WEB EDITION GEBRUIKERSHANDLEIDING
BESTE VOLVO-BEZITTER, DANK U DAT U GEKOZEN HEBT VOOR VOLVO! Wij hopen dat u jarenlang rijplezier van uw Volvo zult hebben. Bij het ontwerp hebben veiligheid en comfort van u en uw passagiers vooropgestaan. Een Volvo is een van de veiligste auto’s ter wereld. Uw Volvo is ook ontworpen om aan alle geldende veiligheidsvoorschriften en milieueisen te voldoen.
Inhoud 01 Inleiding Gebruikershandleiding op beeldscherm in de auto.................................................. Gebruikershandleiding lezen..................... Digitale gebruikershandleiding in auto...... Vastlegging van gegevens........................ Accessoires en extra uitrusting................. Support en informatie over de auto op internet...................................................... Volvo ID..................................................... Milieubeleid..........................
Inhoud 03 Instrumenten, schakelaars en bediening Instrumenten en bediening, auto met stuur links - overzicht................................ Instrumenten en bediening, auto met stuur rechts - overzicht............................. Instrumentenpaneel.................................. Instrumentenpaneel, analoog - overzicht. Instrumentenpaneel, digitaal - overzicht... Eco guide & Power guide*........................ Instrumentenpaneel - betekenis controlesymbolen..............................................
Inhoud 04 Klimaat Algemene informatie over de klimaatregeling...................................................... Werkelijke temperatuur........................... Sensoren - klimaat.................................. Luchtkwaliteit.......................................... Luchtkwaliteit - interieurfilter................... Luchtkwaliteit - Clean Zone Interior Package (CZIP)*............................................ Luchtkwaliteit - IAQS*............................. Luchtkwaliteit - materialen.......
Inhoud 06 Sloten en alarm Transpondersleutel................................. 165 Transpondersleutel - verlies ................... 165 Transpondersleutel - personalisering*.... 166 Vergrendelen/ontgrendelen - indicatie.... 167 Vergrendelingsindicatie........................... 168 Elektronische startblokkering.................. 168 Op afstand bediende startblokkering met opsporingssysteem*............................... 169 Transpondersleutel - functies................. 169 Transpondersleutel - bereik.....
Inhoud 07 Bestuurdersondersteuning Actief chassis - FOUR-C*....................... Stuurkrachtinstelling*.............................. Elektronische stabiliteitsregeling (ESC) algemeen................................................ Elektronische stabiliteitsregeling (ESC) bediening................................................ Elektronische stabiliteitsregeling (ESC) symbolen en meldingen.......................... Verkeersbordinformatie (RSI)*................. Verkeersbordenherkenning (RSI)* bediening.
Inhoud 08 Starten en rijden Rijbaanassistent (LDW) - functie............. Rijbaanassistent (LDW) - bediening........ Rijbaanassistent (LDW) - beperkingen.... Rijbaanassistent (LDW) - symbolen en meldingen............................................... Rijbaanassistent (LKA)*........................... Rijbaanassistent (LKA) - functie.............. Rijbaanassistent (LKA) - bediening......... Rijbaanassistent (LKA) - beperkingen..... Rijbaanassistent (LKA) - symbolen en meldingen.............................
Inhoud Hill Descent Control (HDC)*.................... 298 Start/Stop*.............................................. 299 Start/Stop* - functie en bediening.......... 300 Start/Stop* - automatische motorafslag werkt niet................................................ 301 Start/Stop* - automatische motorstart... 302 Start/Stop* - automatische motorstart werkt niet................................................ 303 Start/Stop* - onvrijwillige motorstop bij handgeschakelde versnellingsbak..........
Inhoud 09 Wielen en banden Banden - onderhoud............................... Banden - draairichting............................ Banden - slijtage-indicator...................... Banden - bandenspanning..................... Wiel- en velgmaten................................. Banden - maten...................................... Banden - lastindex.................................. Banden - snelheidsklassen..................... Wielbouten.............................................. Winterbanden..............
Inhoud 11 Specificaties Lamp vervangen - verlichting achter...... 396 Lamp vervangen - positie lampen achterzijde......................................................... 397 Lamp vervangen - kentekenplaatverlichting.......................................................... 397 Lamp vervangen - verlichting in bagageruimte...................................................... 398 Lamp vervangen - verlichting makeupspiegel................................................. 398 Lampen - specificaties ..........
Inhoud 12 Alfabetisch register Alfabetisch register.................................
INLEIDING
01 Inleiding Gebruikershandleiding op beeldscherm in de auto Via het beeldscherm van de auto is de gebruikershandleiding1 raadpleegbaar in digitale vorm. De gebruikershandleiding bevat informatie over de werking van de auto. Bij auto’s met gebruikershandleiding vormt de gebruikershandleiding in drukvorm een aanvulling op deze informatie en deze bevat belangrijke teksten, de nieuwste gegevens en handige instructies, wanneer u de informatie op het beeldscherm om praktische redenen niet kunt lezen.
01 Inleiding 01 || Gebruikershandleiding op mobiele apparaten De uitrusting die in de gebruikershandleiding wordt beschreven is niet op alle auto’s aanwezig – welke uitrusting aanwezig is hangt af van de verschillende behoeften op de diverse markten en de landelijke en/of regionale weten regelgeving. Neem bij twijfel over de standaarduitrusting of opties/accessoires contact op met een Volvodealer. Speciale teksten WAARSCHUWING N.B.
01 Inleiding Zwarte ISO-symbolen in een geel waarschuwingsveld, witte tekst/afbeelding in een zwart tekstveld. Worden gebruikt om te attenderen op een risico dat, bij het negeren van de waarschuwing, kan resulteren in ernstig letsel met mogelijk dodelijke afloop. Informatie voerd, staan genummerd in de gebruikershandleiding.
01 Inleiding 01 || Opsommingslijsten Digitale gebruikershandleiding in auto Bij opsommingen in de gebruikershandleiding wordt gebruik gemaakt van een opsommingslijst. De gebruikershandleiding is weer te geven op het beeldscherm in de auto2. De informatie is doorzoekbaar en de navigatie tussen de verschillende hoofdstukken verloopt eenvoudig. Bijvoorbeeld: • • Koelvloeistof Motorolie Gerelateerde informatie Gerelateerde informatie verwijst naar andere artikelen met aanverwante informatie.
01 Inleiding Zoeken 3. Om over te schakelen op de invoer van cijfers of speciale tekens of om te zoeken, draait u aan TUNE, totdat een van de opties (zie verklaring in volgende tabel) in de lijst voor het wisselen van invoerstand (2) verschijnt en druk vervolgens op OK/ MENU. 123/AB C Met OK/MENU kunt u wisselen tussen cijfers en letters. MEER Met OK/MENU kunt u overschakelen op de invoer van speciale tekens. OK Voer de zoekopdracht uit.
01 Inleiding 01 || Tekst invoeren met numeriek toetsenbord Categorieën De artikelen van de gebruikershandleiding zijn geordend naar hoofdcategorieën en ondercategorieën. Hetzelfde artikel ligt mogelijk in meerdere categorieën zodat het gemakkelijker te vinden is. kel te openen. Druk op EXIT om terug te gaan naar de vorige weergave. In een artikel navigeren Draai aan TUNE om door de categorieboom te navigeren en druk op OK/MENU om een ) of artikel (aancategorie (aangeduid met geduid met ) te openen.
01 Inleiding Draai aan TUNE om de links door te nemen of een artikel omhoog of omlaag te schuiven. Als het beeldscherm naar het begin/eind van een artikel is geschoven, zijn de opties Home en Favoriet bereikbaar door een stap omhoog/omlaag te gaan. Druk op OK/MENU om de keuze/gemarkeerde link te activeren. Druk op EXIT om terug te gaan naar de vorige weergave.
01 Inleiding 01 Accessoires en extra uitrusting Support en informatie over de auto op internet Een verkeerde aansluiting en montage van accessoires en extra uitrusting kan een nadelige invloed hebben op de werking van de elektronische systemen van de auto. Bepaalde accessoires werken alleen, wanneer de bijbehorende software in de computersystemen van de auto wordt geladen.
01 Inleiding Downloadbare informatie van de supportsite Kaarten Voor auto’s met Sensus Navigation* zijn via de supportsite kaarten te downloaden. Mobiele apps Voor bepaalde Volvo-modellen van modeljaar 2014 en 2015 is de gebruikershandleiding als app beschikbaar. Ook de VOC*-app kan hier worden gedownload. ties. Op My Volvo web vindt u ook informatie over modelspecifieke accessoires en softwareproducten voor uw Volvo. Gerelateerde informatie • Volvo ID (p.
01 Inleiding 01 || opvolgen in het e-mailbericht dat automatisch wordt verstuurd naar het opgegeven e-mailadres. Een Volvo ID kan via de volgende diensten worden aangemaakt: • My Volvo - Geef het e-mailadres aan en volg de instructies. • Bij een auto met internetaansluiting* Geef het e-mailadres aan in de app die Volvo ID vereist en volg de instructies. Of druk twee keer op de verbindingsknop op de middenconsole en kies Apps Instellingen en volg de instructies.
01 Inleiding Milieubeleid Uw Volvo voldoet aan strenge internationale milieueisen en is bovendien geproduceerd in Zorg voor het milieu is een van de kernwaarden van Volvo Cars die van invloed zijn op alle activiteiten. We zijn ervan overtuigd dat onze klanten onze zorg voor het milieu delen. Volvo Cars is gecertificeerd volgens de milieunorm ISO 14001 voor alle fabrieken en de meeste andere eenheden. We eisen bovendien van onze samenwerkingspartners dat ze systematisch aan milieuzorg doen.
01 Inleiding 01 || sen zoals koolmonoxide te hoog oploopt, wordt de luchtinlaat gesloten. Iets dergelijks kan zich voordoen in bijvoorbeeld druk verkeer, files of tunnels. Het koolstoffilter zorgt ervoor dat stikstofoxiden, laaghangend ozon en koolwaterstoffen niet binnendringen. Interieur Het interieur van een Volvo werd dusdanig vormgegeven dat het gerieflijk en comfortabel is – ook voor mensen met contactallergieën of astma.
01 Inleiding Milieu-aspecten van de gebruikershandleiding De papiervezels waarvan deze publicatie gemaakt is afkomstig zijn uit Forest Stewardship Council®-gecertificeerde bossen of andere gecontroleerde bronnen. Het FSC®-symbool geeft aan dat de papiervezels waarvan een gebruikershandleiding in drukvorm gemaakt is afkomstig zijn uit FSC®gecertificeerde bossen of andere gecontroleerde bronnen. Gerelateerde informatie • Milieubeleid (p.
01 Inleiding 01 || WAARSCHUWING Na een ongeval dient u de auto eerst in een erkende Volvo-werkplaats te laten controleren en goedkeuren, voordat u de auto weer in gebruik neemt. Geef altijd aan de hulpdienst door dat de auto is voorzien van een CNG-installatie. WAARSCHUWING Roken en open vuur verboden tijdens het tanken en bij service- en reparatiewerk. Stap bij een eventuele brand onmiddellijk uit de auto en ga op veilige afstand staan.
VEILIGHEID
02 Veiligheid Algemeen over veiligheidsgordels 02 Remmen kan ernstige gevolgen hebben als de veiligheidsgordel niet wordt gedragen. Let er daarom op dat alle passagiers hun veiligheidsgordel tijdens het rijden om hebben. Waar u op moet letten • Gebruik geen klemmen of andere accessoires waardoor u de veiligheidsgordel niet strak langs uw lichaam kunt trekken. • De veiligheidsgordel mag niet gedraaid zitten.
02 Veiligheid Veiligheidsgordel - om doen Op de achterbank past de borglip van de veiligheidsgordel alleen in de bijbehorende sluiting1. Doe de veiligheidsgordel (p. 28) om voordat u gaat rijden. Waar u op moet letten Rol de gordel langzaam af en maak deze vast door de borglip in de gordelsluiting te steken. Een duidelijke ‘klik’ geeft aan dat de gordel vastzit. De veiligheidsgordel is geblokkeerd en kan niet verder worden uitgetrokken: • • • Verkeerde positie veiligheidsgordel.
02 Veiligheid 02 Veiligheidsgordel - losmaken Veiligheidsgordel - zwangerschap Maak de veiligheidsgordel (p. 28) pas los als de auto stilstaat. Wanneer u zwanger bent, is het belangrijk de veiligheidsgordel (p. 28) altijd op de juiste manier te dragen. Druk op de rode knop van de gordelsluiting en laat het oprolmechanisme de gordel naar binnen trekken. Als de gordel niet volledig wordt opgerold, moet u de gordel handmatig zo ver terugrollen dat deze niet langer slap hangt.
02 Veiligheid Gordelwaarschuwing G017726 Wanneer iemand de veiligheidsgordel niet draagt, gaan er waarschuwingssymbolen branden en worden er geluidssignalen afgegeven om de bewuste persoon eraan te herinneren de veiligheidsgordel om te doen (p. 29). Of er geluidssignalen klinken, hangt af van de snelheid. De waarschuwingssymbolen zitten op de plafondconsole en op het instrumentenpaneel (p. 66). Het gordelwaarschuwingssysteem geldt niet voor kinderzitjes.
02 Veiligheid Veiligheid - waarschuwingssymbool 02 WAARSCHUWING Het waarschuwingslampje verschijnt, als er tijdens de storingsdiagnose een storing wordt geconstateerd of als het systeem geactiveerd is. Waar nodig verschijnt het waarschuwingslampje in combinatie met een melding op het informatiedisplay van het instrumentenpaneel (p. 66). Als het waarschuwingslampje voor het airbagsysteem blijft branden of tijdens het rijden korte tijd oplicht, betekent dit dat het airbagsysteem niet naar behoren werkt.
02 Veiligheid Airbagsysteem G018665 Bij een frontale botsing helpt het airbagsysteem voorkomen dat u en eventuele inzittenden letsel aan hoofd en borstkas oplopen. Airbagsysteem, van bovenaf gezien bij een auto met het stuur links. Het SRS bestaat uit airbags en sensoren. Bij een voldoende krachtige aanrijding reageren de sensoren, waarna één of meer airbags worden opgeblazen en warm worden. De airbags vangen de klap van de aanrijding op voor de inzittende.
02 Veiligheid 02 Airbag aan de bestuurderszijde Passagiersairbag Uw auto heeft behalve de veiligheidsgordel (p. 28) aan de bestuurderszijde ook een airbag (p. 33) in het stuurwiel. Uw auto heeft behalve de veiligheidsgordel (p. 28) aan de passagierszijde ook een airbag (p. 33). De airbag zit opgevouwen in het midden van het stuurwiel. Het stuurwiel is voorzien van het opschrift AIRBAG. De airbag zit opgevouwen in een ruimte boven het dashboardkastje. Het paneel is voorzien van het opschrift AIRBAG.
02 Veiligheid WAARSCHUWING De veiligheidsgordel en airbag werken samen. Als de gordel niet of verkeerd wordt gebruikt, kan dit bij een botsing van invloed zijn op het effect van de airbag. Schakelaar - PACOS* De passagiersairbag (SRS) voorin is te deactiveren, (p. 36) met een schakelaar als de auto is uitgerust met PACOS (Passenger Airbag Cut Off Switch).
02 Veiligheid 02 Passagiersairbag - activering/ deactivering* de voorstoel zitten, maar kinderen in een kinderzitje of op een kussen beslist niet. De passagiersairbag (p. 34) voorin kan met een schakelaar worden geactiveerd, als de auto is uitgerust met PACOS (Passenger Airbag Cut Off Switch). De airbag is gedeactiveerd. Met de schakelaar in deze stand kunnen kinderen in een kinderzitje of op een kussen aan de passagierszijde op de voorstoel zitten, maar passagiers groter dan 1,40 m beslist niet.
02 Veiligheid WAARSCHUWING WAARSCHUWING Vervoer kinderen nooit in een kinderzitje of op een zittingverhoger voorin wanneer de airbag aan die kant geactiveerd is en het symbool op de plafondconsole brandt. Het niet opvolgen van deze aanbeveling kan levensgevaarlijke situaties voor het kind opleveren. Laat geen passagier op de passagiersstoel plaatsnemen als het waarschuwingssymbool(p.
02 Veiligheid || voor de inzittende, waarna de airbags weer leeglopen. De SIPS-airbag wordt normaal gesproken alleen opgeblazen aan de kant van de aanrijding. WAARSCHUWING • 02 • Volvo adviseert u de reparatie uitsluitend door een erkende Volvo-werkplaats te laten uitvoeren. Een verkeerde ingreep in het SIPS-systeem kan tot een onjuiste werking leiden met ernstig letsel als gevolg.
02 Veiligheid Opblaasgordijnen (IC-systeem) WAARSCHUWING Het systeem helpt voorkomen dat de bestuurder en eventuele passagiers bij een botsing met hun hoofd tegen de binnenkant van de auto slaan. Hang of bevestig nooit zware voorwerpen aan de plafondhandgrepen. De haak is alleen bedoeld voor niet al te zware kledingstukken (en niet voor harde voorwerpen zoals paraplu’s). Schroef of bevestig geen onderdelen op de plafondbekleding, portierstijlen of de zijpanelen van de auto.
02 Veiligheid || en de materiaaleigenschappen van dat voertuig. WAARSCHUWING 02 Het WHIPS-systeem vormt een aanvulling op de veiligheidsgordel. Gebruik de veiligheidsgordel altijd. Eigenschappen van de stoel Bij activering van het WHIPS-systeem klappen de rugleuningen van de voorstoelen naar achteren, zodat de zithouding van de bestuurder en de passagier op de voorstoelen verandert. Zo wordt de kans op zogeheten whiplash-letsel beperkt.
02 Veiligheid WHIPS - zithouding Voor optimale bescherming door het WHIPSsysteem (p. 39) moeten bestuurder en voorpassagier de juiste zithouding innemen en zorgen dat het systeem niet wordt gehinderd. Zithouding WAARSCHUWING Plaats dozen e.d. niet zodanig, dat deze vastgeklemd zitten tussen het zitkussen van de achterbank en de rugleuning van de voorstoel. Denk eraan dat u de werking van het WHIPS-systeem niet hindert. Stel voordat u wegrijdt de juiste zithouding in voor de voorstoel (p. 84).
02 Veiligheid Als de systemen activeren 02 Bij een aanrijding werken de verschillende persoonsveiligheidssystemen van Volvo samen om de schade te verkleinen. Systeem Activering gordelspanner (p. 31) voorstoel Bij een frontale botsing en/of aanrijding in de zij, van achteren en/of kantelen Gordelspanners achterbank Bij een frontale botsing en/of aanrijding in de zij en/of kantelen Airbags Bij een frontale botsing.A (Stuur- (p. 34) en passagiersairbag (p. 34)) SIPS-airbags (p.
02 Veiligheid Algemene informatie over de Safety mode Gerelateerde informatie • • Safety mode is een veiligheidsfunctie die in werking treedt wanneer de aanrijding belangrijke onderdelen van de auto zoals de brandstofleidingen, de sensoren voor een van de veiligheidssystemen of het remsysteem, kan hebben beschadigd. Safety mode - startpoging (p. 44) Safety mode - auto verrijden (p. 44) 02 De gevarendriehoek op het digitale instrumentenpaneel.
02 Veiligheid Safety mode - startpoging 02 WAARSCHUWING Als de auto in de Safety mode (p. 43) staat, is een startpoging mogelijk als alles in orde lijkt te zijn en u gecontroleerd hebt dat er geen sprake is van brandstoflekkage. Probeer in geen geval de auto opnieuw te starten, als u een brandstofgeur waarneemt terwijl de melding Veiligheidsstand Zie instructieboek getoond wordt. Verlaat de auto onmiddellijk. Controleer eerst of er geen brandstof uit de auto is gelopen.
02 Veiligheid Algemeen over kinderveiligheid N.B. Ongeacht leeftijd en lengte moeten kinderen altijd met de gordel goed om in de auto zitten. Laat kinderen nooit bij passagiers op schoot zitten. Volvo adviseert u kinderen zo lang mogelijk te vervoeren in een achterstevoren gemonteerd kinderzitje (in ieder geval tot een leeftijd van 3–4 jaar) en daarna tot een leeftijd van 10 jaar op/in een zittingverhoger of een kinderzitje dat in de rijrichting geplaatst is.
02 Veiligheid Kinderzitje 02 N.B. Kinderen moeten comfortabel en veilig kunnen zitten. Zorg dat u het kinderzitje op de juiste wijze gebruikt. Bij gebruik van kinderveiligheidsproducten is het belangrijk om de meegeleverde montagehandleiding te lezen. WAARSCHUWING G020739 Zet de bevestigingsbanden van het kinderzitje niet vast aan de hendel waarmee u de voorstoel in de lengterichting verstelt of aan de veren, rails of balken onder de stoel. Scherpe randen kunnen de bevestigingsbanden beschadigen.
02 Veiligheid Aanbevolen kinderzitjes2 Gewicht Voorstoel (met gedeactiveerde airbag) Groep 0 Buitenste zitplaats achterbank Groep 0+ Typegoedkeuring: E1 04301146 max. 13 kg (L) Volvo-babyzitje (Volvo Infant Seat) – achterstevoren gemonteerd kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel. Volvo-babyzitje (Volvo Infant Seat) – achterstevoren gemonteerd kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel. Groep 0+ Typegoedkeuring: E1 04301146 Typegoedkeuring: E1 04301146 max. 13 kg (U) (U) max.
02 Veiligheid || 02 Gewicht Voorstoel (met gedeactiveerde airbag) Buitenste zitplaats achterbank Groep 1 Achterstevoren gemonteerd/omkeerbaar Volvo-kinderzitje (Volvo Convertible Child Seat) – achterstevoren gemonteerd kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel en bevestigingsband. Achterstevoren gemonteerd/omkeerbaar Volvokinderzitje (Volvo Convertible Child Seat) – achterstevoren gemonteerd kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel en bevestigingsband.
02 Veiligheid Gewicht Voorstoel (met gedeactiveerde airbag) Buitenste zitplaats achterbank Middelste zitplaats achterbank Groep 2/3 Volvo-comfortkussen met rugleuning (Volvo Booster Seat with backrest). Volvo-comfortkussen met rugleuning (Volvo Booster Seat with backrest). Typegoedkeuring: E1 04301169 Typegoedkeuring: E1 04301169 Volvo-comfortkussen met rugleuning (Volvo Booster Seat with backrest).
02 Veiligheid Kinderzitje - positie 02 WAARSCHUWING Plaats kinderzitjes/zittingverhogers (p. 46) altijd op de achterbank als de airbag aan de passagierszijde geactiveerd (p. 36) is. Als de airbag wordt opgeblazen, kan een kind op de passagiersstoel ernstig letsel oplopen. Vervoer kinderen nooit in een kinderzitje of op een comfortkussen voorin, wanneer de airbag aan die kant geactiveerd is. Laat nooit iemand voor de passagiersstoel zitten of staan.
02 Veiligheid Kinderzitje - geïntegreerde zittingverhoger met twee standen* WAARSCHUWING De geïntegreerde zittingverhogers op de achterbank zorgen ervoor, dat kinderen comfortabel en veilig kunnen zitten. De geïntegreerde kinderzitjes zijn speciaal ontworpen om kinderen optimale bescherming te bieden. In combinatie met de aanwezige veiligheidsgordels (p. 28) zijn de kinderzitjes goedgekeurd voor kinderen met een gewicht van 15 tot 36 kg en een lengte van minimaal 95 cm.
02 Veiligheid Geïntegreerde zittingverhoger met twee standen* - uitklappen 02 De geïntegreerde zittingverhoger (p. 51) op de achterbank kan in twee standen worden uitgeklapt. In welke stand u het kinderzitje moet uitklappen hangt af van het gewicht van het kind. Gewicht Stand 1 Stand 2 22–36 kg 15–25 kg Stand 13 Trek de handgreep naar voren en omhoog om het kinderzitje vrij te geven. 3 4 52 Stand 24 De onderste stand. De bovenste stand. * Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
02 Veiligheid Geïntegreerde zittingverhoger met twee standen* - inklappen De geïntegreerde zittingverhoger (p. 51) op de achterbank kan van de bovenste of onderste stand worden ingeklapt naar een volledig ingeklapte stand in de zitting. Het is echter niet mogelijk het kinderzitje vanuit de bovenste stand in de onderste stand te zetten. 02 Til het kinderzitje aan de voorkant op en duw het achteruit tegen het ruggedeelte aan om het te vergrendelen.
02 Veiligheid Kinderzitje - ISOFIX 02 ISOFIX is een bevestigingssysteem voor kinderzitjes (p. 46), gebaseerd op een internationale standaard. Gerelateerde informatie • • • ISOFIX - afmetingscategorieën (p. 54) ISOFIX - soorten kinderzitjes (p. 56) Algemeen over kinderveiligheid (p. 45) ISOFIX - afmetingscategorieën Voor kinderzitjes met een ISOFIX (p. 54)bevestigingssysteem zijn er afmetingscategorieën om gebruikers te helpen bij het kiezen van het juiste type kinderzitje (p. 56).
02 Veiligheid WAARSCHUWING Zet het kind nooit op de passagiersplaats als de auto met een geactiveerde airbag is uitgerust. 02 N.B. Als een ISOFIX-kinderzitje geen afmetingscategorie heeft, moet het automodel op de voertuiglijst van het kinderzitje staan. N.B. Volvo adviseert u contact op te nemen met een Volvo-werkplaats over de ISOFIX-kinderzitjes die Volvo aanbeveelt.
02 Veiligheid ISOFIX - soorten kinderzitjes Kinderzitjes kunnen net als auto’s verschillende afmetingen hebben. Kinderzitjes passen 02 Type kinderzitje Babyzitje, overdwars Babyzitje, achterstevoren daardoor niet op alle zitplaatsen van de verschillende modellen. Gewicht max. 10 kg max. 10 kg Afmetingscategorie Zitplaatsen voor montage ISOFIX-kinderzitje Voorstoel Buitenste zitplaats achterbank F X X G X X E X OK (IL) Babyzitje, achterstevoren max.
02 Veiligheid Type kinderzitje Kinderzitje, in rijrichting Gewicht 9–18 kg Afmetingscategorie B Zitplaatsen voor montage ISOFIX-kinderzitje Voorstoel Buitenste zitplaats achterbank X OKA 02 (IUF) B1 X OKA (IUF) A X OKA (IUF) X: De ISOFIX-stand leent zich niet voor ISOFIX-kinderzitjes in deze gewichts- en/of afmetingscategorie. IL: Geschikt voor specifieke ISOFIX-kinderzitjes.
