertoont zwalkend rijgedrag – u wordt gewaarschuwd met een zoemersignaal en een displaymelding. Voorruitsensoren afgedekt De camerasensor werkt tijdelijk niet.
07 Bestuurdersondersteuning SymboolA A Melding Betekenis Driver Alert stand-by <65km/h De functie is stand-by gezet omdat de rijsnelheid onder 65 km/h ligt. Driver Alert niet beschikbaar De weg is niet voorzien van duidelijke markeringsstrepen of de camerasensor werkt tijdelijk niet. Lees meer over de beperkingen van de camerasensor (p. 222). De symbolen zijn schematisch - afhankelijk van de markt en het model zijn afwijkingen mogelijk. Gerelateerde informatie • • • Driver Alert System* (p.
07 Bestuurdersondersteuning Rijbaanassistent (LDW)* N.B. De Rijbaanassistent is een van de functies van Driver Alert System – wordt ook wel LDW (Lane Departure Warning) genoemd. De functie is bedoeld voor gebruik op snelwegen enz. en verkleint de kans op het in bepaalde situaties onbedoeld verlaten van de eigen rijbaan. Werkingsprincipe van LDW (De afbeelding is schematisch – niet modelspecifiek.) 07 LDW maakt gebruik van een camera die de geschilderde zijlijnen van de weg/rijbaan aftast.
07 Bestuurdersondersteuning Anders is de functiestatus bij het afzetten van de motor bepalend. • Hogere gevoeligheid – Verhoogde gevoeligheid, zodat er eerder wordt gewaarschuwd en minder beperkingen gelden. Rijbaanassistent (LDW) - bediening LDW wordt in verschillende situaties gecompleteerd met duidelijke grafische voorstellingen op het instrumentenpaneel. Hier volgen enkele voorbeelden: Gerelateerde informatie • • Gerelateerde informatie • • • • Rijbaanassistent (LDW)* (p.
07 Bestuurdersondersteuning Rijbaanassistent (LDW) - beperkingen De camerasensor van de rijbaanassistent heeft beperkingen, net als het menselijk oog. Lees meer over de beperkingen van de camerasensor (p. 222). N.B. In de volgende situaties waarschuwt het LDW echter niet: • • • • • Bij gebruik van de richtingaanwijzers Bij bediening van het rempedaal18 Bij snelle bediening van het gaspedaal18 Bij snelle stuurbewegingen18 Bij dusdanig scherpe bochten dat de auto overhelt.
07 Bestuurdersondersteuning Rijbaanassistent (LDW) - symbolen en meldingen In situaties waar het LDW-systeem niet wordt geactiveerd kan er een symbool op het instru- SymboolA mentenpaneel verschijnen in combinatie met een verklarende melding – volg in dat geval het gegeven advies op. Melding Betekenis Lane departure warning AAN/ Lane departure warning UIT De functie is ingeschakeld/uitgeschakeld. Voorbeelden van meldingen: Verschijnt bij inschakeling/uitschakeling.
07 Bestuurdersondersteuning || Gerelateerde informatie • • • • Rijbaanassistent (LDW)* (p. 230) Rijbaanassistent (LDW) - beperkingen (p. 232) Rijbaanassistent (LDW) - functie (p. 230) Rijbaanassistent (LDW) - bediening (p. 231) 07 234 * Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
07 Bestuurdersondersteuning Park Assist* WAARSCHUWING Park Assist is bedoeld als hulpmiddel tijdens het parkeren. Geluidssignalen en symbolen op het display van de middenconsole geven de afstand aan tot een waargenomen obstakel. Het Park Assist-volume is tijdens de weergave van geluidssignalen bij te stellen met de draaiknop VOL op de middenconsole. Het geluidsniveau kan ook worden bijgesteld in het menu voor audio-instellingen dat bereikbaar is met een druk op SOUND of in het menusysteem (p.
07 Bestuurdersondersteuning || geheel gevuld. Als er zowel voor als achter de auto obstakels binnen deze afstand zijn waargenomen, komen de geluidssignalen beurtelings uit de luidsprekers aan linker- en rechterzijde.
07 Bestuurdersondersteuning Park Assist* - aan de achterzijde N.B. Park Assist is bedoeld als hulpmiddel tijdens het parkeren. Geluidssignalen en symbolen op het display van de middenconsole geven de afstand aan tot een waargenomen obstakel. Bij het achteruitrijden met een aanhanger achter de auto of een fietsdrager op de trekhaak – zonder een originele aanhangerkabel van Volvo – moet u de Park Assist mogelijk handmatig uitschakelen om te voorkomen dat de sensoren erop reageren.
07 Bestuurdersondersteuning || N.B. Park Assist aan de voorzijde wordt gedeactiveerd, wanneer u de parkeerrem zet of de keuzehendel in stand P zet bij een auto met automatische versnellingsbak. BELANGRIJK Bij montage van verstralers: Let erop dat deze de sensoren niet mogen hinderen de verstralers kunnen dan als obstakel worden gezien. Park Assist* - storingsindicatie Park Assist* - sensoren schoonmaken Park Assist is bedoeld als hulpmiddel tijdens het parkeren.
07 Bestuurdersondersteuning Park Assist-camera Functie en bediening De Park Assist-camera is een hulpsysteem dat automatisch geactiveerd wordt bij het inschakelen van de achteruitversnelling (de functie is te wijzigen in het instellingenmenu (p. 242)). De cameraweergave verschijnt op het display van de middenconsole. N.B. Positie van de achterste sensoren. N.B. Vuil, sneeuw en ijs op de sensoren kunnen ten onrechte aanleiding geven tot waarschuwingssignalen.
07 Bestuurdersondersteuning || Bij het inschakelen van de achteruitversnelling wordt met behulp van ononderbroken lijnen grafisch aangegeven waar de achterwielen van de auto uitkomen bij de actuele stuuruitslag – dit vereenvoudigt het achteruit inparkeren, achteruitrijden in krappe ruimten en aankoppelen van aanhangers. Ook de buitenmaten van de auto worden globaal getoond met twee streepjeslijnen. De hulplijnen kunnen in het instellingenmenu worden gedeactiveerd.
07 Bestuurdersondersteuning N.B. • Bij het achteruitrijden met een aanhanger/caravan geven de lijnen op het scherm de baan van de auto aan – niet die van de aanhanger/caravan. • Er verschijnen geen lijnen op het scherm, wanneer er een aanhanger/ caravan is aangesloten op het elektrische systeem van de auto. • De Park Assist-camera wordt automatisch uitgeschakeld, wanneer u een aanhanger/caravan achter de auto hebt hangen die met originele trekhaakbedrading van Volvo aangesloten is.
07 Bestuurdersondersteuning || Park Assist-camera - instellingen Trekhaak Park Assist-camera - beperkingen (p. 243) De parkeercamera is een hulpsysteem en wordt geactiveerd wanneer er in de achteruit wordt geschakeld. Park Assist* (p. 235) Instellingen De camera leent zich bij uitstek voor het aankoppelen van een aanhanger/caravan. Op het display kan een hulplijn verschijnen voor de geplande ‘baan’ van de trekhaak naar de aanhanger – dat geldt ook voor de ‘wielsporen’.
07 Bestuurdersondersteuning Park Assist-camera - beperkingen BLIS* (Blind Spot Information System) De parkeercamera is een hulpsysteem en wordt geactiveerd wanneer er in de achteruit wordt geschakeld. BLIS (Blind Spot Information System) is een functie om de bestuurder ondersteuning te bieden bij rijden in druk verkeer op wegen met meerdere rijbanen in dezelfde richting. N.B. Fietsdragers of andere accessoires achter op de auto kunnen het blikveld van de camera blokkeren.
07 Bestuurdersondersteuning || Onderhoud BLIS*(Blind Spot Information System) - bediening bedienen via het menusysteem (p. 107) MY CAR van de auto. BLIS (Blind Spot Information System) is een functie om u ondersteuning te bieden bij rijden in druk verkeer op wegen met meerdere rijbanen in dezelfde richting.
07 Bestuurdersondersteuning Het systeem reageert, als: • • BELANGRIJK u wordt ingehaald Reparaties aan de componenten van de BLIS- en CTA-functies of het spuiten van de bumper mogen uitsluitend in een werkplaats worden uitgevoerd. Een erkende Volvo-werkplaats wordt aanbevolen. achterliggers snel naderen. Wanneer BLIS een voertuig binnen zone 1 of een snel inhalend voertuig in zone 2 ontdekt, brandt het BLIS-lampje op het portierpaneel constant.
07 Bestuurdersondersteuning || WAARSCHUWING CTA is slechts een aanvullend hulpmiddel en werkt niet in alle situaties. CTA vormt geen vervanging voor een veilige rijstijl en het gebruik van de buitenspiegels. kunnen ook kleinere voorwerpen zoals fietsen en voetgangers worden ontdekt. CTA is alleen actief tijdens het achteruitrijden en wordt automatisch geactiveerd als de achteruitversnelling wordt geactiveerd.
07 Bestuurdersondersteuning BLIS - symbolen en meldingen Naarmate u verder achteruitrijdt, verandert de hoek ten opzichte van de auto/het obstakel die/dat in de weg zit, zodat de dode hoek snel in grootte afneemt. In situaties waarbij het BLIS (p. 243) en CTA (p. 245) uitblijven of worden onderbroken, kan er een symbool op het instrumentenpaneel verschijnen in combinatie met een verklarende melding. Neem een eventueel advies in acht.
07 Bestuurdersondersteuning || Gerelateerde informatie • BLIS* (Blind Spot Information System) (p. 243) Instelbare stuurkracht* Naarmate de rijsnelheid hoger wordt neemt de stuurbekrachtiging af, waardoor u een beter gevoel met de weg krijgt. Op snelwegen stuurt de auto zwaarder en directer. Bij het parkeren en op lage snelheden is de auto lichter en met minder moeite te besturen. U hebt de keuze uit drie niveaus van stuurbekrachtiging voor een maximum aan weggevoel en stuurgevoeligheid.
STARTEN EN RIJDEN
08 Starten en rijden Alcoholslot* alcoholslot1 Het voorkomt dat bestuurders die onder invloed zijn in de auto kunnen rijden. Voordat de motor kan worden gestart, moet u een blaastest afgeven om vast te stellen dat u niet onder de invloed van alcohol bent. Het alcoholslot wordt gekalibreerd ten opzichte van de grenswaarde voor verkeersdeelname die in uw land geldt.
08 Starten en rijden Alcoholslot* - opslag Bewaar de blaasunit in zijn houder. Verwijder de blaasunit door de unit licht in de houder te drukken en los te laten, waarna deze opveert en uit de houder kan worden genomen. • Alcoholslot* - waar u op moet letten (p. 252) • Alcoholslot* - vóór het starten van de motor Alcoholslot* - symbolen en meldingen (p. 254) De blaasunit wordt automatisch geactiveerd en gereedgemaakt voor gebruik bij het ontgrendelen van de auto. 1.
08 Starten en rijden || Resultaat van de blaastest A Controlelampje (5) + displaymelding Betekenis Groen lampje + Alcoguard Test goedgekeurd Start de motor – geen alcohol gemeten. Oranje lampje + Alcoguard Test goedgekeurd Motor kan worden gestart – gemeten promillage boven 0,1 promille maar onder de geldende grenswaardeA. Rood lampje + Test afgekeurd Wacht 1 minuut Motor kan niet worden gestart – gemeten promillage boven de geldende grenswaardeA.
08 Starten en rijden De melding is te verwijderen met een druk op de zendtoets (3). De melding verdwijnt anders spontaan na ca. 2 minuten maar verschijnt iedere keer dat de motor gestart wordt opnieuw – alleen bij herkalibratie in een werkplaats2 verdwijnt de melding permanent. In noodsituaties of wanneer het alcoholslot defect is, kunt u het alcoholslot omzeilen om toch in de auto te kunnen rijden. N.B.
