V60 Instructieboekje L:7 :9>I>DC
BESTE VOLVO-BEZITTER, DANK U DAT U GEKOZEN HEBT VOOR VOLVO! Wij hopen dat u jarenlang rijplezier van uw Volvo zult hebben. Bij het ontwerp hebben veiligheid en comfort van u en uw passagiers vooropgestaan. Een Volvo is een van de veiligste auto’s ter wereld. Uw Volvo is ook ontworpen om aan alle geldende veiligheidsvoorschriften en milieueisen te voldoen.
Inhoud 00 01 02 2 00 Inleiding 01 Veiligheid Belangrijke informatie................................. 6 Volvo en het milieu.................................... 11 Veiligheidsgordels .................................... Airbags...................................................... Airbag activeren/deactiveren*................... SIPS-airbags (zij-airbags) ........................ Opblaasgordijnen (IC-systeem) ............... WHIPS ......................................................
Inhoud 03 04 05 03 Bestuurdersmilieu 04 Bestuurdersondersteuning 05 Comfort en rijplezier Instrumenten, schakelaars en bediening. . 72 Volvo Sensus ........................................... 81 Sleutelstanden.......................................... 82 Stoelen en achterbank.............................. 84 Stuurwiel................................................... 89 Verlichting................................................. 90 Wissers en sproeiers...............................
Inhoud 06 07 08 06 Infotainment Algemene informatie over infotainment. . Radio....................................................... Mediaspeler............................................ Externe geluidsbron via AUX/USB*ingang..................................................... 07 Tijdens het rijden 248 259 267 272 Media Bluetooth* ................................. 275 Bluetooth-handsfree*............................ Spraakherkenning* mobiele telefoon...... TV - instelling*.......................
Inhoud 09 10 11 09 Onderhoud en service Motorruimte............................................ Gloeilampen............................................ Wisserbladen en sproeiervloeistof.......... Accu........................................................ Zekeringen.............................................. Verzorging............................................... 10 Specificaties 344 352 358 361 367 378 Type-aanduidingen................................. Maten en gewichten........................
Inleiding Belangrijke informatie Instructieboekje lezen Inleiding Een goede manier om vertrouwd te raken met uw nieuwe auto is om het instructieboekje te lezen, idealiter voordat u uw eerste rit maakt. Zo maakt u kennis met nieuwe functies, krijgt u tips hoe u het beste in verschillende situaties met de auto kunt omgaan en leert u hoe u optimaal gebruik kunt maken van alle mogelijkheden die uw auto biedt. Besteed ook aandacht aan de veiligheidsinstructies in het boekje.
Inleiding Belangrijke informatie G031590 Zwarte ISO-symbolen in een oranje waarschuwingsveld, witte tekst/afbeelding in een zwart tekstveld. Worden gebruikt om te attenderen op een risico dat, bij het negeren van de waarschuwing, kan resulteren in ernstig letsel met mogelijk dodelijke afloop. Informatie Witte ISO-symbolen en een witte tekst/afbeelding in een zwart of blauw waarschuwings- en tekstveld.
Inleiding Belangrijke informatie Procedurelijsten Procedures met handelingen die in een bepaalde volgorde moeten worden uitgevoerd, staan genummerd in het instructieboekje. Wanneer er een reeks afbeeldingen bij een stapsgewijze instructie bestaat, zijn de verschillende stappen van de instructie op dezelfde manier genummerd als de bijbehorende afbeeldingen. Als voor de instructies bij een reeks afbeeldingen de onderlinge volgorde niet relevant is, worden de instructies voorafgegaan door letters.
Inleiding Belangrijke informatie dergelijke gegevens te verstrekken aan instanties, zoals de politie, of anderen die krachtens de wet de gegevens kunnen opeisen. Om de door de computers van de auto vastgelegde gegevens te kunnen uitlezen en interpreteren is speciale technische apparatuur vereist die alleen beschikbaar is bij Volvo, en de werkplaatsen die een contract hebben met Volvo.
Inleiding Belangrijke informatie Maximale pulsenergie 2,64 ¦J Maximaal gem. vermogen 45 mW Pulsduur Divergentie (horizontaal × verticaal) 33 ns WAARSCHUWING Als u de instructies in dit boekje niet opvolgt, is het gevaar voor oogletsel groot! • 28° × 12° • • Kijk nooit van een afstand van 100 mm of minder in de lasersensor (waaruit uiteenlopende, onzichtbare laserstralen komen) met vergrotende optiek zoals een vergrootglas, microscoop, objectief of soortgelijke optische instrumenten.
Inleiding Volvo en het milieu G000000 Milieubeleid van Volvo Car Corporation Milieuzorg is een van de kernwaarden van Volvo Car Corporation die van invloed zijn op alle activiteiten. We zijn ervan overtuigd dat onze klanten onze zorg voor het milieu delen. Uw Volvo voldoet aan strenge internationale milieueisen en is bovendien geproduceerd in een fabriek die zeer schoon is en efficiënt met hulpbronnen omgaat.
