WEB EDITION GEBRUIKERSHANDLEIDING
BESTE VOLVO-BEZITTER, DANK U DAT U GEKOZEN HEBT VOOR VOLVO! Wij hopen dat u jarenlang rijplezier van uw Volvo zult hebben. Bij het ontwerp hebben veiligheid en comfort van u en uw passagiers vooropgestaan. Een Volvo is een van de veiligste auto’s ter wereld. Uw Volvo is ook ontworpen om aan alle geldende veiligheidsvoorschriften en milieueisen te voldoen.
Inhoud 01 Inleiding Instructieboekje lezen............................... Vastlegging van gegevens........................ Accessoires en extra uitrusting................. Verkoop van auto met Volvo On Call*....... Informatie op internet................................ Milieubeleid van Volvo Car Corporation... Milieu-aspecten van het instructieboekje. Gelaagd glas............................................. 02 Veiligheid 13 15 16 17 17 18 20 20 Algemeen over veiligheidsgordels............
Inhoud 03 Instrumenten, schakelaars en bediening Instrumenten en bediening, auto met stuur links - overzicht................................ Instrumenten en bediening, auto met stuur rechts - overzicht............................. Instrumentenpaneel.................................. Instrumentenpaneel, analoog - overzicht. Instrumentenpaneel, digitaal - overzicht... Eco guide & Power guide*........................ Instrumentenpaneel - betekenis controlesymbolen..............................................
Inhoud 04 Klimaat Algemene informatie over de klimaatregeling...................................................... Werkelijke temperatuur........................... Sensoren - klimaat.................................. Luchtreiniging......................................... Luchtreiniging - interieurfilter.................. Luchtreiniging - Clean Zone Interior Package (CZIP)*............................................ Luchtreiniging - IAQS*............................ Luchtreiniging - materiaal...........
Inhoud 06 Sloten en alarm Transpondersleutel met sleutelblad........ 157 Transpondersleutel - verlies ................... 157 Sleutelgeheugen*.................................... 157 Indicatie vergrendeling/ontgrendeling instellen................................................... 158 Elektronische startblokkering.................. 158 Op afstand bediende startblokkering met opsporingssysteem................................. 159 Transpondersleutel - functies.................
Inhoud 07 Bestuurdersondersteuning Actief chassis - FOUR-C*....................... Stabiliteits- en tractieregelsysteem (DSTC)..................................................... Stabiliteits- en tractieregelsysteem (DSTC) - bediening.................................. Stabiliteits- en tractieregeling (DSTC) symbolen en meldingen.......................... Verkeersbordinformatie (RSI)*................. Verkeersbordenherkenning (RSI)* bediening................................................
Inhoud 08 Starten en rijden Park Assist* - aan de voorzijde............... Park Assist* - storingsindicatie............... Park Assist* - sensoren schoonmaken... Park Assist-camera................................. Park Assist-camera - instellingen........... Park Assist-camera - beperkingen......... BLIS* (Blind Spot Information System)... BLIS*(Blind Spot Information System) bediening................................................ BLIS - symbolen en meldingen............... Instelbare stuurkracht*.......
Inhoud 09 Wielen en banden Overbelasting - startaccu....................... 292 Voorbereidingen bij lange reizen............. 293 Winterse ritten......................................... 293 Tankvulklep - openen/sluiten.................. 294 Tankvulklep - handmatig openen........... 294 Brandstof tanken.................................... 295 Brandstof - gebruik................................. 295 Brandstof - benzine................................ 296 Brandstof - diesel...................................
Inhoud 10 Onderhoud en service Noodreparatieset voor banden* - banden oppompen............................................... 331 Noodreparatieset voor banden* - afdichtmiddel..................................................... 331 Serviceprogramma van Volvo................. 333 Auto opnemen........................................ 334 Motorkap - openen en sluiten................. 336 Motorruimte - overzicht.......................... 336 Motorruimte - controle............................
Inhoud 11 Specificaties Interieur reinigen..................................... 378 Lakschade............................................... 379 Type-aanduidingen................................. Maten...................................................... Gewichten............................................... Trekgewicht en kogeldruk....................... Motorspecificaties................................... Motorolie - ongunstige rijomstandigheden.......................................................
Inhoud 12 Alfabetisch register Alfabetisch register.................................
INLEIDING
01 Inleiding Instructieboekje lezen Een goede manier om vertrouwd te raken met uw nieuwe auto is om het instructieboekje te lezen, idealiter voordat u uw eerste rit maakt. Zo maakt u kennis met nieuwe functies, krijgt u tips hoe u het beste in verschillende situaties met de auto kunt omgaan en leert u hoe u optimaal gebruik kunt maken van alle mogelijkheden die uw auto biedt. Besteed ook aandacht aan de veiligheidsinstructies in het boekje.
01 Inleiding 01 || weergegeven. Voorbeelden daarvan vindt u in de menuteksten en displaymeldingen van het informatiedisplay (bijvoorbeeld Audioinstellingen ). Gevaar voor materiële schade Informatie Stickers Er zitten verschillende soorten stickers in de auto om belangrijke informatie op een simpele en duidelijke manier over te dragen. De stickers in de auto zijn van de onderstaande aflopende waarschuwings-/informatiegraad.
01 Inleiding voerd, staan genummerd in het instructieboekje. Wanneer er een reeks afbeeldingen bij een stapsgewijze instructie bestaat, zijn de verschillende stappen van de instructie op dezelfde manier genummerd als de bijbehorende afbeeldingen. Als voor de instructies bij een reeks afbeeldingen de onderlinge volgorde niet relevant is, worden de instructies voorafgegaan door letters. Er komen genummerde en ongenummerde pijlen voor. Ze worden gebruikt om een bepaalde beweging weer te geven.
01 Inleiding 01 worden vastgelegd tijdens het rijden, tijdens een aanrijding of bij een bijna-ongeluk. Volvo kan de gegevens opslaan zolang deze kunnen bijdragen tot een verbetering en verdere verhoging van de veiligheid en kwaliteit en zolang de wet- en regelgeving waaraan Volvo gehouden is dit voorschrijft. Volvo zal de bovengenoemde gegevens niet zonder de toestemming van de eigenaar van de auto vrijgeven aan derden.
01 Inleiding Verkoop van auto met Volvo On Call* Informatie op internet Als de auto met Volvo On Call, VOC is uitgerust, is het belangrijk om de eigenaar bij de dienst te wijzigen. Op www.volvocars.com vindt u meer informatie over uw auto. VOC is een aanvullend pakket met veiligheids-, beveiligings- en comfortdiensten. Bij verkoop van de auto is het belangrijk om de eigenaar bij de dienst te wijzigen.
01 Inleiding 01 Milieubeleid van Volvo Car Corporation een fabriek die zeer schoon is en efficiënt met hulpbronnen omgaat. G000000 Uw Volvo voldoet aan strenge internationale milieueisen en is bovendien geproduceerd in Zorg voor het milieu is een van de kernwaarden van Volvo Car Corporation die van invloed zijn op alle activiteiten. We zijn ervan overtuigd dat onze klanten onze zorg voor het milieu delen.
01 Inleiding Een geavanceerd luchtreinigingssysteem, IAQS* (Interior Air Quality System), zorgt ervoor dat de lucht die de passagiersruimte binnenkomt schoner is dan de lucht buiten in het verkeer. Het systeem bestaat uit een elektronische sensor en een koolstoffilter. De binnenkomende lucht wordt continu gecontroleerd en als het gehalte aan bepaalde schadelijke gassen zoals koolmonoxide te hoog oploopt, wordt de luchtinlaat gesloten.
01 Inleiding 01 Milieu-aspecten van het instructieboekje De papiervezels waarvan deze publicatie gemaakt is afkomstig zijn uit FSC®-gecertificeerde bossen of andere gecontroleerde bronnen. Het Forest Stewardship Council®-symbool geeft aan dat de papiervezels waarvan een gebruikershandleiding in drukvorm gemaakt is afkomstig zijn uit FSC®-gecertificeerde bossen of andere gecontroleerde bronnen. Gerelateerde informatie • 20 Milieubeleid van Volvo Car Corporation (p.
VEILIGHEID
02 Veiligheid Algemeen over veiligheidsgordels 02 Remmen kan ernstige gevolgen hebben als de veiligheidsgordel niet wordt gedragen. Let er daarom op dat alle passagiers hun veiligheidsgordel tijdens het rijden om hebben. Waar u op moet letten • Gebruik geen klemmen of andere accessoires waardoor u de veiligheidsgordel niet strak langs uw lichaam kunt trekken. • De veiligheidsgordel mag niet gedraaid zitten. • De heupgordel moet laag zitten (niet over de buik).
02 Veiligheid Veiligheidsgordel - om doen Veiligheidsgordel - losmaken Veiligheidsgordel - zwangerschap Doe de veiligheidsgordel (p. 22) om voordat u gaat rijden. Maak de veiligheidsgordel (p. 22) pas los als de auto stilstaat. Rol de gordel langzaam af en maak deze vast door de borglip in de gordelsluiting te steken. Een duidelijke ‘klik’ geeft aan dat de gordel vastzit. Druk op de rode knop van de gordelsluiting en laat het oprolmechanisme de gordel naar binnen trekken.
02 Veiligheid 02 || het stuur (p. 77) dusdanig verstellen dat ze de auto volledig onder controle hebben (wat inhoudt dat ze met gemak bij het stuur en de pedalen moeten kunnen komen). Streef ernaar de afstand tussen de buik en het stuur zo groot mogelijk te maken. Gordelwaarschuwing Wanneer iemand de veiligheidsgordel niet draagt, gaan er waarschuwingssymbolen branden en worden er geluidssignalen afgegeven om de bewuste persoon eraan te herinneren de veiligheidsgordel om te doen (p. 23).
02 Veiligheid Gordelspanners Veiligheid - waarschuwingssymbool Alle veiligheidsgordels (p. 22) zijn uitgerust met gordelspanners. Dit is een mechanisme dat bij een voldoende krachtige aanrijding de veiligheidsgordel rond het lichaam spant. De veiligheidsgordel kan de passagier daarmee beter in de stoel gedrukt houden. Het waarschuwingssymbool verschijnt, als er tijdens de storingsdiagnose een storing wordt geconstateerd of als het systeem geactiveerd is.
02 Veiligheid WAARSCHUWING Als het waarschuwingslampje voor het airbagsysteem blijft branden of tijdens het rijden korte tijd oplicht, betekent dit dat het airbagsysteem niet naar behoren werkt. Het symbool kan ook duiden op een storing in de gordelspanners, het SIPS- en het IC-systeem of op een andere storing in het systeem. Volvo adviseert u zo spoedig mogelijk contact op te nemen met een erkende Volvo-werkplaats.
02 Veiligheid Gerelateerde informatie • • • Airbag aan de bestuurderszijde (p. 27) Passagiersairbag (p. 27) Veiligheid - waarschuwingssymbool (p. 25) Airbag aan de bestuurderszijde Passagiersairbag Uw auto heeft behalve de veiligheidsgordel (p. 22) aan de bestuurderszijde ook een airbag (p. 26) in het stuurwiel. Uw auto heeft behalve de veiligheidsgordel (p. 22) aan de passagierszijde ook een airbag (p. 26). De airbag zit opgevouwen in het midden van het stuurwiel.
02 Veiligheid || WAARSCHUWING Vervoer kinderen nooit in een kinderzitje of op een comfortkussen voorin, wanneer de airbag aan die kant geactiveerd is. 02 Laat nooit iemand voor de passagierstoel zitten of staan. Personen kleiner dan 1,40 m mogen nooit op de passagiersstoel voorin plaatsnemen, als de airbag geactiveerd is. Het niet opvolgen van de bovenstaande aanbevelingen kan levensgevaarlijke situaties opleveren. Positie van de passagiersairbag in een auto met het stuur rechts.
02 Veiligheid de voorstoel zitten, maar kinderen in een kinderzitje of op een kussen beslist niet. De airbag is gedeactiveerd. Met de schakelaar in deze stand kunnen kinderen in een kinderzitje of op een kussen aan de passagierszijde op de voorstoel zitten, maar passagiers groter dan 1,40 m beslist niet. WAARSCHUWING N.B. WAARSCHUWING Wanneer de transpondersleutel in sleutelstand II (p. 71) staat, brandt ca. 6 seconden lang het waarschuwingssymbool (p. 25) voor de airbag op het instrumentenpaneel.
02 Veiligheid || WAARSCHUWING Laat geen passagier op de passagiersstoel plaatsnemen als het waarschuwingssymbool(p. 25) voor het airbagsysteem op het instrumentenpaneel oplicht, terwijl de melding op de plafondconsole aangeeft dat de airbag aan die kant gedeactiveerd is. Dit duidt op een ernstige storing. Bezoek zo spoedig mogelijk een werkplaats. Volvo adviseert u daarvoor contact op te nemen met een erkende Volvo-werkplaats.
02 Veiligheid WAARSCHUWING • • Volvo adviseert u de reparatie uitsluitend door een erkende Volvo-werkplaats te laten uitvoeren. Een verkeerde ingreep in het SIPS-systeem kan tot een onjuiste werking leiden met ernstig letsel als gevolg. Plaats geen voorwerpen in het gebied tussen de buitenzijde van de stoel en het portierpaneel, aangezien dit gebied door de zijairbag kan worden beïnvloed. • Volvo adviseert om uitsluitend door Volvo goedgekeurde overtrekbekleding te gebruiken.
02 Veiligheid || WAARSCHUWING Hang of bevestig nooit zware voorwerpen aan de plafondhandgrepen. De haak is alleen bedoeld voor niet al te zware kledingstukken (en niet voor harde voorwerpen zoals paraplu’s). 02 Schroef of bevestig geen onderdelen op de plafondbekleding, portierstijlen of de zijpanelen van de auto. Ze kunnen daarbij hun beschermende werking verliezen. Volvo adviseert u uitsluitend originele Volvo-onderdelen, bestemd voor montage op deze plaatsen, te gebruiken.
02 Veiligheid en de materiaaleigenschappen van dat voertuig. WAARSCHUWING Het WHIPS-systeem vormt een aanvulling op de veiligheidsgordel. Gebruik de veiligheidsgordel altijd. Eigenschappen van de stoel Als het WHIPS-systeem wordt geactiveerd, klappen de rugleuningen van de voorstoelen naar achteren zodat de zithouding van de bestuurder en de passagier op de voorstoelen verandert. Zo wordt de kans op zogeheten whiplash-letsel beperkt. WHIPS - kinderzitje WHIPS - zithouding Het WHIPS-systeem (p.
02 Veiligheid WAARSCHUWING 02 Plaats dozen e.d. niet zodanig, dat deze vastgeklemd zitten tussen het zitkussen van de achterbank en de rugleuning van de voorstoel. Let erop dat u de werking van het WHIPS-systeem niet hindert. WAARSCHUWING Als de stoel heeft blootgestaan aan grote krachten zoals bij een aanrijding van achteren, moet u het WHIPS-systeem laten controleren. Volvo adviseert u het te laten controleren door een erkende Volvo-werkplaats.
02 Veiligheid e.d. zijn van invloed op de wijze van activering van de verschillende veiligheidssystemen in de auto. Wanneer de airbags (p. 26) werden opgeblazen, adviseert Volvo u het volgende: • Laat de auto wegslepen. Volvo adviseert u hem te laten wegslepen naar een erkende Volvo-werkplaats. Rijd niet met opgeblazen airbags. • Volvo adviseert u het vervangen van de onderdelen van de veiligheidssystemen in de auto over te laten aan een erkende Volvo-werkplaats.
02 Veiligheid || Gerelateerde informatie • • 02 Safety mode - startpoging (p. 36) Safety mode - auto verrijden (p. 37) Safety mode - startpoging Als de auto in de Safety mode (p. 35) staat, is een startpoging mogelijk als alles in orde lijkt te zijn en u gecontroleerd hebt dat er geen sprake is van brandstoflekkage. Controleer eerst of er geen brandstof uit de auto is gelopen. Er mag evenmin een brandstofgeur waarneembaar zijn. De gevarendriehoek op het digitale instrumentenpaneel.
02 Veiligheid WAARSCHUWING Probeer in geen geval de auto opnieuw te starten, als u een brandstofgeur waarneemt terwijl de melding Veiligheidsstand Zie instructieboek getoond wordt. Verlaat de auto onmiddellijk. WAARSCHUWING De auto mag niet worden weggesleept zolang deze in de Safety mode staat. De auto moet worden weggesleept. Volvo adviseert u hem te laten wegslepen naar een erkende Volvo-werkplaats. Gerelateerde informatie • Safety mode - auto verrijden (p.
02 Veiligheid || N.B. Bij vragen over de montage van kinderveiligheidsproducten neemt u voor duidelijke aanwijzingen contact op met de producent. 02 Kinderslot De achterportieren en de achterportierruiten* zijn handmatig (p. 178) of elektronisch te blokkeren (p. 179)*, zodat ze niet meer van de binnenzijde te openen zijn. Gerelateerde informatie • • • 38 Kinderzitje - positie (p. 44) Kinderzitje - ISOFIX (p. 47) Kinderzitje - bovenste bevestigingspunten (p.
02 Veiligheid Kinderzitje N.B. Kinderen moeten comfortabel en veilig kunnen zitten. Zorg dat u het kinderzitje op de juiste wijze gebruikt. Bij gebruik van kinderveiligheidsproducten is het belangrijk om de meegeleverde montagehandleiding te lezen. 02 WAARSCHUWING G020739 Zet de bevestigingsband van het kinderzitje niet aan de lengteverstelstang, veren of rails en balken onder de stoel vast. Scherpe randen kunnen de bevestigingsband beschadigen.
02 Veiligheid || Aanbevolen kinderzitjes2 Gewicht 02 Voorstoel (met gedeactiveerde airbag) Groep 0 Groep 0+ Typegoedkeuring: E1 04301146 max. 13 kg (L) Groep 0 Volvo-babyzitje (Volvo Infant Seat) – achterstevoren gemonteerd kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel. Volvo-babyzitje (Volvo Infant Seat) – achterstevoren gemonteerd kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel. Groep 0+ Typegoedkeuring: E1 04301146 Typegoedkeuring: E1 04301146 max.
02 Veiligheid Gewicht Voorstoel (met gedeactiveerde airbag) Buitenste zitplaats achterbank Middelste zitplaats achterbank Groep 0 Kinderzitjes met universele goedkeuring. Kinderzitjes met universele goedkeuring. max. 10 kg (U) (U) Kinderzitjes met universele goedkeuring. Achterstevoren gemonteerd/omkeerbaar Volvo-kinderzitje (Volvo Convertible Child Seat) – achterstevoren gemonteerd kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel en bevestigingsband.
02 Veiligheid || 02 Gewicht Voorstoel (met gedeactiveerde airbag) Buitenste zitplaats achterbank Middelste zitplaats achterbank Groep 1 Kinderzitjes met universele goedkeuring. Kinderzitjes met universele goedkeuring. 9–18 kg (U) (U) Kinderzitjes met universele goedkeuring. Groep 2 Achterstevoren gemonteerd/omkeerbaar Volvo-kinderzitje (Volvo Convertible Child Seat) – achterstevoren gemonteerd kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel en bevestigingsband.
02 Veiligheid Gewicht Voorstoel (met gedeactiveerde airbag) Buitenste zitplaats achterbank Middelste zitplaats achterbank Groep 2/3 Zittingverhoger met of zonder rugleuning (Booster Cushion with and without backrest). Zittingverhoger met of zonder rugleuning (Booster Cushion with and without backrest). Zittingverhoger met of zonder rugleuning (Booster Cushion with and without backrest).
02 Veiligheid 02 WAARSCHUWING Zittingverhogers/kinderzitjes met stalen beugels of andere constructies die tegen de openingsknop van de gordelsluiting aan kunnen liggen, mogen niet worden gebruikt aangezien ze ervoor kunnen zorgen dat de veiligheidsgordel per ongeluk opengaat. Laat het bovengedeelte van het kinderzitje niet tegen de voorruit leunen. Gerelateerde informatie Bij het openen van het passagiersportier is de airbagsticker zichtbaar, zie afbeelding (p. 28).
02 Veiligheid WAARSCHUWING Verkeerde positie: het hoofd mag niet boven de hoofdsteun uitsteken en de gordel mag niet onder de schouder lopen. Zorg alvorens weg te rijden dat: • de geïntegreerde zittingverhoger met twee standen correct ingesteld zie tabel (p.
02 Veiligheid || Stand 1 3 Stand 24 Til de zittingverhoger aan de voorkant op en duw het achteruit tegen het ruggedeelte aan om het te vergrendelen. 02 N.B. Het is niet mogelijk de zittingverhoger vanuit stand 2 in stand 1 te zetten. U moet de verhoger eerst volledig inklappen (p. 47) in het zitgedeelte van de achterbank. Duw de zittingverhoger naar achteren om het te vergrendelen. 3 4 46 De onderste stand. De bovenste stand. Werk vanuit de onderste stand. Druk op de knop.
02 Veiligheid Geïntegreerde zittingverhoger met twee standen* - inklappen Kinderzitje - ISOFIX ISOFIX is een bevestigingssysteem voor kinderzitjes (p. 39), gebaseerd op een internationale standaard. De geïntegreerde zittingverhoger (p. 44) op de achterbank kan van de bovenste of onderste stand worden ingeklapt naar een volledig ingeklapte stand in de zitting. Het is echter niet mogelijk de zittingverhoger vanuit de bovenste stand in de onderste stand te zetten.
02 Veiligheid || Gerelateerde informatie 02 • • • ISOFIX - afmetingscategorieën (p. 48) ISOFIX - soorten kinderzitjes (p. 49) Algemeen over kinderveiligheid (p. 37) ISOFIX - afmetingscategorieën Voor kinderzitjes met een ISOFIX (p. 47)bevestigingssysteem zijn er afmetingscategorieën om gebruikers te helpen bij het kiezen van het juiste type kinderzitje (p. 49).
02 Veiligheid ISOFIX - soorten kinderzitjes Kinderzitjes kunnen net als auto’s verschillende afmetingen hebben. Kinderzitjes passen Type kinderzitje Babyzitje, overdwars Babyzitje, achterstevoren daardoor niet op alle zitplaatsen van de verschillende modellen. Gewicht max. 10 kg max. 10 kg Afmetingscategorie Zitplaatsen voor montage ISOFIX-kinderzitje Voorstoel Buitenste zitplaats achterbank F X X G X X E X OK 02 (IL) Babyzitje, achterstevoren max.
02 Veiligheid || Type kinderzitje 02 Kinderzitje, in rijrichting Gewicht 9–18 kg Afmetingscategorie B Zitplaatsen voor montage ISOFIX-kinderzitje Voorstoel Buitenste zitplaats achterbank X OKA (IUL) B1 X OKA (IUL) A X OKA (IUL) X: De ISOFIX-stand leent zich niet voor ISOFIX-kinderzitjes in deze gewichts- en/of afmetingscategorie. IL: Geschikt voor specifieke ISOFIX-kinderzitjes.
02 Veiligheid Kinderzitje - bovenste bevestigingspunten N.B. Klap de hoofdsteunen omlaag om het monteren van dit type kinderzitje te vereenvoudigen bij auto’s met neerklapbare hoofdsteunen op de beide buitenste zitplaatsen. De auto is uitgerust met bovenste bevestigingspunten voor bepaalde kinderzitjes (p. 39) die in de rijrichting worden gemonteerd. Deze bevestigingspunten zitten achter op het zitgedeelte van de achterbank. 02 N.B.
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Instrumenten en bediening, auto met stuur links - overzicht In het overzicht staat waar de displays en bedieningen van de auto zitten.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening || Overzicht auto’s met het stuur links 03 54
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Functie Zie Functie Zie Functie Zie Menu- en meldingsfuncties, richtingaanwijzers, groot licht/ dimlicht, boordcomputer (p. 104), (p. 106), (p. 87), (p. 82) en (p. 116). Openingshandgreep portier – Stoelverstelling* (p. 73). Bedieningspaneel (p. 265). Bedieningsknoppen verlichting, ontgrendeling tankvulklep en achterklep (p. 79), (p. 294) en (p. 174). Handmatig schakelen bij automatische versnellingsbak* (p. 173), (p. 179), (p. 96) en (p. 98).