08 Starten en rijden Alcoholslot* - symbolen en meldingen Naast de al beschreven meldingen gerelateerd aan hoe het alcoholslot vóór het starten van de motor werkt (p. 251) kan het display van het instrumentenpaneel ook het volgende weergeven: 08 254 Displaymelding Betekenis/Maatregel Alcoguard Her- start mogelijk Motor stond minder dan 30 minuten af – motor kan worden gestart zonder nieuwe blaastest.
08 Starten en rijden 1. Plaats de transpondersleutel in het contactslot en duw deze tot aan de aanslag naar binnen. Let erop dat u bij een auto met alcoholslot* eerst een goedgekeurde blaastest moet uitvoeren voordat de motor kan worden gestart. Voor meer informatie over Alcoguard, zie Alcoholslot* (p. 250). 2. Houd het koppelingspedaal volledig ingedrukt3. (Bij auto’s met automatische versnellingsbak – bedien het rempedaal.) 3. Druk op de knop START/STOP ENGINE en laat deze vervolgens los.
08 Starten en rijden Motor afzetten Stuurslot Afstandsstart (ERS)* U zet de motor af met de knop START/STOP ENGINE. Het stuurslot bemoeilijkt de besturing zoals bij gebruik van de auto door onbevoegden. Om de motor af te zetten: Functie Afstandsstart (ERS – Engine Remote Start) houdt in dat u de motor van de auto vanaf de transpondersleutel of PCC op afstand kunt starten. Op die manier kunt u de passagiersruimte voor aanvang van de rit verwarmen/ koelen.
08 Starten en rijden N.B. Afstandsstart (ERS) - bediening 2. Druk vervolgens lang – minimaal 2 seconden – op de knop (3). Houd rekening met lokale/nationale regelgeving/voorschriften voor stationair rijden. Als aan de voorwaarden voor ERS is voldaan, vindt bovendien het volgende plaats: WAARSCHUWING 1. De richtingaanwijzers lichten snel enkele malen achtereen op. Om de motor op afstand te starten, moet aan de volgende criteria zijn voldaan: • • • 3.
08 Starten en rijden || Om te controleren of het ERS de motor gestart heeft, kunt u op de knop (5) drukken – als de motor gestart is, wordt dit aangegeven met een lampje bij de knoppen (2) en (3). Actieve functies Bij een op afstand gestarte motor zijn de volgende functies actief: • • • Ventilatiesysteem Audio-/videosysteem Approach-verlichting. Inactieve systemen • Er zit nog ca. 10 liter brandstof in de brandstoftank • Het ERS is langer dan 15 minuten actief geweest.
08 Starten en rijden A Melding Betekenis Geen st. op afst accusp. laag ERS is niet ingeschakeld vanwege een geringe accuspanning. U laadt de accu op door de motor te starten. Geen st. op afst motorwaarschw. ERS is niet ingeschakeld vanwege een waarschuwingsmelding voor de motor. Bezoek een werkplaatsA. Geen st. op afst motorkoelvl. ERS is niet ingeschakeld vanwege een foutmelding vanuit het koelsysteem, zie Koelvloeistof - peil (p. 340). Geen st.
08 Starten en rijden Starthulp met accu Als de startaccu (p. 353) uitgeput is, kunt u de auto starten met stroom van een hulpaccu. 4. Bevestig de ene klem van de rode startkabel aan de pluspool (1) van de hulpaccu. BELANGRIJK Wees voorzichtig bij het aansluiten van de startkabels om kortsluiting met andere onderdelen in de motorruimte te voorkomen. 5. Haal de clips op de voorste dekplaat van de uitgeputte accu los en verwijder de dekplaat, zie Startaccu - vervangen (p. 355).
08 Starten en rijden WAARSCHUWING • De startaccu kan het zeer explosieve knalgas produceren. Eén enkele vonk, veroorzaakt door een onjuiste aansluiting van een startkabel, kan volstaan om de accu tot ontploffing te brengen. • De startaccu bevat tevens zwavelzuur dat ernstige chemische brandwonden kan veroorzaken. • Als u accuzuur in uw ogen krijgt of op uw huid of kleren morst, moet u onmiddellijk met grote hoeveelheden water spoelen.
08 Starten en rijden || Blokkering achteruitversnelling Schakelindicator* De blokkering van de achteruitversnelling beperkt het risico dat u tijdens het vooruitrijden op normale snelheid onbedoeld de achteruitversnelling inschakelt. De schakelindicator geeft aan, wanneer u het beste kunt opschakelen of terugschakelen. Belangrijk voor een milieubewuste rijstijl is het kiezen van de juiste versnelling en tijdig schakelen.
08 Starten en rijden Automatische versnellingsbak Geartronic* De versnellingsbak Geartronic heeft twee schakelstanden - Automatisch en Handmatig. Parkeerstand - P Neutraalstand - N Selecteer stand P, wanneer u de motor start of de auto parkeert. In deze stand kunt u de motor starten en er is geen versnelling ingeschakeld. Zet de parkeerrem aan, wanneer de auto stilstaat en de keuzehendel in stand N staat. • Om de keuzehendel uit stand P te kunnen halen moet u eerst het rempedaal ver genoeg intrappen.
08 Starten en rijden || of • Trek de hendel naar achteren naar de ‘–’ (min) om een lagere versnelling in te schakelen en laat deze weer los. Handmatig schakelen ‘+S–’ is tijdens het rijden op elk moment te activeren. Om schokken en afslaan van de motor te voorkomen, schakelt Geartronic automatisch terug als u langzamer gaat rijden dan wat voor de gekozen versnelling gepast is.
08 Starten en rijden Geartronic - Sport-stand* (S)9 De sportstand levert een sportiever rijgedrag op en maakt het mogelijk om hogere toeren te maken in de versnellingen. De motor reageert bovendien sneller op de commando’s die u met het gaspedaal geeft. Bij inschakeling van de sportstand wordt tevens de voorkeur gegeven aan de lagere versnellingen, zodat er met enige vertraging wordt opgeschakeld.
08 Starten en rijden Automatische versnellingsbak Powershift* Een automatische versnellingsbak met Powershift is een automaat die, in tegenstelling tot een Geartronic-automaat (p. 263), dubbele mechanische lamellenkoppelingen heeft. D: automatisch schakelen. +S–: handmatig schakelen. S: Sport-stand*. De automatische Powershift-versnellingsbak brengt de aandrijfkracht van de motor middels dubbele mechanische lamellenkoppelingen over op de aandrijfwielen.
08 Starten en rijden Symbool A Melding Rijeigenschappen Maatregel Oververh versnb zet auto stil Problemen om snelheid constant te houden bij hetzelfde toerental. Versnellingsbak oververhit. Houd de auto stil met het rempedaal.A Oververh versnb Stop auto z.s.m. Auto rijdt met hevige schokkerige bewegingen vooruit. Versnellingsbak oververhit. Parkeer de auto zo spoedig mogelijk.A Koeling versn.b. laat motor lopen Geen aandrijving wegens oververhitting van de versnellingsbak.
08 Starten en rijden Keuzehendelblokkering Parkeerstand (P) De keuzehendelblokkering is verkrijgbaar in twee uitvoeringen: een mechanische en een automatische. Stilstaande auto met draaiende motor: Mechanische keuzehendelblokkering • Automatische schakelblokkering deactiveren Houd uw voet op het rempedaal terwijl u de keuzehendel verzet.
08 Starten en rijden Gerelateerde informatie • Automatische versnellingsbak Geartronic* (p. 263) • Automatische versnellingsbak Powershift* (p. 266) Hellingrem (HSA)*12 Start/Stop* U hoeft het rempedaal niet te bedienen wanneer u wegrijdt of achteruit een helling oprijdt - het HSA-systeem (Hill Start Assist) voorkomt dat de auto achteruitrolt.
08 Starten en rijden || Met het Start/Stop-systeem kunt u actiever milieubewust rijden doordat de motor, wanneer dat kan, automatisch kan afslaan. Handbak of automaat Let erop dat er verschillen zijn in het Start/Stop-systeem, afhankelijk van de vraag of de auto een handbak of een automaat heeft. Gerelateerde informatie • Start/Stop* - functie en bediening (p. 270) • • • Motor starten (p. 254) • Start/Stop* - de motor is automatisch gestart (p.
08 Starten en rijden Automatische motorstart Start/Stop-systeem deactiveren Voorwaarden M/ AA Met de schakelhendel in de neutrale stand: M In bepaalde situaties is het mogelijk beter om het automatische Start/Stop-systeem tijdelijk uit te schakelen – dit is mogelijk met een druk op deze knop. 1. Trap het koppelingspedaal of het gaspedaal in – de motor start. Bij een uitgeschakeld systeem gaan het Start/Stop-symbool op het instrumentenpaneel en het lampje van de Aan-/Uit-knop uit. 2.
08 Starten en rijden Start/Stop* - de motor slaat niet automatisch af Voorwaarden Voorwaarden Auto’s met een bepaalde combinatie van motor en versnellingsbak zijn voorzien van een Start/Stop-systeem dat in werking treedt, als de auto bijvoorbeeld stilstaat in een file of wacht voor een verkeerslicht. Ook als het Start/Stop-systeem geactiveerd is, vindt er niet altijd een automatische motorstop plaats.
08 Starten en rijden • Start/Stop* - symbolen en meldingen (p. 276) Voorwaarden M/AA • Start/Stop* - de motor is automatisch gestart Accu - Start/Stop (p. 357) Auto’s met een bepaalde combinatie van motor en versnellingsbak zijn voorzien van een Start/Stop-systeem dat in werking treedt, als de auto bijvoorbeeld stilstaat in een file of wacht voor een verkeerslicht.
08 Starten en rijden || Gerelateerde informatie • • • • • Start/Stop* (p. 269) Start/Stop* - functie en bediening (p. 270) Motor starten (p. 254) Start/Stop* - instellingen (p. 275) Start/Stop* - de motor start niet automatisch (p. 274) • Start/Stop* - de motor slaat niet automatisch af (p. 272) • Start/Stop* - onvrijwillige motorstop bij handgeschakelde versnellingsbak (p. 275) • Start/Stop* - symbolen en meldingen (p. 276) • Accu - Start/Stop (p.
08 Starten en rijden Start/Stop* - onvrijwillige motorstop bij handgeschakelde versnellingsbak Auto’s met een bepaalde combinatie van motor en versnellingsbak zijn voorzien van een Start/Stop-systeem dat in werking treedt, als de auto bijvoorbeeld stilstaat in een file of wacht voor een verkeerslicht.
08 Starten en rijden Start/Stop* - symbolen en meldingen Displaymelding Het Start/Stop-systeem kan tekstmeldingen op het informatiedisplay weergeven. Het Start/Stop-systeem kan in bepaalde situaties aanleiding geven tot tekstmeldingen op het instrumentenpaneel en een brandend controle- Symbool Melding Informatie/maatregel M/AA Auto Start-Stop Service vereist Start/Stop is defect. Neem dan contact op met een werkplaats. Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
08 Starten en rijden Symbool A Melding Informatie/maatregel Kies stand P of N om te starten Start/Stop is gedeactiveerd. Zet de keuzehendel in stand N of P en voer een normale motorstart uit met de knop START/STOP ENGINE. A Druk op Start-knop Geen automatische motorstart mogelijk – start de motor op de normale manier met de knop START/STOP ENGINE terwijl de keuzehendel in stand P of N staat. A M/AA M = handbak, A = automaatbak.
08 Starten en rijden ECO* ECO is een uniek en innovatief Volvo-systeem dat bij auto’s met een automatische versnellingsbak het brandstofverbruik met tot wel 5% kan beperken, afhankelijk van de rijstijl van de bestuurder. Met het systeem kunt u actiever milieubewust rijden. Algemeen Bij activering van het ECOsysteem wijzigt het volgende: • • ECO - Bediening De Start/Stop-functie - de motor kan ook automatisch worden afgezet voordat de auto is gestopt en helemaal stilstaat.