02 Veiligheid Kinderzitje - bovenste bevestigingspunten 02 N.B. Klap de hoofdsteunen omlaag om het monteren van dit type kinderzitje te vereenvoudigen bij auto’s met neerklapbare hoofdsteunen op de beide buitenste zitplaatsen. De auto is uitgerust met bovenste bevestigingspunten voor bepaalde kinderzitjes (p. 46) die in de rijrichting worden gemonteerd. Deze bevestigingspunten zitten achter op het zitgedeelte van de achterbank. N.B.
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Instrumenten en bediening, auto met stuur links - overzicht In het overzicht staat waar de displays en bedieningen van de auto zitten.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Overzicht auto’s met het stuur links 03 }} 61
03 Instrumenten, schakelaars en bediening || 03 62 Functie Zie Functie Zie Functie Zie Menu- en meldingsfuncties, richtingaanwijzers, groot licht/ dimlicht, boordcomputer (p. 113), (p. 116), (p. 100), (p. 94) en (p. 127). Openingshandgreep portier – Parkeerrem (p. 313). Bedieningspaneel Stoelverstelling* (p. 85). Handmatig schakelen bij automatische versnellingsbak* (p. 290). (p. 183), (p. 188), (p. 106) en (p. 107).
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Instrumenten en bediening, auto met stuur rechts - overzicht In het overzicht staat waar de displays en bedieningen van de auto zitten.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening || Overzicht auto’s met het stuur rechts 03 64
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Functie Zie Functie Zie Functie Zie Beeldscherm voor infotainment en weergave van menu’s (p. 116) en supplement bij Sensus Infotainment. Bedieningspaneel (p. 183), (p. 188), (p. 106) en (p. 107). Bedieningspaneel voor infotainment en menufuncties (p. 116) en supplement bij Sensus Infotainment. Contactslot (p. 82). (p. 100). (p. 282). (p. 90), (p. 320) en (p. 185).
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Instrumentenpaneel Op het informatiedisplay van het instrumentenpaneel wordt informatie weergegeven over bepaalde functies van de auto en meldingen. 03 • Instrumentenpaneel, analoog - overzicht (p. 66) • Instrumentenpaneel, digitaal - overzicht (p. 67) • Instrumentenpaneel - betekenis controlesymbolen (p. 71) • Instrumentenpaneel - betekenis waarschuwingssymbolen (p.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Toerenteller. De meter geeft het motortoerental in duizenden omwentelingen per minuut aan. Schakelindicator2/Schakelindicator3. Zie ook Schakelindicator* (p. 289), Automatische versnellingsbak - Geartronic* (p. 290) of Automatische versnellingsbak - Powershift* (p. 294).
03 Instrumenten, schakelaars en bediening || Meters en wijzers Voor het digitale instrumentenpaneel zijn verschillende thema’s te kiezen. De mogelijke thema’s zijn: ‘Elegance’, ‘Eco’ en ‘Performance’. autosleutelgeheugen*, zie Transpondersleutel - personalisering* (p. 166). Schakelindicator6/Schakelindicator7. Zie ook Schakelindicator* (p. 289), Automatische versnellingsbak - Geartronic* (p. 290) of Automatische versnellingsbak - Powershift* (p. 294).
03 Instrumenten, schakelaars en bediening matie (p. 127) en Brandstof tanken (p. 321). Eco guide. Zie ook Eco guide & Power guide* (p. 70). Snelheidsmeter Toerenteller. De meter geeft het motortoerental in duizenden omwentelingen per minuut aan. Schakelindicator6/Schakelindicator7. Zie ook Schakelindicator* (p. 289),Automatische versnellingsbak - Geartronic* (p. 290) of Automatische versnellingsbak - Powershift* (p. 294). ring5, gaat het oranje controlesymbool voor een laag brandstofpeil branden.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening || 03 Functietest Eco guide & Power guide* Actuele waarde Alle controle- en waarschuwingssymbolen, behalve de symbolen in het midden van het informatiedisplay, gaan branden in sleutelstand II of bij het starten van de motor. Alle symbolen moeten weer uitgaan als de motor is aangeslagen, behalve het symbool voor de parkeerrem. Dit gaat pas uit, als de auto van de parkeerrem wordt gehaald.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Instrumentenpaneel - betekenis controlesymbolen Laag peil in brandstoftank Controlesymbolen Groot licht aan Betekenis Storing in ABL Benut vermogen Uitlaatgasreinigingssysteem Storing in ABS Beschikbaar motorvermogen De kleinere wijzer bovenaan toont het beschikbare motorvermogen9. Hoe groter de uitslag op de schaal, hoe meer vermogen er beschikbaar is in de actuele versnelling. Benut vermogen De grotere wijzer onderaan toont het benutte motorvermogen9.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening || Uitlaatgasreinigingssysteem Bij een storing in het uitlaatgasreinigingssysteem kan na een motorstart het symbool gaan branden. Rijd voor een controle naar een werkplaats. Volvo adviseert dat u daarvoor een erkende Volvo-werkplaats bezoekt. Storing in ABS 03 Voorgloeifunctie motor (diesel) Als het symbool brandt, is het systeem defect. Het normale remsysteem van de auto werkt dan nog wel, zij het zonder ABS-regeling.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Waarschuwing, portieren niet gesloten Als een van de portieren niet goed dichtstaat, gaat het informatie- of waarschuwingssymbool branden en verschijnt er een verklarende afbeelding op het informatiedisplay. Breng de auto zo spoedig mogelijk tot stilstand en sluit het portier dat openstaat. Als de auto met een snelheid van maximaal 7 km/h rijdt, gaat het informatiesymbool branden.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening || Gordelwaarschuwing Het symbool knippert als de bestuurder of de voorpassagier geen veiligheidsgordel draagt of als iemand op de achterbank de gordel heeft losgenomen. Dynamo laadt niet bij 03 Het symbool gaat tijdens het rijden branden, als er sprake is van een storing in het elektrisch systeem. Bezoek een werkplaats. Volvo adviseert dat u daarvoor een erkende Volvowerkplaats bezoekt.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Waarschuwing, portieren niet gesloten Buitentemperatuur Dagtellers Als een van de portieren niet goed dichtstaat, gaat het informatie- of waarschuwingssymbool branden en verschijnt er een verklarende afbeelding op het informatiedisplay. Breng de auto zo spoedig mogelijk tot stilstand en sluit het portier dat openstaat. Het buitentemperatuurmeterdisplay is zichtbaar op het instrumentenpaneel. Het dagtellerdisplay is zichtbaar op het instrumentenpaneel.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening || Gerelateerde informatie • Instrumentenpaneel (p. 66) Klok Brandstofmeter voor autogas*14 Het klokdisplay is zichtbaar op het instrumentenpaneel. De modelvariant Bi-Fuel heeft een aparte brandstofmeter voor autogas. 03 Klok, digitaal instrument. Display voor de tijdaanduiding13 Klok instellen U kunt de klok aanpassen in het menusysteem MY CAR, zie MY CAR (p. 116). Gerelateerde informatie • 13 14 76 Instrumentenpaneel (p.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Aantal dioden Kleur van de dioden Brandstofniveau (%) 1 Groen 20 1 Oranje 10 Als de gastank leeg is, klinkt de schakelaar 3 keer. De niveaumeter gaat uit en het systeem schakelt automatisch over op benzine. N.B. Zorg dat de benzinetank nooit helemaal leeg is, omdat de auto altijd op benzine start. Instrumentenpaneel licentieovereenkomst upon written request. Please contact your nearest Volvo Dealer.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening MIT License: http://opensource.org/licenses/ mit-license.html • 03 Lua Displaysymbolen Er worden tal van verschillende displaysymbolen gebruikt in de auto. De symbolen zijn onderverdeeld in waarschuwings-, controleen informatiesymbolen. Hier volgt een overzicht van de meest voorkomende symbolen met hun betekenis en een verwijzing naar de pagina(’s) in de handleiding waar u meer informatie kunt vinden.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Controlesymbolen op instrumentenpaneel Symbool Symbool Betekenis Zie Storing in ABL* (p. 71), (p. 98) Uitlaatgasreinigingssysteem (p. 71) Storing in ABS (p. 71), (p. 310) Mistachterlicht aan (p. 71), (p. 99) Stabiliteitsregeling, ESC (Electronic Stability Control), Trailer Stability Assist (p. 71), (p. 197), (p. 335) Stabiliteitsregeling, Sportstand (p. 71), (p. 197) Voorgloeifunctie motor (diesel) (p. 71) Laag peil in brandstoftank (p. 71), (p.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening || Symbool 03 Betekenis Zie Driver Alert System*; Tijd voor pauze (p. 245) Driver Alert System*; Tijd voor pauze (p. 246) Parkeerrem (p. 313) Regensensor* (p. 103) Actief groot licht, AHB (Active High Beam)* (p. 95) Start/Stop* (p. 306) Start/Stop* Driver Alert System*, Rijbaanassistent (LDW), Rijbaanassistent (LKA) 80 (p. 306) (p. 246), (p. 250), (p. 255) * Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Gerelateerde informatie • Instrumentenpaneel - betekenis controlesymbolen (p. 71) • Instrumentenpaneel - betekenis waarschuwingssymbolen (p. 73) • Meldingen - functies (p. 116) Volvo Sensus Volvo Sensus vormt het hart van uw persoonlijke Volvo-beleving en maakt communicatie mogelijk tussen u, uw auto en de wereld eromheen. Sensus biedt informatie, entertainment en zo nodig ondersteuning.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening || Overzicht Sleutelstanden Met de transpondersleutel is het elektrische systeem van de auto in verschillende standen te zetten om het gebruik van verschillende functies/systemen mogelijk te maken, zie Sleutelstanden - functies in verschillende standen (p. 83). 03 Auto met internetaansluiting *, zie desbetreffend supplement (Sensus Infotainment). Klimaatregeling (p. 130). Pak de transpondersleutel beet en trek deze uit het contactslot.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Sleutelstanden - functies in verschillende standen Om bij uitgeschakelde motor het gebruik van een beperkt aantal functies mogelijk te maken is het elektrische systeem van de auto met de transpondersleutel in 3 verschillende standen te zetten: 0, I en II. In deze gebruikershandleiding worden deze standen in algemene zin aangeduid als ‘sleutelstanden’. De volgende tabel geeft aan welke functies beschikbaar zijn in de verschillende sleutelstanden/niveaus.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening || • Sleutelstand I - Met de transpondersleutel volledig in het contactslot15 geduwd druk kort op START/STOP ENGINE. • Sleutelstand II - Met de transpondersleutel volledig in het contactslot15 geduwd druk lang16 op START/STOP ENGINE. • Terug naar sleutelstand 0 - Om terug te gaan naar sleutelstand 0 vanuit stand II en I - druk kort op START/STOP ENGINE. 03 Voorstoelen Voor het best mogelijke zitcomfort hebben de voorstoelen verschillende instelmogelijkheden.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening De rugleuning van de passagiersstoel kan worden omgeklapt om ruimte te maken voor lange lading. Zet de stoel zo ver mogelijk naar achteren en omlaag. Zet de rugleuning rechtop. Trek de pallen aan de achterzijde van de rugleuning omhoog tijdens het omklappen. Voorstoelen - elektrisch bediend* Voor het best mogelijke zitcomfort hebben de voorstoelen verschillende instelmogelijkheden. De elektrisch bediende stoel kan naar voren/achteren en omhoog/omlaag worden gezet.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening || Instelling vastleggen Geheugenknop Geheugenknop Noodstop Geheugenknop Als de stoel per ongeluk in beweging komt, kunt u op een van de verstellingsknoppen of geheugenknoppen van de stoel drukken om de stoel tot stilstand te brengen. Knop voor vastlegging van de instelling 03 bestuurders worden opgeslagen, zie Transpondersleutel - personalisering* (p. 166). 1. Stel de stoel en de buitenspiegels in. 2.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening WAARSCHUWING Ruggedeelte achterbank omklappen De hoofdsteun van de middelste zitplaats moet in de onderste stand staan, wanneer de middelste zitplaats niet in gebruik is. Wanneer de middelste zitplaats wel wordt gebruikt, moet de hoofdsteun goed op de lengte van de passagier zijn afgesteld, zodat deze zo mogelijk diens hele achterhoofd afdekt.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening || N.B. Duw bij het neerklappen van de ruggedeelten de hoofdsteunen naar voren om te voorkomen dat ze in contact komen met het zitgedeelte. 03 Buitenste hoofdsteunen achterbank elektrisch omklappen* Gerelateerde informatie • • Houd voor het rechtop zetten de omgekeerde volgorde aan. N.B. Als de rugleuning is teruggeklapt, mag de rode indicatie niet langer zichtbaar zijn. Als deze toch zichtbaar is, is de rugleuning niet vergrendeld.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Stuurwiel Het stuurwiel heeft meerdere verstellingsmogelijkheden en bedieningselementen voor de claxon, cruisecontrol en het menu-, het audioen het telefoonsysteem. Instellen 3. Duw de hendel vervolgens terug om het stuurwiel in de nieuwe stand te blokkeren. Als dit moeite kost, kunt u lichtjes op het stuurwiel drukken en tegelijkertijd de hendel terugduwen. WAARSCHUWING matische versnellingsbak - Geartronic* (p. 290).
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Elektrische stuurverwarming* Het stuurwiel is elektrisch te verwarmen. Functie 03 De positie van de knop kan variëren afhankelijk van de overige gekozen uitrusting en de markt.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Overzicht bedieningspaneel verlichting Stand Betekenis DagrijlichtA wanneer het elektrische systeem van de auto in sleutelstand II staat of als de motor warm is. Grootlichtsignalering mogelijk. Overzicht bedieningspaneel verlichting.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening || Stand Betekenis Grootlichtsignalering mogelijk. A Aangebracht in of onder de voorbumper. Volvo adviseert u om stand ken bij ritten in de auto. 03 te gebrui- WAARSCHUWING U kunt dat voorkomen door de koplamphoogte bij te stellen. Stel de koplampen lager af als de auto zwaar beladen is. Auto’s met actieve xenonkoplampen* zijn uitgerust met automatische koplamphoogteregeling, zodat het duimwiel ontbreekt. 1.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Stadslichten vóór en achterlichten U schakelt de stadslichten vóór en achterlichten in met de verlichtingsdraaiknop. Gerelateerde informatie • Bedieningspaneel verlichting (p. 90) Dagrijlicht Wanneer de verlichtingsdraaiknop in stand staat en het elektrische systeem van de auto in sleutelstand II of als de motor loopt, wordt bij daglicht automatisch het dagrijlicht ingeschakeld.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening WAARSCHUWING Dit is een stroombesparingsfunctie die niet in alle gevallen kan bepalen wanneer de omgevingsverlichting voldoende of onvoldoende is bij mist en regen bijvoorbeeld. 03 Als bestuurder bent u verplicht om de verlichting van de auto altijd af te stemmen op de heersende omstandigheden en de geldende verkeerswetgeving.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening tenwissers of het mistachterlicht zijn geactiveerd. brandt Met de draaiknop in de stand altijd het dimlicht, wanneer de motor loopt of als de sleutelstand II actief is. Grootlichtsignalen Trek de stuurhendel voorzichtig tot in de stand voor grootlichtsignalen naar het stuurwiel toe. Het groot licht brandt totdat u de hendel loslaat. Groot licht Het groot licht is te ontsteken met de draai20 of knop in stand .
03 Instrumenten, schakelaars en bediening || geen invallend licht van voor-/tegenliggers meer waarneemt, schakelt de verlichting enkele seconden later weer over naar groot licht. 03 Bij automatisch groot licht met adaptatiefuntie blijft in tegenstelling tot wat er gebeurt bij de standaarddimfunctie dat deel van de lichtbundel dat naast tegen- of voorliggers valt op grootlichtsterkte branden – alleen dat deel van de lichtbundel dat rechtstreeks op de tegenliggers/voorliggers gericht is wordt gedimd.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Handmatige bediening N.B. Houd de voorruit in het gebied vóór de camerasensor vrij van ijs, sneeuw, condens en vuil. Plak of monteer niets op de voorruit vóór de camerasensor, aangezien één of meer camera’s voor het systeem hierdoor slechter of niet meer werken. WAARSCHUWING BELANGRIJK AHB is een systeem dat u helpt om in ongunstige omstandigheden de optimale verlichting te kiezen.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Actieve xenonkoplampen* Actieve xenon-koplampen zorgen voor optimale verlichting in bochten en op kruisingen om op die manier de veiligheid te verhogen. Actieve xenon-koplampen ABL 03 Lichtbundel bij gedeactiveerde (links) en geactiveerde (rechts) functie.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Mistachterlicht N.B. Bij een beperkt zicht door mist kunt u het mistachterlicht gebruiken om achterliggers tijdig op uw aanwezigheid te attenderen. De voorschriften voor het gebruik van een mistachterlicht verschillen per land. Gerelateerde informatie • Bedieningspaneel verlichting (p. 90) Remlichten De remlichten gaan automatisch branden wanneer u remt. Bij het bedienen van het rempedaal gaan de remlichten branden.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Alarmlichten De alarmlichten waarschuwen medeweggebruikers doordat alle richtingaanwijzers gelijktijdig knipperen, wanneer deze functie actief is. 03 Wanneer de alarmlichten geactiveerd zijn, knipperen beide richtingaanwijzersymbolen op het instrumentenpaneel. ze automatisch uitgeschakeld. U kunt ook op de knop voor de alarmlichten drukken. Gerelateerde informatie • • Richtingaanwijzer (p. 100) Bedrijfsrem - noodremlichten en automatische alarmlichten (p.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening worden of veert automatisch terug bij het terugdraaien van het stuurwiel. Richtingaanwijzersymbolen Voor de richtingaanwijzersymbolen, zie Instrumentenpaneel - betekenis controlesymbolen (p. 71). Interieurverlichting Plafondverlichting voorin De interieurverlichting is te activeren/deactiveren met de knoppen van de bedieningspanelen aan het plafond voor- en achterin.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening || Verlichting make-upspiegel De interieurverlichting dooft, wanneer: Follow Me Home-verlichting De verlichting van de make-upspiegel (p. 156), wordt bij het openen en sluiten van het spiegelklepje in- en uitgeschakeld. • • De Follow Me Home-verlichting bestaat uit de het dimlicht, de parkeerlichten, de lampen in de buitenspiegels, de kentekenplaatverlichting, de plafondverlichting en de instapverlichting.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Approach-verlichting Koplampen - lichtbundel aanpassen Wissers en sproeiers De Approach-verlichting bestaat uit de stadslichten, de lampen in de buitenspiegels, de kentekenplaatverlichting, de plafondverlichting en de instapverlichting. Als de auto is uitgerust met actieve xenonkoplampen en automatisch groot licht heeft, moet u de lichtbundelinstelling aanpassen wanneer u een auto voor rechtsrijdend verkeer wilt gebruiken voor linksrijdend verkeer en andersom.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening || Intervalstand Regensensor* Met het duimwiel kunt u het aantal wisslagen per eenheid van tijd instellen wanneer u de intervalstand hebt geselecteerd. De regensensor registreert de hoeveelheid regen op de voorruit en schakelt automatisch de ruitenwissers op de voorruit in. De gevoeligheid van de regensensor is in te stellen met het duimwiel. Ononderbroken wissen 03 De wissers bewegen op normale snelheid. De wissers bewegen op hoge snelheid.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Nadat u de hendel hebt losgelaten maken de ruitenwissers op de voorruit nog enkele slagen en worden de koplampen gesproeid. Achterruit wissen en sproeien Als u de auto in de achteruitversnelling zet terwijl de voorste ruitenwissers actief zijn, zal de intervalstand van de ruitenwisser op de achterklep starten24. Bij het inschakelen van een andere versnelling valt de ruitenwisser op de achterklep stil.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Elektrisch bedienbare ruiten Vanaf het bedieningspaneel van het bestuurdersportier zijn alle elektrisch bedienbare ruiten te bedienen. Vanaf de bedieningspanelen van de overige portieren zijn alleen de ruiten van het desbetreffende portier te bedienen. WAARSCHUWING Bediening Let erop dat kinderen of andere passagiers niet bekneld raken, wanneer/als u de ruiten sluit met behulp van de transpondersleutel.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening bediend, maar niet nadat er een portier is geopend. Bediening met transpondersleutel en centrale vergrendeling De ruiten komen tot stilstand en worden geopend, als ze tijdens het sluiten in hun beweging worden gehinderd. Wanneer sluiten onmogelijk is door bijvoorbeeld ijsvorming, kan de beveiliging tegen overbelasting worden opgeheven.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening || WAARSCHUWING Beide spiegels zijn groothoekig voor een optimaal zicht. Voorwerpen kunnen verder weg lijken dan ze in werkelijkheid zijn. Instellingen vastleggen25 03 De instellingen van de buitenspiegels en de bestuurdersstoel zijn voor alle transpondersleutels apart op te slaan in het autosleutelgeheugen*, zie Transpondersleutel - personalisering* (p. 166).
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Ruiten en buitenspiegels - elektrische verwarming niets doet, wordt de functie na enige tijd automatisch uitgeschakeld. De elektrische verwarming dient om de vooren achteruit en de buitenspiegels te ontwasemen en te ontdooien. Zie ook Voorruit ontwasemen en ontdooien (p. 140).
03 Instrumenten, schakelaars en bediening || 03 Autodimfunctie* Kompas* Kalibreren Als het licht dat van achteren in de spiegel valt te fel is, wordt de achteruitkijkspiegel automatisch gedimd. Bij een spiegel met autodimfunctie ontbreekt het hendeltje voor handmatig dimmen. In de rechter bovenhoek van de achteruitkijkspiegel zit een display waarop wordt aangegeven in welke richting de voorkant van de auto wijst. Om de juiste kompasrichting aan te geven moet het kompas soms worden gekalibreerd.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening 7. Auto’s met elektrische voorruitverwarming*: Als bij activering van de elektrische voorruitverwarming het teken C op het display verschijnt, kalibreer dan volgens punt 6 hierboven met de elektrische voorruitverwarming ingeschakeld, zie Voorruit ontwasemen en ontdooien (p. 140). 8. Herhaal de bovenstaande procedure zo nodig. Magnetische zones. 4.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening || Openen Trek de bedieningsknop naar achteren in de stand voor automatisch openen en laat de knop vervolgens los om het schuifdak zo ver mogelijk open te schuiven. 03 U kunt het schuifdak handmatig openen door de bedieningsknop achteruit naar het weerstandspunt voor handmatig openen te trekken. Het schuifdak schuift steeds verder open zolang u de knop in deze stand vasthoudt.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening greep vast en schuif het scherm naar voren om het te sluiten. Beveiliging tegen overbelasting Het schuifdak is voorzien van een beveiliging tegen overbelasting die wordt geactiveerd, als het schuifdak door een obstakel wordt gehinderd. Het schuifdak komt dan tot stilstand en keert vervolgens automatisch terug naar de laatst gebruikte, geopende stand. Menufuncties - instrumentenpaneel Met de linker stuurhendel bedient u de menu’s (p.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Menu-overzicht - instrumentenpaneel Boordcomp reset Welke menu’s er op het informatiedisplay van het instrumentenpaneel verschijnen hangt af van de sleutelstand (p. 83). Gerelateerde informatie Voor sommige van de onderstaande menuopties dient de auto te zijn uitgerust met de bijbehorende functie en software. 03 Analoog instrumentenpaneel Digit. snlhd.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Melding Betekenis Melding Betekenis Melding Betekenis Bespreek tijd voor onderhoud Het is tijd om een afspraak te maken voor een servicebeurt – bezoek een werkplaatsB. Versnellingsbak Beperkte werking Tijdelijk uitgeschakeldA Tijd voor periodiek onderhoud Het is tijd voor een servicebeurt – bezoek een werkplaatsB.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening 03 Meldingen - functies MY CAR Met de linker stuurhendel kunt u door de meldingen (p. 114) bladeren die op het informatiedisplay van het instrumentenpaneel verschijnen en deze bevestigen. MY CAR is een menugroep voor hantering van tal van autofuncties, zoals City Safety™, sloten en alarm, automatische ventilatorsnelheid, klokinstelling e.d.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening is afhankelijk van de gekozen uitrusting en de desbetreffende markt. MY CAR - opent het menusysteem MY CAR. OK/MENU - knop op de middenconsole indrukken of het duimwiel op het stuurwiel om de gemarkeerde menu-optie te kiezen/aan te vinken of de gekozen functie in het geheugen op te slaan. De boordcomputer van de auto kan tijdens het rijden informatie registreren, berekenen en tonen.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening || Groepsmenu’s De boordcomputer heeft twee verschillende groepsmenu’s: • • 03 Functies Rubriek op instrumentenpaneel De functies of alternatieve rubrieken van de boordcomputer volgen elkaar op in elk hun eigen lus (loop). Gerelateerde informatie • • 118 Boordcomputer - rijstatistiek* (p. 128) Boordcomputer - aanvullende informatie (p. 127) * Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Boordcomputer - analoog instrumentenpaneel De menu’s van de boordcomputer volgens elkaar op in een eindeloze lus. Een van opties bestaat erin dat het boordcomputerdisplay dooft – dit geeft tevens het begin/eind van de lus aan. Functies Doe het volgende om functies te openen en regelen/aanpassen: 1. Om er zeker van te zijn dat geen van de bedieningselementen zich midden in een procedure bevindt, moet u ze eerst ‘resetten’ met twee keer drukken op RESET. 2.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening || 03 Functies Informatie Digit. snlhd. Geeft de rijsnelheid digitaal weer in het midden van het instrumentenpaneel: • • • • km/h mph Open een functie met OK, kies een optie met het duimwiel, bevestig met OK en verlaat de functie met RESET. Geen aanduiding Verwarming* • • DIRECTE START • - Timer 2 - voert naar het menu voor selectie van het tijdstip.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening A Functies Informatie OliepeilA Voor meer informatie, zie Motorolie - controleren en bijvullen (p. 384). Meldingen (##) Voor meer informatie, zie Meldingen - functies (p. 116). Bepaalde motoren. Rubrieken U kunt een van de rubrieken in de volgende tabel uitkiezen voor constante weergave op het instrumentenpaneel. Doe het volgende om een keuze te maken: 1.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening || Resetten - Dagtellers en Gemiddelde snelheid Met de actuele boordcomputerrubriek – T1 en tot afst, T2 en tot afst of Gem. snelh. – op het instrumentenpaneel: • 03 RESET lang indrukken - gekozen rubriek wordt op nul gesteld. U moet iedere rubriek apart op nul stellen. Gerelateerde informatie • • • 122 Boordcomputer (p. 117) Boordcomputer - aanvullende informatie (p. 127) Boordcomputer - rijstatistiek* (p.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Boordcomputer - digitaal instrumentenpaneel De menu’s van de boordcomputer volgens elkaar op in een eindeloze lus. Een van opties bestaat erin dat alle drie de boordcomputerdisplays doven – dit geeft tevens het begin/ eind van de lus aan. Functies Doe het volgende om functies te openen en regelen/aanpassen: 1. Om er zeker van te zijn dat geen van de bedieningselementen zich midden in een procedure bevindt, moet u ze eerst ‘resetten’ met twee keer drukken op RESET.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening || Functies Informatie Boordcomp reset NB Bij deze functie worden de beide dagtellers T1 en T2 niet op nul gesteld - zie tabel in het volgende gedeelte ‘Rubrieken’ en het gedeelte ‘Op nul stellen - Snelheid/Verbruik gemiddeld’ voor informatie hierover. • • 03 Gemiddeld Gemiddelde snelheid Meldingen Voor meer informatie, zie Meldingen - functies (p. 116). Thema's Hier kiest u het uiterlijk van het instrumentenpaneel (p. 66).