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Instrumenten en bediening, auto met stuur rechts - overzicht In het overzicht staat waar de displays en bedieningen van de auto zitten.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Overzicht auto’s met het stuur rechts 03 }} 57
03 Instrumenten, schakelaars en bediening || 03 58 Functie Zie Functie Zie Functie Zie Alarmlichten (p. 86). (p. 107) en supplement Sensus Infotainment. (p. 79), (p. 294) en (p. 174). Bedieningspaneel voor klimaatregeling (p. 125). Beeldscherm voor infotainment en weergave van menu’s Bedieningsknoppen verlichting, ontgrendeling tankvulklep en achterklep – START/STOP ENGINE-knop (p. 255). Openingshandgreep portier Bedieningspaneel voor infotainment en menufuncties (p.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Instrumentenpaneel Op het informatiedisplay van het instrumentenpaneel wordt informatie weergegeven over bepaalde functies van de auto en meldingen. • Instrumentenpaneel, analoog - overzicht (p. 59) • Instrumentenpaneel, digitaal - overzicht (p. 60) • Instrumentenpaneel - betekenis controlesymbolen (p. 64) • Instrumentenpaneel - betekenis waarschuwingssymbolen (p.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening || Toerenteller. De meter geeft het motortoerental in duizenden omwentelingen per minuut aan. Schakelindicator2/Schakelindicator3. Zie ook Schakelindicator* (p. 264), Automatische versnellingsbak - Geartronic* (p. 265) of Automatische versnellingsbak Powershift* (p. 269).
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Meters en wijzers, digitaal instrument 265) of Automatische versnellingsbak Powershift* (p. 269). Voor het digitale instrumentenpaneel zijn verschillende thema’s te kiezen. De mogelijke thema’s zijn ‘Elegance’, ‘Eco’ en ‘Performance’. Het ingestelde thema kan bij vergrendeling van de auto worden opgeslagen in het geheugen van de transpondersleutel, zie pagina Transpondersleutel met sleutelblad (p. 157) en MY CAR (p. 107).
03 Instrumenten, schakelaars en bediening || Toerenteller. De meter geeft het motortoerental in duizenden omwentelingen per minuut aan. Schakelindicator6 /Schakelindicator7. Zie ook Schakelindicator* (p. 264),Automatische versnellingsbak - Geartronic* (p. 265) of Automatische versnellingsbak Powershift* (p. 269). 03 matie (p. 116) en Brandstof tanken (p. 295). Controle- en waarschuwingssymbolen Temperatuurmeter koelvloeistof motor Snelheidsmeter Toerenteller.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Als de motor niet aanslaat of als de functietest wordt uitgevoerd in sleutelstand II, gaan binnen enkele seconden alle symbolen uit, behalve het symbool voor storingen in het uitlaatgasreinigingssysteem en dat voor een lage oliedruk. Gerelateerde informatie • • • Instrumentenpaneel (p. 59) Instrumentenpaneel - betekenis controlesymbolen (p. 64) Instrumentenpaneel - betekenis waarschuwingssymbolen (p.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Instrumentenpaneel - betekenis controlesymbolen Groot licht aan Controlesymbolen Richtingaanwijzers rechts Betekenis Storing in ABL Beschikbaar motorvermogen Benut vermogen Uitlaatgasreinigingssysteem Storing in ABS Beschikbaar motorvermogen De kleinere wijzer bovenaan toont het beschikbare motorvermogen9. Hoe groter de uitslag op de schaal, hoe meer vermogen er beschikbaar is in de actuele versnelling.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Storing in ABS Voorgloeifunctie motor (diesel) Richtingaanwijzers links/rechts Als het symbool brandt, is het systeem defect. Het normale remsysteem van de auto werkt dan nog wel, zij het zonder ABS-regeling. Het symbool gaat branden wanneer de motor wordt voorverwarmd. Voorverwarming vindt meestal plaats bij lage temperaturen. Beide richtingaanwijzersymbolen knipperen bij gebruik van de alarmlichten. 1.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Instrumentenpaneel - betekenis waarschuwingssymbolen De waarschuwingssymbolen attenderen u erop dat de bijbehorende belangrijke functies/ systemen ingeschakeld zijn of dat er ernstige storingen of gebreken zijn opgetreden.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening 2. Start de motor opnieuw. • Rijd verder als beide symbolen uitgaan. • Als de symbolen echter blijven branden, moet u het peil in het remvloeistofreservoir controleren, zie Rem- en koppelingsvloeistof - peil (p. 344). Als de symbolen blijven branden ondanks dat het peil van de remvloeistof in orde is, moet u de auto uiterst voorzichtig naar een werkplaats rijden om het remsysteem te laten controleren.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Buitentemperatuur Dagtellers Klok Het buitentemperatuurmeterdisplay is zichtbaar op het instrumentenpaneel. Het dagtellerdisplay is zichtbaar op het instrumentenpaneel. Het klokdisplay is zichtbaar op het instrumentenpaneel. Dagteller, digitaal instrument. Klok, digitaal instrument.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Volvo Sensus Volvo Sensus vormt het hart van uw persoonlijke Volvo-beleving. Sensus bundelt informatie, entertainment en autofuncties voor een probleemloos bezit. instellingen te verrichten onder Instellingen van de auto, Audio en media, Klimaat e.d. Overzicht Met de knoppen en bedieningselementen op de middenconsole en het rechter toetsenblok* op het stuurwiel kunt u functies activeren en deactiveren en tal van instellingen verrichten.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening || Gerelateerde informatie • Licenties (p. 423) Sleutelstanden Met de transpondersleutel is het elektrische systeem van de auto in verschillende standen te zetten om het gebruik van verschillende functies/systemen mogelijk te maken, zie Sleutelstanden - functies in verschillende standen (p. 71). 03 plaats de transpondersleutel in het contactslot. 2. Duw de transpondersleutel vervolgens tot aan de aanslag in het slot.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Sleutelstanden - functies in verschillende standen Om het gebruik mogelijk te maken van een beperkt aantal functies met uitgeschakelde motor, kan het elektrisch systeem van de auto met de transpondersleutel in 3 verschillende (sleutel-)standen worden gezet: 0, I en II. In dit instructieboekje worden deze standen in algemene zin aangeduid als ‘sleutelstanden’. De volgende tabel geeft aan welke functies beschikbaar zijn in de verschillende sleutelstanden/niveaus.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening || N.B. Om niveau I of II te realiseren zonder dat de motor wordt gestart, trapt u niet het rem-/koppelingspedaal in als u deze sleutelstanden wilt selecteren. • Sleutelstand II - Met de transpondersleutel volledig in het contactslot13 geduwd druk lang14 op START/STOP ENGINE. • Terug naar sleutelstand 0 - Om terug te gaan naar sleutelstand 0 vanuit stand II en I - druk kort op START/STOP ENGINE.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening De rugleuning van de passagiersstoel kan worden omgeklapt om ruimte te maken voor lange lading. Zet de stoel zo ver mogelijk naar achteren en omlaag. Zet de rugleuning rechtop. Trek de pallen aan de achterzijde van de rugleuning omhoog tijdens het omklappen. Voorstoelen - elektrisch bediend Voor het best mogelijke zitcomfort hebben de voorstoelen verschillende instelmogelijkheden. De elektrisch bediende stoel kan naar voren/achteren en omhoog/omlaag worden gezet.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening || Instelling vastleggen Geheugenknop Geheugenknop Geheugenknop Geheugen* van transpondersleutel16 In alle transpondersleutels kunnen de instellingen voor de bestuurdersstoel en de buitenspiegels17 voor verschillende bestuurders worden opgeslagen. U kunt het sleutelgeheugen activeren/deactiveren in het menusysteem MY CAR. Voor een beschrijving van het menusysteem, zie MY CAR (p. 107). Knop voor vastlegging van de instelling 03 1.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Gerelateerde informatie • Transpondersleutel - functies (p. 159) Achterbank De rugleuning en de buitenste hoofdsteunen van de achterbank kunnen worden neergeklapt. De hoofdsteun van de middelste zitplaats kan aan de lengte van de passagier worden aangepast. Buitenste hoofdsteunen achterbank handmatig omklappen Middelste hoofdsteun achterbank 03 Trek aan de pal bij de hoofdsteun om de hoofdsteun om te klappen.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening || Ruggedeelte achterbank omklappen Houd voor het rechtop zetten de omgekeerde volgorde aan. BELANGRIJK N.B. Bij het neerklappen van de achterbank mogen er zich geen voorwerpen op de achterbank bevinden. De veiligheidsgordels mogen evenmin zijn ingestoken. Schade aan de bekleding van de achterbank is anders namelijk niet uitgesloten. 03 Als de rugleuning is teruggeklapt, mag de rode indicatie niet langer zichtbaar zijn.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening 2. Druk op de knop om de beide buitenste hoofdsteunen op de achterbank om te klappen en het zicht naar achteren te verbeteren. WAARSCHUWING Klap de buitenste hoofdsteunen niet om, als er iemand op een van beide buitenste zitplaatsen van de achterbank zit. Stuurwiel Het stuurwiel heeft meerdere verstellingsmogelijkheden en bedieningselementen voor de claxon, cruisecontrol en het menu-, het audioen het telefoonsysteem.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening || Elektrische stuurverwarming* matische versnellingsbak - Geartronic* (p. 265) Het stuurwiel is elektrisch te verwarmen. Bediening audio en telefoon, zie supplement Sensus Infotainment Functie Claxon 03 De positie van de knop kan variëren afhankelijk van de overige gekozen uitrusting en de markt. Claxon. Druk op het midden van het stuurwiel om te claxonneren. Gerelateerde informatie • Elektrische stuurverwarming* (p.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Bedieningspaneel verlichting Met het bedieningspaneel voor de verlichting kunt u de buitenverlichting inschakelen en aanpassen. U kunt het ook gebruiken om de display-, instrumenten- en interieurverlichting aan te passen. Overzicht bedieningspaneel verlichting Standen draaiknop Stand Betekenis DagrijlichtA wanneer het elektrische systeem van de auto in sleutelstand II staat of als de motor warm is. Grootlichtsignalering mogelijk.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening || Stand Betekenis Dimlicht en stadslichten/ parkeerlichten/sidemarkers. Groot licht kan worden geactiveerd. 1. Laat de motor draaien of zet het elektrische systeem van de auto in de sleutelstand I. Stadslichten vóór en achterlichten U schakelt de stadslichten vóór en achterlichten in met de verlichtingsdraaiknop. 2. Draai het duimwiel omhoog of omlaag om de koplampen hoger of lager af te stellen. Grootlichtsignalering mogelijk.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Dagrijlicht Wanneer de verlichtingsdraaiknop in stand staat en het elektrische systeem van de auto in sleutelstand II of als de motor loopt, wordt in goede lichtomstandigheden automatisch het dagrijlicht ingeschakeld. Dagrijlicht DRL Verlichtingsdraaiknop in stand AUTO. Met de verlichtingsdraaiknop in stand wordt het dagrijlicht (Daytime Running Lights - DRL) automatisch ingeschakeld bij autoritten overdag.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Groot licht/dimlicht Wanneer de verlichtingsdraaiknop in stand staat en het elektrische systeem van de auto in sleutelstand II of als de motor loopt, wordt in slechte lichtomstandigheden automatisch het dimlicht ingeschakeld. 03 Met de verlichtingsdraaiknop in de stand brandt altijd het dimlicht, wanneer de motor loopt of als de sleutelstand II actief is. schemeren of bij donker weer.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Actief groot licht* Wanneer AHB geactiveerd is, brandt het symbool op het informatiedisplay van het instrumentenpaneel wit. Actief groot licht ontdekt de koplampen van een tegenligger of de achterlichten van een voorligger en schakelt dan over van groot licht naar dimlicht. De verlichting gaat terug naar groot licht als het invallende licht ophoudt. Als het groot licht ontstoken is, brandt het symbool blauw.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening || voorruitsensoren niet langer geblokkeerd zijn, verdwijnt de melding en gaat het symbool branden. BELANGRIJK Voorbeelden van situaties waarin u mogelijk moet wisselen tussen groot licht en dimlicht: WAARSCHUWING • • • • • AHB is een systeem dat u helpt om in ongunstige omstandigheden de optimale verlichting te kiezen.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening instrumentenpaneel verschijnen een verklarende tekst plus een ander brandend symbool. Symbool Display Betekenis Storing koplampsysteem Service vereist Het systeem is defect. Bezoek een werkplaats als de melding niet verdwijnt. Volvo adviseert u daarvoor contact op te nemen met een erkende Volvo-werkplaats. Mistachterlicht Bij een beperkt zicht door mist kunt u het mistachterlicht gebruiken om achterliggers tijdig op uw aanwezigheid te attenderen.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening 03 Remlichten Alarmlichten De remlichten gaan automatisch branden wanneer u remt. De alarmlichten waarschuwen medeweggebruikers doordat alle richtingaanwijzers gelijktijdig knipperen, wanneer deze functie actief is. Bij het bedienen van het rempedaal gaan de remlichten branden. Ze gaan ook branden wanneer een van de rij-assistentiesystemen, Adaptieve cruisecontrol (p. 192), City Safety (p. 210) of Collision Warning (p. 217) de auto afremmen.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Richtingaanwijzer De richtingaanwijzers van de auto zijn te bedienen met de linker stuurhendel. De richtingaanwijzers knipperen driemaal of blijven knipperen, afhankelijk van hoe ver u de hendel omhoog- of omlaaghaalt. worden of veert automatisch terug bij het terugdraaien van het stuurwiel. Richtingaanwijzersymbolen Voor de richtingaanwijzersymbolen, zie Instrumentenpaneel - betekenis controlesymbolen (p. 64).
03 Instrumenten, schakelaars en bediening || Plafondverlichting voorin Verlichting make-upspiegel De interieurverlichting dooft, wanneer: De leeslampjes voorin worden in- en uitgeschakeld met een druk op de bijbehorende knoppen op de plafondconsole. De verlichting van de make-upspiegel (p. 145), wordt bij het openen en sluiten van het klepje in- en uitgeschakeld.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Follow Me Home-verlichting Approach-verlichting De Follow Me Home-verlichting bestaat uit de het dimlicht, de parkeerlichten, de lampen in de buitenspiegels, de kentekenplaatverlichting, de plafondverlichting en de instapverlichting. De Approach-verlichting bestaat uit de stadslichten, de lampen in de buitenspiegels, de kentekenplaatverlichting, de plafondverlichting en de instapverlichting.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Koplampen - lichtbundel aanpassen Actieve xenonkoplampen* lichtbundel van de koplampen te worden ingesteld op de aangepaste stand (zie voorgaande afbeelding). Om verblinding van tegenliggers te voorkomen kunt u de lichtbundel van de koplampen aanpassen voor links- en rechtsrijdend verkeer.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening 3. Neem de designstreep op de koplampglazen als uitgangspunt, zie de onderbroken streep op de volgende afbeelding. Breng de zelfklevende mallen aan de hand van de afbeelding en de afmetingen in de onderstaande lijst aan op de juiste afstand tot de designstreep: • • • • A = LHD Right - ca. 86 mm B = LHD Left - ca. 40 mm 03 C = RHD Right - 0 mm D = RHD Left - ca.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening || 03 Bovenste regel: auto met stuur links, mallen A en B. Onderste regel: auto met stuur rechts, mallen C en D.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Mallen voor halogeenkoplampen 03 93
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Wissers en -sproeiers Intervalstand Regensensor* De ruitenwisser en -sproeier reinigen de voorruit en achterruit. De koplampen worden met hogedruksproeiers gereinigd. Met het duimwiel kunt u het aantal wisslagen per eenheid van tijd instellen wanneer u de intervalstand hebt geselecteerd. De regensensor registreert de hoeveelheid regen op de voorruit en schakelt automatisch de ruitenwissers op de voorruit in.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening De regensensor wordt automatisch gedeactiveerd, wanneer u de transpondersleutel uit het contactslot neemt of vijf minuten nadat u de motor hebt afgezet. BELANGRIJK In een automatische wasstraat kunnen de ruitenwissers van de voorruit starten en beschadigd raken. Schakel de regensensor uit terwijl de auto loopt of de transpondersleutel in stand I of II staat. Het symbool op het instrumentenpaneel en het lampje in de knop doven.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening || 03 Ruitenwisser achterklep, achteruitrijden Elektrisch bedienbare ruiten Als u de auto in de achteruitversnelling zet terwijl de voorste ruitenwissers actief zijn, zal de intervalstand van de ruitenwisser op de achterklep starten24. Bij het inschakelen van een andere versnelling valt de ruitenwisser op de achterklep stil. Vanaf het bedieningspaneel van het bestuurdersportier zijn alle elektrisch bedienbare ruiten te bedienen.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Bediening Bedieningsknoppen elektrisch bedienbare zijruiten. Handmatige bediening Automatische bediening Met het bedieningspaneel van het bestuurdersportier kunnen alle elektrisch bedienbare ruiten worden bediend. De bedieningspanelen van de overige portieren kunnen alleen de ruit van het desbetreffende portier bedienen. Er kan slechts één bedieningspaneel tegelijk worden bediend.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Buitenspiegels WAARSCHUWING Stel de stand van de buitenspiegels bij met het hendeltje op het bedieningspaneel van het bestuurdersportier. V70: De spiegel aan de bestuurderszijde is groothoekig voor een optimaal zicht. Voorwerpen kunnen verder weg lijken dan ze in werkelijkheid zijn. Buitenspiegels XC70: Beide spiegels zijn groothoekig voor een optimaal zicht. Voorwerpen kunnen verder weg lijken dan ze in werkelijkheid zijn.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening zodat het elektrisch in- en uitklappen weer correct werkt: 1. Klap de spiegels in met de knoppen L en R. 2. Klap de spiegels weer uit met de knoppen L en R. 3. Herhaal de bovenstaande procedure zo nodig. Gerelateerde informatie • • Achteruitkijkspiegel (p. 100) Ruiten en buitenspiegels - elektrische verwarming (p.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening niets doet, wordt de functie na enige tijd automatisch uitgeschakeld. Zie ook Voorruit ontwasemen en ontdooien (p. 130). 03 De buitenspiegels en de achterruit worden automatisch van condens/ijsvorming ontdaan, als de auto wordt gestart bij een buitentemperatuur lager dan +7 °C. Automatische ontwaseming is te selecteren in het menusysteem MY CAR, zie MY CAR (p. 107).
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Kompas* Op de achteruitkijkspiegel zit een display waarop wordt aangegeven in welke richting de voorkant van de auto wijst. Bediening knopje aan de onderzijde van de achteruitkijkspiegel indrukken. Kalibreren Om de juiste kompasrichting aan te geven moet het kompas soms worden gekalibreerd. De aarde is in 15 magnetische zones verdeeld. Het kompas dient te worden gekalibreerd, als u met de auto meerdere magnetische zones doorkruist.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening 7. Auto’s met elektrische voorruitverwarming*: Als bij activering van de elektrische voorruitverwarming het teken C op het display verschijnt, kalibreer dan volgens punt 6 hierboven met de elektrische voorruitverwarming ingeschakeld, zie Voorruit ontwasemen en ontdooien (p. 130). 03 8. Herhaal de bovenstaande procedure zo nodig. Schuifdak* Openen Het schuifdak is te bedienen met de knoppen aan het plafond.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Sluiten met transpondersleutel of knop voor centrale vergrendeling WAARSCHUWING Als er kinderen in de auto aanwezig zijn: greep vast en schuif het scherm naar voren om het te sluiten. Beveiliging tegen overbelasting Onderbreek altijd de stroom naar het schuifdak door te kiezen voor sleutelstand 0 en neem vervolgens de transpondersleutel mee uit de auto. Voor informatie over sleutelstanden, zie Sleutelstanden - functies in verschillende standen (p. 71).
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Menufuncties - instrumentenpaneel Menu-overzicht - instrumentenpaneel Met de linker stuurhendel bedient u de menu’s (p. 104) die op het informatiedisplay van het instrumentenpaneel (p. 59) verschijnen. Welke menu’s er verschijnen hangt af van de sleutelstand (p. 71). Welke menu’s er op het informatiedisplay van het instrumentenpaneel verschijnen hangt af van de sleutelstand (p. 71).
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Boordcomp reset Gerelateerde informatie Meldingen Wanneer er een waarschuwings-, informatieof controlesymbool oplicht, verschijnt er tevens een aanvullende melding op het informatiedisplay. • Instrumentenpaneel, analoog - overzicht (p. 59) • Instrumentenpaneel, digitaal - overzicht (p. 60) Melding Betekenis • Menufuncties - instrumentenpaneel (p. 104) Stop auto z.s.m.A Breng de auto tot stilstand en zet de motor af.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening || Melding Betekenis Versnellingsbak heet Rijd langzamer Rijd voorzichtiger of breng de auto zo spoedig mogelijk tot stilstand. Zet de versnellingsbak in de neutraal en laat de motor stationair draaien totdat de melding verdwijntC. 03 A B C 106 Versnellingsbak heet Stop auto z.s.m. Wachten op afkoelen Kritieke storing. Breng de auto zo spoedig mogelijk tot stilstand en bezoek een werkplaatsB.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening MY CAR kiezen/aan te vinken of de gekozen functie in het geheugen op te slaan. MY CAR is een menugroep voor hantering van tal van autofuncties, zoals City Safety, sloten en alarm, automatische ventilatorsnelheid, klokinstelling e.d. TUNE - aan de draaiknop op de middenconsole of het duimwiel op het stuurwiel draaien om een stap omhoog/omlaag te gaan door de menu-opties.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening 03 Boordcomputer Groepsmenu’s De boordcomputer van de auto kan tijdens het rijden informatie registreren, berekenen en tonen. De boordcomputer heeft twee verschillende groepsmenu’s: De functies en het uiterlijk van de boordcomputer verschillen afhankelijk van de vraag of het instrumentenpaneel er een van het type "Analog" of "Digital" is: • Boordcomputer - instrumentenpaneel ‘Analog’ (p. 109) • Boordcomputer - instrumentenpaneel ‘Digital’ (p.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Boordcomputer - instrumentenpaneel "Analog" De boordcomputer van de auto kan tijdens het rijden informatie registreren, berekenen en tonen. De menu’s van de boordcomputer volgens elkaar op in een eindeloze lus. Een van opties bestaat erin dat het boordcomputerdisplay dooft – dit geeft tevens het begin/eind van de lus aan. Functies Doe het volgende om functies te openen en regelen/aanpassen: 1.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening || 03 Functies Informatie Digit. snlhd. Geeft de rijsnelheid digitaal weer in het midden van het instrumentenpaneel: • • • • km/h mph Open een functie met OK, kies een optie met het duimwiel, bevestig met OK en verlaat de functie met ENTER. Geen aanduiding Verwarming* • • DIRECTE START • - Timer 2 - voert naar het menu voor selectie van het tijdstip.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening A Functies Informatie OliepeilA Voor meer informatie, zie Motorolie - controleren en bijvullen (p. 339). Meldingen (##) Voor meer informatie, zie Meldingen - functies (p. 106). Bepaalde motoren. Rubrieken U kunt een van de rubrieken in de volgende tabel uitkiezen voor constante weergave op het instrumentenpaneel. Doe het volgende om een keuze te maken: 2. Draai aan het duimwiel - de te kiezen boordcomputerrubrieken liggen in een lus. 03 3.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening || Tijdens het rijden kunt u op ieder gewenst moment een andere boordcomputerrubriek voor het instrumentenpaneel kiezen: Ga als volgt te werk: – Draai aan het duimwiel - stop met bladeren bij de rubriek van uw keuze. Gerelateerde informatie 03 112 • Boordcomputer - aanvullende informatie (p. 116) • Boordcomputer - rijstatistiek* (p. 117) * Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Boordcomputer - instrumentenpaneel "Digital" De boordcomputer van de auto kan tijdens het rijden informatie registreren, berekenen en tonen. De menu’s van de boordcomputer volgens elkaar op in een eindeloze lus. Een van opties bestaat erin dat alle drie de boordcomputerdisplays doven – dit geeft tevens het begin/ eind van de lus aan. Functies Doe het volgende om functies te openen en regelen/aanpassen: 1.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening || Functies Informatie Boordcomp reset N.B. Bij deze functie worden de beide dagtellers T1 en T2 niet op nul gesteld - zie de tabel in het volgende gedeelte ‘Rubrieken’ of het gedeelte ‘Op nul stellen bij Digital’ (p. 116) voor informatie hierover. • • 03 Gemiddeld Gemiddelde snelheid Meldingen Voor meer informatie, zie Meldingen - functies (p. 106). Thema's Hier kiest u het uiterlijk van het instrumentenpaneel (p. 59).
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Rubrieken Er kunnen drie boordcomputerrubrieken tegelijk worden weergegeven: één op elk van drie ‘vensters’ (zie voorgaande afbeelding). U kunt een van de rubriekcombinaties in de volgende tabel uitkiezen voor constante weergave op het instrumentenpaneel. Doe het volgende om een keuze te maken: 1. Om er zeker van dat geen van de bedieningselementen zich midden in een procedure bevindt, moet u ze eerst ‘resetten’ met 2 keer drukken op RESET. Rubriekcombinaties 2.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Boordcomputer - aanvullende informatie De boordcomputer van de auto kan tijdens het rijden informatie registreren, berekenen en tonen. Hier volgt aanvullende informatie over enkele functies. Gemiddeld 03 Het gemiddelde brandstofverbruik sinds de laatste maal dat de waarde op nul gesteld werd. N.B. Er kunnen onjuiste waarden verschijnen als er een verwarming op brandstof* is gebruikt.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Eenheid wijzigen Boordcomputer - rijstatistiek* Bediening U kunt van eenheid veranderen voor weergave van de afstand en snelheid (km/miles) in het menusysteem My Car, zie MY CAR (p. 107). Er wordt informatie vastgelegd over het gemiddelde brandstofverbruik en de gemiddelde snelheid tijdens eerdere ritten. Deze informatie is weer te geven op het beeldscherm in de vorm van een staafdiagram. In het menusysteem MY CAR kunt u uiteenlopende instellingen verrichten.