Inleiding Volvo en het milieu Het systeem bestaat uit een elektronische sensor en een koolstoffilter. De binnenkomende lucht wordt continu gecontroleerd en als het gehalte aan bepaalde schadelijke gassen zoals koolmonoxide te hoog oploopt, wordt de luchtinlaat gesloten. Iets dergelijks kan zich voordoen in bijvoorbeeld druk verkeer, files of tunnels. Het koolstoffilter zorgt ervoor dat stikstofoxiden, laaghangend ozon en koolwaterstoffen niet binnendringen.
Inleiding Volvo en het milieu 13
Veiligheidsgordels .................................................................................. Airbags.................................................................................................... Airbag activeren/deactiveren*................................................................. SIPS-airbags (zij-airbags) ....................................................................... Opblaasgordijnen (IC-systeem) ............................................................. WHIPS ..........
VEILIGHEID
01 Veiligheid Veiligheidsgordels 01 Algemene informatie Goede positie veiligheidsgordel. Remmen kan ernstige gevolgen hebben als de veiligheidsgordel niet wordt gedragen. Let er daarom op dat alle passagiers hun veiligheidsgordel omhebben. Op de achterbank passen de borglippen van de veiligheidsgordel alleen in de bijbehorende sluitingen1. Voor optimale bescherming van de veiligheidsgordel is het van belang dat de gordel goed tegen het lichaam ligt. Laat de rugleuning niet te ver achteroverhellen.
01 Veiligheid Veiligheidsgordels Let erop dat: • u geen klemmen of andere accessoires gebruikt waardoor u de veiligheidsgordel niet strak langs uw lichaam kunt trekken • er geen slagen in de veiligheidsgordel zitten en dat hij nergens achter blijft steken • de heupgordel laag moet zitten (niet over de buik) • u de heupgordel over de heupen spant door de diagonale schoudergordel in de richting van de schouder omhoog te trekken. WAARSCHUWING De veiligheidsgordel en de airbag werken samen.
01 Veiligheid 01 Veiligheidsgordels onder controle hebben (wat inhoudt dat ze met gemak bij het stuur en de pedalen moeten kunnen komen). Streef ernaar de afstand tussen de buik en het stuur zo groot mogelijk te maken. Achterbank Bepaalde markten De functie van de gordelwaarschuwing voor de achterbank is tweeledig: Er gaat een waarschuwingslampje branden en er worden geluidssignalen afgegeven wanneer de bestuurder en een eventuele voorpassagier de gordel niet dragen.
01 Veiligheid Airbags Het waarschuwingslampje op het instrumentenpaneel gaat branden, wanneer de transpondersleutel in sleutelstand II staat. Het lampje dooft na ca. 6 seconden, wanneer de regelmodule heeft vastgesteld dat het airbagsysteem geen storingen vertoont. WAARSCHUWING Airbagsysteem Behalve het brandende waarschuwingslampje verschijnt er, in die gevallen waarin dat nodig is, een melding op het informatiedisplay.
01 Veiligheid 01 Airbags den opgeblazen en warm worden. Om de klap op te vangen loopt de airbag leeg wanneer de inzittende de airbag raakt. Daarbij treedt er rookvorming in de auto op. Dit is volkomen normaal. Het totale verloop, van het opblazen tot het leeglopen van de airbag, neemt enkele tienden van een seconde in beslag. WAARSCHUWING Volvo adviseert u voor reparatie contact op te nemen met een erkende Volvo-werkplaats.
01 Veiligheid Airbags 01 WAARSCHUWING Plaats geen voorwerpen voor of boven op het dashboard in het gebied waar de passagiersairbag is aangebracht. WAARSCHUWING Vervoer kinderen nooit in een kinderzitje of op een comfortkussen voorin, wanneer de airbag aan die kant geactiveerd is. Laat nooit iemand voor de passagierstoel zitten of staan. Personen kleiner dan 1,40 m mogen nooit op de passagiersstoel voorin plaatsnemen, als de airbag geactiveerd is.
01 Veiligheid 01 Airbag activeren/deactiveren* PACOS deactiveren met sleutel* Algemene informatie De passagiersairbag (SRS) voorin kan gedeactiveerd worden met een schakelaar als de auto is uitgerust met PACOS (Passenger Airbag Cut Off Switch). Zie de tekst onder het kopje Activeren/deactiveren voor informatie over activering/deactivering.
01 Veiligheid Airbag activeren/deactiveren* WAARSCHUWING Geactiveerde airbag 01 Gedeactiveerde airbag Geactiveerde airbag (passagiersstoel): Vervoer kinderen nooit in een kinderzitje of op een comfortkussen op de passagiersstoel, wanneer de airbag aan die kant geactiveerd is. Laat evenmin personen die kleiner zijn dan 1,40 m op deze stoel plaatsnemen. 2 Het niet opvolgen van de bovenstaande aanbevelingen kan levensgevaarlijke situaties opleveren. N.B.
01 Veiligheid SIPS-airbags (zij-airbags) 01 SIPS-airbag WAARSCHUWING Volvo adviseert u reparatiewerk over te laten aan een erkende Volvo-werkplaats. Verkeerde ingrepen in het SIPSairbagsysteem kunnen aanleiding geven tot storingen in de werking met mogelijk ernstig lichamelijk letsel tot gevolg. • Plaats geen voorwerpen tussen de stoelen en de portierpanelen, omdat dit gebied binnen de actieradius van de SIPS-airbag ligt.
