VOLVO XC60 INSTRUCTIEBOEKJE Web Edition
BESTE VOLVO-BEZITTER, DANK U DAT U GEKOZEN HEBT VOOR VOLVO! Wij hopen dat u jarenlang rijplezier van uw Volvo zult hebben. Bij het ontwerp hebben veiligheid en comfort van u en uw passagiers vooropgestaan. Een Volvo is een van de veiligste auto’s ter wereld. Uw Volvo is ook ontworpen om aan alle geldende veiligheidsvoorschriften en milieueisen te voldoen.
Inhoud 00 01 02 4 00 Inleiding 01 Veiligheid Belangrijke informatie................................. 8 Volvo en het milieu.................................... 13 Veiligheidsgordels .................................... Airbags...................................................... Airbag activeren/deactiveren*................... SIPS-airbags (zij-airbags) ........................ Opblaasgordijnen (IC-systeem) ............... WHIPS ......................................................
Inhoud 03 04 05 03 Bestuurdersmilieu 04 Comfort en rijplezier Instrumenten, schakelaars en bediening. . 70 Sleutelstanden.......................................... 79 Stoelen en achterbank.............................. 81 Stuurwiel................................................... 86 Verlichting................................................. 87 Wissers en -sproeiers............................... 97 Ruiten en spiegels................................... 100 Kompas*.....................................
Inhoud 06 07 08 06 Tijdens het rijden Rijadviezen.............................................. Tanken.................................................... Brandstof................................................ Lading vervoeren.................................... Bagageruimte.......................................... Rijden met een aanhanger...................... Slepen en bergen....................................
Inhoud 09 10 09 Specificaties Type-aanduidingen................................. Maten en gewichten................................ Motorspecificaties................................... Motorolie................................................. Vloeistoffen en smeermiddelen............... Brandstof................................................ Wielen en banden, maten en spanning .. Elektrisch systeem.................................. Typegoedkeuring.................................... Displaysymbolen..
Inleiding Belangrijke informatie Instructieboekje lezen Inleiding Een goede manier om vertrouwd te raken met uw nieuwe auto is om het instructieboekje te lezen, idealiter voordat u uw eerste rit maakt. Zo maakt u kennis met nieuwe functies, krijgt u tips hoe u het beste in verschillende situaties met de auto kunt omgaan en leert u hoe u optimaal gebruik kunt maken van alle mogelijkheden die uw auto biedt. Besteed ook aandacht aan de veiligheidsinstructies in het boekje.
Inleiding Belangrijke informatie G031590 Zwarte ISO-symbolen in een oranje waarschuwingsveld, witte tekst/afbeelding in een zwart tekstveld. Worden gebruikt om te attenderen op een risico dat, bij het negeren van de waarschuwing, kan resulteren in ernstig letsel met mogelijk dodelijke afloop. Informatie Witte ISO-symbolen en een witte tekst/afbeelding in een zwart of blauw waarschuwings- en tekstveld.
Inleiding Belangrijke informatie Procedurelijsten Opsommingslijsten Accessoires en extra uitrusting Procedures met handelingen die in een bepaalde volgorde moeten worden uitgevoerd, staan genummerd in het instructieboekje. Bij opsommingen in het instructieboekje wordt gebruik gemaakt van een opsommingslijst. Wanneer er een reeks afbeeldingen bij een stapsgewijze instructie bestaat, zijn de verschillende stappen van de instructie op dezelfde manier genummerd als de bijbehorende afbeeldingen.
Inleiding Belangrijke informatie Maximale pulsenergie WAARSCHUWING 2,64 μJ Maximaal gem. vermogen 45 mW Als u de instructies in dit boekje niet opvolgt, is het gevaar voor oogletsel groot! Pulsduur 33 ns • Divergentie (horizontaal × verticaal) 28° × 12° Kijk nooit van een afstand van 100 mm of minder in de lasersensor (waaruit uiteenlopende, onzichtbare laserstralen komen) met vergrotende optiek zoals een vergrootglas, microscoop, objectief of soortgelijke optische instrumenten.
Inleiding Belangrijke informatie • Koppel de connector van de lasersensor los voordat u deze van de voorruit demonteert. • Zorg dat de lasersensor op de voorruit gemonteerd is alvorens de connector aan te sluiten. • De lasersensor zendt laserlicht uit wanneer de transpondersleutel in stand II staat, ook al is de motor afgezet (zie pagina 79 voor de sleutelstanden). Voor meer informatie over de lasersensor, zie pagina 180. Informatie op internet Op www.volvocars.
Inleiding Volvo en het milieu G000000 Milieubeleid van Volvo Car Corporation Zorg voor het milieu is een van de kernwaarden van Volvo Car Corporation die van invloed zijn op alle activiteiten. We zijn ervan overtuigd dat onze klanten onze zorg voor het milieu delen. Uw Volvo voldoet aan strenge internationale milieueisen en is bovendien geproduceerd in een fabriek die zeer schoon is en efficiënt met hulpbronnen omgaat.
Inleiding Volvo en het milieu Het systeem bestaat uit een elektronische sensor en een koolstoffilter. De binnenkomende lucht wordt continu gecontroleerd en als het gehalte aan bepaalde schadelijke gassen zoals koolmonoxide te hoog oploopt, wordt de luchtinlaat gesloten. Iets dergelijks kan zich voordoen in bijvoorbeeld druk verkeer, files of tunnels. Het koolstoffilter zorgt ervoor dat stikstofoxiden, laaghangend ozon en koolwaterstoffen niet binnendringen.
Inleiding Volvo en het milieu wordt daarom verzocht contact op te nemen met een dealer voor de locatie van een gecertificeerd/erkend recyclingsbedrijf. Milieu-aspecten van het instructieboekje Het FSC-symbool geeft aan dat de papiervezels waarvan deze publicatie gemaakt is afkomstig zijn uit FSC-gecertificeerde bossen of andere gecontroleerde bronnen.
Veiligheidsgordels .................................................................................. Airbags.................................................................................................... Airbag activeren/deactiveren*................................................................. SIPS-airbags (zij-airbags) ....................................................................... Opblaasgordijnen (IC-systeem) ............................................................. WHIPS ..........
VEILIGHEID
01 Veiligheid Veiligheidsgordels 01 Algemene informatie Op de achterbank passen de borglippen van de veiligheidsgordel alleen in de bijbehorende sluitingen1. Veiligheidsgordel losmaken Druk op de rode knop van de gordelsluiting en laat het oprolmechanisme de gordel naar binnen trekken. Als de gordel niet volledig wordt opgerold, moet u de gordel handmatig zo ver terugrollen dat deze niet langer slap hangt.
01 Veiligheid Veiligheidsgordels Veiligheidsgordel en zwangerschap onder controle hebben (wat inhoudt dat ze met gemak bij het stuur en de pedalen moeten kunnen komen). Streef ernaar de afstand tussen de buik en het stuur zo groot mogelijk te maken. Breng nooit zelf wijzigingen aan de veiligheidsgordels aan en probeer ze nooit zelf te repareren. Volvo adviseert u daarvoor contact op te nemen met een erkende Volvowerkplaats.
01 Veiligheid 01 Veiligheidsgordels Achterbank Bepaalde markten De functie van de gordelwaarschuwing voor de achterbank is tweeledig: Er gaat een waarschuwingslampje branden en er worden geluidssignalen afgegeven wanneer de bestuurder en een eventuele voorpassagier de gordel niet dragen. Op lage snelheden klinkt de eerste 6 seconden lang een geluidssignaal. • Aangeven welke veiligheidsgordels van de achterbank er worden gebruikt.
01 Veiligheid Airbags Het waarschuwingssymbool op het instrumentenpaneel gaat branden, wanneer u de transpondersleutel in sleutelstand II of III zet. Het symbool dooft na ca. 6 seconden, wanneer de regelmodule heeft vastgesteld dat het airbagsysteem geen storingen vertoont. WAARSCHUWING Airbagsysteem Behalve het brandende waarschuwingssymbool verschijnt er, in die gevallen waarin dat nodig is, een melding op het informatiedisplay.
01 Veiligheid 01 Airbags bags worden opgeblazen. Daarbij worden de airbags warm. Om de klap op te vangen loopt de airbag leeg wanneer de inzittende de airbag raakt. Daarbij treedt er rookvorming in de auto op. Dit is volkomen normaal. Het totale verloop, van het opblazen tot het leeglopen van de airbag, neemt enkele tienden van een seconde in beslag. WAARSCHUWING Volvo adviseert u voor reparatie contact op te nemen met een erkende Volvo-werkplaats.
01 Veiligheid Airbags Airbag aan de passagierszijde Uw auto heeft behalve de veiligheidsgordel aan de passagierszijde ook een airbag in het stuurwiel. Deze zit opgevouwen in een ruimte boven het dashboardkastje. Het paneel is voorzien van het opschrift AIRBAG. WAARSCHUWING Om de kans op letsel bij het opblazen van de airbags te beperken, moeten de passagiers zo rechtop mogelijk zitten met hun voeten op de vloer en hun rug tegen de rugleuning. De veiligheidsgordel moet goed vastzitten.
01 Veiligheid Airbag activeren/deactiveren* PACOS deactiveren met sleutel* Algemene informatie De passagiersairbag (SRS) voorin kan gedeactiveerd worden met een schakelaar als de auto is uitgerust met PACOS (Passenger Airbag Cut Off Switch). Zie de tekst onder het kopje Activeren/deactiveren voor informatie over activering/deactivering.
01 Veiligheid Airbag activeren/deactiveren* WAARSCHUWING Geactiveerde airbag (passagiersstoel): Vervoer kinderen nooit in een kinderzitje of op een comfortkussen op de passagiersstoel als de airbag geactiveerd is. Laat evenmin personen die kleiner zijn dan 1,40 m op deze stoel plaatsnemen. Een tekstmelding en een brandend symbool op het plafondpaneel op de plafondconsole geven aan dat de airbag aan de passagierszijde gedeactiveerd is (zie voorgaande afbeelding). N.B.
01 Veiligheid SIPS-airbags (zij-airbags) WAARSCHUWING Volvo adviseert u reparatiewerk over te laten aan een erkende Volvo-werkplaats. Verkeerde ingrepen in het SIPSairbagsysteem kunnen aanleiding geven tot storingen in de werking met mogelijk ernstig lichamelijk letsel tot gevolg. • Plaats geen voorwerpen tussen de stoelen en de portierpanelen, omdat dit gebied binnen de actieradius van de SIPS-airbag ligt. • Volvo adviseert u alleen stoelhoezen te gebruiken die door Volvo zijn goedgekeurd.
01 Veiligheid SIPS-airbags (zij-airbags) 01 ding reageren de sensoren, die op hun beurt de gasgeneratoren activeren. De SIPS-airbags worden vervolgens opgeblazen tussen de inzittende en het portierpaneel. Daarmee vangen de SIPS-airbags de klap van de aanrijding op voor de inzittende, waarna de airbags weer leeglopen. De SIPS-airbag wordt normaal gesproken alleen opgeblazen aan de kant van de aanrijding.
01 Veiligheid 01 Opblaasgordijnen (IC-systeem) Eigenschappen WAARSCHUWING Hang of bevestig nooit zware voorwerpen aan de plafondhandgrepen. De haak is alleen bedoeld voor niet al te zware kledingstukken (en niet voor harde voorwerpen zoals paraplu’s). Schroef of bevestig geen onderdelen op de plafondbekleding, portierstijlen of de zijpanelen van de auto. Ze kunnen daarbij hun beschermende werking verliezen.
01 Veiligheid WHIPS Bescherming tegen whiplash-letsel, WHIPS Het WHIPS-systeem (Whiplash Protection System) bestaat uit energieabsorberende rugleuningen en speciaal voor het systeem ontwikkelde hoofdsteunen voor de beide voorstoelen. Het systeem wordt geactiveerd bij een aanrijding van achteren, afhankelijk van de hoek waaronder en de snelheid waarmee het achteropkomende voertuig de auto raakt en de materiaaleigenschappen van dat voertuig.
01 Veiligheid 01 WHIPS WAARSCHUWING Plaats geen koffer of iets dergelijks tussen het zitgedeelte van de achterbank en de rugleuning van de voorstoelen. Let erop dat u de werking van het WHIPS-systeem niet beïnvloedt. WAARSCHUWING Als de stoel heeft blootgestaan aan grote krachten zoals bij een aanrijding van achteren, moet u het WHIPS-systeem laten controleren. Volvo adviseert u het te laten controleren door een erkende Volvo-werkplaats.
01 Veiligheid Roll-Over Protection System (ROPS) 01 Functie Het Roll-Over Protection System (ROPS) van Volvo is ontwikkeld om het gevaar te beperken dat de auto over de kop slaat en maximale bescherming te bieden als een ongeluk onvermijdelijk blijkt. Het systeem bestaat uit een stabilisatiesysteem, het Roll Stability Control (RSC) dat het gevaar beperkt dat de auto kantelt en over de kop slaat wanneer u bijvoorbeeld krachtig afremt of in de slip raakt.
01 Veiligheid Activering van de veiligheidssystemen 01 Activering van de veiligheidssystemen Systeem Activering Gordelspanners voorstoelen Bij een frontale botsing en/of aanrijding in de zij, van achteren en/of kantelen Gordelspanners achterbank A Bij een frontale botsing en/of aanrijding in de zij en/of kantelen Airbags (SRS) Bij een frontale botsing.
01 Veiligheid Safety mode Rijden na een aanrijding Als alles normaal lijkt en u hebt vastgesteld dat er geen brandstof lekt, kunt u proberen de motor te starten. Neem de transpondersleutel uit en open het bestuurdersportier. Als er vervolgens een melding verschijnt dat het contact ingeschakeld is, dient u op de startknop te drukken. Sluit het portier vervolgens en plaats de transpondersleutel terug. De elektronica van de auto probeert nu te resetten naar de normale stand.
01 Veiligheid Kinderen en veiligheid 01 Kinderen moeten comfortabel en veilig kunnen zitten Volvo adviseert u kinderen zo lang mogelijk te vervoeren in een achterstevoren gemonteerd kinderzitje (in ieder geval tot een leeftijd van 3– 4 jaar) en daarna tot een leeftijd van 10 jaar op/ in een comfortkussen of een kinderzitje dat in de rijrichting geplaatst is.
01 Veiligheid Kinderen en veiligheid blazen, kan een kind op de passagiersstoel ernstig letsel oplopen. WAARSCHUWING Zet nooit een kind in een kinderzitje op de passagiersstoel als de airbag (SRS) is geactiveerd. Personen kleiner dan 1,40 m mogen nooit op de passagiersstoel voorin plaatsnemen, als de airbag (SRS) geactiveerd is. WAARSCHUWING 01 Sticker airbag Gebruik geen kinderzitjes met stalen beugels of andere constructies die tegen de ontgrendelingsknop van de gordelsluiting kunnen aankomen.
01 Veiligheid Kinderen en veiligheid 01 Aanbevolen kinderzitjes2 Gewicht Voorstoel (met gedeactiveerde airbag) Buitenste zitplaats achterbank Groep 0 Volvo-babyzitje (Volvo Infant Seat) achterstevoren gemonteerd kinderzitje bevestigd met ISOFIX-systeem. Volvo-babyzitje (Volvo Infant Seat) achterstevoren gemonteerd kinderzitje bevestigd met ISOFIX-systeem. Groep 0+ Typegoedkeuring E5 04301146. Typegoedkeuring: E5 03301146. max.
01 Veiligheid Kinderen en veiligheid Gewicht Voorstoel (met gedeactiveerde airbag) Buitenste zitplaats achterbank Groep 1 Achterstevoren gemonteerd/omkeerbaar Volvo-kinderzitje (Volvo Convertible Child Seat) – achterstevoren gemonteerd kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel en bevestigingsband. Achterstevoren gemonteerd/omkeerbaar Volvo-kinderzitje (Volvo Convertible Child Seat) – achterstevoren gemonteerd kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel en bevestigingsband. Typegoedkeuring: E5 04192.
01 Veiligheid 01 Kinderen en veiligheid Gewicht Voorstoel (met gedeactiveerde airbag) Buitenste zitplaats achterbank Middelste zitplaats achterbank Groep 2 Achterstevoren gemonteerd/omkeerbaar Volvo-kinderzitje (Volvo Convertible Child Seat) – achterstevoren gemonteerd kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel en bevestigingsband Achterstevoren gemonteerd/omkeerbaar Volvo-kinderzitje (Volvo Convertible Child Seat) – achterstevoren gemonteerd kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel en bevestigin
01 Veiligheid Kinderen en veiligheid Gewicht Voorstoel (met gedeactiveerde airbag) Buitenste zitplaats achterbank Middelste zitplaats achterbank Groep 2/3 Volvo-comfortkussen met rugleuning (Volvo Booster Seat with backrest). Volvo-comfortkussen met rugleuning (Volvo Booster Seat with backrest). Volvo-comfortkussen met rugleuning (Volvo Booster Seat with backrest). Typegoedkeuring: E1 04301169. Typegoedkeuring: E1 04301169. Typegoedkeuring: E1 04301169.
01 Veiligheid 01 Kinderen en veiligheid Geïntegreerde kinderzitjes met twee standen* De geïntegreerde kinderzitjes zijn speciaal ontworpen om kinderen optimale bescherming te bieden. In combinatie met de aanwezige veiligheidsgordels zijn de kinderzitjes goedgekeurd voor kinderen met een gewicht van 15 tot 36 kg en een lengte van minimaal 95 cm.
01 Veiligheid Kinderen en veiligheid Duw het kinderzitje naar achteren om het te vergrendelen. Stand 2 Til het kinderzitje aan de voorkant op en duw het achteruit tegen het ruggedeelte aan om het te vergrendelen. 01 pen in het zitgedeelte. Het is echter niet mogelijk het kinderzitje vanuit de bovenste stand in de onderste stand te zetten. WAARSCHUWING Werk vanuit de onderste stand. Druk op de knop. Volvo adviseert u reparatie- en vervangingswerk over te laten aan een erkende Volvowerkplaats.
01 Veiligheid 01 Kinderen en veiligheid Duw het zitje met uw hand omlaag om het zitje te vergrendelen. WAARSCHUWING Als u de gebruiksinstructies voor het kinderzitje met twee standen niet opvolgt, is het bij een aanrijding niet uitgesloten dat het kind ernstig letsel oploopt.
01 Veiligheid Kinderen en veiligheid AfmeBeschrijving tingscategorie N.B.
01 Veiligheid Kinderen en veiligheid 01 Type kinderzitje A 44 Gewicht Afmetingscategorie Zitplaatsen voor montage ISOFIX-kinderzitje Voorstoel Buitenste zitplaats achterbank Babyzitje, achterstevoren max. 10 kg E OK OK Babyzitje, achterstevoren max.
01 Veiligheid Kinderen en veiligheid Bovenste bevestigingspunten voor kinderzitjes 01 N.B. Bij auto’s met hoofdsteunen op de beide buitenste zitplaatsen van de achterbank gaat het monteren van dergelijke veiligheidszitjes makkelijker, als u deze hoofdsteunen omklapt. N.B. Bij een bagageruimte die met een bagagerolhoes kan worden afgedekt, dient de rolhoes te worden verwijderd voordat er een kinderzitje aan de bevestigingspunten kan worden vastgezet.
Transpondersleutel/sleutelblad............................................................... Batterij vervangen transpondersleutel/PCC*.......................................... Keyless drive*.......................................................................................... Vergrendelen/ontgrendelen.................................................................... Kinderslot................................................................................................ Alarm*.....................
SLOTEN EN ALARM
02 Sloten en alarm Transpondersleutel/sleutelblad Algemene informatie 02 Bij de auto worden 2 transpondersleutels of PCC’s (Personal Car Communicator geleverd. U gebruikt ze om de auto te starten en deze te vergrendelen en ontgrendelen. U kunt extra transpondersleutels bestellen. Er zijn maximaal 6 transpondersleutels voor één en dezelfde auto te programmeren en te gebruiken. PCC’s kennen meer functies dan een transpondersleutel in standaarduitvoering.
02 Sloten en alarm Transpondersleutel/sleutelblad De onderstaande foutmeldingen op het informatiedisplay van het instrumentenpaneel houden verband met de elektronische startblokkering: Melding Betekenis Melding Betekenis Sleutelfout Opnieuw insteken Storing tijdens het uitlezen van de transpondersleutel tijdens het starten – Sleutel uitnemen, opnieuw aanbrengen en een nieuwe startpoging doen.
02 Sloten en alarm Transpondersleutel/sleutelblad Functies Bij lang indrukken (ten minste 4 seconden) worden alle zijruiten tegelijkertijd geopend. 02 Transpondersleutel. G021079 G021078 De gelijktijdige ontgrendeling van alle portieren is dusdanig te wijzigen dat bij eenmaal indrukken van de knop eerst het bestuurdersportier ontgrendeld wordt en bij de tweede maal indrukken – één en ander binnen 10 seconden – de resterende portieren te ontgrendelen. PCC*, Personal Car Communicator.
02 Sloten en alarm Transpondersleutel/sleutelblad Als u de toets ten minste 3 seconden lang ingedrukt houdt of tweemaal achtereen binnen 3 seconden indrukt, worden de richtingaanwijzers, de interieurverlichting en de claxon geactiveerd. Specifieke functies, PCC* N.B.
02 Sloten en alarm Transpondersleutel/sleutelblad 02 De beide rode controlelampjes lichten beurtelings rood op: het alarm is minder dan 5 minuten geleden afgegaan. Bereik PCC Het bereik van de PCC voor vergrendeling, ontgrendeling en bediening van de achterklep is ca. 20 m rond de auto, voor de overige functies geldt een maximumbereik van ca. 100 m. Als de auto niet reageert bij bediening van een toets – probeer het dan op minder grote afstand opnieuw. N.B.