KLIMAAT
04 Klimaat Algemene informatie over de klimaatregeling De auto is voorzien van elektronische klimaatregeling (p. 125). De klimaatregeling zorgt ervoor dat de lucht in het interieur gekoeld, verwarmd of van vocht ontdaan wordt. N.B. Airconditioning (AC) (p. 129) uitschakelen, maar voor optimaal klimaatcomfort in de passagiersruimte en om te voorkomen dat de ruiten beslaan dient u de airconditioning altijd te laten aanstaan.
04 Klimaat 04 Werkelijke temperatuur Sensoren - klimaat Luchtreiniging De ingestelde interieurtemperatuur komt overeen met de gevoelstemperatuur op basis van de heersende omstandigheden in en rond de auto wat de luchtsnelheid, de luchtvochtigheidsgraad, de ingestraalde warmte enz. betreft. De klimaatregeling beschikt over enkele sensoren om de temperatuur (p. 120) in de auto te regelen.
04 Klimaat Luchtreiniging - interieurfilter Alle lucht die de passagiersruimte binnenkomt wordt gereinigd door een filter. Vervang het filter regelmatig. Raadpleeg het Serviceprogramma van Volvo voor het aanbevolen vervangingsinterval. In zeer sterk verontreinigde gebieden moet u het filter mogelijk vaker vervangen.
04 Klimaat Luchtreiniging - IAQS* Het Interior Air Quality System (IAQS) ontdoet de binnenkomende lucht van gassen en stofdeeltjes om zo hinderlijke geurtjes en verontreinigingen in de passagiersruimte te beperken. Als de Air Quality Sensor een verhoogde concentratie van verontreinigingen in de buitenlucht meet, wordt de luchtinlaat afgesloten waarna de lucht in de passagiersruimte wordt gerecirculeerd. 04 Het is mogelijk het systeem te activeren/ deactiveren in het menusysteem MY CAR.
04 Klimaat Menu-instellingen - klimaat Luchtverdeling passagiersruimte Via de middenconsole is het mogelijk de basisinstellingen voor zes van de klimaatregelingsfuncties te activeren/deactiveren of wijzigen. De binnenkomende lucht wordt verdeeld over uiteenlopende blaasmonden verspreid over het interieur. • Ventilatorstand bij automatische klimaatregeling (p. 128). • • Recirculatietimer (p. 131). • Automatische achterruitverwarming (p. 99). Interior Air Quality System (p. 122)*.
04 Klimaat || Luchtverdeling G021368 Blaasmonden in portierstijlen 04 Dicht Luchtverdeling - ontwaseming voorruit Open Luchtverdeling - blaasmond dashboard Luchtstroom naar links of rechts Luchtverdeling - ventilatie vloer Luchtstroom omhoog of omlaag Richt de blaasmonden bij koud weer op de achterste zijruiten om deze te ontwasemen. Richt de blaasmonden, bij warm weer, naar binnen toe voor een behaaglijke temperatuur achter in de auto. N.B.
04 Klimaat Elektronische klimaatregeling, ECC ECC (Electronic Climate Control) handhaaft de temperatuur die in het interieur wordt gekozen en kan voor de bestuurders- en passagierszijde apart worden ingesteld. Met de autofunctie worden temperatuur, airconditioning, ventilatorsnelheid, recirculatie en luchtverdeling automatisch geregeld. 04 Temperatuurregeling (p. 129), links Elektrisch verwarmde voorstoel (p. 126), linkerkant1 Max. ontwaseming (p. 130) Ventilator (p. 128) Luchtverdeling (p.
04 Klimaat Elektrisch verwarmde voorstoelen* De verwarming van de voorstoelen heeft drie standen om het zitcomfort voor bestuurder en voorpassagier bij kou te verhogen. • • Laagste verwarmingsstand - er brandt één oranje veld op het beeldscherm. Verwarming uitschakelen - geen van de velden brandt. WAARSCHUWING Elektrisch verwarmde achterbank* De verwarming voor de buitenste plaatsen van de achterbank2 heeft drie standen om het comfort voor passagiers te verhogen als het koud is.
04 Klimaat WAARSCHUWING Een elektrisch verwarmde stoel mag niet worden gebruikt door personen die niet goed kunnen voelen dat de temperatuur toeneemt of die om een andere reden moeilijkheden hebben om de elektrisch verwarmde stoel te bedienen. Er kunnen dan namelijk brandwonden ontstaan. Gerelateerde informatie • Algemene informatie over de klimaatregeling (p. 119) • Elektrisch verwarmde voorstoelen* (p. 126) Geventileerde voorstoelen*3 Voor de positie van de knop, zie afbeelding (p. 125).
04 Klimaat BELANGRIJK Het is niet mogelijk de stoelventilatie in te schakelen bij een interieurtemperatuur lager dan 5 °C. Dit om te voorkomen dat de passagier op de bewuste stoel te sterk wordt afgekoeld. Ventilator Automatische regeling Houd de ventilator altijd geactiveerd om te voorkomen dat de ruiten beslaan. De autofunctie regelt automatisch temperatuur (p. 129), airconditioning (p. 129), ventilatorsnelheid (p. 128), recirculatie (p. 131) en luchtverdeling (p. 123). N.B.
04 Klimaat Temperatuurregeling passagiersruimte Bij het starten van de motor wordt de laatst verrichte temperatuurinstelling hervat. N.B. Het is niet mogelijk om het opwarmen/ afkoelen te versnellen door een hogere/ lagere temperatuur te kiezen dan die eigenlijk gewenst is. Gerelateerde informatie • Algemene informatie over de klimaatregeling (p. 119) • • Werkelijke temperatuur (p. 120) Elektronische klimaatregeling, ECC (p.
04 Klimaat Voorruit ontwasemen en ontdooien U kunt de elektrische voorruitverwarming* en de maximale ontwaseming gebruiken om de vooruit en zijruiten snel te ontwasemen en ontdooien. Voor auto’s zonder elektrische voorruitverwarming: • Er stroomt lucht naar de ruiten - op het beeldscherm brandt het symbool (2). • Functie uitschakelen - geen van de symbolen brandt. Voor auto’s met elektrische voorruitverwarming: 04 Het beeldscherm van de middenconsole geeft de gekozen instelling aan.
04 Klimaat Luchtverdeling - recirculatie Kies voor recirculatie als u vieze luchtjes, uitlaatgassen en dergelijke buiten wilt houden. Er komt met andere woorden geen lucht van buiten de auto in, wanneer deze functie actief is. Wanneer de recirculatie actief is, brandt het oranje lampje in de knop. N.B. Wanneer u voor maximale ontwaseming kiest, wordt de recirculatie altijd uitgeschakeld. Gerelateerde informatie • Algemene informatie over de klimaatregeling (p.
04 Klimaat Luchtverdeling - tabel Met drie knoppen kiest u de gewenste luchtverdeling (p. 123). 04 132 Luchtverdeling Toepassing Lucht naar de ruiten. Er komt een bepaalde hoeveelheid lucht uit de blaasmonden. De lucht wordt niet gerecirculeerd. De airconditioning is altijd ingeschakeld. om snel te ontdooien en te ontwasemen. Lucht naar de voorruit, via de blaasmond voor ontwaseming, en de zijruiten. Er komt een bepaalde hoeveelheid lucht uit de blaasmonden.
04 Klimaat Luchtverdeling Toepassing Lucht naar de vloer en de ruiten. Er komt een bepaalde hoeveelheid lucht uit de blaasmonden in het dashboard. om een comfortabel klimaat en een goede ontwaseming te verkrijgen bij koud weer. Lucht naar de vloer en uit de blaasmonden in het dashboard. bij zonnig weer en matige buitentemperaturen. 04 Lucht naar de vloer. Er komt een bepaalde hoeveelheid lucht uit de blaasmonden in het dashboard en op de ruiten. om warme of koude lucht naar de vloer te sturen.
04 Klimaat Motor- en interieurverwarming* Tanken Met preconditioning bereidt de verwarming de motor en het interieur voor om de slijtage en het stroomverbruik tijdens de rit te beperken. ming automatisch uitgeschakeld en verschijnt er een melding op het informatiedisplay. Bevestig deze melding door op de knop OK op de richtingaanwijzerhendel (p. 104) te drukken. De verwarming is direct (p. 135) in te schakelen of vertraagd met een timerfunctie (p. 135).
04 Klimaat Motor- en interieurverwarming* direct inschakelen/uitschakelen Motor- en interieurverwarming* timers 4. Druk kort op OK zodat de uuraanduiding gaat branden. Bij directe inschakeling van de motor- en interieurverwarming (p. 134) blijft de verwarming 50 minuten lang draaien. De timers van de motor- en interieurverwarming (p. 134) zijn gekoppeld aan de klok van de auto. 5. Stel de gewenste uuraanduiding in met het duimwiel.
04 Klimaat || Uitschakelen U kunt de timergestuurde verwarming uitschakelen voordat de timer dat doet. Ga als volgt te werk: 1. Druk op de knop OK om het menu te openen. 2. Ga met het duimwiel naar Verwarming en maak een keuze met OK. > Als een timer ingesteld maar niet actief is, staat er een kloksymbool naast de ingestelde tijd. 04 3. Kies een van de beide timers met het duimwiel en bevestig uw keuze met OK. 4.
04 Klimaat Motor- en interieurverwarming* meldingen Symbolen en displaymeldingen ten aan zien van de motor- en interieurverwarming (p. 134) verschillen afhankelijk van de vraag of het om een analoog of digitaal instrumentenpaneel (p. 59) gaat. Wanneer een van de timers geactiveerd is, brandt het symbool voor een geactiveerde timer op het display met de ingestelde tijd ernaast. Symbool voor een geactiveerde timer op een analoog instrumentenpaneel.
04 Klimaat || Symbool 04 138 Display Betekenis Brandstofkachel gestopt Brandstofpeil laag De verwarming kan niet worden geactiveerd door een te laag brandstofpeil – dit om het mogelijk te maken de motor te starten en nog ca. 50 km te rijden. Brandstofkachel Service vereist Verwarming defect. Neem voor reparatie contact op met een werkplaats. Volvo adviseert u daarvoor contact op te nemen met een erkende Volvo-werkplaats. Een tekstmelding verdwijnt automatisch na enige tijd.
04 Klimaat Extra verwarming* Extra verwarming op brandstof* In landen met een koud is wellicht een extra verwarming vereist om de motor op bedrijfstemperatuur te brengen en een behaaglijke temperatuur in de passagiersruimte te realiseren. De auto is uitgerust met een extra verwarming (p. 139) op stroom (p. 140) of op brandstof. Op auto’s met een dieselmotor is een extra verwarming op brandstof (p. 139) gemonteerd.
04 Klimaat Extra verwarming op stroom* De auto is uitgerust met een extra verwarming (p. 139) op brandstof (p. 139). De verwarming is niet handmatig te regelen, maar wordt nadat de motor is aangeslagen automatisch geactiveerd bij buitentemperaturen lager dan 14 °C en wordt gedeactiveerd wanneer de ingestelde interieurtemperatuur is bereikt. Gerelateerde informatie • Motor- en interieurverwarming* (p. 134) 04 140 * Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
LAAD- EN OPBERGMOGELIJKHEDEN
05 Laad- en opbergmogelijkheden Opbergmogelijkheden Overzicht van opbergmogelijkheden in passagiersruimte.
05 Laad- en opbergmogelijkheden Opbergvak in portierpaneel Opbergzak* aan de voorkant van de voorstoelzittingen Parkeerkaarthouder Dashboardkastje (p. 145) Opbergvak Kledinghaak (p. 144) Opbergvakken, bekerhouder (p. 144) Bekerhouder* in armsteun, achterbank Opbergvak WAARSCHUWING 05 Bewaar losse voorwerpen, zoals een mobiele telefoon, camera, afstandsbediening voor extra uitrusting e.d., in het dashboardkastje of andere opbergruimten.
05 Laad- en opbergmogelijkheden Kledinghaak Middenconsole Middenconsole - aansteker en asbak* De kledinghaak zit links op de hoofdsteun van de passagiersstoel. De middenconsole zit tussen de voorstoelen. In bekerhouder onder de middenarmsteun zit een uitneembare asbak. De aansteker zit in de 12V-aansluiting (p. 146) voor de voorpassagiers. De kledinghaak is alleen bestemd voor niet al te zware kledingstukken. De asbak in de middenconsole (p. 144) is te verwijderen door deze recht omhoog te tillen.
05 Laad- en opbergmogelijkheden Dashboardkastje Inlegmatten* Make-upspiegel Het dashboardkastje zit aan de passagierszijde. De inlegmatten vangen bijvoorbeeld vuil en natte sneeuw op. Volvo biedt inlegmatten die speciaal vervaardigd zijn. De make-upspiegel zit aan de achterkant van de zonneklep. WAARSCHUWING Controleer voordat u wegrijdt of de inlegmat voor de bestuurdersstoel goed ligt en aan de knoppen vastzit, zodat deze niet naast of onder de pedalen klem kan komen te zitten.
05 Laad- en opbergmogelijkheden Middenconsole - 12V-aansluiting U kunt de elektrische aansluiting voor verschillende accessoires gebruiken die op een spanning van 12 V werken, zoals beeldschermen, mediaspelers of mobiele telefoons. De transpondersleutel moet ten minste in sleutelstand I (p. 71) staan, anders geeft de aansluiting geen stroom. De elektrische aansluitingen (12 V) vindt u naast de bekerhouder1 en achter in de middenconsole.
05 Laad- en opbergmogelijkheden Lading vervoeren Het laadvermogen is afhankelijk van het rijklaar gewicht van de auto. Het laadvermogen is afhankelijk van het rijklaar gewicht van de auto. Het laadvermogen dient te worden verminderd met de som van het gewicht van eventuele inzittenden en dat van gemonteerde accessoires. Voor uitvoerige informatie over gewichten, zie Gewichten (p. 388).
05 Laad- en opbergmogelijkheden Lading vervoeren - lange lading Lading op het dak Om het in- en uitladen (p. 147) van de bagageruimte te vereenvoudigen, kunt u de ruggedeelten van de achterbank neerklappen. Voor het vervoer van extra lange lading kunt u ook de rugleuning van de passagiersstoel omklappen2. Voor vervoer van lading op het dak adviseren we u de door Volvo ontwikkelde lastdragers. Dit om schade aan de auto te voorkomen en voor maximale veiligheid tijdens het rijden.
05 Laad- en opbergmogelijkheden Bagage verankeren Vloerrails Bagageband G019397 Aan beide zijden van de bagageruimte in de auto zitten meerdere verankeringspunten om bagage aan vast te zetten. Bagage vastgezet aan zowel de bovenste als onderste verankeringspunten. De locatie van de verankeringspunten in de bagageruimte. De verankeringspunten zitten op de vloer en halverwege de zijkanten van de bagageruimte.
05 Laad- en opbergmogelijkheden || Klap de verankeringshaak neer in de richting van de opening. 05 Duw de haak voorzichtig omlaag en schuif deze in de gewenste positie. Klap de haak weer omhoog – de haak is zelfborgend. N.B. Er moet minimaal 50 cm ruimte tussen de verankeringshaken in de rail zitten. Juiste en verkeerde montage verankeringshaak U kunt de verankeringshaken heel eenvoudig verwijderen om bijvoorbeeld de rail schoon te maken. Klap de verankeringshaak neer in de richting van de opening.
05 Laad- en opbergmogelijkheden Lading vervoeren - houder voor boodschappentassen 12V-aansluiting - bagageruimte* Met de houder voor boodschappentassen kunt u draagtassen vastzetten om te voorkomen dat ze omvallen en hun inhoud over de vloer van de bagageruimte verspreiden. N.B. U kunt de elektrische aansluiting voor verschillende accessoires gebruiken die op een spanning van 12 V werken, zoals beeldschermen, mediaspelers of mobiele telefoons.
05 Laad- en opbergmogelijkheden Bagagenet* Bagagenet gebruiken G018246 Een bagagenet voorkomt dat bagage in de bagageruimte bij krachtig afremmen de passagiersruimte in worden geslingerd. Monteer de tweedelige bagagenetcassette achter op het ruggedeelte van de achterbank. Monteer het smalle cassettegedeelte links (in de rijrichting gezien). 05 Opbergruimte voor tweedelige bagagenetcassette. 1. Klap de ruggedeelten van de achterbank voorover, zie Achterbank (p. 75).
05 Laad- en opbergmogelijkheden Het net kan ook worden gebruikt wanneer de ruggedeelten van de achterbank neergeklapt zijn. Tweedelige bagagenetcassette verwijderen Bagagenet* plus bagagerolhoes Veiligheidsrek Een bagagenet voorkomt dat bagage in de bagageruimte bij krachtig afremmen de passagiersruimte in worden geslingerd. Een veiligheidsrek voorkomt dat bagage of huisdieren in de bagageruimte bij krachtig afremmen de passagiersruimte in worden geslingerd. 1.
05 Laad- en opbergmogelijkheden || lengen. U kunt het veiligheidsrek desgewenst demonteren en uit de auto nemen. Gerelateerde informatie • • Bij het terugplaatsen moet u het veiligheidsrek, uit voorzorg, altijd op de juiste manier bevestigen en verankeren. G018368 Om het veiligheidsrek te kunnen monteren dient u eerst de ruggedeelten neer te klappen, zie Achterbank (p. 75). N.B. Het veiligheidsrek is het makkelijkst met twee personen via de achterportieren aan te brengen/te verwijderen.
05 Laad- en opbergmogelijkheden Bagagerolhoes Duw beide kanten vast. De rolhoes moet hoorbaar vastklikken en de rode markering moet verdwijnen. > Controleer of beide eindstukken vergrendeld zijn. Bagageafdekking verwijderen G017749 1. Duw op de knop van het ene eindstuk en til het uit de holte. Trek de bagagerolhoes over de lading heen uit en haak de hoes vast in de uitsparingen die bij de achterste stijlen van de bagageruimte zitten.
SLOTEN EN ALARM
06 Sloten en alarm Transpondersleutel met sleutelblad Transpondersleutel - verlies Sleutelgeheugen* U gebruikt de transpondersleutel om de auto te starten en deze te vergrendelen en ontgrendelen. De sleutel bevat een afneembaar sleutelblad (p. 163). Het zichtbare deel bestaat in twee uitvoeringen om de transponders van elkaar te kunnen onderscheiden. Bij verlies van een transpondersleutel kunt u een nieuwe bestellen bij een werkplaats – geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
06 Sloten en alarm Indicatie vergrendeling/ontgrendeling - instellen Wanneer u de auto vergrendelt of ontgrendelt met een transpondersleutel (p. 157), lichten de richtingaanwijzers een bepaald aantal malen op om aan te geven dat de auto op de juiste manier vergrendeld/ontgrendeld is. • • Vergrendelen – eenmaal oplichten en de buitenspiegels worden ingeklapt1. Ontgrendelen – tweemaal oplichten en de buitenspiegels worden uitgeklapt1.
06 Sloten en alarm Op afstand bediende startblokkering met opsporingssysteem De op afstand bediende startblokkering met opsporingssysteem maakt het mogelijk om de auto op te sporen en te lokaliseren alsmede op afstand de startblokkering te activeren, zodat de motor afslaat. Transpondersleutel - functies De transpondersleutel heeft functies voor bijvoorbeeld vergrendeling en ontgrendeling van de portieren.
06 Sloten en alarm || Bij lang indrukken worden alle ruiten tegelijkertijd geopend (zie ook Doorluchtfunctie (p. 173)). De gelijktijdige ontgrendeling van alle portieren is dusdanig te wijzigen dat bij eenmaal indrukken van de knop eerst het bestuurdersportier ontgrendeld wordt en bij de tweede maal indrukken – één en ander binnen 10 seconden – de resterende portieren te ontgrendelen. U kunt de functie wijzigen in het menusysteem MY CAR. Voor een beschrijving van het menusysteem, zie MY CAR (p. 107).
06 Sloten en alarm Gerelateerde informatie • Transpondersleutel - functies (p. 159) PCC* - unieke functies Gebruik van de informatietoets Een transpondersleutel met PCC heeft extra functies ten opzichte van een transpondersleutel zonder PCC (p. 157) in de vorm van een informatieknop en controlelampjes. – Druk op de informatietoets . > Ca. 7 seconden lang lichten de controlesymbolen op de PCC om de beurt op. Dit geeft aan dat informatie over de auto wordt uitgelezen.
06 Sloten en alarm || PCC* - bereik N.B. Het bereik van de PCC voor vergrendeling, ontgrendeling en bediening van de achterklep is ca. 20 m rond de auto – voor de overige functies geldt een maximumbereik van ca. 100 m. Als binnen het bereik van de PCC geen van de controlelampjes brandt bij het indrukken van de informatietoets, vertoont de communicatie tussen de PCC en de auto mogelijk storingen onder invloed van radiogolven in de lucht, omringende gebouwen, topografische omstandigheden e.d.
06 Sloten en alarm Afneembaar sleutelblad De transpondersleutel (p. 157) bevat een afneembaar metalen sleutelblad waarmee u enkele functies kunt activeren en bepaalde handelingen kunt uitvoeren. De unieke code van de sleutelbladen is bekend bij de erkende Volvo-werkplaatsen, waar ook nieuwe sleutelbladen kunnen worden besteld. Afneembaar sleutelblad - verwijderen/ aanbrengen Het verwijderen/aanbrengen van het afneembare sleutelblad (p.
06 Sloten en alarm Afneembaar sleutelblad - portier ontgrendelen Het afneembare sleutelblad (p. 163) kan worden gebruikt als de centrale vergrendeling niet kan worden geactiveerd met de transpondersleutel (p. 157), bijv. als de batterij van de sleutel leeg is.
06 Sloten en alarm Activeren/deactiveren N.B. Plaats het sleutelblad niet terug op de transpondersleutel, maar berg het goed op. • Om alleen het dashboardkastje te vergrendelen, zie Vergrendelen/ontgrendelen - dashboardkastje (p. 174). G017870 Vergrendelingspunten voor transpondersleutel zonder sleutelblad (Privacy locking geactiveerd). Dit betekent dat de transpondersleutel zonder het sleutelblad alleen kan worden gebruikt om het alarm (p.
06 Sloten en alarm Transpondersleutel/PCC - batterij vervangen N.B. Keer de transpondersleutel met de knoppen naar boven om te voorkomen dat de batterijen eruit vallen als deze wordt geopend. De batterijen in de transpondersleutel/PCC zijn te vervangen. Vervang de batterijen in de transpondersleutel/PCC, als: • BELANGRIJK het informatiesymbool op het instrumentenpaneel oplicht en Afst.bediening batterij raakt leeg. Vervang de batterij.
06 Sloten en alarm Batterijtype Gebruik batterijen met het opschrift CR2430, 3 V (twee per transpondersleutel en twee per PCC). N.B. Volvo adviseert u om batterijen voor de transpondersleutel/PCC te gebruiken die voldoen aan UN Manual of Test and Criteria, Part III, sub-section 38.3. Voor batterijen die in de fabriek zijn geplaatst of in een erkende Volvo-werkplaats zijn vervangen is dit het geval. In elkaar zetten 1. Druk de afdekking weer op de transpondersleutel vast. 2.
06 Sloten en alarm || Als een van de PCC’s weer in de auto is, verdwijnen de waarschuwingsmelding en het geluidssignaal wanneer aan een of meer van de onderstaande voorwaarden is voldaan: • • • er is een portier geopend of gesloten de transpondersleutel is in het contactslot gestoken de knop OK is ingedrukt. Gerelateerde informatie • • Keyless drive* (p. 167) Keyless drive* - locatie antennes (p.
06 Sloten en alarm Keyless drive* - vergrendelen N.B. Auto’s met Keyless-drive zijn voorzien van een knop voor vergrendeling/ontgrendeling op de buitenhandgreep van de portieren. Op auto's met een automatische versnellingsbak moet de keuzehendel in de Pstand staan. Anders kan de auto niet worden vergrendeld of op alarm worden gezet. Gerelateerde informatie • • Keyless drive* (p. 167) Alarmindicatie (p.
06 Sloten en alarm Keyless drive*- ontgrendelen met sleutelblad Als de centrale vergrendeling niet op de PCC reageert (omdat de batterijen bijvoorbeeld leeg zijn), kunt u het linker voorportier ontgrendelen of vergrendelen met het afneembare sleutelblad van de PCC (zie Afneembaar sleutelblad - verwijderen/aanbrengen (p. 163)). 1. Duw het sleutelblad ca. 1 cm recht omhoog in de opening aan de onderkant van de portierhandgreep/afdekking – niet wrikken.