01 Veiligheid SIPS-airbags (zij-airbags) 01 ding reageren de sensoren, die op hun beurt de gasgeneratoren activeren. De SIPS-airbags worden vervolgens opgeblazen tussen de inzittende en het portierpaneel. Daarmee vangen de SIPS-airbags de klap van de aanrijding op voor de inzittende, waarna de airbags weer leeglopen. De SIPS-airbag wordt normaal gesproken alleen opgeblazen aan de kant van de aanrijding.
01 Veiligheid 01 Opblaasgordijnen (IC-systeem) Eigenschappen WAARSCHUWING Hang of bevestig nooit zware voorwerpen aan de plafondhandgrepen. De haak is alleen bedoeld voor niet al te zware kledingstukken (en niet voor harde voorwerpen zoals paraplu’s). Schroef of bevestig geen onderdelen op de plafondbekleding, portierstijlen of de zijpanelen van de auto. Ze kunnen daarbij hun beschermende werking verliezen.
01 Veiligheid WHIPS Bescherming tegen whiplash-letsel, WHIPS Het WHIPS-systeem (Whiplash Protection System) bestaat uit energieabsorberende rugleuningen en speciaal voor het systeem ontwikkelde hoofdsteunen voor de beide voorstoelen. Het systeem wordt geactiveerd bij een aanrijding van achteren, afhankelijk van de hoek waaronder en de snelheid waarmee het achteropkomende voertuig de auto raakt en de materiaaleigenschappen van dat voertuig.
01 Veiligheid 01 WHIPS WAARSCHUWING Plaats geen koffer of iets dergelijks tussen het zitgedeelte van de achterbank en de rugleuning van de voorstoelen. Let erop dat u de werking van het WHIPS-systeem niet beïnvloedt. WAARSCHUWING Als de stoel heeft blootgestaan aan grote krachten zoals bij een aanrijding van achteren, moet u het WHIPS-systeem laten controleren. Volvo adviseert u het te laten controleren door een erkende Volvo-werkplaats.
01 Veiligheid Activering van de veiligheidssystemen Activering van de veiligheidssystemen Systeem Activering Gordelspanners voorstoelen Bij een frontale botsing en/of aanrijding in de zij, van achteren en/of kantelen Gordelspanners achterbank A Bij een frontale botsing en/of aanrijding in de zij en/of kantelen Airbags (SRS) Bij een frontale botsing.
01 Veiligheid 01 Safety mode Rijden na een aanrijding Als alles normaal lijkt en u hebt vastgesteld dat er geen brandstof lekt, kunt u proberen de motor te starten. Neem de transpondersleutel uit en open het bestuurdersportier. Als er vervolgens een melding verschijnt dat het contact ingeschakeld is, dient u op de startknop te drukken. Sluit het portier vervolgens en plaats de transpondersleutel terug. De elektronica van de auto probeert nu te resetten naar de normale stand.
01 Veiligheid Kinderen en veiligheid Kinderen moeten comfortabel en veilig kunnen zitten Volvo adviseert u kinderen zo lang mogelijk te vervoeren in een achterstevoren gemonteerd kinderzitje (in ieder geval tot een leeftijd van 3–4 jaar) en daarna tot een leeftijd van 10 jaar op/in een comfortkussen of een kinderzitje dat in de rijrichting geplaatst is.
01 Veiligheid 01 Kinderen en veiligheid blazen, kan een kind op de passagiersstoel ernstig letsel oplopen. WAARSCHUWING Zet nooit een kind in een kinderzitje op de passagiersstoel als de airbag (SRS) is geactiveerd. Personen kleiner dan 1,40 m mogen nooit op de passagiersstoel voorin plaatsnemen, als de airbag (SRS) geactiveerd is. Het niet opvolgen van de bovenstaande aanbevelingen kan levensgevaarlijke situaties opleveren.
01 Veiligheid Kinderen en veiligheid 01 Aanbevolen kinderzitjes2 Gewicht Voorstoel (met gedeactiveerde airbag) Groep 0 Buitenste zitplaats achterbank Volvo-babyzitje (Volvo Infant Seat) achterstevoren gemonteerd kinderzitje bevestigd met ISOFIX-systeem. max. 10 kg Groep 0+ Typegoedkeuring: E5 04301146 max. 13 kg (L) Groep 0 Middelste zitplaats achterbank Volvo-babyzitje (Volvo Infant Seat) – achterstevoren gemonteerd kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel.
01 Veiligheid 01 Kinderen en veiligheid Gewicht Voorstoel (met gedeactiveerde airbag) Buitenste zitplaats achterbank Groep 1 Achterstevoren gemonteerd/omkeerbaar Volvo-kinderzitje (Volvo Convertible Child Seat) – achterstevoren gemonteerd kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel en bevestigingsband. Achterstevoren gemonteerd/omkeerbaar Volvo-kinderzitje (Volvo Convertible Child Seat) – achterstevoren gemonteerd kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel en bevestigingsband.