02 Sloten en alarm Transpondersleutel/sleutelblad Sleutelblad aanbrengen Plaats het sleutelblad voorzichtig terug in de transpondersleutel. 02 1. Houd de transpondersleutel met de gleuf omhoog en laat het sleutelblad in de gleuf zakken. 2. Duw voorzichtig tegen het sleutelblad. U hoort een klikgeluid wanneer het sleutelblad goed vastzit.
02 Sloten en alarm Batterij vervangen transpondersleutel/PCC* Accu vervangen 02 Batterij vervangen Let erop hoe de batterij(en) aan de binnenzijde van de afdekking vastzit(ten). Let daarop op de pluszijde + en de minzijde –. Vervang de batterijen, als: • het informatiesymbool oplicht en Vervang batterij autosleutel op het display staat Transpondersleutel (1 batterij) en/of 1. Werk de batterij voorzichtig los.
02 Sloten en alarm Batterij vervangen transpondersleutel/PCC* 3. Duw voorzichtig tegen het sleutelblad. U hoort een klikgeluid wanneer het sleutelblad goed vastzit. 02 BELANGRIJK Zorg dat de oude batterij(en) wordt/worden afgevoerd op een milieuontlastende manier. * Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
02 Sloten en alarm Keyless drive* 02 Vergrendelings- en startsysteem zonder sleutel (alleen PCC1) Algemene informatie maximaal 1,5 m rond de portierhandgrepen of de achterklep bevinden. Dit betekent dat u de PCC bij u moet dragen om een portier te vergrendelen of ontgrendelen. Wanneer u aan de ene kant van de auto staat, is het niet mogelijk om met de PCC een portier aan de andere kant te vergrendelen of ontgrendelen.
02 Sloten en alarm Keyless drive* Vergrendelen Ontgrendelen Er wordt ontgrendeld wanneer iemand een portierhandgreep beetpakt of op het met rubber beklede drukplaatje van de achterklep drukt – open het portier of de achterklep op de normale manier. Ontgrendelen met sleutelblad > De kunststof afdekking komt automatisch los, wanneer u het blad recht omhoog de opening induwt. 02 2. Steek het sleutelblad in de slotcilinder en ontgrendel het portier. 3. Plaats de kunststof afdekking na ontgrendeling terug.
02 Sloten en alarm Keyless drive* maar persoon B met PCC B zal gaan rijden, zijn de instellingen als volgt te wijzigen: 02 Locatie antennes WAARSCHUWING Dragers van een pacemaker dienen minstens 22 cm afstand te houden tot de antennes van het Keyless drive-systeem. Dit om eventuele storingen in de pacemaker als gevolg van het Keyless drive-systeem uit te sluiten. • Staand naast het bestuurdersportier of zittend achter het stuur drukt persoon B op de ontgrendelingstoets van zijn PCC, zie pagina 50.
02 Sloten en alarm Vergrendelen/ontgrendelen Van de buitenzijde Met de transpondersleutel kunt u alle portieren en de achterklep gelijktijdig vergrendelen/ontgrendelen. Het is mogelijk een andere ontgrendelingsvolgorde te kiezen, zie Ontgrendelen met transpondersleutel 50. Van de binnenzijde Centrale vergrendeling Als u geen van de portieren noch de achterklep binnen 2 minuten na ontgrendeling van de buitenzijde met de transpondersleutel opent, worden alle sloten automatisch weer vergrendeld.
02 Sloten en alarm Vergrendelen/ontgrendelen 02 Auto-instellingen Slotinstellingen Automatische vergrendeling. (Voor een beschrijving van het menusysteem, zie pagina 139.) Dashboardkastje Neem het sleutelblad uit. • Houd voor het ontgrendelen de omgekeerde volgorde aan. Achterklep Handmatig openen BELANGRIJK • De achterklep is met heel weinig kracht te ontgrendelen – druk slechts lichtjes op het met rubber beklede plaatje.
02 Sloten en alarm Vergrendelen/ontgrendelen Om de achterklep te ontgrendelen: De portieren blijven vergrendeld en beveiligd. • De achterklep wordt weliswaar ontgrendeld maar blijft dichtstaan – druk lichtjes tegen op het met rubber bekleding drukplaatje onder de buitenhandgreep en open de klep. Als de klep niet binnen 2 minuten na ontgrendeling wordt geopend, wordt de klep weer vergrendeld en het alarm opnieuw geactiveerd.
02 Sloten en alarm Vergrendelen/ontgrendelen Beveiliging tegen overbelasting 02 Als de achterklep tijdens het openen/sluiten in zekere mate wordt gehinderd door een obstakel treedt de beveiliging tegen overbelasting in werking. • Gebeurt dit tijdens het openen dan wordt de elektrische achterklepbediening uitgeschakeld en de achterklep vrijgegeven. • Gebeurt dit tijdens het sluiten dan gaat de achterklep weer helemaal open. WAARSCHUWING Let op het gevaar voor beknelling tijdens het openen/sluiten.
02 Sloten en alarm Vergrendelen/ontgrendelen Tijdelijk deactiveren 2. Kies Eenmalig inschakelen. > Op het display van het instrumentenpaneel verschijnt de melding Beveil. verlaagd Zie instructieb. en de Safelock-functie wordt uitgeschakeld bij vergrendeling van de auto. Als u geen wijzigingen in het vergrendelingssysteem wenst Druk op EXIT en vergrendel de auto. N.B. • Let erop dat de auto bij het vergrendelen op alarm wordt gezet.
02 Sloten en alarm Kinderslot 02 Handmatig kinderslot op achterportieren N.B. Het kinderslot voorkomt dat kinderen een achterportier vanaf de binnenzijde openen. • De vergrendelbus van een portier dient alleen om het desbetreffende portier te vergrendelen – dus niet beide achterportieren. • Op auto’s met een elektrisch kinderslot zit geen handmatig kinderslot.
02 Sloten en alarm Alarm* Algemene informatie Een geactiveerd alarmsysteem gaat af als: • een portier, de motorkap of de achterklep wordt geopend • er beweging in de passagiersruimte wordt waargenomen (als er een bewegingsmelder* aanwezig is) • de auto wordt opgetakeld of weggesleept (op auto’s met een niveausensor*) • een kabel van de startaccu wordt losgekoppeld • de sirene wordt losgekoppeld. Als er een storing in het alarmsysteem is opgetreden, verschijnt er een melding op het informatiedisplay.
02 Sloten en alarm Alarm* Alarm activeren 02 Druk op de vergrendelingstoets op de transpondersleutel. Alarm deactiveren Druk op de ontgrendelingstoets op de transpondersleutel. sirene heeft zijn eigen accu die volledig onafhankelijk is van de startaccu in de auto. • Alle richtingaanwijzers knipperen totdat u het alarm uitschakelt. Bij inactiviteit gaan ze na vijf minuten automatisch uit.
02 Sloten en alarm 02 67
Instrumenten, schakelaars en bediening................................................ 70 Sleutelstanden........................................................................................ 79 Stoelen en achterbank............................................................................ 81 Stuurwiel................................................................................................. 86 Verlichting..............................................................................................
BESTUURDERSMILIEU
03 Bestuurdersmilieu Instrumenten, schakelaars en bediening Instrumentenoverzicht 03 Auto met stuur links.
03 Bestuurdersmilieu Instrumenten, schakelaars en bediening Functie Pagina Functie Pagina Menu- en meldingsfuncties, richtingaanwijzers, groot licht/dimlicht, boordcomputer 87, 90, 136, 160 Bedieningspaneel voor infotainment en menufuncties 139, 264 165, 167 Bedieningspaneel voor klimaatregeling 145 Cruisecontrol Claxon, airbag 22, 86 Versnellingspook/keuzehendel 117 Instrumentenpaneel 73, 77 139, 221, 251, 264 Bedieningsknoppen actieve chassisregeling (FOUR-C)* 164 Menu-, audio- en telef
03 Bestuurdersmilieu Instrumenten, schakelaars en bediening 03 Auto met stuur rechts.
03 Bestuurdersmilieu Instrumenten, schakelaars en bediening Functie Pagina Functie Pagina Display voor infotainment en menufuncties 139, 219, 264 Ontgrendeling motorkap 312 Stuurwielafstelling 86 Contactslot 79 Knop START/STOP 114 Cruisecontrol 165, 167 Menu- en meldingsfuncties, richtingaanwijzers, groot licht/dimlicht, boordcomputer 87, 90, 136, 160 Instrumentenpaneel 73, 77 Versnellingspook/keuzehendel 117 Claxon, airbag 22, 86 139, 221, 251, 264 Bedieningsknoppen actieve chassisr
03 Bestuurdersmilieu Instrumenten, schakelaars en bediening Meters Controle-, informatie- en waarschuwingssymbolen 5 seconden alle symbolen uit behalve het symbool voor storingen in het uitlaatgasreinigingssysteem en dat voor een lage oliedruk. Controle- en informatiesymbolen Symbool 03 Betekenis Storing in ABL Uitlaatgasreinigingssysteem Storing in ABS Meters op het instrumentenpaneel. Snelheidsmeter Brandstofmeter. Zie ook boordcomputer (pagina 160) en tanken (pagina 273). Toerenteller.
03 Bestuurdersmilieu Instrumenten, schakelaars en bediening Symbool Betekenis Richtingaanwijzers links Richtingaanwijzers rechts troleren. Volvo adviseert dat u daarvoor een erkende Volvo-werkplaats bezoekt. Mistachterlicht aan Dit symbool brandt wanneer u het mistachterlicht hebt ingeschakeld. Er is slechts één mistachterlicht - dat zit aan de bestuurderszijde.
03 Bestuurdersmilieu Instrumenten, schakelaars en bediening Symbool Betekenis Dynamo laadt niet bij Storing in remsysteem 03 Waarschuwing A Bij bepaalde motortypes is het symbool voor een lage oliedruk niet in gebruik. Er verschijnt in plaats daarvan een displaymelding (zie pagina 313 en 315). Lage oliedruk Als het symbool tijdens het rijden oplicht, is de druk van de motorolie te laag. Zet de motor onmiddellijk af en controleer het motoroliepeil. Vul zo nodig olie bij.
03 Bestuurdersmilieu Instrumenten, schakelaars en bediening Waarschuwing Het rode waarschuwingssymbool gaat branden, wanneer er een storing is geregistreerd die van invloed kan zijn op de veiligheid en/of de rijeigenschappen van de auto. Er verschijnt tegelijkertijd een verklarende melding op het informatiedisplay. Het waarschuwingssymbool blijft branden totdat de storing is verholpen, maar de melding kunt u verwijderen met de knop READ, zie pagina 136.
03 Bestuurdersmilieu Instrumenten, schakelaars en bediening 1 minuut. Voor snelle wijziging de knop in de ‘klikstand’ vasthouden. Bij een melding wordt de klok mogelijk tijdelijk vervangen door een symbool, zie pagina 136.
03 Bestuurdersmilieu Sleutelstanden Transpondersleutel aanbrengen en verwijderen BELANGRIJK Vreemde voorwerpen in het contactslot kunnen tot functiestoringen leiden of schade aan het slot toebrengen. De transpondersleutel niet verkeerd om insteken – pak de sleutel beet aan het uiteinde met het afneembare sleutelblad. zie pagina 52. Contactsleutel met ingedrukte transpondersleutel. N.B. Voor auto’s met Keyless drive-functie*, zie pagina 56.
03 Bestuurdersmilieu Sleutelstanden Stand 03 Functie 0 Kilometerteller, klok en temperatuurmeter worden verlicht. Het stuurslot is opgeheven. Het audiosysteem is te gebruiken. I Panoramadak*, elektrisch bedienbare zijruiten, 12V-aansluitingen in passagiersruimte, RTI*, telefoon*, interieurventilator, ECC en ruitenwissers zijn te gebruiken. II De koplampen worden ontstoken. Waarschuwings-/controlelampjes branden 5 seconden lang.
03 Bestuurdersmilieu Stoelen en achterbank Voorstoelen WAARSCHUWING De stand van de bestuurdersstoel instellen voordat u gaat rijden en nooit tijdens het rijden. Controleer of de stoel vergrendeld staat om letsel te voorkomen bij hard afremmen of een aanrijding. Rugleuning voorstoel omklappen Trek de pallen aan de achterzijde van de rugleuning omhoog tijdens het omklappen. 4. Duw de stoel zo ver naar voren dat de hoofdsteun onder het dashboardkastje “vast” komt te zitten.
03 Bestuurdersmilieu Stoelen en achterbank Elektrisch bedienbare stoel* 03 Voorbereidingen 1. Stel de stoel en de buitenspiegels in. Tot enige tijd nadat u het portier met de transpondersleutel hebt ontgrendeld blijft het mogelijk de stoel te verstellen, ook al steekt er geen sleutel in het contactslot. U verstelt de stoel normaal gesproken in sleutelstand I. Wanneer de motor loopt, is dat altijd mogelijk. 2.
03 Bestuurdersmilieu Stoelen en achterbank Een volgende keer dat de auto met dezelfde transpondersleutel wordt ontgrendeld, nemen de bestuurdersstoel en de buitenspiegels automatisch de in het sleutelgeheugen vastgelegde standen in. N.B. De bestuurdersstoel en de buitenspiegels worden niet verzet, als ze al in de opgeslagen stand staan. Noodstop Achterbank Als de stoel per ongeluk in beweging komt, kunt u op een van de knoppen drukken om de stoel tot stilstand te brengen.
03 Bestuurdersmilieu Stoelen en achterbank Buitenste hoofdsteunen achterbank handmatig omklappen De drie ruggedeelten zijn op verschillende manieren neer te klappen. N.B. Zet de voorstoelen zo nodig naar voren en/ of de rugleuningen ervan rechtop, zodat u de ruggedeelten van de achterbank helemaal kunt neerklappen. 03 • Het linker gedeelte is apart neer te klappen. • Het middelste gedeelte is eveneens apart neer te klappen.
03 Bestuurdersmilieu Stoelen en achterbank N.B. De rode markering mag niet langer zichtbaar zijn, wanneer het ruggedeelte weer rechtop staat. Het ruggedeelte staat niet geblokkeerd, als de rode markering wel zichtbaar is. WAARSCHUWING Controleer of de ruggedeelten en hoofdsteunen van de achterbank na het rechtop zetten goed vergrendeld staan. Buitenste hoofdsteunen achterbank elektrisch omklappen* 2.
03 Bestuurdersmilieu Stuurwiel Instellen WAARSCHUWING Claxon Stel het stuurwiel af voordat u gaat rijden en controleer of het in de gekozen stand vergrendeld staat. Bij auto’s met snelheidsafhankelijke stuurbekrachtiging* is de vereiste stuurkracht in te stellen, zie pagina 164. G021138 03 Toetsensets* Stuurwiel afstellen. Claxon. Ontgrendelingshendel, stuurwielafstelling Druk op het midden van het stuurwiel om te claxonneren.
03 Bestuurdersmilieu Verlichting Bedieningspaneel verlichting De displayverlichting wordt bij donker automatisch gedimd. De gevoeligheidsgraad van deze functie is in te stellen met het duimwiel. Groot licht/dimlicht Ook de sterkte waarmee het instrumentenpaneel verlicht wordt stelt u in met het duimwiel. Koplamphoogteregeling 03 Door de belading van de auto wordt de hoogte van de koplampen gewijzigd, zodat u tegemoetkomend verkeer mogelijk verblindt.
03 Bestuurdersmilieu Verlichting Stand Betekenis AutomatischA/uitgeschakeld dimlicht. Alleen grootlichtsignalen. Stadslichten vóór en achterlichten 03 Dimlicht. In deze stand werken het groot licht en de grootlichtsignalen. A Geldt voor bepaalde markten. N.B. Het groot licht is alleen te activeren in stand . Grootlichtsignalen Trek de stuurhendel voorzichtig tot in de stand voor grootlichtsignalen naar het stuurwiel toe. Het groot licht brandt totdat u de hendel loslaat.
03 Bestuurdersmilieu Verlichting Symbool Display Betekenis Koplampfout Service vereist Het systeem is defect. Bezoek een werkplaats als de melding niet verdwijnt. Volvo adviseert u contact op te nemen met een erkende Volvo-werkplaats. De functie is uitsluitend actief bij schemer of donker en dan alleen als de auto rijdt. U kunt de functie3 deactiveren/activeren in het menusysteem MY CAR onder My XC60 Act. bochtverlichting of onder Instellingen Auto-instellingen Lichtinstellingen Act. bochtverlichting.
03 Bestuurdersmilieu Verlichting in de knop branden, wanneer het mistachterlicht ingeschakeld is. Het mistachterlicht dooft automatisch bij het afzetten van de motor. 03 N.B. De regels voor het gebruik van het mistachterlicht verschillen van land tot land. Alarmlichten zodra de snelheid van de auto tot onder de 30 km/h is gedaald, automatisch de alarmlichten ingeschakeld. Ook nadat de auto tot stilstand is gekomen, blijven de alarmlichten knipperen.
03 Bestuurdersmilieu Verlichting Verlichting in interieur Plafondverlichting voorin De leeslampjes voorin worden in- en uitgeschakeld met een druk op de bijbehorende knoppen op de plafondconsole. Plafondverlichting achterin G021149 03 Plafondverlichting achterin bij auto’s met panoramadak. Leeslampje linkerzijde G021150 Knoppen op plafondconsole voor bediening leeslampjes en interieurverlichting voorin.
03 Bestuurdersmilieu Verlichting Bagageruimteverlichting De bagageruimteverlichting wordt bij het openen en sluiten van de achterklep automatisch in- en uitgeschakeld. Automatische verlichting 03 Met de knop voor de interieurverlichting kunt u drie verlichtingsstanden selecteren: • Uit – rechterkant ingedrukt, automatische interieurverlichting gedeactiveerd. • Neutrale stand – automatische verlichting geactiveerd. • Aan – linkerkant ingedrukt, interieurverlichting brandt.
03 Bestuurdersmilieu Verlichting Lichtbundel aanpassen de juiste lichtbundel wordt ook de berm beter verlicht. Actieve xenonkoplampen* Bij het aanpassen van de lichtbundel voor links- of rechtsrijdend verkeer dient de auto stil te staan. G021151 1. Open het menusysteem en ga naar Instellingen van de auto Lichtinstellingen. 2. Kies uit Tijdelijke RH lampen en Tijdelijke LH-lampen. Voor een beschrijving van het menusysteem, zie pagina 139 Lichtbundel linksrijdend verkeer.
03 Bestuurdersmilieu Verlichting Positie van de mallen 03 Bovenste regel: afgeplakte gebieden bij een auto met stuur links, mallen A en B.
03 Bestuurdersmilieu Verlichting C en D.
03 Bestuurdersmilieu Verlichting Mallen voor halogeenkoplampen 03 96
03 Bestuurdersmilieu Wissers en -sproeiers Ruitenwissers1 Intervalstand Regensensor* Met het duimwiel kunt u het aantal wisslagen per eenheid van tijd instellen wanneer u de intervalstand hebt geselecteerd. De regensensor registreert de hoeveelheid regen op de voorruit en schakelt automatisch de ruitenwissers op de voorruit in. De gevoeligheid van de regensensor is in te stellen met het duimwiel. Ononderbroken wissen De wissers bewegen op normale snelheid. De wissers bewegen op hoge snelheid.
03 Bestuurdersmilieu Wissers en -sproeiers Deactiveren Koplamp- en ruitensproeiers Schakel de regensensor uit met een druk op de of haal de hendel omlaag naar een knop ander wisprogramma. 03 stof. Om vloeistof te besparen, worden de koplampen alleen iedere vijfde keer dat u de voorruitsproeiers activeert gesproeid. Ruitenwisser en sproeier achterklep De regensensor wordt automatisch uitgeschakeld, wanneer u de transpondersleutel uit het contactslot neemt of vijf minuten nadat u de motor hebt afgezet.
03 Bestuurdersmilieu Wissers en -sproeiers N.B. De achterruitwisser is beveiligd tegen oververhitting zodat de wissermotor wordt uitgeschakeld bij oververhitting. De achterruitwisser werkt weer na een periode van afkoelen (30 seconden of langer afhankelijk van de motor- en de omgevingstemperatuur). 03 Ruitenwisser achterklep, achteruitrijden Als u de auto in de achteruitversnelling zet terwijl de voorste ruitenwissers actief zijn, zal de intervalstand van de ruitenwisser op de achterklep starten2.
03 Bestuurdersmilieu Ruiten en spiegels Algemene informatie Warmtereflecterende voorruit* Gelaagd glas 03 De voorruit en het panoramadak zijn voorzien van gelaagd glas. Het is verstevigd en biedt een betere bescherming tegen inbraak en een verbeterde geluidsisolatie. Overige glazen oppervlakken*. op dat deel van de voorruit waar geen warmtereflecterende film is aangebracht (zie gemarkeerd veld op bovenstaande afbeelding).
03 Bestuurdersmilieu Ruiten en spiegels WAARSCHUWING Zorg er bij het sluiten van de zijruiten voor dat kinderen of andere inzittenden niet met hun handen bekneld raken. Dit geldt ook als u gebruik maakt van de transpondersleutel. WAARSCHUWING Als er kinderen in de auto zitten: let er bij het verlaten van de auto op dat u de stroomtoevoer naar de elektrisch bedienbare zijruiten verbreekt door de transpondersleutel uit te nemen.
03 Bestuurdersmilieu Ruiten en spiegels WAARSCHUWING De beveiliging tegen overbelasting werkt alleen als de automatische openingsfunctie voor zijruiten gereset is. 03 Buitenspiegels 3. Druk opnieuw op knop L of R. Het lampje mag niet langer branden. WAARSCHUWING De spiegels zijn groothoekig voor optimaal zicht. Voorwerpen kunnen verder weg lijken dan ze in werkelijkheid zijn. Elektrisch inklapbare buitenspiegels* U kunt de buitenspiegels inklappen bij het parkeren en als u op smalle wegen rijdt: 1.
03 Bestuurdersmilieu Ruiten en spiegels enige tijd automatisch de oorspronkelijke stand weer in. 3. Herhaal de bovenstaande procedure zo nodig. U kunt de functie activeren/deactiveren in het menusysteem MY CAR onder Instellingen Auto-instellingen Instellingen zijspiegel Linkerspiegel hellen c.q. Rechterspiegel hellen. Voor een beschrijving van het menusysteem, zie pagina 140. De spiegels staan daarmee weer in de neutrale stand.
