VOLVO Instructieboekje WEB EDITION V70, V70 R & XC70 2006
Beste Volvo-bezitter Wij hopen dat u jarenlang rijplezier van uw Volvo zult hebben. Bij het ontwerp hebben veiligheid en comfort van u en uw medepassagiers voorop gestaan. Een Volvo is een van de veiligste auto’s ter wereld. Uw Volvo is ook ontworpen om aan alle geldende veiligheidsvoorschriften en milieueisen te voldoen. Om nog meer plezier van uw auto te hebben, raden wij u aan om vertrouwd te raken met de uitrusting, de instructies en de onderhoudsinformatie in dit instructieboekje.
Inleiding Instructieboekje Een goede manier om vertrouwd te raken met uw nieuwe auto is om het instructieboekje te lezen, bij voorkeur voordat u uw eerste rit maakt. Zo maakt u kennis met nieuwe functies, krijgt u tips hoe u het beste in verschillende situaties met de auto kunt omgaan en leert u hoe u optimaal gebruik kunt maken van alle mogelijkheden die uw auto biedt.
Volvo Car Corporation en het milieu Milieubeleid van Volvo Zorg voor het milieu, veiligheid en kwaliteit zijn de drie kernwaarden van Volvo Car Corporation die van invloed zijn op alle activiteiten. We zijn ervan overtuigd dat onze klanten onze zorg voor het milieu delen. Uw Volvo voldoet aan strenge internationale milieueisen en is bovendien geproduceerd in een fabriek die zeer schoon is en efficiënt met hulpbronnen omgaat.
Volvo Car Corporation en het milieu Schone lucht in passagiersruimte Erkende Volvo-werkplaatsen en het milieu Een geavanceerd luchtreinigingssysteem, IAQS1 (Interior Air Quality System), zorgt ervoor dat de lucht in de passagiersruimte schoner is dan de lucht buiten in het verkeer. Met regelmatig onderhoud kunt u de voorwaarden scheppen voor een laag brandstofverbruik en op die manier bijdragen aan een schoner milieu.
Volvo Car Corporation en het milieu • Rijd rustig. Vermijd onnodig snel optrekken en krachtig remmen. • Rijd in de hoogst mogelijke versnelling. Een lager toerental zorgt voor een lager verbruik. • Laat het gaspedaal los wanneer u van een helling afrijdt. • Rem op de motor. Laat het gaspedaal los en schakel terug. • Voorkom stationair draaien. Zet de motor af wanneer u lang stilstaat in een file.
6
Inhoud Veiligheid Instrumenten, schakelaars en bediening Klimaatregeling Interieur Sloten en alarm Starten en rijden Wielen en banden Verzorging Onderhoud en service Audiosysteem (optie) Telefoon (optie) Technische gegevens 9 35 65 77 99 111 147 157 163 191 213 229 7
8
Veiligheid Veiligheidsgordels AIRBAG-systeem Airbags (SRS) Airbag (SRS) activeren/deactiveren SIPS-airbags, (zij-airbags) Opblaasgordijn (IC-systeem) WHIPS-systeem Activering van de veiligheidssystemen Inspectie van airbags en opblaasgordijnen Kinderen en veiligheid 10 13 14 17 19 21 22 24 25 26 9
Veiligheid Veiligheidsgordels Heupgordel uittrekken. De gordel moet laag gedragen worden. Draag altijd een veiligheidsgordel Remmen kan ernstige gevolgen hebben als de veiligheidsgordel niet wordt gedragen. Let er daarom op dat alle passagiers hun veiligheidsgordel omhebben. Zo wordt voorkomen dat bij een aanrijding de passagiers op de achterbank tegen de rugleuning van de voorstoelen worden geslingerd.
Veiligheid Veiligheidsgordels wordt vervolgens uitgeschakeld, wanneer de snelheid tot onder 5 km/h daalt. Als de bestuurder of voorpassagier de gordel tijdens het rijden losmaakt, wordt de waarschuwingsfunctie opnieuw geactiveerd bij snelheden hoger dan 10 km/h. N.B. De gordelwaarschuwing is bestemd voor volwassenen voor in de auto. Als u een kinderzitje op de passagiersstoel hebt aangebracht en het met de veiligheidsgordel hebt vastgezet, wordt er geen gordelwaarschuwing gegeven.
Veiligheid Veiligheidsgordels Keurmerk op veiligheidsgordels met gordelspanner. Gordelspanners Alle veiligheidsgordels hebben gordelspanners. Dit is een mechanisme dat bij een aanrijding de veiligheidsgordel rond het lichaam spant. De gordel kan de passagier daarmee beter in de stoel gedrukt houden.
Veiligheid AIRBAG-systeem Behalve het waarschuwingslampje verschijnt er, in die gevallen waarin dat nodig is, een melding op het informatiedisplay. Als het waarschuwingslampje niet werkt, gaat het waarschuwingsdriehoekje branden en verschijnt er SRSAIRBAG/SERVICE SPOED op het display. Neem onmiddellijk contact op met een erkende Volvo-werkplaats. WAARSCHUWING! Waarschuwingslampje op het instrumentenpaneel Het airbagsysteem1 wordt continu gecontroleerd door de regeleenheid.
Veiligheid Airbags (SRS) WAARSCHUWING! Airbag (SRS) aan de bestuurderszijde Uw auto heeft behalve de veiligheidsgordels ook een airbag (SRS - Supplementary Restraint System) in het stuurwiel. De airbag zit opgevouwen in het midden van het stuurwiel. Het stuurwiel is voorzien van het opschrift SRS AIRBAG. WAARSCHUWING! De veiligheidsgordel en de airbag werken samen.
Veiligheid Airbags (SRS) WAARSCHUWING! Reparaties mogen alleen door een erkende Volvo-werkplaats worden uitgevoerd. Ingrepen in het SRS-systeem kunnen storingen in de werking veroorzaken en leiden tot ernstig letsel. SRS-systeem, auto met het stuur links. SRS-systeem, auto met het stuur rechts. SRS-systeem N.B. De reactie van de sensoren hangt af van de ernst van de aanrijding en van het feit of de veiligheidsgordel aan de bestuurderszijde of de passagierszijde vooraan wordt gedragen of niet.
Veiligheid Airbags (SRS) Positie van de airbag aan de passagierszijde in een auto met het stuur links of rechts. WAARSCHUWING! Verricht nooit zelf werkzaamheden aan de onderdelen van het SRS-systeem in het stuurwiel of op het paneel boven het dashboardkastje. Plaats geen voorwerpen of accessoires op of in de buurt van het SRS AIRBAGpaneel (boven het dashboardkastje) of binnen de actieradius van de airbag.
Veiligheid Airbag (SRS) activeren/deactiveren WAARSCHUWING! Geactiveerde airbag (passagiersstoel): Vervoer kinderen nooit in een kinderzitje of op een verhogingskussen op de passagiersstoel wanneer de airbag aan de passagierszijde geactiveerd is. Laat evenmin personen die kleiner zijn dan 1,40 m op deze stoel plaatsnemen. Hiermee wordt aangeduid dat de airbag (SRS) aan de passagierszijde gedeactiveerd is. Schakelaar voor PACOS (Passenger Airbag Cut Off Switch).
Veiligheid Airbag (SRS) activeren/deactiveren WAARSCHUWING! Laat geen passagier op de passagiersstoel plaatsnemen, als het waarschuwingssymbool voor het airbagsysteem op het instrumentenpaneel oplicht terwijl de tekst op het plafondpaneel aangeeft dat de airbag (SRS) aan die kant gedeactiveerd is. Het duidt op een ernstige storing. Bezoek onmiddellijk een erkende Volvo-werkplaats. SRS-schakelaar in stand ON. SRS-schakelaar in stand OFF. Stand van de schakelaar OFF = De airbag (SRS) is gedeactiveerd.
Veiligheid SIPS-airbags, (zij-airbags) WAARSCHUWING! Leg geen voorwerpen tussen de stoelen en de portierpanelen, omdat dit gebied binnen de actieradius van de SIPS-airbag ligt. WAARSCHUWING! Gebruik alleen stoelhoezen van Volvo of stoelhoezen die door Volvo goedgekeurd zijn. Andere stoelhoezen kunnen de werking van de SIPS-airbags hinderen. Positie van de SIPS-airbags. Opgeblazen SIPS-airbag.
Veiligheid SIPS-airbags, (zij-airbags) Auto met het stuur links. SIPS-airbag De SIPS-airbag is voorzien van een gasgenerator. Bij een voldoende krachtige aanrijding reageren de sensoren, die op hun beurt de gasgeneratoren activeren. De SIPS-airbags worden vervolgens opgeblazen tussen de inzittende en het portierpaneel. Daarmee wordt de klap van de aanrijding opgevangen, waarna de airbags weer leeglopen. De SIPSairbags worden normaal gesproken alleen opgeblazen aan de kant van de aanrijding.
Veiligheid Opblaasgordijn (IC-systeem) Eigenschappen Het opblaasgordijn van het IC-systeem (Inflatable Curtain) vormt een aanvulling op het SIPS-systeem. Het zit verborgen achter de plafondbekleding langs beide zijden van de auto. Het beschermt inzittenden zowel voorals achterin. Het opblaasgordijn wordt geactiveerd door de aanrijdingssensoren van het SIPS-systeem bij een voldoende krachtige aanrijding. Bij activering wordt het opblaasgordijn opgeblazen.
Veiligheid WHIPS-systeem Bescherming tegen whiplashletsel, WHIPS Het WHIPS-systeem (Whiplash Protection System) bestaat uit energieabsorberende rugleuningen en speciaal voor het systeem ontwikkelde hoofdsteunen op de beide voorstoelen. Het systeem wordt geactiveerd bij een aanrijding van achteren, afhankelijk van de hoek waaronder en de snelheid waarmee het achteropkomende voertuig de auto raakt en de materiaaleigenschappen van dat voertuig.
Veiligheid WHIPS-systeem WAARSCHUWING! Als de stoel heeft blootgestaan aan grote krachten, zoals bij een aanrijding van achteren, moet u het WHIPS-systeem laten controleren bij een erkende Volvowerkplaats. Het WHIPS-systeem kan een deel van de beschermende eigenschappen hebben verloren, ook al ziet de stoel er intact uit. Neem contact op met een erkende Volvowerkplaats om het systeem te laten controleren, ook na een lichte aanrijding van achteren.
Veiligheid Activering van de veiligheidssystemen Systeem Activering Gordelspanners Airbags (SRS) Bij een frontale botsing en/of aanrijding in de zij. SIPS-airbags Bij een aanrijding in de zij1. Opblaasgordijn (IC-systeem) Bij een aanrijding in de zij1. Bij een aanrijding van achteren. WHIPS-systeem (Whiplash-bescherming) Bij een frontale botsing1. 1. Het is mogelijk dat de airbags niet worden opgeblazen, ondanks dat de carrosserie van de auto danig vervormd raakt.
Veiligheid Inspectie van airbags en opblaasgordijnen Controle-intervallen De stickers op de portierstijl(en) geven het jaar en de maand aan waarin u contact moet opnemen met een erkende Volvo-werkplaats om de airbags, gordelspanners en opblaasgordijnen te laten controleren en eventueel te laten vervangen. Als u vragen hebt over de systemen, kunt ook contact opnemen met een erkende Volvo-werkplaats. 1. 2. 3. 4. 5. 6.
Veiligheid Kinderen en veiligheid Ongeacht leeftijd en lengte moeten kinderen altijd met de gordel goed om in de auto zitten. Laat kinderen nooit bij passagiers op schoot zitten. De veiligheidsuitrusting voor kinderen die Volvo biedt, is afgestemd op het gebruik in uw auto. Door het gebruik van originele Volvo-onderdelen bent u er zeker van dat de bevestigingspunten en bevestigingsonderdelen op de juiste wijze zijn aangebracht en sterk genoeg zijn.
Veiligheid Kinderen en veiligheid Positie van airbagsticker in voorportieropening aan de passagierszijde. Sticker op zijwand dashboard. Sticker op zijwand dashboard (alleen Australië). WAARSCHUWING! Zet nooit een kind in een kinderzitje op de passagiersstoel als de airbag (SRS) geactiveerd is.1 Het niet opvolgen van deze aanbeveling kan levensgevaarlijke situaties opleveren voor het kind. 1. Zie pagina 17 voor informatie over het activeren/deactiveren van de airbag (SRS).
Veiligheid Kinderen en veiligheid Plaats van kinderen in de auto Gewicht (leeftijd) Voorstoel <10 kg (tot 9 maanden) Mogelijkheden: Achterstevoren gemonteerd kinderzitje, te bevestigen met veiligheidsgordel. L1: Typegoedk.: E5 03160 Achterstevoren gemonteerd kinderzitje, te bevestigen met ISOFIX-systeem. L1: Typegoedk.: E5 03162 Achterstevoren gemonteerd kinderzitje, te bevestigen met veiligheidsgordel en bevestigingsband. L1: Typegoedk.
Veiligheid Kinderen en veiligheid Gewicht (leeftijd) 15–36 kg (3–12 jaar) Voorstoel Gordelkussen met of zonder rugleuning. L1: Typegoedkeuringsnr. E5 03139 Buitenste zitplaats van de achterbank Mogelijkheden: Gordelkussen met of zonder rugleuning. L1: Typegoedkeuringsnr. E5 03139 Geïntegreerd kinderzitje. B2: Typegoedk.: E5 03159 Middelste zitplaats achterbank Gordelkussen met of zonder rugleuning. L1: Typegoedkeuringsnr. E5 03139 1.
Veiligheid Kinderen en veiligheid WAARSCHUWING! Zet nooit een kind in een kinderzitje op de passagiersstoel als de airbag (SRS) geactiveerd is. Personen kleiner dan 1,40 m mogen nooit op de passagiersstoel plaatsnemen als de airbag (SRS) geactiveerd1 is. Het niet opvolgen van de bovenstaande aanbevelingen kan levensgevaarlijke situaties opleveren voor uw kind. 1. Zie pagina 17 voor informatie over een geactiveerde/gedeactiveerde airbag (SRS).
Veiligheid Kinderen en veiligheid Kinderzitje uitklappen – Trek aan de handgreep zodat het kinderzitje omhoogkomt (1). – Pak het zitje met beide handen vast en duw het naar achteren (2). – Druk het zo ver achteruit dat het vergrendelt (3). WAARSCHUWING! Het kinderzitje moet in de vergrendelde stand staan voordat u het kind in het zitje aanbrengt.