08 Starten en rijden en • Uitgeschakeld ECO-systeem: Kort uitrollen met motorremmen = Minimaal verbruik. N.B. Voor een optimaal laag brandstofverbruik moet Eco Coast gecombineerd met kort uitrollen gewoonlijk worden vermeden. Het deactiveren van Eco Coast en het teruggaan naar motorremmen kan op de volgende manier: • • • • Meer informatie en instellingen Druk op de knop ECO. Haal de keuzehendel naar stand "S+/-" voor handmatig schakelen. Schakel met de stuurpaddles. Beweeg het gas- of rempedaal.
08 Starten en rijden Vierwielaandrijving - AWD* Hill Descent Control (HDC)* Met vierwielaandrijving hebt u de beste grip op de weg. HDC is te vergelijken met een automatische motorrem. Wanneer u op een aflopende helling het gaspedaal loslaat, wordt de auto normaal gesproken op de motor afgeremd doordat deze in dat geval een laag stationair toerental nastreeft. Naarmate de helling steiler en de auto zwaarder beladen is, rolt de auto ondanks de motorrem sneller omlaag.
08 Starten en rijden N.B. HDC kan niet worden geactiveerd op een automatische versnellingsbak met de keuzehendel in stand D. Bediening Bij een geactiveerd HDC-systeem kan de auto bij het afremmen op de motor maximaal 10 km/h vooruitrijden en 7 km/h achteruit. Met het gaspedaal kunt u echter een willekeurige andere snelheid binnen het snelheidsinterval kiezen dat bij de ingeschakelde versnelling hoort.
08 Starten en rijden || wordt verlengd. U wordt geadviseerd de remschijven schoon te maken door tijdens het rijden korte tijd licht te remmen, wanneer u op natte wegen rijdt, de auto net hebt gewassen of op het punt staat deze langdurig te parkeren. Onderhoud Om de verkeersveiligheid, bedrijfszekerheid en betrouwbaarheid van de auto op een hoog peil te houden, dient u de service-intervallen van Volvo aan te houden zoals omschreven in het Service- en garantieboekje.
08 Starten en rijden Bedrijfsrem antiblokkeerremsysteem Bedrijfsrem - noodremlichten en automatische alarmlichten Bedrijfsrem - remkrachtverhoging bij noodstops Het antiblokkeerremsysteem, ABS Anti-lock Braking System voorkomt dat de wielen blokkeren tijdens het remmen. De noodremlichten worden geactiveerd om achterliggers erop te attenderen dat u krachtig remt. Daarbij knipperen de remlichten in plaats van dat ze continu branden, zoals bij normaal remmen.
08 Starten en rijden Parkeerrem Handrem aanzetten De parkeerrem houdt de auto stil, als er niemand op de bestuurdersstoel zit, door twee wielen mechanisch te blokkeren/vergrendelen. drukt te houden. Bij het loslaten van de handgreep wordt de rem uitgeschakeld. N.B. Tijdens een noodstop bij snelheden hoger dan 10 km/h klinkt er gedurende de hele remmanoeuvre een geluidssignaal. Functie Wanneer de elektrische parkeerrem wordt geactiveerd, hoort u een zwak elektromotorgeluid.
08 Starten en rijden Handrem lossen N.B. De parkeerrem is ook handmatig uit te schakelen door het koppelingspedaal te bedienen in plaats van het rempedaal. Volvo adviseert u echter het rempedaal te gebruiken. Automatisch lossen 1. Start de motor. 2. Schakel de 1 versnelling of de achteruitrijversnelling in. 2. Start de motor. 3. Trap het rempedaal stevig in. 4. Zet de keuzehendel in stand D of R en geef gas. > De parkeerrem wordt uitgeschakeld en het symbool op het instrumentenpaneel dooft. N.B.
08 Starten en rijden || constructie van de elektrische parkeerrem – geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats. Symbool Symbolen en meldingen Voor informatie over het weergeven en wissen van tekstmeldingen op het instrumentenpaneel, zie Meldingen - functies (p. 106). Melding Betekenis/Maatregel ‘Melding’ • Lees de melding op het instrumentenpaneel. Een knipperend symbool houdt in dat de parkeerrem wordt aangezet.
08 Starten en rijden Symbool Melding Parkeerrem niet aangezet Betekenis/Maatregel Door een storing kan de parkeerrem niet worden ingeschakeld: • Probeer of u de rem kunt uit- en inschakelen. Als de storing ook na enkele pogingen aanhoudt: • Bezoek een werkplaats – geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats. Dezelfde melding verschijnt ook op auto’s met een handbak, wanneer er langzaam wordt gereden met het portier open.
08 Starten en rijden Doorwaaddiepte BELANGRIJK Wanneer u zich met de auto door een ondiepe waterpartij begeeft, spreken we van waden. Waden dient met de nodige voorzichtigheid te gebeuren. Als er water in het luchtfilter komt, kan er motorschade ontstaan. Bij een diepte groter dan 25 cm kan er water in de transmissie komen. Het smerende vermogen van de oliën neemt dan af, waardoor de levensduur van deze systemen korter wordt.
08 Starten en rijden • • Versn.bak heet Stop auto z.s.m. verschijnt. Neem het gegeven advies in acht en verlaag de snelheid of breng de auto zo spoedig mogelijk tot stilstand om de versnellingsbak te laten afkoelen door de motor enkele minuten stationair te laten draaien. Bij oververhitting kan de airconditioning zichzelf tijdelijk uitschakelen. Na een zware rit moet u de motor niet meteen afzetten, maar nog enige tijd stationair laten lopen. N.B.
08 Starten en rijden – Laad de startaccu dan op door de motor te starten en deze minstens 15 minuten te laten lopen - de startaccu wordt beter opgeladen tijdens het rijden dan bij stilstand met een stationair lopende motor. Voorbereidingen bij lange reizen Winterse ritten Bij lange reizen is het goed om de volgende punten te doorlopen: Bij rijden in de winter is het belangrijk om bepaalde controles uit te voeren, zodat u zeker weet dat u veilig met de auto kunt rijden.
08 Starten en rijden • • Controleer de algehele conditie en de ladingstoestand van de startaccu. De startaccu wordt zwaarder belast bij koud weer en ook de accucapaciteit neemt af bij vorst. Tankvulklep - openen/sluiten Tankvulklep - handmatig openen De tankvulklep is als volgt te openen/sluiten: De tankvulklep kan handmatig worden geopend, als openen met de schakelaar in de passagiersruimte niet mogelijk is. Tankvulklep openen/sluiten Giet sproeiervloeistof (p.
08 Starten en rijden Brandstof tanken N.B. Waar u tijdens het tanken op moet letten. Een overvolle tank kan bij warm weer overstromen. Tankdop open-/dichtdraaien Bijvullen met jerrycan14 Bij hoge buitentemperaturen kan er een bepaalde mate van overdruk in de brandstoftank ontstaan. Draai de tankdop dan langzaam open. • Breng na het tanken de tankdop weer aan en draai deze zo ver dicht dat u één of meer klikken hoort.
08 Starten en rijden WAARSCHUWING Op de grond gemorste brandstof kan vlam vatten. Schakel de verwarming op brandstof uit voordat u gaat tanken. Heb nooit een ingeschakelde mobiele telefoon bij u als u staat te tanken. Door het belsignaal kan er vonkvorming ontstaan waardoor de benzinedampen ontsteken en dat kan tot brand en letsel leiden. • • Roetfilter dieselmotor (DPF) (p. 296) Brandstof - benzine Brandstofverbruik en CO2-uitstoot (p. 397) De motor loopt op benzine. • Brandstoftank - inhoud (p.
08 Starten en rijden • • Brandstofverbruik en CO2-uitstoot (p. 397) Brandstoftank - inhoud (p. 396) Brandstof - diesel De motor loopt op dieselolie. Maak alleen gebruik van dieselolie van gerenommeerde oliemaatschappijen. Giet nooit dieselolie van twijfelachtige kwaliteit in de tank. Diesel moet voldoen aan de norm EN 590 of JIS K2204. Dieselmotoren zijn gevoelig voor verontreiniging in de brandstof, zoals een te grote hoeveelheid zwaveldeeltjes.
08 Starten en rijden bijtanken met dieselolie) het volgende, voordat u de motor start: 1. Plaats de transpondersleutel in het contactslot en duw deze tot aan de aanslag naar binnen, zie Sleutelstanden (p. 72) voor meer informatie. brandstof is gebruikt, moet u het brandstoffilter aftappen. Voor meer informatie, zie Serviceprogramma van Volvo (p. 330). BELANGRIJK Bepaalde speciale toevoegingen verwijderen de waterafscheiding in het brandstoffilter. 2.
08 Starten en rijden || Gerelateerde informatie • • • Zuinig rijden (p. 297) Brandstof - benzine (p. 293) Brandstof - diesel (p. 294) Roetfilter dieselmotor (DPF) Dieselmodellen zijn uitgerust met een roetfilter, waardoor een nog efficiëntere uitlaatgasreiniging mogelijk is. temperatuur is gekomen. Daarna rijdt u nog 20 minuten verder. N.B. Tijdens de regeneratie kan zich het volgende voordoen: Onder normale rijomstandigheden blijven de roetdeeltjes uit de uitlaatgassen in het filter achter.
08 Starten en rijden • • Brandstofverbruik en CO2-uitstoot (p. 397) Brandstoftank - inhoud (p. 396) Zuinig rijden • Zuinig rijden houdt in dat u anticiperend en rustig rijdt, en uw rijstijl en snelheid afstemt op de verkeerssituatie. De bandenkeuze is mogelijk van invloed op het brandstofverbruik – informeer bij uw dealer naar passende banden. • Neem geen spullen in de auto mee die u niet gebruikt – hoe groter de belading, hoe hoger het verbruik.
08 Starten en rijden || Gerelateerde informatie • • • Brandstof - gebruik (p. 292) Brandstofverbruik en CO2-uitstoot (p. 397) Brandstoftank - inhoud (p. 396) Rijden met een aanhanger Bij het rijden met een aanhanger moet u op enkele belangrijke dingen letten, zoals de trekhaak, de aanhanger en hoe u de lading op de aanhanger aanbrengt. Het laadvermogen is afhankelijk van het rijklaar gewicht van de auto.
08 Starten en rijden Richtingaanwijzers en remlichten op aanhanger N.B. De vermelde maximaal toegestane aanhangergewichten zijn door Volvo toegestaan. Nationale voertuigvoorschriften kunnen het aanhangergewicht en de snelheid verder beperken. De trekhaken kunnen zijn gecertificeerd voor hogere trekgewichten dan wat de auto mag trekken.
08 Starten en rijden Rijden met een aanhanger automatische versnellingsbak BELANGRIJK Zie tevens de specifieke informatie over langzaam rijden met een aanhanger voor auto’s met een automatische versnellingsbak van het type Powershift, zie Automatische versnellingsbak - Powershift* (p. 266). Wanneer u bij warm weer een aanhanger sleept in heuvelachtig terrein, bestaat er mogelijk gevaar voor oververhitting. • Een automatische versnellingsbak kiest altijd de juiste versnelling voor het motortoerental.
• Rijden met een aanhanger (p. 298) Afneembare trekhaak - opbergen Afneembare trekhaak - specificaties Bewaar de afneembare trekhaak in de bagageruimte. Specificaties voor een afneembare trekhaak. G021485 Gerelateerde informatie G031713 08 Starten en rijden Specificaties Opbergruimte trekhaak. BELANGRIJK Neem na gebruik altijd de trekhaak los en berg deze op de daarvoor bestemde plaats op, goed vastgezet met de bijbehorende riem.
08 Starten en rijden || • Rijden met een aanhanger (p. 298) Afneembare trekhaak - monteren/ demonteren U kunt de afneembare trekhaak als volgt monteren/demonteren: Demonteren Afmetingen, bevestigingspunten (mm) 08 302 A 1036 B 111 C 855 D 428 E 109 F 326 G Langsligger H Middelpunt kogel Gerelateerde informatie • Afneembare trekhaak - monteren/demonteren (p. 302) • Afneembare trekhaak - opbergen (p. 301) Verwijder de afdekking door eerst de bouten een kwartslag te draaien .