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Rubrieken U kunt een van de rubriekcombinaties in de volgende tabel uitkiezen voor constante weergave op het instrumentenpaneel. Doe het volgende om een keuze te maken: 1. Om er zeker van te zijn dat geen van de bedieningselementen zich midden in een procedure bevindt, moet u ze eerst ‘resetten’ met twee keer drukken op RESET. 03 2. Draai aan het duimwiel - de te kiezen rubriekcombinaties worden in een lus weergegeven.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening || • RESET lang indrukken - gekozen dagteller wordt op nul gesteld. Op nul stellen - Snelheid/Verbruik gemiddeld 1. Kies de functie Boordcomp reset en activeer deze met OK. 03 2. Kies een van de volgende opties met het duimwiel en activeer deze met OK: • • • l/100 km km/h Allebei resetten 3. Sluit af met RESET. Gerelateerde informatie 126 • Boordcomputer - aanvullende informatie (p. 127) • Boordcomputer - rijstatistiek* (p.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Boordcomputer - aanvullende informatie Hier volgt aanvullende informatie over enkele functies. Gemiddeld Het gemiddelde brandstofverbruik sinds de laatste maal dat de waarde op nul gesteld werd. U kunt verschillende eenheden (km/miles) kiezen voor de aanduiding – zie het onderdeel ‘Eenheid wijzigen’ (p. 127). Geldt voor Bi-Fuel*-model N.B. Geldt voor Bi-Fuel*-model De aanduiding voor de actieradius op de tankinhoud geldt alleen voor een benzinetank.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Boordcomputer - rijstatistiek* Bediening Er wordt informatie vastgelegd over het gemiddelde brandstofverbruik en de gemiddelde snelheid tijdens eerdere ritten. Deze informatie is weer te geven op het beeldscherm in de vorm van een staafdiagram. Er zijn verschillende instellingen mogelijk in het menusysteem MY CAR, zie MY CAR (p. 116) – ga naar Verbruiksinfo. Functie 03 Met de optie ‘Resetten als motor min.
KLIMAAT
04 Klimaat Algemene informatie over de klimaatregeling De auto is voorzien van elektronische klimaatregeling (p. 136). De klimaatregeling zorgt ervoor dat de lucht in het interieur gekoeld, verwarmd of van vocht ontdaan wordt. N.B. Airconditioning (AC) (p. 139) uitschakelen, maar voor optimaal klimaatcomfort in de passagiersruimte en om te voorkomen dat de ruiten beslaan dient u de airconditioning altijd te laten aanstaan.
04 Klimaat Werkelijke temperatuur Sensoren - klimaat Luchtkwaliteit De ingestelde interieurtemperatuur komt overeen met de gevoelstemperatuur op basis van de heersende omstandigheden in en rond de auto wat de buitentemperatuur, de luchtsnelheid, de luchtvochtigheidsgraad, de ingestraalde warmte enz. betreft. De klimaatregeling beschikt over enkele sensoren om de temperatuur (p. 131) in de auto te regelen.
04 Klimaat Luchtkwaliteit - interieurfilter Alle lucht die de passagiersruimte binnenkomt wordt gereinigd door een filter. Vervang het filter regelmatig. Raadpleeg het Serviceprogramma van Volvo voor het aanbevolen vervangingsinterval. In zeer sterk verontreinigde gebieden moet u het filter mogelijk vaker vervangen.
04 Klimaat Luchtkwaliteit - IAQS* Het Interior Air Quality System (IAQS) ontdoet de binnenkomende lucht van gassen en stofdeeltjes om zo hinderlijke geurtjes en verontreinigingen in de passagiersruimte te beperken. Als de Air Quality Sensor een verhoogde concentratie van verontreinigingen in de buitenlucht meet, wordt de luchtinlaat afgesloten waarna de lucht in de passagiersruimte wordt gerecirculeerd. Het systeem is te activeren/deactiveren in het menusysteem MY CAR.
04 Klimaat 04 Menu-instellingen - klimaat Luchtverdeling passagiersruimte Via de middenconsole is het mogelijk de basisinstellingen voor zes van de klimaatregelingsfuncties te activeren/deactiveren of wijzigen. De binnenkomende lucht wordt verdeeld over uiteenlopende blaasmonden verspreid over het interieur. • Ventilatorstand bij automatische klimaatregeling (p. 138). • • Recirculatietimer (p. 141). • • • Automatische achterruitverwarming (p. 109). Interior Air Quality System * (p. 133).
04 Klimaat Blaasmonden in portierstijlen Luchtverdeling Dicht Luchtverdeling - ontwaseming voorruit Open Luchtverdeling - blaasmond dashboard Luchtstroom naar links of rechts Luchtverdeling - ventilatie vloer Luchtstroom omhoog of omlaag Richt de blaasmonden bij koud weer op de achterste zijruiten om deze te ontwasemen. Richt de blaasmonden, bij warm weer, naar binnen toe voor een behaaglijke temperatuur achter in de auto. N.B.
04 Klimaat Elektronische klimaatregeling, ECC ECC (Electronic Climate Control) handhaaft de temperatuur die in het interieur wordt gekozen en kan voor de bestuurders- en passagierszijde apart worden ingesteld. 04 Temperatuurregeling (p. 139), links Elektrische voorstoelverwarming (p. 137), rechterkant Elektrische voorstoelverwarming (p. 137), linkerkant Temperatuurregeling (p. 139), rechts Elektrische voorruitverwarming* en maximale ontwaseming (p. 140) Recirculatie (p. 141) ECO* (p.
04 Klimaat Elektrisch verwarmde voorstoelen* • De verwarming van de voorstoelen heeft drie standen om het zitcomfort voor bestuurder en voorpassagier bij kou te verhogen. Laagste verwarmingsstand - er brandt één oranje veld op het beeldscherm. • Verwarming uitschakelen - geen van de velden brandt. WAARSCHUWING Elektrisch verwarmde achterbank* De verwarming voor de buitenste plaatsen van de achterbank1 heeft drie standen om het comfort voor passagiers te verhogen als het koud is.
04 Klimaat || WAARSCHUWING Een elektrisch verwarmde stoel mag niet worden gebruikt door personen die niet goed kunnen voelen dat de temperatuur toeneemt of die om een andere reden moeilijkheden hebben om de elektrisch verwarmde stoel te bedienen. Er kunnen dan namelijk brandwonden ontstaan. Gerelateerde informatie 04 • Algemene informatie over de klimaatregeling (p. 130) • Elektrisch verwarmde voorstoelen* (p.
04 Klimaat Temperatuurregeling passagiersruimte Bij het starten van de motor wordt de laatst verrichte temperatuurinstelling hervat. N.B. Het is niet mogelijk om het opwarmen/ afkoelen te versnellen door een hogere/ lagere temperatuur te kiezen dan die eigenlijk gewenst is. Gerelateerde informatie • Algemene informatie over de klimaatregeling (p. 130) • • Werkelijke temperatuur (p. 131) Elektronische klimaatregeling, ECC (p.
04 Klimaat Voorruit ontwasemen en ontdooien U kunt de elektrische voorruitverwarming* en de maximale ontwaseming gebruiken om de vooruit en zijruiten snel te ontwasemen en ontdooien. Voor auto’s zonder elektrische voorruitverwarming: • Er stroomt lucht naar de ruiten - op het beeldscherm brandt het symbool (2). • Functie uitschakelen - geen van de symbolen brandt. Voor auto’s met elektrische voorruitverwarming: 04 Het beeldscherm van de middenconsole geeft de gekozen instelling aan.
04 Klimaat Luchtverdeling - recirculatie Kies voor recirculatie als u vieze luchtjes, uitlaatgassen en dergelijke buiten wilt houden. Er komt met andere woorden geen lucht van buiten de auto in, wanneer deze functie actief is. Wanneer de recirculatie actief is, brandt het oranje lampje in de knop. N.B. Wanneer u voor maximale ontwaseming kiest, wordt de recirculatie altijd uitgeschakeld. Gerelateerde informatie • Algemene informatie over de klimaatregeling (p.
04 Klimaat Luchtverdeling - tabel Met drie knoppen kiest u de gewenste luchtverdeling (p. 134). 04 142 Luchtverdeling Toepassing Lucht naar de ruiten. Er komt een bepaalde hoeveelheid lucht uit de blaasmonden. De lucht wordt niet gerecirculeerd. De airconditioning is altijd ingeschakeld. om snel te ontdooien en te ontwasemen. Lucht naar de voorruit, via de blaasmond voor ontwaseming, en de zijruiten. Er komt een bepaalde hoeveelheid lucht uit de blaasmonden.
04 Klimaat Luchtverdeling Toepassing Lucht naar de vloer en de ruiten. Er komt een bepaalde hoeveelheid lucht uit de blaasmonden in het dashboard. om een comfortabel klimaat en een goede ontwaseming te verkrijgen bij koud weer. Lucht naar de vloer en uit de blaasmonden in het dashboard. bij zonnig weer en matige buitentemperaturen. 04 Lucht naar de vloer. Er komt een bepaalde hoeveelheid lucht uit de blaasmonden in het dashboard en op de ruiten. om warme of koude lucht naar de vloer te sturen.
04 Klimaat Motor- en interieurverwarming* Tanken Met preconditioning bereidt de verwarming de motor en het interieur voor om de slijtage en het stroomverbruik tijdens de rit te beperken. ming automatisch uitgeschakeld en verschijnt er een melding op het informatiedisplay. Bevestig deze melding door op de OK-knop op de richtingaanwijzerhendel (p. 113) te drukken. De verwarming is direct (p. 145) in te schakelen of vertraagd met een timerfunctie (p. 146).
04 Klimaat Motor- en interieurverwarming* direct inschakelen Directe start via transpondersleutel* De motor- en interieurverwarming zijn direct in te schakelen. Directe start is mogelijk via: • • • het informatiedisplay een transpondersleutel* een mobiele telefoon*. De verwarmingsstatus verschijnt ook op de boordcomputer. Bij directe inschakeling van de motor- en interieurverwarming (p. 144) blijft de verwarming 50 minuten lang draaien.
04 Klimaat Motor- en interieurverwarming* direct uitschakelen Motor- en interieurverwarming* timers 4. Druk kort op OK zodat de uuraanduiding gaat branden. De motor- en interieurverwarming is direct uit te schakelen via het informatiedisplay. De timers van de motor- en interieurverwarming (p. 144) zijn gekoppeld aan de klok van de auto. 5. Stel de gewenste uuraanduiding in met het duimwiel. 1. Druk op de knop OK om het menu te openen. 2. Ga met het duimwiel naar Verwarming en maak een keuze met OK. 3.
04 Klimaat Uitschakelen U kunt de timergestuurde verwarming uitschakelen voordat de timer dat doet. Ga als volgt te werk: 1. Druk op de knop OK om het menu te openen. 2. Ga met het duimwiel naar Verwarming en maak een keuze met OK. > Als een timer ingesteld maar niet actief is, staat er een kloksymbool naast de ingestelde tijd. 3. Kies een van de beide timers met het duimwiel en bevestig uw keuze met OK. 04 4.
04 Klimaat Motor- en interieurverwarming* meldingen Wanneer een van de timers geactiveerd is, brandt het symbool voor een geactiveerde timer op het display met de ingestelde tijd ernaast. Symbolen en displaymeldingen ten aan zien van de motor- en interieurverwarming (p. 144) verschillen afhankelijk van de vraag of het om een analoog of digitaal instrumentenpaneel (p. 66) gaat. Symbool voor een geactiveerde timer op een analoog instrumentenpaneel.
04 Klimaat Symbool Melding Betekenis Brandstofkachel gestopt Brandstofpeil laag De verwarming kan niet worden geactiveerd door een te laag brandstofpeil – dit om het mogelijk te maken de motor te starten en nog ca. 50 km te rijden. Brandstofkachel Service vereist Verwarming defect. Neem voor reparatie contact op met een werkplaats. Volvo adviseert u contact op te nemen met een erkende Volvo-werkplaats. Een displaymelding verdwijnt automatisch na enige tijd.
04 Klimaat Extra verwarming* Extra verwarming op brandstof* In landen met een koud is wellicht een extra verwarming vereist om de motor op bedrijfstemperatuur te brengen en een behaaglijke temperatuur in de passagiersruimte te realiseren. De auto is uitgerust met een extra verwarming (p. 150) op stroom (p. 151) of op brandstof. Op auto’s met een dieselmotor is een extra verwarming op brandstof (p. 150) gemonteerd.
04 Klimaat Extra verwarming op stroom* De auto is uitgerust met een extra verwarming (p. 150) op brandstof (p. 150). De verwarming is niet handmatig te regelen, maar wordt nadat de motor is aangeslagen automatisch geactiveerd bij buitentemperaturen lager dan 14 °C en wordt gedeactiveerd wanneer de ingestelde interieurtemperatuur is bereikt. Gerelateerde informatie • Motor- en interieurverwarming* (p. 144) 04 * Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
LAAD- EN OPBERGMOGELIJKHEDEN
05 Laad- en opbergmogelijkheden Opbergmogelijkheden Overzicht van opbergmogelijkheden in passagiersruimte 05 }} 153
05 Laad- en opbergmogelijkheden || Opbergvak in portierpaneel Opbergzak* aan de voorkant van de voorstoelzittingen Parkeerkaarthouder Dashboardkastje (p. 155) Opbergvak Opbergvakken, bekerhouder (p. 155) Bekerhouder* in armsteun, achterbank Opbergvak WAARSCHUWING 05 154 Bewaar losse voorwerpen, zoals een mobiele telefoon, camera, afstandsbediening voor extra uitrusting e.d., in het dashboardkastje of andere opbergruimten. Bij krachtig afremmen of een botsing kunnen deze anders inzittenden verwonden.
05 Laad- en opbergmogelijkheden Middenconsole Middenconsole - aansteker en asbak* Dashboardkastje De middenconsole zit tussen de voorstoelen. In bekerhouder onder de middenarmsteun zit een uitneembare asbak. De aansteker zit in de 12V-aansluiting (p. 156) voor de voorpassagiers. Het dashboardkastje zit aan de passagierszijde. De asbak in de middenconsole (p. 155) is te verwijderen door deze recht omhoog te tillen. U activeert de aansteker door de knop in te drukken.
05 Laad- en opbergmogelijkheden Inlegmatten* Make-upspiegel Middenconsole - 12V-aansluiting De inlegmatten vangen bijvoorbeeld vuil en natte sneeuw op. Volvo biedt inlegmatten die speciaal vervaardigd zijn. De make-upspiegel zit aan de achterkant van de zonneklep. De elektrische aansluitingen (12 V) vindt u naast de bekerhouder1 en achter in de middenconsole.
05 Laad- en opbergmogelijkheden U kunt de elektrische aansluiting voor verschillende accessoires gebruiken die op een spanning van 12 V werken, zoals beeldschermen, mediaspelers of mobiele telefoons. De transpondersleutel moet ten minste in sleutelstand I (p. 83) staan, anders geeft de aansluiting geen stroom. BELANGRIJK U kunt maximaal 10 A (120 W) via de aansluiting afnemen bij gebruik van één aansluiting tegelijk.
05 Laad- en opbergmogelijkheden || • Dek scherpe randen met iets zachts af om de bekleding te beschermen. • Zet alle bagage met riemen of bevestigingsbanden aan de verankeringsogen vast. WAARSCHUWING Zorg dat u de bagage altijd goed verankert. Bij krachtig remmen kan de bagage namelijk gaan schuiven en inzittenden verwonden. Dek scherpe randen en hoeken af met iets zachts.
05 Laad- en opbergmogelijkheden Lading op het dak Verankeringsogen Voor vervoer van lading op het dak adviseren we u de door Volvo ontwikkelde lastdragers. Dit om schade aan de auto te voorkomen en voor maximale veiligheid tijdens het rijden. De inklapbare verankeringsogen in de bagageruimte gebruikt u om bagagebanden aan vast te zetten. Volg de montage-instructies die bij de lastdragers worden geleverd nauwkeurig op. • Controleer regelmatig of de lastdragers en de lading goed vastzitten.
05 Laad- en opbergmogelijkheden 12V-aansluiting - bagageruimte* N.B. U kunt de elektrische aansluiting voor verschillende accessoires gebruiken die op een spanning van 12 V werken, zoals beeldschermen, mediaspelers of mobiele telefoons. De compressor van de noodreparatieset voor banden is door Volvo getest en goedgekeurd. Voor informatie over het gebruik van de aanbevolen noodreparatieset voor banden (TMK) van Volvo, zie Noodreparatieset voor banden (p. 362).
05 Laad- en opbergmogelijkheden Veiligheidsnet gebruiken Het net kan ook worden gebruikt wanneer de ruggedeelten van de achterbank neergeklapt zijn. Tweedelige veiligheidsnetcassette verwijderen 1. Rol het tweedelige veiligheidsnet op door de procedure onder het kopje “Veiligheidsnet gebruiken” in omgekeerde volgorde uit te voeren. 2. Klap de beide ruggedeelten van de achterbank voorover. Monteer de tweedelige veiligheidsnetcassette achter op het ruggedeelte van de achterbank.
05 Laad- en opbergmogelijkheden Bagagenet* plus bagagerolhoes Veiligheidsrek Een bagagenet voorkomt dat bagage in de bagageruimte bij krachtig afremmen de passagiersruimte in worden geslingerd. Een veiligheidsrek voorkomt dat bagage of huisdieren in de bagageruimte bij krachtig afremmen de passagiersruimte in worden geslingerd. het plafond op te klappen is en zo niet in de weg zit als u de bagageruimte wenst te verlengen. U kunt het veiligheidsrek desgewenst demonteren en uit de auto nemen.
05 Laad- en opbergmogelijkheden Bagagerolhoes Duw beide kanten vast. De rolhoes moet hoorbaar vastklikken en de rode markering moet verdwijnen. > Controleer of beide eindstukken vergrendeld zijn. Bagagerolhoes verwijderen 1. Duw op de knop van het ene eindstuk en til het uit de holte. 2. Kantel de rolhoes voorzichtig omhoog en naar buiten, zodat het andere eindstuk automatisch loskomt.
SLOTEN EN ALARM
06 Sloten en alarm Transpondersleutel U gebruikt de transpondersleutel voor onder meer vergrendelen/ontgrendelen en het starten van de motor. Er zijn twee transpondersleutelvarianten: een transpondersleutel in basisuitvoering en een transpondersleutel met PCC (Personal Car Communicator)*. Functies Vergrendelen/ ontgrendelen en afneembaar sleutelblad A B BasisA X met PCCB Alle transpondersleutel zijn voorzien van een afneembaar sleutelblad (p. 173) van metaal.
06 Sloten en alarm Transpondersleutel - personalisering* Dankzij het sleutelgeheugen van de transpondersleutel (p. 165) zijn bepaalde instellingen van de auto te personaliseren. Het sleutelgeheugen is te gebruiken voor de elektrische bedienbare* bestuurdersstoel. Instellingen voor de buitenspiegels (p. 107), bestuurdersstoel, stuurbekrachtiging (p. 194) alsook de thema-, contrast- en kleurinstellingen (p.
06 Sloten en alarm pen 1–3, zie Voorstoelen - elektrisch bediend* (p. 85). • Zet de stoel en de buitenspiegels handmatig in de juiste stand, zie Voorstoelen elektrisch bediend* (p. 85) en Buitenspiegels (p. 107). Instellingen herstellen Wanneer automatische hervergrendeling van de auto plaatsvindt omdat deze 30 minuten onvergrendeld heeft gestaan, wordt het sleutelgeheugen gedeactiveerd en in plaats daarvan een standaardbestuurdersprofiel gehanteerd.
06 Sloten en alarm Vergrendelingsindicatie Elektronische startblokkering Een knipperende diode bij de voorruit geeft aan dat de auto is vergrendeld. De elektronische startblokkering is een antidiefstalsysteem dat voorkomt dat onbevoegden de auto kunnen starten. Elke transpondersleutel (p. 165) heeft zijn eigen, unieke code. U kunt de auto alleen starten, wanneer u een transpondersleutel met de juiste code gebruikt.
06 Sloten en alarm Op afstand bediende startblokkering met opsporingssysteem* De op afstand bediende startblokkering met opsporingssysteem4 maakt het mogelijk om de auto op te sporen en te lokaliseren alsmede op afstand de startblokkering te activeren, zodat de motor afslaat. Transpondersleutel - functies De transpondersleutel in basisuitvoering heeft functies voor bijvoorbeeld vergrendeling en ontgrendeling van de portieren.
06 Sloten en alarm || Bij lang indrukken worden alle zijruiten tegelijkertijd geopend. Voor meer informatie, zie Doorluchtfunctie (p. 184). De gelijktijdige ontgrendeling van alle portieren is dusdanig te wijzigen dat bij eenmaal indrukken van de knop eerst het bestuurdersportier ontgrendeld wordt en bij de tweede maal indrukken – één en ander binnen tien seconden – de resterende portieren te ontgrendelen. deze functie na ca. 3 minuten automatisch uitgeschakeld.
06 Sloten en alarm Gerelateerde informatie • • Transpondersleutel (p. 165) Transpondersleutel - functies (p. 169) Transpondersleutel met PCC* unieke functies Een transpondersleutel met PCC heeft extra functies ten opzichte van een transpondersleutel in basisuitvoering (p. 165) in de vorm van een informatieknop en controlelampjes. Gebruik van de informatietoets – Druk op de informatietoets . > Ca. 7 seconden lang lichten de controlesymbolen op de transpondersleutel om de beurt op.
06 Sloten en alarm || Transpondersleutel met PCC* - bereik N.B. Een transpondersleutel met PCC (Personal Car Communicator) heeft voor vergrendeling en ontgrendeling van de portieren en de achterklep een bereik van ca. 20 meter en ca. 100 meter voor de overige functies.
06 Sloten en alarm Afneembaar sleutelblad De transpondersleutel bevat een afneembaar metalen sleutelblad waarmee u enkele functies kunt activeren en bepaalde handelingen kunt uitvoeren. De unieke code van de sleutelbladen is bekend bij de erkende Volvo-werkplaatsen, waar ook nieuwe sleutelbladen kunnen worden besteld. Afneembaar sleutelblad - verwijderen/ aanbrengen Het verwijderen/aanbrengen van het afneembare sleutelblad (p.
06 Sloten en alarm Afneembaar sleutelblad - portier ontgrendelen Het afneembare sleutelblad (p. 173) kan worden gebruikt als de centrale vergrendeling niet kan worden geactiveerd met de transpondersleutel (p. 165), bijvoorbeeld als de batterij van de sleutel leeg is. Als de centrale vergrendeling niet op de transpondersleutel reageert (omdat de batterijen bijvoorbeeld leeg zijn), kunt u het linker voorportier op de volgende manier ontgrendelen en openen: Gerelateerde informatie • • Transpondersleutel (p.
06 Sloten en alarm Activeren/deactiveren N.B. Plaats het sleutelblad niet terug op de transpondersleutel, maar berg het goed op. • Om alleen het dashboardkastje te vergrendelen, zie Vergrendelen/ontgrendelen - dashboardkastje (p. 184). G017870 Vergrendelingspunten voor transpondersleutel zonder sleutelblad (Privacy locking geactiveerd). Dit betekent dat de transpondersleutel zonder het sleutelblad alleen kan worden gebruikt om het alarm (p.
06 Sloten en alarm Transpondersleutel - batterij vervangen N.B. Keer de transpondersleutel met de knoppen naar boven om te voorkomen dat de batterijen eruit vallen als deze wordt geopend. U moet de batterij5 in de transpondersleutel mogelijk vervangen.
06 Sloten en alarm Batterijtype Keyless Drive* Gebruik batterijen met de aanduiding CR2430, 3 V (één in een transpondersleutel in basisuitvoering, twee in een transpondersleutel met PCC). Auto’s uitgerust met Keyless Drive zijn voorzien van een start- en vergrendelingssysteem dat zonder sleutels werkt. N.B. Volvo adviseert u om batterijen voor de transpondersleutel/PCC te gebruiken die voldoen aan UN Manual of Test and Criteria, Part III, sub-section 38.3.
06 Sloten en alarm || II (p. 83) actief is of alle portieren worden gesloten, verschijnt er een waarschuwingsmelding op het informatiedisplay van het instrumentenpaneel en klinkt er een geluidssignaal. Wanneer de transpondersleutel weer in de auto wordt geplaatst, dooft de waarschuwingsmelding en houdt het geluidssignaal op als: • • er is een portier geopend of gesloten; • de OK-knop is ingedrukt.
06 Sloten en alarm Keyless Drive* - vergrendelen Auto’s met Keyless Drive zijn voorzien van een aanraakgevoelige zone op de buitenhandgreep van de portieren alsook een met rubber beklede knop naast het eveneens met rubber beklede drukplaatje voor ontgrendeling/ vergrendeling op de achterklep. Alle portieren inclusief de achterklep moeten zijn gesloten, voordat u de auto kunt vergrendelen – de auto wordt anders niet vergrendeld. N.B.