Veiligheid Kinderen en veiligheid Kinderzitje monteren Volvo heeft veiligheidsuitrusting voor kinderen die afgestemd is op uw Volvo en uitvoerig door Volvo getest is. Bij het gebruik van andere op de markt verkrijgbare producten is het belangrijk dat u de bijgeleverde montagevoorschriften zorgvuldig doorleest en nauwkeurig opvolgt. • Zet de bevestigingsbanden van het kinderzitje nooit vast aan de hendel waarmee u de voorstoel in de lengterichting verstelt of aan veren, rails of balken onder de stoel.
Veiligheid Kinderen en veiligheid WAARSCHUWING! Als uw auto is uitgerust met een extra bankje, moet de achterklep zijn voorzien van een cilinderslot. U kunt de achterklep dan op de normale manier van buitenaf openen (met de sleutel in het bestuurdersportier en/of met de afstandsbediening) en met de sleutel in het cilinderslot van de achterklep. Het kinderslot op de achterklep moet zijn ingeschakeld om te voorkomen dat een kind de achterklep van de binnenzijde kan openen.
Veiligheid 34
Instrumenten, schakelaars en bediening Overzicht auto met het stuur links Overzicht auto’s met het stuur rechts Instrumentenpaneel Controle- en waarschuwingslampjes Informatiedisplay Schakelaars op middenconsole Verlichtingspaneel Linker stuurhendel Rechter stuurhendel Boordcomputer Cruise control (optie) Handrem, elektrische aansluiting/aansteker Stuurwielafstelling Elektrisch bedienbare zijruiten Spiegels en zijruiten Elektrisch bedienbaar schuifdak (optie) 36 38 40 41 44 46 49 50 51 53 54 56 58 59 61 63
Instrumenten, schakelaars en bediening Overzicht auto met het stuur links 36
Instrumenten, schakelaars en bediening Overzicht auto met het stuur links 16. 17. 18. 19. 20. 21. 22. 23. 24. Bedieningspaneel op bestuurdersportier 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9. 10. 11. 12. 13. 14. 15. Mistlampen............................................................................... pagina 49 Koplampen, stadslichten/parkeerlichten vóór en achterlichten ............................................................. pagina 49 Mistachterlicht ............................................................
Instrumenten, schakelaars en bediening Overzicht auto’s met het stuur rechts 38
Instrumenten, schakelaars en bediening Overzicht auto’s met het stuur rechts 16. 17. 18. 19. 20. Bedieningspaneel op bestuurdersportier 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9. 10. 11. 12. 13. 14. 15. Mistachterlicht ......................................................................... pagina 49 Koplampen, stadslichten/parkeerlichten vóór en achterlichten ............................................................. pagina 49 Mistlampen...............................................................................
Instrumenten, schakelaars en bediening Instrumentenpaneel 1. Temperatuurmeter De temperatuurmeter geeft de temperatuur in het koelsysteem van de motor aan. Op het display verschijnt een bericht, als de temperatuur abnormaal hoog is en de naald tot in het rode gebied uitslaat. Let erop dat verstralers voor de radiateurgrille het koelvermogen verminderen bij een hoge buitentemperatuur en een zware belasting van de motor. 2.
Instrumenten, schakelaars en bediening Controle- en waarschuwingslampjes Functietest, lampjes Wanneer de tekst “TIJD VOOR REG. SERVICE” verschijnt, doet u het waarschuwingslampje uit en verwijdert u de tekst met behulp van de knop READ. Dit gebeurt automatisch na 2 minuten. waarschuwingslampjes1 Alle controle- en gaan branden, wanneer u de contactsleutel voor het starten naar stand II draait. De werking van de lampjes wordt dan gecontroleerd.
Instrumenten, schakelaars en bediening Controle- en waarschuwingslampjes rijden met de auto. Laat de auto naar een erkende Volvo-werkplaats slepen om het remsysteem te controleren. Als de waarschuwingslampjes voor het REMSYSTEEM en het ABSsysteem tegelijkertijd branden, kan er een storing in de remkrachtverdeling zijn opgetreden. Breng de auto op een veilige plaats tot stilstand en zet de motor af. Start de motor opnieuw. • Als de beide lampjes weer doven, was er geen sprake van een werkelijke storing.
Instrumenten, schakelaars en bediening Controle- en waarschuwingslampjes Controlelampje aanhanger Het controlelampje knippert, wanneer u de richtingaanwijzers op de auto en op de aanhanger gebruikt. Als het lampje niet knippert, is een van de richtingaanwijzers op de auto of de aanhanger defect. Stabiliteitssysteem STC en DSTC1 Het STC/DSTC-systeem bestaat uit meerdere deelsystemen die uitvoeriger beschreven staan op pagina 123. Het lampje licht op om na ca.
Instrumenten, schakelaars en bediening Informatiedisplay Meldingen die in het geheugen liggen opgeslagen kunt u op een later tijdstip nogmaals doorlezen. Druk op de knop READ (A), als u de opgeslagen meldingen wilt bekijken. U kunt de meldingen doorbladeren door op de knop READ (A) te drukken. Druk nogmaals op de knop READ om de berichten weer in het geheugen op te slaan. N.B. Als er een waarschuwingsbericht verschijnt terwijl u zich bijv.
Instrumenten, schakelaars en bediening Informatiedisplay Melding STOP AUTO Z.S.M. ZET DE MOTOR AF SERVICE SPOED ZIE HANDLEIDING SERVICE VEREIST BIJ ONDERHOUD TIJD VOOR REG. SERVICE OLIEPEIL LAAG1 – BIJVULLEN3 OLIEPEIL LAAG2 – STOP AUTO Z.S.M.3 OLIEPEIL LAAG2 – ZET MOTOR UIT3 OLIEPEIL LAAG2 – ZIE HANDLEIDING3 ROETFILTER VOL – ZIE HANDLEIDING1 Betekenis Breng de auto tot stilstand en zet de motor af. Grote kans op schade. Breng de auto tot stilstand en zet de motor af. Grote kans op schade.
Instrumenten, schakelaars en bediening Schakelaars op middenconsole N.B. De onderlinge positie van de knoppen kan variëren. STC/DSTC-systeem1 Met deze knop kunt u de functies van het STC/DSTC-systeem beperken of een geldende beperking opheffen. Wanneer de LED in de knop brandt, is het STC/DSTC-systeem actief (voor zover er geen sprake is van een storing). Actief chassis, FOUR-C (optie) Druk op de knop om een van de chassistanden Comfort of Sport te kiezen (zie pagina 124).
Instrumenten, schakelaars en bediening Schakelaars op middenconsole Kinderslot op achterportieren (optie) Met deze knop kunt u het elektrisch kinderslot op de achterportieren in- of uitschakelen. De contactsleutel moet daarbij in stand I of II staan. Wanneer het kinderslot geactiveerd is, brandt de LED in de knop. Er verschijnt een bericht op het display, wanneer u het kinderslot in- of uitschakelt.
Instrumenten, schakelaars en bediening Schakelaars op middenconsole Elektrisch verwarmde buitenspiegels en achterruit Actief chassis FOUR-C (V70 R) Alarmlichten Selecteer een van de chassistanden Comfort, Sport of Advanced met behulp van de knoppen. Zie pagina 124 voor meer informatie. Gebruik de alarmlichten (alle richtingaanwijzers knipperen), wanneer u de auto noodgedwongen tot stilstand moet brengen op een plaats waar deze gevaar of hinder voor het verkeer kan opleveren.
Instrumenten, schakelaars en bediening Verlichtingspaneel Stadslichten/parkeerlichten vóór en verlichting achter U kunt de stadslichten/parkeerlichten vóór en de achterlichten altijd inschakelen ongeacht de stand van de contactsleutel. – Draai de verlichtingsdraaiknop (1) naar de middelste stand. Met de contactsleutel in stand II staan de stadslichten/parkeerlichten vóór en de achterlichten altijd aan.
Instrumenten, schakelaars en bediening Linker stuurhendel worden of veert automatisch terug bij het terugdraaien van het stuurwiel. Korte serie knippersignalen – Haal de stuurhendel omhoog of omlaag tot in stand (1) en laat de hendel vervolgens los. Wanneer u de stuurhendel loslaat veert deze terug naar de uitgangspositie, zodat de richtingaanwijzers worden uitgeschakeld. Wisselen tussen groot licht en dimlicht Standen stuurhendel 1. 2. 3. 4.
Instrumenten, schakelaars en bediening Rechter stuurhendel De wissers bewegen op hoge snelheid. BELANGRIJK! Sproei een royale hoeveelheid sproeiervloeistof op de voorruit wanneer de ruitenwissers werken. De voorruit moet nat zijn bij gebruik van de ruitenwissers. Ruitenwissers De ruitenwissers zijn uitgeschakeld, wanneer de hendel in stand 0 staat. Wanneer u de hendel omhoogduwt, maken de wissers slagen zolang u de hendel in deze stand vasthoudt.
Instrumenten, schakelaars en bediening Rechter stuurhendel keer dat u de voorruitsproeiers activeert gesproeid (gerekend over een periode van tien minuten). Wanneer er meer dan tien minuten zijn verstreken sinds de laatste sproeibeurt van de voorruit, worden ook de koplampen weer gesproeid bij het activeren van de ruitensproeiers. Gereduceerde sproeifunctie Wanneer er nog ongeveer één liter ruitensproeiervloeistof in het reservoir zit, worden de koplampen niet langer schoongesproeid.
Instrumenten, schakelaars en bediening Boordcomputer Functies De boordcomputer toont de volgende informatie: • Gemiddelde snelheid • Snelheid in miles per hour1 • Actueel brandstofverbruik • Gemiddeld brandstofverbruik • Bereik tot lege brandstoftank Bediening Om toegang te krijgen tot de informatie van de boordcomputer moet u de ring (B) op de hendel stapsgewijs linksom of rechtsom draaien. Wanneer u na het laatste menu nogmaals aan de ring draait, keert u terug in de uitgangspositie. N.B.
Instrumenten, schakelaars en bediening Cruise control (optie) Snelheid verhogen of verlagen V70 R V70, XC70 Inschakelen De bedieningsorganen voor de Cruise control vindt u links op het stuurwiel. Gewenste snelheid instellen: – Druk op de knop CRUISE. Op het instrumentenpaneel verschijnt de tekst CRUISE. – Druk op + of — om de snelheid van de auto vast te zetten. Op het instrumentenpaneel verschijnt CRUISE-ON.
Instrumenten, schakelaars en bediening Cruise control (optie) Snelheid hervatten Druk op de knop om de eerder ingestelde snelheid te hervatten. Op het instrumentenpaneel verschijnt CRUISE-ON. Uitschakelen Druk op CRUISE om de Cruise control uit te schakelen. CRUISE-ON verdwijnt van het instrumentenpaneel.
Instrumenten, schakelaars en bediening Handrem, elektrische aansluiting/aansteker – Schakel de eerste versnelling in (handbak) of zet de keuzehendel in stand P (automaat). Op een helling parkeren • Draai de wielen van de trottoirband af bij het parkeren op een oplopende helling. • Draai de wielen naar de trottoirband toe bij het parkeren op een aflopende helling. Handrem lossen: – Trap het rempedaal stevig in. – Haal de handremhendel iets omhoog en druk op de knop.
Instrumenten, schakelaars en bediening Handrem, elektrische aansluiting/aansteker Om veiligheidsredenen moet u het klepje sluiten, wanneer u de aansluiting niet gebruikt. Elektrische aansluiting/ Aansteker, achterin U kunt de elektrische aansluiting voor verschillende accessoires gebruiken die op een spanning van 12 V werken, zoals een mobiele telefoon of koelbox. De maximale stroomsterkte is 10 A. De contactsleutel moet ten minste in stand I staan, anders geeft de aansluiting geen stroom.
Instrumenten, schakelaars en bediening Stuurwielafstelling U kunt het stuurwiel zowel in de hoogte als in de lengte verstellen. Duw de hendel aan de linkerzijde van de stuurkolom omlaag. Zet vervolgens het stuurwiel in de gewenste stand. Duw de hendel in positie terug om het stuurwiel in de nieuwe stand te blokkeren. Als dit veel moeite kost, kunt u lichtjes het stuurwiel omhoog- of omlaagbewegen wanneer u de blokkeerhendel terugduwt. WAARSCHUWING! Stel het stuurwiel af voordat u gaat rijden.
Instrumenten, schakelaars en bediening Elektrisch bedienbare zijruiten Met de schakelaars op de armleuning van de portieren kunt u de ruiten elektrisch bedienen. U kunt de ruiten alleen bedienen, wanneer de contactsleutel in stand I of II staat. Ook wanneer de auto stilstaat en u de contactsleutel hebt uitgenomen, kunt u de ruiten nog steeds openen en sluiten zolang u geen van de voorportieren hebt geopend. N.B. Alleen op bepaalde markten werkt de automatische sluitingsfunctie ook aan de passagierszijde.
Instrumenten, schakelaars en bediening Elektrisch bedienbare zijruiten Elektrisch bedienbare zijruiten in achterportieren blokkeren Elektrisch bedienbare ruit in voorportier, passagierszijde Elektrisch bedienbare ruiten in achterportieren U kunt de elektrische bediening van de ruiten in de achterportieren blokkeren met de schakelaar op het bedieningspaneel op het bestuurdersportier.
Instrumenten, schakelaars en bediening Spiegels en zijruiten BELANGRIJK! Gebruik de spiegelverwarming (zie pagina 48) om de buitenspiegels van ijs te ontdoen en geen ijskrabber. Een krabber kan krassen op het spiegelglas veroorzaken. Buitenspiegels met geheugen (optie) A B Achteruitkijkspiegel A: Normale stand. B: Anti-verblindingsstand. Gebruik deze stand, als u de koplampen van het achteropkomende verkeer als hinderlijk ervaart.
Instrumenten, schakelaars en bediening Spiegels en zijruiten Water- en vuilafstotende laag op voorste zijruiten en/of buitenspiegels (optie) De voorste zijruiten en/of de buitenspiegels zijn voorzien van een speciale laag die bij regen voor een beter zicht zorgt. Zie pagina 159 voor informatie over het onderhoud van dergelijk glaswerk. Zijruiten en buitenspiegels met de speciale water- en vuilafstotende laag zijn voorzien van een klein symbool.
Instrumenten, schakelaars en bediening Elektrisch bedienbaar schuifdak (optie) WAARSCHUWING! Als er kinderen in de auto zitten: Verbreek bij het verlaten van de auto de stroomtoevoer naar het schuifdak door de contactsleutel uit te nemen. 3 1 4 2 5 6 Openingsstanden De bedieningsknoppen voor het schuifdak zitten op het plafond.