03 Bestuurdersmilieu Ruiten en spiegels Achteruitkijkspiegel tisch gedimd. Het hendeltje is niet aanwezig op spiegels met autodimfunctie. Een kompas* is alleen een optie voor een achteruitkijkspiegel met autodimfunctie, zie pagina 105. 03 Hendeltje voor dimfunctie Handmatige dimfunctie Fel licht van achteren kan hinderlijke reflecties in de achteruitkijkspiegel veroorzaken en u verblinden.
03 Bestuurdersmilieu Kompas* Bediening Kalibreren De aarde is in 15 magnetische zones verdeeld. Het kompas is ingesteld op het geografische gebied waarin de auto werd afgeleverd. Het kompas dient te worden gekalibreerd, als u met de auto meerdere magnetische zones doorkruist. 03 G030295 1. Breng de auto tot stilstand op een groot en open terrein waar geen stalen constructies of hoogspanningsdraden zijn. 2. Start de motor. Magnetische zones. Achteruitkijkspiegel met kompas.
03 Bestuurdersmilieu Kompas* 8. Herhaal de bovenstaande procedure zo nodig. 03 106 * Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
03 Bestuurdersmilieu Elektrisch bedienbaar panoramadak* Algemene informatie WAARSCHUWING Het panoramadak is opgesplitst in twee segmenten waarvan alleen het voorste horizontaal opengeschoven of aan de achterkant verticaal opengekanteld (ventilatiestand) kan worden. Tussen de bewegende delen van het panoramadak kunnen inzittenden (kinderen!) of voorwerpen bekneld raken.
03 Bestuurdersmilieu Elektrisch bedienbaar panoramadak* Handmatige bediening Ventilatiestand 1. Gordijn openen - duw de bedieningsknop achteruit naar het drukpunt voor handmatig openen. Het gordijn wordt zolang u de bedieningsknop ingedrukt houdt steeds verder geopend. 03 2. Panoramadak kantelen - duw de bedieningsknop een tweede maal achteruit naar het drukpunt voor handmatig openen 3. Panoramadak openen - duw de bedieningsknop een derde maal achteruit naar het drukpunt voor handmatig openen.
03 Bestuurdersmilieu Elektrisch bedienbaar panoramadak* Windscherm 03 Bij het panoramadak hoort een windscherm dat opgeklapt wordt bij een geopend panoramadak. * Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
03 Bestuurdersmilieu Alcoguard* Algemene informatie over het alcoholslot 03 Functies Batterij Het alcoholslot voorkomt dat bestuurders die onder invloed zijn in de auto kunnen rijden. Voordat de motor kan worden gestart, moet u een blaastest afgeven om vast te stellen dat u niet onder de invloed van alcohol bent. Het alcoholslot wordt gekalibreerd ten opzichte van de grenswaarde voor verkeersdeelname die in uw land geldt.
03 Bestuurdersmilieu Alcoguard* 1. Wanneer het controlelampje (6) groen oplicht, is de blaasunit klaar voor gebruik. Resultaat van de blaastest 2. Neem de blaasunit uit de houder. Als de blaasunit zich buiten de auto bevindt tijdens het ontgrendelen, dan dient u de unit eerst te activeren met de schakelaar (2). 3. Klap het mondstuk (1) omhoog, haal diep adem en blaas gelijkmatig totdat er ca. 5 seconden later een “klikgeluid” klinkt.
03 Bestuurdersmilieu Alcoguard* wijze gestart worden – de motor is dan alleen te starten via de bypass-functie, zie pagina 112, gedeelte over Noodsituatie. 03 De melding is te verwijderen met een druk op de zendtoets (3). De melding verdwijnt anders spontaan na ca. 2 minuten maar verschijnt iedere keer dat de motor gestart wordt opnieuw – alleen bij herkalibratie in een werkplaats1 verdwijnt de melding permanent.
03 Bestuurdersmilieu Alcoguard* Symbolen en displayteksten Naast de eerder beschreven meldingen kan ook het volgende op het display van het instrumentenpaneel verschijnen: 1 Displaymelding Betekenis/Maatregel Alcoguard Blaas zachter U blies te hard – blaas minder hard. Displaymelding Betekenis/Maatregel Alcoguard Blaas harder Alcoguard Herstart mogelijk Motor stond minder dan 30 minuten af – motor kan worden gestart zonder nieuwe blaastest. U blies niet hard genoeg – blaas harder.
03 Bestuurdersmilieu Motor starten Benzine- en dieselmotoren 2. Houd het koppelingspedaal volledig ingedrukt1. (Bij auto’s met automatische versnellingsbak – bedien het rempedaal.) 3. Druk op de knop START/STOP ENGINE en laat deze vervolgens los. De startmotor blijft maximaal 10 seconden draaien (60 seconden bij dieselmodellen), totdat de motor is aangeslagen. 03 Als de motor niet aanslaat, kunt u een nieuwe startpoging doen door de knop START/STOP ENGINE ingedrukt te houden totdat de motor wel aanslaat.
03 Bestuurdersmilieu Motor starten Motor afzetten Om de motor af te zetten – druk op START/ STOP ENGINE. Als de auto een automatische versnellingsbak heeft en de keuzehendel niet in stand P staat of als de auto rijdt – druk tweemaal op de knop of houdt de knop ingedrukt totdat de motor afslaat. 03 Stuurslotfout Het stuurslot wordt opgeheven, wanneer u de START/STOP ENGINE-knop indrukt met de transpondersleutel in het contactslot geduwd.
03 Bestuurdersmilieu Motor starten, hulpaccu Starten met hulpaccu 4. Sluit de ene klem van de rode startkabel aan op de pluspool van de hulpaccu . 5. Haal de clips op de voorste dekplaat van de uitgeputte accu los en verwijder de dekplaat, zie pagina 328. 6. Sluit de andere klem van de rode startkabel van de uitgeputte aan op de pluspool accu. 03 7. Sluit de ene klem van de zwarte kabel aan van de hulpaccu. op de minpool 10. Start de motor van de auto met de lege accu.
03 Bestuurdersmilieu Versnellingsbakken Handgeschakelde versnellingsbak • Begin vanuit de neutraalstand N en schakel alleen de achteruitversnelling R in, wanneer de auto stilstaat. N.B. Bij het schakelpatroon voor een zestraps versnellingsbak (zie voorgaande afbeelding) de versnellingspook eerst omlaagduwen in stand N alvorens de achteruitversnelling in te schakelen. Schakelpatroon zesversnellingsbak.
03 Bestuurdersmilieu Versnellingsbakken 03 voordat u de keuzehendel vanuit stand D in stand R zet. als de bestuurder langzamer gaat rijden dan wat voor de gekozen versnelling gepast is. De sportstand kan op elk moment tijdens het rijden ingeschakeld worden. Geartronic, handmatig schakelen (+/–) Om de automatische rijstand te hervatten: Geartronic, winterstand Met de automatische versnellingsbak Geartronic kunt u ook handmatig schakelen.
03 Bestuurdersmilieu Versnellingsbakken Wanneer u het gaspedaal uit de kickdownstand loslaat, schakelt de versnellingsbak automatisch op. Mechanische keuzehendelblokkering Elektrische schakelblokkering, Shiftlock parkeerstand (P) Om de keuzehendel uit stand P te kunnen halen, moet u het rempedaal bedienen terwijl de transpondersleutel in stand II staat, zie pagina 79. Gebruik de kickdown om zo snel mogelijk te accelereren zoals bij het inhalen.
03 Bestuurdersmilieu Versnellingsbakken Als er niet met de auto kan worden gereden zoals het geval is bij een uitgeputte accu, moet u de keuzehendel uit stand P halen voordat u de auto kunt verslepen. Til de rubbermat in het vak achter de middenconsole uit de auto en open het luikje. 03 Steek het sleutelblad zo ver mogelijk naar binnen. Duw het sleutelblad omlaag en houd het in deze stand vast. (Voor informatie over het sleutelblad, zie pagina 52.) Haal de keuzehendel uit stand P.
03 Bestuurdersmilieu Versnellingsbakken Displaymelding en maatregel In bepaalde situaties kan er een bepaalde melding op het display verschijnen in combinatie met een brandend symbool. Symbool A Display Rijeigenschappen Maatregel Oververh versnb zet auto stil Problemen om snelheid constant te houden bij hetzelfde toerental. Versnellingsbak oververhit. Houd de auto stil met het rempedaal.A Oververh versnb Stop auto z.s.m. Auto rijdt met hevige schokkerige bewegingen vooruit.
03 Bestuurdersmilieu Versnellingsbakken Voor andere displaymeldingen en de voorgestelde maatregelen bij auto’s met een automatische versnellingsbak, zie pagina 136. 03 122 Na uitvoering van de maatregel verdwijnt de displaymelding automatisch. U kunt de melding ook eerder doen verdwijnen met een druk op de knop READ van de richtingaanwijzerhendel.
03 Bestuurdersmilieu Vierwielaandrijving, AWD (All Wheel Drive)* De vierwielaandrijving is altijd ingeschakeld 03 Bij vierwielaandrijving worden alle vier de wielen van de auto tegelijk aangedreven. Het motorkoppel wordt automatisch over de voor- en achterwielen verdeeld. Een elektronisch gestuurd koppelingssysteem verdeelt het vermogen over het wielpaar dat op dat moment de beste grip op het wegdek heeft. Dit om optimale wegligging te verkrijgen en wielspin te voorkomen.
03 Bestuurdersmilieu Bedrijfsrem Algemene informatie De auto is uitgerust met twee remkringen. Als een van de remkringen defect raakt, betekent dit dat de remmen pas later worden aangesproken zodat u het rempedaal dieper moet intrappen voor dezelfde remmende werking. 03 De druk die u uitoefent op het rempedaal wordt versterkt door de rembekrachtiging. WAARSCHUWING De rembekrachtiging werkt alleen, als de motor loopt.
03 Bestuurdersmilieu Bedrijfsrem Symbolen op instrumentenpaneel Symbool Betekenis Brandt continu – controleer het remvloeistofpeil. Vul remvloeistof bij als het peil te laag ligt en controleer tevens de oorzaak van het remvloeistofverlies. 03 Brandt 2 seconden lang continu bij het starten van de motor – er is de laatste keer dat de motor liep een storing in het ABS opgetreden. WAARSCHUWING Als en tegelijkertijd branden, kan er een storing in het remsysteem zijn opgetreden.
03 Bestuurdersmilieu Afdalingsregeling, HDC (Hill Descent Control) Algemene informatie 03 HDC is te vergelijken met een automatische motorrem. Wanneer u op een aflopende helling het gaspedaal loslaat, wordt de auto normaal gesproken op de motor afgeremd doordat deze in dat geval een laag stationair toerental nastreeft. Naarmate de helling steiler en de auto zwaarder beladen is, rolt de auto ondanks de motorrem sneller omlaag.
03 Bestuurdersmilieu Afdalingsregeling, HDC (Hill Descent Control) • bij het indrukken van de aan/uit-knop op de middenconsole • bij het inschakelen van een hogere versnelling dan de 1e bij een handgeschakelde versnellingsbak • bij het inschakelen van een hogere versnelling dan de 1e bij een automatische versnellingsbak of bij het inschakelen van stand D. 03 Het systeem is op ieder moment uit te schakelen.
03 Bestuurdersmilieu Parkeerrem Elektrische parkeerrem Parkeerrem aanzetten loslaat of het gaspedaal bedient, wordt de parkeerrem gelost. Functie 03 Wanneer de parkeerrem wordt geactiveerd, hoort u een zwak elektromotorgeluid. Het geluid is tevens waarneembaar bij een automatische functiecontrole van de parkeerrem. Als de auto stilstaat wanneer u de parkeerrem aanzet, werkt de rem alleen op de achterwielen. Als u de parkeerrem tijdens het rijden aanzet, wordt de normale bedrijfsrem geactiveerd.
03 Bestuurdersmilieu Parkeerrem Parkeerrem lossen Auto met automatische versnellingsbak pende helling achteruitrolt, wanneer de parkeerrem automatisch wordt gelost. U kunt dit voorkomen door bij het wegrijden de handgreep ingedrukt te houden. Laat de handgreep weer los zodra de koppeling aangrijpt. Handmatig lossen Auto met Keyless drive-functie 1. Steek de transpondersleutel in het contactslot.
03 Bestuurdersmilieu Parkeerrem Berichten Parkeerrem Service vereist - Er is een storing opgetreden. Bezoek een werkplaats als de storing aanhoudt – geadviseerd wordt een Volvo-werkplaats. Als u de auto moet parkeren voordat de storing kon worden verholpen, dient u de wielen net als bij het parkeren op een helling van de trottoirband/berm af te draaien en de versnellingspook in de 1e versnelling (handbak) te zetten en de keuzehendel in stand P (automaat).
03 Bestuurdersmilieu HomeLink * Algemene informatie N.B. HomeLink is dusdanig geconstrueerd dat het niet werkt als de auto van de buitenzijde vergrendeld is. Let erop dat u de originele afstandsbedieningen wel goed bewaart voor eventuele programmering in een later stadium (zoals bij de aankoop van een nieuwe auto). Wis de programmering van de knoppen wanneer u de auto verkoopt.
03 Bestuurdersmilieu HomeLink * in de “inleerstand” staat en klaar is voor programmering. 2. Leg de originele afstandsbediening op 5–30 cm afstand van HomeLink. Houd het controlelampje in de gaten. De juiste afstand tussen de originele afstandsbediening en HomeLink hangt af van de programmering van het te bedienen systeem. Er zijn mogelijk meerdere pogingen op verschillende afstand nodig. Laat de afstandsbediening bij iedere poging ca.
03 Bestuurdersmilieu HomeLink * begint te knipperen. Laat beide knoppen weer los, wanneer het lampje dat langzaam knipperde sneller gaat knipperen. Een snel knipperend lampje geeft aan dat de programmering gelukt is. buurt van de antennevoet op de ontvanger). Raadpleeg als u de knop niet kunt vinden, de gebruiksaanwijzing van de leverancier of neem contact op met de leverancier via internet: www.homelink.com. 4.
Menu- en meldingsfuncties................................................................... Menugroep MY CAR............................................................................ Klimaatregeling..................................................................................... Motor- en interieurverwarming op brandstof*....................................... Extra verwarming*................................................................................. Boordcomputer..............................
COMFORT EN RIJPLEZIER
04 Comfort en rijplezier Menu- en meldingsfuncties Instrumentenpaneel Menu-overzicht Melding Voor sommige van de onderstaande menuopties dient de auto te zijn uitgerust met de bijbehorende functie en software. Actieradius Gemiddeld Momentaan Gem. snelheid Actuele snelheid1 04 Motoroliepeil* Informatiedisplay en bedieningselementen voor menufuncties. READ – meldingenlijst openen en meldingen bevestigen. Duimwiel – menu-opties doorbladeren. RESET – geactiveerde functie op nul stellen.
04 Comfort en rijplezier Menu- en meldingsfuncties Melding Betekenis Melding Betekenis Melding Betekenis Stop auto z.s.m.A Breng de auto tot stilstand en zet de motor af. Grote kans op schade – bezoek een werkplaatsB. Bespreek tijd voor onderhoud Het is tijd om een afspraak te maken voor een servicebeurt – bezoek een werkplaatsB. Versn.olie Verversen Bezoek een werkplaatsB om de auto zo spoedig mogelijk te laten controleren. Zet motor afA Breng de auto tot stilstand en zet de motor af.
04 Comfort en rijplezier Menu- en meldingsfuncties 04 A B C 138 Melding Betekenis Tijdelijk UITA De bijbehorende functie is tijdelijk uitgeschakeld en wordt na enige tijd rijden of de volgende keer dat u de motor start automatisch opnieuw ingeschakeld. Accuspann. laag Spaarstand Het audiosysteem is uitgeschakeld om stroom te besparen. Laad de accu bij. Deel van een melding, verschijnt samen met gegevens over de locatie van de storing. Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
04 Comfort en rijplezier Menugroep MY CAR Algemene informatie over MY CAR In deze menugroep zijn tal van de autofuncties te regelen, zoals het instellen van de klok, de buitenspiegels en de Bediening • Bij kort indrukken van EXIT doet u een stap Bedieningselementen op middenconsole • Bij lang drukken op EXIT opent u het terug binnen het actuele menusysteem. sloten. groepsmenu van MY CAR.
04 Comfort en rijplezier Menugroep MY CAR gekozen functie in het geheugen op te slaan. EXIT Paden Het actuele menuniveau staat rechts bovenaan op het beeldscherm van de middenconsole. De paden naar de menufuncties worden als volgt weergegeven: 04 Instellingen Auto-instellingen Slotinstellingen Deuren open Bestuurdersdeur: dan alle. Hier volgt een voorbeeld van de wijze waarop u een functie kunt opzoeken en aanpassen met de toetsenset op de middenconsole: 1. Druk op de knop MY CAR op de middenconsole. 2.
04 Comfort en rijplezier Menugroep MY CAR MY CAR Instellingen instellingen Auto- Eén keer activeren Vragen bij uitstappen Alle instelbare autofuncties in de groep MY CAR kunnen hier geactiveerd, aangepast of gedeactiveerd worden. In de onderstaande tekst en op de navolgende pagina’s wordt een overzicht gegeven van de hoofdmenu’s/functies en van de bijbehorende submenu’s/menuopties. Voor meer informatie over de verschillende functies – zie de bijbehorende paginaverwijzing.
04 Comfort en rijplezier Menugroep MY CAR Auto-instellngen resetten Voor meer informatie, zie pagina 10 en 180. Bij deze optie herstelt het menusysteem de oorspronkelijke fabrieksinstellingen voor Instellingen van de auto. BLIS MY CAR Instellingen assistentiesystemen Rij- Botswaarschuwing Botswaarschuwing 04 Waarschuwingsafstand Voor meer informatie, zie pagina 205. • Geen schermbeveiliging gewenst? - Optie Afstandswaarschuwing Taal Voor meer informatie, zie pagina 177.
04 Comfort en rijplezier Menugroep MY CAR Volume vóór voor parkeerhulp Volume achter voor parkeerhulp Beltoonvolume Systeemopties resetten Bij deze optie herstelt het menusysteem de oorspronkelijke fabrieksinstellingen voor Systeeminstellingen. MY CAR Instellingen SpraakinstellingenA.
04 Comfort en rijplezier Menugroep MY CAR Het aantal faciliteiten is groot en verschilt per markt. Er kunnen maximaal 30 favoriete faciliteiten worden opslagen in deze lijst. De menu-optie POI-lijst voor spraaksysteem verschijnt alleen, als Volvo’s navigatiesysteem RTI* geïnstalleerd is. Voor meer informatie over faciliteiten en spraakherkenning – zie het instructieboekje bij het navigatiesysteem.
04 Comfort en rijplezier Klimaatregeling Algemene informatie Positie van de sensoren • De zonnesensor1 zit boven op het dash- Klimaatregeling De auto is voorzien van elektronische klimaatregeling. De klimaatregeling zorgt ervoor dat de lucht in het interieur gekoeld, verwarmd of van vocht ontdaan wordt. board. • De interieurtemperatuursensor zit onder het bedieningspaneel van de klimaatregeling. • De buitentemperatuursensor zit op de buitenspiegel. N.B.
04 Comfort en rijplezier Klimaatregeling Laat het bijvullen/vervangen van koudemiddel over een gecertificeerde werkplaats. Volvo adviseert u contact op te nemen met een erkende Volvo-werkplaats. astma. Zie voor meer informatie over CZIP de brochure die u bij aankoop hebt ontvangen.
04 Comfort en rijplezier Klimaatregeling • Ventilatorfunctie in automatische stand*, zie pagina 151. • De door de timer geregelde recirculatie van de lucht in de passagiersruimte, zie pagina 153. • Automatische verwarming van de achterruit, zie pagina 103. • Interior Air Quality System (IAQS)*, zie De binnenkomende lucht wordt verdeeld over 20 blaasmonden verspreid over het interieur. Blaasmonden in portierstijlen In de stand AUTO* vindt de luchtverdeling geheel automatisch plaats.
04 Comfort en rijplezier Klimaatregeling Elektronische klimaatregeling, ECC* 04 Temperatuurregeling, linkerzijde Elektrisch verwarmde voorstoel, linkerzijde Max. ontwaseming Ventilator Luchtverdeling - ventilatie vloer Luchtverdeling - blaasmond dashboard Luchtverdeling - ontwaseming voorruit Elektrische achterruit- en buitenspiegelverwarming, zie pagina 103 148 * Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
04 Comfort en rijplezier Klimaatregeling Elektronische temperatuurregeling, ETC 04 Ventilator Elektrisch verwarmde voorstoel, linkerzijde Elektrisch verwarmde voorstoel, rechterzijde Temperatuurregeling AC – Airconditioning aan/uit Max.
04 Comfort en rijplezier Klimaatregeling Gebruik bedieningselementen Elektrisch verwarmde stoelen/ achterbank* Voorstoelen Tweemaal op de knop drukken levert een lager verwarmingsniveau op – op het beeldscherm branden twee oranje lampjes. Achterbank2 Driemaal op de knop drukken levert het laagste verwarmingsniveau op – op het beeldscherm brandt één oranje lampje. De vierde maal dat u op de knop drukt wordt de verwarming uitgeschakeld – geen van de lampjes brandt.
04 Comfort en rijplezier Klimaatregeling Ventilator Luchtverdeling N.B. Als de ventilator volledig uitgeschakeld is, start de airconditioning niet wat kans op beslagen ruiten kan geven. Ventilatorknop voor ECC* Draai aan de knop om de ventilatorsnelheid te verhogen of te verlagen. De ventilatorsnelheid wordt automatisch geregeld, als u AUTO selecteert. De eerder ingestelde ventilatorsnelheid wordt dan gene- 04 Luchtverdeling - ontwaseming Luchtverdeling - blaasmond dashboard geerd.