06 Sloten en alarm Keyless Drive* - ontgrendelen met sleutelblad Als de centrale vergrendeling niet op de transpondersleutel reageert (omdat de batterijen bijvoorbeeld leeg zijn), kunt u het linker voorportier ontgrendelen of vergrendelen met het afneembare sleutelblad. De vergrendelingsinstellingen voor auto’s met het Keyless Drive-systeem zijn aan te passen door in het menusysteem MY CAR aan te geven welke portieren er ontgrendeld moeten worden. 2.
06 Sloten en alarm Keyless Drive* - locatie antennes WAARSCHUWING Auto’s met het Keyless Drive zijn voorzien van een aantal antennes die op verschillende locaties ingebouwd zijn in de auto. Personen met een pacemaker mogen niet dichter dan 22 cm bij de antennes van het Keyless-systeem komen. Hierdoor voorkomt u storingen tussen de pacemaker en het Keyless-systeem.
06 Sloten en alarm || N.B. Let erop dat het alarm afgaat, wanneer het portier na ontgrendeling met het sleutelblad wordt geopend – het alarm wordt uitgeschakeld, wanneer de transpondersleutel in het contactslot wordt geplaatst. WAARSCHUWING Let op het risico van opsluiting in de auto, als u de auto van de buitenzijde vergrendelt – de portieren zijn dan namelijk niet meer van de binnenzijde te openen met de portierhandgrepen. Voor meer informatie, zie Safelock-functie* (p. 186).
06 Sloten en alarm Vergrendelen/ontgrendelen - van de binnenzijde • Alle portieren en de achterklep kunnen tegelijkertijd worden vergrendeld of ontgrendeld met de knop van het bestuurdersportier en het passagiersportier* voor centrale vergrendeling. Bij lang indrukken worden ook alle zijruiten* tegelijkertijd geopend (zie ook Doorluchtfunctie (p. 184)). • Centrale vergrendeling Bij het indrukken van de knop voor cen.
06 Sloten en alarm || beschrijving van het menusysteem, zie MY CAR (p. 116). Gerelateerde informatie • • • Vergrendelen/ontgrendelen - vanaf de buitenkant (p. 181) Doorluchtfunctie Bij warm weer kunt u de doorluchtfunctie gebruiken om alle zijruiten tegelijk korte tijd te openen en weer te sluiten en op die manier snel voor frisse lucht in de auto te zorgen. Vergrendelen/ontgrendelen dashboardkastje Dashboardkastje (p.
06 Sloten en alarm Voor informatie over Privacy locking, zie Privacy locking* (p. 174). Vergrendelen/ontgrendelen achterklep Gerelateerde informatie De achterklep is op meerdere manieren te openen, vergrendelen en ontgrendelen. • Transpondersleutel (p. 165) Handmatig openen BELANGRIJK • De achterklep is met heel weinig kracht te ontgrendelen – druk gewoon lichtjes op het met rubber beklede platje.
06 Sloten en alarm || aan te geven dat de auto niet volledig vergrendeld is en dat de niveausensoren en bewegingsmelders van het alarmsysteem* alsmede de sensoren voor opening van het kofferdeksel buiten werking gesteld zijn. Om de achterklep te ontgrendelen: Safelock-functie* – Bij activering van de Safelock-functie9 worden alle openingshandgrepen mechanisch losgekoppeld, wat het openen van de portieren van zowel de binnen- als de buitenzijde onmogelijk maakt.
06 Sloten en alarm WAARSCHUWING N.B. • Laat niemand in de auto zitten zonder eerst de Safelock-functie te deactiveren om te voorkomen dat u iemand opsluit. Let erop dat het alarm wordt geactiveerd bij vergrendeling van de auto. • Als een van de portieren van de binnenzijde wordt geopend, gaat het alarm af. Bovenstaande geldt als de geblokkeerde vergrendelingsstand niet tijdelijk is gedeactiveerd.
06 Sloten en alarm || Het portier is niet vanaf de binnenzijde te openen. Het portier is zowel vanaf de buitenzijde als vanaf de binnenzijde te openen. WAARSCHUWING Elk van de achterportieren is voorzien van twee vergrendelbussen – verwar de bus voor het kinderslot niet met die voor het handmatige portierslot. N.B. • • 06 188 De vergrendelbus van een portier dient alleen om het desbetreffende portier te vergrendelen – dus niet beide achterportieren.
06 Sloten en alarm Alarm N.B. Het alarm is een systeem dat waarschuwt als er bijvoorbeeld in de auto wordt ingebroken. De bewegingsmelders laten het alarm afgaan bij bewegingen in de passagiersruimte – ook eventuele luchtstromen worden geregistreerd. Het alarm kan dan ook afgaan, als u de auto met een ruit of schuifdak open laat staan of als u de interieurverwarming gebruikt.
06 Sloten en alarm Alarmindicatie De alarmindicatie geeft de status aan van het alarmsysteem (p. 189). Alarmsysteem - automatische herinschakeling Alarmsysteem - transpondersleutel defect De automatische herinschakeling van het alarm voorkomt dat u de auto verlaat zonder het alarmsysteem (p. 189) uit te schakelen. Als u het alarm (p. 189) niet kunt uitschakelen met de transpondersleutel (als bijvoorbeeld de batterij (p.
06 Sloten en alarm Alarmsignalen Beperkt alarmniveau Wanneer het alarm (p. 189) afgaat, klinkt een sirene en knipperen alle richtingaanwijzers. Een beperkt alarmniveau houdt in dat de bewegingsmelders en niveausensoren tijdelijk worden uitgeschakeld. • • Er klinkt een sirene totdat u het alarm uitschakelt. Bij inactiviteit gaat de sirene na 30 seconden lang automatisch uit. De sirene heeft zijn eigen accu en werkt volledig onafhankelijk van de startaccu in de auto.
06 Sloten en alarm || Land/regio China Hongkong Gerelateerde informatie • 06 192 Transpondersleutel (p.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
07 Bestuurdersondersteuning Actief chassis - FOUR-C* Bediening Het actieve chassissysteem FOUR-C (Continously Controlled Chassis Concept) stemt de eigenschappen van de schokdempers af op de gewenste rijeigenschappen van de auto. U hebt de keuze uit drie standen: Comfort, Sport en Advanced. De snelheidsafhankelijke stuurbekrachtiging zorgt ervoor dat de stuurbekrachtiging afneemt naarmate de rijsnelheid oploopt, waardoor u een beter gevoel met de weg krijgt. Op snelwegen stuurt de auto stugger.
07 Bestuurdersondersteuning Elektronische stabiliteitsregeling (ESC) - algemeen De stabiliteitsregeling ESC ((Electronic Stability Control)) helpt u voorkomen dat de wielen doorslippen en verbetert de tractie van de auto. Tijdens het afremmen kunnen de ingrepen van de ESC waarneembaar zijn in de vorm van pulserende geluiden. Tijdens het gas geven kan de auto langzamer optrekken dan u verwacht.
07 Bestuurdersondersteuning Elektronische stabiliteitsregeling (ESC) - bediening Niveau kiezen, Sport-stand De ESC is altijd geactiveerd – uitschakelen is niet mogelijk. U kunt echter de Sportstand kiezen voor een actievere rijervaring. De Sport-stand is te kiezen in het menusysteem MY CAR. Voor een beschrijving van het menusysteem, zie MY CAR (p. 116).
07 Bestuurdersondersteuning Elektronische stabiliteitsregeling (ESC) - symbolen en meldingen Tabel Symbool Melding Betekenis ESC Tijdelijk UIT Wegens een te hoge temperatuur van de remschijven gelden er tijdelijk beperkingen voor het ESC-systeem. Het systeem wordt automatisch opnieuw ingeschakeld, wanneer de remmen voldoende zijn afgekoeld. ESC Service vereist Het ESC-systeem is defect. • • Breng de auto zo spoedig mogelijk tot stilstand, zet de motor af en start deze opnieuw.
07 Bestuurdersondersteuning || Symbool Melding Betekenis Knippert. Het ESC-systeem grijpt in. Brandt continu. De Sport-stand is geactiveerd. NB In deze stand is het ESC niet helemaal uitgeschakeld – er gelden bepaalde beperkingen. Gerelateerde informatie 07 198 • Elektronische stabiliteitsregeling (ESC) algemeen (p. 195) • Elektronische stabiliteitsregeling (ESC) bediening (p.
07 Bestuurdersondersteuning Verkeersbordinformatie (RSI)* WAARSCHUWING Het verkeersbordinformatiesysteem (RSI – Road Sign Information) helpt u onthouden welke snelheidsborden u gepasseerd bent. RSI werkt niet in alle situaties, maar is uitsluitend bedoeld als een aanvullend hulpmiddel. Als bestuurder bent u er altijd verantwoordelijk voor dat u de auto op een veilige manier bestuurt en dat u zich aan de geldende verkeersregels en voorschriften houdt.
07 Bestuurdersondersteuning || Einde snelheidsbeperking of snelweg Aanvullende borden Wanneer het RSI een bord registreert dat het einde van een snelheidsbeperking aangeeft (of andere snelheidsgerelateerde informatie zoals het einde van een snelweg), verschijnt het desbetreffende verkeersbord ca. 10 seconden lang op het instrumentenpaneel: Het snelheidsbord dat aan dit type aanvullend bord is gekoppeld, verschijnt alleen als u de richtingaanwijzer gebruikt.
07 Bestuurdersondersteuning Instelling in MY CAR Speed Alert De beschikbare opties voor het RSI vindt u in het menusysteem MY CAR, zie MY CAR (p. 116). Het verkeersbordinformatiesysteem (RSI – Road Sign Information) helpt u onthouden welke snelheidsborden u gepasseerd bent. Het systeem heeft de volgende beperkingen. Road Sign Information Aan/Uit Het is mogelijk de weergave van snelheidssymbolen op het instrumentenpaneel te deactiveren.
07 Bestuurdersondersteuning Snelheidsbegrenzer Een snelheidsbegrenzer (Speed Limiter) is te beschouwen als een omgekeerde cruisecontrol – u regelt de snelheid met het gaspedaal, terwijl de snelheidsbegrenzer voorkomt dat u per ongeluk de vooraf gekozen/ingestelde snelheid overschrijdt. Overzicht Gerelateerde informatie • Snelheidsbegrenzer - beknopte bedieningsinstructies (p. 202) • Snelheidsbegrenzer - tijdelijk deactiveren en stand-bystand (p.
07 Bestuurdersondersteuning 2. Scrol met de -knop, totdat op het instrumentenpaneel een markering (5) voor de gewenste maximumsnelheid verschijnt. > De snelheidsbegrenzer is daarmee actief en de gekozen maximumsnelheid is daarmee opgeslagen in het geheugen. Gerelateerde informatie • Snelheidsbegrenzer (p. 202) Snelheidsbegrenzer - snelheid wijzigen Opgeslagen snelheid wijzigen U wijzigt de opgeslagen maximumsnelheid door de stuurknop of kort of lang in te drukken.
07 Bestuurdersondersteuning || – Trap het gaspedaal volledig in. > Op het instrumentenpaneel staat de opgeslagen maximumsnelheid met een gekleurde markering (5) en u kunt de ingestelde maximumsnelheid tijdelijk overschrijden – de markering (5) verkleurt dan van GROEN naar WIT. De snelheidsbegrenzer wordt automatisch opnieuw geactiveerd nadat u het gaspedaal hebt losgelaten en de auto is afgeremd tot een snelheid onder de gekozen/opgeslagen maximumsnelheid.
07 Bestuurdersondersteuning Snelheidsbegrenzer - uitschakelen Cruisecontrol* Een snelheidsbegrenzer (Speed Limiter) is te beschouwen als een omgekeerde cruisecontrol – u regelt de snelheid met het gaspedaal, terwijl de snelheidsbegrenzer voorkomt dat u per ongeluk de vooraf gekozen/ingestelde snelheid overschrijdt.
07 Bestuurdersondersteuning || WAARSCHUWING De bestuurder dient altijd rekening te houden met de verkeersomstandigheden en in te grijpen, wanneer de cruisecontrol geen passende snelheid en/of afstand aanhoudt. Als bestuurder bent u er altijd verantwoordelijk voor dat u de auto op een veilige manier bestuurt. Gerelateerde informatie • • Cruisecontrol* - snelheid regelen (p. 206) • Cruisecontrol* - ingestelde snelheid hervatten (p. 207) • • Cruisecontrol* - uitschakelen (p.
07 Bestuurdersondersteuning Snelheidsbegrenzer* tijdelijk deactiveren en stand-bystand laatst opgeslagen snelheid zodra u het gaspedaal loslaat. Cruisecontrol* - ingestelde snelheid hervatten Het systeem is tijdelijk te activeren en in de stand-bystand te zetten. Automatische stand-bystand De cruisecontrol (CC – Cruise Control) helpt u een gelijkmatige snelheid aan te houden.
07 Bestuurdersondersteuning Cruisecontrol* - uitschakelen Hier volgt een beschrijving van hoe u het systeem uitschakelt. De cruisecontrol wordt uitgeschakeld met de stuurtoets (1) of bij het afzetten van de motor: de ingestelde/opgeslagen snelheid wordt daarbij gewist waarna deze niet meer te her. vatten is met de toets Gerelateerde informatie • • • • Cruisecontrol* (p. 205) Cruisecontrol* - snelheid regelen (p. 206) Snelheidsbegrenzer* tijdelijk deactiveren en stand-bystand (p.
07 Bestuurdersondersteuning Automatische versnellingsbak Adaptieve cruisecontrol* - functie Bij auto’s met een automatische versnellingsbak is de adaptieve cruisecontrol uitgebreid met een zogeheten file-assistent (p. 215). Deze bestaat uit een cruisecontrol die gekoppeld is aan een afstandshouder. Gerelateerde informatie • • Adaptieve cruisecontrol* - snelheid regelen (p. 212) • Adaptieve cruisecontrol* - tijdsverschil instellen (p.
07 Bestuurdersondersteuning || WAARSCHUWING Het rempedaal beweegt, wanneer de adaptieve cruisecontrol remt. Laat uw voet niet onder het rempedaal rusten – deze kan bekneld raken. De adaptieve cruisecontrol streeft ernaar het door u ingestelde tijdsverschil (p. 213) ten opzichte van voorliggers in dezelfde rijstrook aan te houden. Als de radarsensor geen voorligger registreert, houdt de auto in plaats daarvan de snelheid aan die op de cruisecontrol werd ingesteld.
07 Bestuurdersondersteuning Gerelateerde informatie • • Adaptieve cruisecontrol - ACC* (p. 208) • Adaptieve cruisecontrol* - een ander voertuig inhalen (p. 215) Adaptieve cruisecontrol* - uitschakelen (p. 215) Adaptieve cruisecontrol* - overzicht De bediening van de adaptieve cruisecontrol en de stuurtoetsen varieert, afhankelijk van of de auto wel of niet met een snelheidsbegrenzer9 is uitgerust. Adaptieve cruisecontrol met snelheidsbegrenzer Cruisecontrol – Aan/Uit.
07 Bestuurdersondersteuning || Tijdsverschil ACC is actief bij GROEN symbool (WIT = stand-by). Gerelateerde informatie • • • Adaptieve cruisecontrol - ACC* (p. 208) Adaptieve cruisecontrol* - snelheid regelen Om de ACC te starten: • Adaptieve cruisecontrol* - functie (p. 209) Adaptieve cruisecontrol* - symbolen en meldingen (p. 221) Druk op de stuurtoets – op het instrumentenpaneel (8) gaat een vergelijkbaar WIT symbool branden om aan te geven dat de adaptieve cruisecontrol stand-by (p. 214) staat.
07 Bestuurdersondersteuning instelling ongewijzigd – de auto hervat de laatst opgeslagen snelheid zodra u het gaspedaal loslaat. N.B. Als u een knop van de adaptieve cruisecontrol meerdere minuten ingedrukt houdt, wordt de cruisecontrol geblokkeerd en uitgeschakeld. Om de cruisecontrol dan weer te kunnen activeren moet u de auto tot stilstand brengen en de motor opnieuw starten.
07 Bestuurdersondersteuning Adaptieve cruisecontrol* - tijdelijke deactivering en stand-by De adaptieve cruisecontrol is tijdelijk te deactiveren en stand-by te zetten. Tijdelijke deactivering/stand-bystand – met snelheidsbegrenzer Om de adaptieve cruisecontrol tijdelijk uit te schakelen en stand-by te zetten: • Druk op de stuurtoets Dit symbool en de markering van de opslagen snelheid verkleuren dan van GROEN naar WIT.
07 Bestuurdersondersteuning Adaptieve cruisecontrol* - een ander voertuig inhalen Adaptieve cruisecontrol* uitschakelen Adaptieve cruisecontrol* - Fileassistent Als u achter een voorligger rijdt en u met de richtingaanwijzer12 aangeeft te willen inhalen, helpt de cruisecontrol door de auto kort te versnellen ten opzichte van de voorligger. Toetsenset met snelheidsbegrenzer File-assistent is een aanvulling op de adaptieve cruisecontrol die ook bij snelheden onder 30 km/h werkt.
07 Bestuurdersondersteuning || Groter snelheidsinterval > De adaptieve cruisecontrol zal dan de voorligger opnieuw volgen. N.B. Om de adaptieve cruisecontrol te kunnen activeren moet u het bestuurdersportier hebben gesloten en de veiligheidsgordel hebben omgedaan. Met een automatische versnellingsbak kan de adaptieve cruisecontrol een voorligger volgen in het interval 0–200 km/h. N.B. N.B.
07 Bestuurdersondersteuning De File-assistent los in de volgende gevallen de remmen en zet de adaptieve cruisecontrol stand-by: • • • • u bedient het rempedaal u zet de parkeerrem aan u zet de keuzehendel in stand P, N of R u de adaptieve cruisecontrol stand-by zet.
07 Bestuurdersondersteuning Radarsensor De radarsensor dient om personenauto’s of grotere voertuigen te registreren die in dezelfde richting als u en in dezelfde rijstrook rijden.
07 Bestuurdersondersteuning WAARSCHUWING WAARSCHUWING De bestuurder dient altijd rekening te houden met de verkeersomstandigheden en in te grijpen, wanneer de adaptieve cruisecontrol geen passende snelheid of afstand aanhoudt. De adaptieve cruisecontrol is geen systeem dat botsingen voorkomt. Grijp zelf in zodra u merkt dat het systeem een voorligger niet registreert. De adaptieve cruisecontrol reageert niet op voetgangers of dieren noch op kleinere voertuigen, zoals fietsen of motorfietsen e.d.
07 Bestuurdersondersteuning Adaptieve cruisecontrol* - storingen opsporen en verhelpen Als op het instrumentenpaneel de melding Radar afgedekt Zie instructieboekje ver- Deze melding geeft aan dat de Afstandswaarschuwing (p. 223) of Collision Warning met Auto Brak (p. 233) evenmin werken. Maatregel Het radaroppervlak van de grille is vuil of bedekt met sneeuw of ijs. Ontdoe het radaroppervlak van de grille van vuil, sneeuw en ijs. De radarsignalen worden gehinderd door hevige regen- of sneeuwval.
07 Bestuurdersondersteuning Adaptieve cruisecontrol* - symbolen en meldingen ziet u een paar voorbeelden - volg in die gevallen het gegeven advies op: Soms kan de adaptieve cruisecontrol een symbool en/of een melding weergeven. Hier Symbool Melding Betekenis Het symbool is GROEN De auto houdt de opgeslagen snelheid aan. Het symbool is WIT De adaptieve cruisecontrol staat stand-by. De standaard cruisecontrol is handmatig gekozen.
07 Bestuurdersondersteuning || Symbool Melding Radar afgedekt Zie instructieboekje Betekenis De adaptieve cruisecontrol werkt tijdelijk niet. • De radarsensor kan geen andere voertuigen registreren. Bijvoorbeeld wanneer deze wordt gehinderd door hevige regenval of als sneeuwmodder of andere verontreinigingen de radarsensor afdekken. U kunt dan overschakelen op (p. 217) de standaard cruisecontrol (CC) – een displaymelding informeert over passende alternatieven.
07 Bestuurdersondersteuning Afstandswaarschuwing* De afstandswaarschuwing (Distance Alert) waarschuwt u, als het tijdsverschil ten opzichte van de voorligger te klein wordt. Distance Alert is actief bij snelheden hoger dan 30 km/h en reageert uitsluitend op voorliggers die in dezelfde richting als u rijden. Voor voertuigen die langzaam in tegengestelde richting rijden of stilstaan wordt geen afstandsinformatie gegeven. N.B.
07 Bestuurdersondersteuning || Hetzelfde symbool verschijnt ook wanneer de Adaptieve cruisecontrol (p. 209) geactiveerd is. N.B. Hoe hoger de snelheid, hoe langer de volgafstand in meters voor een bepaalde volgtijd. De ingestelde volgtijd wordt ook gebruikt door de adaptieve cruisecontrol (p. 209). Houd alleen een volgtijd aan die niet in strijd is met de geldende verkeersregels. Gerelateerde informatie • Afstandswaarschuwing* - beperkingen (p. 224) • Afstandswaarschuwing* - symbolen en meldingen (p.
07 Bestuurdersondersteuning Afstandswaarschuwing* - symbolen en meldingen duceerde werking op grond van de systeembeperkingen. Er kunnen symbolen en meldingen op het instrumentenpaneel verschijnen bij een gere- SymboolA Melding Betekenis Radar afgedekt Zie instructieboekje De afstandswaarschuwing werkt tijdelijk niet. De radarsensor kan geen andere voertuigen registreren.
07 Bestuurdersondersteuning City Safety™ BELANGRIJK City Safety™ is een hulpmiddel om u te helpen een botsing te voorkomen tijdens filerijden e.d., waarbij plotselinge wijzigingen in het verkeer vóór u gekoppeld aan onoplettendheid tot bijna-ongelukken kunnen leiden. Onderhoud en vervanging van onderdelen in City Safety™ mogen uitsluitend door een werkplaats worden uitgevoerd - geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
07 Bestuurdersondersteuning Wanneer het systeem ingrijpt en remt, verschijnt op het instrumentenpaneel de tekstmelding dat het systeem actief is/was. N.B. Als City Safety™ remt, gaan de remlichten branden. City Safety™ - bediening City Safety™ is een hulpmiddel om u te helpen een botsing te voorkomen tijdens filerijden e.d., waarbij plotselinge wijzigingen in het verkeer vóór u gekoppeld aan onoplettendheid tot bijna-ongelukken kunnen leiden.
07 Bestuurdersondersteuning || WAARSCHUWING De lasersensor geeft ook laserlicht af, wanneer u City Safety™ handmatig uitgeschakeld hebt. Gerelateerde informatie • • • • • City Safety™ - functie (p. 226) • MY CAR (p. 116) City Safety™ (p. 226) City Safety™ - beperkingen (p. 228) City Safety™ - lasersensor (p. 230) City Safety™ - symbolen en meldingen (p.
07 Bestuurdersondersteuning N.B. • Houd de voorruit in het gebied vóór de lasersensor vrij van sneeuw, ijs, condens en vuil (zie de afbeelding met de sensorpositie (p. 226)). • Plak of bevestig geen zaken op de voorruit vóór de lasersensor. • Haal sneeuw en ijs van de motorkap – de laag sneeuw en ijs mag niet dikker zijn dan 5 cm. Oorzaak BELANGRIJK Maatregel Het voorruitoppervlak vóór de lasersensor is vuil of bedekt met sneeuw of ijs.
07 Bestuurdersondersteuning City Safety™ - lasersensor Het City Safety™-systeem maakt gebruik van een sensor die laserlicht uitzendt (zie afbeelding (p. 226) voor de locatie van de sensor). Neem contact op met een gekwalificeerde werkplaats als de lasersensor een storing vertoont of nagekeken moet worden – geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats. Het is daarom essentieel dat u de aangegeven instructies opvolgt bij het hanteren van de lasersensor.
07 Bestuurdersondersteuning • Koppel de connector van de lasersensor los voordat u deze van de voorruit demonteert. • Zorg dat de lasersensor op de voorruit gemonteerd is alvorens de connector aan te sluiten. • De lasersensor zendt laserlicht uit wanneer de transpondersleutel in sleutelstand II (p. 83) staat, ook al is de motor afgezet. Gerelateerde informatie • • • • • City Safety™ (p. 226) City Safety™ - beperkingen (p. 228) City Safety™ - functie (p. 226) City Safety™ - bediening (p.
07 Bestuurdersondersteuning City Safety™ - symbolen en meldingen Terwijl City Safety™ (p. 226) automatisch remt, kunnen een of meer symbolen op het Symbool instrumentenpaneel gaan branden in combinatie met een tekstmelding. Meldingen kunt u van het display halen door de OK-knop op de richtingaanwijzerhendel kort in te drukken. Melding Betekenis/Maatregel Automatisch remmen door City Safety City Safety™ remt op dit moment of remde eerder automatisch.
07 Bestuurdersondersteuning Collision Warning* ‘Collision Warning met Auto Brake en fietsersen voetgangersdetectie’ is een hulpmiddel dat bedoeld is om u te waarschuwen, wanneer het gevaar bestaat dat u op een voetganger of achter op een (stilstaande of rijdende) fietser of voorligger botst. ‘Collision Warning met Auto Brake en fietsers- en voetgangersdetectie’ wordt geactiveerd in situaties waar u eigenlijk al veel eerder had moeten remmen, zodat het systeem niet altijd uitkomst biedt.
07 Bestuurdersondersteuning Collision Warning* - functie 1 – Collision Warning Eerst wordt u gewaarschuwd voor een dreigende aanrijding. Collision Warning kan voetgangers, fietsers of voertuigen voor uw auto registreren die stilstaan of zich in dezelfde richting als u bewegen. Bij gevaar voor een aanrijding met een voetganger, fietser of voertuig, wordt uw aandacht getrokken met een rood knipperend waarschuwingssymbool (1) en een akoestisch signaal. Functie-overzicht18.
07 Bestuurdersondersteuning WAARSCHUWING Collision Warning werkt niet in alle rijsituaties, verkeers-, weers- en wegomstandigheden. Collision Warning reageert niet op naderende tegenliggers of fietsers noch op dieren. Collision Warning* - detectie van fietsers Er wordt alleen gewaarschuwd wanneer het risico van een botsing groot is. In het onderdeel “Functie” en “Beperkingen” wordt geïnformeerd over de beperkingen die u als bestuurder moet kennen, voordat u de Collision Warning met Auto Brake gebruikt.
07 Bestuurdersondersteuning || zichtbaar en goedgekeurd20 is en op minstens 70 cm boven het wegdek zit. • • WAARSCHUWING Collision Warning met Auto Brake en voetgangers- en fietserdetectie is een hulpmiddel. Het systeem kan fietsers alleen recht van achteren ontdekken en alleen als deze zich in dezelfde richting als uw auto bewegen – niet schuin van achteren of van opzij.