Instrumenten, schakelaars en bediening Elektrisch bedienbaar schuifdak (optie) Automatische bediening Duw de schakelaar door het drukpunt (3) in de achterste eindstand (4) of via het drukpunt (2) in de voorste eindstand (1) en laat de schakelaar vervolgens los. Het schuifdak schuift dan tot in de comfortstand open of helemaal dicht. Doe het volgende om het schuifdak vanuit de comfortstand volledig te openen: trek de schakelaar nogmaals achteruit in de eindstand (4) en laat de schakelaar vervolgens los.
Klimaatregeling Algemene informatie over de klimaatregeling Handmatige klimaatregeling met airconditioning, A/C Elektronische klimaatregeling, ECC Luchtverdeling Standverwarming op brandstof (optie) 66 68 70 73 74 65
Klimaatregeling Algemene informatie over de klimaatregeling Beslagen ruiten Werking interieurventilator Poets de binnenzijde van de ruiten schoon om te voorkomen dat ze beslaan. Gebruik een normaal poetsmiddel voor glaswerk. Wanneer de motor is afgezet (ook al staat de contactsleutel in stand I of II), zal de interieurventilator automatisch worden uitgeschakeld. Dit gebeurt om te voorkomen dat de accu uitgeput raakt. Interieurfilter Zorg dat u het interieurfilter op gezette tijden vervangt.
Klimaatregeling Algemene informatie over de klimaatregeling Luchtverdeling Blaasmonden in dashboard Blaasmonden in portierstijlen De binnenkomende lucht wordt verdeeld over meerdere blaasmonden die op verschillende punten in de auto zijn aangebracht. A. Open B. Dicht C. Luchtstroom naar links of rechts D. Luchtstroom omhoog of omlaag. – Richt de buitenste blaasmonden naar buiten om de voorste zijruiten te ontwasemen. A. Open B. Dicht C. Luchtstroom naar links of rechts D.
Klimaatregeling Handmatige klimaatregeling met airconditioning, A/C 1 2 8 1. 2. 3. 4. A/C, Aan/Uit Recirculatie Luchtverdeling Elektrisch verwarmde achterruit en buitenspiegels 5. Elektrisch verwarmde voorstoelen 6. Temperatuur, rechterzijde 7. Temperatuur, linkerzijde 8. Ventilator Als u het A/C-systeem wilt inschakelen, moet u de ventilatorknop (8) uit stand 0 draaien. Gebruik het A/C-systeem ook bij lage temperaturen (0−15°C)om de inkomende lucht van vocht te ontdoen.
Klimaatregeling Handmatige klimaatregeling met airconditioning, A/C Ventilator U kunt de snelheid waarmee de ventilator draait verhogen of verlagen door aan de knop te draaien. Als de draaiknop in stand 0 staat, is de airconditioning niet ingeschakeld. Elektrische achterruit- en buitenspiegelverwarming Met deze knop kunt u de achterruit en de buitenspiegels snel ontdoen van condens of ijs (zie pagina 48 voor meer informatie over deze functie).
Klimaatregeling Elektronische klimaatregeling, ECC 2 3 4 5 6 7 8 1 9 10 11 13 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9. 10. 11. 12. 13.
Klimaatregeling Elektronische klimaatregeling, ECC N.B. Als u de knop voor de ventilatorsnelheid zo ver linksom draait dat alleen de oranje LED links boven de knop oplicht, zijn de ventilator en het A/C-systeem uitgeschakeld. Elektrische achterruit- en buitenspiegelverwarming Met deze knop kunt u de achterruit en de buitenspiegels snel ontdoen van condens of ijs (zie pagina 48 voor meer informatie over deze functie).
Klimaatregeling Elektronische klimaatregeling, ECC Als u de recirculatie lang laat aanstaan, kan er met name in de winter wasem en ijs op de binnenkant van de ruiten ontstaan. Met de timerfunctie (op modellen met een combifilter en “Air Quality Sensor” ontbreekt de timerfunctie) beperkt u de kans op ijs, wasem en een slechte lucht. Ga als volgt te werk om deze te activeren: – Druk de knop langer dan 3 seconden in. De LED knippert 5 seconden.
Klimaatregeling Luchtverdeling Luchtverdeling Lucht via de blaasmonden voor- en achterin. Lucht naar de ruiten. In deze stand vindt er geen luchtrecirculatie plaats. Het A/C-systeem is altijd ingeschakeld. Er komt een bepaalde hoeveelheid lucht uit de blaasmonden. Lucht naar de vloer en de ruiten. Er komt een bepaalde hoeveelheid lucht uit de blaasmonden. Lucht naar de vloer. Er komt een bepaalde hoeveelheid lucht uit de blaasmonden en uit de ontwasemingsopeningen voor de voorruit en de zijruiten.
Klimaatregeling Standverwarming op brandstof (optie) De elektronica van de auto rekent aan de hand van de buitentemperatuur zelf uit, wanneer de standverwarming moet worden ingeschakeld om de ingestelde uitschakeltijd te kunnen halen. Bij een buitentemperatuur hoger dan 25°C vindt er geen activering van de standverwarming plaats. Bij temperaturen van 10°C en lager is de maximale bedrijfstijd van de standverwarming 60 minuten.
Klimaatregeling Standverwarming op brandstof (optie) Klokje en gebruik van de timer(s) Als u na het instellen van de timer(s) het klokje bijstelt, worden alle timerinstellingen om veiligheidsredenen geannuleerd. TIMER 1 en 2 instellen Om veiligheidsredenen kunt u alleen uitschakeltijden voor het volgende etmaal programmeren en dus niet voor meerdere dagen tegelijk. – Ga met de draairing (B) naar TIMER 1. – Druk kort op de knop RESET (C), zodat de uuraanduiding gaat knipperen.
Klimaatregeling 76
Interieur Voorstoelen Interieurverlichting Opbergmogelijkheden in passagiersruimte Achterbank Bagageruimte 78 81 83 88 93 77
Interieur Voorstoelen 4. 5. 6. Lendensteun wijzigen – aan de knop draaien. Hellingshoek rugleuning wijzigen, draai aan de knop Bedieningspaneel voor elektrisch bedienbare stoel. WAARSCHUWING! Zithouding • Stel de stand van de bestuurdersstoel in voordat u gaat rijden. Doe dit nooit tijdens het rijden. • Controleer of de stoel in zijn stand vergrendeld staat. Rugleuning voorstoel omklappen De bestuurders- en passagiersstoel kunnen worden ingesteld op voor een optimale zit- en rijhouding.
Interieur Voorstoelen Elektrisch bedienbare voorstoel (optie) Voorbereidingen U kunt de stoel normaal gesproken alleen verstellen, wanneer de contactsleutel in stand I of II staat. De stoel kan ook binnen 4,5 minuten na ontgrendeling van het portier met de sleutel of afstandbediening worden versteld. Als het portier gesloten is en de contactsleutel nog niet in het contactslot steekt of in stand 0 staat, hebt u na sluiting van het portier nog 40 seconden de tijd om instellingen te verrichten.
Interieur Voorstoelen Stoel in opgeslagen stand zetten Houd geheugenknop (5), (6) of (7) ingedrukt, totdat de stoel tot stilstand komt. Om veiligheidsredenen zal de instelling van de stoel onmiddellijk worden beëindigd bij het loslaten van de knop. Noodstop Als de stoel per ongeluk in beweging komt, kunt u op een van de knoppen drukken om de stoel tot stilstand te brengen. WAARSCHUWING! Zorg dat er geen voorwerpen voor, achter of onder de stoel liggen tijdens het instellen.
Interieur Interieurverlichting De algemene verlichting wordt na 10 minuten automatisch uitgeschakeld, wanneer: • een van de portieren openstaat; • de algemene verlichting niet eerder wordt uitgeschakeld. De algemene verlichting gaat uit, wanneer: • u de motor start; • u de auto van de buitenzijde vergrendelt met de sleutel of de afstandsbediening. De algemene verlichting gaat 10 minuten na het afzetten van de motor automatisch uit, voor zover u de verlichting niet eerder handmatig hebt uitgeschakeld.
Interieur Interieurverlichting Make-upspiegel1 Het lampje gaat automatisch aan, wanneer u het klepje optilt. 1.
Interieur Opbergmogelijkheden in passagiersruimte 6 Opbergmogelijkheden 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. Vak in portierpaneel Zonnebrilvak, bestuurderszijde (optie) Parkeerkaarthouder Dashboardkastje Opbergvak Opbergvak in middenconsole Opbergvak WAARSCHUWING! Zorg dat er geen harde, scherpe of zware voorwerpen in de weg liggen of uitsteken om te voorkomen dat ze verwondingen veroorzaken bij een krachtige remmanoeuvre. Maak grote en zware voorwerpen altijd vast met een van de veiligheidsgordels of een bagageband.
Interieur Opbergmogelijkheden in passagiersruimte Opbergvak in middenconsole 1. Opbergvak achterin U kunt het achterste opbergvak in de middenconsole gebruiken om cd’s e.d. in op te bergen. Dit opbergvak is bovendien uit te rusten met een: Handset + houder (optie) 2. Voorste opbergvak (Voorzien van schuifklepje) Het voorste opbergvak in de middenconsole is uit te rusten met het volgende: • Bekerhouder (optie) • Asbak (optie) 84 3. 4.
Interieur Opbergmogelijkheden in passagiersruimte Bekerhouder in voorste opbergvak (optie) Bekerhouder in voorste opbergvak XC70 (optie) De bekerhouder is eenvoudig te verwijderen: De bekerhouder is eenvoudig te verwijderen: 1. – Pak de bekerhouder aan de achterkant vast en duw de achterwand naar binnen om de achterkant los te maken. – Kantel de achterkant van de bekerhouder omhoog en verwijder de houder. Breng de bekerhouder in omgekeerde volgorde weer aan. 2. 3. 4.
Interieur Opbergmogelijkheden in passagiersruimte Bekerhouder in dashboard (optie) • Druk op de houder om de bekerhouder uit te doen schuiven. • Duw de bekerhouder na gebruik weer in het dashboard. N.B. Gebruik nooit glazen flessen. Let er tevens op dat warme dranken gevaar voor brandwonden opleveren. 86 Dashboardkastje Kledinghaak In het dashboardkastje kunt u bijv. het instructieboekje, wegenkaarten, pennen en tankpassen bewaren.
Interieur Opbergmogelijkheden in passagiersruimte Flessenhouder achterin (optie) Bekerhouder in armsteun, achterbank (optie). Doe het volgende om de flessenhouder te gebruiken: – Klap de houder uit. – Zet de fles erin. De flessenhouder is tevens te gebruiken als afvalbak. Breng van onderaf een afvalzak in de houder aan en vouw de randen van de zak om. N.B. Er bestaan geen speciale afvalzakken voor de houder. U kunt gebruik maken van gewone plastic zakken.
Interieur Achterbank Uitklapbaar tafeltje (optie) – Trek aan het bandje en klap het zitgedeelte naar voren toe om. 88 Om het tafeltje in zijn geheel uit te klappen, moet u de armsteun van de achterbank eerst vooroverklappen. Als u alleen de bekerhouders wilt gebruiken, hoeft u het tafeltje niet uit te klappen. Sluiten: – Klap het tafeltje en de bekerhouders in. – Klap de arm onder het tafeltje naar binnen toe weg. Zorg dat u niet met uw hand bekneld raakt.
Interieur Achterbank Hoofdsteun omklappen Bagageruimte verlengen Middelste hoofdsteun (V70) Middelste hoofdsteun (XC70) De achterbank kan in gedeelten naar voren worden geklapt. Zet de middelste hoofdsteun van de achterbank lager, voor zover deze uitgetrokken was. – Kantel de rugleuningen van de voorstoelen naar voren als deze ver naar achteren staan. – Trek aan het riempje van het zitgedeelte om het zitgedeelte tegen de rugleuning van de voorstoelen aan op te klappen.
Interieur Achterbank A. Pal in vergrendelde stand. B. Pal in ontgrendelde stand. Middelste ruggedeelte (XC70 met een achterbank in drie delen). Ruggedeelte omklappen Middelste ruggedeelte omklappen (XC70) – Duw de pal van het ruggedeelte naar achteren en klap het ruggedeelte naar voren toe om. WAARSCHUWING! Wanneer u de ruggedeelten weer opklapt, moet u ervoor zorgen dat ze goed vergrendeld staan. Het opschrift “UNLOCKED” (ontgrendeld) mag niet zichtbaar zijn op de pal.
Interieur Achterbank Middelste ruggedeelte aanbrengen (modellen met een achterbank in drie delen) Bij het terugplaatsen van het middelste ruggedeelte moet het rechter ruggedeelte rechtop staan. Middelste ruggedeelte verwijderen (XC70) (modellen met een achterbank in drie delen) – Druk de knop boven op het middelste ruggedeelte in om de pal te ontgrendelen. – Klap het ruggedeelte vervolgens iets voorover.
Interieur Achterbank handgreep trekken (die nu onder aan de voorzijde zit) om het gedeelte van de stang te kunnen halen. – Plaats het ruggedeelte terug. WAARSCHUWING! Middelste ruggedeelte doet dienst als armleuning. Middenarmsteun (XC70) (modellen met een achterbank in drie delen) Wanneer u het middelste ruggedeelte van de achterbank omkeert, kunt u het gebruiken als armleuning. – Verwijder het middelste ruggedeelte (zie pagina 91).
Interieur Bagageruimte Algemene informatie Het laadvermogen is afhankelijk van het rijklaar gewicht van de auto verminderd met dat van de gemonteerde accessoires. Bij het rijklaar gewicht zijn het gewicht van de bestuurder, dat van de brandstoftank die voor 90 % gevuld is en dat van de resterende oliën/ vloeistoffen inbegrepen. De gemonteerde accessoires zoals een trekhaak, lastdragers, skibox e.d. zijn niet inbegrepen bij het rijklaar gewicht.
Interieur Bagageruimte WAARSCHUWING! Duw zware lading niet te dicht tegen de voorstoelen aan om te voorkomen dat het ruggedeelte van de achterbank onnodig zwaar belast wordt. Zorg dat de lading nooit boven de rugleuningen van de voorstoelen uitsteekt! Als dat namelijk wel het geval is, kan de lading bij een krachtige remmanoeuvre of een aanrijding naar voren worden geslingerd en daarbij u of eventuele passagiers ernstig verwonden. Let er ook op dat u de lading altijd goed verankert (vastbindt).