01 Veiligheid Kinderen en veiligheid Gewicht Voorstoel (met gedeactiveerde airbag) Buitenste zitplaats achterbank Middelste zitplaats achterbank Groep 2 Achterstevoren gemonteerd/omkeerbaar Volvo-kinderzitje (Volvo Convertible Child Seat) – in rijrichting gemonteerd kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel. Achterstevoren gemonteerd/omkeerbaar Volvo-kinderzitje (Volvo Convertible Child Seat) – in rijrichting gemonteerd kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel.
01 Veiligheid 01 Kinderen en veiligheid Gewicht Groep 2/3 15–36 kg Voorstoel (met gedeactiveerde airbag) Buitenste zitplaats achterbank Middelste zitplaats achterbank Geïntegreerd kinderzitje (Integrated Booster Cushion) – verkrijgbaar als fabrieksoptie. Typegoedkeuring: E5 04189 (B) L: Geschikt voor specifieke kinderzitjes. Deze kinderzitjes kunnen bestemd zijn voor een bepaald automerk, voor een beperkte groep merken of semi-universeel zijn.
01 Veiligheid Kinderen en veiligheid Geïntegreerde kinderzitjes met twee standen* De geïntegreerde kinderzitjes zijn speciaal ontworpen om kinderen optimale bescherming te bieden. In combinatie met de aanwezige veiligheidsgordels zijn de kinderzitjes goedgekeurd voor kinderen met een gewicht van 15 tot 36 kg en een lengte van minimaal 95 cm.
01 Veiligheid 01 Kinderen en veiligheid N.B. Het is niet mogelijk het kinderzitje vanuit stand 2 in stand 1 te zetten. U moet het zitje dan eerst volledig neerklappen in het zitgedeelte. Zie de tekst onder het kopje Kinderzitje met twee standen neerklappen. Kinderzitje met twee standen neerklappen Duw het kinderzitje naar achteren om het te vergrendelen. Stand 2 Til het kinderzitje aan de voorkant op en duw het achteruit tegen het ruggedeelte aan om het te vergrendelen.
01 Veiligheid Kinderen en veiligheid N.B. Bij het omklappen van het ruggedeelte van de achterbank dient u eerst het kinderzitje neer te klappen. Kinderslot achterportieren Duw het zitje met uw hand omlaag om het zitje te vergrendelen. WAARSCHUWING De bedieningsknoppen voor de ruiten in de achterportieren en de openingshandgrepen op de achterportieren zijn te blokkeren, zodat de achterportieren en de zijruiten niet meer van de binnenzijde kunnen worden geopend. Voor meer informatie, zie pagina 66.
01 Veiligheid 01 Kinderen en veiligheid AfmeBeschrijving tingscategorie N.B.
01 Veiligheid Kinderen en veiligheid Type kinderzitje Babyzitje, achterstevoren Gewicht max. 10 kg Afmetingscategorie E 01 Zitplaatsen voor montage ISOFIX-kinderzitje Voorstoel Buitenste zitplaats achterbank X OK (IL) Babyzitje, achterstevoren max.
01 Veiligheid Kinderen en veiligheid 01 Type kinderzitje Kinderzitje, in rijrichting Gewicht Afmetingscategorie 9–18 kg B Zitplaatsen voor montage ISOFIX-kinderzitje Voorstoel Buitenste zitplaats achterbank X OKA (IUF) B1 X OKA (IUF) A X OKA (IUF) X: De ISOFIX-stand leent zich niet voor ISOFIX-kinderzitjes in deze gewichts- en/of afmetingscategorie. IL: Geschikt voor specifieke ISOFIX-kinderzitjes.
01 Veiligheid Kinderen en veiligheid Bovenste bevestigingspunten voor kinderzitjes 01 N.B. Klap de hoofdsteunen omlaag om het monteren van dit type kinderzitje te vereenvoudigen bij auto’s met neerklapbare hoofdsteunen op de beide buitenste zitplaatsen. N.B. Bij een bagageruimte die met een bagagerolhoes kan worden afgedekt, dient de rolhoes te worden verwijderd voordat er een kinderzitje aan de bevestigingspunten kan worden vastgezet.
Transpondersleutel/sleutelblad............................................................... Privacy locking*....................................................................................... Batterij vervangen transpondersleutel/PCC*.......................................... Keyless drive*.......................................................................................... Vergrendelen/ontgrendelen.................................................................... Kinderslot....................
SLOTEN EN ALARM
02 Sloten en alarm Transpondersleutel/sleutelblad 02 Algemeen Zoekgeraakte transpondersleutel Bij de auto worden 2 transpondersleutels of PCC’s (Personal Car Communicator geleverd. U gebruikt ze om de auto te starten en deze te vergrendelen en ontgrendelen. Bij verlies van een transpondersleutel kunt u een nieuwe bestellen bij een werkplaats – geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats. Neem de resterende transpondersleutels mee naar de werkplaats.