07 Bestuurdersondersteuning • Een voetganger is alleen te ontdekken wanneer deze helemaal zichtbaar is en een lengte heeft van minimaal 80 cm. • Bij zonsondergang en -opgang kan de camerasensor voetgangers minder goed registreren – vergelijkbaar met het menselijke oog.
07 Bestuurdersondersteuning || MY CAR (p. 116) - kies daar Lang, Normaal of Kort. De waarschuwingsafstand is bepalend voor de gevoeligheid van het systeem. Bij de waarschuwingsafstand Lang wordt eerder gewaarschuwd. Ga altijd uit van de instelling Lang, maar als deze instelling te vaak tot waarschuwingen leidt (wat in bepaalde situaties als hinderlijk kan worden ervaren) kunt u overgaan op de waarschuwingsafstand Normaal.
07 Bestuurdersondersteuning Collision Warning* - beperkingen Het systeem heeft bepaalde beperkingen – zo is het systeem pas actief bij snelheden van ca. 4 km/h en hoger. In de felle zon en bij lichtschitteringen alsook het gebruik van een zonnebril is het op de voorruit geprojecteerde waarschuwingslampje voor de Collision Warning (zie (1) op de afbeelding (p. 234)) soms moeilijk te ontdekken. Dat is ook mogelijk als u niet recht vooruit kijkt. Houd de waarschuwingszoemer daarom altijd ingeschakeld.
07 Bestuurdersondersteuning || Met geactiveerde achteruitversnelling is de Collision Warning met Auto Brake tijdelijk gedeactiveerd. Collision Warning met Auto Brake wordt niet geactiveerd op lage snelheden (onder 4 km/h), wat betekent dat het systeem niet ingrijpt in situaties waarbij uw auto een voorligger uiterst langzaam nadert zoals tijdens het parkeren. In situaties waarin u actief en bewust rijgedrag laat zien, wordt Collision Warning minder actief.
07 Bestuurdersondersteuning Dit betekent tevens dat, naast Collision Warning met automatisch remmen, de volgende functies evenmin volledig werken: • • • • Automatisch groot licht Driver Alert Control Rijbaanassistent Verkeersbordinformatie In de volgende tabel staan mogelijke oorzaken van het verschijnen van de melding en passende maatregelen. Oorzaak Maatregel Het voorruitoppervlak vóór de camera is vuil of bedekt met sneeuw of ijs.
07 Bestuurdersondersteuning Collision Warning* - symbolen en meldingen del dat bedoeld is om u te waarschuwen, wanneer het gevaar bestaat dat u op een voetganger of achter op een (stilstaande of rijdende) fietser of voorligger botst. ‘Collision Warning met Auto Brake en voetgangers- en fietsersdetectie’ is een hulpmid- SymboolA Melding Betekenis Collision warning system UIT Collision Warning is uitgeschakeld. Verschijnt bij het starten van de motor. De melding dooft automatisch na ca.
07 Bestuurdersondersteuning SymboolA Melding Betekenis Radar afgedekt Zie instructieboekje Collision Warning met Auto Brake werkt tijdelijk niet. De radarsensor kan geen andere voertuigen registreren. Bijvoorbeeld wanneer deze wordt gehinderd door hevige regenval of als sneeuwmodder of andere verontreinigingen de radarsensor afdekken. Lees meer over de beperkingen van de radarsensor (p. 218). CWS-systeem Service vereist A Collision Warning met Auto Brake werkt niet of gedeeltelijk.
07 Bestuurdersondersteuning Driver Alert System* Driver Alert System is bestemd om u te helpen als de auto op een ongecontroleerde manier wordt bestuurd of op het punt staat de rijstrookmarkering te overschrijden. Driver Alert System bestaat uit verschillende functies die tegelijk of apart in te schakelen zijn: • • Driver Alert Control - DAC (p. 245). Rijbaanassistent - LDW (p. 247). Gerelateerde informatie • • • Driver Alert Control (DAC)* (p. 244) Rijbaanassistent (LDW)* (p.
07 Bestuurdersondersteuning u bij opkomende vermoeidheid de auto op een geschikte plek parkeert om een pauze in te lassen, ongeacht de vraag of DAC nu wel of niet heeft gewaarschuwd. N.B. De functie mag niet worden gebruikt om de rijtijd te verlengen. Plan altijd regelmatig pauzes in en zorg ervoor dat u bent uitgerust. Beperkingen Driver Alert Control (DAC)* bediening Via het menusysteem op het display van de middenconsole zijn instellingen te verrichten.
07 Bestuurdersondersteuning Driver Alert Control (DAC)* - symbolen en meldingen mentenpaneel of op het beeldscherm van de middenconsole laten verschijnen. Het DAC (p. 244) kan in uiteenlopende situaties symbolen en meldingen op het instru- Hier volgen enkele voorbeelden: SymboolA Melding Betekenis Driver Alert Tijd voor pauze De auto vertoont zwalkend rijgedrag – u wordt gewaarschuwd met een zoemersignaal en een displaymelding.
07 Bestuurdersondersteuning Rijbaanassistent (LDW)* Werkingsprincipe van LDW De rijbaanassistent (Lane Departure Warning) dient voor gebruik op snelwegen, hoofdwegen en dergelijke en beperkt het risico dat u in bepaalde situaties onbedoeld de eigen rijbaan verlaat. Als de auto een van de zijlijnen overschrijdt, wordt de bestuurder gewaarschuwd met een geluidssignaal of met stuurtrillingen. De stuurtrillingen variëren - hoe langer de auto de zijlijn overschrijdt, hoe langer de trillingen duren.
07 Bestuurdersondersteuning • • • Rijbaanassistent (LDW) - symbolen en meldingen (p. 250) Rijbaanassistent (LKA)* (p. 251) Driver Alert System* (p. 244) Rijbaanassistent (LDW) - functie Het is mogelijk bepaalde instellingen te verrichten voor de Rijbaanassistent(Lane Departure Warning). functiestatus bij het afzetten van de motor bepalend. • Hogere gevoeligheid – Verhoogde gevoeligheid, zodat er eerder wordt gewaarschuwd en minder beperkingen gelden.
07 Bestuurdersondersteuning Rijbaanassistent (LDW) - bediening De rijbaanassistent (Lane Departure Warning) wordt in verschillende situaties gecompleteerd met duidelijke grafische voorstellingen op het instrumentenpaneel. Hier volgen enkele voorbeelden: Gerelateerde informatie • • Rijbaanassistent (LDW)* (p. 247) Rijbaanassistent (LKA)* (p. 251) Rijbaanassistent (LDW) - beperkingen De camerasensor van de Rijbaanassistent (Lane Departure Warning) heeft beperkingen, net als het menselijk oog.
07 Bestuurdersondersteuning Rijbaanassistent (LDW) - symbolen en meldingen In situaties waar de Rijbaanassistent niet wordt geactiveerd kan er een symbool op het Symbool instrumentenpaneel verschijnen in combinatie met een verklarende melding – volg in dat geval het gegeven advies op. Melding Betekenis Lane Departure Warning AAN/ Lane Departure Warning UIT De functie is ingeschakeld/uitgeschakeld. Voorbeelden van meldingen: Verschijnt bij inschakeling/uitschakeling.
07 Bestuurdersondersteuning Rijbaanassistent (LKA)* Werkingsprincipe van LKA WAARSCHUWING De rijbaanassistent dient voor gebruik op snelwegen, hoofdwegen en dergelijke en beperkt het risico dat u in bepaalde situaties onbedoeld de eigen rijbaan verlaat. De Rijbaanassistent is slechts een hulpmiddel voor de bestuurder en werkt niet in alle rijsituaties, verkeers-, weers- en wegomstandigheden.
07 Bestuurdersondersteuning Rijbaanassistent (LKA) - functie Het is mogelijk bepaalde instellingen te verrichten voor de Rijbaanassistent (Lane Keeping Aid). Aan & Uit De Rijbaanassistent is actief in het snelheidsinterval 65–200 km/h op wegen met goed zichtbare zijlijnen. Op smalle wegen, als de rijbaan tussen de zijlijnen minder dan 2,6 meter breed is, wordt het systeem tijdelijk uitgeschakeld. te bedienen via het MY CAR van de auto. Voor een beschrijving van het menusysteem, zie MY CAR (p. 116).
07 Bestuurdersondersteuning Dynamisch bochtenwerk Rijbaanassistent (LKA) - bediening De rijbaanassistent (Lane Keeping Aid) wordt in verschillende situaties gecompleteerd met duidelijke grafische voorstellingen op het instrumentenpaneel. Hier volgen enkele voorbeelden: N.B. Het LKA staat uit zolang u de richtingaanwijzerhendel bedient. LKA grijpt in aan de rechterkant. In een scherpe binnenbocht grijpt LKA niet in.
07 Bestuurdersondersteuning Rijbaanassistent (LKA) - beperkingen De camerasensor van de Rijbaanassistent (Lane Keeping Aid) heeft beperkingen, net als het menselijk oog. Lees meer over de beperkingen van de camerasensor (p. 240) en zie Collision Warning* bediening (p. 237). N.B. In bepaalde omstandigheden heeft de Rijbaanassistent moeite om u goed te helpen – geadviseerd wordt om het systeem dan uit te schakelen.
07 Bestuurdersondersteuning Rijbaanassistent (LKA) - symbolen en meldingen instrumentenpaneel verschijnen in combinatie met een verklarende melding – volg in dat geval het gegeven advies op. In situaties waar de Rijbaanassistent niet wordt geactiveerd kan er een symbool op het Symbool Melding Betekenis Voorruitsensoren afgedekt Zie instructieboek De camerasensor werkt tijdelijk niet. Voorbeelden van meldingen: Verschijnt bijvoorbeeld bij sneeuw, ijs of vuil op de voorruit.
07 Bestuurdersondersteuning Parkeerhulp* WAARSCHUWING Parkeerhulp is bedoeld als hulpmiddel tijdens het parkeren. Geluidssignalen en symbolen op het display van de middenconsole geven de afstand aan tot een waargenomen obstakel. Het parkeerhulpvolume is tijdens de weergave van geluidssignalen bij te stellen met de VOL-knop op de middenconsole. Het geluidsniveau kan ook worden bijgesteld in het menu voor audio-instellingen dat bereikbaar is met een druk op SOUND of in het menusysteem (p.
07 Bestuurdersondersteuning geheel gevuld. Als er zowel voor als achter de auto obstakels binnen deze afstand zijn waargenomen, komen de geluidssignalen beurtelings uit de luidsprekers aan linker- en rechterzijde. • Parkeerhulpcamera* (p.
07 Bestuurdersondersteuning Parkeerhulp* - aan de achterzijde N.B. Parkeerhulp is bedoeld als hulpmiddel tijdens het parkeren. Geluidssignalen en symbolen op het display van de middenconsole geven de afstand aan tot een waargenomen obstakel. Bij het achteruitrijden met een aanhanger achter de auto of een fietsdrager op de trekhaak – zonder een originele aanhangerkabel van Volvo – moet u de Park Assist mogelijk handmatig uitschakelen om te voorkomen dat de sensoren erop reageren.
07 Bestuurdersondersteuning N.B. Park Assist aan de voorzijde wordt gedeactiveerd, wanneer u de parkeerrem zet of de keuzehendel in stand P zet bij een auto met automatische versnellingsbak. BELANGRIJK Bij montage van verstralers: Let erop dat deze de sensoren niet mogen hinderen de verstralers kunnen dan als obstakel worden gezien. Park Assist* - storingsindicatie Park Assist* - sensoren schoonmaken Park Assist is bedoeld als hulpmiddel tijdens het parkeren.
07 Bestuurdersondersteuning || Parkeerhulpcamera* Functie en bediening De parkeerhulpcamera is een ondersteunend systeem dat geactiveerd wordt bij inschakeling van de achteruitversnelling. De cameraweergave verschijnt op het display van de middenconsole. N.B. Positie van de achterste sensoren. Als er een trekhaak met het elektrische systeem van de auto is geconfigureerd, wordt de uitsteeklengte van de trekhaak bij het meten van de parkeerruimte meegerekend. N.B.
07 Bestuurdersondersteuning Bij het inschakelen van de achteruitversnelling wordt met behulp van ononderbroken lijnen grafisch aangegeven waar de achterwielen van de auto uitkomen bij de actuele stuuruitslag – dit vereenvoudigt het achteruit inparkeren, achteruitrijden in krappe ruimten en aankoppelen van aanhangers. De contouren van de auto worden bij benadering getoond met streepjeslijnen. De hulplijnen zijn te deactiveren - zie hoofdstuk Instellingen (p. 263). N.B.
07 Bestuurdersondersteuning || Grenslijnen Auto’s met parkeerhulpsensoren achter* Gerelateerde informatie • • • • De verschillende lijnen van het systeem. Grenslijn vrije achteruitrijzone De afstand wordt aangegeven met gekleurde velden (voor elke sensor één). ‘Wielsporen’ Als de auto tevens uitgerust is met Parkeerhulp (p. 256) wordt voor iedere sensor die een obstakel waarneemt de afstand met gekleurde velden weergegeven. De onderbroken lijn (1) grenst een zone af die tot ca.
07 Bestuurdersondersteuning Parkeerhulpcamera - instellingen Uitgeschakelde camera activeren Als de camera uitgeschakeld is bij het inschakelen van de achteruitversnelling, is de camera als volgt te activeren: - op het beeldscherm wordt een menu geopend met verschillende alternatieven. 2. Scrol naar de gewenste optie met TUNE. 3. Markeer de optie van uw keuze door op OK/MENU te drukken en verlaat het menu met EXIT. Trekhaak De camera leent zich bij uitstek voor het aankoppelen van een aanhanger/caravan.
07 Bestuurdersondersteuning Park Assist-camera - beperkingen N.B. Fietsdragers of andere accessoires achter op de auto kunnen het blikveld van de camera blokkeren. Waar u op moet letten Let erop dat ook als het geblokkeerde gebied er op het scherm relatief klein uitziet, het werkelijke, verborgen gebied dusdanig groot kan zijn dat obstakels pas worden geregistreerd wanneer u er bijna bovenop zit. • Houd de cameralens vrij van vuil, sneeuw en ijs.
07 Bestuurdersondersteuning Actieve parkeerhulp (PAP)* - functie Actieve parkeerhulp (PAP)* - functie N.B. N.B. Het PAP-systeem meet de beschikbare ruimte en verricht de vereiste stuurbewegingen. Aan u de taak om de aanwijzingen op het instrumentenpaneel op te volgen, een versnelling (achteruit/vooruit) in te schakelen, af te remmen en de auto tot stilstand te brengen.
07 Bestuurdersondersteuning || 1. Activeer PAP met een druk op deze knop en rijd niet sneller dan 30 km/h. 2 – Achteruit inparkeren 2. Let op het instrumentenpaneel en stop de auto als dit met grafische voorstellingen en teksten van u verlangd wordt. 3. Stop de auto als hierom met grafische voorstellingen en meldingen wordt verzocht. N.B. PAP zoekt een mogelijke parkeerruimte aan de passagierszijde van de straat, geeft instructies en stuurt de auto in positie.
07 Bestuurdersondersteuning 1. Schakel de 1e versnelling in of D, wacht totdat het stuurwiel is gedraaid en rijd voorzichtig vooruit. 2. Stop de auto als hierom met grafische voorstellingen en een melding wordt verzocht. • • Parkeerhulpcamera* (p. 260) Actieve parkeerhulp (PAP)* (p. 264) Actieve parkeerhulp (PAP)* beperkingen De PAP-regeling wordt beëindigd: 3. Schakel de achteruitversnelling in en rijd voorzichtig achteruit tot met grafische voorstellingen en meldingen wordt verzocht om te stoppen.
07 Bestuurdersondersteuning || • • • als te snel met de auto wordt gereden – meer dan 7 km/h als u het stuurwiel aanraakt bij een ingreep van het ABS31 of ESC32 bijvoorbeeld als een wiel grip verliest op een gladde ondergrond. sche functie. Daarom moet u voorbereid zijn om het parkeren te onderbreken. Er zijn ook een paar details waar u bij het parkeren op moet letten, bijvoorbeeld: • Een melding informeert waarom de PAPregeling werd beëindigd. N.B.
07 Bestuurdersondersteuning Onderhoud Actieve parkeerhulp (PAP)* symbolen en meldingen Het instrumentenpaneel geeft met symbolen, grafische voorstellingen en teksten aan, wanneer u iets moet doen. Het instrumentenpaneel kan verschillende symbool- en tekstcombinaties met uiteenlopende betekenis tonen – soms met een advies voor een geschikte oplossing. De PAP-sensoren zijn in de bumpers aangebracht34 - 6 voor en 4 achter.
07 Bestuurdersondersteuning || BLIS* - bediening Overzicht BLIS (Blind Spot Information) is een functie om u ondersteuning te bieden bij rijden in druk verkeer op wegen met meerdere rijbanen in dezelfde richting. BLIS activeren/deactiveren BLIS wordt geactiveerd bij het starten van de motor wat bevestigd wordt door de controlelampjes op de portierpanelen die één keer oplichten. Houd dit gebied schoon - ook aan de linkerzijde. Positie BLIS-lampje35. Controlelampje BLIS-symbool N.B.
07 Bestuurdersondersteuning bedienen via het menusysteem MY CAR (p. 116) van de auto. Bij deactivering/activering van BLIS dooft/ brandt het lampje in de knop en het instrumentenpaneel bevestigt de wijziging met een displaymelding - bij activering lichten de controlelampjes op de portierpanelen eenmaal op. Om de melding te laten verdwijnen: • Druk op de OK-knop van de linker stuurhendel.
07 Bestuurdersondersteuning CTA* Het BLIS-systeem CTA (Cross Traffic Alert) is een hulpmiddel om u voor kruisend verkeer te waarschuwen, als u achteruitrijdt met de auto. CTA is een aanvulling op BLIS (p. 269). WAARSCHUWING CTA is slechts een aanvullend hulpmiddel en werkt niet in alle situaties. CTA activeren/deactiveren CTA vormt geen vervanging voor een veilige rijstijl en het gebruik van de buitenspiegels.
07 Bestuurdersondersteuning Naarmate u verder achteruitrijdt, verandert de hoek ten opzichte van de auto/het obstakel die/dat in de weg zit, zodat de dode hoek snel in grootte afneemt. Voorbeelden van andere beperkingen: Uw auto staat ver naar achteren in een parkeervak. Dode hoek CTA. Detectiegebied/‘blikveld’ CTA. • Vuil, ijs en sneeuw op de sensoren kunnen voor functiebeperkingen zorgen en waarschuwingen onmogelijk maken. CTA kan dergelijke beperkende omstandigheden niet detecteren.
07 Bestuurdersondersteuning BLIS - symbolen en meldingen In situaties waarbij het BLIS (Blind Spot Information) (p. 269) en CTA (Cross Traffic Alert) (p. 272) uitblijven of worden onderbroken, kan er een symbool op het instrumentenpaneel verschijnen in combinatie met een verklarende melding. Neem een eventueel advies in acht. Voorbeelden van meldingen: 07 Melding Betekenis CTA UIT CTA is handmatig uitgeschakeld - BLIS is actief.
07 Bestuurdersondersteuning Gerelateerde informatie • Radarsensor (p.
STARTEN EN RIJDEN
08 Starten en rijden Alcoholslot* Het alcoholslot voorkomt dat bestuurders die onder invloed zijn in de auto kunnen rijden. Voordat de motor kan worden gestart, moet u een blaastest afgeven om vast te stellen dat u niet onder de invloed van alcohol bent. Het alcoholslot wordt gekalibreerd ten opzichte van de grenswaarde voor verkeersdeelname die in uw land geldt.
08 Starten en rijden Alcoholslot* - opslag Bewaar de blaasunit in zijn houder. Verwijder de blaasunit door de unit licht in de houder te drukken en los te laten, waarna de unit opveert en uit de houder kan worden genomen. Blaasunit bewaren en laadstation. • Plaats de blaasunit terug in de houder tot de unit vastklikt. • Bewaar de blaasunit in de houder. Dat biedt de beste bescherming en garandeert dat de batterijen steeds volledig opgeladen zijn.
08 Starten en rijden dens het ontgrendelen, dan moet u de unit eerst activeren met de schakelaar (2). Resultaat van de blaastest 3. Klap het mondstuk (1) omhoog, haal diep adem en blaas gelijkmatig totdat er ca. 5 seconden later een “klikgeluid” klinkt. Het resultaat is een van de alternatieven in de volgende tabel Resultaat van de blaastest. 4.
08 Starten en rijden Alcoholslot* - waar u op moet letten Voor een goede werking en een zo nauwkeurig mogelijk meetresultaat: • Ca. 5 minuten voor de blaastest niet eten of drinken. • De voorruit niet te lang sproeien – de alcohol in de sproeiervloeistof kan een verkeerd meetresultaat opleveren. Van bestuurder wisselen Om bij het wisselen van bestuurder een nieuwe blaastest te kunnen doen moet u de schakelaar (2) en de zendertoets (3) gelijktijdig ca. 3 seconden lang ingedrukt houden.
08 Starten en rijden • Houd de knop OK op de linker stuurhendel en de knop voor de alarmknipperlichten ca. 5 seconden lang ingedrukt. Op het instrumentenpaneel verschijnt eerst Bypass actief Wacht 1 minuut en daarna Alcoguard Bypass actief. Vervolgens kunt u de motor starten. Deze functie is meerdere malen te activeren. De foutmelding die verschijnt tijdens het rijden is echter alleen te wissen in een werkplaats1.
08 Starten en rijden Motor starten De motor is te starten en uit te schakelen met behulp van de transpondersleutel en de knop START/STOP ENGINE. 1. Plaats de transpondersleutel in het contactslot en duw deze tot aan de aanslag naar binnen. Let erop dat u bij een auto met alcoholslot* eerst een goedgekeurde blaastest moet afgeven, voordat de motor kan worden gestart. Voor meer informatie over Alcoholslot, zie Alcoholslot* (p. 277). 2. Houd het koppelingspedaal volledig ingedrukt2.
08 Starten en rijden Gerelateerde informatie • Motor afzetten (p. 283) Motor afzetten Stuurslot U zet de motor af met de knop START/STOP ENGINE. Het stuurslot bemoeilijkt de besturing zoals bij gebruik van de auto door onbevoegden. Er is mogelijk een mechanisch geluid waarneembaar wanneer het stuurslot wordt opgeheven of ingeschakeld. Om de motor af te zetten: • Druk op START/STOP ENGINE – de motor slaat af.
08 Starten en rijden Afstandsstart (ERS)* N.B. Afstandsstart (ERS – Engine Remote Start) houdt in dat u de motor van de auto op afstand kunt starten om de passagiersruimte voor aanvang van de rit te verwarmen/koelen. ERS is te activeren via de transpondersleutel en/of via Volvo On Call*. Houd rekening met lokale/nationale regelgeving/voorschriften voor stationair rijden. Neem ook de lokale/nationale regelgeving/ voorschriften in acht voor het geluidsniveau van een draaiende motor.
08 Starten en rijden 1. Druk kort op de knop (2) van de sleutel. Actieve functies 2. Druk vervolgens lang – minimaal 2 seconden – op de knop (3). Bij een op afstand gestarte motor zijn de volgende functies actief: Bij het afzetten van een via ERS gestarte motor lichten de richtingaanwijzers 3 seconden lang op. Als aan de voorwaarden voor ERS is voldaan, vindt bovendien het volgende plaats: • • • • • 1. De richtingaanwijzers lichten snel enkele malen achtereen op. 2. De motor start. 3.
08 Starten en rijden Afstandsstart (ERS) - symbolen en meldingen In situaties waarbij ERS uitblijft of wordt onderbroken, verschijnt een symbool op het instrumentenpaneel in combinatie met een verklarende tekstmelding. Melding Betekenis Melding Betekenis Geen starten op afstand Accuspanning laag ERS is niet ingeschakeld vanwege een geringe accuspanning. U laadt de accu op door de motor te starten. Geen starten op afstand Auto niet op slot ERS is niet ingeschakeld, omdat de auto niet vergrendeld was.
08 Starten en rijden Melding Betekenis Geen starten op afstand Koelvloeistofpeil laag ERS is onderbroken vanwege een foutmelding voor het koelsysteem. Starten op afstand uit Motorkap open ERS is onderbroken, omdat de motorkap openstaat. Starten op afstand uit Accuspanning laag ERS onderbroken, omdat de accuspanning te gering is. Starten op afstand uit Brandstofpeil laag ERS onderbroken, omdat het brandstofpeil te gering is. A Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
08 Starten en rijden || 10. Start de motor van de ‘hulpauto’ en laat deze enkele minuten draaien op een toerental dat iets hoger ligt dan normaal, ca. 1500 omw/min. WAARSCHUWING • 11. Start de motor in de auto met de uitgeputte accu. BELANGRIJK Raak de aansluitingen niet aan tijdens de startpoging. Er bestaat namelijk gevaar voor vonkvorming. 12. Verwijder de startkabels in omgekeerde volgorde - eerst de zwarte kabel en daarna de rode.
08 Starten en rijden Handgeschakelde versnellingsbak Blokkering achteruitversnelling Schakelindicator* De versnellingsbak heeft tot taak de overbrengingsverhouding af te stemmen op de gewenste snelheid en vermogensbehoefte. De blokkering van de achteruitversnelling beperkt het risico dat u tijdens het vooruitrijden op normale snelheid onbedoeld de achteruitversnelling inschakelt. De schakelindicator geeft aan, wanneer u het beste kunt opschakelen of terugschakelen.
08 Starten en rijden || Automatische versnellingsbak Automatische versnellingsbak Geartronic* De versnellingsbak Geartronic heeft twee schakelstanden - Automatisch en Handmatig. Parkeerstand - P Selecteer stand P, wanneer u de motor start of de auto parkeert. Om de keuzehendel uit stand P te kunnen halen, moet u in sleutelstand II het rempedaal bedienen, zie Sleutelstanden - functies in verschillende standen (p. 83). In stand P is de versnellingsbak mechanisch geblokkeerd.
08 Starten en rijden Neutraalstand - N In deze stand kunt u de motor starten en er is geen versnelling ingeschakeld. Zet de parkeerrem aan, wanneer de auto stilstaat en de keuzehendel in stand N staat. Om de keuzehendel vanuit stand N in een andere schakelstand te zetten, moet u in sleutelstand II het rempedaal bedienen, zie Sleutelstanden - functies in verschillende standen (p. 83).