Interieur Bagageruimte A. Pal in vergrendelde stand. B. Pal in ontgrendelde stand. Ruggedeelten van achterbank De beide ruggedeelten van de achterbank kunnen qua hellingshoek worden versteld. Zet een ruggedeelte als volgt in de laadstand1: – Druk op de pal totdat het rode merkje zichtbaar wordt. – Trek het ruggedeelte naar voren in de nieuwe vergrendelde stand. – Zorg dat het ruggedeelte daadwerkelijk in de nieuwe stand vergrendeld staat en dat het rode merkje niet meer zichtbaar is.
Interieur Bagageruimte – Druk de draaiknop (1) in en draai deze naar de groene stand (vergrendelde stand). N.B. Het groene merkje op de console (2) en het merkje op de draaiknop (1) moeten na montage recht tegenover elkaar staan. Als dat niet het geval is, biedt het rek onvoldoende bescherming. Elektrische aansluiting bagageruimte Verwijder het kapje, wanneer u de aansluiting wilt gebruiken. De elektrische aansluiting werkt onafhankelijk van de stand van het contactslot.
Interieur Bagageruimte A E B Nylon bagagenet V70 (achterbank in twee delen) Het bagagenet is gemaakt van stevig nylonmateriaal, dat van het ruggedeelte van de achterbank kan worden uitgerold. Het bagagenet wordt ca. 1 minuut na het uitrollen automatisch geblokkeerd, als de ruggedeelten van de achterbank in opgeklapte stand staan. – Trek het rechter bagagenet naar boven toe uit. – Haak eerst de stang in de bevestiging aan de rechterzijde (A) vast.
Interieur Bagageruimte C D De stangen boven en onder zijn in het midden voorzien van scharnieren, zodat het mogelijk is het bagagenet op te vouwen. Klap de stangen zo nodig zover uit dat ze vergrendeld worden. – Haak de bovenste stang aan de voorste of achterste plafondbevestiging (A) vast. – Haak het andere uiteinde van de stang aan de tegenoverliggende plafondbevestiging vast.
Sloten en alarm Sleutels en afstandsbediening Vergrendelen en ontgrendelen Kinderslot Alarm (optie) 100 103 106 107 99
Sloten en alarm Sleutels en afstandsbediening 1 1. Hoofdsleutel De hoofdsleutel past op alle sloten. 2. Servicesleutel1 De servicesleutel past alleen op het bestuurdersportier en op het contactslot/stuurslot. Sleutels, elektronische startblokkering Bij de auto worden twee hoofdsleutels en een servicesleutel geleverd1. Eén hoofdsleutel is inklapbaar en voorzien van een ingebouwde afstandsbediening.
Sloten en alarm Sleutels en afstandsbediening 6 1 2 5 4 1. 2. 3. 4. 5. 6. 3 Ontgrendelen Achterklep openen Paniekfunctie “Approach”-verlichting Vergrendelen Sleutel in-/uitklappen Functies afstandsbediening Ontgrendelen – Druk eenmaal op de knop (1) om alle portieren, de achterklep en de tankvulklep te ontgrendelen. Achterklep – Druk tweemaal op de knop (2) om alleen de achterklep te ontgrendelen. N.B. Bij gebruik van deze knop gaat de achterklep niet open.
Sloten en alarm Sleutels en afstandsbediening Geef de lege batterij af bij een erkende Volvodealer, zodat de batterij op milieuvriendelijke wijze wordt verwerkt. Batterij in afstandsbediening vervangen Als de sloten niet meer bij de gebruikelijke afstand reageren op signalen van de afstandsbediening, moet u de batterij bij de eerstvolgende servicebeurt vervangen. – Haal de afdekking los door deze met een smalle schroevendraaier aan de achterkant voorzichtig open te wrikken.
Sloten en alarm Vergrendelen en ontgrendelen Automatische hervergrendeling Als u geen van de portieren noch de achterklep binnen twee minuten na ontgrendeling van de buitenzijde met de afstandsbediening opent, worden alle sloten automatisch weer vergrendeld. Deze functie voorkomt dat u de auto per ongeluk onvergrendeld kunt laten staan. Zie pagina 107 voor auto’s met alarm.
Sloten en alarm Vergrendelen en ontgrendelen Achterklep met afstandsbediening vergrendelen/ontgrendelen Als u alleen de achterklep wilt ontgrendelen: druk tweemaal binnen 3 seconden langzaam op de knop voor de achterklep op de afstandsbediening. Als alle portieren vergrendeld zijn wanneer u de achterklep sluit, dan blijft de achterklep na het sluiten onvergrendeld staan. De klep is tevens buitengesloten van het alarm. De resterende portieren zijn wel opgenomen in het alarm en blijven vergrendeld.
Sloten en alarm Vergrendelen en ontgrendelen De LED in de knop licht op en blijft branden, totdat u de auto met de sleutel of de afstandsbediening vergrendelt. Er verschijnt een bericht op het display zolang de sleutel in het contactslot steekt. De volgende keer dat u het contact aanzet, worden de sensoren weer geactiveerd. WAARSCHUWING! Laat niemand in de auto zitten op het moment dat de “Safelock”-functie geactiveerd is.
Sloten en alarm Kinderslot Bedieningscilinder kinderslot, linker achterportier. Handmatig kinderslot, achterportieren De bedieningscilinders van de kindersloten vindt u achter op de korte kant van de achterportieren, zodat ze alleen bereikbaar zijn wanneer de portieren openstaan. Gebruik een plat metalen voorwerp zoals een schroevendraaier om de bedieningscilinders te verdraaien en zo de kindersloten in of uit te schakelen. A.
Sloten en alarm Alarm (optie) Alarmsysteem Alarm uitschakelen Geluidssignalen, alarm Wanneer het alarm is ingeschakeld, worden alle beveiligde onderdelen continu gecontroleerd. Het alarm gaat af, als: Druk op de knop UNLOCK van de afstandsbediening. De richtingaanwijzers van de auto geven twee korte lichtsignalen af ter bevestiging dat het alarm is uitgeschakeld. In bepaalde landen kunt u het alarm ook met de sleutel uitschakelen.
Sloten en alarm Alarm (optie) Er verschijnt een bericht op het display zolang de sleutel in het contactslot steekt. De volgende keer dat u het contact aanzet, worden de sensoren weer geactiveerd. Als uw auto is uitgerust met de zogeheten Safelock-functie, wordt ook deze functie tegelijkertijd geactiveerd (zie pagina pagina 104).
Sloten en alarm Alarm (optie) Alarmsysteem testen Bewegingsmelder testen – Open alle zijruiten. – Activeer het alarm. De LED knippert langzaam om aan te geven dat het alarm op scherp staat. – Wacht 30 seconden. – Test de bewegingsmelder in het passagierscompartiment door bijv. een tas van de stoelzitting te nemen. Het alarmsysteem moet dan geluids- en knippersignalen afgeven. – Deactiveer het alarm door de auto via de afstandsbediening te ontgrendelen. Portieren testen – Activeer het alarm.
Sloten en alarm 110
Starten en rijden Algemene informatie Tanken Motor starten Handgeschakelde versnellingsbak Automatische versnellingsbak Remsysteem Stabiliteitssysteem FOUR-C (Actief chassis) Parkeerhulp (optie) Slepen en bergen Starten met hulpaccu Rijden met een aanhanger Trekhaak Afneembare trekhaak Lading op het dak Lichtbundel aanpassen BLIS (Blind Spot Information System) (optie) 112 114 115 117 118 121 123 124 125 127 129 130 132 134 136 139 144 111
Starten en rijden Algemene informatie Zuinig rijden Zuinig rijden houdt in dat u anticiperend en rustig rijdt en uw rijstijl en snelheid afstemt op de heersende verkeerssituatie. Let op het volgende: • Laat de motor zo snel mogelijk op bedrijfstemperatuur komen! D.w.z. dat u de motor niet stationair moet laten lopen, maar zo snel mogelijk moet wegrijden en de motor licht moet belasten. • Een koude motor verbruikt meer brandstof dan een warme.
Starten en rijden Algemene informatie Voorkom oververhitting van de motor en het koelsysteem In speciale omstandigheden, bijv. op steile hellingen en bij het vervoer van een zware lading, bestaat het gevaar dat de motor en het koelsysteem oververhit raken. Dit geldt in het bijzonder bij warm weer. Tips om oververhitting in het koelsysteem te voorkomen • Houd een lage snelheid aan, wanneer u met een aanhanger achter de auto een lange, steile helling oprijdt.
Starten en rijden Tanken meer dan eenmaal automatisch afslaan! Als de brandstoftank te vol zit, is het mogelijk dat de tank bij hoge buitentemperaturen overloopt! Breng na het tanken de tankvuldop weer aan en draai deze zo ver dicht dat u een of meer klikken hoort. WAARSCHUWING! De tankvuldop vindt u achter de tankvulklep in het spatbord rechtsachter. De dop is op te hangen aan de binnenzijde van de tankvulklep. Tankvulklep openen De tankvulklep kan worden geopend, wanneer de auto onvergrendeld staat.
Starten en rijden Motor starten U start de motor als volgt (benzine) – Trek de handrem (parkeerrem) aan. Automatische versnellingsbak Zet de keuzehendel in stand P of N. Handgeschakelde versnellingsbak – Zet de versnellingspook in de vrijstand en trap het koppelingspedaal volledig in. Dit is vooral van belang bij strenge vorst. N.B. Het sleutelblad van de hoofdsleutel moet volledig zijn uitgeklapt (zoals afgebeeld op pagina 100) bij het starten van de auto.
Starten en rijden Motor starten – Gebruik bij koud weer de standverwarming (optie) zodat de motor sneller op temperatuur komt. BELANGRIJK! Als het filter helemaal met deeltjes gevuld is, is het mogelijk dat de motor moeilijk start. Het filter is dan onbruikbaar geworden en moet worden vervangen. Contactsleutels en elektronische startblokkering Laat de contactsleutel nooit samen met andere sleutels of metalen voorwerpen aan dezelfde sleutelbos hangen.
Starten en rijden Handgeschakelde versnellingsbak Schakelstanden, vijfversnellingsbak Trap het koppelingspedaal tijdens het schakelen altijd zo ver mogelijk in. Haal uw voet na het schakelen weer van het koppelingspedaal af! Houd u aan het aangegeven schakelpatroon. Om het brandstofverbruik zo laag mogelijk te houden, moet u zoveel mogelijk gebruik maken van hoge versnellingen. Blokkering achteruitversnelling Schakel de achteruitversnelling alleen in, wanneer de auto volledig stilstaat.
Starten en rijden Automatische versnellingsbak Koude start Beveiligingssystemen Als u bij koud weer wegrijdt, is het mogelijk dat het schakelen ietwat stug gaat. Dit komt omdat de versnellingsbakolie bij lagere temperaturen stroperiger wordt. Om de uitstoot van uitlaatgassen te beperken schakelt de versnellingsbak later op dan normaal, wanneer u bij lage temperaturen wegrijdt.
Starten en rijden Automatische versnellingsbak Geartronic1 Op de V70 R met Geartronic zit een knop met het opschrift S bij de keuzehendel in plaats van de knop W. Met deze knop S schakelt u het sportprogramma van de versnellingsbak in of uit. Een brandende LED in de knop geeft aan dat het programma actief is. Het sportprogramma levert een sportiever rijgedrag op en maakt het mogelijk om hogere toeren te maken in de versnellingen.
Starten en rijden Automatische versnellingsbak D – Rijstand Stand D is de normale rijstand. De versnellingsbak schakelt automatisch op en terug, afhankelijk van de stand van het gaspedaal en de snelheid. Zorg dat de auto stilstaat, voordat u de keuzehendel vanuit stand R in stand D zet. 4 – Versnellingsstand Er wordt automatisch op- en teruggeschakeld tussen de 1ste, 2de, 3de en 4de versnelling. Er wordt niet opgeschakeld naar de 5de versnelling.
Starten en rijden Remsysteem Rembekrachtiging Als de auto rolt of wordt gesleept met een uitgeschakelde motor, moet u ongeveer vijfmaal zoveel druk uitoefenen op het rempedaal als wanneer de motor loopt. Als u bij het starten van de motor op het rempedaal trapt, kan het rempedaal iets omlaagkomen. Dit is volkomen normaal omdat de rembekrachtiging geactiveerd wordt. Bij een auto met EBA (Emergency Brake Assistance) kan dit nog duidelijker te merken zijn. N.B.
Starten en rijden Remsysteem Antiblokkeerremsysteem (ABS) Het ABS-systeem (Anti-lock Braking System) is ontworpen om te voorkomen dat de wielen tijdens het remmen geblokkeerd raken. Hierdoor kan tijdens het remmen een zo groot mogelijke respons van het stuurwiel worden verkregen. Het ABS-systeem zorgt ervoor dat de auto beter bestuurbaar blijft om bijvoorbeeld obstakels te kunnen ontwijken. Het ABS-systeem verbetert de totale remcapaciteit niet.
Starten en rijden Stabiliteitssysteem Wanneer het stabiliteitssysteem1 actief is, kan het lijken alsof de auto niet normaal reageert op de stand van het gaspedaal. Dit komt doordat het systeem de grip op het wegdek registreert en de verschillende deelsystemen van het stabiliteitssysteem inschakelt. De auto is uitgerust met STC (Stability and Traction Control), stabiliteits- en tractieregelsysteem of met DSTC (Dynamic Stability and Traction Control), dynamisch stabiliteits- en tractieregelsysteem.
Starten en rijden FOUR-C (Actief chassis) Schakelaar voor FOUR-C op middenconsole (geldt niet voor de V70 R) Actief chassis, FOUR-C1 De auto is uitgerust met een zeer geavanceerd actief chassissysteem – FOUR-C (Continuously Controlled Chassis Concept) – dat elektronisch gestuurd is. Het systeem werkt op basis van enkele sensoren die continu de bewegingen en reacties van de auto in de gaten houden, zoals de verticale en zijdelingse versnelling, de rijsnelheid en de wielbewegingen.
Starten en rijden Parkeerhulp (optie) de geluidssignalen beurtelings uit de luidsprekers voor- en achterin. Wanneer u ondertussen naar een andere geluidsbron van het audiosysteem luistert, wordt het volume daarvan tijdelijk verlaagd. Het systeem is altijd actief bij het starten van de motor. WAARSCHUWING! “Parking Support” voor- en achterzijde Algemene informatie De “Parking Support” is bedoeld als hulpmiddel tijdens het parkeren. Geluidssignalen geven de afstand tot een waargenomen obstakel aan.