G021488 Controleer of het mechanisme in de ontgrendelde stand staat door de sleutel rechtsom te draaien. Het controlevenster moet rood van kleur zijn. G000000 G021489 Breng de trekhaak aan en duw deze naar binnen totdat u een klik hoort. Draai de sleutel linksom naar de vergrendelde stand. Neem de sleutel uit het slot. G021490 G021487 08 Starten en rijden Het controlevenster moet groen van kleur zijn.
08 Starten en rijden Controleer of de trekhaak vastzit door deze stevig omhoog, omlaag en naar achteren te bewegen. WAARSCHUWING Als de trekhaak niet goed zit, moet u deze verwijderen en opnieuw monteren zoals eerder werd beschreven. G021495 G021494 || Veiligheidskabel. WAARSCHUWING Controleer of de veiligheidskabel van de aanhanger in de juiste bevestiging vastzit.
08 Starten en rijden Trailer Stability Assist - TSA17 Het TSA-systeem (TSA - Trailer Stability Assist) heeft tot taak de auto met een aanhanger/caravan te stabiliseren wanneer de combinatie de neiging tot pendelbewegingen vertoont. Draai de vergrendelingsknop volledig omlaag totdat deze niet verder kan. Houd de knop in deze stand vast terwijl u de trekhaak schuin naar achteren toe omhoogtrekt. Plaats de afdekking terug door te zorgen dat de haken van de afdekking in de achterkant van de bumper grijpen.
08 Starten en rijden || Bediening Een pendelbeweging is vaak niet of nauwelijks te dempen, waardoor de combinatie moeilijk bestuurbaar wordt en het gevaar bestaat op de verkeerde weghelft of naast de weg te belanden. Het TSA-systeem houdt continu de bewegingen van de auto in de gaten en dan vooral de dwarsbewegingen. Als een neiging tot pendelbewegingen geregistreerd wordt, worden de voorwielen ieder afzonderlijk dusdanig afgeremd dat de combinatie gestabiliseerd wordt.
08 Starten en rijden WAARSCHUWING • Controleer voordat u gaat slepen of het stuurslot eraf is. • De transpondersleutel moet in sleutelstand II staan. In stand I zijn alle airbags gedeactiveerd. • Haal nooit de transpondersleutel uit het contactslot als de auto wordt gesleept. WAARSCHUWING De rem- en stuurbekrachtiging werken niet als de motor is uitgeschakeld. Er moet ca. 5 keer zo hard op het rempedaal worden getrapt en de besturing gaat aanzienlijk zwaarder dan normaal.
08 Starten en rijden Sleepoog Het sleepoog dient te worden vastgeschroefd in een draadbus achter een afdekking in de bumper, voor of achter. Sleepoog bevestigen De afdekking op het bevestigingspunt voor het sleepoog bestaat in twee versies die op verschillende manieren moeten worden geopend: • • U opent de versie met een uitsparing door een muntstuk of iets dergelijks in de uitsparing aan te brengen en de afdekking los te werken. Klap de afdekking daarna helemaal los en verwijder deze.
08 Starten en rijden Bergen BELANGRIJK Met bergen wordt het afslepen bedoeld met een ander voertuig. Berg de auto altijd zo dat de wielen in de rijrichting draaien. Roep professionele hulp in voor berging. • Het is toegestaan het sleepoog te gebruiken om de auto op een bergingsvoertuig met laadvloer te trekken. De positie van de auto en de bodemvrijheid bepalen of dat mogelijk is.
WIELEN EN BANDEN
09 Wielen en banden Banden - draairichting Bij banden met een speciaal profiel dat alleen goed werkt wanneer de banden in een bepaalde richting draaien, staat deze richting aangegeven met een pijl op de zijkant van de band. N.B. Let erop dat u hetzelfde type, dezelfde maat en ook hetzelfde merk voor beide wielparen hebt. Houd de aanbevolen bandenspanning aan die in de bandenspanningstabel (p. 400) staat. Gerelateerde informatie G021778 • • • • • De pijl geeft de draairichting van de band aan.
09 Wielen en banden 09 || Nieuwe banden Banden hebben een beperkte houdbaarheidsdatum. Na enkele jaren worden de banden hard en neemt de grip op het wegdek stukje bij beetje af. Gebruik bij het verwisselen van banden altijd zo nieuw mogelijke banden. Dit geldt in het bijzonder voor winterbanden. De laatste cijfers van de cijferreeks geven de week en het jaar van productie aan. Het is de zogeheten DOT-code (Department of Transportation) van de band en bestaat uit vier cijfers, bijvoorbeeld 1510.
09 Wielen en banden • Banden - slijtage-indicator Een slijtage-indicator toont de status van het loopvlak van de band. Banden - onderhoud (p. 311) Wielbouten 09 De wielen zitten op de naaf vast met wielbouten die in verschillende uitvoeringen verkrijgbaar zijn. BELANGRIJK G021829 U dient de wielbouten aan te halen met 140 Nm. Als u ze te strak aanhaalt, kan de boutverbinding beschadigd raken.
09 Wielen en banden 09 Gereedschap Krik* In de auto is onder meer een sleepoog, krik* en een wielsleutel* aanwezig. Er wordt een krik gebruikt om de auto op te nemen, bijvoorbeeld bij het verwisselen van banden. Gebruik de originele krik alleen voor het verwisselen van het reservewiel. Houd de schroef van de krik altijd goed ingevet. Gereedschap, terugplaatsen Onder de vloer in de bagageruimte vindt u het sleepoog van de auto, de krik* en de wielsleutel*.
09 Wielen en banden Winterbanden Sneeuwkettingen gebruiken Wiel- en velgmaten Winterbanden zijn banden die aan de winterse toestand van de weg zijn aangepast. Het gebruik van sneeuwkettingen is alleen toegestaan op de voorwielen (geldt ook voor modellen met voorwielaandrijving). Rijd nooit sneller dan 50 km/h met sneeuwkettingen. Rijd evenmin op sneeuwvrije wegen, omdat zowel de sneeuwkettingen als de banden daardoor overmatig slijten. Wiel- en velgmaten worden aangeduid zoals in de onderstaande tabel.
09 Wielen en banden 09 Banden - maten • De wielen (velgen) en banden van de auto hebben een bepaalde maat, zie het voorbeeld in de onderstaande tabel. Banden - goedgekeurde bandenspanning (p. 400) • Wiel- en velgmaten (p. 315) De auto is voorzien van een typegoedkeuring voor de uitvoering waarin deze werd aangeleverd. Dat betekent dat niet alle wiel- (velg-) en bandcombinaties goedgekeurd zijn. Op alle autobanden staat een bepaalde maataanduiding.
09 Wielen en banden Banden - snelheidsklassen Elke band is bestand tegen een bepaalde max. snelheid en behoort daardoor tot een bepaalde snelheidsklasse (SS - Speed Symbol). De snelheidsklasse van de banden dient minimaal overeen te komen met de topsnelheid van de auto. De laagst toegestane snelheidsklasse staat in de onderstaande snelheidsklassetabel. De enige uitzondering hierop vormen winterbanden, (p. 315)1, waarvoor een lagere snelheidsklasse gebruikt mag worden.
09 Wielen en banden 09 || BELANGRIJK • Rijd met een reservewiel op de auto nooit sneller dan 80 km/u. • Er mag nooit met de auto worden gereden als deze van meer dan één reservewiel van het type ‘Temporary Spare’ is voorzien. Het reservewiel ligt met de buitenkant omlaag in de ruimte voor het reservewiel. Dezelfde doorloopbout waarmee het blok schuimrubber vastzitten houdt ook het reservewiel in positie. Het blok schuimrubber bevat al het gereedschap. Reservewiel erbij nemen 1.
09 Wielen en banden WAARSCHUWING Wielen verwisselen - monteren 7. 09 Het is belangrijk dat het wiel op de juiste manier gemonteerd wordt. Leg nooit iets tussen de krik en de ondergrond en evenmin tussen de krik en het kriksteunpunt van de auto. Aanbrengen 1. Reinig de contactvlakken tussen het wiel en de naaf. 6. Er zitten twee kriksteunpunten aan weerszijden van de auto. Bij elk steunpunt zit een uitsparing in de kunststof afdekking.
09 Wielen en banden 09 || N.B. • Na het oppompen van een band moet u altijd het ventieldopje terugzetten om schade aan het ventiel door grind, vuil e.d. te voorkomen. • Gebruik alleen kunststof dopjes. Metalen ventieldopjes kunnen roesten en zijn moeilijk los te draaien. N.B. De normale krik van de auto is alleen bestemd voor sporadisch en kortstondig gebruik zoals bij het verwisselen van een lekke band, monteren van winterbanden/ zomerbanden e.d.
09 Wielen en banden • Controleer de bandenspanning bij koude banden. Met koude banden wordt bedoeld dat de banden dezelfde temperatuur hebben als de buitentemperatuur. Na een paar kilometer rijden worden de banden warm en wordt de druk hoger. • Een te lage bandenspanning resulteert in een hoger brandstofverbruik, een kortere levensduur van de banden en een slechtere wegligging van de auto. Rijden met een te lage bandenspanning kan tot gevolg hebben dat de banden oververhit raken en beschadigen.
09 Wielen en banden 09 Gevarendriehoek EHBO-set* De gevarendriehoek wordt gebruikt om andere verkeersdeelnemers te waarschuwen voor een stilstaande auto. De EHBO-set bevat materiaal voor het verlenen van eerste hulp. Opbergen en uitklappen Til de vloer in de bagageruimte op en haal de gevarendriehoek tevoorschijn. Neem de gevarendriehoek uit de houder, klap de driehoek uit en bevestig de twee losse zijden aan elkaar. Klap de steunpoten van de gevarendriehoek uit.
09 Wielen en banden Noodreparatieset voor banden* BELANGRIJK U gebruikt de noodreparatieset voor banden (TMK - Temporary Mobility Kit) om tijdelijk een gat te dichten en om de bandenspanning (p. 400) te controleren en aan te passen. De noodreparatieset voor banden (p. 324) bestaat uit een compressor en een bus met afdichtmiddel. Het afdichtmiddel dient om noodreparaties uit te voeren. De fles met het afdichtmiddel moet worden vervangen voordat de houdbaarheidsdatum is verstreken en tevens na het gebruik.
09 Wielen en banden 09 || BELANGRIJK Als de compressor voor bandenreparatie is aangesloten op een van de beide aansluitingen (p. 145) in de tunnelconsole, mag er op de andere aansluiting geen stroomverbruiker zijn aangesloten. Noodreparatieset voor banden* overzicht U gebruikt de noodreparatieset voor banden (TMK - Temporary Mobility Kit) om tijdelijk een gat te dichten en om de bandenspanning (p. 400) te controleren en aan te passen. N.B.
09 Wielen en banden Noodreparatieset voor banden* bediening U gebruikt de noodreparatieset voor banden (TMK - Temporary Mobility Kit) om tijdelijk een gat te dichten en om de bandenspanning (p. 400) te controleren en aan te passen. Noodreparatieset voor banden 1. Verwijder de sticker met de toegestane maximumsnelheid (die aan de ene kant van de compressor zit) en bevestig deze op het stuurwiel. WAARSCHUWING Rijd nooit sneller dan 80 km/h, nadat u de noodreparatieset hebt gebruikt.
09 Wielen en banden 09 || 7. Zet de knop in stand I. WAARSCHUWING Ga nooit naast de band staan terwijl de compressor aan het pompen is. Bij barsten, oneffenheden en dergelijke dient u de compressor onmiddellijk uit te schakelen. Beëindig in dat geval de rit. Het wordt dan geadviseerd een erkende bandenwerkplaats te bezoeken. 9. Schakel de compressor uit om de bandenspanning van de manometer af te lezen. De bandenspanning dient minimaal 1,8 bar en maximaal 3,5 bar te bedragen.