08 Starten en rijden || Bij iedere bediening van de paddles wordt er geschakeld, tenzij het motortoerental buiten het toelaatbare bereik komt. Na iedere schakeling geeft het instrumentenpaneel het cijfer van de ingeschakelde versnelling weer. N.B. Automatische deactivering • Dit geldt echter niet bij gebruik van de motorrem. De paddles blijven in dat geval actief zolang er op de motor wordt afgeremd. De sportstand kan op elk moment tijdens het rijden ingeschakeld worden.
08 Starten en rijden gebeurt er niets. De auto blijft in de oorspronkelijke versnelling rijden. Bij kickdown kan de auto afhankelijk van het motortoerental één of meer versnellingen terugschakelen. Om schade aan de motor te voorkomen schakelt de auto op wanneer de motor het maximumtoerental heeft bereikt. Slepen Als de auto moet worden weggesleept - zie de belangrijke informatie in hoofdstuk Slepen (p. 336). Gerelateerde informatie • Transmissieolie - kwaliteit en hoeveelheid (p.
08 Starten en rijden Automatische versnellingsbak Powershift* De automatische Powershift-versnellingsbak brengt de aandrijfkracht van de motor middels dubbele mechanische lamellenkoppelingen over op de aandrijfwielen. Dit in tegenstelling tot de Geartronic-versnellingsbak die hiervoor een conventionele hydraulische koppelomvormer gebruikt. snelling inschakelt in plaats van de 3e met Geartronic.
08 Starten en rijden Symbool A Melding Rijeigenschappen Maatregel Versnellingsbak heet Zet auto stil Problemen om snelheid constant te houden bij hetzelfde toerental. Versnellingsbak oververhit. Houd de auto stil met het rempedaalA. Versnellingsbak heet Stop auto z.s.m. Laat motor lopen Auto rijdt met hevige schokkerige bewegingen vooruit. Versnellingsbak oververhit. Parkeer de auto zo spoedig mogelijkA. Koeling versnell.
08 Starten en rijden Keuzehendelblokkering Automatische keuzehendelblokkering De keuzehendelblokkering is verkrijgbaar in twee uitvoeringen: een mechanische en een automatische. De automatische versnellingsbak kent enkele bijzondere beveiligingsfuncties: Parkeerstand (P) Mechanische keuzehendelblokkering Stilstaande auto met draaiende motor: • Automatische schakelblokkering deactiveren Houd uw voet op het rempedaal terwijl u de keuzehendel verzet.
08 Starten en rijden Gerelateerde informatie • Automatische versnellingsbak Geartronic* (p. 290) • Automatische versnellingsbak Powershift* (p. 294) Hellingrem (HSA)*12 Vierwielaandrijving - AWD* U hoeft het rempedaal niet te bedienen wanneer u wegrijdt of achteruit een helling oprijdt - het HSA-systeem (Hill Start Assist) voorkomt dat de auto achteruitrolt. Bij vierwielaandrijving is de grip op het wegdek optimaal.
08 Starten en rijden De vierwielaandrijving verhoogt de rijveiligheid tijdens regen- en sneeuwval en bij ijzel. Hill Descent Control (HDC)*13 HDC is te vergelijken met een automatische motorrem. Wanneer u op een aflopende helling het gaspedaal loslaat, wordt de auto normaal gesproken op de motor afgeremd doordat deze in dat geval een laag stationair toerental nastreeft.
08 Starten en rijden Het systeem werkt alleen in de eerste versnelling en in de achteruitversnelling. Bij een automatische versnellingsbak geldt dat de 1e versnelling moet zijn ingeschakeld, wat wordt aangegeven met het cijfer 1 op het instrumentenpaneel, zie Automatische versnellingsbak - Geartronic* (p. 290).
08 Starten en rijden || Met het Start/Stop-systeem kunt u actiever milieubewust rijden doordat de motor, wanneer dat kan, automatisch kan afslaan. Handbak of automaat Let erop dat er verschillen zijn in het Start/Stop-systeem, afhankelijk van de vraag of de auto een handbak of een automaat heeft. Gerelateerde informatie • Start/Stop* - functie en bediening (p. 300) • • • Motor starten (p. 282) • Start/Stop* - automatische motorstart (p. 302) • Start/Stop* - automatische motorafslag werkt niet (p.
08 Starten en rijden Automatische motorstart Start/Stop-systeem deactiveren Voorwaarden M/ AA Met de schakelhendel in de neutrale stand: M In bepaalde situaties is het mogelijk beter om het automatische Start/Stop-systeem tijdelijk uit te schakelen – dit is mogelijk met een druk op deze knop. 1. Trap het koppelingspedaal of het gaspedaal in – de motor start. Bij een uitgeschakeld systeem gaan het Start/Stop-symbool op het instrumentenpaneel en het lampje van de Aan-/Uit-knop uit. 2.
08 Starten en rijden || 08 302 Voorwaarden M/AA Voorwaarden er achteruit wordt gereden met de auto. M+A de file-assistent van de adaptieve cruisecontrol geactiveerd is. A de capaciteit van de startaccu onder de toelaatbare ondergrens is gedoken. M+A de keuzehendel in de S-standC of ‘+/-’ staat. A de bestuurder grotere stuurbewegingen maakt. M+A het roetfilter van het uitlaatsysteem verzadigd is – pas na een automatische regeneratie (zie Roetfilter dieselmotor (DPF) (p.
08 Starten en rijden M/AA • Start/Stop* - automatische motorstart werkt niet (p. 303) De gordelsluiting van de bestuurder is geopend met de keuzehendel in stand D of N. A • Start/Stop* - automatische motorstart werkt niet Start/Stop* - automatische motorafslag werkt niet (p. 301) • De automatische motorstart werkt niet altijd na automatische motorafslag. StuurbewegingenB. A Start/Stop* - onvrijwillige motorstop bij handgeschakelde versnellingsbak (p.
08 Starten en rijden • Start/Stop* - automatische motorstart (p. 302) • Start/Stop* - automatische motorafslag werkt niet (p. 301) • Start/Stop* - onvrijwillige motorstop bij handgeschakelde versnellingsbak (p. 304) • Start/Stop* - symbolen en meldingen (p. 306) • Accu - Start/Stop (p.
08 Starten en rijden • Start/Stop* - symbolen en meldingen (p. 306) • Accu - Start/Stop (p. 406) 08 * Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
08 Starten en rijden Start/Stop* - symbolen en meldingen Displaymelding Het Start/Stop-systeem kan tekstmeldingen op het instrumentenpaneel weergeven. Het Start/Stop-systeem kan in bepaalde situaties aanleiding geven tot tekstmeldingen op het instrumentenpaneel en een brandend controle- Symbool Melding Informatie/maatregel M/AA Auto Start/Stop Service vereist Start/Stop werkt niet. Neem contact op met een werkplaats – geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
08 Starten en rijden Symbool A Melding Informatie/maatregel Kies stand P of N om te starten Start/Stop is gedeactiveerd. Zet de keuzehendel in stand N of P en voer een normale motorstart uit met de START/STOP ENGINE-knop. A Druk op startknop De motor zal niet automatisch starten. Voer een normale motorstart uit met de START/ STOP ENGINE-knop en de keuzehendel in P of N. A M/AA M = handbak, A = automaatbak.
08 Starten en rijden ECO* N.B. ECO14 is een uniek en innovatief Volvo-systeem dat bij auto’s met een automatische versnellingsbak het brandstofverbruik met tot wel 5 % kan beperken, afhankelijk van de rijstijl van de bestuurder. Met het systeem kunt u actiever milieubewust rijden.
08 Starten en rijden Ook een combinatie van Eco Coast en een tijdelijk uitgeschakeld ECO-systeem kan samen tot een lager verbruik leiden. Dus: • Actieve Eco Coast: Lang uitrollen zonder motorremmen = Laag verbruik en • Uitgeschakeld ECO-systeem: Kort uitrollen met motorremmen = Minimaal verbruik. N.B. Voor een optimaal laag brandstofverbruik moet Eco Coast gecombineerd met kort uitrollen gewoonlijk worden vermeden. • op steile aflopende hellingen – zodat u op de motor kunt afremmen.
08 Starten en rijden Rempedaal Het rempedaal wordt gebruikt om de rijsnelheid te verlagen. De auto is uitgerust met twee remcircuits. Als een van de remcircuits beschadigd raakt, neemt de rempedaalweg toe en moet u meer druk uitoefenen voor een normale remwerking. De druk die u uitoefent op het rempedaal wordt versterkt door de rembekrachtiging. WAARSCHUWING De rembekrachtiging werkt alleen, als de motor loopt.
08 Starten en rijden Symbolen en meldingen Symbool Betekenis Brandt continu – controleer het remvloeistofpeil. Vul remvloeistof bij als het peil te laag ligt en controleer tevens de oorzaak van het remvloeistofverlies. Brandt tijdens het starten van de motor 2 seconden continu - automatische functietest. WAARSCHUWING Als en tegelijk branden, kan er een storing in het remsysteem zijn ontstaan.
08 Starten en rijden Bedrijfsrem - noodremlichten en automatische alarmlichten Bedrijfsrem - remkrachtverhoging bij noodstops De noodremlichten worden geactiveerd om achterliggers erop te attenderen dat u krachtig remt. Daarbij knipperen de remlichten in plaats van dat ze continu branden, zoals bij normaal remmen. De remkrachtverhoging bij noodstops (EBA, Emergency Brake Assist) helpt de remkracht verhogen om op die manier de remweg te verkorten.
08 Starten en rijden Parkeerrem Parkeerrem aanzetten De parkeerrem houdt de auto stil, als er niemand op de bestuurdersstoel zit, door twee wielen mechanisch te blokkeren/vergrendelen. den. Bij het loslaten van de handgreep wordt de rem uitgeschakeld. N.B. Bij activeren van de noodrem bij hogere snelheden klinkt er tijdens het remmen een signaal. Functie Bij activering van de elektrisch geregelde parkeerrem hoort u een zwak elektromotorgeluid.
08 Starten en rijden || Parkeerrem lossen N.B. De parkeerrem is ook handmatig uit te schakelen door het koppelingspedaal te bedienen in plaats van het rempedaal. Volvo adviseert u echter het rempedaal te gebruiken. Automatisch lossen 1. Start de motor. 2. Schakel de 1 versnelling of de achteruitrijversnelling in. 3. Trap het rempedaal stevig in. 4. Zet de keuzehendel in stand D of R en geef gas. > De parkeerrem wordt uitgeschakeld en het symbool op het instrumentenpaneel dooft. N.B.
08 Starten en rijden constructie van de elektrische parkeerrem – geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats. Symbool Symbolen en meldingen Voor informatie over het weergeven en wissen van tekstmeldingen op het instrumentenpaneel, zie Meldingen - functies (p. 116). Melding Betekenis/Maatregel ‘Melding’ • Lees de melding op het instrumentenpaneel. Een knipperend symbool houdt in dat de parkeerrem wordt aangezet. Als het symbool in een andere situatie gaat knipperen, is er sprake van een storing.
08 Starten en rijden || Symbool Melding Parkeerrem niet bekrachtigd Betekenis/Maatregel Door een storing kan de parkeerrem niet worden ingeschakeld: • Probeer of u de rem kunt uit- en inschakelen. Als de storing ook na enkele pogingen aanhoudt: • Bezoek een werkplaats – geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats. Dezelfde melding verschijnt ook op auto’s met een handbak, wanneer er langzaam wordt gereden met het portier open.
08 Starten en rijden Doorwaaddiepte BELANGRIJK Wanneer u zich met de auto door een ondiepe waterpartij begeeft, spreken we van waden. Waden dient met de nodige voorzichtigheid te gebeuren. Als er water in het luchtfilter komt, kan er motorschade ontstaan. Bij een diepte groter dan 25 cm (30 cm bij de V60 Cross Country) kan er water in de transmissie komen. Het smerende vermogen van de oliën neemt dan af, waardoor de levensduur van deze systemen korter wordt.
08 Starten en rijden • • Versnellingsbak heet Rijd langzamer of Versnellingsbak heet Stop auto z.s.m. Wachten op afkoelen verschijnt. Neem het gegeven advies in acht en verlaag de snelheid of breng de auto zo spoedig mogelijk tot stilstand om de versnellingsbak te laten afkoelen door de motor enkele minuten stationair te laten draaien. Bij oververhitting kan de airconditioning zichzelf tijdelijk uitschakelen.
08 Starten en rijden – Laad de startaccu dan op door de motor te starten en deze minstens 15 minuten te laten lopen - de startaccu wordt beter opgeladen tijdens het rijden dan bij stilstand met een stationair lopende motor. Voorbereidingen bij lange reizen Rijden tijdens de winter Bij lange reizen is het goed om de volgende punten te doorlopen: Bij rijden in de winter is het belangrijk om bepaalde controles uit te voeren, zodat u zeker weet dat u veilig met de auto kunt rijden.
08 Starten en rijden || • • Controleer de algehele conditie en de ladingstoestand van de startaccu. De startaccu wordt zwaarder belast bij koud weer en ook de accucapaciteit neemt af bij vorst. Tankvulklep - openen/sluiten Tankvulklep - handmatig openen De tankvulklep is als volgt te openen/sluiten: Tankvulklep openen/sluiten De tankvulklep kan handmatig worden geopend, als openen met de schakelaar in de passagiersruimte niet mogelijk is.
08 Starten en rijden Brandstof tanken N.B. Waar u tijdens het tanken op moet letten. Een overvolle tank kan bij warm weer overstromen. Tankdop open-/dichtdraaien Bijvullen met jerrycan16 Gebruik voor het bijvullen met een jerrycan de trechter die onder het vloerluik in de bagageruimte ligt. Let erop dat u de buis van de trechter goed in de vulpijp steekt. De vulpijp is voorzien van een te openen afdekking. U moet de buis van de trechter langs de afdekking naar binnen steken, voordat u kunt bijvullen.
08 Starten en rijden || WAARSCHUWING Op de grond gemorste brandstof kan vlam vatten. Schakel de verwarming op brandstof uit voordat u gaat tanken. Heb nooit een ingeschakelde mobiele telefoon bij u als u staat te tanken. Door het belsignaal kan er vonkvorming ontstaan waardoor de benzinedampen ontsteken en dat kan tot brand en letsel leiden. BELANGRIJK Door mengsels van verschillende soorten brandstoffen of het gebruik van niet aanbevolen brandstof vervallen de garanties van Volvo en evt.
08 Starten en rijden Alcoholen-ethanol BELANGRIJK • Er is brandstof toegestaan die tot 10 volumeprocent ethanol bevat. • Het gebruik van EN 228 E10-benzine (max. 10 volumeprocent ethanol) is toegestaan. • Een ethanolgehalte hoger dan in E10 (max. 10 volumeprocent ethanol) zoals in 98E15, 98E25 en Blue One 95 is niet toegestaan, omdat deze brandstofkwaliteiten niet voldoen aan EN 228. E85 is niet toegestaan. Gerelateerde informatie • • • • Brandstof - gebruik (p. 321) Zuinig rijden (p.
08 Starten en rijden || Na motoruitval door brandstofgebrek heeft het brandstofsysteem enige tijd nodig om een controle uit te voeren. Doe in dat geval (ná bijtanken met dieselolie) het volgende, voordat u de motor start: 1. Plaats de transpondersleutel in het contactslot en duw deze tot aan de aanslag naar binnen. Voor meer informatie, zie Sleutelstanden (p. 82). Houdt u zich voor het aftappen van het condenswater aan de specificaties die in uw Service- en garantieboekje staan aangegeven.
08 Starten en rijden temperatuur is gekomen. Daarna rijdt u nog 20 minuten verder. N.B. Tijdens de regeneratie kan zich het volgende voordoen: • er kan tijdelijk een geringe beperking van het motorvermogen te bespeuren zijn • het brandstofverbruik kan tijdelijk toenemen • er kan sprake zijn van een brandlucht. • Brandstoftank - inhoud (p. 447) Autogas tanken* Waar u op moet letten bij het tanken van autogas (CNG - Compressed Natural Gas) bij auto’s met Bi-Fuel-motor.
08 Starten en rijden || Tankstations met autogas Verkeersbord voor tankstations met autogas. Schakelaar voor rijden op gas* Auto’s met Bi-Fuel-motor hebben een schakelaar om te wisselen tussen gas (CNG Compressed Natural Gas) en benzine. De schakelaar zit bij de middenconsole. Bediening Gerelateerde informatie De auto start altijd op benzine, ook als gas is gekozen. Als de motor is gestart, schakelt het systeem automatisch over naar gas (normaal gesproken bij een warme start binnen enkele seconden).
08 Starten en rijden Katalysatoren De katalysatoren hebben tot taak de uitlaatgassen te reinigen. Ze zijn dicht bij de motor in het uitlaatsysteem gemonteerd om snel op temperatuur te komen. De katalysatoren bestaan uit een monoliet (keramiek of metaal) met kanalen. De wanden van de kanalen zijn bekleed met platina/ rodium/palladium. Deze edelmetalen hebben een katalytische werking, d.w.z. ze versnellen een chemische reactie zonder dat ze daar zelf actief aan deelnemen.
08 Starten en rijden || • De bandenkeuze is mogelijk van invloed op het brandstofverbruik – informeer bij uw dealer naar passende banden. • Neem geen spullen in de auto mee die u niet gebruikt – hoe groter de belading, hoe hoger het verbruik. • Rem af op de motor, wanneer dat zonder gevaar voor medeweggebruikers mogelijk is. • Lading op het dak en een skibox resulteert in een grotere luchtweerstand waardoor het verbruik toeneemt – verwijder lastdragers die u niet gebruikt.
08 Starten en rijden Richtingaanwijzers en remlichten op aanhanger N.B. De vermelde maximaal toegestane aanhangergewichten zijn door Volvo toegestaan. Nationale voertuigvoorschriften kunnen het aanhangergewicht en de snelheid verder beperken. De trekhaken kunnen zijn gecertificeerd voor hogere of lagere trekgewichten dan wat de auto mag trekken.
08 Starten en rijden Rijden met een aanhanger* automatische versnellingsbak BELANGRIJK Zie tevens de specifieke informatie over langzaam rijden met een aanhanger voor auto’s met een automatische versnellingsbak van het type Powershift, zie Automatische versnellingsbak - Powershift* (p. 294). Wanneer u bij warm weer een aanhanger sleept in heuvelachtig terrein, bestaat er mogelijk gevaar voor oververhitting. • Een automatische versnellingsbak kiest altijd de juiste versnelling voor het motortoerental.
08 Starten en rijden Gerelateerde informatie • Rijden met een aanhanger* (p. 328) Afneembare trekhaak* - opbergen Geldt voor Bi-Fuel*-model Bewaar de afneembare trekhaak in de bagageruimte. De trekhaak ligt samen met de gereedschappen achter een zijluikje in de bagageruimte. Opbergruimte trekhaak. BELANGRIJK Neem na gebruik altijd de trekhaak los en berg deze op de daarvoor bestemde plaats op. Gerelateerde informatie • Afneembare trekhaak* - specificaties (p.
08 Starten en rijden • Afneembare trekhaak* - specificaties Specificaties voor een afneembare trekhaak. G021485 Specificaties A 998 B 81 C 854 D 427 E 109 F 282 G Langsligger H Middelpunt kogel Gerelateerde informatie 08 332 Afmetingen, bevestigingspunten (mm) * Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. • Afneembare trekhaak* - monteren/ demonteren (p. 333) • Afneembare trekhaak* - opbergen (p. 331) Rijden met een aanhanger* (p.
08 Starten en rijden Afneembare trekhaak* - monteren/ demonteren U kunt de afneembare trekhaak als volgt monteren/demonteren: Het controlevenster moet groen van kleur zijn. G018928 Het controlevenster moet rood van kleur zijn. G021490 G021488 Aanbrengen Draai de sleutel linksom naar de vergrendelde stand. Neem de sleutel uit het slot. G021487 Breng de trekhaak aan en duw deze naar binnen totdat u een klik hoort.
08 Starten en rijden Controleer of de trekhaak vastzit door deze stevig omhoog, omlaag en naar achteren te bewegen. WAARSCHUWING Als de trekhaak niet goed zit, moet u deze verwijderen en opnieuw monteren zoals eerder werd beschreven. G021495 G021494 || Veiligheidskabel. WAARSCHUWING Controleer of de veiligheidskabel van de aanhanger in de juiste bevestiging vastzit.
08 Starten en rijden Gerelateerde informatie • • • Afneembare trekhaak* - opbergen (p. 331) Afneembare trekhaak* - specificaties (p. 332) Rijden met een aanhanger* (p. 328) Trailer Stability Assist (TSA)21 Het TSA-systeem (Trailer Stability Assist) heeft tot taak de auto met een aanhanger/ caravan te stabiliseren, wanneer de combinatie de neiging tot pendelbewegingen vertoont. TSAHet systeem maakt deel uit van de stabiliteitsregeling (p. 195) ESC22.
08 Starten en rijden || bestaat op de verkeerde weghelft of naast de weg te belanden. Het TSA-systeem houdt continu de bewegingen van de auto in de gaten en in het bijzonder de dwarsbewegingen. Als een neiging tot pendelbewegingen geregistreerd wordt, worden de voorwielen ieder afzonderlijk dusdanig afgeremd dat de combinatie gestabiliseerd wordt. Vaak is dit voldoende om de auto weer onder controle te krijgen.
08 Starten en rijden WAARSCHUWING • Controleer voordat u gaat slepen of het stuurslot eraf is. • De transpondersleutel moet in sleutelstand II staan. In stand I zijn alle airbags gedeactiveerd. • Haal nooit de transpondersleutel uit het contactslot als de auto wordt gesleept. WAARSCHUWING De rem- en stuurbekrachtiging werken niet als de motor is uitgeschakeld. Er moet ca. 5 keer zo hard op het rempedaal worden getrapt en de besturing gaat aanzienlijk zwaarder dan normaal.
08 Starten en rijden Sleepoog Het sleepoog dient te worden vastgeschroefd in een draadbus achter een afdekking in de bumper, voor of achter. Sleepoog bevestigen Neem het sleepoog erbij dat onder het vloerluik in de bagageruimte ligt. Geldt voor Bi-Fuel*-model: het sleepoog ligt samen met de gereedschappen achter een zijluikje in de bagageruimte.
08 Starten en rijden kan de auto beschadigd raken wanneer men deze met een sleepoog op het bergingsvoertuig probeert te trekken. Hef de auto zo nodig met behulp van de hefinrichting van het bergingsvoertuig op de auto. WAARSCHUWING Zorg dat het gebied achter het bergingsvoertuig vrij blijft, terwijl de auto op de laadvloer wordt getrokken.
WIELEN EN BANDEN
09 Wielen en banden Banden - onderhoud Nieuwe banden Rijeigenschappen Banden zijn van grote invloed op de rijeigenschappen van de auto. Zowel het type, de maat, de bandenspanning als de snelheidsklasse zijn belangrijk voor het rijgedrag van de auto. 09 Om verschillen in profieldiepte te voorkomen en slijtpatronen tegen te gaan kunt u de wielen op de voor- en achteras onderling van plaats verwisselen. Voer de eerste wissel na ca. 5000 km uit en doe dat daarna om de 10.000 km opnieuw.
09 Wielen en banden 09 || Opslag Banden - draairichting Bewaar wielen met omgelegde banden altijd liggend of hangend - nooit staand. Bij banden met een speciaal profiel dat alleen goed werkt wanneer de banden in een bepaalde richting draaien, staat deze richting aangegeven met een pijl op de zijkant van de band. Gerelateerde informatie Banden - maten (p. 345) Banden - snelheidsklassen (p. 346) Banden - lastindex (p. 346) Banden - draairichting (p.
09 Wielen en banden • Banden - slijtage-indicator Een slijtage-indicator toont de status van de profieldiepte van de band. Banden - onderhoud (p. 341) Banden - bandenspanning 09 Banden kunnen een verschillende bandenspanning hebben en dat wordt gemeten in de eenheid bar. Bandenspanning controleren G021829 Controleer iedere maand de bandenspanning. Slijtage-indicatoren. Slijtage-indicatoren zijn smalle ophogingen die dwars op het bandenprofiel staan.
09 Wielen en banden 09 || • • Bandenspanning bij gebruik van de aanbevolen bandenmaat. • • • Bandenspanningssticker ECO-bandenspanning1. Een te lage bandenspanning heeft een negatieve inwerking op het brandstofverbruik, de levensduur van de banden en de rijeigenschappen van de auto. Wanneer u met een te lage bandenspanning rijdt, kunnen de banden oververhit en beschadigd raken. De bandenspanning is van invloed op het rijcomfort, de geproduceerde weggeluiden en de rijeigenschappen. N.B.
09 Wielen en banden Wiel- en velgmaten Banden - maten Wiel- en velgmaten worden aangeduid zoals in de onderstaande tabel. De banden van de auto hebben een bepaalde maat, zie het voorbeeld in de onderstaande tabel. De auto is voorzien van een typegoedkeuring voor de uitvoering waarin deze werd aangeleverd. Dat betekent dat niet alle wiel- (velg-) en bandcombinaties goedgekeurd zijn. Wielen (velgen) zijn voorzien van een maataanduiding, bijvoorbeeld: 7Jx16x50.
09 Wielen en banden 09 Banden - lastindex Banden - snelheidsklassen De lastindex geeft het vermogen van een band aan om een bepaalde last te dragen. Elke band is bestand tegen een bepaalde max. snelheid en behoort daardoor tot een bepaalde snelheidsklasse (SS - Speed Symbol). Iedere band heeft een bepaald draagvermogen, wat wordt aangeduid met de lastindex (LI). Het gewicht van de auto bepaalt het draagvermogen van de banden. De minimaal toelaatbare index staat in de lastindextabel.
09 Wielen en banden Wielbouten Winterbanden Sneeuwkettingen gebruiken De wielen zitten op de naaf vast met wielbouten die in verschillende uitvoeringen verkrijgbaar zijn. Winterbanden zijn banden die aan de winterse toestand van de weg zijn aangepast. Het gebruik van sneeuwkettingen is alleen toegestaan op de voorwielen (geldt ook voor modellen met voorwielaandrijving). Rijd nooit sneller dan 50 km/h met sneeuwkettingen.