Starten en rijden Parkeerhulp (optie) Aanduiding voor systeemstoringen Het informatiesymbool brandt continu PARK.HULP SERVICE VEREIST verschijnt op het informatiedisplay in het midden van het instrumentenpaneel. BELANGRIJK! Parkeerhulp uitschakelen/ opnieuw inschakelen U kunt de parkeerhulp uitschakelen met de knop op het schakelaarpaneel, waarna de LED in de schakelaar dooft. De parkeerhulp is weer actief, wanneer u nogmaals op de schakelaar drukt en de LED brandt.
Starten en rijden Slepen en bergen Motor niet op gang slepen Als u de motor van een auto met een handgeschakelde versnellingsbak op gang probeert te slepen, kan de katalysator beschadigd raken. Auto’s met een automatische versnellingsbak kunt u niet op gang slepen. Als de accu leeg is, moet u een opgeladen hulpaccu gebruiken. Als de auto gesleept moet worden – Zorg ervoor dat de contactsleutel in stand I staat, zodat het stuurslot niet werkt en de auto bestuurbaar is.
Starten en rijden Slepen en bergen de gereedschapsset om de kunststof schroef los te halen. Draai de kunststof schroef na gebruik van het sleepoog weer vast. Bergen Het sleepoog is alleen te gebruiken voor het slepen over de weg en niet geschikt voor berging, wanneer de auto bijvoorbeeld in een sloot is gereden. Voor bergingswerkzaamheden moet u professionele hulp inroepen. Sleepoog, achter Sleepoog monteren A. Haal de onderkant van het afdekkapje1 voorzichtig los met bijv. een muntstuk. B.
Starten en rijden Starten met hulpaccu Starten met een hulpaccu Als de accu om wat voor reden dan ook ontladen is, kunt u stroom “lenen” van een losse reserveaccu of van een accu in een andere auto om op die manier de motor te starten. Controleer altijd of de accuklemmen goed vastzitten, zodat ze geen vonken trekken tijdens de startpogingen. Om explosiegevaar te voorkomen adviseren wij u de volgende aanwijzingen nauwkeurig op te volgen: – Draai de contactsleutel naar stand 0.
Starten en rijden Rijden met een aanhanger • Rijd niet met een zware aanhanger, wanneer de auto nog helemaal nieuw is! Wacht hiermee totdat de auto ten minste 1000 kilometer heeft gereden. • Bij het afdalen op lange en steile hellingen worden de remmen veel zwaarder belast dan normaal. Schakel dan terug naar een lagere versnelling en pas uw snelheid aan. • Wanneer de auto bij warm weer zwaar belast wordt, kunnen de motor en de versnellingsbak oververhit raken.
Starten en rijden Rijden met een aanhanger Rijden met een aanhanger, automatische versnellingsbak • Trek bij het parkeren op hellingen eerst de handrem aan, voordat u de keuzehendel in stand P zet. Zet bij het wegrijden op een helling eerst de keuzehendel in de rijstand en haal de auto vervolgens van de handrem. • Kies bij het omhoogrijden op steile hellingen of in langzaam rijdend verkeer de juiste lage versnelling. Zo voorkomt u dat de automatische versnellingsbak opschakelt.
Starten en rijden Trekhaak Trekhaken U moet de kogel regelmatig schoonmaken en met vet insmeren. Wanneer u een trekhaak met trillingsdemper gebruikt, hoeft de kogel niet te worden ingevet. Als de auto is uitgerust met een afneembare trekhaak, moeten de montagevoorschriften voor het monteren van het kogelsegment zorgvuldig worden opgevolgd (zie pagina 134). N.B. Neem na gebruik altijd het kogelsegment los. Bewaar het in de bagageruimte.
Starten en rijden Trekhaak 1 A Specificaties Afstand A Vaste trekhaak 1 B 1.
Starten en rijden Afneembare trekhaak Kogelsegment monteren 1. Verwijder de beschermkap. 2. Controleer of het mechanisme in de ontgrendelde stand staat door de sleutel rechtsom te draaien. 3. Controleer of het controlevenster (3) rood van kleur is. Als het venster niet rood van kleur is, moet u (1) indrukken en de borgknop linksom (2) draaien totdat u een klik hoort. 4. Breng het kogelsegment aan en duw het naar binnen totdat u een klik hoort. 5. Draai de sleutel linksom in de vergrendelde stand.
Starten en rijden Afneembare trekhaak 7. N.B. Controleer of het kogelsegment vastzit door het naar boven, naar beneden en naar achteren te trekken. Als het kogelsegment niet juist zit, moet u het verwijderen en het opnieuw monteren zoals eerder werd beschreven. 8. N.B. De veiligheidskabel van de aanhanger moet aan de bevestiging van de trekhaak worden vastgemaakt. Kogelsegment verwijderen 2. Druk de vergrendelingsknop in en draai deze linksom totdat u een klik hoort. 3.
Starten en rijden Lading op het dak Algemene informatie Het laadvermogen is afhankelijk van de extra accessoires die op de auto gemonteerd zijn, zoals een trekhaak (een kogeldruk van 75 kg bij een aangekoppelde aanhanger), lastdragers, skibox e.d. en het totaalgewicht van de inzittenden. Het laadvermogen van de auto moet worden verminderd met het gewicht van het aantal inzittenden.
Starten en rijden Lading op het dak – Controleer of de haak goed vastgrijpt in de dakbevestiging. – Draai de draaiknoppen beurtelings enkele slagen rechtsom, totdat ze allemaal stevig vastzitten. – Klap de dekkap omlaag. – Controleer of de dakreling stevig vastzit. – Controleer regelmatig of de draaiknoppen nog stevig vastzitten. – Zorg dat de paspennen in de pasgaten (1) vallen. – Laat de tegenoverliggende bevestiging voorzichtig op het dak neer. – Draai de draaiknop enkele slagen losser.
Starten en rijden Lading op het dak Lastdragers monteren Dekkap van lastdragers Zorg dat de lastdrager goed om de beide dakrelingen heen vastklemt. Schroef de lastdrager vervolgens vast. Maak gebruik van de bijgeleverde momentsleutel om de bouten tot aan het merkje op de sleutel vast te draaien (overeenkomend met een moment van 6 Nm). Zie de afbeelding! Gebruik bij voorkeur de nok aan het uiteinde van de momentsleutel (zie afbeelding) of de contactsleutel van de auto om de kap los of vast te draaien.
Starten en rijden Lichtbundel aanpassen Breng de afplaktape in positie aan ten opzichte van de stip (5) in het koplampglas. De referentiematen (X) dienen om de afstand te herleiden vanaf de stip (5) tot aan de hoek van de afplaktape die aangegeven is met een pijl. Meet de mallen die op de volgende pagina staan na het overtrekken ter controle nog eens op om te zorgen dat de lichtbundel voldoende wordt afgedekt. A. Lichtbundel voor linksrijdend verkeer B.
Starten en rijden Lichtbundel aanpassen Positie van afplaktape op de halogeenkoplampen (1 en 2 op modellen met het stuur links/3 en 4 op modellen het stuur rechts) Halogeenkoplampen, model met het stuur links Halogeenkoplampen, model met het stuur rechts Trek mal 1 en 2 over en meet ze ter controle nog eens op. Breng de mallen over op een stuk zelfklevend en watervast materiaal en knip uit. Trek mal 3 en 4 over en meet ze ter controle nog eens op.
Starten en rijden Lichtbundel aanpassen Afplakmallen voor halogeenkoplampen, model met het stuur links Afplakmallen voor halogeenkoplampen, model met het stuur rechts 141
Starten en rijden Lichtbundel aanpassen Positie van afplaktape op de Bi-Xenonkoplampen (1 en 2 op modellen met het stuur links/3 en 4 op modellen het stuur rechts) Koplampen afplakken Trek de mallen op de volgende pagina over en knip een stuk zelfklevend en watervast materiaal zoals ondoorzichtige tape langs de randen van de mallen uit. Breng de afplaktape in positie aan ten opzichte van de stip (5) in het koplampglas.
Starten en rijden Lichtbundel aanpassen Afplakmallen voor Bi-Xenonkoplampen, model met het stuur links Afplakmallen voor Bi-Xenonkoplampen, model met het stuur rechts 143
Starten en rijden BLIS (Blind Spot Information System) (optie) ingehaald, gaan dan ook beide lampjes branden. B A 1 – BLIS-camera, 2 – Controlelampje, 3 – BLIS-symbool “Dode hoeken” die BLIS in de gaten houdt (afstand A = ca. 9,5 m; afstand B = ca. 3 m) BLIS Het systeem werkt het best in druk verkeer op meerbaanswegen. BLIS is een informatiesysteem dat de bestuurder waarschuwt, wanneer er zich een voertuig in de zogeheten dode hoek bevindt en in dezelfde richting rijdt.
Starten en rijden BLIS (Blind Spot Information System) (optie) WAARSCHUWING! - BLIS werkt niet in scherpe bochten. - BLIS werkt niet wanneer u achteruitrijdt. - Een brede aanhanger achter de auto kan het zicht ontnemen op andere voertuigen op aangrenzende rijstroken. Dit kan ertoe leiden dat BLIS geen voertuigen in dit afgeschermde gebied kan waarnemen. Systeemfunctie bij daglicht en bij donker Daglicht Bij daglicht reageert het systeem op de contouren van omringende voertuigen.
Starten en rijden BLIS (Blind Spot Information System) (optie) knop licht vervolgens op, er verschijnt een nieuwe tekst op het display en de controlelampjes op de portierpanelen lichten driemaal op. Druk op de knop READ (zie pagina 44) om de melding te laten verdwijnen. BLIS deactiveren en heractiveren • BLIS wordt automatisch geactiveerd, wanneer u het contact aanzet. De controlelampjes op de portierpanelen lichten driemaal op bij het aanzetten van het contact.
Wielen en banden Algemene informatie Bandenspanning Gevarendriehoek en reservewiel Wielen verwisselen 148 151 152 154 147
Wielen en banden Algemene informatie Rijeigenschappen en banden Snelheidsaanduidingen Nieuwe banden De banden zijn van grote invloed op de rijeigenschappen van de auto. Zowel het type, de maat, de bandenspanning als de snelheidsaanduiding zijn belangrijk voor het rijgedrag van de auto. Uw auto is voorzien van een typegoedkeuring voor de uitvoering waarin deze werd aangeleverd.
Wielen en banden Algemene informatie Scheurvorming of verkleuring zijn de zichtbare kenmerken van een band die ongeschikt is voor gebruik. N.B. Neem contact op met een Volvo-dealer voor advies over de beste soort velgen en banden. De leeftijd van een band valt af te lezen uit de DOT-code (zie bovenstaande afbeelding). Banden met “spikes” Winterbanden met “spikes” moeten de eerste 500-1000 km rustig worden ingereden, zodat de “spikes” hun positie in kunnen nemen.
Wielen en banden Algemene informatie afvoeren. Monteer de banden met het diepste profiel altijd op de achteras (om het gevaar voor slippen te verminderen). Bewaar de wielen hangend of liggend. Laat ze nooit rechtop staan. Neem contact op met een erkende Volvowerkplaats als u niet zeker bent van de profieldiepte. De pijl geeft de draairichting van de band aan. Zomer- en winterbanden Wanneer u de zomerbanden vervangt door winterbanden of andersom, moet u op de band noteren waar de band zat: bijv.
Wielen en banden Bandenspanning Aanbevolen bandenspanning Bandenspanning controleren Op de sticker aan de binnenzijde van de tankvulklep staat de juiste bandenspanning voor uw auto aangegeven bij verschillende belading en snelheid. Controleer de bandenspanning regelmatig. De juiste bandenspanning staat in de bandenspanningstabel aangegeven. De aangegeven bandenspanning geldt bij koude banden (kan verschillen naargelang de buitentemperatuur). 1. 2.
Wielen en banden Gevarendriehoek en reservewiel 1 2 3 4 Reservewiel, gereedschap en krik 1. 2. 3. 4. Krik Gereedschapstas met sleepoog Bevestiging Reservewiel – Draai de knoppen aan de zijkanten van de kunststof bagagebak (accessoire) los en til de bak uit de auto. – Til de krik en de gereedschapstas naar buiten. – Draai de bevestiging van het reservewiel los en til het reservewiel uit de bagageruimte. – Schroef en bevestig alle onderdelen in omgekeerde volgorde weer vast.
Wielen en banden Gevarendriehoek en reservewiel 2 1 Gevarendriehoek (bepaalde landen) Reservewiel, gereedschap, krik – auto’s met basluidspreker (optie) 1. 2. De krik en de gereedschapstas vindt u in het opbergvak boven het reservewiel. Ga als volgt te werk om het reservewiel te verwijderen: Klem Gevarendriehoek (andere positie op auto’s met een extra bankje) Houd u aan de bepalingen die gelden voor het gebruik van gevarendriehoeken in het land waarin u zich bevindt. N.B.
Wielen en banden Wielen verwisselen Wielen demonteren Let erop dat u de gevarendriehoek opzet, wanneer u de band moet verwisselen aan de kant van de weg. Het reservewiel zit onder de kunststof bak in de bagageruimte. – Trek de handrem aan en schakel de 1ste versnelling in op auto’s met een handgeschakelde versnellingsbak (stand P op auto’s met een automatische versnellingsbak). Breng houten wielblokken of grote stenen aan voor en achter de wielen die op de grond blijven staan.
Wielen en banden Wielen verwisselen Wielen monteren – Reinig de contactvlakken op het wiel en de naaf. – Breng het wiel aan. Draai de wielbouten vast. – Breng de auto zo ver omlaag dat de wielen niet meer ongehinderd kunnen draaien. – Draai de wielmoeren kruiselings vast. Het is belangrijk dat u de wielmoeren stevig aanhaalt. Haal ze aan met 140 Nm. Controleer het aanhaalmoment met een momentsleutel. – Breng de wieldop (stalen velgen) aan. Krik bestemd voor auto’s met vierwielaandrijving.
Wielen en banden 156
Verzorging Schoonmaken Lakschade herstellen Roestwering 158 160 162 157
Verzorging Schoonmaken Auto wassen Was de auto zodra deze vuil geworden is. Dit is met name ’s winters van belang, omdat strooizout en vocht al snel aanleiding kunnen geven tot corrosie. Was de auto als volgt: • Was de auto niet in direct zonlicht, omdat de lak daarbij blijvende schade kan oplopen. Zorg dat de auto op een spoelvloer met afvoerscheiding staat. • Spoel zorgvuldig het vuil van het onderstel van de auto. • Spoel de auto in zijn geheel af om het vuil los te weken.