09 Wielen en banden WAARSCHUWING Draai de bus niet los, aangezien deze een blokkering heeft om lekkage te voorkomen. er de beschadigde band te laten vervangen/ repareren. Geef aan het werkplaatspersoneel door dat er afdichtmiddel in de band zit. WAARSCHUWING De snelheid mag niet hoger dan 80 km/h zijn nadat de provisorische bandenreparatie is gebruikt. Volvo adviseert u om een erkende Volvo-werkplaats te bezoeken voor een inspectie van de gerepareerde band (maximaal 200 km rijden).
09 Wielen en banden 09 || BELANGRIJK Kans op oververhitting. De compressor mag niet langer dan 10 minuten werken. 5. Pomp de band op tot de druk die in de bandenspanningstabel staat aangegeven, zie Banden - goedgekeurde bandenspanning (p. 400). Laat lucht uit de band ontsnappen, als de bandenspanning te hoog is. Noodreparatieset voor banden* afdichtmiddel De verpakking (bus) in de noodreparatieset voor banden (p. 324) bevat afdichtmiddel en is te vervangen.
ONDERHOUD EN SERVICE
10 Onderhoud en service Serviceprogramma van Volvo 10 Om de verkeersveiligheid, bedrijfszekerheid en betrouwbaarheid van de auto op een hoog peil te houden, dient u de voorschriften van het Serviceprogramma van Volvo op te volgen zoals die omschreven staan in het Service- en garantieboekje van Volvo. Volvo adviseert u om service- en onderhoudswerkzaamheden over te laten aan een erkende Volvo-werkplaats.
10 Onderhoud en service Auto opnemen Bij het opnemen van de auto is het belangrijk dat u de krik of de dragerarmen onder de voorziene steunpunten in het onderstel van de auto aanbrengt. 10 N.B. Volvo adviseert u alleen de krik te gebruiken die bij de auto hoort. Volg bij gebruik van een andere krik dan door Volvo geadviseerd de aanwijzingen die bij deze krik werden geleverd.
10 Onderhoud en service || 10 Kriksteunpunten (pijlen) voor de krik van de auto en de hefpunten (rood gemarkeerd). Als u de auto aan de voorkant heft met een garagekrik, moet u de krik onder een van de vier hefpunten zetten die verder naar binnen onder de auto zitten. Als u de auto aan de achterkant heft met een garagekrik, moet u de krik onder een van de hefpunten zetten. Let erop dat u de garagekrik dusdanig aanbrengt, dat de auto er niet van af kan glijden.
10 Onderhoud en service Motorkap - openen en sluiten Haal de borghaak naar links om de motorkap te openen. (De borghaak zit tussen de koplamp en de grille zoals afgebeeld.) De motorkap is te openen, wanneer u de handgreep bij de pedalen naar achteren hebt getrokken en de pal bij de grille naar links hebt gehaald. WAARSCHUWING Motorruimte - overzicht Het overzicht toont de normale controlepunten. Motorruimte 4-cil. 2.0 l1 10 Controleer of de motorkap bij sluiten goed vergrendelt.
10 Onderhoud en service || Vulopening voor sproeiervloeistof Vulopening voor sproeiervloeistof Motorruimte, behalve 4-cil. 2.0 l2 Luchtfilter Luchtfilter WAARSCHUWING 10 WAARSCHUWING De spanning en het vermogen van het ontstekingssysteem zijn zeer hoog. De spanning in het ontstekingssysteem is levensgevaarlijk. Houd het elektrische systeem van de auto altijd in sleutelstand 0 bij werkzaamheden in de motorruimte, zie Sleutelstanden - functies in verschillende standen (p. 73).
10 Onderhoud en service Motorruimte - controle Motorolie - algemeen Bepaalde oliën en vloeistoffen dienen regelmatig gecontroleerd te worden. Om de aanbevolen service-intervallen aan te kunnen houden dient u een goedgekeurde motoroliesoort te gebruiken.
10 Onderhoud en service 10 || gemaakt van het waarschuwingssymbool voor een lage oliedruk op het instrumentenpaneel. Bij varianten met een olieniveausensor wordt u geïnformeerd via een waarschuop het instrumentenpawingssymbool neel en met displayteksten. Bepaalde varianten zijn voorzien van allebei. Neem voor meer informatie contact op met een erkende Volvowerkplaats.
10 Onderhoud en service 5. Als de olie dichter bij het MIN-streepje ligt, dient u 0,5 liter bij te vullen. Als de olie daar ver onder staat, moet u wellicht meer bijvullen. Motor met elektronische oliepeilsensor, 4-cil. 2.0 l5 10 6. Als u het peil daarna nogmaals wenst te controleren, moet u dat na enige tijd rijden doen. Herhaal vervolgens de stappen 1–4. WAARSCHUWING Vul nooit bij tot boven de MAX-aanduiding. De olie mag nooit boven MAX of onder MIN staan om motorschade tegen te gaan.
10 Onderhoud en service || BELANGRIJK Vul bij een melding dat het oliepeil gering alleen de aangegeven hoeveelheid olie bij, bijvoorbeeld 0,5 liter. 10 2. Draai het duimwiel op de linker stuurhendel naar stand Oliepeil. > Vervolgens verschijnt informatie over het motoroliepeil. Voor meer informatie over de menufuncties, zie Menufuncties - instrumentenpaneel (p. 104). N.B. Na het bijvullen of aftappen van olie duurt het even voordat het systeem wijzigingen in het oliepeil kan waarnemen. De auto moet ca.
10 Onderhoud en service BELANGRIJK Vul bij het verschijnen van de melding Oliepeil laag 0,5 liter bijvullen slechts 0,5 liter bij. N.B. Melding en grafische weergave op display. Het linker display toont een digitaal instrumentenpaneel en het rechter een analoog. Melding Motoroliepeil Wanneer de motor afgezet is, kunt u het duimwiel gebruiken om het oliepeil te laten controleren door de elektronische oliepeilsensor, zie Menufuncties - instrumentenpaneel (p. 104).
10 Onderhoud en service || Gerelateerde informatie • 10 Motorolie - algemeen (p. 335) Koelvloeistof - peil De koelvloeistof koelt de verbrandingsmotor af tot de juiste bedrijfstemperatuur. De warmte die de motor overdraagt op de koelvloeistof kan worden benut voor verwarming van de passagiersruimte. De koelvloeistof moet tussen het MIN- en MAX-streepje op het expansiereservoir staan. Peil controleren en bijvullen WAARSCHUWING De koelvloeistof kan zeer heet zijn.
10 Onderhoud en service BELANGRIJK • Hoge concentraties chloor, chloriden en andere zoutverbindingen kunnen aanleiding geven tot corrosie in het koelsysteem. • Gebruik altijd een koelvloeistof met roestwerende eigenschappen volgens de aanbevelingen van Volvo. • Let erop dat het koelvloeistofmengsel altijd voor 50 % uit water en voor 50 % uit koelvloeistof bestaat. • • • Leng de koelvloeistof aan met leidingwater van goede kwaliteit.
10 Onderhoud en service Stuurbekrachtigingsvloeistof - peil 10 De stuurbekrachtigingsvloeistof moet tussen de MIN- en MAX-streepjes staan. Verversing van de vloeistof is niet nodig. N.B. Ook als er een storing optreedt in de stuurbekrachtiging of als de stroom wegvalt en u de auto moet laten wegslepen, blijft de auto bestuurbaar. Klimaatregeling - storingen opsporen en verhelpen Service en reparatie aan het aircosysteem mogen uitsluitend door een erkende werkplaats worden uitgevoerd.
10 Onderhoud en service Lamp vervangen Het is mogelijk de gloeilampen te vervangen. Wend u voor vervanging van led- en xenonlampen tot een werkplaats. De gloeilampen zijn gespecificeerd (p. 350).
10 Onderhoud en service Lamp vervangen - koplampen 10 Ga bij het bevestigen na of de lange borgpen vastzit. De pen moet in beide ogen vastzitten. Alle gloeilampen in het koplamphuis zijn te vervangen door eerst het complete koplamphuis via de motorruimte los te nemen en te verwijderen. 1. Sluit de connector dusdanig aan dat u een klik hoort. 2. Plaats het koplamphuis terug en breng de borgpennen aan. Controleer of u ze op de juiste manier hebt ingebracht.
10 Onderhoud en service Lampen verwisselen - afdekkap groot-/dimlichtlampen De groot-/dimlichtlampen zijn bereikbaar door de grotere afdekkap van de koplamp los te maken. • • Lamp vervangen - groot licht (p. 346) Lamp vervangen - dimlicht Lamp vervangen - verstraler (p. 347) De lamp van het dimlicht zit achter de grote afdekking in het koplamphuis. N.B. 10 Geldt voor auto’s met halogeenkoplampen. Alvorens een gloeilamp te vervangen, zie Lamp vervangen - koplampen (p. 344). 1.
10 Onderhoud en service || Gerelateerde informatie • 10 Lampen - specificaties (p. 350) Lamp vervangen - groot licht De lamp van het groot licht zit achter de grote afdekking in het koplamphuis. N.B. Geldt voor auto’s met halogeenkoplampen. 1. Neem de koplamp (p. 344) los. 2. Verwijder de afdekking (p. 345). 3. Haal de gloeilamp los door deze rechtsom te draaien en vervolgens recht naar buiten te trekken. 4. Koppel de connector van de lamp los. 5.
10 Onderhoud en service Lamp vervangen - verstraler De verstralerlamp zit achter de grote afdekking in het koplamphuis. N.B. Gerelateerde informatie • Lampen - specificaties (p. 350) Lampen vervangen richtingaanwijzers voorzijde De richtingaanwijzerlamp zit achter de kleine afdekking in het koplamphuis. 10 Geldt voor auto’s met xenonkoplampen*. 1. Neem de koplamp (p. 344) los. 1. Neem de koplamp (p. 344) los. 2. Verwijder de afdekking (p. 345). 3. Koppel de connector van de gloeilamp los. 4.
10 Onderhoud en service || Gerelateerde informatie • 10 Lampen - specificaties (p. 350) Lamp vervangen - verlichting achter Rem- en achteruitrijlichten Richtingaanwijzers achter, mistachterlicht en achteruitrijlichten zijn vanuit de bagageruimte te vervangen. Mistachterlicht De gloeilampen van zowel de remlichten als de achteruitrijlichten zijn via de bagageruimte te vervangen. 1. Open het paneel. 348 Het mistachterlicht is vanaf de achterkant van de bumper te bereiken. 2.
10 Onderhoud en service Lamp vervangen - positie lampen achterzijde Lamp vervangen kentekenplaatverlichting Lamp vervangen - verlichting in bagageruimte Het overzicht geeft de positie aan van de lampen aan achterzijde. De kentekenplaatverlichting zit onder de handgreep van de achterklep. De bagageruimteverlichting zit in de achterklep. Stadslicht/parkeerlicht vóór (led)/sidemarker (led) 1. Draai de boutjes los met een schroevendraaier. Remlichten (p. 348) 2.
10 Onderhoud en service Lamp vervangen - verlichting makeupspiegel 10 De lampjes voor de verlichting van de makeupspiegel zitten achter de lensjes. Lampglas verwijderen Gerelateerde informatie • Lampen - specificaties (p. 350) Lampen - specificaties De specificaties gelden voor gloeilampen. Wend u voor vervanging van led- en xenonlampen tot een werkplaats.
10 Onderhoud en service Verlichting WA Type Achteruitrijlicht 21 P21W LL Mistachterlicht 21 H21W LL A Watt Gerelateerde informatie • • • Lamp vervangen (p. 343) Lamp vervangen - positie lampen achterzijde (p. 349) Wisserbladen De wisserbladen vegen neerslag van de vooren achterruit. In combinatie met sproeiervloeistof reinigen ze de ruiten voor een goed zicht tijdens het rijden. Om de wisserbladen van de voorruit te kunnen vervangen moeten deze eerst in de servicestand worden gezet.