09 Wielen en banden 09 Wielen verwisselen - wielen verwijderen In de bandenspanningstabel (p. 453) staat de juiste bandenspanning voor het reservewiel. De wielen van de auto kunnen worden verwisseld door bijvoorbeeld winterbanden. Reservewiel* Het optionele reservewiel is leverbaar in twee verschillende uitvoeringen: voor opslag in een opbergzak of voor plaatsing onder de laadvloer. De volgende instructies gelden alleen voor reservewielen die bij wijze van extra bij de auto zijn gekocht.
09 Wielen en banden Reservewiel in opbergzak erbij nemen. 1. Haal de spanbanden los, til het reservewiel uit de bagageruimte en haal het uit de reservewielzak. 2. Klap de vloer in de bagageruimte omhoog. 3. Til het gereedschap en de krik uit het blok schuimrubber. Verwijderen Zet een gevarendriehoek (p. 352) op, als u een wiel moet verwisselen langs een drukke weg. Zorg ervoor dat de auto en de krik* op een stevige en horizontale ondergrond staan. 1. Haal de parkeerrem (p.
09 Wielen en banden 09 || 4. Auto’s met stalen velgen hebben afneembare wieldoppen. Haak het demontagegereedschap in dat geval vast de volledige wieldoppen om ze vervolgens los te trekken. De wieldoppen zijn ook met de hand in één snelle beweging los te trekken. 5. Schroef het sleepoog tot aan de aanslag in de wielsleutel* vast. WAARSCHUWING Leg nooit iets tussen de krik en de ondergrond en evenmin tussen de krik en het kriksteunpunt van de auto. 8.
09 Wielen en banden WAARSCHUWING Kruip nooit onder de auto als deze op een krik staat. Laat nooit passagiers in de auto zitten als deze op een krik staat. Bij het verwisselen van een wiel langs de kant van de weg moeten eventuele passagiers op een veilige plek gaan staan. N.B. De normale krik van de auto is alleen bestemd voor sporadisch en kortstondig gebruik zoals bij het verwisselen van een lekke band, monteren van winterbanden/ zomerbanden e.d.
09 Wielen en banden 09 || N.B. • Plaats na het oppompen van een band altijd het ventieldopje terug om schade aan het ventiel door grind, vuil e.d. te voorkomen. • Gebruik alleen kunststof dopjes. Metalen ventieldopjes kunnen roesten en zijn moeilijk los te draaien. • Wielbouten (p. 347) Gevarendriehoek De gevarendriehoek wordt gebruikt om andere verkeersdeelnemers te waarschuwen voor een stilstaande auto. Opbergen en uitklappen N.B.
09 Wielen en banden Zorg dat de houder met de gevarendriehoek na gebruik stevig in de bagageruimte vastzit. N.B. Gereedschap 09 In de auto is onder meer een sleepoog, een krik* en een wielsleutel* aanwezig. Bij een geactiveerde Privacy locking zijn achterklep en vloerluik niet te openen, zie Privacy locking* (p. 174). Til de vloer in de bagageruimte op en haal de gevarendriehoek tevoorschijn. Onder de vloer in de bagageruimte vindt u het sleepoog van de auto, de krik* en de wielsleutel*.
09 Wielen en banden 09 || Geldt voor Bi-Fuel*-model Krik* Gereedschap, terugplaatsen Er wordt een krik gebruikt om de auto op te nemen, bijvoorbeeld bij het verwisselen van banden. Gebruik de originele krik alleen voor het verwisselen van het reservewiel. Houd de schroef van de krik altijd goed ingevet. N.B. De gereedschappen van de auto liggen achter een zijluikje in de bagageruimte. Gerelateerde informatie • • • • • Noodreparatieset voor banden (p. 362) Sleepoog (p.
09 Wielen en banden EHBO-set* Geldt voor Bi-Fuel*-model De EHBO-set bevat materiaal voor het verlenen van eerste hulp. Bandenspanningscontrolesysteem*4 09 Het bandenspanningscontrolesysteem waarschuwt u, wanneer de bandenspanning in één of meer banden te laag is. Op bepaalde markten is een bandenspanningscontrolesysteem wettelijk verplicht. Er zijn twee soorten bandenspanningscontrolesystemen: TPMS (Tyre Pressure Monitoring System) en TM (Tyre Monitor).
09 Wielen en banden 09 • Bandenspanningscontrolesysteem (TPMS)* - bij een lage bandenspanning (p. 360) • Bandenspanningscontrolesysteem (TPMS)* - activeren/deactiveren (p. 359) • Bandenspanningscontrolesysteem (TPMS)* - adviezen (p. 359) Bandenspanningscontrolesysteem (TPMS)*11 - algemeen Het bandenspanningscontrolesysteem TPMS (Tyre Pressure Monitoring System)* waarschuwt u, wanneer de spanning in één of meer banden te laag is.
09 Wielen en banden Gerelateerde informatie • • Bandenspanningscontrolesysteem (TPMS)* - aanpassen (herkalibreren) (p. 357) Bandenspanningscontrolesysteem (TPMS)* - bij een lage bandenspanning (p. 360) • Bandenspanningscontrolesysteem (TPMS)* - activeren/deactiveren (p. 359) • Bandenspanningscontrolesysteem (TPMS)* - adviezen (p.
09 Wielen en banden 09 Bandenspanningscontrolesysteem (TPMS)*19 - status Het bandenspanningscontrolesysteem TPMS (Tyre Pressure Monitoring System)* waarschuwt u, wanneer de spanning in één of meer banden te laag is. Status systeem en banden De status van het systeem en de banden zijn te controleren, zie MY CAR (p. 116). 1. Kies het menusysteem MY CAR om de menu’s voor bandenspanningscontrole te openen. 2. Kies Bandenspanning.
09 Wielen en banden Bandenspanningscontrolesysteem (TPMS)*20 - activeren/deactiveren21 Bandenspanningscontrolesysteem (TPMS)*23 - adviezen Het bandenspanningscontrolesysteem TPMS (Tyre Pressure Monitoring System)* waarschuwt u, wanneer de spanning in één of meer banden te laag is. Het bandenspanningscontrolesysteem TPMS (Tyre Pressure Monitoring System)* waarschuwt u, wanneer de spanning in één of meer banden te laag is. N.B.
09 Wielen en banden 09 Bandenspanningscontrolesysteem (TPMS)*25 - bij een lage bandenspanning Het bandenspanningscontrolesysteem TPMS (Tyre Pressure Monitoring System)26 waarschuwt u, wanneer de spanning in één of meer banden te laag is en om welke band het gaat. Geel betekent dat de bandenspanning laag is. Stop zo snel mogelijk en controleer de bandenspanning. Rood betekent dat de bandenspanning zeer laag is. Stop direct en pas de bandenspanning aan.
09 Wielen en banden Herkalibreren Let erop dat u het TM na iedere bandenwissel of aanpassing van de bandenspanning moet herprogrammeren. Als er geen nieuwe referentiewaarden worden opgeslagen, kan het systeem niet goed werken. 1. Schakel het contact uit. 2.
09 Wielen en banden 09 N.B. Controleer de bandenspanning bij koude banden om de verkeerde bandenspanning tegen te gaan. Koude banden hebben dezelfde temperatuur als de omgeving (na ca. 3 uur stilstand). Al na enkele kilometers rijden worden de banden warm en loopt de spanning op. WAARSCHUWING • Een verkeerde bandenspanning kan tot bandenpech leiden, waarbij u de controle over de auto kunt verliezen. • Het systeem kan plotselinge bandenschade onmogelijk voorzien.
09 Wielen en banden Noodreparatieset voor banden positie Geldt voor Bi-Fuel*-model U gebruikt de noodreparatieset voor banden, Temporary Mobility Kit (TMK), om een gat te dichten en om de bandenspanning te controleren en aan te passen. Gerelateerde informatie • Noodreparatieset voor banden - overzicht (p. 364) • Noodreparatieset voor banden - afdichtmiddel (p. 368) • Noodreparatieset voor banden (p.
09 Wielen en banden 09 Noodreparatieset voor banden overzicht Overzicht van de onderdelen van de noodreparatieset, Temporary Mobility Kit (TMK). Gerelateerde informatie • Noodreparatieset voor banden - positie (p. 363) • Noodreparatieset voor banden - afdichtmiddel (p. 368) • Noodreparatieset voor banden (p. 362) Noodreparatieset voor banden bediening Repareer een lekke band met de noodreparatieset, Temporary Mobility Kit (TMK).
09 Wielen en banden 1. Plaats een gevarendriehoek en schakel de alarmlichten in, als u een lekke band moet afdichten langs een drukke weg. Laat een eventuele spijker of iets dergelijks in de lekke band zitten. Het lek is zo beter af te dichten. 2. Verwijder de sticker met de toegestane maximumsnelheid (die aan de ene kant van de compressor zit) en bevestig deze op het stuurwiel. WAARSCHUWING Rijd nooit sneller dan 80 km/h, nadat u de noodreparatieset hebt gebruikt.
09 Wielen en banden 09 || 10. Schakel de compressor uit om de bandenspanning van de manometer af te lezen. De bandenspanning dient minimaal 1,8 bar en maximaal 3,5 bar te bedragen. (Laat eventueel lucht ontsnappen met het drukreduceerventiel, als de bandenspanning te hoog is.) 13. Leg zo spoedig mogelijk na de reparatie ca. 3 km af bij een snelheid van maximaal 80 km/h, zodat het afdichtmiddel de band kan afdichten. N.B.
09 Wielen en banden WAARSCHUWING Draai de bus niet los, aangezien deze een blokkering heeft om lekkage te voorkomen. de beschadigde band te laten vervangen/ repareren. Geef aan het werkplaatspersoneel door dat er afdichtmiddel in de band zit. WAARSCHUWING De snelheid mag niet hoger dan 80 km/h zijn nadat de provisorische bandenreparatie is gebruikt. Volvo adviseert een bezoek aan een erkende Volvo-werkplaats voor een inspectie van de gerepareerde band (maximaal 200 km rijden).
09 Wielen en banden 09 || BELANGRIJK Kans op oververhitting. De compressor mag niet langer dan 10 minuten werken. 5. Pomp de band op tot de spanning die staat aangegeven in de bandenspanningstabel, zie Banden - goedgekeurde bandenspanning (p. 453). Laat lucht uit de band ontsnappen, als de bandenspanning te hoog is. Noodreparatieset voor banden afdichtmiddel De verpakking (bus) in de noodreparatieset voor banden (p. 364) bevat afdichtmiddel en is te vervangen.
09 Wielen en banden Typegoedkeuring bandenspanningscontrolesysteem (TPMS) 09 (Tyre Pressure Monitoring System)* staat in de tabel. De typegoedkeuring voor de sensoren van het bandenspanningscontrolesysteem - TPMS }} * Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
09 Wielen en banden 09 || Land/regio Brazilië Oekraïne 370
09 Wielen en banden Land/regio 09 Israël }} 371
09 Wielen en banden 09 || Verklaring van overeenstemming (Declaration of Conformity) Land/regio Landen binnen de EU: Exportland: Duitsland Producent: Continental Automotive GmbH Type uitrusting: TPMS-eenheid Tsjechië: 372 Continental tímto prohlašuje, že tento Radio Transmitter je ve shodě se základními požadavky a dalšími příslušnými ustanoveními směrnice 1999/5/ES.
09 Wielen en banden 09 Land/regio Denemarken: Undertegnede Continental erklærer herved, at følgende udstyr Radio Transmitter overholder de væsentlige krav og øvrige relevante krav i direktiv 1999/5/EF. Duitsland: Hiermit erklärt Continental, dass sich das Gerät Radio Transmitter in Übereinstimmung mit den grundlegenden Anforderungen und den übrigen einschlägigen Bestimmungen der Richtlinie 1999/5/EG befindet.
09 Wielen en banden 09 || Land/regio Hongarije: Alulírott, Continental nyilatkozom, hogy a Radio Transmitter megfelel a vonatkozó alapvetõ követelményeknek és az 1999/5/EC irányelv egyéb elõírásainak. Polen: Niniejszym Continental oświadcza, że Radio Transmitter jest zgodny z zasadniczymi wymogami oraz pozostałymi stosownymi postanowieniami Dyrektywy 1999/5/EC.
ONDERHOUD EN SERVICE
10 Onderhoud en service Serviceprogramma van Volvo 10 Om de verkeersveiligheid, bedrijfszekerheid en betrouwbaarheid van de auto op een hoog peil te houden, dient u de voorschriften van het Serviceprogramma van Volvo op te volgen zoals die omschreven staan in het Service- en garantieboekje van Volvo. Volvo adviseert u om service- en onderhoudswerkzaamheden over te laten aan een erkende Volvo-werkplaats.
10 Onderhoud en service Dienst gebruiken Alle menu’s en instellingen zijn vanuit de normaalweergave in MY CAR te bereiken door OK/MENU in te drukken gevolgd door Service & reparatie. Wanneer het tijd is voor service en in sommige gevallen ook wanneer de auto aan reparatie toe is, wordt dat aangegeven via een melding op het instrumentenpaneel (p. 66) en via een pop-upmenu op het beeldscherm. Het servicelampje en de servicemelding op het instrumentenpaneel doven.
10 Onderhoud en service || Navigatiesysteem gebruiken1, 2 Geef uw werkplaats als bestemming of deelbestemming aan voor het navigatiesysteem. 10 – – Kies Service & reparatie Dealerinformatie Eén bestemming inst.. Kies Service & reparatie Dealerinformatie Toevoegen als tussenbestemming. Autogegevens versturen1 De autogegevens worden verstuurd naar de centrale Volvo-database (niet naar dealers).
10 Onderhoud en service Auto opnemen Bij het opnemen van de auto is het belangrijk dat u de krik of de dragerarmen onder de voorziene steunpunten in het onderstel van de auto aanbrengt. 10 N.B. Volvo adviseert u alleen de krik te gebruiken die bij de auto hoort. Volg bij gebruik van een andere krik dan door Volvo geadviseerd de aanwijzingen die bij deze krik werden geleverd.
10 Onderhoud en service || 10 Kriksteunpunten (pijlen) voor de krik van de auto en de hefpunten (rood gemarkeerd). Als u de auto aan de voorkant heft met een garagekrik, moet u de krik onder een van de vier hefpunten zetten die verder naar binnen onder de auto zitten. Als u de auto aan de achterkant heft met een garagekrik, moet u de krik onder een van de hefpunten zetten. Let erop dat u de garagekrik dusdanig aanbrengt, dat de auto er niet van af kan glijden.
10 Onderhoud en service Motorkap - openen en sluiten Haal de borghaak naar links om de motorkap te openen. (De borghaak zit tussen de koplamp en de radiateurgrille zoals afgebeeld.) De motorkap is te openen, wanneer u de handgreep in de passagiersruimte rechtsom hebt gedraaid en de pal bij de radiateurgrille naar links hebt gehaald. Motorruimte - overzicht Het overzicht laat een aantal servicegerelateerde componenten zien. Motorruimte 4-cil.
10 Onderhoud en service || WAARSCHUWING 10 Motorruimte, behalve 4-cil. De spanning en het vermogen van het ontstekingssysteem zijn zeer hoog. De spanning in het ontstekingssysteem is levensgevaarlijk. Houd het elektrische systeem van de auto altijd in sleutelstand 0 bij werkzaamheden in de motorruimte, zie Sleutelstanden - functies in verschillende standen (p. 83). Raak bougies of bobine niet aan, wanneer het elektrische systeem van de auto in sleutelstand II staat of als de motor warm is.
10 Onderhoud en service Motorruimte - controle Bepaalde oliën en vloeistoffen dienen regelmatig gecontroleerd te worden. Regelmatig controleren • Sproeiervloeistof - bijvullen (p. 401) Motorolie - algemeen Om de aanbevolen service-intervallen aan te kunnen houden dient u een goedgekeurde motoroliesoort te gebruiken.
10 Onderhoud en service || Voor ritten onder ongunstige omstandigheden, zie Motorolie - ongunstige rijomstandigheden (p. 440). 10 BELANGRIJK Om aan de vereisten voor de gespecificeerde service-intervallen te voldoen worden alle motoren in de fabriek gevuld met een speciaal aangepaste, synthetische motorolie. De oliesoort werd met grote zorg geselecteerd lettend op de levensduur van de motor, de startgewilligheid, het brandstofverbruik en de milieu-impact.
10 Onderhoud en service 5. Als de olie dichter bij het MIN-streepje ligt, dient u 0,5 liter bij te vullen. Als de olie daar ver onder staat, moet u wellicht meer bijvullen. Motor met oliepeilstok6 Peilstok en vulpijp. Bij een nieuwe auto is het belangrijk om het oliepeil te controleren, voordat de olie voor de eerste keer volgens schema moet worden ververst. Volvo adviseert u het oliepeil om de 2500 km te controleren. De betrouwbaarste meting wordt verkregen bij een koude motor vóór de start.
10 Onderhoud en service || Motor met elektronische oliepeilsensor, 4-cil. BELANGRIJK Vul bij een melding dat het oliepeil gering alleen de aangegeven hoeveelheid olie bij, bijvoorbeeld 0,5 liter. 10 N.B. Vulpijp7. Melding en grafische voorstelling op display. Het linker display verschijnt op een digitaal instrumentenpaneel en het rechter op een analoog. Melding In sommige gevallen moet olie worden bijgevuld tussen de servicebeurten door.
10 Onderhoud en service Oliepeil meten, 4-cil. Houd voor controle van het oliepeil de onderstaande procedure aan. Motor met elektronische oliepeilsensor, 5-cil. diesel 1. Activeer sleutelstand II, zie Sleutelstanden - functies in verschillende standen (p. 83). 10 2. Draai het duimwiel op de linker stuurhendel naar stand Oliepeil. > Vervolgens verschijnt informatie over het motoroliepeil. Voor meer informatie over de menufuncties, zie Menufuncties - instrumentenpaneel (p. 113). N.B.
10 Onderhoud en service || BELANGRIJK 10 Vul bij het verschijnen van de melding Oliepeil laag 0,5 liter bijvullen slechts 0,5 liter bij. N.B. Het systeem detecteert het oliepeil alleen tijdens het rijden. Na het bijvullen of aftappen van olie duurt het even voordat het systeem wijzigingen in het oliepeil kan waarnemen. De auto dient ca. 30 km te rijden, voordat het weergegeven oliepeil correct is. Oliepeil meten, 5-cil. diesel Houd voor controle van het oliepeil de onderstaande procedure aan. 1.
10 Onderhoud en service Koelvloeistof - peil De koelvloeistof koelt de verbrandingsmotor af tot de juiste bedrijfstemperatuur. De warmte die de motor overdraagt op de koelvloeistof kan worden benut voor verwarming van de passagiersruimte. De koelvloeistof moet tussen het MIN- en MAX-streepje op het expansiereservoir staan. Peil controleren en bijvullen WAARSCHUWING De koelvloeistof kan zeer heet zijn.
10 Onderhoud en service Rem- en koppelingsvloeistof - peil Bijvullen De rem- en koppelingsvloeistof moet tussen de MIN- en MAX-streepjes staan. 10 Stuurbekrachtigingsvloeistof - peil Een auto met een viercilindermotor heeft geen stuurbekrachtigingsvloeistof. Voor auto’s met een andere motor moet de stuurbekrachtigingsvloeistof tussen de MIN- en MAX-markering op het reservoir staan. Verversen van de vloeistof is niet nodig. Peil controleren De rem- en koppelingsvloeistof zitten in hetzelfde reservoir.
10 Onderhoud en service Voor de aanbevolen vloeistofkwaliteit, zie Stuurbekrachtigingsvloeistof - kwaliteit (p. 446). N.B. Ook als er een storing optreedt in de stuurbekrachtiging of als de stroom wegvalt en u de auto moet laten wegslepen, blijft de auto bestuurbaar. Klimaatregeling - storingen opsporen en verhelpen Service en reparatie aan het aircosysteem mogen uitsluitend door een erkende werkplaats worden uitgevoerd.
10 Onderhoud en service || WAARSCHUWING 10 Als de auto is voorzien van xenonkoplampen, moet u de xenonlampen door een werkplaats laten vervangen – geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats. Werkzaamheden aan de xenonkoplampen vergen de nodige voorzichtigheid, aangezien dergelijke koplampen zijn voorzien van een ontstekingsgedeelte dat een hoge spanning opwekt.
10 Onderhoud en service 1. Sluit de connector dusdanig aan dat u een klik hoort. Lampen verwisselen - afdekkap groot-/dimlichtlampen 2. Plaats het koplamphuis terug en breng de borgpennen aan. Plaats de korte borgpen bij de radiateurgrille. Controleer of u ze goed hebt ingestoken. De groot-/dimlichtlampen zijn bereikbaar door de grotere afdekkap van de koplamp los te maken. 10 3. Controleer de verlichting. Koppel de connector van het koplamphuis los door met uw duim de clip omlaag te duwen.
10 Onderhoud en service • • 10 Lamp vervangen - groot licht (p. 395) Lamp vervangen - dimlicht Lamp vervangen - verstraler (p. 395) De lamp van het dimlicht zit achter de grote afdekking in het koplamphuis. N.B. Geldt voor auto’s met halogeenkoplampen. 1. Neem de koplamp (p. 392) los. 2. Verwijder de afdekking (p. 393). 3. Koppel de connector van de lamp los. 4. Trek de lamp recht naar buiten toe los. 5.
10 Onderhoud en service Lamp vervangen - groot licht De lamp van het groot licht zit achter de grote afdekking in het koplamphuis. N.B. Geldt voor auto’s met halogeenkoplampen. 1. Neem de koplamp (p. 392) los. 2. Verwijder de afdekking (p. 393). 3. Haal de gloeilamp los door deze rechtsom te draaien en vervolgens recht naar buiten te trekken. Plaats de onderdelen in omgekeerde volgorde terug. Gerelateerde informatie • Lampen - specificaties (p.
10 Onderhoud en service || Plaats de onderdelen in omgekeerde volgorde terug. Gerelateerde informatie 10 • Lampen - specificaties (p. 399) Lampen vervangen richtingaanwijzers voorzijde De richtingaanwijzerlamp zit achter de kleine afdekking in het koplamphuis. Lamp vervangen - verlichting achter Richtingaanwijzers achter, mistachterlicht en achteruitrijlichten zijn vanuit de bagageruimte te vervangen. Achterlamphuis 1. Neem de koplamp (p. 392) los. 2. Trek de afdekking recht naar buiten toe los. 3.
10 Onderhoud en service 5. Breng een nieuwe gloeilamp aan door de lamp omlaag te duwen en rechtsom te draaien. 6. Houd de borghaak omlaag terwijl u de gloeilamphouder terugplaatst. Lamp vervangen - positie lampen achterzijde Lamp vervangen kentekenplaatverlichting Het overzicht geeft de positie aan van de lampen aan achterzijde. De kentekenplaatverlichting zit onder de handgreep van de achterklep. 10 7. Plaats de isolatie en het paneel terug.
10 Onderhoud en service Lamp vervangen - verlichting makeupspiegel De bagageruimteverlichting zit in de achterklep. De lampjes voor de verlichting van de makeupspiegel zitten achter de lensjes. Lampglas verwijderen G031942 10 Lamp vervangen - verlichting in bagageruimte 1. Steek een schroevendraaier achter het lamphuis en wrik deze iets heen en weer, zodat het lamphuis loskomt. 2. Vervang de gloeilamp. 1.
10 Onderhoud en service Lampen - specificaties Verlichting De specificaties gelden voor gloeilampen. Wend u voor vervanging van led- en xenonlampen tot een werkplaats. Verlichting WA Type Dimlicht, halogeen 55 H7 LL Groot licht, halogeen 65 H9 Verstralers, ABL 65 H9 Richtingaanwijzers voorzijde 24 PY24W Instapverlichting voor 3 Lampvoet T10; W2,1x9,5d Verlichting dashboardkastje 5 Lampvoet SV8.
10 Onderhoud en service 10 || 1. Steek de transpondersleutel in het contactslot11 en druk kort op de START/ STOP ENGINE-knop om het elektrische systeem van de auto in de sleutelstand I te zetten. Voor gedetailleerde informatie over sleutelstanden, zie Sleutelstanden functies in verschillende standen (p. 83). 2. Druk nogmaals kort op de START/STOP ENGINE-knop om het elektrische systeem van de auto in de sleutelstand 0 te zetten. 3. Beweeg binnen 3 seconden de rechter stuurhendel omhoog en houd deze ca.
10 Onderhoud en service N.B. De wisserbladen hebben een verschillende lengte. Het blad aan de bestuurderskant is langer dan dat aan de passagierskant. Schoonmaken Sproeiervloeistof - bijvullen Voor het schoonmaken van de wisserbladen en de voorruit, zie Wasstraat (p. 423). Om de koplampen en ruiten schoon te houden wordt sproeiervloeistof gebruikt. Gebruik sproeiervloeistof met antivries bij temperaturen onder het vriespunt. BELANGRIJK 10 Controleer de bladen regelmatig.
10 Onderhoud en service || Voorgeschreven kwaliteit: Door Volvo aanbevolen sproeiervloeistof, met antivries bij koud weer en onder het vriespunt. BELANGRIJK 10 Gebruik originele sproeiervloeistof van Volvo of een vergelijkbaar product met de aanbevolen pH-waarde tussen 6 en 8 (gebruiksklaar mengsel, d.w.z. gelijke delen/1:1 bij neutraal water). BELANGRIJK Gebruik bij temperaturen onder nul sproeiervloeistof met antivries, zodat de vloeistof niet vastvriest in pomp, reservoir en slangen.
10 Onderhoud en service WAARSCHUWING • De startaccu kan het zeer explosieve knalgas produceren. Eén enkele vonk, veroorzaakt door een onjuiste aansluiting van een startkabel, kan volstaan om de accu tot ontploffing te brengen. • De startaccu bevat tevens zwavelzuur dat ernstige chemische brandwonden kan veroorzaken. • Als u accuzuur in uw ogen krijgt of op uw huid of kleren morst, moet u onmiddellijk met grote hoeveelheden water spoelen.
10 Onderhoud en service Accu - symbolen Vermijd vonken en open vuur. Op de accu’s zitten symbolen die informatie verstrekken en waarschuwen. 10 Symbolen op de accu’s De startaccu is een traditionele 12V-accu. Draag een veiligheidsbril. Demonteren Explosiegevaar. Zie voor meer informatie de gebruikershandleiding die bij de auto hoort. Bestemd voor inzameling. Bewaar accu’s buiten het bereik van kinderen. N.B. De accu bevat een bijtend zuur.