06 Sloten en alarm • pen 1–3, zie Voorstoelen - elektrisch bediend (p. 73). Keyless drive* vergrendelingsinstellingen Zet de stoel en de spiegels handmatig in de juiste stand, zie Voorstoelen - elektrisch bediend (p. 73) en Buitenspiegels (p. 98). De vergrendelingsinstellingen voor het Keyless-systeem zijn aan te passen. Gerelateerde informatie • • Keyless drive* (p. 167) Transpondersleutel - functies (p.
06 Sloten en alarm || WAARSCHUWING Personen met een pacemaker mogen niet dichter dan 22 cm bij de antennes van het Keyless-systeem komen. Hierdoor voorkomt u storingen tussen de pacemaker en het Keyless-systeem. Gerelateerde informatie • Keyless drive* (p. 167) Vergrendelen/ontgrendelen - vanaf de buitenkant Met de transpondersleutel (p. 157) is vergrendeling/ontgrendeling van de buitenkant mogelijk.
06 Sloten en alarm Vergrendelen/ontgrendelen - van de binnenzijde Alle portieren en de achterklep worden tegelijkertijd vergrendeld of ontgrendeld met de knop van het bestuurdersportier en het passagiersportier* voor centrale vergrendeling. Bij lang indrukken worden ook alle zijruiten* tegelijkertijd geopend (zie ook Doorluchtfunctie (p. 173)). • Centrale vergrendeling Trek eenmaal aan de openingshandgreep en laat deze vervolgens los – het portier is ontgrendeld.
06 Sloten en alarm Vergrendelen/ontgrendelen dashboardkastje Het dashboardkastje (p. 145) valt alleen te vergrendelen/ontgrendelen met het afneembare sleutelblad van de transpondersleutel. Voor informatie over het sleutelblad, zie Afneembaar sleutelblad - verwijderen/ aanbrengen (p. 163). 06 Dashboardkastje vergrendelen: Duw het sleutelblad in de slotcilinder van het dashboardkastje. Draai het sleutelblad 90 graden rechtsom. Het sleutelgat staat horizontaal wanneer het kastje vergrendeld is.
06 Sloten en alarm tegen op het met rubber bekleding drukplaatje onder de buitenhandgreep en open de klep. Vergrendelen met transpondersleutel Elektrische achterklepbediening – U kunt de achterklep van de auto openen/sluiten met een knop op het verlichtingspaneel en een knop op de transpondersleutel Als de klep niet binnen 2 minuten na ontgrendeling wordt geopend, wordt de klep weer vergrendeld en het alarm opnieuw geactiveerd.
06 Sloten en alarm || N.B. • • Om oververhitting tegen te gaan wordt het systeem na langdurig en continu gebruik automatisch even uitgeschakeld. Ca. 2 minuten later is het opnieuw klaar voor gebruik. Als de startaccu ontladen of losgekoppeld is geweest, moet de achterklep eenmaal handmatig worden geopend en gesloten om het systeem te resetten. Programmeerbare maximale openingshoek Het is mogelijk de maximale openingshoek van de achterklep te programmeren.
06 Sloten en alarm Achterklep handmatig bedienen Safelock-functie* Het systeem wordt gedeactiveerd, als de openings-/sluitingsprocedure zoals hiervoor beschreven, wordt onderbroken. Bij activering van de Safelock-functie worden alle vergrendelknoppen en openingshandgrepen mechanisch losgekoppeld, wat het openen van de portieren van zowel de binnen- als de buitenzijde onmogelijk maakt. • U kunt de achterklep vervolgens handmatig openen/sluiten.
06 Sloten en alarm || N.B. • Let erop dat het alarm wordt geactiveerd bij vergrendeling van de auto. • Als een van de portieren van de binnenzijde wordt geopend, gaat het alarm af. Kinderslot - handmatige activering N.B. Het kinderslot voorkomt dat kinderen een achterportier vanaf de binnenzijde kunnen openen. Kinderslot activeren/deactiveren • De vergrendelbus van een portier dient alleen om het desbetreffende portier te vergrendelen – dus niet beide achterportieren.
06 Sloten en alarm Kinderslot - elektrische activering* Het elektrisch geactiveerde kinderslot voorkomt dat kinderen achter in de auto de achterportieren of de achterste zijruiten kunnen openen. Activeren Het kinderslot is in alle sleutelstanden (p. 70) anders dan 0 te activeren/deactiveren en dat binnen 2 minuten na het afzetten van de motor, op voorwaarde dat er geen portier wordt geopend. Doe het volgende om het kinderslot te activeren: 2.
06 Sloten en alarm || N.B. De bewegingsmelders laten het alarm afgaan bij bewegingen in de passagiersruimte – ook eventuele luchtstromen worden geregistreerd. Het alarm kan dan ook afgaan, als u de auto met een ruit of schuifdak open laat staan of als u de interieurverwarming gebruikt. Om dat te voorkomen: Sluit bij het verlaten van de auto alle ruiten en het schuifdak.
06 Sloten en alarm Alarmsysteem - automatische herinschakeling Alarmsysteem - transpondersleutel defect De automatische herinschakeling van het alarm voorkomt dat u de auto verlaat zonder het alarmsysteem (p. 179) uit te schakelen. Als u het alarm (p. 179) niet kunt uitschakelen met de transpondersleutel (als bijvoorbeeld de batterij (p.
06 Sloten en alarm Beperkt alarmniveau Een beperkt alarmniveau houdt in dat de bewegingsmelders en niveausensoren tijdelijk worden uitgeschakeld. Om te voorkomen dat het alarmsysteem (p. 179) onbedoeld afgaat als u bijvoorbeeld een hond in een vergrendelde auto achterlaat of een autotrein of veerverbinding gebruikt, dienen de bewegingsmelder en de niveausensoren tijdelijk te worden gedeactiveerd. De te volgen procedure is identiek aan die bij tijdelijke uitschakeling van de Safelock-functie (p. 177)4.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
07 Bestuurdersondersteuning Actief chassis - FOUR-C* Bediening Het actieve chassissysteem FOUR-C (Continously Controlled Chassis Concept) stemt de eigenschappen van de schokdempers af op de gewenste rijeigenschappen van de auto. U hebt de keuze uit drie standen: Comfort, Sport en Advanced. Het stabiliteits- en tractieregelsysteem, DSTC (Dynamic Stability & Traction Control), helpt u voorkomen dat de wielen doorslippen en verbetert de tractie van de auto.
07 Bestuurdersondersteuning aandrijfwiel over op een aandrijfwiel dat niet slipt. Trailer Stability Assist1 Het TSA-systeem (p. 309) heeft tot taak de auto met een aanhanger/caravan te stabiliseren wanneer de combinatie de neiging tot pendelbewegingen vertoont. Voor meer informatie, zie Rijden met een aanhanger (p. 302). N.B. De functie wordt gedeactiveerd als u de Sport-stand kiest. Gerelateerde informatie • Stabiliteits- en tractieregelsysteem (DSTC) - bediening (p.
07 Bestuurdersondersteuning Stabiliteits- en tractieregeling (DSTC) - symbolen en meldingen Het stabiliteits- en tractieregelsysteem (p. 184) (DSTC - Dynamic Stability & Traction Control) helpt u voorkomen dat de wielen doorslippen en verbetert de tractie van de auto. Tabel Symbool Melding Betekenis DSTC Tijdelijk UIT Wegens een te hoge temperatuur van de remschijven gelden er tijdelijk beperkingen voor het systeem.
07 Bestuurdersondersteuning Verkeersbordinformatie (RSI)* WAARSCHUWING Het verkeersbordinformatiesysteem (RSI – Road Sign Information) helpt u onthouden welke snelheidsborden u gepasseerd bent. RSI werkt niet in alle situaties, maar is uitsluitend bedoeld als een aanvullend hulpmiddel. Als bestuurder bent u er altijd verantwoordelijk voor dat u de auto op een veilige manier bestuurt en dat u zich aan de geldende verkeersregels en voorschriften houdt.
07 Bestuurdersondersteuning || Einde snelheidsbeperking of snelweg Aanvullende borden Wanneer het RSI een bord registreert dat het einde van een snelheidsbeperking aangeeft (of andere snelheidsgerelateerde informatie zoals het einde van een snelweg), verschijnt het desbetreffende verkeersbord ca. 10 seconden lang op het instrumentenpaneel: Het snelheidsbord dat aan dit type aanvullend bord is gekoppeld, verschijnt alleen als u de richtingaanwijzer gebruikt.
07 Bestuurdersondersteuning Instelling in MY CAR Speed Alert De beschikbare opties voor het RSI vindt u in het menusysteem MY CAR, zie MY CAR (p. 107). Het verkeersbordinformatiesysteem (RSI – Road Sign Information) helpt u onthouden welke snelheidsborden u gepasseerd bent. Het systeem heeft de volgende beperkingen. Road Sign Information Aan/Uit Het is mogelijk de weergave van snelheidssymbolen op het instrumentenpaneel te deactiveren.
07 Bestuurdersondersteuning Cruisecontrol* WAARSCHUWING De cruisecontrol (CC – Cruise Control) helpt u een gelijkmatige snelheid te houden, wat zorgt voor een comfortabeler rijervaring op lange ritten op snelwegen en lange, rechte hoofdwegen met een gelijkmatige verkeersstroom. De bestuurder dient altijd rekening te houden met de verkeersomstandigheden en in te grijpen, wanneer de cruisecontrol geen passende snelheid en/of afstand aanhoudt.
07 Bestuurdersondersteuning Om aan te passen met +/- 1 km/h: • Houd de knop ingedrukt en laat los bij de gewenste snelheid. Wanneer u tijdelijk gas geeft via het gaspedaal zoals bij een inhaalmanoeuvre, blijft de instelling van de cruisecontrol ongewijzigd – de auto hervat de ingestelde snelheid zodra u het gaspedaal loslaat. N.B. Als u een knop van de cruisecontrol meerdere minuten ingedrukt houdt, wordt de cruisecontrol geblokkeerd en uitgeschakeld.
07 Bestuurdersondersteuning Cruisecontrol* - ingestelde snelheid hervatten De cruisecontrol (CC – Cruise Control) helpt u een gelijkmatige snelheid aan te houden. Na tijdelijke deactivering en de stand-bystand (p. 191) kunt u de eerder ingestelde snelheid hervatten. Om de cruisecontrol opnieuw te activeren vanuit de stand-bystand: • Druk op de stuurtoets > De markering (5) en het symbool (6) op het instrumentenpaneel verkleuren van GRIJS naar WIT en de laatst ingestelde snelheid wordt hervat. . N.B.
07 Bestuurdersondersteuning WAARSCHUWING De bestuurder dient altijd rekening te houden met de verkeersomstandigheden en in te grijpen, wanneer de adaptieve cruisecontrol geen passende snelheid of afstand aanhoudt. De adaptieve cruisecontrol leent zich niet voor alle verkeers-, weers- en wegomstandigheden. Gerelateerde informatie • Adaptieve cruisecontrol* - overzicht (p. 195) • • Adaptieve cruisecontrol* - functie (p. 193) • Adaptieve cruisecontrol* - symbolen en meldingen (p.
07 Bestuurdersondersteuning || WAARSCHUWING De adaptieve cruisecontrol is geen systeem dat botsingen voorkomt. Grijp zelf in zodra u merkt dat het systeem een voorligger niet registreert. De adaptieve cruisecontrol reageert niet op voetgangers of dieren noch op kleinere voertuigen, zoals fietsen of motorfietsen e.d. Tegenliggers, langzaam rijdende en stilstaande voertuigen of vaste obstakels worden eveneens genegeerd.
07 Bestuurdersondersteuning Steile wegen en/of zware belading Adaptieve cruisecontrol* - overzicht Let erop dat de adaptieve cruisecontrol in eerste instantie bestemd is voor gebruik tijdens ritten op vlakke weggedeelten. De cruisecontrol heeft mogelijk moeite om de juiste volgafstand ten opzichte van voorliggers aan te houden bij ritten op steile aflopende wegen, bij vervoer van zware belading of met een aanhanger/caravan achter de auto – blijf dan extra alert en rem zo nodig zelf.
07 Bestuurdersondersteuning Adaptieve cruisecontrol* - snelheid regelen Alleen als op het symbool de afbeelding van een ander voertuig verschijnt, wordt de afstand tot de voorligger geregeld door de cruisecontrol. De adaptieve cruisecontrol (ACC – Adaptive Cruise Control) helpt u om een gelijkmatige snelheid en een veilige afstand tot voorliggers te houden.
07 Bestuurdersondersteuning Adaptieve cruisecontrol* - volgtijd instellen De adaptieve cruisecontrol (ACC – Adaptive Cruise Control) helpt u om een gelijkmatige snelheid en een veilige afstand tot voorliggers te houden. U kunt verschillende volgtijden ten opzichte van voorliggers kiezen en deze worden op het instrumentenpaneel weergegeven met 1–5 horizontale streepjes – hoe meer streepjes, hoe langer de volgtijd. Eén streepje komt overeen met ca.
07 Bestuurdersondersteuning || Wanneer u tijdelijk gas geeft via het gaspedaal zoals bij een inhaalmanoeuvre, blijft de instelling van de cruisecontrol ongewijzigd – de auto hervat de laatst opgeslagen snelheid zodra u het gaspedaal loslaat. Automatische stand-bystand De adaptieve cruisecontrol is afhankelijk van andere systemen, zoals DSTC (stabiliteits- en tractieregeling) (p. 184). Als een van dergelijke systeem uitvalt, wordt de cruisecontrol automatisch uitgeschakeld.
07 Bestuurdersondersteuning Adaptieve cruisecontrol* uitschakelen Adaptieve cruisecontrol* - fileassistent De adaptieve cruisecontrol (ACC – Adaptive Cruise Control) helpt u om een gelijkmatige snelheid en een veilige afstand tot voorliggers te houden. De adaptieve cruisecontrol (ACC – Adaptive Cruise Control) helpt u om een gelijkmatige snelheid en een veilige afstand tot voorliggers te houden. De file-assistent biedt de adaptieve cruisecontrol meer functionaliteit, ook bij snelheden lager dan 30 km/h.
07 Bestuurdersondersteuning || > De cruisecontrol zal dan de voorligger opnieuw volgen. WAARSCHUWING Wanneer de cruisecontrol een rijdende voorligger volgt bij snelheden boven 30 km/h, van doelvoertuig verandert en vervolgens een stilstaand voertuig volgt, zal de cruisecontrol het stilstaande voertuig negeren en de opgeslagen snelheid aanhouden. N.B. De file-assistent kan de auto maximaal 4 minuten stilhouden - daarna wordt de parkeerrem aangezet, waarna de cruisecontrol wordt uitgeschakeld.
07 Bestuurdersondersteuning Adaptieve cruisecontrol* - van cruisecontrol-functie wisselen De adaptieve cruisecontrol (ACC – Adaptive Cruise Control) helpt u om een veilige afstand tot voorliggers te houden. Wisselen van ACC naar CC Gerelateerde informatie • • Adaptieve cruisecontrol - ACC* (p. 192) • Adaptieve cruisecontrol* - functie (p. 193) Adaptieve cruisecontrol* - overzicht (p.
07 Bestuurdersondersteuning Radarsensor - beperkingen WAARSCHUWING Een radarsensor (p. 201) heeft bepaalde beperkingen die onder meer terug te voeren zijn op het beperkte blikveld. De bestuurder dient altijd rekening te houden met de verkeersomstandigheden en in te grijpen, wanneer de adaptieve cruisecontrol geen passende snelheid of afstand aanhoudt.
07 Bestuurdersondersteuning WAARSCHUWING De adaptieve cruisecontrol is geen systeem dat botsingen voorkomt. Grijp zelf in zodra u merkt dat het systeem een voorligger niet registreert. Gerelateerde informatie • • • Adaptieve cruisecontrol - ACC* (p. 192) Collision Warning* (p. 217) Afstandswaarschuwing* (p. 207) De adaptieve cruisecontrol reageert niet op voetgangers of dieren noch op kleinere voertuigen, zoals fietsen of motorfietsen e.d.
07 Bestuurdersondersteuning Adaptieve cruisecontrol* - storingen opsporen en verhelpen De adaptieve cruisecontrol (p. 192) (ACC – Adaptive Cruise Control) helpt u om een gelijkmatige snelheid en een veilige afstand tot voorliggers te houden. Als op het instrumentenpaneel de melding Radar afgedekt Zie instructieb.
07 Bestuurdersondersteuning Adaptieve cruisecontrol* - symbolen en meldingen De adaptieve cruisecontrol (ACC – Adaptive Cruise Control) helpt u om een gelijkmatige Symbool snelheid en een veilige afstand tot voorliggers te houden. Soms kan de adaptieve cruisecontrol een symbool en/of een melding weerge- Melding Betekenis Het symbool is GROEN De auto houdt de opgeslagen snelheid aan. Het symbool is WIT De adaptieve cruisecontrol staat stand-by. ven.
07 Bestuurdersondersteuning || Symbool Melding Betekenis ACC Service vereist De adaptieve cruisecontrol werkt niet. • Neem dan contact op met een werkplaats. Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats. Remmen om stil te blijven staan + geluidssignaal De auto staat stil en de cruisecontrol lost de bedrijfsrem, zodat de parkeerrem verder kan remmen en de auto stil kan houden. Door een storing in de parkeerrem zal de auto echter spoedig in beweging komen.
07 Bestuurdersondersteuning Afstandswaarschuwing* N.B. De afstandswaarschuwing (Distance Alert) is een functie die u inlicht over de volgtijd ten opzichte van de voorligger. De afstandswaarschuwing is uitgeschakeld, zolang de adaptieve cruisecontrol actief is. Distance Alert is actief bij snelheden hoger dan 30 km/h en reageert uitsluitend op voorliggers die in dezelfde richting als u rijden.
07 Bestuurdersondersteuning || Hetzelfde symbool verschijnt ook wanneer de adaptieve cruisecontrole geactiveerd is. N.B. Hoe hoger de snelheid, hoe langer de volgafstand in meters voor een bepaalde volgtijd. De ingestelde volgtijd wordt ook gebruikt door de adaptieve cruisecontrol (p. 193). Houd alleen een volgtijd aan die niet in strijd is met de geldende verkeersregels. Gerelateerde informatie • Afstandswaarschuwing* - beperkingen (p.
07 Bestuurdersondersteuning Afstandswaarschuwing* - symbolen en meldingen opzichte van de voorligger. Het systeem heeft bepaalde beperkingen. De afstandswaarschuwing (Distance Alert) is een functie die u inlicht over de volgtijd ten SymboolA Melding Betekenis Radar afgedekt Zie instructieb. De afstandswaarschuwing werkt tijdelijk niet. De radarsensor kan geen andere voertuigen registreren.
07 Bestuurdersondersteuning City Safety™ BELANGRIJK City Safety™ is een hulpmiddel om u te helpen een botsing te voorkomen tijdens filerijden e.d., waarbij plotselinge wijzigingen in het verkeer vóór u gekoppeld aan onoplettendheid tot bijna-ongelukken kunnen leiden. Onderhoud en vervanging van onderdelen in City Safety™ mogen uitsluitend door een werkplaats worden uitgevoerd - geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
07 Bestuurdersondersteuning Wanneer het systeem ingrijpt en remt, verschijnt op het instrumentenpaneel de tekstmelding dat het systeem actief is/was. N.B. Als City Safety™ remt, gaan de remlichten branden. City Safety™ - bediening City Safety™ is een hulpmiddel om u te helpen een botsing te voorkomen tijdens filerijden e.d., waarbij plotselinge wijzigingen in het verkeer vóór u gekoppeld aan onoplettendheid tot bijna-ongelukken kunnen leiden.
07 Bestuurdersondersteuning || WAARSCHUWING De lasersensor geeft ook laserlicht af, wanneer u City Safety™ handmatig uitgeschakeld hebt. Gerelateerde informatie • • • • • City Safety™ - functie (p. 210) • MY CAR (p. 107) City Safety™ (p. 210) City Safety™ - beperkingen (p. 212) City Safety™ - lasersensor (p. 214) City Safety™ - symbolen en meldingen (p.
07 Bestuurdersondersteuning Storingen opsporen en verhelpen Als de melding Voorruitsensoren afgedekt BELANGRIJK Als het voorruitoppervlak vóór een van beide ‘ogen’ barsten, krassen of steenslag vertoont van ca. 0,5 × 3,0 mm (of groter), neem dan contact op met een erkende werkplaats om de voorruit te laten vervangen (zie de afbeelding met de sensorpositie (p. 210)) – geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
07 Bestuurdersondersteuning City Safety™ - lasersensor Het City Safety™-systeem maakt gebruik van een sensor die laserlicht uitzendt (zie afbeelding (p. 210) voor de locatie van de sensor). Neem contact op met een gekwalificeerde werkplaats als de lasersensor een storing vertoont of nagekeken moet worden – geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats. Het is daarom essentieel dat u de aangegeven instructies opvolgt bij het hanteren van de lasersensor.
07 Bestuurdersondersteuning • Koppel de connector van de lasersensor los voordat u deze van de voorruit demonteert. • Zorg dat de lasersensor op de voorruit gemonteerd is alvorens de connector aan te sluiten. • De lasersensor zendt laserlicht uit wanneer de transpondersleutel in sleutelstand II (p. 71) staat, ook al is de motor afgezet. Gerelateerde informatie • • • • • City Safety™ (p. 210) City Safety™ - beperkingen (p. 212) City Safety™ - functie (p. 210) City Safety™ - bediening (p.
07 Bestuurdersondersteuning City Safety™ - symbolen en meldingen instrumentenpaneel gaan branden in combinatie met een tekstmelding. Meldingen kunt u van het display halen door de OK-knop op de richtingaanwijzerhendel kort in te drukken. Terwijl City Safety™ (p. 210) automatisch remt, kunnen een of meer symbolen op het Symbool Melding Betekenis/Maatregel Autom. remmen door City Safety City Safety™ remt op dit moment of remde eerder automatisch.
07 Bestuurdersondersteuning Collision Warning*14 ‘Collision Warning met Auto Brake en voetgangers- en fietserdetectie’ is een hulpmiddel dat bedoeld is om u te waarschuwen, wanneer het gevaar bestaat dat u op een voetganger of achter op een (stilstaande of rijdende) fietser of voorligger botst. Collision Warning met Auto Brake en voetgangersdetectie wordt geactiveerd in situaties waar u eigenlijk al veel eerder had moeten remmen, zodat de functie niet altijd uitkomst biedt.
07 Bestuurdersondersteuning Collision Warning* - functie 3. Auto Brake17 ‘Collision Warning met Auto Brake en voetgangers- en fietserdetectie’ is een hulpmiddel dat bedoeld is om u te waarschuwen, wanneer het gevaar bestaat dat u op een voetganger of achter op een (stilstaande of rijdende) fietser of voorligger botst. Collision Warning en City Safety™ (p. 210) vullen elkaar aan. 1 – Collision Warning Eerst wordt u gewaarschuwd voor een dreigende aanrijding.
07 Bestuurdersondersteuning WAARSCHUWING Collision Warning werkt niet in alle rijsituaties, verkeers-, weers- en wegomstandigheden. Collision Warning reageert niet op naderende tegenliggers of fietsers noch op dieren. Er wordt alleen gewaarschuwd wanneer het risico van een botsing groot is. In het onderdeel “Functie” en “Beperkingen” wordt geïnformeerd over de beperkingen die u als bestuurder moet kennen, voordat u de Collision Warning met Auto Brake gebruikt.
07 Bestuurdersondersteuning || evenals een bewegingspatroon dat voor mensen als normaal te beschouwen is. Het systeem kan een fietser niet ontdekken, als de camera grote delen van het lichaam van de fietser of zijn/haar fiets niet kan waarnemen. • Fietsers die links of rechts op de denkbeeldige snijlijnen door de zijkanten van uw auto fietsen worden mogelijk laat of helemaal niet ontdekt.
07 Bestuurdersondersteuning • Collision Warning* - beperkingen van de camerasensor (p. 225) • Collision Warning* - detectie van voetgangers Collision Warning* - symbolen en meldingen (p. 227) ‘Collision Warning met Auto Brake en voetgangers- en fietserdetectie’ is een hulpmiddel dat bedoeld is om u te waarschuwen, wanneer het gevaar bestaat dat u op een voetganger of achter op een (stilstaande of rijdende) fietser of voorligger botst.
07 Bestuurdersondersteuning || Gerelateerde informatie • • • • Collision Warning* (p. 217) Collision Warning* - functie (p. 218) Collision Warning* - bediening (p. 222) Collision Warning* - detectie van fietser (p. 219) • Collision Warning* - algemene beperkingen (p. 224) • Collision Warning* - beperkingen van de camerasensor (p. 225) • Collision Warning* - symbolen en meldingen (p.