10 Onderhoud en service || BELANGRIJK 10 Als de wisserarmen in de servicestand van de voorruit af zijn gehaald, moeten ze tegen de voorruit worden teruggeklapt voordat de wissers weer naar de oorspronkelijke stand terug mogen keren. Dit gebeurt om te voorkomen dat de lak op de motorkap beschadigd raakt. Wisserbladen vervangen Klap de wisserarm omhoog als deze in de servicestand staat. Druk op de knop die op de wisserbladhouder zit en trek het wisserblad evenwijdig aan de wisserarm los.
10 Onderhoud en service 2. Pak het wisserblad aan de binnenkant (bij de pijl) beet. 3. Draai het wisserblad linksom om de aanslag op de wisserarm als hefboom te gebruiken zodat het wisserblad gemakkelijker loskomt. Sproeiervloeistof - bijvullen Startaccu Om de koplampen en ruiten schoon te houden wordt sproeiervloeistof gebruikt. Gebruik tijdens de wintermaanden sproeiervloeistof met antivries. De rijomstandigheden, de rijstijl, het aantal startpogingen, de weersomstandigheden e.d.
10 Onderhoud en service || BELANGRIJK 10 N.B. Bij opladen van de startaccu mag alleen een traditionele acculader worden gebruikt. Hoe vaker de accu ontladen raakt, des te minder lang gaat de accu mee. De levensduur van de accu wordt bepaald door uiteenlopende factoren, waaronder de rijomstandigheden en het klimaat. De accu verliest na verloop van tijd aan startcapaciteit en moet daarom bijgeladen worden, als er langere tijd achtereen niet of slechts korte afstanden met de auto wordt gereden.
10 Onderhoud en service Vermijd vonken en open vuur. Startaccu - vervangen De startaccu van de auto is zonder hulp van een werkplaats te vervangen. De startaccu is een traditionele 12V-accu. 10 Demonteren Explosiegevaar. Bestemd voor inzameling.
10 Onderhoud en service || Neem de achterste afdekking los door deze een kwartslag te verdraaien en vervolgens op te tillen. 10 Monteren WAARSCHUWING De plus- en minkabels in de juiste volgorde loskoppelen en/of aansluiten. Koppel de zwarte minkabel los. 1. Laat de accu in de accubak zakken. Koppel de rode pluskabel los. 2. Duw de accu naar binnen en gelijktijdig opzij totdat de accu tegen de achterkant van de accubak aankomt. Koppel de ontluchtingsslang van de accu los.
10 Onderhoud en service Accu - Start/Stop BELANGRIJK Een auto met Start/Stop-systeem is voorzien van twee 12V-accu’s – één extra krachtige startaccu en een hulpaccu die gebruikt wordt voor de startprocedure middels het Start/Stop-systeem. Bij vervanging van de accu’s in een auto met Start/Stop-systeem dient u accu’s type AGM10 te monteren. • Hoe hoger de stroomafname in de auto (extra koeling/verwarming e.d.), hoe meer de accu’s moeten worden bijgeladen = hoe hoger het brandstofverbruik.
10 Onderhoud en service || BELANGRIJK 10 N.B. Bij het negeren van het volgende valt het Start/Stop-systeem mogelijk tijdelijk uit na aansluiting van een externe startaccu of acculader: Als de startaccu dermate ontladen is dat alles ‘zwart’ is en alle elektrische standaardsystemen van de auto’s nagenoeg uitgeschakeld zijn en u de motor vervolgens start met een externe accu of acculader, zal het Start/Stop-systeem actief zijn.
10 Onderhoud en service Koude zone motorruimte (alleen Start/ Stop) WAARSCHUWING Gebruik nooit een vreemd voorwerp of een zekering met meer ampère dan gespecificeerd om een zekering te vervangen. Dit kan aanzienlijke schade aan het elektrische systeem veroorzaken en mogelijk tot brand leiden. Positie van relais- en zekeringhouders Gerelateerde informatie • • • • • Zekeringen - in motorruimte (p. 360) Zekeringen - onder dashboardkastje (p. 364) 10 Zekeringen - in regeleenheid onder dashboardkastje (p.
10 Onderhoud en service Zekeringen - in motorruimte De zekeringen in de motorruimte beschermen o.a. de motor- en remfuncties.
10 Onderhoud en service Algemene informatie over de zekeringen in de motorruimte Aan de binnenkant van het deksel zit een speciale trekker waarmee u de zekeringen gemakkelijker kunt verwijderen en aanbrengen. Posities (zie voorgaande afbeelding) Motorruimte bovenin Motorruimte voorin Motorruimte onderin Deze zekeringen zitten allemaal in het zekeringenkastje in de motorruimte. De zekeringen in (C) zitten onder (A).
10 Onderhoud en service || 10 362 Functie A Functie A Functie A – – 10 – Relais sproeiers 5 20 Verstralers* 20 Motorregeleenheid (4-cil. 2.0 lB); Bobines (5-, 6-cil. benzine); Condenser (6-cil.) Claxon 15 10 Relaisspoel in hoofdrelais voor motormanagementsysteem; Motorregeleenheid (4-cil. 2.0 lB, 5-, 6-cil.) 10 Motorregeleenheid (benzine behalve 4-cil. 2.0 lC) Magneetkoppeling A/C (5- en 6-cil.); Kleppen (1.6 l, motor B4204T7; 5-cil., 6-cil.); Motorregeleenheid (6-cil.
10 Onderhoud en service A B C Functie A Regeleenheid radiateurafdekking (5-cil. benzine) 5 Carterventilatieverwarming (5-cil. diesel); oliepomp automatische versnellingsbak (5-cil. diesel Start/Stop) 10 Magneetkoppeling A/C (4-cil. 2.0 lB); Regeleenheid gloeiregeling (4-cil. 2.0 l diesel); Oliepomp (4-cil. 2.0 l diesel) 15 Koelvloeistofpomp (4-cil. 2.0 l benzineB) 50 Gloeibougies (diesel) 70 Koelventilator (1.6 l, 4-cil. 2.0 l benzine, 5-cil. benzine) 60 Koelventilator (6-cil., 4-cil. 2.
10 Onderhoud en service Zekeringen - onder dashboardkastje 10 De zekeringen onder het dashboardkastje beschermen o.a. de infotainment- en stoelfuncties. Posities 364 Functie A Hoofdzekering voor audioregelmodule*; hoofdzekering voor de zekeringen 16–20: infotainment 40 Ruitensproeiers voor; ruitensproeiers achter 25 – – – – * Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
10 Onderhoud en service Functie A Functie A Elektrisch bedienbare bestuurdersstoel* 20 Verwarming zitplaats achterbank links* 15 Elektrisch bedienbare lendensteun (Inscription) Elektrisch bedienbare passagiersstoel* – 20 Elektrisch bedienbare lendensteun (Inscription) Stoelverwarming passagierszijde 15 Stoelverwarming bestuurderszijde 15 5 – – Park Assist*; parkeercamera*; regelmodule trekhaak * Infotainmentregeleenheid; BeeldschermA 5 BLIS* Audioregelmodule (versterker)*; digitale radi
10 Onderhoud en service Zekeringen - in regeleenheid onder dashboardkastje 10 De zekeringen in de regeleenheid onder het dashboardkastje beschermen o.a. de functies voor airbags en Collision Warning.
10 Onderhoud en service Functie A Functie A Elektrische voorruitverwarming* 15 Schuifdak* 20 Ontgrendelen achterklep 10 Startblokkering 5 Omklapbare hoofdsteunen* 10 Brandstofpomp 20 Bewegingsmelder alarm*; bedieningspaneel klimaatregeling 5 Stuurslot 15 Sirene alarmsysteem*; diagnose-aansluting OBDII 5 – – Airbags 10 Collision Warning* 5 Gaspedaalsensor; Dimfunctie achteruitkijkspiegel*; Achterbankverwarming* 10 Gerelateerde informatie • • • • Zekeringen - in motorruimte (p.
10 Onderhoud en service Zekeringen - in bagageruimte 10 De zekeringen in de bagageruimte beschermen o.a. de functies voor de aanhanger en elektrische aandrijving. Het kastje zit achter de bekleding aan de linkerzijde. Posities 368 Functie A Elektrische parkeerrem links 30 Elektrische parkeerrem rechts 30 Elektrisch verwarmde achterruit 30 Trekhaakaansluiting 2* 15 Elektrische achterklepbediening* 20 * Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
10 Onderhoud en service • Zekeringen - in regeleenheid onder dashboardkastje (p. 366) • Zekeringen - in de koude zone van de motorruimte (p.
10 Onderhoud en service Zekeringen - in de koude zone van de motorruimte 10 De zekeringen in de koude zone van de motorruimte zitten in auto's met de Start/ Stop-functie. Positie van de zekeringen voor het Start/Stop-systeem. • De zekeringen A1 en A2 zijn van het type ‘MEGA Fuse’ en mogen alleen door een werkplaats worden vervangen14. • De zekeringen 1–11 zijn van het type ‘MidiFuse’ en mogen alleen door een werkplaats worden vervangen14. • Zekeringen 12 is van het type ‘MiniFuse’.
10 Onderhoud en service Functie A Hoofdzekering voor centrale elektronicamodule (ECM) onder dashboardkastje 50 Hoofdzekering voor relais-/ zekeringhouder onder dashboardkastje 60 Hoofdzekering voor relais-/ zekeringhouder onder dashboardkastje 60 Hoofdzekering voor relais- en zekeringhouder in bagageruimte 60 Interieurventilator 40 – – – – Startrelais 30 Interne diode 50 Hulpaccu 70 Centrale elektronicamodule (CEM) - referentiespanning hulpaccu; laadpunt hulpaccu 15 Gerelateerde info
10 Onderhoud en service Wasstraat 10 Was de auto zodra deze vuil geworden is. Zorg dat de auto op een spoelvloer met olieafscheider staat. Gebruik autoshampoo. Met de hand wassen • • • • • 372 Verwijder vogelpoep zo spoedig mogelijk van de lak. Vogelpoep bevat namelijk stoffen die de lak aantasten en deze zeer snel doen verkleuren. U wordt geadviseerd een dergelijke verkleuring te laten herstellen door een erkende Volvo-werkplaats. Spoel het onderstel af.
10 Onderhoud en service Remmen testen BELANGRIJK Waxen en polijsten op kunststof en rubber is niet toegestaan. WAARSCHUWING Test de rem na het wassen altijd, ook de parkeerrem, zodat vocht en corrosie de remvoering niet aantasten en de remmen verslechteren. Bij gebruik van ontvettingsmiddel op kunststof en rubber mag u, als dat nodig is, slechts met lichte druk wrijven. Gebruik een zachte spons. Door het polijsten van glimmende strips kan de glimmende oppervlaktelaag wegslijten of beschadigd raken.
10 Onderhoud en service Water- en vuilafstotende laag 10 De ruiten zijn voorzien van een speciale laag die bij hevige regenval voor een beter zicht zorgt. Water- en vuilafstotende laag* De waterafstotende laag staat bloot aan natuurlijke slijtage. Onderhoud: • Gebruik nooit producten zoals autowas, ontvetters e.d. op het glasoppervlak, omdat de waterafstotende laag daardoor beschadigd kan raken. • Wees voorzichtig bij het schoonmaken om te voorkomen dat er krassen in het glasoppervlak ontstaan.
10 Onderhoud en service Interieur reinigen Gebruik alleen reinigingsmiddelen en autoverzorgingsproducten die door Volvo geadviseerd worden. Maak de bekleding regelmatig schoon en volg daarbij de gebruiksaanwijzingen bij het autoverzorgingsproduct op. Het is belangrijk te stofzuigen voordat u een reinigingsmiddel gebruikt. Matten en bagageruimte Haal de inlegmatten uit de auto om de vloerbekleding en de inlegmatten ieder apart schoon te kunnen maken. Gebruik een stofzuiger om vuil en stof te verwijderen.