10 Onderhoud en service Neem de achterste afdekking los door deze een kwartslag te verdraaien en vervolgens op te tillen. Veerpootbrug bij R-Design* WAARSCHUWING 10 De plus- en minkabels in de juiste volgorde loskoppelen en/of aansluiten. Koppel de zwarte minkabel los. Koppel de rode pluskabel los. Koppel de ontluchtingsslang van de accu los. Draai het boutje los waarmee de accuklem vastzit.
10 Onderhoud en service || N.B. 10 Haal de bouten aan met 30 Nm. Controleer het aanhaalmoment met een momentsleutel. Monteren 8. Plaats de rubber strip. (Zie ‘Demonteren’.) Accu - Start/Stop 9. Pas de voorste afdekking in en zet het vast met behulp van de clips. (Zie ‘Demonteren’.) Auto’s met Start/Stop-systeem hebben behalve de startaccu ook een hulpaccu. Voor meer informatie over de startaccu van de auto, zie Starthulp met accu (p. 287).
10 Onderhoud en service Accu Start, 12 V KoudestartvermogenA - CCAB (A) Hulp, 12 V Start, 12 V Auto met stuur links: 720C 760D 120E Capaciteit (Ah) 170F Auto met stuur rechts: Auto met stuur links: 150×90×106E 278×175×190 150×90×130F Auto met stuur rechts: 150×90×106 Hulp, 12 V Auto met stuur links: 8E 70 10F Auto met stuur rechts: 120 Afmetingen , l×b×h (mm) BELANGRIJK Accu Bij vervanging van de startaccu of hulpaccu, bij een auto met Start/Stop-systeem, moet u een accu van het juiste type
10 Onderhoud en service || • 10 • Auto-start motor16 werkt zonder dat de bestuurder de koppeling bedient (handmatige versnellingsbak). De motor start automatisch zonder dat de bestuurder zijn voet van het rempedaal haalt (automatische versnellingsbak). Locatie accu’s BELANGRIJK N.B.
10 Onderhoud en service Elektrisch systeem Zekeringen - algemeen Het elektrische systeem is enkelpolig en gebruikt het chassis en het motorblok als geleiders. Om te voorkomen dat de elektrische systemen van de auto beschadigd raken door kortsluiting of overbelasting, worden alle verschillende elektrische functies en onderdelen door een aantal zekeringen beschermd. Op de auto zit een wisselstroomdynamo met spanningsregelaar.
10 Onderhoud en service || Bergruimte onder vloer in bagageruimte Koude zone motorruimte (alleen Start/ Stop) 10 Gerelateerde informatie • • 410 Zekeringen - in motorruimte (p. 411) Zekeringen - onder dashboardkastje (p. 415) • Zekeringen - in regeleenheid onder dashboardkastje (p. 417) • • Zekeringen - in bagageruimte (p. 419) Zekeringen - in de koude zone van de motorruimte (p.
10 Onderhoud en service Zekeringen - in motorruimte De zekeringen in de motorruimte beveiligen o.a. de motor- en remfuncties.
10 Onderhoud en service || 10 Algemene informatie over de zekeringen in de motorruimte Functie Aan de binnenkant van het deksel zit een speciale trekker waarmee u de zekeringen gemakkelijker kunt verwijderen en aanbrengen.
10 Onderhoud en service Functie [A]A - - - - - - Relais sproeiers 5 Verstralers* 20 Claxon 15 Relaisspoel in hoofdrelais voor motormanagementsysteem (4-cil.); motorregeleenheid (4cil.) 5 Relaisspoel in hoofdrelais voor motormanagementsysteem (5-, 6-cil.); motorregeleenheid (5-, 6-cil.) 10 Transmissieregeleenheid 15 Magneetkoppeling A/C (5-, 6cil. benzine); ondersteunende koelvloeistofpomp (4-cil. diesel) 15 Functie [A]A Relaisspoel in relais voor magneetkoppeling A/C (5-, 6cil.
10 Onderhoud en service || Functie 10 414 Functie [A]A Koelvloeistofpomp (5-cil. benzine); verwarming carterventilatie (5-cil. benzine); oliepomp automatische versnellingsbak (5-cil. benzine Start/Stop) 10 Bobines (4-cil. benzine) 15 Dieselfilterverwarming (diesel) 20 Regeleenheid radiateurafdekking (5-cil. benzine) 5 Magneetkoppeling A/C (4-cil.); regeleenheid gloeiregeling (4cil. diesel); oliepomp (4-cil. diesel) 7,5 Carterventilatieverwarming (5-cil.
10 Onderhoud en service Zekeringen - onder dashboardkastje De zekeringen onder het dashboardkastje beveiligen o.a. de infotainment- en stoelfuncties.
10 Onderhoud en service || Functie 10 416 Functie [A]A [A]A Elektrisch bediende stoel bestuurderszijde* 20 Extra verwarming op stroom* 5 Elektrisch bediende stoel passagierszijde* 20 Stoelverwarming passagierszijde voorin 15 - - Stoelverwarming bestuurderszijde voorin 15 Regeleenheid infotainment of beeldschermB 5 Parkeerhulp*; parkeercamera*; BLIS* 5 Regeleenheid audio (versterker)*; tv*; digitale radio* 10 Regeleenheid AWD* 15 Regeleenheid audio of regeleenheid SensusB 15 Acti
10 Onderhoud en service Zekeringen - in regeleenheid onder dashboardkastje De zekeringen in de regeleenheid onder het dashboardkastje beveiligen o.a. de functies voor airbags en Collision Warning.
10 Onderhoud en service || Functie 10 A 418 [A]A Omklapbare hoofdsteunen* 10 Brandstofpomp 20 Bewegingsmelder alarm*; bedieningspaneel klimaatregeling 5 Stuurslot 15 Sirene alarmsysteem*; diagnose-aansluiting OBDII 5 - - Airbags 10 Collision Warning* 5 Gaspedaalsensor; dimfunctie achteruitkijkspiegel*; achterbankverwarming* 7,5 Regeleenheid Infotainment (Performance); audiosysteem (Performance) 15 Remlichten 5 Schuifdak* 20 Startblokkering 5 Ampère * Optie/accessoire, zie In
10 Onderhoud en service Zekeringen - in bagageruimte De zekeringen in de bagageruimte beveiligen o.a. de elektrische parkeerrem. 10 Posities Functie Functie [A]A Elektrische parkeerrem links 30 Elektrische parkeerrem rechts 30 Elektrische achterruitverwarming 30 Trekhaakaansluiting 2* 15 - - 12V-aansluiting bagageruimte Functie [A]A 15 - - - - - - - - [A]A Trekhaakaansluiting 1* A 40 - Ampère Gerelateerde informatie • • Zekeringen - in motorruimte (p.
10 Onderhoud en service || 10 420 • Zekeringen - in regeleenheid onder dashboardkastje (p. 417) • Zekeringen - in de koude zone van de motorruimte (p.
10 Onderhoud en service Zekeringen - in de koude zone van de motorruimte De zekeringen in de koude zone van de motorruimte zitten in auto’s met de Start/ Stop-functie. 10 Positie van de zekeringen in de koude zone van de motorruimte. • De zekeringen A1 en A2 zijn van het type ‘MEGA Fuse’ en mogen alleen door een werkplaats worden vervangen19. • De zekeringen 1–11 zijn van het type ‘MidiFuse’ en mogen alleen door een werkplaats worden vervangen19. • Zekeringen 12 is van het type ‘MiniFuse’.
10 Onderhoud en service || 10 Functie [A]A Extra verwarming op stroom* 100 Hoofdzekering voor centrale elektronicamodule (ECM) onder dashboardkastje 50 Hoofdzekering voor relais-/ zekeringhouder onder dashboardkastje 60 Elektrische voorruitverwarming* 60 Hoofdzekering voor relais- en zekeringhouder in bagageruimte 60 Interieurventilator 40 - - - - Startrelais - A 422 30 - Hulpaccu 70 Centrale elektronicamodule (CEM) - referentiespanning hulpaccu 5 Ampère * Optie/accessoire, zie
10 Onderhoud en service Wasstraat Was de auto zodra deze vuil geworden is. Zorg dat de auto op een spoelvloer met olieafscheider staat. Gebruik autoshampoo. Met de hand wassen • • • Verwijder vogelpoep zo spoedig mogelijk van de lak. Vogelpoep bevat namelijk stoffen die de lak aantasten en deze zeer snel doen verkleuren. U wordt geadviseerd een dergelijke verkleuring te laten herstellen door een erkende Volvo-werkplaats. Spoel het onderstel af.
10 Onderhoud en service || - Zet de wisserbladen in de servicestand, zie Wisserbladen (p. 399). N.B. 10 Reinig de wisserbladen en voorruit regelmatig met een lauw sopje of autoshampoo. Gebruik geen sterke oplosmiddelen. Kunststof en rubber sieronderdelen exterieur Voor het schoonmaken en verzorgen van gekleurde kunststof onderdelen, rubber onderdelen en sieronderdelen zoals glimmende strips, wordt geadviseerd het speciale reinigingsmiddel te gebruiken dat bij de Volvo-werkplaats verkrijgbaar is.
10 Onderhoud en service BELANGRIJK Waxen en polijsten op kunststof en rubber is niet toegestaan. Bij gebruik van ontvettingsmiddel op kunststof en rubber mag u, als dat nodig is, slechts met lichte druk wrijven. Gebruik een zachte spons. Door het polijsten van glimmende strips kan de glimmende oppervlaktelaag wegslijten of beschadigd raken. Gebruik geen poetsmiddel dat schuurmiddel bevat. BELANGRIJK Alleen lakbehandelingen uitvoeren die door Volvo geadviseerd worden.
10 Onderhoud en service 10 Roestwering Interieur reinigen Stoffen bekleding en plafondbekleding De auto heeft in de fabriek een uiterst grondige en complete roestwerende behandeling ondergaan. De carrosserie bestaat ten dele uit gegalvaniseerd plaatwerk. Het onderstel is voorzien van een slijtvaste bodembescherming. In de balken, holten en gesloten profielen werd een dunne, doordringende roestwerende vloeistof gespoten.
10 Onderhoud en service Interieuronderdelen van kunststof, metaal en hout WAARSCHUWING Gebruik voor alle zitplaatsen slechts één inlegmat tegelijk en controleer alvorens weg te rijden of de mat voor de bestuurdersstoel goed in de bevestigingsklemmen op de vloer vastzit om te voorkomen dat deze kan gaan glijden en achter of onder de pedalen blijft haken.
10 Onderhoud en service || 10 • Grondlak (primer)20 - voor met kunststof beklede bumpers e.d. zijn er spuitbussen met speciale hechtprimer verkrijgbaar. Het is belangrijk dat u de juiste lakkleur gebruikt. Voor de positie van de productsticker zie Type-aanduidingen (p. 431).
10 Onderhoud en service N.B. Als de steenslag niet tot het metalen oppervlak (blanke plaat) is doorgedrongen en er nog steeds een intacte laklaag aanwezig is, moet u de basislak en heldere lak direct aanbrengen nadat u het oppervlak hebt gereinigd. 10 Gerelateerde informatie • Roestwering (p.
SPECIFICATIES
11 Specificaties Type-aanduidingen Type-aanduiding, chassisnummer e.d. (voertuigspecifieke informatie) staan aangegeven op een sticker in de auto.
11 Specificaties || Positie van stickers en plaatjes 11 De afbeelding is schematisch – afhankelijk van de markt en het model zijn afwijkingen mogelijk. Wanneer u contact opneemt met uw erkende Volvo-werkplaats of vervangende onderdelen of accessoires wilt bestellen, kan het handig 432 zijn om de type-aanduiding, het chassisnummer en het motornummer bij de hand te hebben. Type-aanduiding, chassisnummer, maximaal toelaatbaar gewicht, kleurcode voor lakwerk en typegoedkeuringsnummer.
11 Specificaties sticker zit op de portierstijl en wordt bij het openen van het rechter achterportier zichtbaar. Sticker voor A/C-systeem. Gerelateerde informatie • • Gewichten (p. 435) Motorspecificaties (p. 438) Sticker voor standverwarming. Motorcode en serienummer van de motor. Sticker voor motorolie. 11 Type-aanduiding en serienummer van de versnellingsbak. Handgeschakelde versnellingsbak Automatische versnellingsbak Identificatienummer van de auto (VIN, Vehicle Identification Number).
11 Specificaties Maten In de tabel ziet u de maten van de auto wat de lengte, hoogte e.d. betreft. 11 434 Maten mm A Wielbasis 2776 B Lengte 4635 C Laadlengte, vloer, achterbank neergeklapt D Laadlengte, vloer E Hoogte F Laadhoogte Maten G H Spoorbreedte vooras Spoorbreedte achteras 1749 978 1484 658 mm Maten mm 1588A K Breedte incl. buitenspiegels 2097 1578B L Breedte incl.
11 Specificaties Gewichten Het maximale totaalgewicht staat aangegeven op een sticker in de auto. Inbegrepen bij het rijklaar gewicht zijn het gewicht van de bestuurder, dat van de brandstoftank die voor 90 % gevuld is en dat van de resterende oliën/vloeistoffen. Het gewicht van de passagiers en de gemonteerde accessoires alsmede de kogeldruk (p. 436) (bij gebruik van een aanhanger) zijn van invloed op het laadvermogen en zijn niet inbegrepen bij het rijklaar gewicht.
11 Specificaties Trekgewicht en kogeldruk Max. gewicht geremde aanhanger Het trekgewicht en de kogeldruk voor het rijden met een aanhanger staan in de tabellen. V60 11 436 N.B. Niet alle motoren zijn verkrijgbaar op alle markten. MotorcodeA Versnellingsbak Max. gewicht geremde aanhanger (kg) Max.
11 Specificaties V60 MotorcodeA Versnellingsbak Max. gewicht geremde aanhanger (kg) Max. kogeldruk (kg) D4 AWD D5244T21 Automaat, TF-80SD 1800 90 D5 D4204T11 Automaat, TG-81SC 1800 90 Motor Motorcode, onderdeel- en serienummer van de motor vindt u op de motor, zie Type-aanduidingen (p. 431). A Max. gewicht ongeremde aanhanger 11 Max. gewicht ongeremde aanhanger (kg) 750 Max. kogeldruk (kg) 50 Gerelateerde informatie • • • Gewichten (p. 435) Rijden met een aanhanger* (p.
11 Specificaties Motorspecificaties De motorspecificaties (vermogen enz.) voor de verschillende motoralternatieven staan in de tabel. V60 11 A 438 N.B. Niet alle motoren zijn verkrijgbaar op alle markten.
11 Specificaties Gerelateerde informatie • Koelvloeistof - kwaliteit en hoeveelheid (p. 443) • Motorolie - kwaliteit en hoeveelheid (p.
11 Specificaties Motorolie - ongunstige rijomstandigheden BELANGRIJK Om aan de vereisten voor de gespecificeerde service-intervallen te voldoen worden alle motoren in de fabriek gevuld met een speciaal aangepaste, synthetische motorolie. De oliesoort werd met grote zorg geselecteerd lettend op de levensduur van de motor, de startgewilligheid, het brandstofverbruik en de milieu-impact. In ongunstige rijomstandigheden kunnen de olietemperatuur en het olieverbruik abnormaal toenemen.
11 Specificaties Motorolie - kwaliteit en hoeveelheid De motoroliekwaliteit en de te hanteren hoeveelheden voor de verschillende motoralternatieven staan in de tabel. N.B. Niet alle motoren zijn verkrijgbaar op alle markten. Volvo adviseert: 11 V60 MotorcodeA Oliekwaliteit Motor Hoeveelheid, incl. oliefilter (liter) T3 B4154T4 Castrol Edge Professional V 0W-20 of VCC RBS0-2AE 0W-20 ca. 5,6 T3 B4204T37 ca. 5,9 T4 B4204T19 ca. 5,9 T5/Bi-Fuel B4204T11 ca. 5,9 T5 B4204T15 ca.
11 Specificaties || V60 MotorcodeA Oliekwaliteit Motor 11 (liter) D2 D4204T8 Castrol Edge Professional V 0W-20 of VCC RBS0-2AE 0W-20 D2 D4204T20 ca. 5,2 D3 D4204T9 ca. 5,2 D4 D4204T14 ca. 5,2 D5 D4204T11 ca. 5,2 D4 AWD D5244T21 Oliekwaliteit: ACEA A5/B5 Viscositeit: SAE 0W-30 A Motorcode, onderdeel- en serienummer van de motor vindt u op de motor, zie Type-aanduidingen (p. 431). Gerelateerde informatie 442 Hoeveelheid, incl.
11 Specificaties Koelvloeistof - kwaliteit en hoeveelheid V60 In de tabel ziet u de aan te houden hoeveelheid koelvloeistof voor de verschillende motortypes. D2 D4204T8 D2 D4204T20 D3 D4204T9 D4 D4204T14 D5 D4204T11 D4 AWD D5244T21 Voorgeschreven kwaliteit: Door Volvo aanbevolen koelvloeistof aangelengd met 50 % water2, zie verpakking. N.B. Niet alle motoren zijn verkrijgbaar op alle markten.
11 Specificaties Transmissieolie - kwaliteit en hoeveelheid De voorgeschreven transmissieolie en de hoeveelheid voor de verschillende versnellingsbakopties staan in de tabel. Handgeschakelde versnellingsbak Handgeschakelde versnellingsbak 11 Hoeveelheid (liter) M66 ca. 1,45 Voorgeschreven versnellingsbakolie BOT 350M3 N.B. In normale rijomstandigheden hoeft de versnellingsbakolie niet te worden ververst. Onder ongunstige rijomstandigheden moet de olie mogelijk wel worden ververst.
11 Specificaties N.B. In normale rijomstandigheden hoeft de versnellingsbakolie niet te worden ververst. Onder ongunstige rijomstandigheden moet de olie mogelijk wel worden ververst. Gerelateerde informatie • Motorolie - ongunstige rijomstandigheden (p. 440) • Type-aanduidingen (p.
11 Specificaties 11 Remvloeistof - kwaliteit en hoeveelheid Stuurbekrachtigingsvloeistof kwaliteit Remvloeistof is de naam van het middel in een hydraulisch remsysteem, dat wordt gebruikt om druk over te brengen vanuit bijvoorbeeld een rempedaal via een hoofdremcilinder naar een of meerdere hulpcilinders die op hun beurt een mechanische rem bedienen. Stuurbekrachtigingsvloeistof is de naam van het middel dat in het stuurbekrachtigingssysteem van de auto wordt gebruikt.
11 Specificaties Brandstoftank - inhoud De inhoud van de brandstof voor de verschillende motoralternatieven staat in de tabel. Motor Hoeveelheid (liter) Voorgeschreven kwaliteit Benzinemotor ca. 67 Brandstof - benzine (p. 322) Dieselmotor ca. 67 Brandstof - diesel (p. 323) 11 Autogastank (CNG) – betreft Bi-Fuel Tankinhoud ca. 16 kg N.B. Daar de geleverde gasdruk per tankstation kan verschillen, bestaan er verschillen in het bij te vullen gashoeveelheid.
11 Specificaties Specificaties voor airconditioning WAARSCHUWING In de onderstaande tabellen ziet u welke kwaliteit vloeistoffen en smeermiddelen er in het aircosysteem zitten en in welke hoeveelheden. In de installatie voor airconditioning zit koudemiddel R134a onder druk. Service en reparatie aan het systeem mogen uitsluitend door een erkende werkplaats worden uitgevoerd. A/C-sticker Compressorolie 11 De sticker zit aan de binnenkant van de motorkap.
11 Specificaties Brandstofverbruik en CO2-uitstoot Stadsverkeer Het brandstofverbruik voor een auto wordt gemeten in liter per 100 km en de CO2-uitstoot in gram per km. handgeschakelde versnellingsbak Snelwegrit Automatische versnellingsbak Uitleg Combinatierit N.B. gram/km Als de gegevens over brandstofverbruik en emissie ontbreken, staan deze in het bijgeleverde supplement. liter/100 km 11 N.B. Niet alle motoren zijn verkrijgbaar op alle markten.
11 Specificaties || V60 11 450 T5 (B4204T11) 199 8,7 118 5,1 148 6,4 T6 (B4204T9) 207 8,9 127 5,4 157 6,7 D2A (D4204T8) - - - - - - D2B (D4204T8) - - - - - - D2A (D4204T20) - - - - - - D2B (D4204T20) - - - - - - D3A (D4204T9) - - - - - - D3B (D4204T9) - - - - - - D3A (D4204T9) - - - - - - D3B (D4204T9) - - - - - - D4A (D4204T14) - - - - - -
11 Specificaties V60 D4B (D4204T14) - - - - - - D4A (D4204T14) - - - - - - D4B (D4204T14) - - - - - - 179 6,8 127 4,8 146 5,5 - - - - - - D4 AWD (D5244T21) D5 (D4204T11) A B Geldt niet voor de variant met een geringe emissie. Geldt alleen voor de variant met een geringe emissie.
11 Specificaties || 11 • De grotere luchtweerstand bij hogere snelheden. • De brandstofkwaliteit, de weg- en verkeersomstandigheden, de weersgesteldheid en de staat van de auto. Ook wanneer u slechts enkele van de hier genoemde tips opvolgt, is al een aanzienlijk lager brandstofverbruik mogelijk. Raadpleeg voor meer informatie de richtlijnen waar eerder aan gerefereerd werd3.
11 Specificaties Banden - goedgekeurde bandenspanning N.B. De goedgekeurde bandenspanningen voor de verschillende motoralternatieven staan in de tabel. V60 Bandenmaat Motor Alle motoren, banden of combinaties daarvan zijn niet altijd beschikbaar op alle markten. Snelheid (km/h) Belading, 1–3 inzittenden Max.
11 Specificaties || V60 Bandenmaat Motor 11 Snelheid (km/h) Belading, 1–3 inzittenden Max. belading ECO-bandenspanningA Voor Achter Voor Achter Voor/achter (kPa)B (kPa) (kPa) (kPa) (kPa) 215/55 R 16 0 - 160 230 230 260 260 260 235/45 R 17 160 + 280 240 300 260 - T6 (B4204T9) 205/60 R 16 0 - 160 240 240 260 260 260 D5 (D4204T11) 215/50 R 17 160 + 300 240 320 280 - max.
11 Specificaties 11 455
12 Alfabetisch register A Aanbevolen kinderzitjes tabel...................................................... 46 Aanhanger............................................... kabel................................................... pendelbeweging................................. rijden met een aanhanger................... 328 328 335 328 Aanrijding................................................... 43 aanzuiging, uitlaatgassen, giftig.............. 318 12 ACC - Adaptieve cruisecontrol................
12 Alfabetisch register Automatische versnellingsbak......... 290, 294 aanhanger........................................... 330 handmatige schakelstanden (Geartronic)...................................................... 291 slepen en bergen................................ 337 Auto met internetaansluiting afspraak maken voor servicebeurt en reparatie.............................................. 376 Banden band afdichten.................................... 362 bandenspanningscontrole...
12 Alfabetisch register CTA.......................................................... 272 C Camerasensor................................. 228, 240 CZIP (Clear Zone Interior Package)......... 132 Chassisstanden....................................... 194 City Safety™............................................ 226 Claxon........................................................ 89 Clean Zone Interior Package (CZIP)........ 132 CO2-uitstoot.............................................
12 Alfabetisch register ERS - Starten op afstand......................... 284 Gereedschap........................................... 353 Hogedruksproeiers koplampen............... 105 Etiketten................................................... 431 Gevarendriehoek..................................... 352 Hoge motortemperatuur.......................... 317 Extra verwarming elektrisch.................................... 150, 151 op brandstof.......................................
12 Alfabetisch register Interieurverwarming................................. 144 Interior Air Quality System (IAQS)............ 133 luchtreiniging...................................... 133 Intervalfunctie wisser............................... 104 Katalysator............................................... 327 Bergen................................................ 337 Keuzehendelblokkering........................... 296 Keyless drive.... 177, 178, 179, 180, 181, 282 Keyless - ontgrendelen....................
12 Alfabetisch register Luchtreiniging materiaal............................................. 133 passagiersruimte................ 131, 132, 133 Luchtverdeling......................................... 134 recirculatie.......................................... 141 tabel.................................................... 142 M Meters brandstofmeter............................... 66, 68 snelheidsmeter............................... 66, 68 toerenteller......................................
12 Alfabetisch register O Olie, zie ook Motorolie..................... 440, 441 Onderhoud roestwering......................................... 426 12 Park Assist....................................... 256, 258 aan achterzijde................................... 258 functie................................................. 256 sensoren voor Park Assist.................. 259 storingsindicatie................................. 259 R Parkeerhulpcamera.................................. 260 Instellingen.........
12 Alfabetisch register Remvloeistof kwaliteit en hoeveelheid..................... 446 Reservewiel monteren............................................ 351 Resetten dagteller.................... 121, 122, 125 Richtingaanwijzer..................................... 100 Rugleuning................................................. 84 achterbank, omklappen........................ 87 voorstoel, omklappen........................... 84 Ruiten en spiegels................................... 425 Ruitenwisser voor.....
12 Alfabetisch register 12 Sproeier Achterruit............................................ 105 sproeiervloeistof, bijvullen.................. 401 Voorruit............................................... 104 Ruggedeelte(n) achterbank neerklappen........................................................ 87 ruggedeelte(n) achterbank vooroverklappen................................................. 84 Sproeiervloeistof...................................... 401 Sproeikoppen, verwarmd........................
12 Alfabetisch register Traction Control....................................... 195 Trailer Stability Assist...................... 195, 335 Transmissie.............................................. 289 Transponder.............................................. 20 Transpondersleutel.................. 165, 166, 167 Actieradius.................................. 170, 177 afneembaar sleutelblad.............. 173, 174 batterij vervangen............................... 176 functies...................................
12 Alfabetisch register 12 Verlichting, gloeilampen vervangen......... 392 achterlamphuis................................... 396 bagageruimte...................................... 398 dimlicht (auto's met halogeen-koplampen)..................................................... 394 grootlicht (auto's met actieve xenonkoplampen)......................................... 395 grootlicht (auto's met halogeenkoplampen)......................................... 395 kentekenplaatverlichting.....................
12 Alfabetisch register motorruimte........................................ 411 onder het dashboardkastje......... 415, 417 Start/Stop........................................... 421 vervangen........................................... 409 Zekeringenkastje..................................... 409 Zij-airbag, SIPS.................................... 37, 42 Zittingverhoger inklappen.............................................. 53 uitklappen............................................. 52 zithouding...........
12 Alfabetisch register 12 468
TP 18917 (Dutch), AT 1517, MY16, Printed in Sweden, Göteborg 2015, Copyright © 2000-2015 Volvo Car Corporation