07 Bestuurdersondersteuning Maak alleen in uitzonderingsgevallen zoals bij dynamisch rijden gebruik van de waarschuwingsafstand Kort. N.B. WAARSCHUWING Geen enkel automatisch systeem kan in alle situaties een 100 % feilloze werking garanderen. Test Collision Warning met Auto Brake daarom nooit uit op mensen of voertuigen - dat kan namelijk tot ernstig letsel/ernstige schade en levensgevaarlijke situaties leiden.
07 Bestuurdersondersteuning Collision Warning* - algemene beperkingen ‘Collision Warning met Auto Brake en voetgangers- en fietserdetectie’ is een hulpmiddel dat bedoeld is om u te waarschuwen, wanneer het gevaar bestaat dat u op een voetganger of achter op een (stilstaande of rijdende) fietser of voorligger botst. Het systeem heeft bepaalde beperkingen – zo is het systeem pas actief bij snelheden van zo’n 4 km/h en hoger.
07 Bestuurdersondersteuning Met geactiveerde achteruitversnelling is de Collision Warning met Auto Brake tijdelijk gedeactiveerd. Collision Warning met Auto Brake wordt niet geactiveerd op lage snelheden (onder 4 km/h), wat betekent dat het systeem niet ingrijpt in situaties waarbij uw auto een voorligger uiterst langzaam nadert zoals tijdens het parkeren. In situaties waarin u actief en bewust rijgedrag laat zien, wordt Collision Warning minder actief.
07 Bestuurdersondersteuning || in dat de sensor minder goed ‘ziet’ bij hevige regen- of sneeuwval en in dichte mist. In dergelijke omstandigheden kunnen functies die gebruik maken van de camera grote beperkingen ondervinden of tijdelijk gedeactiveerd worden.
07 Bestuurdersondersteuning Collision Warning* - symbolen en meldingen ‘Collision Warning met Auto Brake en voetgangers- en fietserdetectie’ is een hulpmiddel SymboolA dat bedoeld is om u te waarschuwen, wanneer het gevaar bestaat dat u op een voetganger of achter op een (stilstaande of rijdende) fietser of voorligger botst. Melding Betekenis CWS-systeem UIT Collision Warning is uitgeschakeld. Verschijnt bij het starten van de motor. De melding dooft automatisch na ca.
07 Bestuurdersondersteuning || SymboolA Melding Betekenis Radar afgedekt Zie instructieb. Collision Warning met Auto Brake werkt tijdelijk niet. De radarsensor kan geen andere voertuigen registreren. Bijvoorbeeld wanneer deze wordt gehinderd door hevige regenval of als sneeuwmodder of andere verontreinigingen de radarsensor afdekken. Lees meer over de beperkingen van de radarsensor (p. 202). CWS-systeem Service vereist A Collision Warning met Auto Brake werkt niet of gedeeltelijk.
07 Bestuurdersondersteuning Driver Alert System*28 Driver Alert System is bestemd om u te helpen als de auto op een ongecontroleerde manier wordt bestuurd of op het punt staat de rijstrookmarkering te overschrijden. Driver Alert System bestaat uit verschillende functies die tegelijk of apart in te schakelen zijn: • • Gerelateerde informatie • • Driver Alert Control (DAC)* (p. 229) Driver Alert Control (DAC)* - symbolen en meldingen (p. 231) • Driver Alert Control (DAC)* - bediening (p.
07 Bestuurdersondersteuning || dat geval wordt er dan ook niet gewaarschuwd. Het is daarom van groot belang dat u bij opkomende vermoeidheid de auto op een geschikte plek parkeert om een pauze in te lassen, ongeacht de vraag of DAC nu wel of niet heeft gewaarschuwd. Driver Alert Control (DAC)* bediening Via het menusysteem op het display van de middenconsole zijn instellingen te verrichten. Voor informatie over het gebruik van het menusysteem, zie MY CAR (p. 107). N.B.
07 Bestuurdersondersteuning Driver Alert Control (DAC)* - symbolen en meldingen mentenpaneel of op het beeldscherm van de middenconsole laten verschijnen. Het DAC (p. 229) kan in uiteenlopende situaties symbolen en meldingen op het instru- Instrumentenpaneel SymboolA Melding Betekenis Driver Alert Tijd voor pauze De auto vertoont zwalkend rijgedrag – u wordt gewaarschuwd met een zoemersignaal en een displaymelding. Voorruitsensoren afgedekt De camerasensor werkt tijdelijk niet.
07 Bestuurdersondersteuning || SymboolA A Melding Betekenis Driver Alert stand-by <65km/h De functie is stand-by gezet omdat de rijsnelheid onder 65 km/h ligt. Driver Alert niet beschikbaar De weg is niet voorzien van duidelijke markeringsstrepen of de camerasensor werkt tijdelijk niet. Lees meer over de beperkingen van de camerasensor (p. 225). De symbolen zijn schematisch - afhankelijk van de markt en het model zijn afwijkingen mogelijk. Gerelateerde informatie • • • Driver Alert System* (p.
07 Bestuurdersondersteuning Rijbaanassistent (LDW)* N.B. De Rijbaanassistent is een van de functies van Driver Alert System – wordt ook wel LDW (Lane Departure Warning) genoemd. De functie is bedoeld voor gebruik op snelwegen enz. en verkleint de kans op het in bepaalde situaties onbedoeld verlaten van de eigen rijbaan. Werkingsprincipe van LDW (De afbeelding is schematisch – niet modelspecifiek.) LDW maakt gebruik van een camera die de geschilderde zijlijnen van de weg/rijbaan aftast.
07 Bestuurdersondersteuning || Anders is de functiestatus bij het afzetten van de motor bepalend. • Hogere gevoeligheid – Verhoogde gevoeligheid, zodat er eerder wordt gewaarschuwd en minder beperkingen gelden. Rijbaanassistent (LDW) - bediening LDW wordt in verschillende situaties gecompleteerd met duidelijke grafische voorstellingen op het instrumentenpaneel. Hier volgen enkele voorbeelden: Gerelateerde informatie • • Rijbaanassistent (LDW)* (p. 233) Rijbaanassistent (LDW) - beperkingen (p.
07 Bestuurdersondersteuning Rijbaanassistent (LDW) - beperkingen De camerasensor van de rijbaanassistent heeft beperkingen, net als het menselijk oog. Lees meer over de beperkingen van de camerasensor (p. 225). N.B. In de volgende situaties waarschuwt het LDW echter niet: • • • • • Bij gebruik van de richtingaanwijzers Bij bediening van het rempedaal33 Bij snelle bediening van het gaspedaal33 Bij snelle stuurbewegingen33 Bij dusdanig scherpe bochten dat de auto overhelt.
07 Bestuurdersondersteuning Rijbaanassistent (LDW) - symbolen en meldingen In situaties waar het LDW-systeem niet wordt geactiveerd kan er een symbool op het instru- SymboolA mentenpaneel verschijnen in combinatie met een verklarende melding – volg in dat geval het gegeven advies op. Melding Betekenis Lane departure warning AAN/ Lane departure warning UIT De functie is ingeschakeld/uitgeschakeld. Voorbeelden van meldingen: Verschijnt bij inschakeling/uitschakeling.
07 Bestuurdersondersteuning Gerelateerde informatie • • • • Rijbaanassistent (LDW)* (p. 233) Rijbaanassistent (LDW) - beperkingen (p. 235) Rijbaanassistent (LDW) - functie (p. 233) Rijbaanassistent (LDW) - bediening (p. 234) 07 * Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
07 Bestuurdersondersteuning Park Assist* WAARSCHUWING Park Assist is bedoeld als hulpmiddel tijdens het parkeren. Geluidssignalen en symbolen op het display van de middenconsole geven de afstand aan tot een waargenomen obstakel. Het Park Assist-volume is tijdens de weergave van geluidssignalen bij te stellen met de draaiknop VOL op de middenconsole of in het menusysteem (p. 107) MY CAR van de auto.
07 Bestuurdersondersteuning Op het display van de middenconsole verschijnt een schematische weergave van de onderlinge posities van de auto en een eventueel obstakel. BELANGRIJK Voorwerpen zoals kettingen, smalle glanzende palen of lage obstakels kunnen ‘afgeschaduwd’ worden en worden in dat geval tijdelijk niet geregistreerd door de sensoren – het onderbroken geluidssignaal kan dan plotseling wegvallen in plaats van over te gaan in het verwachte ononderbroken geluidssignaal.
07 Bestuurdersondersteuning || N.B. Bij het achteruitrijden met een aanhanger achter de auto of een fietsdrager op de trekhaak – zonder een originele aanhangerkabel van Volvo – moet u de Park Assist mogelijk handmatig uitschakelen om te voorkomen dat de sensoren erop reageren. Gerelateerde informatie • • Park Assist aan de voorzijde wordt gedeactiveerd, wanneer u de parkeerrem zet of de keuzehendel in stand P zet bij een auto met automatische versnellingsbak.
07 Bestuurdersondersteuning Park Assist* - storingsindicatie Park Assist* - sensoren schoonmaken Park Assist is bedoeld als hulpmiddel tijdens het parkeren. Geluidssignalen en symbolen op het display van de middenconsole geven de afstand aan tot een waargenomen obstakel. Park Assist is bedoeld als hulpmiddel tijdens het parkeren. Geluidssignalen en symbolen op het display van de middenconsole geven de afstand aan tot een waargenomen obstakel.
07 Bestuurdersondersteuning Park Assist-camera Functie en bediening De Park Assist-camera is een hulpsysteem dat automatisch geactiveerd wordt bij het inschakelen van de achteruitversnelling (de functie is te wijzigen in het instellingenmenu (p. 244)). De cameraweergave verschijnt op het display van de middenconsole. N.B. Als er een trekhaak met het elektrische systeem van de auto is geconfigureerd, wordt de uitsteeklengte van de trekhaak bij het meten van de parkeerruimte meegerekend.
07 Bestuurdersondersteuning Lichtomstandigheden De cameraweergave wordt automatisch aangepast aan de heersende lichtomstandigheden. Dit kan ertoe leiden dat de beeldweergave ietwat kan variëren wat lichtsterkte en kwaliteit betreft. Slechte lichtomstandigheden leveren mogelijk een iets slechtere beeldkwaliteit op. auto. De lijnen zijn bovendien afhankelijk van de stuuruitslag, zodat u ook bij het draaien van de auto kunt zien welke baan de auto zal nemen. N.B.
07 Bestuurdersondersteuning || Auto’s met Park Assist-sensoren achter* Gerelateerde informatie • • • Park Assist-camera - instellingen (p. 244) Park Assist-camera - instellingen Park Assist-camera - beperkingen (p. 245) De parkeercamera is een hulpsysteem en wordt geactiveerd wanneer er in de achteruit wordt geschakeld. Park Assist* (p. 238) Instellingen Om de instellingen voor de parkeercamera te wijzigen: 1. Druk op OK/MENU wanneer een cameraweergave getoond wordt. 2.
07 Bestuurdersondersteuning selen door te drukken op CAM of aan TUNE te draaien. Gerelateerde informatie • • • • Park Assist-camera (p. 242) Park Assist-camera - beperkingen BLIS* (Blind Spot Information System) De parkeercamera is een hulpsysteem en wordt geactiveerd wanneer er in de achteruit wordt geschakeld.
07 Bestuurdersondersteuning || Overzicht lenzen schoonmaken met een zachte doek of een vochtige spons. Maak de lenzen voorzichtig schoon om krassen te voorkomen. BELANGRIJK De lenzen zijn elektrisch verwarmd om ze van sneeuw en ijs te kunnen ontdoen. Veeg zo nodig sneeuw van de lenzen af. G021426 Gerelateerde informatie • BLIS*(Blind Spot Information System) bediening (p.
07 Bestuurdersondersteuning console – in dat geval is het systeem te bedienen via het menusysteem (p. 107) MY CAR van de auto. Het lampje in de knop dooft, wanneer het BLIS gedeactiveerd wordt. Er verschijnt bovendien een melding op het instrumentenpaneel. Bij het heractiveren van BLIS brandt het lampje in de knop, verschijnt er een nieuwe tekstmelding en lichten de controlelampjes op de portieren driemaal op. Druk op de knop OK om de tekstmelding te laten verdwijnen.
07 Bestuurdersondersteuning || BLIS - symbolen en meldingen N.B. Als het BLIS-controlelampje zo nu en dan gaat branden terwijl er geen ander voertuig in de dode hoek aanwezig is, betekent dit niet dat er een storing is opgetreden in het systeem. In situaties waarbij het BLIS (p. 245) uitblijven of worden onderbroken, kan er een symbool op het instrumentenpaneel verschijnen in combinatie met een verklarende melding. Neem een eventueel advies in acht.
07 Bestuurdersondersteuning Melding Betekenis BLIS Beperkte werking Beperkte gegevensoverdracht tussen de camera van het BLIS en het elektrische systeem van de auto. De camera wordt automatisch gereset, wanneer de gegevensoverdracht tussen de camera van het BLIS en het elektrische systeem van de auto weer normaal wordt. BLIS UIT BLIS-systeem uitgeschakeld. Instelbare stuurkracht* Naarmate de rijsnelheid hoger wordt neemt de stuurbekrachtiging af, waardoor u een beter gevoel met de weg krijgt.
STARTEN EN RIJDEN
08 Starten en rijden Alcoholslot* alcoholslot1 Het voorkomt dat bestuurders die onder invloed zijn in de auto kunnen rijden. Voordat de motor kan worden gestart, moet u een blaastest afgeven om vast te stellen dat u niet onder de invloed van alcohol bent. Het alcoholslot wordt gekalibreerd ten opzichte van de grenswaarde voor verkeersdeelname die in uw land geldt.
08 Starten en rijden Alcoholslot* - opslag Bewaar de blaasunit in zijn houder. Verwijder de blaasunit door de unit licht in de houder te drukken en los te laten, waarna deze opveert en uit de houder kan worden genomen. • Alcoholslot* - waar u op moet letten (p. 253) • Alcoholslot* - vóór het starten van de motor Alcoholslot* - symbolen en meldingen (p. 255) De blaasunit wordt automatisch geactiveerd en gereedgemaakt voor gebruik bij het ontgrendelen van de auto. 1.
08 Starten en rijden Resultaat van de blaastest A Controlelampje (5) + displaymelding Betekenis Groen lampje + Alcoguard Test goedgekeurd Start de motor – geen alcohol gemeten. Oranje lampje + Alcoguard Test goedgekeurd Motor kan worden gestart – gemeten promillage boven 0,1 promille maar onder de geldende grenswaardeA. Rood lampje + Test afgekeurd Wacht 1 minuut Motor kan niet worden gestart – gemeten promillage boven de geldende grenswaardeA.
08 Starten en rijden || De melding is te verwijderen met een druk op de zendtoets (3). De melding verdwijnt anders spontaan na ca. 2 minuten maar verschijnt iedere keer dat de motor gestart wordt opnieuw – alleen bij herkalibratie in een werkplaats2 verdwijnt de melding permanent. In noodsituaties of wanneer het alcoholslot defect is, kunt u het alcoholslot omzeilen om toch in de auto te kunnen rijden. N.B.
08 Starten en rijden Alcoholslot* - symbolen en meldingen Naast de al beschreven meldingen gerelateerd aan hoe het alcoholslot vóór het starten van de motor werkt (p. 252) kan het display van het instrumentenpaneel ook het volgende weergeven: Displaymelding Betekenis/Maatregel Alcoguard Her- start mogelijk Motor stond minder dan 30 minuten af – motor kan worden gestart zonder nieuwe blaastest.
08 Starten en rijden || 1. Plaats de transpondersleutel in het contactslot en duw deze tot aan de aanslag naar binnen. Let erop dat u bij een auto met alcoholslot* eerst een goedgekeurde blaastest moet uitvoeren voordat de motor kan worden gestart. Voor meer informatie over Alcoguard, zie Alcoholslot* (p. 251). 2. Houd het koppelingspedaal volledig ingedrukt3. (Bij auto’s met automatische versnellingsbak – bedien het rempedaal.) 3. Druk op de knop START/STOP ENGINE en laat deze vervolgens los. N.B.
08 Starten en rijden Motor afzetten Stuurslot Afstandsstart (ERS)* U zet de motor af met de knop START/STOP ENGINE. Het stuurslot bemoeilijkt de besturing zoals bij gebruik van de auto door onbevoegden. Om de motor af te zetten: Functie Afstandsstart (ERS – Engine Remote Start) houdt in dat u de motor van de auto vanaf de transpondersleutel of PCC op afstand kunt starten. Op die manier kunt u de passagiersruimte voor aanvang van de rit verwarmen/ koelen.
08 Starten en rijden || N.B. Afstandsstart (ERS) - bediening 2. Druk vervolgens lang – minimaal 2 seconden – op de knop (3). Houd rekening met lokale/nationale regelgeving/voorschriften voor stationair rijden. Als aan de voorwaarden voor ERS is voldaan, vindt bovendien het volgende plaats: WAARSCHUWING 1. De richtingaanwijzers lichten snel enkele malen achtereen op. Om de motor op afstand te starten, moet aan de volgende criteria zijn voldaan: • • • 3.
08 Starten en rijden Om te controleren of het ERS de motor gestart heeft, kunt u op de knop (5) drukken – als de motor gestart is, wordt dit aangegeven met een lampje bij de knoppen (2) en (3). Actieve functies Bij een op afstand gestarte motor zijn de volgende functies actief: • • • Ventilatiesysteem Audio-/videosysteem Approach-verlichting. Inactieve systemen • Er zit nog ca. 10 liter brandstof in de brandstoftank • Het ERS is langer dan 15 minuten actief geweest.
08 Starten en rijden || 08 260 A Melding Betekenis Geen st. op afst accusp. laag ERS is niet ingeschakeld vanwege een geringe accuspanning. U laadt de accu op door de motor te starten. Geen st. op afst motorwaarschw. ERS is niet ingeschakeld vanwege een waarschuwingsmelding voor de motor. Bezoek een werkplaatsA. Geen st. op afst motorkoelvl. ERS is niet ingeschakeld vanwege een foutmelding vanuit het koelsysteem, zie Koelvloeistof - peil (p. 343). Geen st.
08 Starten en rijden Motor starten, FlexiFuel FlexiFuel-motoren kunnen zowel op loodvrije benzine (95 RON) als op bio-ethanol (E85) rijden. U start de motor op dezelfde manier als een benzinemotor. Motorverwarming* motorverwarming minstens 1 uur aanstaan. • Bij een buitentemperatuur tussen –10 °C en –20 °C moet de elektrische motorverwarming minstens 2 uur aanstaan. • Bij een buitentemperatuur lager dan –20 °C moet de elektrische motorverwarming minstens 3 uur aanstaan.
08 Starten en rijden || Een dergelijke adaptatie gaat automatisch van start, wanneer u korte tijd op gelijkmatige snelheid in de auto rijdt. Starthulp met accu Als de startaccu (p. 356) uitgeput is, kunt u de auto starten met stroom van een hulpaccu. BELANGRIJK BELANGRIJK Na het wijzigen van het brandstofmengsel in de tank moet er een adaptatie plaatsvinden door gedurende ca. 15 minuten met een gelijkmatige snelheid te rijden.
08 Starten en rijden 10. Start de motor van de ‘hulpauto’ en laat deze enkele minuten draaien op een toerental dat iets hoger ligt dan normaal, ca. 1500 omw/min. WAARSCHUWING • 11. Start de motor in de auto met de uitgeputte accu. BELANGRIJK Raak de aansluitingen niet aan tijdens de startpoging. Er bestaat namelijk gevaar voor vonkvorming. 12. Verwijder de startkabels in omgekeerde volgorde - eerst de zwarte kabel en daarna de rode.
08 Starten en rijden Handgeschakelde versnellingsbak Blokkering achteruitversnelling Schakelindicator* De versnellingsbak heeft tot taak de overbrengingsverhouding af te stemmen op de gewenste snelheid en vermogensbehoefte. De blokkering van de achteruitversnelling beperkt het risico dat u tijdens het vooruitrijden op normale snelheid onbedoeld de achteruitversnelling inschakelt. De schakelindicator geeft aan, wanneer u het beste kunt opschakelen of terugschakelen.
08 Starten en rijden Bepaalde uitvoeringen zijn voorzien van een indicator - GSI (Gear Shift Indicator) - die aangeeft, wanneer u moet opschakelen of terugschakelen om het brandstofverbruik minimaal te houden. Met het oog op eigenschappen als de prestaties en een trillingsvrije motorloop is het soms beter op iets hogere toeren te schakelen. Het omcirkelde cijfer geeft de actuele versnelling aan.
08 Starten en rijden || Neutraalstand - N In deze stand kunt u de motor starten en er is geen versnelling ingeschakeld. Zet de parkeerrem aan, wanneer de auto stilstaat en de keuzehendel in stand N staat. Rijstand - D Stand D is de normale rijstand. De versnellingsbak schakelt automatisch op en terug afhankelijk van de stand van het gaspedaal en de snelheid. Zorg ervoor dat de auto stilstaat, voordat u de keuzehendel vanuit stand D in stand R zet.
08 Starten en rijden N.B. Automatische deactivering Als u de stuurpaddles niet gebruikt, worden ze na korte tijd automatisch gedeactiveerd. Het instrumentenpaneel geeft dit aan doordat het cijfer voor de ingeschakelde versnelling weer verandert in ‘D’. Geartronic - Sport-stand* (S)9 De sportstand levert een sportiever rijgedrag op en maakt het mogelijk om hogere toeren te maken in de versnellingen. De motor reageert bovendien sneller op de commando’s die u met het gaspedaal geeft.
08 Starten en rijden || gebeurt er niets. De auto blijft in de oorspronkelijke versnelling rijden. Bij kickdown kan de auto afhankelijk van het motortoerental één of meer versnellingen terugschakelen. Om schade aan de motor te voorkomen schakelt de auto op wanneer de motor het maximumtoerental heeft bereikt. Gerelateerde informatie • 08 268 Transmissieolie - kwaliteit en hoeveelheid (p.
08 Starten en rijden Automatische versnellingsbak Powershift* Een automatische versnellingsbak met Powershift is een automaat die, in tegenstelling tot een Geartronic-automaat (p. 265), dubbele mechanische lamellenkoppelingen heeft. D: automatisch schakelen. +S–: handmatig schakelen. S: Sport-stand*. De automatische Powershift-versnellingsbak brengt de aandrijfkracht van de motor middels dubbele mechanische lamellenkoppelingen over op de aandrijfwielen.
08 Starten en rijden || Symbool A Melding Rijeigenschappen Maatregel Oververh versnb zet auto stil Problemen om snelheid constant te houden bij hetzelfde toerental. Versnellingsbak oververhit. Houd de auto stil met het rempedaal.A Oververh versnb Stop auto z.s.m. Auto rijdt met hevige schokkerige bewegingen vooruit. Versnellingsbak oververhit. Parkeer de auto zo spoedig mogelijk.A Koeling versn.b. laat motor lopen Geen aandrijving wegens oververhitting van de versnellingsbak.
08 Starten en rijden Keuzehendelblokkering Parkeerstand (P) De keuzehendelblokkering is verkrijgbaar in twee uitvoeringen: een mechanische en een automatische. Stilstaande auto met draaiende motor: Mechanische keuzehendelblokkering • Automatische schakelblokkering deactiveren Houd uw voet op het rempedaal terwijl u de keuzehendel verzet.
08 Starten en rijden || Gerelateerde informatie • Automatische versnellingsbak Geartronic* (p. 265) • Automatische versnellingsbak Powershift* (p. 269) Hellingrem (HSA)*12 Start/Stop* U hoeft het rempedaal niet te bedienen wanneer u wegrijdt of achteruit een helling oprijdt - het HSA-systeem (Hill Start Assist) voorkomt dat de auto achteruitrolt.
08 Starten en rijden Met het Start/Stop-systeem kunt u actiever milieubewust rijden doordat de motor, wanneer dat kan, automatisch kan afslaan. Handbak of automaat Let erop dat er verschillen zijn in het Start/Stop-systeem, afhankelijk van de vraag of de auto een handbak of een automaat heeft. Gerelateerde informatie • Start/Stop* - functie en bediening (p. 273) • • • Motor starten (p. 255) • Start/Stop* - de motor is automatisch gestart (p.
08 Starten en rijden || Automatische motorstart Start/Stop-systeem deactiveren Voorwaarden M/ AA Met de schakelhendel in de neutrale stand: M In bepaalde situaties is het mogelijk beter om het automatische Start/Stop-systeem tijdelijk uit te schakelen – dit is mogelijk met een druk op deze knop. 1. Trap het koppelingspedaal of het gaspedaal in – de motor start. Bij een uitgeschakeld systeem gaan het Start/Stop-symbool op het instrumentenpaneel en het lampje van de Aan-/Uit-knop uit. 2.