02 Sloten en alarm Transpondersleutel/sleutelblad Vergrendelingsindicatie Dezelfde diode als de alarmindicatie, zie pagina 68. Een knipperende diode bij de voorruit geeft aan dat de auto is vergrendeld. N.B. Ook auto’s zonder alarm zijn uitgerust met deze indicatie. Elektronische startblokkering Elke transpondersleutel heeft zijn eigen, unieke code. U kunt de auto alleen starten, wanneer u een transpondersleutel met de juiste code gebruikt.
02 Sloten en alarm Transpondersleutel/sleutelblad 02 Melding Betekenis Startblokkering Start opnieuw Storing in het startblokkeringssysteem tijdens het starten. Als de storing aanhoudt: Neem dan contact op met een werkplaats. Geadviseerd wordt een erkende Volvowerkplaats. Voor het starten van de auto, zie pagina 118. Functies Transpondersleutel, standaardversie. Vergrendelen Transpondersleutel met PCC* - Personal Car Communicator.
02 Sloten en alarm Transpondersleutel/sleutelblad Als u de toets ten minste 3 seconden lang ingedrukt houdt of tweemaal achtereen binnen 3 seconden indrukt, worden de richtingaanwijzers, de interieurverlichting en de claxon geactiveerd. ding en is er een geluidssignaal waarneembaar.
02 Sloten en alarm Transpondersleutel/sleutelblad 02 Als de auto niet reageert bij bediening van een toets – probeer het dan op minder grote afstand opnieuw. Na een druk op de informatietoets kunt u bepaalde informatie over de auto uitlezen aan de hand van de controlelampjes. Gebruik van de informatietoets – Druk op de informatietoets N.B. . Er kunnen storingen optreden in de functie van de informatietoets door radiogolven in de lucht, omringende gebouwen, topografische omstandigheden e.d. > Ca.
02 Sloten en alarm Transpondersleutel/sleutelblad Afneembaar sleutelblad Sleutelblad verwijderen De transpondersleutel bevat een afneembaar metalen sleutelblad waarmee u enkele functies kunt activeren en bepaalde handelingen kunt uitvoeren. De unieke code van de sleutelbladen is bekend bij de erkende Volvo-werkplaatsen, waar ook nieuwe sleutelbladen kunnen worden besteld. Functies sleutelblad nen, als de centrale vergrendeling niet te bedienen is vanaf de transpondersleutel, zie pagina 57.
02 Sloten en alarm Privacy locking* De functie Privacy locking is bestemd voor als u de auto afgeeft voor een onderhoudsbeurt of als u hem bij een hotel of iets dergelijks laat parkeren. Het dashboardkastje is dan vergrendeld en het achterklepslot is niet via de centrale vergrendeling te openen – de achterklep is niet meer te bedienen met de knoppen op de voorportieren of die op de transpondersleutel.
02 Sloten en alarm Privacy locking* N.B. Plaats het sleutelblad niet in de transpondersleutel terug, maar houd het bij u en bewaar het goed. 02 • Houd voor het deactiveren de omgekeerde volgorde aan. Om alleen het dashboardkastje te vergrendelen, zie pagina 62. * Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
02 Sloten en alarm Batterij vervangen transpondersleutel/PCC* Accu vervangen 02 Batterij vervangen Let erop hoe de batterij(en) aan de binnenzijde van de afdekking vastzit(ten). Let daarop op de pluszijde + en de minzijde –. Vervang de batterijen, als: • het informatiesymbool oplicht en Afst.bediening batterij raakt leeg. Vervang de batterij. op het display staat Transpondersleutel (1 batterij) en/of 1. Werk de batterij voorzichtig los. • de sloten herhaalde malen achtereen niet 2.
02 Sloten en alarm Batterij vervangen transpondersleutel/PCC* 3. Duw voorzichtig tegen het sleutelblad. U hoort een klikgeluid wanneer het sleutelblad goed vastzit. 02 BELANGRIJK Zorg dat de oude batterij(en) wordt/worden afgevoerd op een milieuontlastende manier. * Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
02 Sloten en alarm Keyless drive* 02 Vergrendelings- en startsysteem zonder sleutel (alleen PCC1) Algemeen maximaal 1,5 m rond de portierhandgrepen of de achterklep bevinden. Dit betekent dat u de PCC bij u moet dragen om een portier te vergrendelen of ontgrendelen. Wanneer u aan de ene kant van de auto staat, is het niet mogelijk om met de PCC een portier aan de andere kant te vergrendelen of ontgrendelen. De rode cirkels op de nevenstaande afbeelding geven het bereik van de systeemantennes aan.
02 Sloten en alarm Keyless drive* Vergrendelen N.B. Als u (terwijl de motor is afgezet) de PCC uit de auto haalt en de auto niet vergrendelt door een van de portierhandgrepen aan te raken of de vergrendeltoets op de PCC te bedienen, gebeurt het volgende: Na ca. 1½–2 minuten wordt het alarm geactiveerd en gaat de alarmdiode op de voorruit knipperen – het alarm staat daarmee op scherp maar de auto is niet vergrendeld. N.B.
02 Sloten en alarm Keyless drive* den verwijderd – ook dit vindt plaats met het sleutelblad: 02 1. Duw het sleutelblad ca. 1 cm recht omhoog in de opening aan de onderkant van de portierhandgreep/afdekking – niet wrikken. > De kunststof afdekking komt automatisch los, wanneer u het blad recht omhoog de opening induwt. 2. Steek het sleutelblad vervolgens in de slotcilinder en ontgrendel het portier. 3. Plaats de kunststof afdekking na ontgrendeling terug. N.B.