Verzorging Schoonmaken Kunststof exterieuronderdelen Voor het schoonmaken van kunststof exterieuronderdelen wordt een speciaal reinigingsmiddel geadviseerd dat verkrijgbaar is bij de Volvo-dealer. Gebruik nooit sterke vlekkenmiddelen. Interieur schoonmaken Behandeling van vlekken op stoffen bekleding De Volvo-dealer heeft een speciaal reinigingsmiddel voor stoffen bekleding. Andere reinigingsmiddelen kunnen de brandvertragende eigenschappen van de bekleding aantasten.
Verzorging Lakschade herstellen Lak De lak vormt een belangrijk onderdeel van de roestwering van de auto en moet daarom regelmatig worden gecontroleerd. Lakschade moet u meteen herstellen om roestvorming te voorkomen. De meest voorkomende soorten lakschade die u zelf kunt herstellen zijn: • steenslagplekken en krassen, • schade aan de spatbordranden en de portieren. Voor het herstel van lakschade moet u de auto eerst schoonwassen en zorgvuldig laten drogen.
Verzorging Lakschade herstellen Als de sleenslagplek echter wel tot het blanke plaatwerk is doorgedrongen, moet u als volgt te werk gaan: – Plak een stuk afplaktape over het beschadigd gebied heen. Trek de tape weer van de lak af om zoveel mogelijk lakresten te verwijderen (afbeelding 1). – Roer de grondlak (primer) zorgvuldig om en breng met een fijn kwastje of een lucifer (afbeelding 2) aan. – Wanneer de grondlak droog is, brengt u de lak aan met een kwastje.
Verzorging Roestwering Roestwering, controleren en bijwerken Uw auto heeft in de fabriek een uiterst grondige en complete roestwerende behandeling ondergaan. De carrosserie bestaat gedeeltelijk uit gegalvaniseerd plaatwerk. Het onderstel is voorzien van een slijtvaste bodembescherming (“undercoating”). In de langsdragers, de holle ruimten en de gesloten profielen werd een dunne, penetrerende roestwerende vloeistof gespoten.
Onderhoud en service Volvo Service Onderhoud Motorkap en motorruimte Dieselolie Oliën en vloeistoffen Wisserbladen Accu Gloeilampen vervangen Zekeringen 164 165 167 168 169 173 174 176 184 163
Onderhoud en service Volvo Service Serviceprogramma van Volvo Voordat de auto de fabriek verliet, werd deze uitvoerig getest. De auto werd nogmaals gecontroleerd naar de normen van Volvo Car Corporation, net voordat de auto aan u werd geleverd. Om de verkeersveiligheid, bedrijfszekerheid en betrouwbaarheid van uw Volvo op een hoog peil te houden, moet u de voorschriften van het Serviceprogramma van Volvo opvolgen zoals die omschreven staan in het Service- en garantieboekje van Volvo.
Onderhoud en service Onderhoud Let op het volgende, voordat u met de werkzaamheden begint: WAARSCHUWING! Accu Zorg dat de accukabels op de juiste manier zijn aangesloten en stevig vastzitten. Koppel de accu nooit los, wanneer de motor draait (bij het vervangen van de accu). Gebruik nooit een snellader voor het opladen van de accu. Zorg dat de accukabels zijn losgekoppeld tijdens het opladen. De accu bevat een zuur dat zowel giftig als corrosief is.
Onderhoud en service Onderhoud Regelmatig controleren Controleer regelmatig het volgende, bijvoorbeeld bij het tanken: • Koelvloeistof – Het peil moet tussen het MIN- en MAX-streepje op het expansiereservoir staan. • Motorolie – Het peil moet tussen het MIN- en MAX-streepje staan. • Stuurbekrachtigingsvloeistof – Het peil moet tussen het MIN- en MAX-streepje staan. • Ruitensproeiervloeistof – Het reservoir moet goed gevuld zijn. Vul bij met antivries bij temperaturen rond het vriespunt.
Onderhoud en service Motorkap en motorruimte Auto met linkse of het stuur rechts Motorkap openen Motorruimte Motorkap openen: – Trek aan de ontgrendelingshandgreep onder het dashboard. U hoort dat de slotpal losschiet. – Steek uw hand in het midden onder de voorkant van de motorkap en duw de slotpal omhoog. – Open de motorkap. Afhankelijk van het motortype kan de motorruimte er iets anders uitzien. De onderdelen op de lijst zitten echter altijd op de aangegeven positie.
Onderhoud en service Dieselolie Brandstofsysteem Dieselmotoren zijn gevoelig voor verontreinigingen. Maak daarom alleen gebruik van dieselolie van gerenommeerde oliemaatschappijen, die aan de kwaliteitseisen voor brandstof voldoet zoals aangegeven op pagina 241. Giet nooit dieselolie van twijfelachtige kwaliteit in de tank. De grote oliemaatschappijen produceren ook speciale dieselolie bestemd voor gebruik bij buitentemperaturen rond het vriespunt.
Onderhoud en service Oliën en vloeistoffen Het is toegestaan een oliesoort te gebruiken met een hogere kwaliteit dan aangegeven. Voor ritten onder ongunstige omstandigheden adviseert Volvo u een oliesoort te gebruiken met een hogere kwaliteit dan de sticker in de motorruimte vermeldt (zie pagina 236). Ongunstige rijomstandigheden Controleer het oliepeil vaker bij lange ritten: Sticker voor oliekwaliteit in motorruimte.
Onderhoud en service Oliën en vloeistoffen De olie moet binnen het gemarkeerde gebied op de peilstok staan. Oliepeil controleren bij een koude motor: – Veeg de peilstok schoon, voordat u gaat meten. – Controleer het oliepeil met de peilstok. De olie moet tussen het MIN- en MAXstreepje staan. – Als de olie dichter bij het MIN-streepje ligt, kunt u eerst 0,5 liter olie bijvullen. Vul bij totdat de olie dichter bij het MAXstreepje dan bij het MIN-streepje op de peilstok ligt.
Onderhoud en service Oliën en vloeistoffen BELANGRIJK! Het is uitermate belangrijk dat u een koelvloeistof met roestwerende eigenschappen gebruikt volgens de aanbevelingen van Volvo. Een nieuwe auto is voorzien van koelvloeistof die bestand is tegen temperaturen tot ca. –35°C. BELANGRIJK! Koelvloeistofreservoir Koelvloeistofreservoir Reservoir voor ruitensproeiervloeistof Reservoir voor ruitensproeiervloeistof De ruitensproeiers en koplampsproeiers maken gebruik van hetzelfde vloeistofreservoir.
Onderhoud en service Oliën en vloeistoffen N.B. Wanneer u vaak met uw auto in de bergen of in landen met een tropisch klimaat en een hoge relatieve luchtvochtigheidsgraad rijdt, moet u de remvloeistof ieder jaar verversen. WAARSCHUWING! Reservoir voor rem- en koppelingsvloeistof Als de remvloeistof onder het MINstreepje van het remvloeistofreservoir ligt, mag u pas verder rijden wanneer u remvloeistof hebt bijgevuld. Spoor de oorzaak van het remvloeistofverlies op.
Onderhoud en service Wisserbladen Wisserbladen voorruit vervangen Wisserblad achterruit vervangen – Klap de wisserarm naar buiten en houd het wisserblad vast. – Duw de geribde borgveren van het wisserblad in, terwijl u het blad bij de verlenging van de arm lostrekt. – Breng het nieuwe wisserblad in omgekeerde volgorde aan en controleer of het goed vastzit. N.B. Let erop dat het wisserblad aan de bestuurderszijde langer is dan dat aan de passagierszijde. – Klap de wisserarm naar achteren toe uit.
Onderhoud en service Accu N.B. Vul nooit meer vloeistof bij dan tot aan het MAX-streepje (A). De accu bevat een bijtend zuur. BELANGRIJK! Gebruik altijd gedestilleerd of gedeïoniseerd water (accuwater). • Draai de celdoppen stevig vast. N.B. Hoe vaker de accu ontladen raakt, des te minder lang gaat de accu mee. Symbolen op de accu De onderstaande symbolen zitten op de accu. Onderhoud van de accu De rijomstandigheden, de rijstijl, het aantal startpogingen, de weersomstandigheden e.d.
Onderhoud en service Accu 1 2 1. Accu zonder afdekking 2. Accu met afdekking Accu vervangen Accu verwijderen – Zet de auto van contact en neem de sleutel uit. – Wacht ten minste 5 minuten, voordat u een van de elektrische aansluitingen aanraakt (zo kan de informatie in het elektrisch systeem van de auto worden opgeslagen in de verschillende regeleenheden). – Draai de bouten uit de borgklem die over de accu heen zit en verwijder de klem.
Onderhoud en service Gloeilampen vervangen Algemene informatie Op pagina 244 staan alle gloeilampen van de auto vermeld. Gloeilampen en puntverlichting van een bijzonder type of lampen die alleen in een werkplaats te vervangen zijn: • • • • • • • Interieurverlichting aan het plafond Leeslampjes Verlichting dashboardkastje Richtingaanwijzer, buitenspiegels “Approach”-verlichting, buitenspiegels Derde remlicht LED’s in achterlamphuis BELANGRIJK! Raak het glas van gloeilampen nooit met blote vingers aan.
Onderhoud en service Gloeilampen vervangen Gloeilamp dimlicht Gloeilamp dimlicht aanbrengen Gloeilamp groot licht Dimlicht Aanbrengen: – Breng de nieuwe gloeilamp aan. De lamp kan slechts op een manier worden aangebracht. – Druk de veerklem omhoog en iets naar links, zodat deze in de pal vast komt te zitten. – Sluit de connector aan. – Plaats de afdekking terug. Groot licht Gloeilamp verwijderen: – Schakel alle lichten uit en draai de contactsleutel naar stand 0. – Verwijder de afdekking.
Onderhoud en service Gloeilampen vervangen Aanbrengen: – Breng de nieuwe gloeilamp aan. De lamp kan slechts op een manier worden aangebracht. – Sluit de connector aan. – Plaats de lamp terug en draai deze dusdanig in positie dat de connector omlaagwijst. – Plaats de afdekking terug.
Onderhoud en service Gloeilampen vervangen – Draai het boutje (2) van de vulbuis weer vast en sluit de koelbuis weer op de koudebox (1) aan. Gloeilamp richtingaanwijzer, rechtsvoor Gloeilamp zijmarkeringslicht Richtingaanwijzer, rechtsvoor Zijmarkeringslicht – Schakel alle lichten uit en draai de contactsleutel naar stand 0. – Neem de koelbuis (1) van de koudebox los. – Draai het boutje (2) van de vulbuis los. – Trek de buis (3) recht omhoog. – Neem de ontluchtingsslang (4) van de buis los.
Onderhoud en service Gloeilampen vervangen Aanbrengen: – Sluit de nieuwe gloeilamp op de connector aan en plaats de lamp in het lamphuis door deze een kwartslag rechtsom te draaien. – Plaats de lamp met de bijbehorende lens in het voorspatbord terug. Duw recht naar binnen toe. Mistlichten Gloeilamp zijrichtingaanwijzers Mistlampen (optie) Zijrichtingaanwijzers Gloeilamp verwijderen: – Schakel alle lichten uit en draai de contactsleutel naar stand 0. – Draai de lamphouder iets naar links.
Onderhoud en service Gloeilampen vervangen – Draai de lamphouder linksom en verwijder deze. – Duw de lamp in en tegelijkertijd linksom om deze uit de houder te verwijderen. – Vervang de gloeilamp. – Plaats de lamphouder in het lamphuis terug en draai de houder rechtsom vast. – Klap het luikje weer omhoog. Gloeilamp achteruitrijlichten, achterlichten/parkeerlichten en mistachterlicht vervangen Op pagina 244 staan alle gloeilampen van de auto vermeld. 1. 2. 3. 4.
Onderhoud en service Gloeilampen vervangen – Draai daarna de lamphouder linksom los en verwijder deze. – Vervang de gloeilamp. – Plaats de lamphouder in het lamphuis terug en draai de houder rechtsom vast. – Plaats de luidspreker terug en duw de rode nok in. – Duw het luidsprekerrooster weer vast. N.B. Als de displaytekst “Storing lampje”/ “Controleer remlicht” na vervanging van de defecte lamp niet verdwijnt, moet u contact opnemen met een erkende Volvo-werkplaats om de storing te laten verhelpen.
Onderhoud en service Gloeilampen vervangen Gloeilamp make-upspiegel, verschillende versies Verlichting make-upspiegel – Steek een schroevendraaier achter het lamphuis en verdraai deze iets, zodat het lampglas loskomt. – Verwijder de gloeilamp. – Breng een nieuwe gloeilamp aan. – Druk eerst de onderkant van het lampglas boven de vier haken terug en druk vervolgens de bovenkant van het lampglas vast.
Onderhoud en service Zekeringen Hoewel de kabelloop per motortype ietwat kan verschillen, zitten de onderdelen op de lijst echter altijd op de aangegeven positie. Om te voorkomen dat het elektrisch systeem van de auto beschadigd raakt door kortsluiting of overbelasting, zijn alle verschillende elektrische functies en onderdelen door een aantal zekeringen beschermd. De zekeringen zitten op vier verschillende plaatsen in de auto: 1. 2. 3. 4. 184 Relais- en zekeringenkastje in de motorruimte.
Onderhoud en service Zekeringen Duw de kunststof borgnokken aan de zijkanten van het kastje in en trek het deksel omhoog. Relais- en zekeringenkastje in motorruimte 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9. 10. ABS................................................................................................. 30 A ABS................................................................................................. 30 A Hogedruksproeiers koplampen.................................................
Onderhoud en service Zekeringen Een sticker in het deksel van het relais- en zekeringkastje dat aan de zijkant van het dashboard zit, geeft de positie en het amperage van de verschillende zekeringen aan. Zekeringen in passagiersruimte (aan de bestuurderszijde in zijkant dashboard) 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 186 Elektrisch bedienbare bestuurdersstoel.................................. 25 A Elektrisch bedienbare passagiersstoel.................................... 25 A Ventilator klimaatregeling.................