10 Onderhoud en service || Beschermende laag aanbrengen op leren bekleding 10 1. Breng wat van de beschermende crème op de vilten doek aan en wrijf de crème in cirkelende bewegingen voorzichtig in het leer. Lakschade 1. Dezelfde procedure als voor groep 1. De lak vormt een belangrijk onderdeel van de roestwering van de auto en moet daarom regelmatig worden gecontroleerd.
10 Onderhoud en service • grondlak (primer)15 - voor met kunststof beklede bumpers e.d. zijn er spuitbussen met speciale hechtprimer verkrijgbaar • basislak en heldere lak - verkrijgbaar in spuitbussen en als bijwerkpennen/-stiften16 • • Geringe lakschade herstellen zoals steenslagschade en krasjes 1. Plak een stuk afplaktape over het beschadigde gebied heen. Trek de tape weer van de lak af om eventuele lakresten te verwijderen. afplaktape fijn schuurlinnen15.
10 Onderhoud en service || N.B. Als de steenslag niet tot het metalen oppervlak (blanke plaat) is doorgedrongen en er nog steeds een intacte laklaag aanwezig is, moet u de basislak en heldere lak direct aanbrengen nadat u het oppervlak hebt gereinigd. 10 Gerelateerde informatie • 378 Roestwering (p.
SPECIFICATIES
11 Specificaties Type-aanduidingen Type-aanduiding, chassisnummer e.d. (voertuigspecifieke informatie) staan aangegeven op een sticker in de auto.
11 Specificaties Positie van stickers en plaatjes 11 Wanneer u contact opneemt met uw erkende Volvo-werkplaats of vervangende onderdelen of accessoires wilt bestellen, kan het handig zijn om de type-aanduiding, het chassisnum- mer en het motornummer bij de hand te hebben. Type-aanduiding, chassisnummer, maximaal toelaatbaar gewicht, kleurcodes voor lak en bekleding en typegoedkeuringsnummer.
11 Specificaties || rechter achterportier is de sticker zichtbaar. Sticker voor standverwarming. Motorcode en serienummer van de motor. Sticker voor motorolie. Type-aanduiding en serienummer van de versnellingsbak. 11 Handgeschakelde versnellingsbak Automatische versnellingsbak Identificatienummer van de auto (VIN, Vehicle Identification Number) De typegoedkeuring van de auto bevat meer informatie over de auto. N.B.
11 Specificaties Maten In de tabel ziet u de maten van de auto wat de lengte, hoogte e.d. betreft. 11 Maten mm A Wielbasis 2774 B Lengte 4644 C Laadlengte, vloer, achterbank neergeklapt 1789 D Laadlengte, vloer E Hoogte F Laadhoogte G Spoorbreedte vooras 972 1713 Maten mm H Spoorbreedte achteras 1586 I Laadbreedte, vloer 1090 J Breedte 1891 K Breedte incl. buitenspiegels 2120 L Breedte incl.
11 Specificaties Gewichten Het maximale totaalgewicht staat aangegeven op een sticker in de auto. Bij het rijklaar gewicht zijn het gewicht van de bestuurder, dat van de brandstoftank die voor 90 % gevuld is en dat van de resterende oliën/vloeistoffen inbegrepen. 11 Het gewicht van de passagiers en de gemonteerde accessoires alsmede de kogeldruk (p. 385) (bij gebruik van een aanhanger) zijn van invloed op het laadvermogen en zijn niet inbegrepen bij het rijklaar gewicht.
11 Specificaties Trekgewicht en kogeldruk Max. gewicht geremde aanhanger Het trekgewicht en de kogeldruk voor het rijden met een aanhanger staan in de tabellen. N.B. Voor aanhangers/caravans zwaarder dan 1800 kg wordt een trillingsdemper op de trekhaak geadviseerd. Motor MotorcodeA Versnellingsbak Max. gewicht geremde aanhanger (kg) Max.
11 Specificaties || Motor MotorcodeA Versnellingsbak Max. gewicht geremde aanhanger (kg) Max. kogeldruk (kg) D4 AWD D5244T17 Automaat, TF-80SC 2000 90 D5 AWD D5244T11 Handgeschakeld, M66 1800 90 D5 AWD D5244T15 Automaat, TF-80SC 2000 90 Motorcode, onderdeel- en serienummer van de motor vindt u op de motor, zie Type-aanduidingen (p. 380). A 11 Max. gewicht ongeremde aanhanger Max. gewicht ongeremde aanhanger (kg) 750 Gerelateerde informatie • • • 386 Gewichten (p.
11 Specificaties Motorspecificaties De motorspecificaties (vermogen enz.) voor de verschillende motoralternatieven staan in de tabel. Motor A B C MotorcodeA N.B. Niet alle motoren zijn verkrijgbaar op alle markten.
11 Specificaties || Gerelateerde informatie 11 388 • Koelvloeistof - kwaliteit en hoeveelheid (p. 392) • Motorolie - kwaliteit en hoeveelheid (p.
11 Specificaties Motorolie - ongunstige rijomstandigheden BELANGRIJK Om aan de vereisten voor de gespecificeerde service-intervallen te voldoen worden alle motoren in de fabriek gevuld met een speciaal aangepaste, synthetische motorolie. De oliesoort werd met grote zorg geselecteerd lettend op de levensduur van de motor, de startgewilligheid, het brandstofverbruik en de milieu-impact. In ongunstige rijomstandigheden kunnen de olietemperatuur en het olieverbruik abnormaal toenemen.
11 Specificaties Motorolie - kwaliteit en hoeveelheid De motoroliekwaliteit en de te hanteren hoeveelheden voor de verschillende motoralternatieven staan in de tabel. Volvo beveelt aan: 11 Motor MotorcodeA Oliekwaliteit Hoeveelheid, incl. oliefilter (liter) B6304T4 Oliekwaliteit: ACEA A5/B5 ca. 6,8 3.2 AWD B6324S5 Viscositeit: SAE 0W–30 ca. 6,8 D3 D5204T7 ca. 5,9 D4 AWD D5244T12 ca. 5,9 D4 AWD D5244T17 ca. 5,9 D5 AWD D5244T11B ca. 5,9 D5 AWD D5244T15C ca.
11 Specificaties Motor MotorcodeA Oliekwaliteit Hoeveelheid, incl. oliefilter (liter) T5 B4204T11 Castrol Edge Professional V 0W-20 of 0w20 VCC RBS0-2AE ca. 5,4 T5 B4204T15 ca. 5,4 T6 B4204T9 ca. 5,4 D4 D4204T5 ca. 5,6 11 Oliekwaliteit: ACEA A5/B5 T5 B4204T7 Viscositeit: SAE 5W–30 ca. 5,4 Bij ritten onder ongunstige omstandigheden ACEA A5/B5 SAE 0W–30 gebruiken. A B C Motorcode, onderdeel- en serienummer van de motor vindt u op de motor, zie Type-aanduidingen (p. 380).
11 Specificaties 11 Koelvloeistof - kwaliteit en hoeveelheid MotorA In de tabel ziet u de aan te houden hoeveelheid koelvloeistof voor de verschillende motortypes. T5 B4204T11 Voorgeschreven kwaliteit: Door Volvo aanbevolen koelvloeistof aangelengd met 50 % water2, zie verpakking. T5 B4204T15 T6 B4204T9 T5 B4204T7 MotorA 2 392 3.
11 Specificaties Transmissieolie - kwaliteit en hoeveelheid De voorgeschreven transmissieolie en de hoeveelheid voor de verschillende versnellingsbakopties staan in de tabel. Handgeschakelde versnellingsbak Handgeschakelde versnellingsbak M66 A Hoeveelheid (liter) ca. 1,9 (ca. 1,45A) Voorgeschreven versnellingsbakolie BOT 350M3 11 Geldt voor motortype D4204T5. N.B. Onder normale rijomstandigheden hoeft de versnellingsbakolie niet te worden ververst zolang de versnellingsbak meegaat.
11 Specificaties || N.B. Onder normale rijomstandigheden hoeft de versnellingsbakolie niet te worden ververst zolang de versnellingsbak meegaat. Onder ongunstige rijomstandigheden moet de olie mogelijk wel worden ververst. 11 394 Gerelateerde informatie • Motorolie - ongunstige rijomstandigheden (p. 389) • Type-aanduidingen (p.
11 Specificaties Remvloeistof - kwaliteit en hoeveelheid Stuurbekrachtigingsvloeistof kwaliteit Sproeiervloeistof - kwaliteit en hoeveelheid Remvloeistof is de naam van het middel in een hydraulisch remsysteem, dat wordt gebruikt om kracht over te brengen vanuit bijvoorbeeld een rempedaal via een hoofdremcilinder naar een of meerdere hulpcilinders die op hun beurt een mechanische rem beïnvloeden.
11 Specificaties Brandstoftank - inhoud De inhoud van de brandstof voor de verschillende motoralternatieven staat in de tabel. Motor 11 Voorgeschreven kwaliteit Benzinemotor ca. 70 Benzine: Brandstof - benzine (p. 293) Dieselmotor ca. 70 Dieselolie: Brandstof - diesel (p. 294) Gerelateerde informatie • • 396 Hoeveelheid (liter) Brandstof tanken (p. 292) Motorspecificaties (p.
11 Specificaties Brandstofverbruik en CO2-uitstoot stadsverkeer Het brandstofverbruik voor een auto wordt gemeten in liter per 100 km en de CO2-uitstoot in gram per km. snelwegrit Uitleg combinatierit gram/km 11 liter/100 km XC60 T5 (B4204T11) – – – – – – T6 (B4204T9) – – – – – – T6 AWD (B6304T4) 354 15,2 188 8,1 249 10,7 3.
11 Specificaties || XC60 11 398 D4 (D4204T5) – – – – – – D4 (D4204T5) – – – – – – D4 AWD (D5244T12) 158 6,0 128 4,9 139 5,3 D4 AWD (D5244T12) 222 8,5 139 5,3 169 6,4 D4 AWD (D5244T17) 158 6,0 128 4,9 139 5,3 D4 AWD (D5244T17) 222 8,5 139 5,3 169 6,4 D5 AWD (D5244T11) 158 6,0 128 4,9 139 5,3 D5 AWD (D5244T15) 222 8,5 139 5,3 169 6,4
11 Specificaties N.B. Als de gegevens over brandstofverbruik en emissie ontbreken, staan deze in het bijgeleverde supplement. De brandstofverbruiks- en emissiewaarden in de bovenstaande tabel zijn gebaseerd op speciale EU-rijcycli3, die gelden voor een auto met rijklaar gewicht in standaarduitvoering zonder extra uitrusting. Afhankelijk van de uitrusting neemt het autogewicht toe. Dit alsook de mate van belading van de auto zorgt voor een verhoging van het brandstofverbruik en de uitstoot van kooldioxide.
11 Specificaties Banden - goedgekeurde bandenspanning De goedgekeurde bandenspanningen voor de verschillende motoralternatieven staan in de tabel. XC60 11 Bandenmaat Motor Snelheid (km/h) 235/65 R 17 Alle motoren N.B. Alle motoren, banden of combinaties daarvan zijn niet altijd beschikbaar op alle markten. Belading (1–3 inzittenden) Max.
11 Specificaties Elektrisch systeem Het elektrische systeem is enkelpolig en gebruikt het chassis en het motorblok als geleiders. Op de auto zit een wisselstroomdynamo met spanningsregelaar. De startaccucapaciteit is afhankelijk van de uitrusting op de auto. 11 BELANGRIJK Als de startaccu wordt vervangen, moet u erop letten dat u een accu met hetzelfde koudestartvermogen en dezelfde reservecapaciteit gebruikt als de originele accu (zie de sticker op de accu).