04 Comfort en rijplezier Klimaatregeling U kunt de ventilatorsnelheid in de automatische stand instellen in het menusysteem MY CAR onder Instellingen Klimaatinstellingen Autom. ventilatorinstellingen. Kies uit Laag, Normaal of Hoog : AC – Airconditioning AAN/UIT Wanneer het lampje in de knop AC brandt, wordt de airconditioning geheel automatisch geregeld. De binnenkomende lucht wordt dan automatisch afgekoeld en van vocht ontdaan. • Laag - Automatische ventilatorregeling.
04 Comfort en rijplezier Klimaatregeling Timer Interior Air Quality System (IAQS)* Bij een geactiveerde timerfunctie zal de klimaatregeling afhankelijk van de buitentemperatuur na een bepaalde tijd de handmatig geactiveerde recirculatiestand verlaten. Dit beperkt de kans op ijs, beslagen ruiten en een slechte luchtkwaliteit. U kunt de functie activeren/ deactiveren in het menusysteem MY CAR onder Instellingen Klimaatinstellingen Timer voor hercirculatie.
04 Comfort en rijplezier Klimaatregeling Luchtverdelingstabel 04 154 Luchtverdeling Toepassing Luchtverdeling Toepassing Lucht naar de ruiten. Er komt een bepaalde hoeveelheid lucht uit de blaasmonden. De lucht wordt niet gerecirculeerd. De airconditioning is altijd ingeschakeld. om snel te ontdooien en te ontwasemen. Lucht naar de vloer en de ruiten. Er komt een bepaalde hoeveelheid lucht uit de blaasmonden in het dashboard.
04 Comfort en rijplezier Motor- en interieurverwarming op brandstof* Verwarming op brandstof Tanken Als de accu onvoldoende opgeladen is of als het brandstofpeil te laag is, wordt de standverwarming automatisch uitgeschakeld en er verschijnt een melding op het display. Bevestig deze melding door op de knop READ op de richtingaanwijzerhendel te drukken, zie pagina 156.
04 Comfort en rijplezier Motor- en interieurverwarming op brandstof* N.B. Symbool Symbool Duimwiel G025102 Knop READ Symbolen en displaymeldingen Wanneer u de instellingen van een van de timers of Directe start activeert, gaat het informatiesymbool op het instrumentenpaneel branden en op het informatiedisplay verschijnen een verklarende melding plus een ander brandend symbool. In de onderstaande tabel staan de voorkomende symbolen en displaymeldingen.
04 Comfort en rijplezier Motor- en interieurverwarming op brandstof* Een displaymelding verdwijnt automatisch na enige tijd. U kunt een melding ook eerder doen verdwijnen met een druk op de knop READ van de richtingaanwijzerhendel. Meteen inschakelen/uitschakelen 1. Gebruik het duimwiel om naar Directe start Standverw. te gaan. 2. Druk op RESET om te kiezen uit AAN en UIT. AAN: De standverwarming is handmatig of via de timerfunctie ingeschakeld.
04 Comfort en rijplezier Motor- en interieurverwarming op brandstof* N.B. Als u de klok van de auto bijstelt, worden eventuele timerinstellingen gewist. 04 158 * Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
04 Comfort en rijplezier Extra verwarming* Algemene informatie over de extra verwarming Interieurverwarming* Als de extra verwarming wordt uitgebreid met een timerfunctie, kan deze dienstdoen als interieurverwarming op brandstof, zie pagina 155. In landen met een koud klimaat1 is wellicht een extra verwarming vereist om de motor op bedrijfstemperatuur te brengen en een behaaglijke temperatuur in de passagiersruimte te realiseren.
04 Comfort en rijplezier Boordcomputer Algemene informatie Functies N.B. Als er een waarschuwingsmelding verschijnt tijdens het gebruik van de boordcomputer, dient u deze melding eerst te bevestigen voordat u de boordcomputer weer kunt activeren. Bevestig de waarschuwingsmelding door te drukken op READ. 04 Informatiedisplay en bedieningselementen.
04 Comfort en rijplezier Boordcomputer Op nul stellen 1. Selecteer --- km/h gem. snelheid of --.l/100km gemiddeld. 2. Houd RESET ca. 1 seconde ingedrukt om de waarde voor de gekozen functie op nul te stellen. Als u RESET ten minste 3 seconden lang ingedrukt houdt, stelt u de gemiddelde snelheid en het gemiddelde brandstofverbruik gelijktijdig op nul. Actuele snelheid*1 04 Bij een snelheidsmeter met een kilometerschaal wordt de actuele snelheid weergegeven in km/h.
04 Comfort en rijplezier Stabiliteits- en tractieregelsysteem, DSTC Algemene informatie over DSTC Het stabiliteits- en tractieregelsysteem DSTC (Dynamic Stability and Traction Control) helpt de bestuurder voorkomen dat de wielen doorslippen en verbetert de tractie van de auto. Tijdens het afremmen kunnen de ingrepen van het systeem waarneembaar zijn in de vorm van pulserende geluiden. Tijdens het gas geven kan de auto langzamer optrekken dan u verwacht.
04 Comfort en rijplezier Stabiliteits- en tractieregelsysteem, DSTC DSTC Service vereist betekent dat het systeem wegens een storing werd uitgeschakeld. Breng de auto zo spoedig mogelijk tot stilstand en zet de motor af. > Als de melding een volgende keer dat u motor start opnieuw verschijnt – rijd de auto dan naar een werkplaats. Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats. Symbolen op instrumentenpaneel 04 Als de symbolen en gelijktijdig verschijnen – lees de melding op het informatiedisplay.
04 Comfort en rijplezier Rijeigenschappen aanpassen Actieve chassisregeling (Four-C)* Bediening Het actieve chassissysteem FOUR-C (Continously Controlled Chassis Concept) stemt de eigenschappen van de schokdempers af op de gewenste rijeigenschappen van de auto. U hebt de keuze uit drie standen: Comfort, Sport en Advanced. Voor een beschrijving van het menusysteem, zie pagina 139. Dit menu is niet te openen wanneer de auto rijdt.
04 Comfort en rijplezier Cruisecontrol* Bediening De cruisecontrol is vervolgens te activeren met of , waarna de actuele snelheid in het geheugen opgeslagen wordt – de melding (---) km/h op het display maakt plaats voor de gekozen snelheid, bijv. 100 km/h. N.B. G021411 Bij snelheden lager dan 30 km/h is het niet mogelijk de cruisecontrol in te schakelen. Toetsenset op stuurwiel en display. Cruisecontrol – Aan/Uit. De stand-bystand wordt beëindigd en de ingestelde snelheid wordt hervat.
04 Comfort en rijplezier Cruisecontrol* N.B. Wanneer u de ingestelde snelheid hebt hervat met kan er een duidelijke snelheidsverhoging optreden. Uitschakelen 04 166 De cruisecontrol wordt uitgeschakeld bij gebruik van de stuurtoets CRUISE of bij het afzetten van de motor – de ingestelde snelheid wordt uit het geheugen verwijderd en valt niet langer te hervatten met de toets . * Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
04 Comfort en rijplezier Adaptieve cruisecontrol* WAARSCHUWING De bestuurder dient altijd rekening te houden met de verkeersomstandigheden en in te grijpen, wanneer de adaptieve cruisecontrol geen passende snelheid of afstand aanhoudt. U stelt de gewenste snelheid en het tijdsverschil ten opzichte van de voorligger. Wanneer de radarsensor een voorligger registreert die langzamer rijdt dan u, wordt uw snelheid automatisch aangepast. Wanneer de weg voor u weer vrij is, hervat de auto de ingestelde snelheid.
04 Comfort en rijplezier Adaptieve cruisecontrol* WAARSCHUWING De adaptieve cruisecontrol is geen systeem dat botsingen voorkomt. Grijp zelf in zodra u merkt dat het systeem een voorligger niet registreert. De adaptieve cruisecontrol reageert niet op voetgangers of dieren noch op kleinere voertuigen, zoals fietsen of motorfietsen e.d. Tegenliggers, langzaam rijdende en stilstaande voertuigen of vaste obstakels worden eveneens genegeerd.
04 Comfort en rijplezier Adaptieve cruisecontrol* WAARSCHUWING Bediening De adaptieve cruisecontrol waarschuwt alleen voor de voertuigen die de radarsensor heeft geregistreerd. Het is dan ook mogelijk dat een waarschuwing uitblijft of pas na enige vertraging wordt gegeven. Wacht een waarschuwing dan ook niet af, maar rem zelf wanneer u dat nodig acht.
04 Comfort en rijplezier Adaptieve cruisecontrol* N.B. Als een van de toetsen van de cruisecontrol langer dan ca. 1 minuut ingedrukt wordt, wordt de cruisecontrol uitgeschakeld. Om de cruisecontrol in dat geval te resetten moet u de motor afzetten. In bepaalde situaties is het niet mogelijk de adaptieve cruisecontrol te activeren. Op het display staat dan ACC niet beschikbaar, zie pagina 175.
04 Comfort en rijplezier Adaptieve cruisecontrol* tieregelsysteem (DSTC). Als een van dergelijke systeem uitvalt, wordt de cruisecontrol automatisch uitgeschakeld. Bij automatische deactivering klinkt een waarschuwingssignaal en op het display verschijnt de melding ACC gedeactiveerd. U moet in dat geval zelf ingrijpen om de snelheid en afstand ten opzichte van de voorligger aan te passen. Automatische deactivering is mogelijk, wanneer: • het toerental van de motor te laag/hoog N.B.
04 Comfort en rijplezier Adaptieve cruisecontrol* of • Bedien het gaspedaal en accelereer tot minimaal 4 km/h (stapvoets). De cruisecontrol zal dan de voorligger opnieuw volgen. Wanneer de cruisecontrol een rijdende voorligger volgt bij snelheden onder 30 km/h, van doelvoertuig verandert en een stilstaand voertuig volgt, zal de cruisecontrol voor het stilstaande voertuig remmen. WAARSCHUWING N.B.
04 Comfort en rijplezier Adaptieve cruisecontrol* Radarsensor en de beperkingen ervan De radarsensor wordt niet alleen gebruikt door de adaptieve cruisecontrol maar ook door het Collision Warning with Auto Brake (zie pagina 185) en de afstandscontrole (zie pagina 177). De radarsensor dient om personenauto’s of grotere voertuigen te registreren die in dezelfde richting als u en in dezelfde rijstrook rijden. Bij modificatie van de radarsensor is het mogelijk dat het gebruik ervan onwettig wordt.
04 Comfort en rijplezier Adaptieve cruisecontrol* Soms kan de radarsensor een voertuig op korte afstand pas laat registreren, bijvoorbeeld als een inhalend voertuig invoegt tussen u en uw voorligger. In de volgende tabel staan mogelijke oorzaken van het verschijnen van de melding en passende maatregelen. Ook kleine voertuigen, zoals motorfietsen of voertuigen die niet in het midden van de rijstrook rijden, kunnen onopgemerkt blijven.
04 Comfort en rijplezier Adaptieve cruisecontrol* Oorzaak Maatregel De radarsignalen worden gehinderd door opspattend water en opdwarrelende sneeuw van het wegdek. Valt niets aan te doen. Op weggedeelten met een dikke laag water of sneeuw werkt de radar soms niet. De melding blijft ook na schoonmaak van het radaroppervlak staan. Wacht even. Het kan enige minuten duren voordat de radar doorheeft dat de radarsignalen niet langer worden geblokkeerd.
04 Comfort en rijplezier Adaptieve cruisecontrol* Symbool Melding Betekenis Radar afgedekt Zie instructieb. De adaptieve cruisecontrol werkt tijdelijk niet. • De radarsensor kan geen andere voertuigen registreren. Bijvoorbeeld wanneer deze wordt gehinderd door hevige regenval of als sneeuwmodder of andere verontreinigingen de radarsensor afdekken. Voor meer informatie over de beperkingen van de radarsensor, zie pagina 173. ACC Service vereist De adaptieve cruisecontrol werkt niet.
04 Comfort en rijplezier Afstandscontrole* Algemene informatie De afstandscontrole (Distance Alert) is een functie die u inlicht over de volgtijd ten opzichte van de voorligger. De afstandscontrole is actief bij snelheden hoger dan 30 km/h en reageert uitsluitend op voorliggers die in dezelfde richting als u rijden. Voor voertuigen die langzaam in tegengestelde richting rijden of stilstaan wordt geen afstandsinformatie gegeven. N.B.
04 Comfort en rijplezier Afstandscontrole* U kunt verschillende volgtijden ten opzichte van voorliggers kiezen en deze worden op het display als 1–5 horizontale streepjes weergegeven – hoe meer streepjes, des te langer de volgtijd. Eén streepje komt overeen met ca. 1 seconde ten opzichte van de voorligger en 5 streepjes met ca. 2,5 seconden. 04 N.B. Hoe hoger de snelheid, hoe langer de volgafstand in meters voor een bepaalde volgtijd.
04 Comfort en rijplezier Afstandscontrole* Symbool Melding Betekenis Radar afgedekt. De afstandscontrole werkt tijdelijk niet. Zie instructieb. De radarsensor kan geen andere voertuigen registreren wanneer deze wordt gehinderd door bijvoorbeeld hevige regenval of als sneeuwmodder of andere verontreinigingen de radarsensor afdekken. Voor meer informatie over de beperkingen van de radarsensor, zie pagina 173.
04 Comfort en rijplezier City Safety™ Algemene informatie City Safety™ is een hulpmiddel om u te helpen een botsing te voorkomen tijdens filerijden e.d., waarbij plotselinge wijzigingen in het verkeer vóór u gekoppeld aan onoplettendheid tot bijna-ongelukken kunnen leiden. 04 De functie die actief is bij een snelheid tot 30 km/h helpt u door automatisch te remmen, wanneer het gevaar voor een botsing met een voorligger reëel is en u zelf niet snel genoeg remt en/of uitwijkt.
04 Comfort en rijplezier City Safety™ Bij een snelheidsverschil van 15–30 km/h tussen de beide voertuigen kan City Safety™ een botsing niet geheel op eigen kracht voorkomen – voor het maximale remvermogen dient u zelf het rempedaal te bedienen. In dat geval is het ook bij snelheidsverschillen groter dan 15 km/h mogelijk een botsing te voorkomen. Wanneer het systeem ingrijpt en remt, verschijnt op het display van het instrumentenpaneel de melding dat het systeem actief is/was. N.B.
04 Comfort en rijplezier City Safety™ City Safety™ wordt niet geactiveerd op lage snelheden (onder 4 km/h), wat betekent dat het systeem niet ingrijpt in situaties waarbij u een voorligger uiterst langzaam nadert zoals tijdens het parkeren. De commando’s die u zelf geeft hebben altijd voorrang, wat betekent dat City Safety™ niet ingrijpt in situaties waarbij u duidelijke commando’s geeft via stuurwiel, rem- of gaspedaal, zelfs al is een botsing onvermijdelijk.
04 Comfort en rijplezier City Safety™ BELANGRIJK Als het voorruitoppervlak vóór een van beide “ogen” barsten, krassen of steenslagschade vertoont van 0,5 × 3,0 mm (of groter), neem dan contact op met een erkende werkplaats om de voorruit te laten repareren of vervangen (zie de afbeelding met de positie van de sensor op pagina 180) – geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats. Als u niets doet, presteert City Safety™ mogelijk minder goed.
04 Comfort en rijplezier City Safety™ Symbool Melding Betekenis/Maatregel Autom. remmen door City Safety City Safety™ remt op dit moment of remde eerder automatisch. Voorruitsensoren afgedekt De lasersensor werkt tijdelijk niet doordat deze door iets gehinderd wordt. • Verwijder het voorwerp dat de sensoren hindert en/of maak het voorruitoppervlak vóór de sensoren schoon. 04 Voor meer informatie over de beperkingen van de lasersensoren, zie pagina 181.
04 Comfort en rijplezier Collision Warning and Pedestrian Detection with Auto Brake* Algemene informatie De CWAB met voetgangersdetectie (Collision Warning and Pedestrian Detection with Full Auto Brake) is een hulpmiddel dat bestemd is om u te waarschuwen, wanneer het gevaar bestaat dat u op een voetganger of een (stilstaande of rijdende) voorligger botst. Collision Warning kent drie hulpfuncties. Collision Warning en City Safety™ vullen elkaar aan. Voor meer informatie over City Safety™, zie pagina 180.
04 Comfort en rijplezier Collision Warning and Pedestrian Detection with Auto Brake* Functie Brake Support Bediening Als het gevaar voor een botsing na de Collision Warning verder toeneemt, treedt de Brake Support in werking. De Brake Support treft de nodige voorbereidingen voor een snelle remmanoeuvre waarna de remmen licht worden aangezet. Dit is te merken aan een lichte schok. Via een menusysteem van MY CAR op het beeldscherm van de middenconsole zijn eventuele instellingen te verrichten.
04 Comfort en rijplezier Collision Warning and Pedestrian Detection with Auto Brake* Waarschuwingssignalen activeren/ deactiveren Als bij het starten van de motor blijkt dat u ervoor gekozen hebt het systeem in te schakelen, wordt het waarschuwingslampje automatisch geactiveerd. De waarschuwingszoemer is apart te activeren/deactiveren via de opties Aan en Uit in het menusysteem MY CAR onder Instellingen Auto-instellingen Rijassistentiesystemen Signaaltoon bij botsgevaar.
04 Comfort en rijplezier Collision Warning and Pedestrian Detection with Auto Brake* N.B. Het visuele waarschuwingssignaal kan korte tijd buiten werking worden gesteld, wanneer de temperatuur in het interieur bijvoorbeeld door de felle zon te hoog is opgelopen. Als dit gebeurt, wordt er een waarschuwingszoemer afgegeven ook al hebt u dit uitgeschakeld via het menusysteem.
04 Comfort en rijplezier Collision Warning and Pedestrian Detection with Auto Brake* N.B. Houd de voorruit vóór de camerasensor vrij van sneeuw, ijs, condens en vuil. Voetgangersdetectie (Pedestrian detection) • Een voetganger is alleen te ontdekken wanneer deze helemaal zichtbaar is en een lengte heeft van minimaal 80 cm.
04 Comfort en rijplezier Collision Warning and Pedestrian Detection with Auto Brake* Storingen opsporen en verhelpen Als op het display de melding Voorruitsensoren afgedekt staat, betekent dit dat de camerasensor afgedekt is en geen voetgangers, voertuigen of rijstrookmarkeringen vóór de auto kan ontdekken. Dit betekent ook dat er beperkingen gelden voor de functies Collision Warning with Auto Brake, Lane Departure Warning en Driver Alert Control.
04 Comfort en rijplezier Collision Warning and Pedestrian Detection with Auto Brake* Symbool Melding Betekenis Remassistent geactiveerd De Auto Brake was actief. Voorruitsensoren afgedekt De camerasensor werkt tijdelijk niet. De melding verdwijnt na bediening van de toets READ. Verschijnt bijvoorbeeld bij sneeuw, ijs of vuil op de voorruit. • Maak het voorruitoppervlak vóór de camerasensor schoon. Voor meer informatie over de beperkingen van de camerasensor - zie pagina 188.
04 Comfort en rijplezier Driver Alert System – DAC* Algemene informatie over Driver Alert System Driver Alert System is bestemd om u te helpen als de auto op een ongecontroleerde manier wordt bestuurd of op het punt staat de rijstrookmarkering te overschrijden.
04 Comfort en rijplezier Driver Alert System – DAC* Beperkingen Soms kan het systeem ten onrechte waarschuwen voor ongecontroleerde stuurbewegingen. Dit kan bijvoorbeeld gebeuren bij: • gebruik van de functie LDW. • zijdelingse rukwinden. • spoorvorming in het wegdek. Duimwiel. Draai eraan totdat Driver Alert op het display verschijnt. Op de tweede regel staan de opties Uit, Standby <65 km/h, Niet beschikbaar of Niveaumarkering. READ bevestigt en wist een opgeslagen waarschuwing.
04 Comfort en rijplezier Driver Alert System – DAC* Symbolen en meldingen op display Symbool 04 Melding Betekenis Driver Alert UIT De functie is niet ingeschakeld. Driver Alert stand-by <65km/h De functie is stand-by gezet omdat de rijsnelheid onder 65 km/h ligt. Driver Alert niet beschikbaar De weg is niet voorzien van duidelijke markeringsstrepen of de camerasensor werkt tijdelijk niet. Voor meer informatie over de beperkingen van de camerasensor, zie pagina 188.
04 Comfort en rijplezier Driver Alert System – (LDW)* Algemene informatie over Lane Departure Warning (LDW) Bediening en functie Als de camera de rijstrookmarkeringen op het wegdek niet langer registreert verschijnt op het display de melding Lane Depart Warn niet beschikbaar. Als de rijsnelheid tot onder de 60 km/h daalt, neemt de functie de stand-bystand weer in en verschijnt op het display de melding Lane Depart Warn stand-by <65 km/h.
04 Comfort en rijplezier Driver Alert System – (LDW)* N.B. Iedere keer dat de wielen een markeringsstreep passeren wordt er slechts eenmaal gewaarschuwd. Er wordt dan ook niet meer gewaarschuwd, wanneer u met één wiel aan weerszijden zijden van de rijstrookmarkering blijft rijden. Symbolen en meldingen op display 04 Symbool Melding Betekenis Lane departure warning AAN/UIT De functie is ingeschakeld/uitgeschakeld. Verschijnt bij inschakeling/uitschakeling.
04 Comfort en rijplezier Driver Alert System – (LDW)* Symbool Melding Betekenis Voorruitsensoren afgedekt De camerasensor werkt tijdelijk niet. Verschijnt bijvoorbeeld bij sneeuw, ijs of vuil op de voorruit. • Maak het voorruitoppervlak vóór de camerasensor schoon. Voor meer informatie over de beperkingen van de camerasensor, zie pagina 188. Driver Alert Sys Service vereist Het systeem is defect. • Bezoek een werkplaats als de melding niet verdwijnt – geadviseerd wordt een erkende Volvowerkplaats.