Onderhoud en service Zekeringen Zekeringen in passagiersruimte (aan de bestuurderszijde achter geluidsisolatie) 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9. 10. Stoelverwarming, rechterzijde ................................................... 15 A Stoelverwarming, linkerzijde....................................................... 15 A Claxon............................................................................................. 15 A - ...................................................................................
Onderhoud en service Zekeringen 28. 29. 30. 31. 32. 33. 34. 35. 36. 188 Elektrisch bedienbare passagiersstoel, audiosysteem ...........5 A Reservepositie ...................................................................................... BLIS .................................................................................................. 5 A Reservepositie ...................................................................................... Reservepositie ...........................................
Onderhoud en service Zekeringen Zekeringen in bagageruimte 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9. 10. 11. 12. 13. 14. 15. 16. 17. 18. 19. 20. 21. 22. 23. 24. 25. 26. Achteruitrijlicht ...............................................................................10 A Achterlichten, mistachterlicht, bagageruimteverlichting, kentekenplaatverlichting, LED’s in remlichten.........................20 A Accessoires (AEM).......................................................................15 A Reservepositie ..............
Onderhoud en service Zekeringen 27. 28. 29. 30. 31. 32. 33. 34. 35. 36. 37. 38. 190 Hoofdzekering: trekhaak, FOUR-C, parkeerhulp................... 30 A Centrale vergrendeling (PCL) ................................................... 15 A Aanhangerverlichting, links: Achterlicht, richtingaanwijzer.. 25 A Aanhangerverlichting, rechts: remlicht, mistlicht, richtingaanwijzer........................................................................... 25 A Hoofdzekering: zekering 37, 38........................
Audiosysteem (optie) Audiosysteem HU-450 Audiosysteem HU-650 Audiosysteem HU-850 Audiofuncties HU-450/650/850 Audiofuncties HU-450 Audiofuncties HU-650/850 Radiofuncties HU-450/650/850 Radiofuncties HU-450 Radiofuncties HU-650/850 Radiofuncties HU-450/650/850 Cassettedeck HU-450 Cd-speler HU-650 Interne cd-wisselaar HU-850 Externe cd-wisselaar HU-450/650/850 Dolby Surround Pro Logic II HU-850 Technische gegevens 192 193 194 195 196 197 198 199 200 201 206 207 208 209 210 211 191
Audiosysteem (optie) Audiosysteem HU-450 1. 2. 3. 4. 5. 192 POWER (aan/uit) – Indrukken VOLUME – Omdraaien PRESET/CD PUSH MENU – Opgeslagen radiozenders Cd-wisselaar (optie) SOURCE PUSH MENU – Hoofdmenu openen – Indrukken Omdraaien voor selectie van: Radio – FM, AM Cassettedeck Cd-wisselaar (optie) FADER – Indrukken en omdraaien BAL – Indrukken, uittrekken en omdraaien SCAN – Automatisch zenders zoeken 6. 7. 8. 9. 10. 11. 12. 13.
Audiosysteem (optie) Audiosysteem HU-650 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9. POWER (aan/uit) – Indrukken VOLUME – Omdraaien Voorkeurtoetsen radiozenders/positie kiezen in cd-wisselaar (1–6) BASS – Indrukken en omdraaien TREBLE – Indrukken en omdraaien BALANCE – Indrukken en omdraaien FADER – Indrukken en omdraaien SOURCE PUSH MENU – Hoofdmenu openen – Indrukken Omdraaien voor selectie van: Radio – FM, AM Cd Cd-wisselaar (optie) SCAN – Automatisch zenders zoeken EXIT – Terugbladeren in menu’s 10.
Audiosysteem (optie) Audiosysteem HU-850 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9. 194 POWER (aan/uit) – Indrukken VOLUME – Omdraaien Voorkeurtoetsen radiozenders/positie kiezen in cd-wisselaar (1–6) BASS – Indrukken en omdraaien TREBLE – Indrukken en omdraaien BALANCE – Indrukken en omdraaien FADER – Indrukken en omdraaien SOURCE PUSH MENU – Hoofdmenu openen – Indrukken Omdraaien voor selectie van: Radio – FM, AM Cd Cd-wisselaar (optie) SCAN – Automatisch zenders zoeken EXIT – Terugbladeren in menu’s 10.
Audiosysteem (optie) Audiofuncties HU-450/650/850 Knop aan/uit Druk op de draaiknop om de radio aan of uit te zetten. Volumeregeling Draai de knop naar rechts om het volume te verhogen. De volumeregeling verloopt elektronisch en heeft geen eindstand. Als uw stuurwiel is uitgerust met een toetsenset, kunt u het volume verhogen of verlagen met de toetsen (+) of (–). Lage accuspanning Als de accuspanning laag is, verschijnt er een tekst op het display van het instrumentenpaneel.
Audiosysteem (optie) Audiofuncties HU-450 Bass, lage tonen Stel de weergave van de lage tonen bij door de knop in te drukken en vervolgens naar links of naar rechts te draaien. In de middelste stand is de weergave van de lage tonen normaal. Druk na het afstellen de knop weer in de uitgangspositie terug. Treble, hoge tonen Stel de weergave van de hoge tonen bij door de knop in te drukken, deze nog verder uit te trekken en vervolgens naar links of naar rechts te draaien.
Audiosysteem (optie) Audiofuncties HU-650/850 BALANCE, balans links/rechts Stel de juiste balans in door op de knop te drukken en deze vervolgens naar links of naar rechts te draaien. In de middelste stand is de balans normaal. Druk na het afstellen de knop weer in de uitgangspositie terug. FADER, balans voor/achter BASS, lage tonen Stel de weergave van de lage tonen bij door de knop in te drukken en vervolgens naar links of naar rechts te draaien.
Audiosysteem (optie) Radiofuncties HU-450/650/850 Scannen, SCAN Druk op de toets SCAN om het scannen te starten. Wanneer de radio een zender heeft gevonden, wordt het scannen ca. 10 seconden stopgezet. De radio gaat daarna verder met zoeken. Wanneer de radio een zender heeft gevonden die u wilt beluisteren, moet u op de toets SCAN of EXIT drukken. Zenders zoeken Druk op voor een lagere frequentie en op voor een hogere frequentie.
Audiosysteem (optie) Radiofuncties HU-450 Zenders instellen – Stel de gewenste frequentie in. – Druk kort op de knop PRESET/CD. Kies een nummer waaronder u de zender wilt opslaan door de knop naar links of naar rechts te draaien. Druk nogmaals op de knop om de gewenste frequentie en zender op te slaan. Voorkeurzenders Om een van de voorgeprogrammeerde radiozenders te selecteren moet u aan de knop PRESET/CD draaien, totdat het nummer van de zender op het display staat.
Audiosysteem (optie) Radiofuncties HU-650/850 Automatisch zenders opslaan Met behulp van de functie Auto kunt tot tien goed te ontvangen AM- of FMzenders opzoeken en in een apart geheugen opslaan. Als er meer dan tien zenders gevonden worden, worden alleen de tien best doorkomende zenders geselecteerd. Deze functie is met name handig in gebieden waar u de radiozenders en hun frequenties niet kent.
Audiosysteem (optie) Radiofuncties HU-450/650/850 Radio Data System, RDS RDS is een systeem dat radiozenders binnen een netwerk met elkaar verbindt. Het systeem wordt onder meer gebruikt om op de beste frequentie van een bepaalde zender afgestemd te blijven ongeacht de beluisterde zender of geluidsbron (zoals een cd). Het systeem wordt tevens gebruikt om verkeersinformatie te ontvangen en radioprogramma’s van een bepaald type te vinden. Radiotekst is ook een onderdeel van RDS.
Audiosysteem (optie) Radiofuncties HU-450/650/850 – Draai aan SOURCE, selecteer RADIO SETTINGS en druk op SOURCE. – Draai aan SOURCE, selecteer TP STATION en druk op SOURCE. – Draai aan SOURCE, selecteer TP STATION OFF en druk op SOURCE. – Druk op EXIT. Alarm Er verschijnt “Alarm!” op het display, wanneer er een alarmmelding wordt verzonden. Deze functie wordt gebruikt om u attent te maken op ernstige ongelukken of calamiteiten, zoals ingestorte bruggen of ongelukken in kerncentrales.
Audiosysteem (optie) Radiofuncties HU-450/650/850 Functie News Station (Nieuwszender) deactiveren: – Selecteer de radiostand met de toets FM en druk op SOURCE. – Draai aan SOURCE, selecteer ADVANCED MENU en druk op SOURCE. – Draai aan SOURCE, selecteer RADIO SETTINGS en druk op SOURCE. – Draai aan SOURCE, selecteer NEWS STATION en druk op SOURCE. – Draai aan SOURCE, selecteer NEWS STN OFF en druk op SOURCE. – Druk op EXIT.
Audiosysteem (optie) Radiofuncties HU-450/650/850 – Druk op EXIT. Het symbool PTY verdwijnt van het display en de radio hervat de normale stand. PTY-taal Met de functie PTY kunt u de taal selecteren die op het display van de radio moet worden gebruikt (Engels, Duits, Frans of Zweeds). – Selecteer de radiostand met de toets FM en druk op SOURCE. – Draai aan SOURCE, selecteer ADVANCED MENU en druk op SOURCE. – Draai aan SOURCE, selecteer RADIO SETTINGS en druk op SOURCE.
Audiosysteem (optie) Radiofuncties HU-450/650/850 verkeers- en nieuwsbulletins van andere zenders. De functie kent twee actieve niveaus: Local – Alleen onderbreking, wanneer het signaal sterk genoeg is. Distant – Ook onderbreking bij zwakkere signalen. – Selecteer de radiostand met de toets FM en druk op SOURCE. – Draai aan SOURCE, selecteer ADVANCED MENU en druk op SOURCE. – Draai aan SOURCE, selecteer RADIO SETTINGS MENU en druk op SOURCE.
Audiosysteem (optie) Cassettedeck HU-450 Cassette uitwerpen Als u op de uitwerptoets drukt, stopt de cassette waarna deze wordt uitgeworpen. Draai aan de knop SOURCE om een andere geluidsbron te kiezen. Ook als het systeem is uitgeschakeld, kunt u een cassette plaatsen of uitwerpen. Ruisonderdrukking Dolby B Cassetteopening Steek de cassette met de open kant naar rechts in de opening. Op het display verschijnt TAPE Side A.
Audiosysteem (optie) Cd-speler HU-650 Cd-speler Steek een cd in de opening. Als u al een cd hebt aangebracht, moet u voor weergave van de cd kiezen door aan de knop SOURCE te draaien of op de sneltoets CD te drukken. Cd uitwerpen Als u op de bovenstaande toets drukt, stopt de cdspeler waarna de cd wordt uitgeworpen. N.B. Om veiligheidsredenen hebt u twaalf seconden de tijd om de uitgeworpen cd uit te nemen.
Audiosysteem (optie) Interne cd-wisselaar HU-850 Interne cd-wisselaar Een interne cd-wisselaar met een magazijn voor 6 cd’s maakt deel uit van HU-850. Druk op de sneltoets CD of draai aan de knop SOURCE om de cd-wisselaar te activeren. De cd-wisselaar speelt het laatst gekozen nummer op de laatst gekozen cd af. U kunt 6 cd’s in de cd-wisselaar aanbrengen. Om een nieuwe cd te kunnen aanbrengen moet u een lege positie selecteren. Selecteer een lege positie met de cijfertoetsen 1–6.
Audiosysteem (optie) Externe cd-wisselaar HU-450/650/850 Sleuf kiezen Selecteer de af te spelen cd door aan de knop PRESET/CD (HU-450) te draaien of druk op de cijfertoetsen 1–6 (HU-650/850). Het nummer van de geselecteerde cd en het af te spelen nummer op die cd verschijnen op het display. Vooruit-/achteruitspoelen en van nummer wisselen Cd-wisselaar De externe cd-wisselaar (optie) zit achter het paneel linksachter in de bagageruimte. Draai aan de knop SOURCE om de cdwisselaar in te schakelen.
Audiosysteem (optie) Dolby Surround Pro Logic II HU-850 Dolby Surround Pro Logic II is gebaseerd op het voorgaande systeem en levert een duidelijke verbetering van de geluidsweergave op. De verbetering is met name duidelijk te merken voor de achterpassagiers. In combinatie met een middenluidspreker midden op het dashboard zorgt Dolby Surround Pro Logic II voor een zeer realistische geluidsweergave. De normale stereokanalen links en rechts worden dan opgedeeld in links, midden en rechts.
Audiosysteem (optie) Technische gegevens HU-450 Vermogen Impedantie Bedrijfsspanning HU-650 4 x 25 W 4 Ohm 12 V, negatieve massa Externe versterker (optie) Radio Frequentiebereik U (FM) M (AM) L (AM) Vermogen Impedantie Bedrijfsspanning 87,5 – 108 MHz 522 – 1611 kHz 53 – 279 kHz HU-850 4 x 25 W 4 Ohm 12 V, negatieve massa 4 x 50 W of 4 x 75 W Radio Frequentiebereik U (FM) M (AM) L (AM) 87,5 – 108 MHz 522 – 1611 kHz 153 – 279 kHz Vermogen 1 x 25 W (centrale luidspreker) Impedantie 4 Ohm Bedrijfssp
Audiosysteem (optie) 212
Telefoon (optie) Telefoonsysteem Beknopte bedieningsinstructies Bel-opties Geheugenfuncties Menu’s Overige informatie 214 216 217 221 222 227 213
Telefoon (optie) Telefoonsysteem Algemene voorschriften • Verkeersveiligheid staat voorop! Als u als bestuurder gebruik wilt maken van de handset in de armleuning, moet u de auto eerst op een veilige plaats parkeren. • Schakel de telefoon uit tijdens het tanken. • Schakel de telefoon uit in gebieden waar er met explosieven wordt gewerkt. • Laat reparatie van de telefoon aan erkend servicepersoneel over.
Telefoon (optie) Telefoonsysteem V70, XC70 V70 R 215
Telefoon (optie) Beknopte bedieningsinstructies SIM-kaart Telefoon in- en uitschakelen Actieve stand Het telefoonsysteem is alleen te gebruiken in combinatie met een geldige SIM-kaart (Subscriber Identity Module). U hebt deze kaart van uw provider ontvangen. Telefoon inschakelen: Draai de contactsleutel naar stand I. Druk op de aangegeven knop op de bovenstaande afbeelding.