11 Specificaties Startaccu - specificatie De startaccu wordt gebruikt om de startmotor en andere elektrische uitrusting in de auto aan te drijven. Motor 11 Koudestartvermogen, Reservecapaciteit CCA, Cold Cranking Amperes (A) (minuten) Benzine (ethanol) 12 520–800 100–160 Dieselolie 12 700–800 135–160 Benzine/Diesel met Start/Stop-systeem 12 760A 135 A Voor auto’s met Start/Stop-systeem dient een accu type AGM (Absorbed Glass Mat) te worden gebruikt.
11 Specificaties Typegoedkeuring transpondersleutelsysteem De typegoedkeuring voor het transpondersleutelsysteem staat in de tabel. Land/regio China Land/ regio Vergrendelingssysteem standaard Land/regio EU, China Typegoedkeuring - radarsysteem De typegoedkeuring voor het radarsysteem staat in de tabel. Hongkong Singapore 11 IDA: Infocomm Development Authority of Singapore.
11 Specificaties || Gerelateerde informatie • 11 404 Radarsensor (p.
11 Specificaties Typegoedkeuring - Bluetooth® De typegoedkeuring voor Bluetooth® staat in de tabel.
11 Specificaties || Verklaring van overeenstemming (Declaration of Conformity) Land/ regio Landen binnen de EU: Exportland: Japan 11 Producent: Alpine Electronics Inc. Type uitrusting: Bluetooth®-eenheid Breng voor meer informatie een bezoek aan http://ec.europa.eu/enterprise/rtte/faq.
11 Specificaties Land/ regio Tsjechië: Alpine Electronics, Inc. tímto prohlašuje, že tento Bluetooth® Module je ve shodě se základními požadavky a dalšími příslušnými ustanoveními směrnice 1999/5/ES. Denemarken: Undertegnede Alpine Electronics, Inc. erklærer herved, at følgende udstyr Bluetooth® Module overholder de væsentlige krav og øvrige relevante krav i direktiv 1999/5/EF. Duitsland: Hiermit erklärt Alpine Electronics, Inc.
11 Specificaties || Land/ regio 11 408 Nederland: Hierbij verklaart Alpine Electronics, Inc. dat het toestel Bluetooth® Module in overeenstemming is met de essentiële eisen en de andere relevante bepalingen van richtlijn 1999/5/EG. Malta: Hawnhekk, Alpine Electronics, Inc., jiddikjara li dan Bluetooth® Module jikkonforma mal-ħtiġijiet essenzjali u ma provvedimenti oħrajn relevanti li hemm fid-Dirrettiva 1999/5/EC. Hongarije: Alulírott, Alpine Electronics, Inc.
11 Specificaties Land/ regio China: 第十三条 进口和生产厂商在其产品的说明书或使用手册中,应刊印下述有关内容 1. 标明附件中所规定的技术指标和使用范围,说明所有控制 ■ 使用频率 调整及开关等使用方法 2.4 - 2.4835 GHz ■ 等效全向辐射 率(EIRP) 天线增益 10dBi 时 ≤100 mW 或≤20 dBm ① 11 ■ 最大 率谱密度 ■ 载频容限 10dBi 时 ≤20 dBm / MHz(EIRP) ① 20 ppm ■ 杂散发射(辐射) • • • • • 天线增益 率(对应载波±2.5 倍信道带宽以外) ≤-36 dBm / 100 kHz (30 - 1000 MHz) ≤-33 dBm / 100 kHz (2.4 - 2.4835 GHz) ≤-40 dBm / 1 MHz (3.4 - 3.53 GHz) ≤-40 dBm / 1 MHz (5.725 - 5.85 GHz) ≤-30 dBm / 1 MHz (其它 1 - 12.75 GHz) 2.
11 Specificaties || Land/ regio Taiwan: 低効率電波輻射性電機管理辧法第十条 第十二條 經型式認證合格之低功率射頻電機,非經許可,公司 商號或使用者均不得擅自 變更頻率 加大功率或變更原設計之特性及功能 第十四條 11 410 低功率射頻電機之使用不得影響飛航安全及干擾合法通信;經發現有干擾現象時, 應立即停用,並改善至無干擾時方得繼續使用 前項合法通信,指依電信法規定 作業之無線電通信 低功率射頻電機須忍受合法通信或工業 科學及醫療用電波 輻射性電機設備之 干擾
11 Specificaties Land/ regio Zuid-Korea: 제품 정보 Volvo Car Korea 신청자 코드: KCC-CMM-N25-IAM21L3, KCC-CMM-N25-IAM21L2 and KCC-CMM-N25-IAM21L1 제품 명: Bluetooth Audio Navigation Radio 모델 명: IAM2.1 11 산 날짜: March/2010 Alpine Electronics, Inc Made in Japan 고객 정보 Volvo Car Korea 볼보자동차코리아 서울시 용산구 한남 2 동 726-173 볼보빌딩 4 층 볼보자동차 고객센터 1588-1777 http://www.volvocars.
11 Specificaties || Land/ regio Verenigde Arabische Emiraten: 11 Zuid-Afrika: Jamaica: Approved for use in Jamaica SMA EI: IAM2.1 Thailand: This telecommunication equipment conforms to NTC technical requirement.
11 Specificaties Licenties Sensus software This software uses parts of sources from clib2 and Prex Embedded Real-time OS Source (Copyright (c) 1982, 1986, 1991, 1993, 1994), and Quercus Robusta (Copyright (c) 1990, 1993), The Regents of the University of California. All or some portions are derived from material licensed to the University of California by American Telephone and Telegraph Co. or Unix System Laboratories, Inc. and are reproduced herein with the permission of UNIX System Laboratories, Inc.
11 Specificaties || This software is based in parts on the work of the FreeType Team. This software uses parts of SSLeay Library: Copyright (C) 1995-1998 Eric Young (eay@cryptsoft.com).
11 Specificaties registered trademarks of DivX, Inc. and are used under license. ABOUT DIVX VIDEO: DivX® is a digital video format created by DivX, Inc. This is an official DivX Certified device that plays DivX video. Visit www.divx.com for more information and software tools to convert your files into DivX video. ABOUT DIVX VIDEO-ON-DEMAND: This DivX Certified® device must be registered in order to play DivX Video-on-Demand (VOD) content.
11 Specificaties 11 || VERKOOPBAARHEID, GESCHIKTHEID VOOR EEN BEPAALD DOEL, EIGENDOMSRECHT EN HET GEEN INBREUK MAKEN OP RECHTEN VAN DERDEN, VAN DE HAND. GRACENOTE VERSTREKT GEEN GARANTIES TEN AANZIEN VAN DE RESULTATEN DIE WORDEN VERKREGEN VOOR UW GEBRUIK VAN GRACENOTE-SOFTWARE OF WELKE GRACENOTE-SERVER DAN OOK. GRACENOTE IS IN GEEN GEVAL AANSPRAKELIJK VOOR INDIRECTE OF GEVOLGSCHADE, GEDERFDE WINST OF VERLIES VAN INKOMSTEN. © Gracenote, Inc. 2009 Gerelateerde informatie • Volvo Sensus (p.
11 Specificaties Symbool Betekenis Zie Mistachterlicht aan Stabiliteitsregeling, DSTC, Afdalingsremregeling, Trailer Stability Assist Symbool Betekenis Zie (p. 66), (p. 88) ECO-functie* aan (p. 66), (p. 278) (p. 66), (p. 280), (p. 183), (p. 305) Niet in gebruik – Informatiesymbolen op instrumentenpaneel Symbool Betekenis Zie Auto Brake*; afstandswaarschuwing* (Distance Alert); City SafetyTM; Collision Warning* (p. 206), (p. 213), (p. 224) ABL* (p. 87) Betekenis Zie Cruisecontrol* (p.
11 Specificaties || Symbool 11 418 Betekenis Zie Start/Stop* (p. 276) Driver Alert System*, Rijbaanassistent (LDW) (p. 228), (p. 233) Driver Alert System*; Lane Departure Warning* (p. 231) Driver Alert System*; Lane Departure Warning* (p. 233) Geregistreerde snelheidsinformatie* (p. 184) Motor- en interieurverwarming* (p. 136) Geactiveerde timer* (p. 136) Geactiveerde timer* (p. 136) * Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
11 Specificaties 11 419
12 Alfabetisch register Actieve xenonkoplampen.......................... 87 A Aanbevolen kinderzitjes tabel...................................................... 40 Aanhanger............................................... kabel................................................... pendelbeweging................................. rijden met een aanhanger................... 298 298 305 298 Aanrijding................................................... 37 aanzuiging, uitlaatgassen, giftig..............
12 Alfabetisch register B Bagageafdekking..................................... 153 Bagagenet............................................... 152 Bagageruimte bagageafdekking................................ 153 bagagenet........................................... 149 bevestigingspunten............................ 147 Verlichting............................................. 91 Banden band afdichten.................................... 323 draairichting........................................ 311 onderhoud......
12 Alfabetisch register D Dagrijlicht................................................... 83 Dagteller op nul stellen............ 111, 115, 116 Dagtellers................................................... 70 Dakbelasting, max. gewicht..................... 384 Dashboardkastje...................................... 144 vergrendelen....................................... 170 Diesel brandstofgebrek................................. 294 12 Dieselolie.................................................
12 Alfabetisch register Gloeilampen, zie Verlichting.................... 344 I K IAQS - Interior Air Quality System........... 122 In de was zetten....................................... 373 Katalysator............................................... 295 Bergen................................................ 307 Informatiedisplay................................. 61, 62 Keuzehendelblokkering........................... 268 Informatietoets, PCC............................... 159 Keyless drive...........
12 Alfabetisch register Kleurcode, lak.......................................... 377 L M 119 127 123 120 128 120 Laag oliepeil............................................. 335 Make-upspiegel................................. 91, 144 Lading vervoeren algemene informatie........................... bagageruimte...................................... lading op het dak................................ lange lading........................................ Maten..................................................
12 Alfabetisch register Motor oververhitting...................................... Start/Stop........................................... starten................................................. uitschakelen........................................ 298 269 254 256 Motor afzetten......................................... 256 Motor- en interieurverwarming meldingen........................................... 136 meteen in-/uitschakelen..................... 134 timer..............................................
12 Alfabetisch register PCC, Personal Car Communicator Actieradius.................................. 160, 164 functies............................................... 157 Peilstok, elektronisch....................... 337, 338 Relais- en zekeringenkastje, zie Zekeringen........................................................... 358 Poetsen.................................................... 373 Rem- en koppelingsvloeistof................... 341 Positie buitenspiegels herstellen...............
12 Alfabetisch register S Slot kinder-.................................................. 39 Safelock-functie....................................... 174 deactiveren......................................... 174 tijdelijk deactiveren............................. 174 Snelheidsklassen, banden....................... 317 Safety mode.............................................. 37 auto verrijden........................................ 38 startpoging...........................................
12 Alfabetisch register Stuurpaddle............................................... 79 Stuurslotfout............................................ 256 Stuurwiel.................................................... elektrische verwarming......................... paddle................................................... Stuur afstellen....................................... Toetsenset............................................ 79 80 79 79 79 Stuurwiel afstellen......................................
12 Alfabetisch register omdoen................................................. 24 zwangerschap...................................... 24 Veiligheidsrek........................................... 152 Velg, maten.............................................. 315 Velgen Reinigen.............................................. 373 Ventilatie.................................................. 123 Ventilator ECC.................................................... 127 Vergrendelen/ontgrendelen achterklep.............
12 Alfabetisch register Waarschuwingslampjes airbags (SRS)........................................ 68 dynamo laadt niet bij............................ 68 gordelwaarschuwing...................... 25, 68 Lage oliedruk........................................ 68 parkeerrem ingeschakeld..................... 68 storing in remsysteem.......................... 68 Waarschuwing...................................... 68 Waarschuwingssymbolen.............. 62, 64, 68 Warmtereflecterende voorruit....................
Volvo Car Corporation TP 16702 (Dutch), AT 1346, Printed in Sweden, Göteborg 2013, Copyright © 2000-2013 Volvo Car Corporation