04 Comfort en rijplezier Park Assist* Algemene informatie Functie Park Assist is bedoeld als hulpmiddel tijdens het parkeren. Geluidssignalen en symbolen op het beeldscherm van de middenconsole geven de afstand aan tot een waargenomen obstakel. Het Park Assist-volume is tijdens de weergave van geluidssignalen bij te stellen met de knop VOL op de middenconsole of in het menusysteem MY CAR van de auto – zie pagina 139.
04 Comfort en rijplezier Park Assist* Bij een afstand tot 30 cm bestaat het geluidssignaal uit een ononderbroken toon en is de sensorsector die het dichtst bij de auto ligt geheel gevuld. Als er zowel voor als achter de auto obstakels binnen deze afstand zijn waargenomen, komen de geluidssignalen beurtelings uit de luidsprekers aan linker- en rechterzijde.
04 Comfort en rijplezier Park Assist* BELANGRIJK In bepaalde omstandigheden kan de parkeerhulp ten onrechte waarschuwingssignalen afgeven. Dit komt door externe geluidsbronnen met ultrasone geluidssignalen van dezelfde frequentie als de sensoren van het systeem. 04 Voorbeelden van dergelijke geluidsbronnen zijn onder meer claxons, natte banden op asfaltwegen, luchtdrukremmen en uitlaten van motorfietsen e.d. Positie van de achterste sensoren.
04 Comfort en rijplezier Park Assist-camera* Algemene informatie automatisch over om de cameraweergave te tonen. De Park Assist-camera is een hulpsysteem dat automatisch geactiveerd wordt bij het inschakelen van de achteruitversnelling (de functie is te wijzigen in het instellingenmenu, zie pagina 139). De cameraweergave verschijnt op het beeldscherm van de middenconsole.
04 Comfort en rijplezier Park Assist-camera* Hulplijnen 04 Camerapositie bij de openingshandgreep. Lichtomstandigheden De cameraweergave wordt automatisch aangepast aan de heersende lichtomstandigheden. Dit kan ertoe leiden dat de beeldweergave ietwat kan variëren wat lichtsterkte en kwaliteit betreft. Slechte lichtomstandigheden leveren mogelijk een iets slechtere beeldkwaliteit op. N.B. Houd voor optimale werking de cameralenzen vrij van vuil, sneeuw en ijs.
04 Comfort en rijplezier Park Assist-camera* Grenslijnen per reiken zolang er geen obstakel in de weg staat. Auto’s met Park Assist-sensoren achter* Kleur Afstand (meter) Oranje 1,5– Oranje 0,3–1,5 Rood 0–0,3 Instellingen Druk op OK/MENU wanneer een cameraweergave getoond wordt. Voer de gewenste instellingen uit. 04 Overig Lijnen van het systeem. • De standaardinstelling is dat de camera wordt geactiveerd bij het inschakelen van de achteruitversnelling.
04 Comfort en rijplezier Park Assist-camera* Beperkingen N.B. Fietsdragers of andere accessoires achter op de auto kunnen het blikveld van de camera blokkeren. 04 Let erop dat ook als het geblokkeerde gebied er op het scherm relatief klein uitziet, het werkelijke, verborgen gebied dusdanig groot kan zijn dat obstakels pas worden geregistreerd wanneer u er bijna bovenop zit. Waar u op moet letten • Houd de cameralens vrij van vuil, sneeuw en ijs.
04 Comfort en rijplezier BLIS* – Blind Spot Information System Algemene informatie over BLIS WAARSCHUWING G031404 Het systeem vormt een aanvulling op – geen vervanging voor – een veilige rijstijl en het gebruik van de buitenspiegels. De bestuurder moet altijd oplettend en verantwoord blijven rijden. De bestuurder is er altijd verantwoordelijk voor dat er op een veilige manier van rijstrook wordt gewisseld.
04 Comfort en rijplezier BLIS* – Blind Spot Information System Activeren/deactiveren Bij het heractiveren van BLIS brandt het lampje in de knop, verschijnt er een nieuwe displaymelding en lichten de controlelampjes in de portieren 3 keer op. Druk op de knop READ om de displaymelding te laten verdwijnen. (Voor een beschrijving van de meldingsfuncties, zie pagina 136). 04 Knop voor activering/deactivering. BLIS wordt bij het starten van de motor automatisch geactiveerd.
04 Comfort en rijplezier BLIS* – Blind Spot Information System WAARSCHUWING Het systeem reageert niet op fietsers en bromfietsers. De BLIS-camera’s kennen ongeveer dezelfde beperkingen als het menselijk oog. Dit houdt in dat ze bijvoorbeeld minder goed “zien” bij hevige sneeuwval, fel tegenlicht of dichte mist. Schoonmaken BLIS werkt alleen optimaal, als de lenzen van de BLIS-camera’s schoon zijn. U kunt de lenzen schoonmaken met een zachte doek of een vochtige spons.
04 Comfort en rijplezier BLIS* – Blind Spot Information System Beperkingen Soms kan het controlelampje voor BLIS oplichten zonder dat u voertuigen in de dode hoeken kunt waarnemen. N.B. Als het controlelampje voor BLIS soms oplicht zonder dat u andere voertuigen in de dode hoeken kunt waarnemen, betekent dit niet dat het systeem een storing vertoont. 04 Bij een storing in het BLIS-systeem verschijnt op het display de melding BLIS Service vereist.
04 Comfort en rijplezier Interieurcomfort Opbergmogelijkheden 04 `` 209
04 Comfort en rijplezier Interieurcomfort Opbergvak in portierpaneel Middenconsole Opbergzak* aan de voorkant van de voorstoelzittingen Parkeerkaarthouder Dashboardkastje Opbergvakken, bekerhouder U activeert de aansteker door de knop in te drukken. Wanneer de aansteker heet genoeg is, veert de knop automatisch uit. Haal de aansteker uit de opening en gebruik het roodgloeiende deel om bijvoorbeeld een sigaret mee aan te steken.
04 Comfort en rijplezier Interieurcomfort 12V-aansluiting Inlegmatten* mediaspelers of mobiele telefoons. De transpondersleutel moet ten minste in sleutelstand I staan, anders geeft de aansluiting geen stroom, zie pagina 79. Volvo biedt inlegmatten die speciaal vervaardigd zijn. WAARSCHUWING BELANGRIJK Controleer voordat u wegrijdt of de inlegmat voor de bestuurdersstoel goed ligt en aan de pennen vastzit zodat hij niet naast of onder de pedalen klem kan komen te zitten.
04 Comfort en rijplezier Interieurcomfort N.B. Extra uitrusting en accessoires – zoals beeldschermen, mediaspelers en mobiele telefoons – die zijn aangesloten op een van de 12V-aansluitingen in de passagiersruimte worden mogelijk geactiveerd door de klimaatregeling, ook al is de transpondersleutel uitgenomen of de auto vergrendeld, als bijvoorbeeld de standverwarming ingesteld is om op een bepaalde tijd in te schakelen.
04 Comfort en rijplezier 04 213
Algemene informatie over infotainment................................................ Beknopte bedieningsinstructies............................................................ Algemene infotainmentfuncties............................................................. Radio..................................................................................................... Mediaspeler..........................................................................................
INFOTAINMENT
05 Infotainment Algemene informatie over infotainment Algemene informatie Het infotainmentsysteem in uw auto is verkrijgbaar in vier uitvoeringen: Performance • • • • • • • 05 5"-beeldscherm TFT Toetsenset* op stuurwiel zonder duimwiel AM/FM-radio Cd AUX-ingang 6 luidsprekers 4x20W-versterker High Performance • • • • • • • • 5"-beeldscherm TFT Toetsenset* op stuurwiel met duimwiel AM/FM-radio AUX- en USB-ingang (voor iPod bijv.
05 Infotainment Algemene informatie over infotainment Wanneer de transpondersleutel niet in het contactslot steekt, is het infotainment 15 minuten achtereen te gebruiken door op de knop Aan/ Uit te drukken. Bij het starten van de motor wordt het infotainmentsysteem tijdelijk uitgeschakeld en weer ingeschakeld wanneer de motor is aangeslagen. N.B. Haal de transpondersleutel uit het contactslot als u het infotainmentsysteem gebruikt terwijl de motor afgezet is.
05 Infotainment Beknopte bedieningsinstructies Overzicht infotainment Installatie bedienen contacten* door te bladeren of de opties op het beeldscherm (bijv. FM1, Disk) door te nemen. Brontoetsen AUX- en USB1-ingangen voor externe geluidsbronnen (bijv. iPod) 05 Toetsenset* op stuurwiel Beeldscherm. Het beeldscherm is verkrijgbaar in twee maten: 5" (Performance en High Performance) en 7" (High Performance Multimedia en Premium Sound Multimedia). In dit boekje wordt het beeldscherm van 7" getoond.
05 Infotainment Beknopte bedieningsinstructies Basisfuncties infotainment Middenconsole met bedieningselementen voor basisfuncties. SOUND – Menu voor audio-instellingen (lage tonen, hoge tonen e.d.) openen. Voor meer informatie, zie pagina 223. VOL – Omdraaien om het volume te verhogen of te verlagen. – Bij kort indrukken wordt de installatie ingeschakeld en bij lang indrukken vindt uitschakeling plaats.
05 Infotainment Beknopte bedieningsinstructies Moederweergave wiel en druk op het duimwiel om uw keuze te bevestigen. • Draai aan het duimwiel totdat een van de opties (2) op het beeldscherm verschijnt (bijv. FM1) en druk op het duimwiel om uw keuze te bevestigen. Dit voert u naar de gewenste bron (bijv. RADIO/FM1). Lang indrukken van EXIT voert u terug. NAV – Volvo’s navigatiesysteem (RTI)* Voorbeeld van snelweergave (radio). Voorbeeld van moederweergave (radio).
05 Infotainment Beknopte bedieningsinstructies Toetsenset* op stuurwiel Toetsenset op stuurwiel met duimwiel De toetsenset is verkrijgbaar in verschillende uitvoeringen afhankelijk van de extra’s en het uitrustingsniveau van de auto. gebruik van MENU) openen, een optie in het menusysteem bevestigen (OK) of een telefoongesprek aannemen.
05 Infotainment Beknopte bedieningsinstructies ingevoerde tekens wissen. Lang indrukken om naar het hoogste menuniveau (de moederweergave) te gaan, zie pagina 220. Duimwiel – Eraan draaien om een stap omhoog/omlaag te doen binnen het menusysteem. Bij het indrukken van het duimwiel kunt u het actuele menu (net als bij gebruik van MENU) openen, een optie in het menusysteem bevestigen (OK) of een telefoongesprek aannemen.
05 Infotainment Algemene infotainmentfuncties FAV - favoriet opslaan • • • • iPod* INFO - aanvullende informatie tonen Bluetooth* AUX TV - instelling* Het is tevens mogelijk een favoriet te kiezen en op te slaan voor TEL*, MY CAR, CAM* en NAV*. Favorieten zijn eveneens te kiezen en op te slaan onder MY CAR. Voor meer informatie over het menusysteem MY CAR, zie pagina 139.
05 Infotainment Algemene infotainmentfuncties Druk opnieuw meerdere malen op SOUND of OK/MENU om de overige alternatieven te bereiken: • Surround1 – Is Aan/Uit te zetten. Wanneer u voor Aan hebt gekozen, hanteert het systeem de instelling voor optimale geluidsweergave. Normaal is dat DPLII en in dat op het beeldscherm. geval verschijnt Als de opname werd gemaakt met Dolby Digital-techniek, vindt de weergave plaats met deze instelling en verschijnt op het beeldscherm.
05 Infotainment Algemene infotainmentfuncties 1. Druk op de toets MEDIA, draai aan TUNE totdat u AUX bereikt en wacht enkele seconden voordat u op OK/MENU drukt. 2. Druk op OK/MENU en draai vervolgens aan TUNE totdat u AUX-ingangsvolume bereikt. Bevestig uw keuze met OK/ MENU. volumeknop, de radio-ontvangst en de rijsnelheid.
05 Infotainment Radio Radiofuncties, algemeen N.B. Als de auto is uitgerust met een toetsenset* op het stuurwiel en/of een afstandsbediening*, kunt u deze meestal gebruiken in plaats van de toetsen op de middenconsole. Voor een beschrijving van de toetsenset op het stuurwiel, zie zie pagina 221. Voor een beschrijving van de afstandsbediening, zie pagina 249. Menufuncties 1. Kies de gewenste frequentieband (FM1 of FM2). Sneltoetsen (0–9) Radio AM/FM 3.
05 Infotainment Radio N.B. • De lijst vermeldt alleen de frequenties van de zenders waarop u hebt afgestemd en vormt dan ook geen complete lijst met alle beschikbare radiofrequenties op de frequentieband van uw keuze. • Als de zender waarop u hebt afgestemd een zwak signaal heeft, kan de radio de zenderlijst mogelijk niet bijwerken. Druk (terwijl de in dat geval op de toets zenderlijst op het beeldscherm staat) om over te schakelen op handmatig zoeken en zelf een frequentie in te stellen.
05 Infotainment Radio 1. Stem af op een zender (zie “Zenders zoeken”, pagina 226). 2. Houd een van de sneltoetsen enkele seconden ingedrukt. Het geluid verdwijnt zolang maar keert terug wanneer de zender opgeslagen is. De sneltoets is vervolgens te gebruiken. U kunt een lijst met voorkeurzenders tonen2 op het beeldscherm. De functie is te activeren/ deactiveren in stand FM/AM onder FM-menu Presets tonen of AM-menu Presets weergeven.
05 Infotainment Radio Verkeersinformatie, TP Bij activering van deze functie wordt de weergave van de actieve geluidsbron onderbroken voor een uitzending met verkeersinformatie via het RDS-netwerk van de zender waarop is afgestemd. Het symbool TP geeft aan dat de functie actief is. Als de zender waarop u hebt afgestemd verkeersinformatie kan doorgeven, wordt dat aangegeven met een fel verlicht TP op het beeldscherm. TP is anders grijs van kleur.
05 Infotainment Radio Er verschijnt een indicatie op het beeldscherm wanneer PTY geactiveerd is. U deactiveert de PTY-functie in stand FM onder FM-menu Geavanceerde instellingen PTY-instellingen Verkeersinfo van andere zenders ontvangen. De gekozen programmatypes (PTY) worden niet gereset. Resetten en verwijderen van PTY is mogelijk onder FM-menu Geavanceerde instellingen PTY-instellingen PTY kiezen Alles wissen.
05 Infotainment Radio Digitale radio (DAB)* Algemene informatie DAB (Digital Audio Broadcasting) is een systeem voor digitale overdracht van radiosignalen. N.B. Dit systeem biedt geen ondersteuning voor DAB+. N.B. Er is niet overal dekking voor DAB. Als er geen dekking is, verschijnt de melding Geen ontvangst op het beeldscherm. Service en Ensemble • Voor onderhoud - Kanaal, radiokanaal (het systeem biedt alleen ondersteuning voor geluidsdiensten).
05 Infotainment Radio Programmatype (PTY) Met de functie programmatype kunt u verschillende soorten radioprogramma’s kiezen. Er bestaan verschillende programmatypes voor uiteenlopende soorten programmacategorieën. Wanneer u een bepaald programmatype hebt gekozen, navigeert u uitsluitend binnen de kanalen die programma’s van het gekozen type uitzenden. U kiest een programmatype in stand DAB onder DAB-menu PTY-filter . Verlaat deze stand als volgt: 05 Druk op EXIT.
05 Infotainment Radio Frequentieband DAB is in staat op twee5 frequentiebanden uit te zenden: • Band III – bestrijkt gebieden buiten de grote steden • Band L - Voornamelijk in de grote steden Wanneer u alleen voor Band III kiest, verloopt het programmeren van kanalen sneller dan als u voor zowel Band III als Band L hebt gekozen. Het is echter niet zeker dat alle kanaalgroepen ook daadwerkelijk worden gevonden. De gekozen frequentieband is niet van invloed op de opgeslagen voorkeuren.
05 Infotainment Mediaspeler CD/DVD1-functies De mediaspeler ondersteunt de volgende soorten discs en bestanden en kan deze met andere woorden afspelen: • Voorbespeelde cd-discs (CD Audio). • Zelfgebrande cd’s met audio- en/of videobestanden1. • Voorbespeelde video-dvd’s1. • Zelfgebrande dvd’s1 met audio- en/of videobestanden. Voor meer informatie over de ondersteunde formaten, zie pagina 237. Bedieningspaneel op middenconsole.
05 Infotainment Mediaspeler Afspelen en navigeren Audio-cd’s Draai aan TUNE om de speellijst van de disc te bekijken en door de lijst te navigeren. Met OK/ MENU wordt de trackkeuze bevestigd en de weergave gestart. Druk op EXIT om te annuleren en de speellijst te verlaten. Wisselen van disctrack is ook mogelijk door te / op de middenconsole of drukken op op de toetsenset* op het stuurwiel.
05 Infotainment Mediaspeler medium weer en voor iedere track verschijnen de tracktitel, de uitvoerende artiest en het album. Als de audio-cd geen treffer in de database oplevert, wordt de cd-tekst op de cd zelf gebruikt. Als er geen cd-tekst op de disc staat, verschijnen alleen track 1, track 2 etc. 2. Draai aan TUNE totdat Willekeurige weergave verschijnt Afspelen 3. Druk op OK/MENU om de functie te activeren/deactiveren.
05 Infotainment Mediaspeler Navigeren in eigen menu video-dvd hoofdstukken. Druk op OK/MENU om uw keuze te activeren en terug te keren naar de uitgangspositie. Met EXIT annuleert u uw keuze en keert u terug naar de uitgangspositie (zonder een keuze te maken). Wisselen van hoofdstuk is ook mogelijk door te drukken op / op de middenconsole of op de toetsenset* op het stuurwiel. Geavanceerde instellingen6 Hoek Met de bedieningselementen op de middenconsole kunt u navigeren in het eigen menu van de video-dvd.
05 Infotainment Mediaspeler N.B. Dubbelzijdige schijven van het zogeheten dual format-type (DVD Plus, CD-DVD) zijn dikker dan normale cd’s. Het is dan ook niet zeker of dergelijke schijven kunnen worden afgespeeld en storingen zijn mogelijk. Als een cd een mix van mp3- en CD-DAbestanden bevat, worden alle mp3-tracks genegeerd. AudioformatenA CD-Audio, mp3, wma AudioformatenB CD-Audio, mp3, wma, aac, m4a VideoformatenC CD-Video, DVD-Video, divx, avi, asf 05 A B C 238 Geldt voor Performance.
05 Infotainment Externe geluidsbron via AUX/USB*-ingang AUX, USB1 en externe geluidsbron Algemene informatie Aansluitingspunten voor externe geluidsbronnen. Via een van de aansluitingen in de middenconsole is het mogelijk een externe geluidsbron (zoals een iPod of mp3-speler) aan te sluiten op het audiosysteem. Een op de USB-ingang aangesloten geluidsbron is vervolgens te bedienen2 via de geluidsregeling van de auto.
05 Infotainment Externe geluidsbron via AUX/USB*-ingang menufuncties en menusystemen, zie pagina 264. Afspelen en navigeren3 Draai aan TUNE om de speellijst/mapstructuur te openen en door de lijst/structuur te navigeren. Met OK/MENU wordt de gekozen submap bevestigd of de weergave van het gekozen audio-/videobestand gestart. Druk op EXIT om te annuleren en de speellijst te verlaten of een stap omhoog (terug) te zetten in de mapstructuur.
05 Infotainment Externe geluidsbron via AUX/USB*-ingang Mp3-speler Veel mp3-spelers werken met hun eigen bestandssysteem die niet ondersteund worden door het Infotainmentsysteem. Om een dergelijke mp3-speler te kunnen gebruiken binnen het systeem, dient de speler in de stand USB Removable device/Mass Storage Device te staan. A Audioformaten mp3, wma, aac, m4a VideoformatenA divx, avi, asf Geldt alleen voor High Performance Multimedia en Premium Sound Multimedia.
05 Infotainment Media Bluetooth* Streaming audio Algemene informatie De mediaspeler in de auto is uitgerust met Bluetooth1 en kan draadloos “streaming audio”-bestanden afspelen op externe eenheden met Bluetooth zoals mobiele telefoons en laptops. Navigatie en regeling van het geluid zijn in dat geval te verrichten via de toetsen op de middenconsole of via de toetsenset* op het stuurwiel. Bij sommige externe eenheden is het ook mogelijk op de eenheid zelf van track te wisselen.
05 Infotainment Media Bluetooth* N.B. Als de auto is uitgerust met een toetsenset* op het stuurwiel en/of een afstandsbediening*, kunt u deze meestal gebruiken in plaats van de toetsen op de middenconsole. Voor een beschrijving van de toetsenset op het stuurwiel, zie zie pagina 221. Voor een beschrijving van de afstandsbediening, zie pagina 249. Menufuncties U regelt de menufuncties van MEDIA vanaf de middenconsole of via de toetsenset* op het stuurwiel.
05 Infotainment Media Bluetooth* > Na enige tijd verschijnt de naam van de externe eenheid op het beeldscherm. Als er meerdere externe eenheden gekoppeld zijn, verschijnen ook deze. 5. Kies de aan te sluiten eenheid door te draaien aan TUNE en bevestig uw keuze met OK/MENU. > De externe eenheid wordt vervolgens aangesloten. Wissel van audiobestand door te drukken op / op de middenconsole of door gebruik te maken van de toetsenset* op het stuurwiel. 05 Aangesloten eenheid verwijderen 1.
05 Infotainment TV - instelling* TV - instelling* Algemene informatie N.B. Dit systeem ondersteunt alleen tv-signalen in die landen die in mpeg2-formaat uitzenden volgens de DVB-T-standaard. Het systeem biedt geen ondersteuning voor tv-signalen in mpeg-4-formaat of analoge tv-signalen. N.B. Tv-weergave is uitsluitend mogelijk wanneer de auto stilstaat. Wanneer de auto sneller rijdt dan ca. 6 km/h, verschijnt er geen beeld en staat Geen visuele media tijdens het rijden op het beeldscherm.