08 Starten en rijden Start/Stop* - de motor slaat niet automatisch af Voorwaarden Voorwaarden Auto’s met een bepaalde combinatie van motor en versnellingsbak zijn voorzien van een Start/Stop-systeem dat in werking treedt, als de auto bijvoorbeeld stilstaat in een file of wacht voor een verkeerslicht. Ook als het Start/Stop-systeem geactiveerd is, vindt er niet altijd een automatische motorstop plaats.
08 Starten en rijden • Start/Stop* - symbolen en meldingen (p. 279) Voorwaarden M/AA • Start/Stop* - de motor is automatisch gestart Accu - Start/Stop (p. 360) Auto’s met een bepaalde combinatie van motor en versnellingsbak zijn voorzien van een Start/Stop-systeem dat in werking treedt, als de auto bijvoorbeeld stilstaat in een file of wacht voor een verkeerslicht.
08 Starten en rijden Gerelateerde informatie • • • • • Start/Stop* (p. 272) Start/Stop* - functie en bediening (p. 273) Motor starten (p. 255) Start/Stop* - instellingen (p. 278) Start/Stop* - de motor start niet automatisch (p. 277) • Start/Stop* - de motor slaat niet automatisch af (p. 275) • Start/Stop* - onvrijwillige motorstop bij handgeschakelde versnellingsbak (p. 278) • Start/Stop* - symbolen en meldingen (p. 279) • Accu - Start/Stop (p.
08 Starten en rijden Start/Stop* - onvrijwillige motorstop bij handgeschakelde versnellingsbak Auto’s met een bepaalde combinatie van motor en versnellingsbak zijn voorzien van een Start/Stop-systeem dat in werking treedt, als de auto bijvoorbeeld stilstaat in een file of wacht voor een verkeerslicht.
08 Starten en rijden Start/Stop* - symbolen en meldingen Displaymelding Het Start/Stop-systeem kan tekstmeldingen op het informatiedisplay weergeven. Het Start/Stop-systeem kan in bepaalde situaties aanleiding geven tot tekstmeldingen op het instrumentenpaneel en een brandend controle- Symbool lampje. Bij enkele daarvan dient u een aanbevolen maatregel te nemen. In de volgende tabel staan enkele voorbeelden. Melding Informatie/maatregel M/AA Auto Start-Stop Service vereist Start/Stop is defect.
08 Starten en rijden || Symbool A Melding Informatie/maatregel Kies stand P of N om te starten Start/Stop is gedeactiveerd. Zet de keuzehendel in stand N of P en voer een normale motorstart uit met de knop START/STOP ENGINE. A Druk op Start-knop Geen automatische motorstart mogelijk – start de motor op de normale manier met de knop START/STOP ENGINE terwijl de keuzehendel in stand P of N staat. A M = handbak, A = automaatbak.
08 Starten en rijden ECO* ECO is een uniek en innovatief Volvo-systeem dat bij auto’s met een automatische versnellingsbak het brandstofverbruik met tot wel 5% kan beperken, afhankelijk van de rijstijl van de bestuurder. Met het systeem kunt u actiever milieubewust rijden. Algemeen Bij activering van het ECOsysteem wijzigt het volgende: • • N.B. ECO - Bediening • Het systeem Eco Coast wordt geactiveerd - het motorremmen stopt.
08 Starten en rijden || en • Uitgeschakeld ECO-systeem: Kort uitrollen met motorremmen = Minimaal verbruik. N.B. Voor een optimaal laag brandstofverbruik moet Eco Coast gecombineerd met kort uitrollen gewoonlijk worden vermeden. Het deactiveren van Eco Coast en het teruggaan naar motorremmen kan op de volgende manier: • • • • Meer informatie en instellingen Druk op de knop ECO. Haal de keuzehendel naar stand "S+/-" voor handmatig schakelen. Schakel met de stuurpaddles. Beweeg het gas- of rempedaal.
08 Starten en rijden Vierwielaandrijving - AWD* Hill Descent Control (HDC)*13 Met vierwielaandrijving hebt u de beste grip op de weg. HDC is te vergelijken met een automatische motorrem. Wanneer u op een aflopende helling het gaspedaal loslaat, wordt de auto normaal gesproken op de motor afgeremd doordat deze in dat geval een laag stationair toerental nastreeft. Naarmate de helling steiler en de auto zwaarder beladen is, rolt de auto ondanks de motorrem sneller omlaag.
08 Starten en rijden || N.B. HDC kan niet worden geactiveerd op een automatische versnellingsbak met de keuzehendel in stand D. Bediening Bij een geactiveerd HDC-systeem kan de auto bij het afremmen op de motor maximaal 10 km/h vooruitrijden en 7 km/h achteruit. Met het gaspedaal kunt u echter een willekeurige andere snelheid binnen het snelheidsinterval kiezen dat bij de ingeschakelde versnelling hoort.
08 Starten en rijden Remschijven schoonmaken Vuil en water op de remschijven kunnen ertoe leiden dat de aanspreekduur van de remmen wordt verlengd. U wordt geadviseerd de remschijven schoon te maken door tijdens het rijden korte tijd licht te remmen, wanneer u op natte wegen rijdt, de auto net hebt gewassen of op het punt staat deze langdurig te parkeren.
08 Starten en rijden Bedrijfsrem antiblokkeerremsysteem Bedrijfsrem - noodremlichten en automatische alarmlichten Bedrijfsrem - remkrachtverhoging bij noodstops Het antiblokkeerremsysteem, ABS Anti-lock Braking System voorkomt dat de wielen blokkeren tijdens het remmen. De noodremlichten worden geactiveerd om achterliggers erop te attenderen dat u krachtig remt. Daarbij knipperen de remlichten in plaats van dat ze continu branden, zoals bij normaal remmen.
08 Starten en rijden Parkeerrem Handrem aanzetten De parkeerrem houdt de auto stil, als er niemand op de bestuurdersstoel zit, door twee wielen mechanisch te blokkeren/vergrendelen. drukt te houden. Bij het loslaten van de handgreep wordt de rem uitgeschakeld. N.B. Tijdens een noodstop bij snelheden hoger dan 10 km/h klinkt er gedurende de hele remmanoeuvre een geluidssignaal. Functie Wanneer de elektrische parkeerrem wordt geactiveerd, hoort u een zwak elektromotorgeluid.
08 Starten en rijden || Handrem lossen N.B. De parkeerrem is ook handmatig uit te schakelen door het koppelingspedaal te bedienen in plaats van het rempedaal. Volvo adviseert u echter het rempedaal te gebruiken. Automatisch lossen 1. Start de motor. 2. Schakel de 1 versnelling of de achteruitrijversnelling in. 3. Trap het rempedaal stevig in. 4. Zet de keuzehendel in stand D of R en geef gas. > De parkeerrem wordt uitgeschakeld en het symbool op het instrumentenpaneel dooft. N.B.
08 Starten en rijden constructie van de elektrische parkeerrem – geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats. Symbool Symbolen en meldingen Voor informatie over het weergeven en wissen van tekstmeldingen op het instrumentenpaneel, zie Meldingen - functies (p. 106). Melding Betekenis/Maatregel ‘Melding’ • Lees de melding op het instrumentenpaneel. Een knipperend symbool houdt in dat de parkeerrem wordt aangezet. Als het symbool in een andere situatie gaat knipperen, is er sprake van een storing.
08 Starten en rijden || Symbool Melding Parkeerrem niet aangezet Betekenis/Maatregel Door een storing kan de parkeerrem niet worden ingeschakeld: • Probeer of u de rem kunt uit- en inschakelen. Als de storing ook na enkele pogingen aanhoudt: • Bezoek een werkplaats – geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats. Dezelfde melding verschijnt ook op auto’s met een handbak, wanneer er langzaam wordt gereden met het portier open.
08 Starten en rijden Doorwaaddiepte BELANGRIJK Wanneer u zich met de auto door een ondiepe waterpartij begeeft, spreken we van waden. Waden dient met de nodige voorzichtigheid te gebeuren. Als er water in het luchtfilter komt, kan er motorschade ontstaan. Bij een diepte groter dan 25 cm kan er water in de transmissie komen. Het smerende vermogen van de oliën neemt dan af, waardoor de levensduur van deze systemen korter wordt.
08 Starten en rijden Versn.bak heet Stop auto z.s.m. verschijnt. Neem het gegeven advies in acht en verlaag de snelheid of breng de auto zo spoedig mogelijk tot stilstand om de versnellingsbak te laten afkoelen door de motor enkele minuten stationair te laten draaien. • Bij oververhitting kan de airconditioning zichzelf tijdelijk uitschakelen. • Na een zware rit moet u de motor niet meteen afzetten, maar nog enige tijd stationair laten lopen. N.B.
08 Starten en rijden – Laad de startaccu dan op door de motor te starten en deze minstens 15 minuten te laten lopen - de startaccu wordt beter opgeladen tijdens het rijden dan bij stilstand met een stationair lopende motor. Voorbereidingen bij lange reizen Winterse ritten Bij lange reizen is het goed om de volgende punten te doorlopen: Bij rijden in de winter is het belangrijk om bepaalde controles uit te voeren, zodat u zeker weet dat u veilig met de auto kunt rijden.
08 Starten en rijden || • • Controleer de algehele conditie en de ladingstoestand van de startaccu. De startaccu wordt zwaarder belast bij koud weer en ook de accucapaciteit neemt af bij vorst. Tankvulklep - openen/sluiten Tankvulklep - handmatig openen De tankvulklep is als volgt te openen/sluiten: De tankvulklep kan handmatig worden geopend, als openen met de schakelaar in de passagiersruimte niet mogelijk is. Tankvulklep openen/sluiten Giet sproeiervloeistof (p.
08 Starten en rijden Brandstof tanken N.B. Waar u tijdens het tanken op moet letten. Een overvolle tank kan bij warm weer overstromen. Tankdop open-/dichtdraaien Bijvullen met jerrycan15 Bij hoge buitentemperaturen kan er een bepaalde mate van overdruk in de brandstoftank ontstaan. Draai de tankdop dan langzaam open. • Breng na het tanken de tankdop weer aan en draai deze zo ver dicht dat u één of meer klikken hoort.
08 Starten en rijden || WAARSCHUWING Op de grond gemorste brandstof kan vlam vatten. Schakel de verwarming op brandstof uit voordat u gaat tanken. Heb nooit een ingeschakelde mobiele telefoon bij u als u staat te tanken. Door het belsignaal kan er vonkvorming ontstaan waardoor de benzinedampen ontsteken en dat kan tot brand en letsel leiden. • • Roetfilter dieselmotor (DPF) (p. 300) Brandstof - benzine Brandstofverbruik en CO2-uitstoot (p. 403) De motor loopt op benzine. • Brandstoftank - inhoud (p.
08 Starten en rijden • • Brandstofverbruik en CO2-uitstoot (p. 403) Brandstoftank - inhoud (p. 402) Brandstof - diesel De motor loopt op dieselolie. Maak alleen gebruik van dieselolie van gerenommeerde oliemaatschappijen. Giet nooit dieselolie van twijfelachtige kwaliteit in de tank. Diesel moet voldoen aan de norm EN 590 of JIS K2204. Dieselmotoren zijn gevoelig voor verontreiniging in de brandstof, zoals een te grote hoeveelheid zwaveldeeltjes.
08 Starten en rijden || bijtanken met dieselolie) het volgende, voordat u de motor start: 1. Plaats de transpondersleutel in het contactslot en duw deze tot aan de aanslag naar binnen, zie Sleutelstanden (p. 70) voor meer informatie. brandstof is gebruikt, moet u het brandstoffilter aftappen. Voor meer informatie, zie Serviceprogramma van Volvo (p. 333). BELANGRIJK Bepaalde speciale toevoegingen verwijderen de waterafscheiding in het brandstoffilter. 2.
08 Starten en rijden Gerelateerde informatie • • • Zuinig rijden (p. 301) Brandstof - benzine (p. 296) Brandstof - diesel (p. 297) Brandstof - bio-ethanol E85 WAARSCHUWING De motor loopt op bio-ethanol E85. Breng geen wijzigingen aan in het brandstofsysteem of de onderdelen daarvan en vervang ze evenmin door componenten die niet speciaal geconstrueerd zijn voor gebruik in combinatie met bio-ethanol.
08 Starten en rijden Roetfilter dieselmotor (DPF) Dieselmodellen zijn uitgerust met een roetfilter, waardoor een nog efficiëntere uitlaatgasreiniging mogelijk is. temperatuur is gekomen. Daarna rijdt u nog 20 minuten verder. N.B. Tijdens de regeneratie kan zich het volgende voordoen: Onder normale rijomstandigheden blijven de roetdeeltjes uit de uitlaatgassen in het filter achter. Om de roetdeeltjes te verbranden en het filter te legen wordt een zogeheten regeneratie gestart.
08 Starten en rijden Zuinig rijden Zuinig rijden houdt in dat u anticiperend en rustig rijdt, en uw rijstijl en snelheid afstemt op de verkeerssituatie. • Voor het laagste brandstofverbruik activeert u ECO (p. 281)*17. • Maak gebruik van de ECO Guide die laat zien hoe zuinig de auto rijdt, zie Eco guide & Power guide* (p. 63). • Rijd in de hoogst mogelijke versnelling, afhankelijk van de verkeerssituatie en de weggesteldheid – lagere toeren leveren een lager brandstofverbruik op.
08 Starten en rijden Rijden met een aanhanger Bij het rijden met een aanhanger moet u op enkele belangrijke dingen letten, zoals de trekhaak, de aanhanger en hoe u de lading op de aanhanger aanbrengt. Het laadvermogen is afhankelijk van het rijklaar gewicht van de auto. Het laadvermogen dient te worden verminderd met de som van het gewicht van eventuele inzittenden en dat van gemonteerde accessoires, zoals een trekhaak. Voor uitvoerige informatie over gewichten, zie Gewichten (p. 388).
08 Starten en rijden N.B. De vermelde maximaal toegestane aanhangergewichten zijn door Volvo toegestaan. Nationale voertuigvoorschriften kunnen het aanhangergewicht en de snelheid verder beperken. De trekhaken kunnen zijn gecertificeerd voor hogere trekgewichten dan wat de auto mag trekken. WAARSCHUWING Volg de vermelde aanbevelingen voor het aanhangergewicht. Anders is het mogelijk dat de hele combinatie bij uitwijkmanoeuvres en afremmen moeilijk onder controle is te houden.
08 Starten en rijden || BELANGRIJK Zie tevens de specifieke informatie over langzaam rijden met een aanhanger voor auto’s met een automatische versnellingsbak van het type Powershift, zie Automatische versnellingsbak - Powershift* (p. 269). Op een helling wegrijden 1. Trap het rempedaal in. 2. Zet de keuzehendel in de rijstand D. Trekhaak Een trekhaak maakt het mogelijk om bijvoorbeeld een aanhanger achter de auto te hangen.
08 Starten en rijden Afneembare trekhaak - opbergen Afneembare trekhaak - specificaties Bewaar de afneembare trekhaak in de bagageruimte. Specificaties voor een afneembare trekhaak. Specificaties H C G021485 G031121 G Opbergruimte trekhaak. B BELANGRIJK Neem na gebruik altijd de trekhaak los en berg deze op de daarvoor bestemde plaats op, goed vastgezet met de bijbehorende riem. • Afneembare trekhaak - specificaties (p. 305) • Afneembare trekhaak - monteren/demonteren (p.
08 Starten en rijden || Gerelateerde informatie • Afneembare trekhaak - monteren/demonteren (p. 306) • • Afneembare trekhaak - opbergen (p. 305) U kunt de afneembare trekhaak als volgt monteren/demonteren: Demonteren G021488 Rijden met een aanhanger (p. 302) Afneembare trekhaak - monteren/ demonteren G018928 Het controlevenster moet rood van kleur zijn. G021489 Verwijder de afdekking door de pal in te en de afdekking vervolgens drukken .
Het controlevenster moet groen van kleur zijn. Controleer of de trekhaak vastzit door deze stevig omhoog, omlaag en naar achteren te bewegen. WAARSCHUWING G000000 Als de trekhaak niet goed zit, moet u deze verwijderen en opnieuw monteren zoals eerder werd beschreven. Draai de sleutel linksom naar de vergrendelde stand. Neem de sleutel uit het slot. G021495 G021494 G021490 08 Starten en rijden Veiligheidskabel.
08 Starten en rijden || Gerelateerde informatie Druk de vergrendelingsknop in en totdat u een klik draai deze linksom hoort. Draai de vergrendelingsknop volledig omlaag totdat deze niet verder kan. Houd de knop in deze stand vast terwijl u de trekhaak schuin naar achteren toe omhoogtrekt. WAARSCHUWING G018929 Zet de trekhaak goed vast, wanneer u deze in de auto bewaart, zie Afneembare trekhaak - opbergen (p. 305). 08 308 Duw de afdekking er zo ver op dat deze vastklikt.
08 Starten en rijden Trailer Stability Assist - TSA18 Bediening Het TSA-systeem (TSA - Trailer Stability Assist) heeft tot taak de auto met een aanhanger/caravan te stabiliseren wanneer de combinatie de neiging tot pendelbewegingen vertoont. Een pendelbeweging is vaak niet of nauwelijks te dempen, waardoor de combinatie moeilijk bestuurbaar wordt en het gevaar bestaat op de verkeerde weghelft of naast de weg te belanden.
08 Starten en rijden Slepen WAARSCHUWING Bij het slepen wordt de auto met behulp van een sleepkabel voortgetrokken door een ander voertuig. BELANGRIJK Sleep de auto altijd zo dat de wielen in de rijrichting draaien. Sleep de auto niet met een hogere snelheid dan 80 km/h en niet verder dan 80 km. 2. Laat de transpondersleutel tijdens het slepen in het contactslot zitten. 08 310 3.
08 Starten en rijden Alvorens te slepen: – Zet de keuzehendel in stand N en los de parkeerrem. Starten met hulpaccu Probeer de motor niet aan te slepen. Gebruik een hulpaccu als de startaccu dusdanig ontladen is dat de motor niet kan worden gestart, zie Starthulp met accu (p. 262). Sleepoog Het sleepoog dient te worden vastgeschroefd in een draadbus achter een afdekking in de bumper, voor of achter.
08 Starten en rijden || kan de auto beschadigd raken wanneer men deze met een sleepoog op het bergingsvoertuig probeert te trekken. Hef de auto zo nodig met behulp van de hefinrichting van het bergingsvoertuig op de auto. WAARSCHUWING Zorg dat het gebied achter het bergingsvoertuig vrij blijft, terwijl de auto op de laadvloer wordt getrokken.
WIELEN EN BANDEN
09 Wielen en banden 09 Banden - draairichting Bij banden met een speciaal profiel dat alleen goed werkt wanneer de banden in een bepaalde richting draaien, staat deze richting aangegeven met een pijl op de zijkant van de band. N.B. Let erop dat u hetzelfde type, dezelfde maat en ook hetzelfde merk voor beide wielparen hebt. Houd de aanbevolen bandenspanning aan die in de bandenspanningstabel (p. 408) staat. Gerelateerde informatie G021778 • • • • • De pijl geeft de draairichting van de band aan.
09 Wielen en banden Nieuwe banden Banden hebben een beperkte houdbaarheidsdatum. Na enkele jaren worden de banden hard en neemt de grip op het wegdek stukje bij beetje af. Gebruik bij het verwisselen van banden altijd zo nieuw mogelijke banden. Dit geldt in het bijzonder voor winterbanden. De laatste cijfers van de cijferreeks geven de week en het jaar van productie aan. Het is de zogeheten DOT-code (Department of Transportation) van de band en bestaat uit vier cijfers, bijvoorbeeld 1510.
09 Wielen en banden 09 • Banden - slijtage-indicator Een slijtage-indicator toont de status van het loopvlak van de band. Banden - onderhoud (p. 314) Wielbouten De wielen zitten op de naaf vast met wielbouten die in verschillende uitvoeringen verkrijgbaar zijn. BELANGRIJK G021829 U dient de wielbouten aan te halen met 140 Nm. Als u ze te strak aanhaalt, kan de boutverbinding beschadigd raken. Slijtage-indicator.
09 Wielen en banden Gereedschap Krik* In de auto is onder meer een sleepoog, krik* en een wielsleutel* aanwezig. Er wordt een krik gebruikt om de auto op te nemen, bijvoorbeeld bij het verwisselen van banden. BELANGRIJK 09 Bewaar gereedschap en krik* op de daarvoor bestemde plaats in de bagageruimte wanneer u ze niet nodig hebt. Gebruik de originele krik alleen voor het verwisselen van het reservewiel. Houd de schroef van de krik altijd goed ingevet. N.B.
09 Wielen en banden 09 Winterbanden Sneeuwkettingen gebruiken Wiel- en velgmaten Winterbanden zijn banden die aan de winterse toestand van de weg zijn aangepast. Het gebruik van sneeuwkettingen is alleen toegestaan op de voorwielen (geldt ook voor modellen met voorwielaandrijving). Rijd nooit sneller dan 50 km/h met sneeuwkettingen. Rijd evenmin op sneeuwvrije wegen, omdat zowel de sneeuwkettingen als de banden daardoor overmatig slijten.
09 Wielen en banden Banden - maten WAARSCHUWING De wielen (velgen) en banden van de auto hebben een bepaalde maat, zie het voorbeeld in de onderstaande tabel. Gebruik nooit 19 inch wielen op auto’s zonder de opties R-Design of Sportchassis. Het gebruik van 19 inch wielen op auto’s met een standaardchassis houdt een veiligheidsrisico in, kan chassisschade veroorzaken en leidt tot slechtere rijeigenschappen. De auto is voorzien van een typegoedkeuring voor de uitvoering waarin deze werd aangeleverd.
09 Wielen en banden 09 Banden - snelheidsklassen Elke band is bestand tegen een bepaalde max. snelheid en behoort daardoor tot een bepaalde snelheidsklasse (SS - Speed Symbol). De snelheidsklasse van de banden dient minimaal overeen te komen met de topsnelheid van de auto. De laagst toegestane snelheidsklasse staat in de onderstaande snelheidsklassetabel. De enige uitzondering hierop vormen winterbanden, (p. 318)1, waarvoor een lagere snelheidsklasse gebruikt mag worden.
09 Wielen en banden BELANGRIJK • Rijd met een reservewiel op de auto nooit sneller dan 80 km/u. • Er mag nooit met de auto worden gereden als deze van meer dan één reservewiel van het type ‘Temporary Spare’ is voorzien. Het reservewiel ligt met de buitenkant omlaag in de ruimte voor het reservewiel. Dezelfde doorloopbout waarmee het blok schuimrubber vastzitten houdt ook het reservewiel in positie. Het blok schuimrubber bevat al het gereedschap. Reservewiel erbij nemen 1.
09 Wielen en banden 09 || 5. Schroef het sleepoog tot aan de aanslag in de wielsleutel* vast, zoals hieronder afgebeeld. WAARSCHUWING Leg nooit iets tussen de krik en de ondergrond en evenmin tussen de krik en het kriksteunpunt van de auto. 7. Er zitten twee kriksteunpunten aan weerszijden van de auto. Bij elk steunpunt zit een uitsparing in de kunststof afdekking. Draai de voet van de krik met de slinger zo ver omlaag dat de voet plat tegen de grond aankomt.
09 Wielen en banden Wielen verwisselen - monteren Het is belangrijk dat het wiel op de juiste manier gemonteerd wordt. N.B. • Na het oppompen van een band moet u altijd het ventieldopje terugzetten om schade aan het ventiel door grind, vuil e.d. te voorkomen. • Gebruik alleen kunststof dopjes. Metalen ventieldopjes kunnen roesten en zijn moeilijk los te draaien. Aanbrengen 1. Reinig de contactvlakken tussen het wiel en de naaf. 2. Breng het wiel aan. Haal de wielbouten stevig aan. 3.
09 Wielen en banden Banden - bandenspanning Banden kunnen een verschillende bandenspanning hebben en dat wordt gemeten in de eenheid bar. N.B. • Controleer de bandenspanning bij koude banden. Met koude banden wordt bedoeld dat de banden dezelfde temperatuur hebben als de buitentemperatuur. Na een paar kilometer rijden worden de banden warm en wordt de druk hoger.
09 Wielen en banden • • • Banden - lastindex (p. 319) Gevarendriehoek Banden - onderhoud (p. 314) De gevarendriehoek wordt gebruikt om andere verkeersdeelnemers te waarschuwen voor een stilstaande auto. Banden - slijtage-indicator (p. 316) 09 Opbergen en uitklappen Til de vloer in de bagageruimte op en haal de gevarendriehoek tevoorschijn. Neem de gevarendriehoek uit de houder, klap de driehoek uit en bevestig de twee losse zijden aan elkaar. Klap de steunpoten van de gevarendriehoek uit.