02 Sloten en alarm Keyless drive* WAARSCHUWING Dragers van een pacemaker dienen minstens 22 cm afstand te houden tot de antennes van het Keyless drive-systeem. Dit om eventuele storingen in de pacemaker als gevolg van het Keyless drive-systeem uit te sluiten. 02 * Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
02 Sloten en alarm Vergrendelen/ontgrendelen Van de buitenzijde 02 Met de transpondersleutel kunt u alle portieren en de achterklep gelijktijdig vergrendelen/ontgrendelen. Het is mogelijk een andere ontgrendelingsvolgorde te kiezen, zie ‘Ontgrendelen met transpondersleutel’ 48. Om de ontgrendelingsprocedure te kunnen activeren moet het bestuurdersportier dichtstaan – als een van de overige portieren of de achterklep openstaat, wordt dit/deze pas na het sluiten vergrendeld en inbegrepen in het alarmsysteem.
02 Sloten en alarm Vergrendelen/ontgrendelen Het portier is niet vanaf de buitenzijde te openen. Het portier is zowel vanaf de buitenzijde als vanaf de binnenzijde te openen. Van de binnenzijde Centrale vergrendeling De vergrendelbus van een portier dient alleen om het desbetreffende portier te vergrendelen – dus niet alle portieren.
02 Sloten en alarm Vergrendelen/ontgrendelen 02 Bij lang indrukken (ten minste 2 seconden) worden alle zijruiten en het schuifdak* tegelijkertijd gesloten. Vergrendelingsknop* achterportieren om bijvoorbeeld bij warm weer snel voor frisse lucht in de auto te zorgen. Automatische vergrendeling Bij het wegrijden worden de portieren en de achterklep automatisch vergrendeld.
02 Sloten en alarm Vergrendelen/ontgrendelen De achterklep wordt dichtgehouden door een elektrische vergrendeling. Om te openen: plaatje onder de buitenhandgreep en open de klep. Ontgrendelen met transpondersleutel Als de klep niet binnen 2 minuten na ontgrendeling wordt geopend, wordt de klep weer vergrendeld en het alarm opnieuw geactiveerd. 1. Druk lichtjes op het breedste van de met rubber beklede drukplaatjes onder de buitenhandgreep - de vergrendeling wordt vrijgegeven.
02 Sloten en alarm Vergrendelen/ontgrendelen Vergrendelen met transpondersleutel 02 – Druk op de toets voor vergrendeling op de , zie pagina 48. transpondersleutel > De vergrendelingsindicatie op het instrumentenpaneel begint te knipperen, wat inhoudt dat de auto vergrendeld en het alarmsysteem* geactiveerd is. tier is ook te ontgrendelen met het afneembare sleutelblad. WAARSCHUWING Laat niemand in de auto zitten zonder eerst de Safelock-functie te deactiveren om te voorkomen dat u iemand opsluit.
02 Sloten en alarm Vergrendelen/ontgrendelen Als u de Safelock-functie wilt uitschakelen – Druk op OK/MENU en vergrendel de auto. (Let erop dat ook de bewegingsmelders en niveausensoren* van het alarmsysteem worden uitgeschakeld, zie pagina 69.) > De volgende keer dat u de motor start, wordt het systeem gereset waarna op het display van het instrumentenpaneel de melding Beveil. volledig verschijnt.
02 Sloten en alarm Kinderslot 02 Handmatig kinderslot op achterportieren Het portier is niet vanaf de binnenzijde te openen. Het kinderslot voorkomt dat kinderen een achterportier vanaf de binnenzijde openen. Het portier is zowel vanaf de buitenzijde als vanaf de binnenzijde te openen.
02 Sloten en alarm Kinderslot > Op het informatiedisplay staat de melding Kinderslot Actief en het lampje in de knop brandt - het slot is geactiveerd. 02 Wanneer het elektrische kinderslot actief is, zijn de achterste: • zijruiten alleen vanaf het bedieningspaneel op het bestuurdersportier te bedienen • portieren niet van de binnenkant te openen.
02 Sloten en alarm Alarm* Algemeen 02 Een geactiveerd alarmsysteem gaat af als: • een portier, de motorkap of de achterklep wordt geopend • er beweging in de passagiersruimte wordt waargenomen (als er een bewegingsmelder* aanwezig is) • de auto wordt opgetakeld of weggesleept (op auto’s met een niveausensor*) • een kabel van de startaccu wordt losgekoppeld • de sirene wordt losgekoppeld. Als er een storing in het alarmsysteem is opgetreden, verschijnt er een melding op het informatiedisplay.
02 Sloten en alarm Alarm* Alarm deactiveren – Druk op de ontgrendelingstoets op de transpondersleutel. > Het alarm gaat af, de alarmindicatie knippert snel en de sirene klinkt. • Alle richtingaanwijzers knipperen totdat u Druk op de ontgrendelingstoets op de transpondersleutel of steek de transpondersleutel in het contactslot.