05 Infotainment TV - instelling* N.B. Als de auto is uitgerust met een toetsenset* op het stuurwiel en/of een afstandsbediening*, kunt u deze meestal gebruiken in plaats van de toetsen op de middenconsole. Voor een beschrijving van de toetsenset op het stuurwiel, zie zie pagina 221. Voor een beschrijving van de afstandsbediening, zie pagina 249. Menufuncties 05 U regelt de menufuncties van MEDIA vanaf de middenconsole of via de toetsenset* op het stuurwiel.
05 Infotainment TV - instelling* dracht duurt even. Tijdens het zoeken wordt het beeld weergegeven van alle gevonden en als voorkeur vastgelegde kanalen. Er verschijnt een melding wanneer de zoekopdracht afgerond is en het beeld verschijnt dat bij het gekozen kanaal hoort. Daarmee is een voorkeurslijst (max. 30 voorkeuren) aangemaakt en beschikbaar. Om van kanaal te veranderen, zie pagina 246. 1. Draai aan TUNE totdat u het te verplaatsen kanaal in de lijst bereikt en bevestig uw keuze met OK/MENU.
05 Infotainment TV - instelling* 1. Druk op de toets diening. op de afstandsbe- 2. Typ het paginanummer (3 cijfers) in met de cijfertoetsen (0–9) om een pagina te kiezen. > De pagina verschijnt automatisch. Voer een ander paginanummer in of druk op de / op de afstandsbediening om toetsen van pagina te veranderen. Keer terug naar het tv-beeld met EXIT of bedien de toets op de afstandsbediening. 05 Teletekst is ook te bedienen met de gekleurde knoppen op de afstandsbediening.
05 Infotainment Afstandsbediening* Afstandsbediening* De afstandsbediening is te gebruiken voor alle functies van het infotainmentsysteem. De toetsen op de afstandsbediening hebben dezelfde functies als de overeenkomstige toetsen op de middenconsole of de toetsenset* op het stuurwiel. Druk bij gebruik van de afstandsbediening de knop op de afstandsbediening in stand F. Richt de afstandsbediening vervolgens op de IR-ontvanger, die rechts van de knop INFO (zie pagina 223) op de middenconsole zit.
05 Infotainment Afstandsbediening* Toets Functie Naar rechts/links, ander(e) track/ nummer. Keuze bevestigen of menusysteem voor gekozen bron openen Batterijen in afstandsbediening vervangen N.B. N.B. De batterijen gaan normaal 1–4 jaar mee, afhankelijk van het gebruik van de afstandsbediening. Volume verlagen Volume verhogen De afstandsbediening werkt op vier batterijen van het type AA/LR6. Neem bij lange ritten extra batterijen mee.
05 Infotainment Bluetooth-handsfree* Algemene informatie bestuurderszijde. U kunt de mobiele telefoon via de knoppen op de telefoon bedienen of de telefoon nu aangesloten is of niet. Telefoonfuncties, overzicht bedieningselementen N.B. Niet alle mobiele telefoons zijn volledig compatibel met de handsfree-functie van het audiosysteem. Volvo adviseert u contact op te nemen met een erkende Volvowerkplaats of www.volvocars.com te bezoeken voor informatie over compatibele telefoons. Systeemoverzicht.
05 Infotainment Bluetooth-handsfree* omhoog in het menusysteem en actieve functie annuleren. N.B. Als de auto is uitgerust met een toetsenset* op het stuurwiel en/of een afstandsbediening*, kunt u deze meestal gebruiken in plaats van de toetsen op de middenconsole. Voor een beschrijving van de toetsenset op het stuurwiel, zie zie pagina 221. Voor een beschrijving van de afstandsbediening, zie pagina 249.
05 Infotainment Bluetooth-handsfree* 5. Voer een willekeurige pincode in via de toetsenset van de mobiele telefoon, als er om de pincode wordt gevraagd. Voer vervolgens dezelfde pincode in via de toetsenset in de auto. 6. Kies voor aansluiting op My Car vanaf de mobiele telefoon. De mobiele telefoon wordt vervolgens gekoppeld (geregistreerd) en automatisch aangesloten op het audiosysteem. Voor meer informatie over het koppelen van mobiele telefoons, zie pagina 255.
05 Infotainment Bluetooth-handsfree* • Dempen – Microfoon van het audiosysteem uitschakelen. • Mobiele telefoon - Gesprek doorschakelen naar de mobiele telefoon. Bij sommige mobiele telefoons wordt de koppeling verbroken. Dit is volkomen normaal. Het handsfree-systeem vraagt vervolgens of u opnieuw wilt koppelen. • Nummer kiezen - mogelijkheid om een tweede gesprek te starten met behulp van de cijfertoetsen (het eerste gesprek wordt daarbij stand-by gezet).
05 Infotainment Bluetooth-handsfree* N.B. Voor bepaalde mobiele telefoons geldt dat de belsignalen van de aangesloten mobiele telefoon niet worden uitgeschakeld bij gebruik van de geïntegreerde signalen van het handsfree-systeem. Ga om de beltonen3 van de aangesloten telefoon te gebruiken in de telefoonstand naar Phone main menu Telefooninstellingen Geluiden en volume Beltonen GSMringtone.
05 Infotainment Bluetooth-handsfree* N.B. Bij wijzigingen van een post in het telefoonboek van de mobiele telefoon vanuit het telefoonsysteem in de auto, wordt er een nieuwe post in het telefoonboek van de auto aangemaakt. De wijziging wordt met andere woorden niet opgeslagen in de mobiele telefoon. In de auto ziet u vervolgens dubbele posten, met verschillende icoontjes.
05 Infotainment Bluetooth-handsfree* Contactpersonen zoeken N.B. Bij de uitvoering High Performance ontbreekt het tekstwiel, zodat u TUNE niet kunt gebruiken voor de invoer van tekens maar aangewezen bent op de cijfer- en lettertoetsen op het bedieningspaneel van de middenconsole. aan4 Contactpersonen zoeken met het tekstwiel.
05 Infotainment Bluetooth-handsfree* Nieuw contact N.B. Bij de uitvoering High Performance ontbreekt het tekstwiel, zodat u TUNE niet kunt gebruiken voor de invoer van tekens maar aangewezen bent op de cijfer- en lettertoetsen op het bedieningspaneel van de middenconsole. 1. Druk, wanneer de regel Naam gemarkeerd staat, op OK/MENU om de invoerstand te openen (bovenstaande afbeelding). Letters invoeren voor nieuwe contactpersoon.
05 Infotainment Bluetooth-handsfree* Met OK/MENU kunt u wisselen tussen hoofdletters en kleine letters. Druk op OK/MENU, de cursor gaat naar het invoerveld (2) boven aan het beeldscherm. U kunt de cursor vervolgens met TUNE naar de gewenste positie verplaatsen om bijv. nieuwe letters in te voegen of letters te wissen met EXIT. Ga om nieuwe letters te kunnen invoegen eerst terug naar de invoerstand door te drukken op OK/MENU.
05 Infotainment Spraakherkenning* mobiele telefoon Inleiding De spraakherkenningsfunctie1 van het infotainmentsysteem biedt u de mogelijkheid om bepaalde functies van een mobiele telefoon met Bluetooth-aansluiting of van Volvo’s navigatiesysteem, RTI (Road and Traffic Information System) met uw stem te bedienen. N.B. • 05 • In dit gedeelte staat aangegeven hoe u gesproken commando’s kunt gebruiken om een mobiele telefoon met Bluetooth-aansluiting te bedienen.
05 Infotainment Spraakherkenning* mobiele telefoon met stemcommando’s te starten. De functie toont dan enkele veelvoorkomende commando’s op het beeldscherm van de middenconsole. Let op het volgende bij het gebruik van de spraakherkenningsfunctie: • Spreek bij het geven van commando’s na de toon, met normale stem in een normaal tempo. • Wacht met spreken, totdat het systeem klaar is met antwoorden (zolang het systeem antwoordt, werkt de spraakherkenning namelijk niet).
05 Infotainment Spraakherkenning* mobiele telefoon Spraakinstellingen Spraaktraining. Kies Gebruiker 1 of Gebruiker 2. Voor een beschrijving van het menusysteem, zie pagina 139. Vergeet na afloop van de stemtraining niet om uw gebruikersprofiel in te stellen onder Gebruikersinstelling spraaksystem. Meer instellingen in MY CAR • Gebruikersinstelling – U kunt twee 05 gebruikersprofielen instellen.
05 Infotainment Spraakherkenning* mobiele telefoon Noem de rest van de cijfers. Sluit wanneer u klaar bent het commando af door “Bel” te zeggen. • U kunt het nummer ook aanpassen door de commando’s “Correctie” (verwijdert de laatst genoemde groep cijfers) of “Wissen” (wist het genoemde nummer in zijn geheel) te geven. Telefoon bel contact Beantwoord de vervolgvragen die het systeem stelt.
05 Infotainment Menufuncties infotainment Navigeren in de menu’s De functies van het infotainmentsysteem zijn via de systeemmenu’s te regelen. Elke bron binnen het infotainmentsysteem (bijv. RADIO, MEDIA) heeft zijn eigen menu’s. Om menu’s te openen en een functie te activeren moet eerst een bron (bijv. RADIO/FM1) worden gekozen. Druk vervolgens op OK/MENU om het menu van de gekozen bron te openen. Bedieningselementen op middenconsole 1. Kies een bron door te drukken op een van de toetsen (bijv.
05 Infotainment Menufuncties infotainment Audio-instellingen 2 Klankpodium3 Equalizer4 Volumecompensatie Alle audio-instellingen resetten Alle FM-instellingen resetten Audio-instellingen Menu’s MEDIA Hoofdmenu CD Audio Diskmenu Hoofdmenu DAB1*/DAB2* DAB-menu Ensemble programmeren PTY-filter PTY-filter uitschakelen Hoofdmenu FM1/FM2 FM-menu 5 Radiotekst tonen TP (verkeersinformatie) Presets Radiotekst tonen Scan Presets tonen1 Geavanceerde instellingen tonen1 Willekeurige weergave Scan Audio-
05 Infotainment Menufuncties infotainment Hoofdmenu DVD1 Video Hoofdmenu USB4 Diskmenu USB-menu Hoofdmenu AUX Dvd-diskmenu Afspelen/pauzeren Play/pause/verder Stoppen Stoppen Toevalsweergave Ondertitels Map herhalen Taal van audiospoor kiezen USB-apparaat kiezen Hoofdmenu TV* Geavanceerde instellingen Ondertiteling wijzigen TV-menu AUX-menu AUX-ingangsvolume Audio-instellingen 5 Hoek Audiotrack wijzigen Land kiezen DivX® VOD-code Scan Presets sorteren Audio-instellingen 5 Autosto
05 Infotainment Menufuncties infotainment Bronmenu7 Hoofdmenu Titelmenu Telefoon wijzigen dvd8 dvd8 Bluetooth-apparaat verwijderen Telefooninstellingen Herkenbaar Menu’s TEL Geluiden en volume Hoofdmenu Bluetooth-handsfree4 Telefoonboek downloaden Phone main menu Bluetooth-softwareversie in auto Bellijsten Alle gesprekken Gemiste oproepen Opgenomen gesprekken Gekozen nummers Bel-opties Automatisch opnemen Voicemailnummer Telefoon uit 05 Gespreksduur Telefoonboek Zoeken Nieuw contact Verkorte n
Rijadviezen............................................................................................ Tanken.................................................................................................. Brandstof.............................................................................................. Lading vervoeren.................................................................................. Bagageruimte........................................................................................
TIJDENS HET RIJDEN
06 Tijdens het rijden Rijadviezen Algemene informatie Zuinig rijden Zuinig rijden houdt in dat u anticiperend en rustig rijdt, en uw rijstijl en snelheid afstemt op de verkeerssituatie. • Rijd in de hoogst mogelijke versnelling, afhankelijk van de verkeerssituatie en de weggesteldheid – lagere toeren leveren een lager brandstofverbruik op. • Rijd niet met open zijruiten. • Vermijd onnodig snel optrekken en krachtig remmen.
06 Tijdens het rijden Rijadviezen mogelijk tot stilstand en laat de motor enkele minuten stationair lopen zodat deze kan afkoelen. Geopende achterklep WAARSCHUWING • Als de displaymelding Motortemp. hoog • • • Zet motor af of Koelvl.peil laag Zet motor af verschijnt, dient u nadat de auto tot stilstand is gekomen ook de motor af te zetten.
06 Tijdens het rijden Rijadviezen tegen vorst is het zaak geen verschillende soorten glycol met elkaar te mengen. • Houd de tank altijd goed gevuld om condens in de brandstoftank tegen te gaan. N.B. In sommige landen is het gebruik van winterbanden verplicht. Banden met spikes zijn niet in alle landen toegestaan. • De viscositeit van de motorolie is belangrijk.
06 Tijdens het rijden Tanken Tanken Tankvulklep handmatig openen Tankdop open-/dichtdraaien De tankvulklep kan handmatig worden geopend, als openen met de schakelaar in de passagiersruimte niet mogelijk is. Bij hoge buitentemperaturen kan er een bepaalde mate van overdruk in de brandstoftank ontstaan. Draai de tankdop dan langzaam open. Tankvulklep openen/sluiten Open de tankvulklep met de knop op het verlichtingspaneel – bij het loslaten van de knop springt de klep open.
06 Tijdens het rijden Brandstof Algemene informatie over brandstof Gebruik geen brandstof met een slechtere kwaliteit dan Volvo adviseert, omdat dit een nadelige invloed kan hebben op het motorvermogen en het brandstofverbruik. WAARSCHUWING Zorg altijd dat u geen brandstofdampen inademt of brandstofspatten in de ogen krijgt. Bij brandstof in de ogen eventuele contactlenzen uitnemen en de ogen ten minste 15 minuten lang spoelen met een ruime hoeveelheid schoon water en medische hulp inroepen.
06 Tijdens het rijden Brandstof Benzine Dieselolie De benzine moet voldoen aan de norm NENEN 228. De meeste motoren lopen op benzine met een octaangetal van 95 en 98 RON. Gebruik benzine met een octaangetal van 91 RON alleen bij wijze van hoge uitzondering. De dieselolie moet voldoen aan de norm NENEN 590 of JIS K2204. Dieselmotoren zijn gevoelig voor verontreinigingen zoals een te hoog gehalte aan zwaveldeeltjes. Maak alleen gebruik van dieselolie van gerenommeerde oliemaatschappijen.
06 Tijdens het rijden Brandstof Na motoruitval door brandstofgebrek heeft het brandstofsysteem enige tijd nodig om een controle uit te voeren. Doe in dat geval (ná bijtanken met dieselolie) het volgende, voordat u de motor start: 1. Steek de transpondersleutel in het contactslot en druk licht op de sleutel zodat deze verder naar binnen wordt getrokken (zie pagina 79). 2. Druk op de START-knop zonder rem- en/ of koppelingspedaal te bedienen. 3. Wacht ca. 1 minuut. 4.
06 Tijdens het rijden Brandstof Brandstofverbruik en uitstoot van kooldioxide Het gebruik van extra accessoires kan de verbruikscijfers beïnvloeden, omdat de accessoires het gewicht van de auto verhogen. Zie de informatie over gewichten op pagina 350 en de tabel op pagina 359. Ook de rijstijl en andere niet-technische factoren kunnen van invloed zijn op het brandstofverbruik. Bij gebruik van brandstof met een octaangetal van 91(RON), neemt het brandstofverbruik toe terwijl het motorvermogen lager wordt. N.
06 Tijdens het rijden Lading vervoeren Algemene informatie over vervoer van lading Het laadvermogen is afhankelijk van het rijklaar gewicht van de auto. Het laadvermogen dient te worden verminderd met de som van het gewicht van eventuele inzittenden en dat van gemonteerde accessoires. Voor gedetailleerde informatie over de gewichten, zie pagina 350. De achterklep is te openen met de knop op het verlichtingspaneel of met de transpondersleutel, zie pagina 60.
06 Tijdens het rijden Lading vervoeren • Controleer regelmatig of de lastdragers en Verankeringsogen Houder voor boodschappentassen* de lading goed vastzitten. Zet de lading stevig vast met sjorbanden. • Verdeel het gewicht van de lading gelijkmatig over de lastdragers. Leg de zwaarste voorwerpen onderop. • Naarmate u meer lading op het dak vervoert, vangt de auto meer wind en neemt het brandstofverbruik toe. • Rijd rustig.
06 Tijdens het rijden Lading vervoeren 12V-aansluiting* Open het klepje om bij de elektrische aansluiting te komen. • Via de aansluiting is ook stroom af te nemen, wanneer de transpondersleutel niet in het contactslot steekt. 06 N.B. Denk eraan dat als de elektrische aansluiting word gebruikt als de motor uit is, de startaccu van de auto kan ontladen. 280 * Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
06 Tijdens het rijden Bagageruimte Veiligheidsnet WAARSCHUWING Ook bij correcte montage van het veiligheidsnet moet de bagage in de bagageruimte altijd goed worden verankerd. Aanbrengen overliggende zijde – de bevestigingshaken met telescoopveren maken het aanbrengen eenvoudiger. Let erop dat u de bevestigingshaken van de stang in de voorste eindstand van de beide plafondbevestigingen duwt. G034213 N.B. Het veiligheidsnet wordt aan vier bevestigingspunten vastgezet.
06 Tijdens het rijden Bagageruimte BELANGRIJK Als de stoel/rugleuning te hard achteruitgeduwd wordt tegen het veiligheidsnet, kan het net en/of zijn plafondbevestigingen beschadigd raken. 5. Span het veiligheidsnet aan met de spanbanden. Klap de stang in het midden dubbel en rol het net op. Het ingeklapte en opgerolde veiligheidsnet kan worden opgeborgen onder de vloer in de bagageruimte. Veiligheidsrek* Demonteren en opbergen Montage voorin.
06 Tijdens het rijden Bagageruimte BELANGRIJK Bagagerolhoes* Duw beide kanten vast. De rolhoes moet hoorbaar vastklikken en de rode markering moet verdwijnen. > Controleer of beide eindstukken vergrendeld zijn. Bij montage van een bagagerolhoes is opklappen/neerklappen van het veiligheidsrek niet mogelijk.
06 Tijdens het rijden Rijden met een aanhanger Algemene informatie Het laadvermogen is afhankelijk van het rijklaar gewicht van de auto. Het laadvermogen dient te worden verminderd met de som van het gewicht van eventuele inzittenden en dat van gemonteerde accessoires, zoals een trekhaak. Voor gedetailleerde informatie over de gewichten, zie pagina 350. Als de trekhaak door Volvo is gemonteerd, wordt de auto compleet aangeleverd met de benodigde randuitrusting voor het gebruik van een aanhanger.
06 Tijdens het rijden Rijden met een aanhanger N.B. De aangegeven maximaal toelaatbare aanhangergewichten zijn door Volvo bepaald. Let erop dat er op grond van de wetgeving voor motorvoertuigen in uw land verdere beperkingen van het aanhangergewicht en de snelheid kunnen gelden. Het is bovendien mogelijk dat de trekhaak gespecificeerd is voor hogere gewichten dan het maximaal toelaatbare aanhangergewicht van de auto. WAARSCHUWING Houd u aan de opgegeven aanbevelingen voor het aanhangergewicht.
06 Tijdens het rijden Rijden met een aanhanger Trekhaak Afneembare trekhaak opbergen Specificaties Als de auto is uitgerust met een afneembare trekhaak, dienen de montagevoorschriften voor het bevestigen van het afneembare gedeelte zorgvuldig te worden opgevolgd, zie pagina 287. WAARSCHUWING 06 Volg de montage-instructies nauwkeurig op. • Zorg dat het afneembare gedeelte met de sleutel vergrendeld is voordat u begint te rijden. • Controleer of het controlevenster groen van kleur is.
06 Tijdens het rijden Rijden met een aanhanger 1013 B 69 C 855 D 428 E 109 F 296 G Langsligger H Middelpunt kogel Het controlevenster moet rood van kleur zijn. G021489 A G021487 Afmetingen, bevestigingspunten (mm) Verwijder de afdekking door de pal in te drukken en de afdekking vervolgens recht naar achteren te trekken . G021488 G018928 Trekhaak bevestigen 06 Breng de trekhaak aan en duw deze naar binnen totdat u een klik hoort.
06 Tijdens het rijden Het controlevenster moet groen van kleur zijn. Controleer of de trekhaak vastzit door deze stevig omhoog, omlaag en naar achteren te bewegen. WAARSCHUWING 06 G000000 Als de trekhaak niet goed zit, moet u deze verwijderen en opnieuw monteren zoals eerder werd beschreven. Draai de sleutel linksom naar de vergrendelde stand. Neem de sleutel uit het slot. BELANGRIJK G021495 G021494 G021490 Rijden met een aanhanger Veiligheidskabel.
06 Tijdens het rijden Rijden met een aanhanger WAARSCHUWING Zet de trekhaak goed vast, wanneer u deze in de auto bewaart, zie pagina 286. het verschijnsel pas bij zeer hoge snelheden op. Als de aanhanger/caravan echter overmatig beladen is of als het gewicht van de lading verkeerd verdeeld is (bijvoorbeeld te ver naar achteren), bestaat er ook op lagere snelheden van 70–90 km/h gevaar voor pendelbewegingen.
06 Tijdens het rijden Rijden met een aanhanger Als de pendelbeweging ondanks de eerste ingreep van het TSA-systeem niet wordt gedempt, worden alle wielen van de combinatie afgeremd en wordt de aandrijfkracht van de motor verlaagd. Wanneer de pendelbeweging vervolgens stukje bij beetje verminderd is en de combinatie weer stabiel is, beëindigt het TSAsysteem de regeling waarna u de auto weer volledig onder controle hebt. Overig Het TSA-systeem kan ingrijpen bij snelheden van 60–160 km/h. N.B.