09 Wielen en banden EHBO-set* Noodreparatieset voor banden* De EHBO-set bevat materiaal voor het verlenen van eerste hulp. U gebruikt de noodreparatieset voor banden (TMK - Temporary Mobility Kit) om tijdelijk een gat te dichten en om de bandenspanning (p. 408) te controleren en aan te passen. G018253 09 Onder de vloer in de bagageruimte ligt een EHBO-set. N.B. Bij een geactiveerde Privacy locking zijn achterklep en vloerluik niet te openen, zie Privacy locking* (p. 164).
09 Wielen en banden Noodreparatieset voor banden* positie BELANGRIJK Als de compressor voor bandenreparatie is aangesloten op een van de beide aansluitingen (p. 146) in de tunnelconsole, mag er op de andere aansluiting geen stroomverbruiker zijn aangesloten. U gebruikt de noodreparatieset voor banden (TMK - Temporary Mobility Kit) om een gat te dichten en om de bandenspanning (p. 408) te controleren en aan te passen.
09 Wielen en banden 09 || Gerelateerde informatie • Noodreparatieset voor banden* - positie (p. 327) • Noodreparatieset voor banden* - afdichtmiddel (p. 331) • Noodreparatieset voor banden* (p. 326) Noodreparatieset voor banden* bediening U gebruikt de noodreparatieset voor banden (TMK - Temporary Mobility Kit) om tijdelijk een gat te dichten en om de bandenspanning (p. 408) te controleren en aan te passen. Noodreparatieset voor banden 1.
09 Wielen en banden 4. Draai de bus in de bushouder vast. WAARSCHUWING Draai de bus niet los, aangezien deze een blokkering heeft om lekkage te voorkomen. 5. Sluit de slang aan tussen de compressor en het ventiel. 6. Sluit de kabel op een 12V-aansluiting aan en start de motor. N.B. Als de compressor op een van de beide 12 V-aansluitingen is aangesloten, in de tunnelconsole, mag er op de andere aansluiting geen stroomverbruiker aangesloten zijn.
09 Wielen en banden 09 Noodreparatieset voor banden* reparatieresultaat controleren U gebruikt de noodreparatieset voor banden (TMK - Temporary Mobility Kit) om tijdelijk een gat te dichten en om de bandenspanning (p. 408) te controleren en aan te passen. Bandenspanning controleren WAARSCHUWING Draai de bus niet los, aangezien deze een blokkering heeft om lekkage te voorkomen. 3. Zorg dat de compressor uitstaat. Koppel de luchtslang en de kabel los. 1. Sluit de uitrusting opnieuw aan.
09 Wielen en banden Noodreparatieset voor banden* banden oppompen De originele banden van de auto kunnen worden opgepompt met behulp van de compressor in de noodreparatieset voor banden (p. 327). 1. De compressor moet uitstaan. Zorg dat de knop in stand 0 staat en neem de kabel en de luchtslang erbij. 2. Draai het ventieldopje van het wiel los en schroef de ventielaansluiting van de luchtslang zo ver mogelijk op het ventiel van de band. WAARSCHUWING Het inademen van uitlaatgassen kan levensgevaarlijk zijn.
ONDERHOUD EN SERVICE
10 Onderhoud en service Serviceprogramma van Volvo Om de verkeersveiligheid, bedrijfszekerheid en betrouwbaarheid van de auto op een hoog peil te houden, dient u de voorschriften van het Serviceprogramma van Volvo op te volgen zoals die omschreven staan in het Service- en garantieboekje van Volvo. 10 Volvo adviseert u om service- en onderhoudswerkzaamheden over te laten aan een erkende Volvo-werkplaats.
10 Onderhoud en service Auto opnemen 10 Bij het opnemen van de auto is het belangrijk dat u de krik of de dragerarmen onder de voorziene steunpunten in het onderstel van de auto aanbrengt. N.B. Volvo adviseert u alleen de krik te gebruiken die bij de auto hoort. Volg bij gebruik van een andere krik dan door Volvo geadviseerd de aanwijzingen die bij deze krik werden geleverd.
10 Onderhoud en service 10 Kriksteunpunten (pijlen) voor de krik van de auto en de hefpunten (rood gemarkeerd). Als u de auto aan de voorkant heft met een garagekrik, moet u de krik onder een van de vier hefpunten zetten die verder naar binnen onder de auto zitten. Als u de auto aan de achterkant heft met een garagekrik, moet u de krik onder een van de hefpunten zetten. Let erop dat u de garagekrik dusdanig aanbrengt, dat de auto er niet van af kan glijden.
10 Onderhoud en service Motorkap - openen en sluiten 10 De motorkap is te openen, wanneer u de handgreep bij de pedalen naar achteren hebt getrokken en de pal bij de grille naar links hebt gehaald. WAARSCHUWING Controleer of de motorkap bij sluiten goed vergrendelt. Gerelateerde informatie • • Motorruimte - overzicht Het overzicht toont de normale controlepunten. Motorruimte 4-cil. 2.0 l1 Motorruimte - controle (p. 338) Motorruimte - overzicht (p.
10 Onderhoud en service Vulopening voor sproeiervloeistof Vulopening voor sproeiervloeistof Motorruimte, behalve 4-cil. 2.0 l2 Luchtfilter Luchtfilter WAARSCHUWING WAARSCHUWING Raak bougies of bobine niet aan, wanneer het elektrische systeem van de auto in sleutelstand II staat of als de motor warm is. De spanning en het vermogen van het ontstekingssysteem zijn zeer hoog. De spanning in het ontstekingssysteem is levensgevaarlijk.
10 Onderhoud en service 10 Motorruimte - controle Motorolie - algemeen Bepaalde oliën en vloeistoffen dienen regelmatig gecontroleerd te worden. Om de aanbevolen service-intervallen aan te kunnen houden dient u een goedgekeurde motoroliesoort te gebruiken.
10 Onderhoud en service gemaakt van het waarschuwingssymbool voor een lage oliedruk op het instrumentenpaneel. Bij varianten met een olieniveausensor wordt u geïnformeerd via een waarschuwingssymbool op het instrumentenpaneel en met displayteksten. Bepaalde varianten zijn voorzien van allebei. Neem voor meer informatie contact op met een erkende Volvowerkplaats.
10 Onderhoud en service || 5. Als de olie dichter bij het MIN-streepje ligt, dient u 0,5 liter bij te vullen. Als de olie daar ver onder staat, moet u wellicht meer bijvullen. 10 Motor met elektronische oliepeilsensor, 4-cil. 2.0 l5 6. Als u het peil daarna nogmaals wenst te controleren, moet u dat na enige tijd rijden doen. Herhaal vervolgens de stappen 1–4. WAARSCHUWING Vul nooit bij tot boven de MAX-aanduiding. De olie mag nooit boven MAX of onder MIN staan om motorschade tegen te gaan.
10 Onderhoud en service BELANGRIJK Vul bij een melding dat het oliepeil gering alleen de aangegeven hoeveelheid olie bij, bijvoorbeeld 0,5 liter. 2. Draai het duimwiel op de linker stuurhendel naar stand Oliepeil. > Vervolgens verschijnt informatie over het motoroliepeil. WAARSCHUWING 10 Voor meer informatie over de menufuncties, zie Menufuncties - instrumentenpaneel (p. 104). N.B. Na het bijvullen of aftappen van olie duurt het even voordat het systeem wijzigingen in het oliepeil kan waarnemen.
10 Onderhoud en service || BELANGRIJK Vul bij het verschijnen van de melding Oliepeil laag 0,5 liter bijvullen slechts 0,5 liter bij. 10 N.B. Melding en grafische weergave op display. Het linker display toont een digitaal instrumentenpaneel en het rechter een analoog. Melding Motoroliepeil Wanneer de motor afgezet is, kunt u het duimwiel gebruiken om het oliepeil te laten controleren door de elektronische oliepeilsensor, zie Menufuncties - instrumentenpaneel (p. 104).
10 Onderhoud en service Gerelateerde informatie • Motorolie - algemeen (p. 338) Koelvloeistof - peil De koelvloeistof koelt de verbrandingsmotor af tot de juiste bedrijfstemperatuur. De warmte die de motor overdraagt op de koelvloeistof kan worden benut voor verwarming van de passagiersruimte. De koelvloeistof moet tussen het MIN- en MAX-streepje op het expansiereservoir staan. Peil controleren en bijvullen WAARSCHUWING De koelvloeistof kan zeer heet zijn.
10 Onderhoud en service BELANGRIJK • 10 • Gebruik altijd een koelvloeistof met roestwerende eigenschappen volgens de aanbevelingen van Volvo. • Let erop dat het koelvloeistofmengsel altijd voor 50 % uit water en voor 50 % uit koelvloeistof bestaat. • • • 344 Hoge concentraties chloor, chloriden en andere zoutverbindingen kunnen aanleiding geven tot corrosie in het koelsysteem. Leng de koelvloeistof aan met leidingwater van goede kwaliteit.
10 Onderhoud en service Stuurbekrachtigingsvloeistof - peil De stuurbekrachtigingsvloeistof moet tussen de MIN- en MAX-streepjes staan. Verversing van de vloeistof is niet nodig. N.B. Ook als er een storing optreedt in de stuurbekrachtiging of als de stroom wegvalt en u de auto moet laten wegslepen, blijft de auto bestuurbaar. Klimaatregeling - storingen opsporen en verhelpen Service en reparatie aan het aircosysteem mogen uitsluitend door een erkende werkplaats worden uitgevoerd.
10 Onderhoud en service Lamp vervangen 10 Het is mogelijk de gloeilampen te vervangen. Wend u voor vervanging van led- en xenonlampen tot een werkplaats. De gloeilampen zijn gespecificeerd (p. 353).
10 Onderhoud en service Lamp vervangen - koplampen Gerelateerde informatie • • Alle gloeilampen in het koplamphuis zijn te vervangen door eerst het complete koplamphuis via de motorruimte los te nemen en te verwijderen. • Lamp vervangen (p. 346) Lampen verwisselen - afdekkap groot-/ dimlichtlampen (p. 348) Lampen - specificaties (p. 353) 10 G010325 Koplamphuis verwijderen Zet het elektrische systeem van de auto in de sleutelstand 0, zie Sleutelstanden - functies in verschillende standen (p. 71).
10 Onderhoud en service Lampen verwisselen - afdekkap groot-/dimlichtlampen 10 Lamp vervangen - dimlicht De groot-/dimlichtlampen zijn bereikbaar door de grotere afdekkap van de koplamp los te maken. Gerelateerde informatie • De lamp van het dimlicht zit achter de grote afdekking in het koplamphuis. N.B. G021745 Geldt voor auto’s met halogeenkoplampen. 1. Open de borgklem door deze omhoog/ naar buiten te duwen. 1. Neem de koplamp (p. 347) los. 2.
10 Onderhoud en service Lamp vervangen - groot licht De lamp van het groot licht zit achter de grote afdekking in het koplamphuis. Plaats de onderdelen in omgekeerde volgorde terug. Gerelateerde informatie • N.B. N.B. 10 G021748 Geldt voor auto’s met xenonkoplampen*. G021747 Geldt voor auto’s met halogeenkoplampen. Lampen - specificaties (p. 353) Lamp vervangen - verstraler De verstralerlamp zit achter de grote afdekking in het koplamphuis. 1. Neem de koplamp (p. 347) los. 2.
10 Onderhoud en service || Gerelateerde informatie • Lampen vervangen richtingaanwijzers voorzijde Plaats de onderdelen in omgekeerde volgorde terug. De richtingaanwijzerlamp zit achter de kleine afdekking in het koplamphuis. G021750 10 Lampen - specificaties (p. 353) 1. Neem de koplamp (p. 347) los. 2. Verwijder de kleine, ronde afdekking. 3. Trek aan de lamphouder om de gloeilamp tevoorschijn te halen. 4. Trek de kapotte gloeilamp los en breng de nieuwe aan.
10 Onderhoud en service Lampen vervangen - sidemarkers voor De sidemarkerlamp zit achter de kleine afdekking in het koplamphuis. 6. Plaats de afdekking terug. U moet deze dusdanig aanbrengen en vastduwen dat u een klik hoort. Plaats de onderdelen in omgekeerde volgorde terug. Lamp vervangen - verlichting achter Richtingaanwijzers achter, mistachterlicht en achteruitrijlichten zijn vanuit de bagageruimte te vervangen. Achterlamphuis 10 Gerelateerde informatie Lampen - specificaties (p.
10 Onderhoud en service Lamp vervangen kentekenplaatverlichting Lamp vervangen - verlichting in bagageruimte Het overzicht geeft de positie aan van de lampen aan achterzijde. De kentekenplaatverlichting zit onder de handgreep van de achterklep. De bagageruimteverlichting zit in de achterklep. Achterlicht/parkeerlicht (led) Remlicht (led) Richtingaanwijzer (p. 351) 2. Haal voorzichtig het complete gloeilamphuis los en trek het naar buiten. Sidemarker (led) 3. Vervang de gloeilamp.
10 Onderhoud en service Lamp vervangen - verlichting makeupspiegel De lampjes voor de verlichting van de makeupspiegel zitten achter de lensjes. Lampglas verwijderen Gerelateerde informatie • Lampen - specificaties (p. 353) Lampen - specificaties De specificaties gelden voor gloeilampen. Wend u voor vervanging van led- en xenonlampen tot een werkplaats.
10 Onderhoud en service || Verlichting 10 WA Type Kentekenplaatverlichting 5 C5W LL Richtingaanwijzers achter 21 PY21W SV A B Watt Gloeilampen alleen te vervangen bij de XC70. De V70 is uitgerust met ledlampen. Gerelateerde informatie • • • Wisserbladen De wisserbladen vegen neerslag van de vooren achterruit. In combinatie met sproeiervloeistof reinigen ze de ruiten voor een goed zicht tijdens het rijden.
10 Onderhoud en service BELANGRIJK Als de wisserarmen in de servicestand van de voorruit af zijn gehaald, moeten ze tegen de voorruit worden teruggeklapt voordat de wissers weer naar de oorspronkelijke stand terug mogen keren. Dit gebeurt om te voorkomen dat de lak op de motorkap beschadigd raakt. Duw het nieuwe wisserblad zo ver naar binnen dat u een klik hoort. Controleer of het blad goed vastzit. 4. Klap de wisserarm terug op de voorruit.
10 Onderhoud en service || 2. Pak het wisserblad aan de binnenkant (bij de pijl) beet. 10 3. Draai het wisserblad linksom om de aanslag op de wisserarm als hefboom te gebruiken zodat het wisserblad gemakkelijker loskomt. Sproeiervloeistof - bijvullen Startaccu Om de koplampen en ruiten schoon te houden wordt sproeiervloeistof gebruikt. Gebruik tijdens de wintermaanden sproeiervloeistof met antivries. De rijomstandigheden, de rijstijl, het aantal startpogingen, de weersomstandigheden e.d.
10 Onderhoud en service BELANGRIJK N.B. Bij opladen van de startaccu mag alleen een traditionele acculader worden gebruikt. Hoe vaker de accu ontladen raakt, des te minder lang gaat de accu mee. De levensduur van de accu wordt bepaald door uiteenlopende factoren, waaronder de rijomstandigheden en het klimaat. De accu verliest na verloop van tijd aan startcapaciteit en moet daarom bijgeladen worden, als er langere tijd achtereen niet of slechts korte afstanden met de auto wordt gereden.
10 Onderhoud en service || Vermijd vonken en open vuur. Startaccu - vervangen De startaccu van de auto is zonder hulp van een werkplaats te vervangen. De startaccu is een traditionele 12V-accu. 10 Demonteren Explosiegevaar. Bestemd voor inzameling.
10 Onderhoud en service Neem de achterste afdekking los door deze een kwartslag te verdraaien en vervolgens op te tillen. Monteren WAARSCHUWING Zie voor meer informatie over de startaccu van de auto - Elektrisch systeem (p. 411). 10 De plus- en minkabels in de juiste volgorde loskoppelen en/of aansluiten. Koppel de zwarte minkabel los. 1. Laat de accu in de accubak zakken. Koppel de rode pluskabel los. 2.
10 Onderhoud en service Accu - Start/Stop 10 BELANGRIJK Een auto met Start/Stop-systeem is voorzien van twee 12V-accu’s – één extra krachtige startaccu en een hulpaccu die gebruikt wordt voor de startprocedure middels het Start/Stop-systeem. Bij vervanging van de accu’s in een auto met Start/Stop-systeem dient u accu’s type AGM10 te monteren. N.B. Voor meer informatie over Start/Stop, zie Start/Stop* (p. 272). • Hoe hoger de stroomafname in de auto (extra koeling/verwarming e.d.
10 Onderhoud en service BELANGRIJK N.B. Bij het negeren van het volgende valt het Start/Stop-systeem mogelijk tijdelijk uit na aansluiting van een externe startaccu of acculader: Als de startaccu dermate ontladen is dat alles ‘zwart’ is en alle elektrische standaardsystemen van de auto’s nagenoeg uitgeschakeld zijn en u de motor vervolgens start met een externe accu of acculader, zal het Start/Stop-systeem actief zijn.
10 Onderhoud en service || Koude zone motorruimte (alleen Start/ Stop) WAARSCHUWING 10 Gebruik nooit een vreemd voorwerp of een zekering met meer ampère dan gespecificeerd om een zekering te vervangen. Dit kan aanzienlijke schade aan het elektrische systeem veroorzaken en mogelijk tot brand leiden.
10 Onderhoud en service Zekeringen - in motorruimte De zekeringen in de motorruimte beschermen o.a. de motor- en remfuncties.
10 Onderhoud en service || Algemene informatie over de zekeringen in de motorruimte 10 Aan de binnenkant van het deksel zit een speciale trekker waarmee u de zekeringen gemakkelijker kunt verwijderen en aanbrengen. Posities (zie voorgaande afbeelding) Motorruimte bovenin Motorruimte voorin Motorruimte onderin Deze zekeringen zitten allemaal in het zekeringenkastje in de motorruimte. De zekeringen in (C) zitten onder (A).
10 Onderhoud en service Functie A Functie A Functie A – – 10 – Relais sproeiers 5 20 Verstralers* 20 Motorregeleenheid (4-cil. 2.0 lB); Bobines (5-, 6-cil. benzine); Condenser (6-cil.) Claxon 15 10 Relaisspoel in hoofdrelais voor motormanagementsysteem; Motorregeleenheid (4-cil. 2.0 lB, 5-, 6-cil.) 10 Motorregeleenheid (benzine behalve 4-cil. 2.0 lC) Kleppen (1,6 l benzine); Luchtmassameter (1.6 l, 4-cil. 2.0 lB); Thermostaat (4-cil. 2.0 l benzineB); EVAP-klep (4-cil. 2.
10 Onderhoud en service || 10 366 Functie A Functie A Functie A Magneetkoppeling A/C (5- en 6-cil.); Kleppen (1.6 l, motor B4204T7; 5-cil., 6-cil.); Motorregeleenheid (6-cil.); Magneetkleppen (6-cil. zonder turbo); Stelmotoren inlaatspruitstuk (6cil. zonder turbo); Luchtmassameter (motor B4204T7; 5-cil. benzine); Oliepeilsensor (5-cil. diesel) 10 Koelvloeistofpomp (1.6 l benzine Start/Stop); verwarming carterventilatie (5-cil. benzine); oliepomp automatische versnellingsbak (5-cil.
10 Onderhoud en service Zekeringen - onder dashboardkastje De zekeringen onder het dashboardkastje beschermen o.a. de infotainment- en stoelfuncties.
10 Onderhoud en service || 10 Functie A Functie A Elektrisch bedienbare passagiersstoel* 20 Stoelverwarming bestuurderszijde 15 – – 5 Regelmodule infotainment 5 Park Assist*; parkeercamera*; regelmodule trekhaak * Regelmodule AWD* 15 Audioregelmodule (versterker)*; digitale radio*; tv* 10 Actieve chassisregeling Four-C* 10 Audiosysteem 15 Telematica*; Bluetooth* 5 Multimediasysteem voor achterpassagiers (RSE)* 7,5 Schuifdak*; interieurverlichting plafond; klimaatregelingssensor*;
10 Onderhoud en service Zekeringen - in regeleenheid onder dashboardkastje De zekeringen in de regeleenheid onder het dashboardkastje beschermen o.a. de functies voor airbags en Collision Warning.
10 Onderhoud en service || 10 A Bewegingsmelder alarm*; bedieningspaneel klimaatregeling 5 • • Stuurslot 15 • • Sirene alarmsysteem*; diagnose-aansluting OBDII 5 – – Airbags 10 Collision Warning* 5 Gaspedaalsensor; Dimfunctie achteruitkijkspiegel*; Achterbankverwarming* 7,5 Extra verwarming op stroom* 370 Gerelateerde informatie Functie Regelmodule infotainment (Performance); audiosysteem (Performance) 15 Remlichten 5 Schuifdak* 20 Startblokkering 5 * Optie/accessoire, zie Inl
10 Onderhoud en service Zekeringen - in bagageruimte De zekeringen in de bagageruimte beschermen o.a. de functies voor de aanhanger en elektrische aandrijving. 10 Het kastje zit achter de bekleding aan de linkerzijde.
10 Onderhoud en service || 10 372 • Zekeringen - in regeleenheid onder dashboardkastje (p. 369) • Zekeringen - in de koude zone van de motorruimte (p.
10 Onderhoud en service Zekeringen - in de koude zone van de motorruimte De zekeringen in de koude zone van de motorruimte zitten in auto's met de Start/ Stop-functie. 10 Positie van de zekeringen voor het Start/Stop-systeem. • De zekeringen A1 en A2 zijn van het type ‘MEGA Fuse’ en mogen alleen door een werkplaats worden vervangen14. • De zekeringen 1–11 zijn van het type ‘MidiFuse’ en mogen alleen door een werkplaats worden vervangen14. • Zekeringen 12 is van het type ‘MiniFuse’.
10 Onderhoud en service || 10 374 Functie A Hoofdzekering voor centrale elektronicamodule (ECM) onder dashboardkastje 50 Hoofdzekering voor relais-/ zekeringhouder onder dashboardkastje 60 Hoofdzekering voor relais-/ zekeringhouder onder dashboardkastje 60 Hoofdzekering voor relais- en zekeringhouder in bagageruimte 60 Interieurventilator 40 – – – – Startrelais 30 Interne diode 50 Hulpaccu 70 Centrale elektronicamodule (CEM) - referentiespanning hulpaccu; laadpunt hulpaccu 15 Gere
10 Onderhoud en service Wasstraat Was de auto zodra deze vuil geworden is. Zorg dat de auto op een spoelvloer met olieafscheider staat. Gebruik autoshampoo. Met de hand wassen • • • • • Verwijder vogelpoep zo spoedig mogelijk van de lak. Vogelpoep bevat namelijk stoffen die de lak aantasten en deze zeer snel doen verkleuren. U wordt geadviseerd een dergelijke verkleuring te laten herstellen door een erkende Volvo-werkplaats. Spoel het onderstel af.
10 Onderhoud en service || Remmen testen BELANGRIJK Waxen en polijsten op kunststof en rubber is niet toegestaan. WAARSCHUWING 10 Test de rem na het wassen altijd, ook de parkeerrem, zodat vocht en corrosie de remvoering niet aantasten en de remmen verslechteren. Bij gebruik van ontvettingsmiddel op kunststof en rubber mag u, als dat nodig is, slechts met lichte druk wrijven. Gebruik een zachte spons.
10 Onderhoud en service Water- en vuilafstotende laag De ruiten zijn voorzien van een speciale laag die bij hevige regenval voor een beter zicht zorgt. Water- en vuilafstotende laag* De waterafstotende laag staat bloot aan natuurlijke slijtage. Onderhoud: • Gebruik nooit producten zoals autowas, ontvetters e.d. op het glasoppervlak, omdat de waterafstotende laag daardoor beschadigd kan raken. • Wees voorzichtig bij het schoonmaken om te voorkomen dat er krassen in het glasoppervlak ontstaan.
10 Onderhoud en service Interieur reinigen 10 Gebruik alleen reinigingsmiddelen en autoverzorgingsproducten die door Volvo geadviseerd worden. Maak de bekleding regelmatig schoon en volg daarbij de gebruiksaanwijzingen bij het autoverzorgingsproduct op. Het is belangrijk te stofzuigen voordat u een reinigingsmiddel gebruikt. Matten en bagageruimte Haal de inlegmatten uit de auto om de vloerbekleding en de inlegmatten ieder apart schoon te kunnen maken.
10 Onderhoud en service Beschermende laag aanbrengen op leren bekleding 1. Breng wat van de beschermende crème op de vilten doek aan en wrijf de crème in cirkelende bewegingen voorzichtig in het leer. Groep 2 (vet, olie, saus en chocolade) Lakschade 1. Dezelfde procedure als voor groep 1. De lak vormt een belangrijk onderdeel van de roestwering van de auto en moet daarom regelmatig worden gecontroleerd.