Instrumenten, schakelaars en bediening................................................ 72 Volvo Sensus ......................................................................................... 81 Sleutelstanden........................................................................................ 82 Stoelen en achterbank............................................................................ 84 Stuurwiel.................................................................................................
BESTUURDERSMILIEU
03 Bestuurdersmilieu Instrumenten, schakelaars en bediening Instrumentenoverzicht 03 Auto met stuur links.
03 Bestuurdersmilieu Instrumenten, schakelaars en bediening Functie Pagina Functie Pagina Menu- en meldingsfuncties, richtingaanwijzers, groot licht/dimlicht, boordcomputer 91, 96, 212, 238 Bedieningspaneel voor infotainment en menufuncties 215, 249, 252 160, 162 Bedieningspaneel voor klimaatregeling 226 Cruisecontrol Claxon, airbag 20, 89 Versnellingspook/keuzehendel 127 Instrumentenpaneel 75, 79 215, 250, 278, 252 Bedieningsknoppen actieve chassisregeling (FOUR-C)* 240 Menu-, audio- en
03 Bestuurdersmilieu Instrumenten, schakelaars en bediening 03 Auto met stuur rechts.
03 Bestuurdersmilieu Instrumenten, schakelaars en bediening Functie Pagina Functie Pagina Display voor infotainment en menufuncties 215, 249, 252 Parkeerrem 144 Stuurwielafstelling 89 Contactslot 82 START/STOP ENGINEknop 118 91, 96, 212, 238 Cruisecontrol 160, 162 Menu- en meldingsfuncties, richtingaanwijzers, groot licht/dimlicht, boordcomputer Instrumentenpaneel 75, 79 Versnellingspook/keuzehendel 127 Claxon, airbag 20, 89 240 Menu-, audio- en telefoonfuncties 215, 250, 278, 252
03 Bestuurdersmilieu Instrumenten, schakelaars en bediening Meters Controle- en waarschuwingslampjes Als de motor niet aanslaat of als de functietest wordt uitgevoerd in sleutelstand II, doven na 5 seconden alle lampjes behalve het lampje voor storingen in het uitlaatgasreinigingssysteem en dat voor een lage oliedruk. Controlelampjes 03 Lampje Betekenis Storing in ABL Uitlaatgasreinigingssysteem Meters op het instrumentenpaneel. Controle- en waarschuwingslampjes.
03 Bestuurdersmilieu Instrumenten, schakelaars en bediening Lampje Betekenis 1. Breng de auto zo spoedig mogelijk tot stilstand en zet de motor af. Groot licht aan 2. Start de motor opnieuw. Richtingaanwijzers links Richtingaanwijzers rechts 3. Als het lampje blijft branden, rijd dan naar een werkplaats om het ABS te laten controleren. Volvo adviseert dat u daarvoor een erkende Volvo-werkplaats bezoekt.
03 Bestuurdersmilieu Instrumenten, schakelaars en bediening Bandenspanningssysteem Het lampje brandt bij een lage bandenspanning of als er een storing optreedt in het bandenspanningssysteem. Waarschuwingslampjes Lampje 03 Betekenis Lage oliedrukA Parkeerrem aangezet Airbags (SRS) Gordelwaarschuwing Dynamo laadt niet bij Storing in remsysteem Waarschuwing A Bij bepaalde motortypes is het lampje voor een lage oliedruk niet in gebruik.
03 Bestuurdersmilieu Instrumenten, schakelaars en bediening WAARSCHUWING Als de remvloeistof onder het MIN-streepje van het reservoir staat, mag u niet verder rijden voordat u remvloeistof hebt bijgevuld. Laat de oorzaak van het remvloeistofverlies controleren door een werkplaats. Volvo adviseert dat u daarvoor contact opneemt met een erkende Volvo-werkplaats. Actie: Dagtellers 1. Stop zo spoedig mogelijk. Rijd niet verder met de auto. 2. Lees de informatie op het informatiedisplay.
03 Bestuurdersmilieu Instrumenten, schakelaars en bediening Klok worden ingesteld in de menugroep MY CAR, voor meer informatie zie pagina 215. 6. Draai aan TUNE om het vakje voor OK te markeren en druk op OK – de instelling is gereed. Met de menu-optie Instellingen Systeemopties Tijdopmaak kiest u uit een 24- of 12-uursaanduiding (AM/PM). 03 RSI* De RSI-functie (Road Sign Identification) helpt de bestuurder om verkeersborden waar te nemen met informatie over o.a.
03 Bestuurdersmilieu Volvo Sensus Algemeen beeldscherm van de middenconsole. Volvo Sensus biedt de mogelijkheid tot personalisering van de auto met een eenvoudig te hanteren bedieningsinterface. Er zijn instellingen te verrichten onder Instellingen van de auto, Infotainment, Klimaat e.d. 03 Met de knoppen en bedieningselementen op de middenconsole en het rechter toetsenblok* op het stuurwiel kunt u functies activeren en deactiveren en tal van instellingen verrichten.