06 Tijdens het rijden Slepen en bergen Slepen WAARSCHUWING Controleer voordat u de auto gaat slepen wat de toegestane maximumsnelheid is voor slepen. De rembekrachtiging en de stuurbekrachtiging werken niet wanneer de motor uitgeschakeld is. U moet ongeveer vijfmaal zo hard op het rempedaal trappen en de auto stuurt aanzienlijk zwaarder dan normaal. 1. Steek de transpondersleutel in het contactslot om het stuurslot op te heffen zodat de auto bestuurbaar wordt, zie pagina 79. 2.
06 Tijdens het rijden Slepen en bergen Sleepoog Het sleepoog dient te worden vastgeschroefd in een draadbus achter een afdekking in de bumper, voor of achter. Sleepoog bevestigen in bepaalde gevallen onder de dorpel verborgen zitten.
06 Tijdens het rijden 06 293
Algemene informatie ............................................................................ Wielen verwisselen ............................................................................... Bandenspanning .................................................................................. Gevarendriehoek en EHBO-set*........................................................... Provisorische bandenreparatie (TMK)* ................................................
WIELEN EN BANDEN
07 Wielen en banden Algemene informatie Rijeigenschappen Banden zijn van grote invloed op de rijeigenschappen van de auto. Zowel het type, de maat, de bandenspanning als de snelheidsklasse zijn belangrijk voor het rijgedrag van de auto. schappen van de auto af en kunnen de banden regen, sneeuw en drab minder goed afvoeren. Nieuwe banden Monteer de banden met het diepste profiel altijd op de achteras (om het gevaar voor slippen te verminderen). N.B.
07 Wielen en banden Algemene informatie De juiste bandenspanning levert een gelijkmatiger slijtage op, zie pagina 304. De rijstijl, de bandenspanning, het klimaat en de staat van de wegen zijn van invloed op de snelheid waarmee de banden verouderen en slijten. Om verschillen in profieldiepte te voorkomen en slijtpatronen tegen te gaan kunt u de wielen op de voor- en achteras onderling van plaats verwisselen. Voer de eerste wissel na ca. 5000 km uit en doe dat daarna om de 10.000 km opnieuw.
07 Wielen en banden Algemene informatie Gereedschap Plaats het blok schuimrubber en het reservewiel in omgekeerde volgorde terug. Let erop dat er op het bovenste blok schuimrubber een pijl staat. Deze pijl dient naar de voorkant van de auto wijzen. BELANGRIJK Bewaar gereedschap en krik* op de daarvoor bestemde plaats in de bagageruimte wanneer u ze niet nodig hebt. Onder de vloer in de bagageruimte vindt u het sleepoog van de auto, de krik* en de wielsleutel*.
07 Wielen en banden Algemene informatie BELANGRIJK 16 Het is alleen toegestaan enkelzijdige sneeuwkettingen te gebruiken. Gebruik originele Volvo-sneeuwkettingen of vergelijkbare sneeuwkettingen die zijn afgestemd op het model en op de band- en velgafmetingen. Bij twijfel wordt geadviseerd om contact op te nemen met een erkende Volvo-werkplaats.
07 Wielen en banden Algemene informatie N.B. De aangegeven snelheid in de tabel is de maximumsnelheid. Q 160 km/h (alleen voor winterbanden) T 190 km/h H 210 km/h V 240 km/h W 270 km/h Y 300 km/h WAARSCHUWING De auto moet worden uitgerust met banden die minimaal de gespecificeerde lastindex (LI) en snelheidsklasse (SS) hebben. Bij gebruik van banden met een te lage lastindex of snelheidsklasse kunnen de banden oververhit raken.
07 Wielen en banden Wielen verwisselen Verwijderen Zet een gevarendriehoek zie pagina 305 op, als u een wiel langs een drukke weg moet verwisselen. Zorg ervoor dat de auto en de krik* op een stevige en horizontale ondergrond staan. 1. Haal de parkeerrem aan en schakel de achteruitversnelling in of zet de keuzehendel in stand P, als de auto een automatische versnellingsbak heeft. 3. Auto’s met stalen velgen zijn voorzien van afneembare wieldoppen.
07 Wielen en banden Wielen verwisselen 2. Breng het wiel aan. Haal de wielbouten stevig aan. omlaag dat de voet plat tegen de grond aankomt. 3. Breng de auto zo ver omlaag dat het wiel niet meer ongehinderd kan draaien. BELANGRIJK De ondergrond dient vast en egaal te zijn en niet te hellen. 8. 07 Controleer of de krik goed aan het kriksteunpunt bevestigd is (zie afbeelding) en zorg dat de voet recht onder het steunpunt zit. BELANGRIJK De kriksteun is de achterste van de twee uitsparingen achteraan.
07 Wielen en banden Wielen verwisselen WAARSCHUWING Kruip nooit onder de auto als deze op de krik staat. Laat eventuele passagiers uit de auto stappen, voordat u de auto opkrikt. Parkeer de auto dusdanig dat de auto en liever nog een vangrail u en eventuele uitgestapte passagiers afschermen van het verkeer op de rijbaan. Reservewiel* Een compact reservewiel (Temporary Spare) is alleen bestemd voor tijdelijk gebruik en dient dan ook zo spoedig mogelijk door een normaal wiel te worden vervangen.
07 Wielen en banden Bandenspanning Bandenspanning Brandstofbesparing, ECObandenspanning Voor een zo laag mogelijk brandstofverbruik wordt geadviseerd de aangegeven bandenspanning (zowel bij maximale als lichte belading) aan te houden bij snelheden tot 160 km/h. Bandenspanning controleren G021830 Controleer iedere maand de bandenspanning.
07 Wielen en banden Gevarendriehoek en EHBO-set* Gevarendriehoek Til de vloer in de bagageruimte op en haal de gevarendriehoek tevoorschijn. Onder de vloer in de bagageruimte ligt een EHBO-set. Neem de gevarendriehoek uit de houder, klap de driehoek uit en bevestig de twee losse zijden aan elkaar. Klap de steunpoten van de gevarendriehoek uit. Volg de geldende bepalingen voor het gebruik van een gevarendriehoek.
07 Wielen en banden Provisorische bandenreparatie (TMK)* Algemene informatie N.B. Overzicht De bandenreparatieset is uitsluitend bedoeld voor het afdichten van banden met een lek in het loopvlak. De bandenreparatieset leent zich minder goed voor banden met een gat in het zijvlak. Probeer geen banden met de provisorische bandenreparatieset af te dichten die grote groeven, scheuren en dergelijke vertonen.
07 Wielen en banden Provisorische bandenreparatie (TMK)* Lekke band repareren WAARSCHUWING Het afdichtmiddel kan aanleiding geven tot huidirritatie. Was bij huidcontact het getroffen gebied onmiddellijk schoon met water en zeep. 3. Controleer of de knop in stand 0 staat en neem de kabel en de luchtslang erbij. N.B. Voor het gebruik de verzegeling van de bus niet verbreken. Bij het indraaien van de bus wordt de verzegeling automatisch verbroken. 4.
07 Wielen en banden Provisorische bandenreparatie (TMK)* BELANGRIJK Er bestaat gevaar voor oververhitting. De compressor mag niet langer dan 10 minuten achtereen werken. 10. Schakel de compressor uit om de bandenspanning van de manometer af te lezen. De bandenspanning dient minimaal 1,8 bar en maximaal 3,5 bar te bedragen. (Laat eventueel lucht ontsnappen met het drukreduceerventiel, als de bandenspanning te hoog is.) WAARSCHUWING Als de bandenspanning lager is dan 1,8 bar, is het gat in de band te groot.
07 Wielen en banden Provisorische bandenreparatie (TMK)* Band oppompen De compressor is berekend op het oppompen van de originele banden die op de auto zitten. 1. De compressor moet uitstaan. Zorg dat de knop in stand 0 staat en neem de kabel en de luchtslang erbij. 2. Draai het ventieldopje van het wiel los en schroef de ventielaansluiting van de luchtslang zo ver mogelijk op het ventiel van de band. WAARSCHUWING Inademen van uitlaatgassen kan levensgevaarlijk zijn.
Motorruimte.......................................................................................... Gloeilampen.......................................................................................... Wisserbladen en ruitensproeiervloeistof............................................... Accu...................................................................................................... Zekeringen............................................................................................ Verzorging.
ONDERHOUD EN SERVICE
08 Onderhoud en service Motorruimte Algemene informatie Serviceprogramma van Volvo Om de verkeersveiligheid, bedrijfszekerheid en betrouwbaarheid van de auto op een hoog peil te houden, dient u de voorschriften van het Serviceprogramma van Volvo op te volgen zoals die omschreven staan in het Service- en garantieboekje van Volvo. Volvo adviseert u om service- en onderhoudswerkzaamheden over te laten aan een erkende Volvo-werkplaats.
08 Onderhoud en service Motorruimte Motorruimte, overzicht Vulopening voor ruitensproeiervloeistof Luchtfilter WAARSCHUWING G031911 Het ontstekingssysteem werkt met zeer hoge spanning. De spanning in het ontstekingssysteem is levensgevaarlijk. Houd de transpondersleutel altijd in stand 0 bij werkzaamheden in de motorruimte, zie pagina 79. Trek aan de handgreep bij de pedalen. Wanneer de motorkap ontgrendeld is, gaat een informatiesymbool branden, zie pagina 74.
08 Onderhoud en service Motorruimte Voor ritten onder ongunstige omstandigheden, zie pagina 355. BELANGRIJK Om aan de vereisten voor de gespecificeerde service-intervallen te voldoen worden alle motoren in de fabriek gevuld met een speciaal aangepaste, synthetische motorolie. De oliesoort werd met grote zorg geselecteerd lettend op de levensduur van de motor, de startgewilligheid, het brandstofverbruik en de milieu-impact.
08 Onderhoud en service Motorruimte 5. Als de olie dichter bij het MIN-streepje ligt, dient u 0,5 liter bij te vullen. Als de olie daar ver onder staat, moet u wellicht meer bijvullen. Motor met elektronische oliepeilaanduiding3 6. Als u het peil daarna nogmaals wenst te controleren, moet u dat na enige tijd rijden doen. Herhaal vervolgens de stappen 1–4. G021737 WAARSCHUWING De olie moet tussen het MIN- en MAX-streepje staan. Peil meten en zo nodig corrigeren 1.
08 Onderhoud en service Motorruimte N.B. Het systeem detecteert het oliepeil alleen tijdens het rijden. Na het bijvullen of aftappen van olie duurt het even voordat het systeem wijzigingen in het oliepeil kan waarnemen. De auto dient ca. 30 km te rijden, voordat het weergegeven oliepeil correct is. WAARSCHUWING Melding en grafische weergave op display. Melding Vul niet meer olie bij, als niveau (3) of (4) verschijnt zoals aangegeven op de afbeelding.
08 Onderhoud en service Motorruimte Volg de aanwijzingen op de verpakking op. Het is belangrijk dat u verhouding tussen koelvloeistof en water afstemt op de heersende weersomstandigheden. Vul het reservoir nooit alleen met schoon water. Het gevaar voor bevriezing neemt toe, zowel wanneer de concentratie koelvloeistof te laag is als wanneer deze te hoog is. Voor de hoeveelheden, zie pagina 357.
08 Onderhoud en service Motorruimte pagina 357. Wanneer u vaak met uw auto in de bergen rijdt of in landen met een tropisch klimaat en een hoge relatieve luchtvochtigheidsgraad, moet u de remvloeistof ieder jaar verversen. WAARSCHUWING Als de remvloeistof onder het MIN-streepje van het reservoir staat, mag u niet verder rijden voordat u remvloeistof hebt bijgevuld. Geadviseerd wordt de oorzaak van het remvloeistofverlies te laten controleren door een erkende Volvo-werkplaats.
08 Onderhoud en service Gloeilampen Algemene informatie Alle gloeilampen van de auto vermeld, zie pagina 324. Gloeilampen en puntverlichting van een bijzonder type of lampen die alleen in een werkplaats te vervangen zijn: • Interieurverlichting aan het plafond, lees- BELANGRIJK Raak het glas van de gloeilampen nooit met blote vingers aan. De vetten en oliën op uw vingers kunnen door de hitte verdampen. Dit zorgt voor aanslag op de reflector, waardoor deze al snel kapotgaat.
08 Onderhoud en service Gloeilampen Trek ondertussen met uw andere hand de connector los. 4. Til het koplamphuis naar buiten en leg het op een zachte ondergrond om krassen op de lens te voorkomen. 5. Vervang de kapotte gloeilamp. Het koplamphuis moet gemonteerd zijn en de connector correct aangesloten zijn, voordat u de verlichting inschakelt of de transpondersleutel in het contactslot steekt. Dimlicht, halogeen Afdekking verwijderen Koplamphuis bevestigen 1. Haal het koplamphuis los, zie pagina 319.
08 Onderhoud en service Gloeilampen Groot licht, halogeen Verstralers, xenon* Richtingaanwijzers/knipperlichten 1. Haal het koplamphuis los. 1. Haal het koplamphuis los. 1. Haal het koplamphuis los. 2. Verwijder de afdekking, zie pagina 320 2. Verwijder de afdekking, zie pagina 320. 3. Haal de gloeilamp los door deze rechtsom te draaien en vervolgens recht naar buiten te trekken 3. Koppel de connector van de gloeilamp los. 2. Haal de lamphouder los door deze linksom te draaien. 4.
08 Onderhoud en service Gloeilampen Sidemarker Mistachterlicht Lees de tekst op zie pagina 319 door alvorens een gloeilamp te vervangen. Het mistachterlicht is vanaf de achterkant van de bumper te bereiken 1. Haal het koplamphuis los. 1. Haal de gloeilamphouder los door deze linksom te draaien. 2. Draai lamphouder linksom en verwijder deze. 3. Trek de kapotte gloeilamp los en breng de nieuwe aan. U kunt hem slechts op één manier terugplaatsen. 4.
08 Onderhoud en service Gloeilampen Kentekenplaatverlichting Bagageruimteverlichting De gloeilampen van zowel de remlichten als de achteruitrijlichten zijn via de bagageruimte te vervangen. 1. Draai de boutjes los met een schroevendraaier. 1. Steek een schroevendraaier achter het lamphuis en wrik deze iets heen en weer, zodat het lamphuis loskomt. G031942 Rem- en achteruitrijlichten 1. Open het paneel. 2. Haal voorzichtig het complete gloeilamphuis los en trek het naar buiten. 2.
08 Onderhoud en service Gloeilampen Verlichting make-upspiegel Spiegelglas bevestigen Spiegelglas verwijderen 1. Duw de drie borgnokjes aan de bovenkant van het spiegelglas terug. 2. Duw vervolgens de onderste drie nokjes vast. Specificatie gloeilampen 1. Steek in het midden aan de onderkant een schroevendraaier achter het glas om het borgnokje aan de rand voorzichtig los te werken. 2.
08 Onderhoud en service Wisserbladen en ruitensproeiervloeistof Wisserbladen Servicestand 5. Duw de rechter stuurhendel ca. 1 seconde lang omhoog. De ruitenwisserarmen gaan dan verticaal staan. Een volgende keer dat u de auto start nemen de ruitenwissers de ruststand weer in. Wisserbladen vervangen Haal de wisserarm van de ruit af. Druk op de knop die op de wisserbladhouder zit en trek het wisserblad evenwijdig aan de wisserarm los.
08 Onderhoud en service Wisserbladen en ruitensproeiervloeistof Schoonmaken N.B. De wisserbladen zijn niet allebei even lang. Het blad aan de bestuurderszijde is langer dan dat aan de passagierszijde. Voor het schoonmaken van de wisserbladen en de voorruit, zie pagina 339 en verder. BELANGRIJK Controleer de wisserbladen regelmatig. Bij achterstallig onderhoud gaan de wisserbladen minder lang mee. Wisserbladen vervangen, achterklep G032770 Vulopening voor ruitensproeiervloeistof 1.
08 Onderhoud en service Accu Waarschuwingssymbolen op de accu Vermijd vonken en open vuur. Draag een veiligheidsbril. Gebruik • Controleer of de accukabels op de juiste manier zijn aangesloten en stevig vastzitten. • Koppel de accu nooit los, wanneer de motor draait. Explosiegevaar. Zie voor meer informatie het instructieboekje dat bij de auto hoort. De rijomstandigheden, de rijstijl, het aantal startpogingen, de weersomstandigheden e.d. zijn van invloed op de levensduur en de werking van de accu.
08 Onderhoud en service Accu N.B. Hoe vaker de accu ontladen raakt, des te minder lang gaat de accu mee. Vervangen Verwijderen De levensduur van de accu wordt bepaald door uiteenlopende factoren, waaronder de rijomstandigheden en het klimaat. De accu verliest na verloop van tijd aan startcapaciteit en moet daarom bijgeladen worden, als er langere tijd achtereen niet of slechts korte afstanden met de auto wordt gereden. Ook bij strenge vorst neemt de startcapaciteit af.
08 Onderhoud en service Accu WAARSCHUWING Zorg dat u de plus- en minkabels in de juiste volgorde loskoppelt en/of aansluit. 2. Duw de accu naar binnen en gelijktijdig opzij totdat de accu tegen de achterkant van de accubak aankomt. 3. Bevestig de accu met behulp van de accuklem. 4. Sluit de ontluchtingsslang aan. Koppel de zwarte minkabel los 5. Sluit de rode pluskabel aan. Koppel de rode pluskabel los 6. Sluit de zwarte minkabel aan. Koppel de ontluchtingsslang van de accu los 7.
08 Onderhoud en service Zekeringen Algemene informatie Om te voorkomen dat de elektrische systemen van de auto beschadigd raken door kortsluiting of overbelasting, worden alle verschillende elektrische functies en onderdelen door een aantal zekeringen beschermd. Als een van de elektrische onderdelen of functies niet werkt, is het mogelijk dat de bijbehorende zekering overbelast werd en daardoor gesmolten is.
08 Onderhoud en service Zekeringen Motorruimte 08 `` 331
08 Onderhoud en service Zekeringen Algemene informatie over de zekeringen in de motorruimte Functie A Functie Aan de binnenkant van het deksel zit een speciale trekker waarmee u de zekeringen gemakkelijker kunt verwijderen en aanbrengen.
08 Onderhoud en service Zekeringen Functie A Functie A Snelheidsafhankelijke stuurbekrachtiging* 5 10 Motorregelmodule, transmissieregelmodule, airbags 10 Relaisspoel hoofdrelais motormanagementsysteem Elektrisch verwarmde sproeikoppen* 10 Relaisspoel relais vacuümpomp (5-cil. benzine en 2.0T) 5 Verlichtingsdraaiknop 5 - - - - - - Interne relaisspoelen 5 Verstralers* Claxon Motorregelmodule (5- en 6-cil.
08 Onderhoud en service Zekeringen 08 334 Functie A Gloeibougies (diesel) 70 Koelventilator (4-cil., 5-cil. benzine) 60 Koelventilator (6-cil. benzine, 5-cil.
08 Onderhoud en service Zekeringen Onder dashboardkastje Posities Hou der A Functie A Hoofdzekering voor audioregelmodule* 40 - - - - - - Hou der A Functie A - - - - Hou der A Functie A Bedieningspaneel voorste passagiersportier 20 15 Bedieningspaneel achterste passagiersportier rechts 20 12V-aansluiting bagageruimte* Bedieningspaneel bestuurdersportier 20 Bedieningspaneel achterste passagiersportier links 20 08 `` * Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
08 Onderhoud en service Zekeringen Hou der A Functie A Keyless* 20 Elektrisch bedienbare bestuurdersstoel* Elektrisch bedienbare passagiersstoel* Hou der A Functie A 5 20 Schuifdak*, interieurverlichting plafond, klimaatsensor 12V-aansluiting middenconsole 15 20 15 Omklapbare hoofdsteunen* 15 Stoelverwarming passagierszijde 5 Stoelverwarming bestuurderszijde 15 Regelmodule Infotainment Regelmodule audiosysteem*, tv* 10 Satellietradio*, digitale radio* Audiosysteem 15 Telefoon* 5
08 Onderhoud en service Zekeringen Hou der B Functie A Hou der B Functie A 5 Stuurwieleenheid 7,5 Collision Warning Centrale vergrendeling achter, centrale vergrendeling tankvulklep 10 Achterruitensproeier 15 Gaspedaal, PTC-element luchtvoorverwarming*, dimfunctie achteruitkijkspiegel*, achterbankverwarming* Ruitenwissers 15 - - Opening achterklep 10 Remlichten 5 - Schuifdak* 20 Startblokkering 5 Brandstofpomp 20 Ontvanger transpondersleutel, bewegingsmelder alarm*, bedieningsp
08 Onderhoud en service Zekeringen Kofferbak/bagageruimte Het kastje zit achter de bekleding aan de linkerzijde. Posities Functie A Functie A Elektrische achterklepbediening* 30 Trekhaakaansluiting 1* 40 30 Elektrische parkeerrem rechts 30 - - - - Elektrisch verwarmde achterruit 30 - - Trekhaakaansluiting 2* 15 - - - - Functie A Elektrische parkeerrem links - 08 338 * Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
08 Onderhoud en service Verzorging Auto wassen BELANGRIJK Was de auto zodra deze vuil geworden is. Zorg dat de auto op een spoelvloer met olieafscheider staat. Gebruik autoshampoo. Vuile koplampen werken minder goed. Maak ze daarom regelmatig schoon, tijdens het tanken bijvoorbeeld. • Verwijder vogelpoep zo spoedig mogelijk van de lak. Vogelpoep bevat namelijk stoffen die de lak aantasten en deze zeer snel doen verkleuren.
08 Onderhoud en service Verzorging Remmen testen WAARSCHUWING Test na het wassen van de auto altijd de remmen (en dus ook de handrem) om te voorkomen dat vocht en corrosie de remblokken aantasten, waardoor de remwerking afneemt. Trap zo nu en dan lichtjes op het rempedaal, als u lange afstanden in de regen of sneeuwmodder aflegt. Door de wrijving worden de remblokken warm, zodat het vocht verdampt. Doe hetzelfde bij zeer vochtig of koud weer.