Telefoon (optie) Bel-opties Display Bellen en gesprekken aannemen Gesprekken beëindigen Op het display verschijnen de actuele functies zoals menu’s, berichten, telefoonnummers of instellingen. U kunt als volgt bellen: Kies het nummer en druk op op de toetsenset op het stuurwiel of op de middenconsole (of til de handset op). Om een gesprek te beëindigen drukt u op op de toetsenset van het stuurwiel of op de middenconsole of u legt de handset op. Het audiosysteem gaat weer in de voorgaande stand staan.
Telefoon (optie) Bel-opties Verkort kiezen Telefoonnummers onder een voorkeuzetoets opslaan De nummers die zijn opgeslagen in het telefoonboek van het systeem kunt u koppelen aan een bepaalde voorkeuzetoets (1–9). U doet dat als volgt: Laatst gekozen nummers Handset Het telefoonsysteem slaat automatisch de tien laatst gekozen telefoonnummers/namen op. Als u privégesprekken wilt kunnen voeren, moet u gebruik maken van de handset. • Druk op van de toetsenset op het stuurwiel of op de middenconsole.
Telefoon (optie) Bel-opties Functies tijdens lopende gesprekken Tijdens een lopend gesprek kunt u de volgende functies activeren (blader met de pijltoetsen en druk op YES om een keuze te maken): Ruggespraak/ Ruggespraak uit Wachten/ Wachten uit Handset/ Handsfree Geheugen Ruggespraakstand Om het lopende gesprek wel of niet te parkeren Om de handset of de handsfree te gebruiken Om de opgeslagen nummers te bekijken Wanneer u tijdens een lopend gesprek een tweede gesprek hebt geparkeerd, kunt u de volgende
Telefoon (optie) Bel-opties Volume Verhoog het volume door op de (+) van de toetsenset op het stuurwiel te drukken. Verlaag het volume door op de (–) van de toetsenset op het stuurwiel te drukken. Wanneer de telefoon in de actieve stand staat, kunt u met de toetsenset op het stuurwiel alleen de telefoonfuncties regelen. Als u deze toetsen wilt gebruiken om radioinstellingen te verrichten, moet u de telefoon eerst deactiveren (zie pagina 216).
Telefoon (optie) Geheugenfuncties Telefoonnummers en namen kunt u in het geheugen van de telefoon zelf opslaan of in het geheugen op de SIM-kaart. Wanneer u een gesprek aanneemt afkomstig van een van de nummers die in het telefoonboek liggen opgeslagen, wordt de bijbehorende naam op het display weergegeven. U kunt maximaal 255 namen in het geheugen van de telefoon opslaan. Telefoonnummers met namen opslaan – Druk op en blader naar Geheugen bewerken (menu 3). Druk vervolgens op .
Telefoon (optie) Menu’s Aan de hand van de menu’s kunt u bestaande instellingen controleren of wijzigen en nieuwe functies programmeren. De verschillende menu-opties worden op het display weergegeven. Verkeersveiligheid Menusysteem In het menu 5.7 kunt u deze snelheidsbegrenzing opheffen. Druk op activeren. Om veiligheidsredenen is het menusysteem niet toegankelijk bij snelheden hoger dan 8 km/h. U kunt de begonnen activiteit in het menusysteem echter nog wel beëindigen.
Telefoon (optie) Menu’s Hoofdmenu’s/Submenu’s 1. Oproepregister 1.1. Gem. oproep 1.2. Ontv. oproep 1.3. Gebeld. 1.4. Wis lijst 1.4.1. Alle 1.4.2. Gemist 1.4.3. Ontvangen 1.4.4. Gebeld 1.5. Duur oproep 1.5.1. Lste oproep 1.5.2. Tel oproepen 1.5.3. Totale tijd 1.5.4. Reset timer 2. Meldingen 2.1. Lezen 2.2. Invoeren 2.3. Voice mail 2.4. Instellingen 2.4.1. SMSC-nummer 2.4.2. Geldigheid 2.4.3. Soort 3. Geheugen bewerken 3.1. Toevoegen 3.2. Zoeken 3.2.1. Bewerken 3.2.2. Wissen 3.2.3. Kopiëren 3.2.4.
Telefoon (optie) Menu’s Menu-opties, beschrijving 1. Oproepregister 1.1. Gemiste oproepen In dit menu verschijnt een lijst met de tien laatst gemiste oproepen. U kunt de nummers bellen, wissen of toevoegen aan het geheugen van de telefoon of op de SIM-kaart om ze later te bewerken. 1.2. Ontvangen oproepen In dit menu verschijnt een lijst met de tien laatst ontvangen oproepen. U kunt de nummers bellen, wissen of toevoegen aan het geheugen van de telefoon of op de SIMkaart om ze later te bewerken. 1.3.
Telefoon (optie) Menu’s 3.3. Alles kopiëren: Telefoonnummers en namen op de SIM-kaart kopiëren naar het geheugen van de telefoon. 3.3.1. Van het geheugen op de SIM-kaart naar dat van de telefoon 3.3.2. Van het geheugen van de telefoon naar dat op de SIM-kaart 3.4. Verkort kiezen Een nummer dat in het telefoonboek ligt opgeslagen, kunt u aan een voorkeuzetoets met een bepaald nummer koppelen. 3.5. SIM-geheugen wissen In dit menu kunt u het complete geheugen op de SIM-kaart wissen. 3.6.
Telefoon (optie) Menu’s 5.4.1. Aan 5.4.2. Uit 5.4.3. Auto 5.5. Wijzig codes In dit menu kunt u uw PIN-code of uw telefooncode wijzigen. 5.5.1. 5.5.2. PIN-code Telefooncode (gebruik 1234, voordat u overgaat op uw eigen code). U gebruikt de telefooncode om de timer op nul te kunnen stellen. N.B. Noteer de code en bewaar deze op een veilige plaats. 5.6. Geluiden 5.6.1. Belvolume: In dit menu kunt u het volume van het belsignaal bij een binnenkomend gesprek instellen. 5.6.2.
Telefoon (optie) Overige informatie Specificaties Vermogen SIM-kaart Geheugenposities SMS (Short Message Service) Data/Fax Dualband 2W Klein 2551 Ja Nee Ja (900/ 1800) 1. 255 geheugenposities in het geheugen van de telefoon. Het aantal geheugenposities op de SIM-kaart verschilt afhankelijk van het abonnement. Radio/Telefoon Dubbele SIM-kaart Met de onderste vier toetsen van de toetsenset op het stuurwiel kunt u zowel de radio als de telefoon regelen.
Telefoon (optie) Overige informatie 228
Technische gegevens Type-aanduidingen Maten en gewichten Motorspecificaties Motorolie Overige vloeistoffen en smeermiddelen Brandstof Katalysator Elektrisch systeem 230 231 232 235 238 239 242 243 229
Technische gegevens Type-aanduidingen Wanneer u contact opneemt met uw Volvodealer of vervangende onderdelen of accessoires wilt bestellen, kan het handig zijn als u de typeaanduiding, het chassisnummer en het motornummer bij de hand hebt. 1. 2. 3. 4. 5. 6. 1. 230 Bepaalde motortypes Type- en modeljaaraanduiding alsmede chassisnummer. Sticker voor standverwarming. Type-aanduiding, chassisnummer, maximaal toelaatbaar gewicht, kleurcodes voor lak en bekleding en typegoedkeuringsnummer.
Technische gegevens Maten en gewichten Maten Lengte: 472 cm (XC: 473 cm) Breedte: 180 cm (XC: 186 cm) Hoogte1: 147–149 cm (AWD: 148151 cm/XC: 155–156 cm/R: 145–149 cm) Wielbasis: 276 cm Spoorbreedte, vooras: 156 cm (XC: 161 cm) Spoorbreedte, achteras: 156 cm (XC: 155/R: 154 cm) Type 1 Alleen China 1. 2. Gewichten Bij het rijklaar gewicht is het gewicht van de bestuurder, dat van de brandstoftank die voor 90 % gevuld is en dat van de resterende oliën/vloeistoffen e.d. inbegrepen.
Technische gegevens Motorspecificaties Type-aanduiding, onderdeel- en serienummer van de motor vindt u op de motor (zie pagina 230). Specificaties Motoraanduiding 2.
Technische gegevens Motorspecificaties Specificaties Motoraanduiding 2.
Technische gegevens Motorspecificaties Specificaties Motoraanduiding D5 D5244T4 Vermogen (kW bij omw/s) (pk bij omw/min) Koppel (Nm bij omw/s) AWD (kpm bij omw/min) AWD Aantal cilinders Cilinderboring (mm) Slaglengte (mm) Cilinderinhoud (dm3 of liter) Compressieverhouding Bougies: Elektrodeafstand (mm) Aanhaalmoment (Nm) 1. Frankrijk 234 2.4D D5244T5 2.4D D5244T7 2.
Technische gegevens Motorolie Ongunstige rijomstandigheden Controleer het oliepeil vaker bij lange ritten: • met een caravan of aanhanger achter de auto • in bergachtig gebied • op hoge snelheden • bij temperaturen lager dan –30°C of hoger dan +40°C. • Doe dat ook bij korte ritten (over afstanden kleiner dan 10 km) bij lage temperaturen (onder 5°C). In dergelijke omstandigheden kunnen de olietemperatuur en het olieverbruik abnormaal toenemen.
Technische gegevens Motorolie Wanneer de nevenstaande oliesticker in de motorruimte zit (zie pagina 230 voor de positie), geldt het volgende: Oliekwaliteit: ACEA A1/B1 Viscositeit: SAE 5W–30 Bij ritten onder ongunstige omstandigheden ACEA A5/B5 SAE 0W-30 gebruiken.
Technische gegevens Motorolie Wanneer de nevenstaande oliesticker in de motorruimte zit (zie pagina 230 voor de positie), geldt het volgende: Oliekwaliteit: ACEA A5/B5 Viscositeit: SAE 0W–30 Oliesticker Hoeveelheden Motortype 2.0T B5204T5 2.4 B5244S Hoeveelheid1 (liter) Bij te vullen hoeveelheid tussen MIN – MAX (liter) 1,2 5,5 2,0 6,2 B5244S2 2.4T B5244T42 T5 B5244T5 2.5T B5254T2 D5 D5244T4 2.4D D5244T5 D5244T7 2.4 (7CV) D5244T63 1. Inclusief hoeveelheid in filter 2.
Technische gegevens Overige vloeistoffen en smeermiddelen BELANGRIJK! Om schade aan de versnellingsbak te voorkomen moet u de aanbevolen kwaliteit versnellingsbakolie gebruiken en geen verschillende merken met elkaar vermengen. Neem contact op met de dichtstbijzijnde erkende Volvo-werkplaats voor service, als er een andere oliesoort werd gebruikt.
Technische gegevens Brandstof Brandstofverbruik en emissie Motor 2.4 B5244S2 Bi-Fuel B5244SG 2.4 B5244S 2.0T B5204T5 2.5T B5254T2 AWD XC70 2.
Technische gegevens Brandstof Motor D5 AWD D5 XC70 2.4D 2.4D 2.4D (7CV) D5244T4 D5244T4 D5244T5 D5244T7 D5244T62 1. Thailand, Maleisië 2.
Technische gegevens Brandstof Brandstofverbruik en uitstoot van kooldioxide De officiële brandstofverbruikscijfers zijn gebaseerd op een gestandaardiseerde rijcyclus conform EU-richtlijn 80/1268 voor voertuigen met verbrandingsmotoren. Het gebruik van extra accessoires kan de verbruikscijfers beïnvloeden, omdat de accessoires het gewicht van de auto verhogen. Ook de rijstijl en andere niettechnische factoren kunnen van invloed zijn op het brandstofverbruik.
Technische gegevens Katalysator LambdasondeTM (zuurstofsensor) De lambdasonde maakt deel uit van het regelsysteem dat tot taak heeft de uitstoot te beperken en de energie-inhoud van de brandstof beter te benutten. Algemene informatie De katalysator heeft tot taak de uitlaatgassen te reinigen. De katalysator is dicht bij de motor in het uitlaatsysteem gemonteerd om snel op temperatuur te komen. De katalysator bestaat uit een monoliet (keramiek of metaal) met kanalen.
Technische gegevens Elektrisch systeem Algemene informatie 12V-systeem met wisselstroomdynamo en spanningsregelaar. Enkelpolig systeem waarbij het chassis en het motorblok als geleiders worden gebruikt. De minpool is verbonden met het chassis. Om de magnetische velden te beperken is de auto uitgerust met een extra massakabel. Accuprestaties Spanning 12 V 12 V Koudestart- 520 A capaciteit (SAE) 600 A 8001 A 120 min. 170 min. Reservecapaciteit (RC) 100 min. 12 V 1.
Technische gegevens Elektrisch systeem Gloeilampen Verlichting 1. Groot licht 2. Dimlicht 3. Bi-Xenonsysteem 4. Mistlampen vóór 4. Mistlampen vóór (V70 R) 5. Stadslichten/parkeerlichten vóór, zijmarkeringslichten vóór, instapverlichting achter 6. Richtingaanwijzers voor/achter 7. Zijrichtingaanwijzers 8. Remlichten, achteruitrijlichten 9. Mistachterlicht 10. Achterlichten 10. Zijmarkeringslichten achter 11. Kentekenplaatverlichting, instapverlichting voor, bagageruimteverlichting 12.
Alfabetisch register A B Cruise control .................................................54 A/C ....................................................................68 A/C, temperatuur ............................................68 Aanhangergewicht ...................................... 231 Aanrijdingssensoren ......................................21 Aanstaande moeders ....................................11 Aansteker .........................................................47 Accu .......................
Alfabetisch register Groot licht ..............................................49, 177 Groot licht, wisselen, grootlichtsignalen ...50 H Handmatige klimaatregeling met airconditioning, A/C .......................................68 Handrem ..........................................................56 Handset ......................................................... 218 HU-450, cassettedeck ............................... 206 HU-450, overzicht .......................................
Alfabetisch register Parkeerlichten vóór ........................................49 PI zoeken ...................................................... 201 Poetsen en in de was zetten ..................... 159 R Radio, zenders zoeken ............................... 198 Radiofuncties ............................................... 198 Radiozenders opslaan ...................... 199, 200 Recirculatie, A/C ............................................69 Recirculatie, ECC .........................................
Alfabetisch register Wielen demonteren ............................................ 154 monteren ................................................ 155 vervangen ............................................... 154 Winterbanden .............................................. 149 Z Zekeringen .................................................... 184 Zijmarkeringslicht ........................................ 179 Zijrichtingaanwijzers ................................... 180 Zonnescherm, schuifdak ...............
TP 8174 (Dutch). AT 0540.