10 Onderhoud en service || 10 • grondlak (primer)15 - voor met kunststof beklede bumpers e.d. zijn er spuitbussen met speciale hechtprimer verkrijgbaar • basislak en heldere lak - verkrijgbaar in spuitbussen en als bijwerkpennen/-stiften16 • • Geringe lakschade herstellen zoals steenslagschade en krasjes 1. Plak een stuk afplaktape over het beschadigde gebied heen. Trek de tape weer van de lak af om eventuele lakresten te verwijderen. afplaktape fijn schuurlinnen15.
10 Onderhoud en service N.B. Als de steenslag niet tot het metalen oppervlak (blanke plaat) is doorgedrongen en er nog steeds een intacte laklaag aanwezig is, moet u de basislak en heldere lak direct aanbrengen nadat u het oppervlak hebt gereinigd. 10 Gerelateerde informatie • Roestwering (p.
SPECIFICATIES
11 Specificaties Type-aanduidingen Type-aanduiding, chassisnummer e.d. (voertuigspecifieke informatie) staan aangegeven op een sticker in de auto.
11 Specificaties || Positie van stickers en plaatjes 11 Wanneer u contact opneemt met uw erkende Volvo-werkplaats of vervangende onderdelen of accessoires wilt bestellen, kan het handig zijn om de type-aanduiding, het chassisnum- 384 mer en het motornummer bij de hand te hebben. Type-aanduiding, chassisnummer, maximaal toelaatbaar gewicht, kleurcodes voor lak en bekleding en typegoedkeuringsnummer.
11 Specificaties rechter achterportier is de sticker zichtbaar. Sticker voor standverwarming. Motorcode en serienummer van de motor. Sticker voor motorolie. Type-aanduiding en serienummer van de versnellingsbak. 11 Handgeschakelde versnellingsbak Automatische versnellingsbak Identificatienummer van de auto (VIN, Vehicle Identification Number) De typegoedkeuring van de auto bevat meer informatie over de auto. N.B.
11 Specificaties Maten In de tabel ziet u de maten van de auto wat de lengte, hoogte e.d. betreft. 11 V70. Maten 386 mm Maten A Wielbasis 2816 B Lengte 4814 C Laadlengte, vloer, achterbank neergeklapt 1878 D Laadlengte, vloer 1089 E Hoogte 1547 F Laadhoogte G Spoorbreedte vooras mm 1588A H Spoorbreedte achteras 1586A I Laadbreedte, vloer J Breedte 1153 1861 (1876C) A B C mm K Breedte incl. buitenspiegels 2106 L Breedte incl.
11 Specificaties 11 XC70. Maten mm Maten A Wielbasis 2815 B Lengte 4838 C Laadlengte, vloer, achterbank neergeklapt 1878 D Laadlengte, vloer 1089 E Hoogte 1604 F Laadhoogte G Spoorbreedte vooras H 1604B 1580A 1570B 724 1614A Spoorbreedte achteras mm A B C I Laadbreedte, vloer 1153 J Breedte K Breedte incl. buitenspiegels 2119 L Breedte incl.
11 Specificaties Gewichten Het maximale totaalgewicht staat aangegeven op een sticker in de auto. Bij het rijklaar gewicht zijn het gewicht van de bestuurder, dat van de brandstoftank die voor 90 % gevuld is en dat van de resterende oliën/vloeistoffen inbegrepen. 11 Het gewicht van de passagiers en de gemonteerde accessoires alsmede de kogeldruk (p. 389) (bij gebruik van een aanhanger) zijn van invloed op het laadvermogen en zijn niet inbegrepen bij het rijklaar gewicht.
11 Specificaties Trekgewicht en kogeldruk Max. gewicht geremde aanhanger Het trekgewicht en de kogeldruk voor het rijden met een aanhanger staan in de tabellen. V70 N.B. Voor aanhangers/caravans zwaarder dan 1800 kg wordt een trillingsdemper op de trekhaak geadviseerd. MotorcodeA Versnellingsbak Max. gewicht geremde aanhanger (kg) Max.
11 Specificaties || V70 MotorcodeA Versnellingsbak Max. gewicht geremde aanhanger (kg) Max.
11 Specificaties XC70 MotorcodeA Versnellingsbak Max. gewicht geremde aanhanger (kg) Max. kogeldruk (kg) D4 AWD D5244T17 Handgeschakeld, M66 2100 90 D4 AWD D5244T17 Automaat, TF-80SC 2100 90 D5 AWD D5244T11 Handgeschakeld, M66 2100 90 D5 AWD D5244T15 Automaat, TF-80SC 2100 90 Motor 11 Motorcode, onderdeel- en serienummer van de motor vindt u op de motor, zie Type-aanduidingen (p. 383). A Max. gewicht ongeremde aanhanger Max. gewicht ongeremde aanhanger (kg) 750 Max.
11 Specificaties Motorspecificaties De motorspecificaties (vermogen enz.) voor de verschillende motoralternatieven staan in de tabel. V70 11 A B C 392 N.B. Niet alle motoren zijn verkrijgbaar op alle markten.
11 Specificaties XC70 Motor MotorcodeA 3.
11 Specificaties Motorolie - ongunstige rijomstandigheden BELANGRIJK Om aan de vereisten voor de gespecificeerde service-intervallen te voldoen worden alle motoren in de fabriek gevuld met een speciaal aangepaste, synthetische motorolie. De oliesoort werd met grote zorg geselecteerd lettend op de levensduur van de motor, de startgewilligheid, het brandstofverbruik en de milieu-impact. In ongunstige rijomstandigheden kunnen de olietemperatuur en het olieverbruik abnormaal toenemen.
11 Specificaties Motorolie - kwaliteit en hoeveelheid De motoroliekwaliteit en de te hanteren hoeveelheden voor de verschillende motoralternatieven staan in de tabel. Volvo beveelt aan: 11 V70 MotorcodeA Oliekwaliteit Motor Hoeveelheid, incl. oliefilter (liter) B6324S5 Oliekwaliteit: ACEA A5/B5 ca. 6,8 T6 B6304T4 Viscositeit: SAE 0W–30 ca. 6,8 D3 D5204T7 ca. 5,9 D4 AWD D5244T12 ca. 5,9 D4 AWD D5244T17 ca. 5,9 D5 D5244T11B ca. 5,9 D5 D5244T15C ca. 5,9 D2 D4162T 3.
11 Specificaties || V70 MotorcodeA Oliekwaliteit Motor T4 Hoeveelheid, incl. oliefilter (liter) B4164T In de fabriek bijgevulde en gecertificeerde olie: Oliekwaliteit WSS-M2C925-A ca. 4,1 alternatief tijdens servicebeurt: T4F B4164T2 Oliekwaliteit: ACEA A5/B5 11 A B C T5 B4204T11 D4 D4204T5 Castrol Edge Professional V 0W-20 of 0w20 VCC RBS0-2AE ca. 5,4 ca. 5,6 Motorcode, onderdeel- en serienummer van de motor vindt u op de motor, zie Type-aanduidingen (p. 383).
11 Specificaties XC70 MotorcodeA Oliekwaliteit Motor A B C Hoeveelheid, incl. oliefilter (liter) T5 B4204T11 D4 D4204T5 Castrol Edge Professional V 0W-20 of 0w20 VCC RBS0-2AE Motorcode, onderdeel- en serienummer van de motor vindt u op de motor, zie Type-aanduidingen (p. 383). Handgeschakelde versnellingsbak. Automatische versnellingsbak. ca. 5,4 ca. 5,6 11 Gerelateerde informatie • Motorolie - ongunstige rijomstandigheden (p. 394) • Motorolie - controleren en bijvullen (p.
11 Specificaties 11 Koelvloeistof - kwaliteit en hoeveelheid MotorA In de tabel ziet u de aan te houden hoeveelheid koelvloeistof voor de verschillende motortypes. T4 B4164TC T4F B4164T2C T5 B4204T11 8,3 (8,7D) D4 D4204T5 8,9 (9,2D) Hoeveelheid (liter) 2 398 (liter) Voorgeschreven kwaliteit: Door Volvo aanbevolen koelvloeistof aangelengd met 50 % water2, zie verpakking. MotorA D2 D4162TB 10,5 D2 D4162TC 11,1 3.
11 Specificaties Transmissieolie - kwaliteit en hoeveelheid De voorgeschreven transmissieolie en de hoeveelheid voor de verschillende versnellingsbakopties staan in de tabel. Handgeschakelde versnellingsbak Handgeschakelde versnellingsbak MMT6 M66 A Hoeveelheid (liter) ca. 1,7 ca. 1,9 (ca. 1,45A) Voorgeschreven versnellingsbakolie 11 BOT 350M3 Geldt voor motortype D4204T5. N.B. Onder normale rijomstandigheden hoeft de versnellingsbakolie niet te worden ververst zolang de versnellingsbak meegaat.
11 Specificaties || Automatische versnellingsbak TF-80SD TG-81SC A B 11 Benzinemotoren Dieselmotoren N.B. Onder normale rijomstandigheden hoeft de versnellingsbakolie niet te worden ververst zolang de versnellingsbak meegaat. Onder ongunstige rijomstandigheden moet de olie mogelijk wel worden ververst. Gerelateerde informatie 400 • Motorolie - ongunstige rijomstandigheden (p. 394) • Type-aanduidingen (p. 383) Hoeveelheid (liter) ca. 7,0 ca. 6,6A ca.
11 Specificaties Remvloeistof - kwaliteit en hoeveelheid Stuurbekrachtigingsvloeistof kwaliteit Sproeiervloeistof - kwaliteit en hoeveelheid Remvloeistof is de naam van het middel in een hydraulisch remsysteem, dat wordt gebruikt om kracht over te brengen vanuit bijvoorbeeld een rempedaal via een hoofdremcilinder naar een of meerdere hulpcilinders die op hun beurt een mechanische rem beïnvloeden.
11 Specificaties Brandstoftank - inhoud De inhoud van de brandstof voor de verschillende motoralternatieven staat in de tabel. Motor 11 Voorgeschreven kwaliteit Benzinemotor ca. 70 Benzine: Brandstof - benzine (p. 296) Dieselmotor ca. 70 Dieselolie: Brandstof - diesel (p. 297) Gerelateerde informatie • • 402 Hoeveelheid (liter) Brandstof tanken (p. 295) Motorspecificaties (p.
11 Specificaties Brandstofverbruik en CO2-uitstoot stadsverkeer Het brandstofverbruik voor een auto wordt gemeten in liter per 100 km en de CO2-uitstoot in gram per km.
11 Specificaties || V70 11 404 3.2 (B6324S5) 308 13,2 160 6,9 214 9,2 3.
11 Specificaties V70 D4D (D4204T5) – – – – – – D4C (D4204T5) – – – – – – D4D (D4204T5) – – – – – – D4 AWD (D5244T12) – – – – – – D4 AWD (D5244T17) – – – – – – D5 (D5244T11) 152 5,8 110 4,2 126 4,8 D5 (D5244T15) 224 8,5 129 4,9 164 6,2 – – – – – – D5 AWD (D5244T15) A B C D E F 11 FlexiFuel-motoren kunnen op zowel loodvrije benzine (95 RON) als op bio-ethanol (E85) rijden.
11 Specificaties || XC70 3.
11 Specificaties XC70 D5 AWD (D5244T11) 159 6,1 127 4,8 139 5,3 D5 AWD (D5244T15) 225 8,6 137 5,2 169 6,4 N.B. Als de gegevens over brandstofverbruik en emissie ontbreken, staan deze in het bijgeleverde supplement. De brandstofverbruiks- en emissiewaarden in de bovenstaande tabel zijn gebaseerd op speciale EU-rijcycli3, die gelden voor een auto met rijklaar gewicht in standaarduitvoering zonder extra uitrusting. Afhankelijk van de uitrusting neemt het autogewicht toe.
11 Specificaties Banden - goedgekeurde bandenspanning De goedgekeurde bandenspanningen voor de verschillende motoralternatieven staan in de tabel. V70 11 Motor Snelheid (km/h) Belading, 1–3 inzittenden Max. belading ECO-bandenspanningA Voor Achter Voor Achter Voor/achter (kPa)B (kPa) (kPa) (kPa) (kPa) 225/55 R 16 Tot 160 230 210 260 260 260 3.
11 Specificaties V70 Bandenmaat Motor T4 T4F T5 D2 Snelheid (km/h) Belading, 1–3 inzittenden Max. belading ECO-bandenspanningA Voor Achter Voor Achter Voor/achter (kPa)B (kPa) (kPa) (kPa) (kPa) 225/55 R 16 Tot 160 220 210 260 260 260 225/50 R 17 160 + 260 260 270 270 – 205/60 R 16 Tot 160 230 210 260 260 260 160 + 270 270 290 290 – max.
11 Specificaties || XC70 Bandenmaat Motor (km/h) 215/65 R 16 Alle motoren 11 Snelheid Belading (1–3 inzittenden) Max. belading ECO-bandenspanningA Voor Achter Voor Achter Voor/achter (kPa)B (kPa) (kPa) (kPa) (kPa) Tot 160 230 230 260 260 260 160 + 240 240 280 280 – max. 80 420 420 420 420 – 235/55 R 17 235/50 R 18 235/45 R 19 Compact reservewiel (Temporary Spare) A B Zuinig rijden.
11 Specificaties Elektrisch systeem Het elektrische systeem is enkelpolig en gebruikt het chassis en het motorblok als geleiders. Op de auto zit een wisselstroomdynamo met spanningsregelaar. De startaccucapaciteit is afhankelijk van de uitrusting op de auto. 11 BELANGRIJK Als de startaccu wordt vervangen, moet u erop letten dat u een accu met hetzelfde koudestartvermogen en dezelfde reservecapaciteit gebruikt als de originele accu (zie de sticker op de accu).
11 Specificaties Startaccu - specificatie De startaccu wordt gebruikt om de startmotor en andere elektrische uitrusting in de auto aan te drijven. Motor 11 Koudestartvermogen, Reservecapaciteit CCA, Cold Cranking Amperes (A) (minuten) Benzine (ethanol) 12 520–800 100–160 Dieselolie 12 700–800 135–160 Benzine/Diesel met Start/Stop-systeem 12 760A 135 A Voor auto’s met Start/Stop-systeem dient een accu type AGM (Absorbed Glass Mat) te worden gebruikt.
11 Specificaties Typegoedkeuring transpondersleutelsysteem De typegoedkeuring voor het transpondersleutelsysteem staat in de tabel. Land/regio China Land/ regio Vergrendelingssysteem standaard Land/regio EU, China Typegoedkeuring - radarsysteem De typegoedkeuring voor het radarsysteem staat in de tabel. Hongkong Singapore 11 IDA: Infocomm Development Authority of Singapore.
11 Specificaties || Gerelateerde informatie • 11 414 Radarsensor (p.
11 Specificaties Typegoedkeuring - Bluetooth® De typegoedkeuring voor Bluetooth® staat in de tabel.
11 Specificaties || Verklaring van overeenstemming (Declaration of Conformity) Land/ regio Landen binnen de EU: Exportland: Japan 11 Producent: Alpine Electronics Inc. Type uitrusting: Bluetooth®-eenheid Breng voor meer informatie een bezoek aan http://ec.europa.eu/enterprise/rtte/faq.
11 Specificaties Land/ regio Tsjechië: Alpine Electronics, Inc. tímto prohlašuje, že tento Bluetooth® Module je ve shodě se základními požadavky a dalšími příslušnými ustanoveními směrnice 1999/5/ES. Denemarken: Undertegnede Alpine Electronics, Inc. erklærer herved, at følgende udstyr Bluetooth® Module overholder de væsentlige krav og øvrige relevante krav i direktiv 1999/5/EF. Duitsland: Hiermit erklärt Alpine Electronics, Inc.
11 Specificaties || Land/ regio 11 418 Nederland: Hierbij verklaart Alpine Electronics, Inc. dat het toestel Bluetooth® Module in overeenstemming is met de essentiële eisen en de andere relevante bepalingen van richtlijn 1999/5/EG. Malta: Hawnhekk, Alpine Electronics, Inc., jiddikjara li dan Bluetooth® Module jikkonforma mal-ħtiġijiet essenzjali u ma provvedimenti oħrajn relevanti li hemm fid-Dirrettiva 1999/5/EC. Hongarije: Alulírott, Alpine Electronics, Inc.
11 Specificaties Land/ regio China: 第十三条 进口和生产厂商在其产品的说明书或使用手册中,应刊印下述有关内容 1. 标明附件中所规定的技术指标和使用范围,说明所有控制 ■ 使用频率 调整及开关等使用方法 2.4 - 2.4835 GHz ■ 等效全向辐射 率(EIRP) 天线增益 10dBi 时 ≤100 mW 或≤20 dBm ① 11 ■ 最大 率谱密度 ■ 载频容限 10dBi 时 ≤20 dBm / MHz(EIRP) ① 20 ppm ■ 杂散发射(辐射) • • • • • 天线增益 率(对应载波±2.5 倍信道带宽以外) ≤-36 dBm / 100 kHz (30 - 1000 MHz) ≤-33 dBm / 100 kHz (2.4 - 2.4835 GHz) ≤-40 dBm / 1 MHz (3.4 - 3.53 GHz) ≤-40 dBm / 1 MHz (5.725 - 5.85 GHz) ≤-30 dBm / 1 MHz (其它 1 - 12.75 GHz) 2.
11 Specificaties || Land/ regio Taiwan: 低効率電波輻射性電機管理辧法第十条 第十二條 經型式認證合格之低功率射頻電機,非經許可,公司 商號或使用者均不得擅自 變更頻率 加大功率或變更原設計之特性及功能 第十四條 11 420 低功率射頻電機之使用不得影響飛航安全及干擾合法通信;經發現有干擾現象時, 應立即停用,並改善至無干擾時方得繼續使用 前項合法通信,指依電信法規定 作業之無線電通信 低功率射頻電機須忍受合法通信或工業 科學及醫療用電波 輻射性電機設備之 干擾
11 Specificaties Land/ regio Zuid-Korea: 제품 정보 Volvo Car Korea 신청자 코드: KCC-CMM-N25-IAM21L3, KCC-CMM-N25-IAM21L2 and KCC-CMM-N25-IAM21L1 제품 명: Bluetooth Audio Navigation Radio 모델 명: IAM2.1 11 산 날짜: March/2010 Alpine Electronics, Inc Made in Japan 고객 정보 Volvo Car Korea 볼보자동차코리아 서울시 용산구 한남 2 동 726-173 볼보빌딩 4 층 볼보자동차 고객센터 1588-1777 http://www.volvocars.
11 Specificaties || Land/ regio Verenigde Arabische Emiraten: 11 Zuid-Afrika: Jamaica: Approved for use in Jamaica SMA EI: IAM2.1 Thailand: This telecommunication equipment conforms to NTC technical requirement.
11 Specificaties Licenties Sensus software This software uses parts of sources from clib2 and Prex Embedded Real-time OS Source (Copyright (c) 1982, 1986, 1991, 1993, 1994), and Quercus Robusta (Copyright (c) 1990, 1993), The Regents of the University of California. All or some portions are derived from material licensed to the University of California by American Telephone and Telegraph Co. or Unix System Laboratories, Inc. and are reproduced herein with the permission of UNIX System Laboratories, Inc.
11 Specificaties || This software is based in parts on the work of the FreeType Team. This software uses parts of SSLeay Library: Copyright (C) 1995-1998 Eric Young (eay@cryptsoft.com).
11 Specificaties registered trademarks of DivX, Inc. and are used under license. ABOUT DIVX VIDEO: DivX® is a digital video format created by DivX, Inc. This is an official DivX Certified device that plays DivX video. Visit www.divx.com for more information and software tools to convert your files into DivX video. ABOUT DIVX VIDEO-ON-DEMAND: This DivX Certified® device must be registered in order to play DivX Video-on-Demand (VOD) content.
11 Specificaties || Symbool 11 426 Betekenis Zie Mistachterlicht aan Symbool Betekenis Zie (p. 64), (p. 85) ECO-functie* aan (p. 64), (p. 281) Stabiliteitsregeling, DSTC, Afdalingsremregeling, Trailer Stability Assist (p. 64), (p. 283), (p. 186), (p. 309) Niet in gebruik – Stabiliteitsregeling, Sport-stand (p. 64), (p. 186) Voorgloeifunctie motor (diesel) (p. 64) Laag peil in brandstoftank (p. 64), (p. 137) Informatie, lees displaymelding (p.
11 Specificaties Symbool Betekenis Zie Start/Stop* (p. 279) Driver Alert System*, Rijbaanassistent (LDW) (p. 231), (p. 236) Driver Alert System*; Lane Departure Warning* (p. 234) Driver Alert System*; Lane Departure Warning* (p. 236) Geregistreerde snelheidsinformatie* (p. 187) Motor- en interieurverwarming* (p. 137) Geactiveerde timer* (p. 137) Geactiveerde timer* (p. 137) Symbool Betekenis Zie Accuspanning laag (p. 137) Tankvulklep rechts (p.
12 Alfabetisch register Actieve xenonkoplampen.......................... 84 A Aanbevolen kinderzitjes tabel...................................................... 39 Aanhanger............................................... kabel................................................... pendelbeweging................................. rijden met een aanhanger................... 302 302 309 302 Aanrijding................................................... 35 aanzuiging, uitlaatgassen, giftig..............
12 Alfabetisch register B Bagageafdekking..................................... 155 Bagagenet............................................... 153 Bagageruimte bagageafdekking................................ 155 bagagenet........................................... 152 bevestigingspunten............................ 149 Verlichting............................................. 88 Bekleding................................................. 378 City Safety™............................................
12 Alfabetisch register D Dagrijlicht................................................... 81 Dagteller op nul stellen............ 111, 115, 116 Dagtellers................................................... 68 Dakbelasting, max. gewicht..................... 388 Dashboardkastje...................................... 145 vergrendelen....................................... 174 Diesel brandstofgebrek................................. 297 12 Dieselolie.................................................
12 Alfabetisch register Glazen gelaagd/versterkt.................................. 20 I K Gloeilampen, zie Verlichting.................... 347 IAQS - Interior Air Quality System........... 122 Gordelspanner........................................... 34 In de was zetten....................................... 376 Katalysator............................................... 298 Bergen................................................ 311 Gordelspanners.........................................
12 Alfabetisch register Kleurcode, lak.......................................... 380 Klimaat algemene informatie........................... automatische regeling........................ persoonlijke instellingen..................... sensoren............................................. temperatuurregeling........................... werkelijke temperatuur....................... 119 128 123 120 129 120 Klimaatregeling reparatie.............................................. 345 12 L Laag oliepeil...........
12 Alfabetisch register Middenconsole........................................ 144 Motorverwarming............................. 134, 261 Ontwaseming........................................... 130 Milieulabel, FSC, instructieboekje............. 20 MY CAR................................................... 107 Op afstand bediende startblokkering...... 159 Mistverlichting achter.................................................... 85 Motor oververhitting...................................... Start/Stop.....
12 Alfabetisch register PCC, Personal Car Communicator Actieradius.................................. 162, 167 functies............................................... 159 veiligheidsgordels............................... 379 Velgen................................................. 376 wasstraat............................................ 375 Peilstok, elektronisch....................... 340, 341 Poetsen.................................................... 376 Relais- en zekeringenkastje, zie Zekeringen.....
12 Alfabetisch register S Sleutelloos startsysteem (keyless drive)................ 167, 168, 169, 170, 171, 256 Safelock-functie....................................... 177 deactiveren......................................... 177 tijdelijk deactiveren............................. 177 Sleutelstanden........................................... 70 Safety mode.............................................. 35 auto verrijden........................................ 37 startpoging.................................
12 Alfabetisch register Stuurbekrachtigingsvloeistof kwaliteit............................................... 401 T Stuurkracht, snelheidsafhankelijk............ 249 Tanken Bijvullen.............................................. Tankdop.............................................. tankklep.............................................. tankvulklep, handmatig openen......... Stuurkrachtniveau, zie Stuurkracht.......... 249 Stuurpaddle............................................... 77 Stuurslotfout.......
12 Alfabetisch register V Veiligheidsgordel....................................... Achterbank........................................... gordelspanner....................................... gordelwaarschuwing............................ losnemen.............................................. omdoen................................................. zwangerschap...................................... 22 24 25 24 23 23 23 Veiligheidsrek........................................... 153 Velg, maten.................
12 Alfabetisch register W Waarschuwingsgeluid Collision Warning................................ 222 Waarschuwingslampje adaptieve cruisecontrol...................... 193 Collision Warning................................ 222 stabiliteits- en tractieregeling............. 184 12 Waarschuwingslampjes airbags (SRS)........................................ 66 dynamo laadt niet bij............................ 66 gordelwaarschuwing...................... 24, 66 Lage oliedruk........................................
Volvo Car Corporation TP 16829 (Dutch), AT 1346, Printed in Sweden, Göteborg 2013, Copyright © 2000-2013 Volvo Car Corporation