08 Onderhoud en service Verzorging Waterafstotende laag* Gebruik nooit producten zoals autowas, ontvetters e.d. op het glasoppervlak, omdat de waterafstotende laag daardoor beschadigd kan raken. Wees voorzichtig bij het schoonmaken om te voorkomen dat er krassen in het glasoppervlak ontstaan. Om schade aan het glas te voorkomen dient u voor het verwijderen van ijs alleen een krabber van kunststof te gebruiken. De waterafstotende laag staat bloot aan natuurlijke slijtage.
08 Onderhoud en service Verzorging Behandeling van vlekken op leren bekleding De leren bekleding van Volvo is chroomvrij, voldoet aan de norm Öko-Tex 100 en is behandeld om de bekleding in oorspronkelijke staat te bewaren. Naarmate leren bekleding ouder wordt, krijgt het een fraai patina. Het leer wordt veredeld en bewerkt zodat het zijn natuurlijke eigenschappen houdt.
08 Onderhoud en service Verzorging Groep 3 (vuil, stof in droge vorm) Geringe lakschade herstellen 1. Gebruik een zachte borstel om het vuil te verwijderen. De lak vormt een belangrijk onderdeel van de roestwering van de auto en moet daarom regelmatig worden gecontroleerd. Om roestvorming te voorkomen moet u lakschade direct herstellen. De meest voorkomende soorten lakschade zijn bijvoorbeeld steenslagplekken, krassen en plekjes op de spatbordranden en portieren.
08 Onderhoud en service Verzorging fer aan. Breng de lak met een kwastje aan, wanneer de primer droog is. 3. Krassen kunt u op dezelfde manier herstellen, maar dek ter bescherming de onbeschadigde lak rond de kras af. 4. Poets de herstelde lak na enkele dagen op. Gebruik daarvoor een zachte doek met een geringe hoeveelheid schuurpasta. N.B.
08 Onderhoud en service 08 345
Type-aanduidingen............................................................................... Maten en gewichten.............................................................................. Motorspecificaties................................................................................. Motorolie............................................................................................... Vloeistoffen en smeermiddelen............................................................. Brandstof.............
SPECIFICATIES
09 Specificaties 09 Type-aanduidingen Positie van stickers en plaatjes 348
09 Specificaties Type-aanduidingen Wanneer u contact opneemt met uw erkende Volvo-werkplaats of vervangende onderdelen of accessoires wilt bestellen, kan het handig zijn om de type-aanduiding, het chassisnummer en het motornummer bij de hand te hebben. Type-aanduiding, chassisnummer, maximaal toelaatbaar gewicht, kleurcodes voor lak en bekleding en typegoedkeuringsnummer. Bij het openen van het rechter achtportier is de sticker zichtbaar. 09 N.B.
09 Specificaties 09 Maten en gewichten Maten 350 Maten mm A Wielbasis 2774 B Lengte 4627 C Laadlengte, vloer, achterbank neergeklapt 1789 D Laadlengte, vloer E Hoogte F Laadhoogte G Spoorbreedte vooras 972 1713 802 1632 Maten mm H Spoorbreedte achteras 1586 I Laadbreedte, vloer 1090 J Breedte 1891 K Breedte incl.
09 Specificaties Maten en gewichten N.B. Het gedocumenteerde rijklaar gewicht geldt voor een auto in standaarduitvoering – d.w.z. een auto zonder extra uitrusting of accessoires. Dit betekent dat voor ieder accessoire dat wordt toegevoegd het laadvermogen van de auto met het gewicht van het desbetreffende accessoire moet worden verminderd. WAARSCHUWING Afhankelijk van de belading van de auto en het zwaartepunt van de lading treden er wijzigingen in de rijeigenschappen op. 09 Max.
09 Specificaties Maten en gewichten 09 Trekgewicht en kogeldruk Motor Versnellingsbak Max. gewicht geremde aanhanger (kg) Max. kogeldruk (kg) Alle Alle 0–1200 50 2.0T Automaat, MPS6 1800 90 T5 Automaat, MPS6 1800 90 3.
09 Specificaties Maten en gewichten 09 N.B. Voor aanhangers/caravans zwaarder dan 1800 kg wordt een trillingsdemper op de trekhaak geadviseerd.
09 Specificaties Motorspecificaties 09 Motorspecificaties A 354 Model Motorcode Vermogen (kW bij omw/min) Vermogen (pk bij omw/min) Motorkoppel (Nm bij omw/ min) Aantal cilinders Cilinderboring (mm) Slaglengte (mm) Slagvolume (liter) Compressieverhouding 2.0T B4204T6 149/6000 203/6000 300/1750–4000 4 87,5 83,1 1,999 10,0:1 T5 B4204T7 177/5500 240/5500 320/1800-5000 4 87,5 83,1 1,999 10,0:1 T6 B6304T4 224/5600 304/5600 440/2100–4200 6 82,0 93,2 2,953 9,3:1 3.
09 Specificaties Motorolie Ongunstige rijomstandigheden In ongunstige rijomstandigheden kunnen de olietemperatuur en het olieverbruik abnormaal toenemen. Hier volgen enkele voorbeelden van ongunstige rijomstandigheden. Controleer het oliepeil vaker bij lange ritten: • met een caravan of aanhanger achter de auto • in bergachtig gebied • op hoge snelheden • in temperaturen lager dan –30 °C of hoger dan +40 °C Het bovenstaande geldt ook tijdens kortere ritten bij lage temperaturen.
09 Specificaties 09 Motorolie Motoroliekwaliteit Motortype Motorcode Hoeveelheid, incl. oliefilter (liter) T6 B6304T4 Oliekwaliteit: ACEA A5/B5 6,8 3.2 B6324S5 Viscositeit: SAE 0W-30 6,8 D3 AWD D5244T16 5,9 D3 / DRIVe D5204T2 5,9 D5 D5244T10 5,9 2.0T B4204T6 Oliekwaliteit: ACEA A5/B5 5,4 B4204T7 Viscositeit: SAE 5W-30 5,4 T5 Bij ritten onder ongunstige omstandigheden ACEA A5/B5 SAE 0W-30 gebruiken. Voor het bijvullen van motorolie, zie pagina 313.
09 Specificaties Vloeistoffen en smeermiddelen 09 Overige vloeistoffen en smeermiddelen Vloeistof Systeem Koelvloeistof 2.0T, T6, 3.2, D3, D5, DRIVe 8,9 T5 10,5 Remvloeistof Remsysteem 0,6 Stuurbekrachtigingsvloeistof Stuurbekrachtiging Ruitensproeiervloeistof Auto’s met koplampsproeiers 6,5 Auto’s zonder koplampsproeiers 4,5 Brandstof A Hoeveelheid (liter) Voorgeschreven kwaliteit Door Volvo aanbevolen koelvloeistof aangelengd met 50 % waterA, zie verpakking.
09 Specificaties 09 Vloeistoffen en smeermiddelen Automatische versnellingsbak Voorgeschreven versnellingsbakolie MPS6 7,3 BOT 341 TF-80SC 7,0 AW1 N.B. Onder normale rijomstandigheden hoeft u de versnellingsbakolie nooit te verversen. Onder ongunstige rijomstandigheden moet de olie mogelijk wel worden ververst, zie pagina 357.
09 Specificaties Brandstof 09 CO2-uitstoot en brandstofverbruik A B C 2.0T 262 11,3 161 6,9 198 8,5 T5 262 11,3 161 6,9 198 8,5 T6 AWD 354 15,2 188 8,1 249 10,7 3.
09 Specificaties Brandstof 09 A A 234 8,9 139 5,3 174 6,6 D3 AWDA 250 9,5 146 5,5 184 7,0 Bepaalde markten : liter/100 km A = stadsverkeer B = snelwegrit C = combinatierit Brandstofverbruik en uitstoot van kooldioxide De brandstofverbruiks- en emissiewaarden in de bovenstaande tabel zijn gebaseerd op speciale EU-rijcycli1, die gelden voor een auto met 360 C D3 AWDA : gram/km 1 B rijklaar gewicht in standaarduitvoering zonder extra uitrusting.
09 Specificaties Brandstof 09 van de auto en waarop de verbruikscijfers in de tabel gebaseerd zijn. Waar u op moet letten Tips voor de bestuurder om het brandstofverbruik te beperken: • Rijd rustig en voorkom onnodig optrekken en krachtig remmen. • Houd de juiste bandenspanning aan en controleer regelmatig of dat nog steeds zo is – houd voor de beste resultaten de zogeheten ECO-bandenspanning aan, zie de bandenspanningstabel op pagina 362.
09 Specificaties Wielen en banden, maten en spanning 09 Goedgekeurde bandenspanningswaarden Variant Bandenmaat Snelheid Belading, 1–3 inzittenden Max. belading (km/h) 235/65 R 17 Alle motoren ECO-bandenspanningA Voor Achter Voor Achter Voor/achter (kPa)B (kPa) (kPa) (kPa) (kPa) Tot 160 240 240 270 270 270 160 + 240 240 270 270 - max. 80 420 420 420 420 - 235/60 R 18 235/55 R 19 255/45 R 20 Compact reservewiel (Temporary Spare) A B 362 Zuinig rijden.
09 Specificaties Elektrisch systeem Elektrisch systeem Op de auto zit een wisselstroomdynamo met spanningsregelaar. Het elektrische systeem is enkelpolig en gebruikt het chassis en het motorblok als geleiders. De accucapaciteit is afhankelijk van de uitrusting op de auto. 09 BELANGRIJK Let er bij het vervangen van de accu op, dat de nieuwe accu dezelfde koudestartcapaciteit en reservecapaciteit als de originele accu heeft (zie sticker op de accu).
09 Specificaties 09 Typegoedkeuring Afstandsbedieningssysteem Land A, B, CY, CZ, D, DK, E, EST, F, FIN, GB, GR, H, I, IRL, L, LT, LV, M, NL, P, PL, S, SK, SLO IS, LI, N, CH HR 364 ROK Hierbij verklaart Delphi dat het gebruikte transpondersleutelsysteem in overeenstemming is met de essentiële eigenschappen en overige relevante bepalingen zoals beschreven in de EU-richtlijn 1999/5/EG.
09 Specificaties Typegoedkeuring 09 Bluetooth Verklaring van overeenstemming (Declaration of Conformity) Land Landen binnen de EU Exportland: Japan Producent: Alpine Electronics Inc. Type uitrusting: Bluetooth-eenheid Breng voor meer informatie een bezoek aan http://ec.europa.eu/enterprise/rtte/faq.
09 Specificaties 09 Typegoedkeuring Land 366 Tsjechië: Alpine Electronics, Inc. tímto prohlašuje, že tento Bluetooth Module je ve shodě se základními požadavky a dalšími příslušnými ustanoveními směrnice 1999/5/ES. Denemarken: Undertegnede Alpine Electronics, Inc. erklærer herved, at følgende udstyr Bluetooth Module overholder de væsentlige krav og øvrige relevante krav i direktiv 1999/5/EF. Duitsland: Hiermit erklärt Alpine Electronics, Inc.
09 Specificaties Typegoedkeuring 09 Land Estland: Käesolevaga kinnitab Alpine Electronics, Inc. seadme Bluetooth Module vastavust direktiivi 1999/5/EÜ põhinõuetele ja nimetatud direktiivist tulenevatele teistele asjakohastele sätetele. GrootBrittannië: Hereby, Alpine Electronics, Inc., declares that this Bluetooth Module is in compliance with the essential requirements and other relevant provisions of Directive 1999/5/EC. Spanje: Por medio de la presente Alpine Electronics, Inc.
09 Specificaties 09 Typegoedkeuring Land 368 Hongarije: Alulírott, Alpine Electronics, Inc. nyilatkozom, hogy a Bluetooth Module megfelel a vonatkozó alapvetõ követelményeknek és az 1999/5/EC irányelv egyéb elõírásainak. Polen: Niniejszym Alpine Electronics, Inc. oświadcza, że Bluetooth Module jest zgodny z zasadniczymi wymogami oraz pozostałymi stosownymi postanowieniami Dyrektywy 1999/5/EC. Portugal: Alpine Electronics, Inc.
09 Specificaties Typegoedkeuring 09 Land China: कϝᴵǂ䖯ষ⫳ѻॖଚ݊ѻકⱘ䇈ᯢкՓ⫼ݠЁˈᑨߞॄϟ䗄᳝݇ݙᆍ˖ ᷛᯢ䰘ӊЁ᠔㾘ᅮⱘᡔᴃᣛᷛՓ⫼㣗ೈˈ䇈ᯢ᠔᳝ࠊǃ䇗ᭈঞᓔ݇ㄝՓ⫼ᮍ⊩˗ Ƶ Փ⫼乥⥛˖ *+] Ƶ ㄝᬜܼ䕤ᇘࡳ⥛ (,53 ˖㒓Ⲟ˘ G%L ᯊ˖싨 P: 싨 G%P ǂķ Ƶ ᳔ࡳ⥛䈅ᆚᑺ˖㒓Ⲟ˘ G%L ᯊ˖싨 G%P 0+] (,53 ķ Ƶ 䕑乥ᆍ䰤˖ SSP Ƶ ᴖᬷথᇘ 䕤ᇘ ࡳ⥛ ᇍᑨ䕑⊶f ֵס䘧ᏺᆑҹ ˖ • • • • • 싨 G%P N+] 0+] 싨 G%P N+] *+] 싨 G%P 0+] *+] 싨 G%P 0+] *+] 싨 G%P 0+] ݊ᅗ *+] ϡᕫ᪙㞾ᬍথᇘ乥⥛ǃࡴথᇘࡳ⥛ ࣙ
09 Specificaties 09 Typegoedkeuring Land Taiwan: ܅㧤ሽंᘿ୴ࢤሽᖲጥ䏺ऄรԼ㦕 รԼԲය ᆖীڤᎁᢞٽհפ܅୴᙮ሽᖲΔॺᆖױΔֆΕᇆࢨࠌ݁ृشլᖐ۞!᧢ޓ᙮ΕףՕפࢨ᧢ޓૠհࢤ֗פ౨Ζ รԼය פ܅୴᙮ሽᖲհࠌشլᐙଆڜ٤֗եឫٽऄຏॾΙᆖ࿇ڶեឫွழΔ!ᚨܛمೖشΔࠀޏ۟ྤեឫழֱᤉᥛࠌشΖছႈ ٽऄຏॾΔਐࠉሽॾऄࡳ!܂ᄐհྤᒵሽຏॾΖפ܅୴᙮ሽᖲႊٽ࠹ݴऄຏॾࢨՠᄐΕઝᖂ֗᠔᛭شሽं!ᘿ୴ࢤሽᖲໂհեឫΖ CCAB10LP0230T7 370
09 Specificaties Typegoedkeuring 09 Land ZuidKorea: 뇗빃 뇐ꚯ Volvo Car Korea 겛뙨녋 뤏麗 1 ,$0 9 뇗빃 ꑀ %OXHWRRWK $XGLR 1DYLJDWLRQ 5DGLR ꑣ鴳 ꑀ ,$0 ꩫ 驛뎗 0DUFK Alpine Electronics, Inc Made in Japan 際闘 뇐ꚯ Volvo Car Korea ꚷꚯ녋鶔뗣뤏ꍧ껿 끳겗 끤ꩫ霧 뼗驣 鶔 ꚷꚯꠇ黤 런 ꚷꚯ녋鶔뗣 際闘뫫 http://www.volvocars.
09 Specificaties 09 Typegoedkeuring Land Singapore: Verenigde Arabische Emiraten Jordanië: The product that contains the Bluetooth module is approved with the following certification number. BT module certification number: TRC/LPD/2010/4. BT module name: IAM2.
09 Specificaties Typegoedkeuring 09 Land ZuidAfrika Urugay This product contains URSEC approved transmitter [module name and model name (IAM2.
09 Specificaties 09 Typegoedkeuring Land Jamaica Approved for use in Jamaica SMA EI: IAM2.1 Thailand This telecommunication equipment conforms to NTC technical requirement. Nigeria Mexico Waarschuwing "Este equipo opera a titulo secundario, consecuentemente, debe aceptar interferencias perjudiciales incluyendo equipos de la misma clase y puede no causar interferencias a sistemas operando a titulo primario.
09 Specificaties Typegoedkeuring 09 Land Botswana Kroatië 375
09 Specificaties 09 Displaysymbolen Algemene informatie Er worden tal van verschillende displaysymbolen gebruikt in de auto. De symbolen zijn onderverdeeld in waarschuwings-, controleen informatiesymbolen. Hier volgt een overzicht van de meest voorkomende symbolen met hun betekenis en een verwijzing naar de pagina(’s) in het boek waar u meer informatie kunt vinden. Voor meer informatie over de symbolen en displaymeldingen, zie pagina 74, 75 en 136.
09 Specificaties Displaysymbolen Betekenis Pagina Laag peil in brandstoftank 74, 156 Informatie, lees displaymelding 74 Groot licht aan 74, 88 Richtingaanwijzers links 74 Richtingaanwijzers rechts 74 Overige informatiesymbolen op instrumentenpaneel Symbool Betekenis Pagina Adaptieve cruisecontrol* 165, 169, 175 Adaptieve cruisecontrol* 175 Symbool Betekenis Pagina Adaptieve cruisecontrol*; afstandscontrole* (Distance Alert) Symbool Betekenis Pagina 175, 178 Radarsensor* 175, 178
09 Specificaties 09 Displaysymbolen Symbool 378 Betekenis Pagina Regensensor* 97 Driver Alert System* 193 Driver Alert System*; Lane Departure Warning* 194, 196 Driver Alert System*; Lane Departure Warning* 196 Driver Alert System*; Tijd voor pauze 194 * Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
09 Specificaties 09 379
10 Alfabetisch register A 10 Actieve koplampen (ABL).......................... 88 Actieve xenonkoplampen.......................... 88 Aanbevolen veiligheidzitjes, tabel.............. 36 Aanhanger............................................... kabel................................................... pendelbeweging................................. rijden met een aanhanger................... 284 284 289 284 Alarmlichten............................................... 90 Alcoholslot.........................
10 Alfabetisch register Automatische versnellingsbak................. aanhanger........................................... handmatig schakelen (Geartronic)...... slepen en bergen................................ 117 285 118 291 Automatische wasstraten........................ 339 Auto wassen............................................ 339 AUX-ingang..................................... 218, 239 AWD, vierwielaandrijving......................... 123 slijtage-indicator.................................
10 Alfabetisch register Buitenspiegels resetten........................... 103 10 D DAB-radio................................................ 231 C Camerasensor................................. 181, 188 CD ........................................................... 234 Chassisstanden....................................... 164 City Safety™............................................ 180 Claxon........................................................ 86 Claxonneren...........................................
10 Alfabetisch register F Follow Me home-verlichting...................... 92 Global opening........................................ 146 Houder voor boodschappentassen ........ 279 Gloeilampen, zie Verlichting.................... 319 10 FOUR-C – Actief chassis......................... 164 Gloeilampen achterlamphuis: positie................................................. 322 I FSC, milieulabel......................................... 15 Gordelwaarschuwing.................................
10 Alfabetisch register 10 Interieurcomfort....................................... 209 Kleurcode, lak.......................................... 343 Interieurfilter............................................. 146 Klimaatregeling........................................ 145 algemene informatie........................... 145 sensoren............................................. 145 Klok, instellen............................................. 77 Lak kleurcode............................................
10 Alfabetisch register Menu- en meldingsfuncties..................... 136 Motoroliepeil controleren......................... 313 Menufuncties infotainment ..................... 264 Motorremregeling ................................... 162 Menusysteem infotainment .................... 264 Motorruimte koelvloeistof........................................ olie...................................................... overzicht............................................. stuurbekrachtigingsvloeistof.........
10 Alfabetisch register 10 PCC (Personal Car Communicator) bereik transpondersleutel............... 51, 52 functies................................................. 50 Pedestrian Detection............................... 185 Peilstok, elektronisch............................... 315 Poetsen.................................................... 340 Powershift-versnellingsbak.............. 120, 291 Provisorische bandenreparatie................ 306 R Radarsensor............................................
10 Alfabetisch register Serviceprogramma.................................. 312 Spraakherkenning mobiele telefoon........ 260 Signaalingang, externe.................... 218, 239 Sproeiers achterruit............................................... 98 sproeiervloeistof, bijvullen.................. 326 voorruit.................................................. 98 SIPS-airbag............................................... 26 SIPS-airbags.............................................. 26 Sleepoog..............
10 Alfabetisch register 10 Symbolen controlesymbolen................................. 74 informatiesymbolen.............................. 74 waarschuwingssymbolen..................... 74 spraakherkenning............................... telefoonboek....................................... telefoonboek, sneltoets...................... telefoon registreren............................. 260 255 255 252 Symbolen en meldingen Afstandscontrole................................
10 Alfabetisch register Veiligheidszitje........................................... aanbevolen........................................... afmetingscategorieën voor veiligheidszitjes met ISOFIX-bevestigingssysteem...................................................... bovenste bevestigingspunten voor kinderzitjes................................................ geïntegreerd kinderzitje met twee standen........................................................ ISOFIX-bevestigingssysteem voor kinderzitjes........
10 Alfabetisch register 10 Water- en vuilafstotende laag, schoonmaken........................................................... 341 Whiplash-letsel, WHIPS............................. 29 WHIPS kinderzitje/comfortkussen.................... 29 whiplash-letsel...................................... 29 Wielen aanbrengen......................................... reservewiel.......................................... sneeuwkettingen................................. velgen..........................................
Kdakd 8Vg 8dgedgVi^dc IE &'+&& 9jiX] ! 6I &%)+! Eg^ciZY ^c HlZYZc! <iZWdg\ '%&%! 8deng^\]i © '%%%"'%&% Kdakd 8Vg 8dgedgVi^dc