03 Bestuurdersmilieu Sleutelstanden Transpondersleutel plaatsen en verwijderen BELANGRIJK Vreemde voorwerpen in het contactslot kunnen tot functiestoringen leiden of schade aan het slot toebrengen. Nivea u 0 • Kilometerteller, klok en temperatuurmeter worden verlicht. De transpondersleutel niet verkeerd om insteken – pak de sleutel beet aan het uiteinde met het afneembare sleutelblad. zie pagina 51. 03 Functies • Elektrisch bedienbare stoelen kunnen worden bediend.
03 Bestuurdersmilieu Sleutelstanden Nivea u II Functies • De koplampen worden ontstoken. N.B. Om niveau I of II te realiseren zonder dat de motor wordt gestart, trapt u niet het rem-/ koppelingspedaal in als u deze sleutelstanden wilt selecteren. • Waarschuwings-/controlelampjes branden 5 seconden lang. • Meerdere andere systemen worden geactiveerd. De stoelverwarming en achterruitverwarming kunnen echter pas na het starten van de motor worden geactiveerd.
03 Bestuurdersmilieu Stoelen en achterbank Voorstoelen WAARSCHUWING De stand van de bestuurdersstoel instellen voordat u gaat rijden en nooit tijdens het rijden. Controleer of de stoel vergrendeld staat om letsel te voorkomen bij hard afremmen of een aanrijding. 03 Rugleuning voorstoel omklappen Trek de pallen aan de achterzijde van de rugleuning omhoog tijdens het omklappen. 4. Duw de stoel zo ver naar voren dat de hoofdsteun onder het dashboardkastje ‘vast’ komt te zitten.
03 Bestuurdersmilieu Stoelen en achterbank Elektrisch bedienbare stoel* Voorbereidingen 1. Stel de stoel en de buitenspiegels in. Tot enige tijd nadat u het portier met de transpondersleutel hebt ontgrendeld blijft het mogelijk de stoel te verstellen, ook al steekt er geen sleutel in het contactslot. U verstelt de stoel normaal gesproken in sleutelstand I. Wanneer de motor loopt, is dat altijd mogelijk. 2.
03 Bestuurdersmilieu Stoelen en achterbank • Stel de stoel naar wens in. • Vergrendel de auto zoals gebruikelijk door de vergrendelknop op de transpondersleutel in te drukken. Daarmee ligt de stoelpositie opgeslagen in het geheugen van de transpondersleutel4. 03 • Ontgrendel de auto (door op de ontgrendelknop op dezelfde transpondersleutel te drukken) en open het bestuurdersportier.
03 Bestuurdersmilieu Stoelen en achterbank Buitenste hoofdsteunen achterbank handmatig omklappen Ruggedeelte achterbank omklappen BELANGRIJK Bij het neerklappen van de achterbank mogen er zich geen voorwerpen op de achterbank bevinden. De veiligheidsgordels mogen evenmin zijn ingestoken. Schade aan de bekleding van de achterbank is anders namelijk niet uitgesloten. 03 De drie ruggedeelten zijn op verschillende manieren neer te klappen. N.B.
03 Bestuurdersmilieu Stoelen en achterbank het ruggedeelte niet langer geblokkeerd staat. Buitenste hoofdsteunen achterbank elektrisch omklappen* N.B. 03 Duw bij het neerklappen van de ruggedeelten de hoofdsteunen naar voren om te voorkomen dat ze in contact komen met het zitgedeelte. Houd voor het rechtop zetten de omgekeerde volgorde aan. N.B. De rode markering mag niet langer zichtbaar zijn, wanneer het ruggedeelte weer rechtop staat.
03 Bestuurdersmilieu Stuurwiel Instellen WAARSCHUWING Claxon Stel het stuurwiel af voordat u gaat rijden en controleer of het in de gekozen stand vergrendeld staat. G021138 Bij auto’s met snelheidsafhankelijke stuurbekrachtiging* is de vereiste stuurkracht in te stellen, zie pagina 240. 03 Toetsensets* Stuurwiel afstellen. Claxon. Ontgrendelingshendel, stuurwielafstelling Druk op het midden van het stuurwiel om te claxonneren.
03 Bestuurdersmilieu Verlichting Bedieningspaneel verlichting Bedieningspaneel verlichting met AUTOstand De displayverlichting wordt bij donker automatisch gedimd. De gevoeligheidsgraad van deze functie is in te stellen met het duimwiel. Ook de sterkte waarmee het instrumentenpaneel verlicht wordt stelt u in met het duimwiel. Koplamphoogteregeling 03 Door de belading van de auto wordt de hoogte van de koplampen gewijzigd, zodat u tegemoetkomend verkeer mogelijk verblindt.
03 Bestuurdersmilieu Verlichting Groot licht/dimlicht Stand Betekenis Bedieningspaneel verlichting met AUTOstand DimlichtA/Dimlicht gedoofd. Groot licht kan worden geactiveerdA. Grootlichtsignaal is mogelijk in deze stand. 03 Stadslichten vóór en achterlichten Dimlicht Groot licht kan worden geactiveerd. Verlichtingsdraaiknop en stuurhendel. Stand voor grootlichtsignalen Grootlichtsignaal is mogelijk in deze stand. Stand voor groot licht Verlichtingsdraaiknop en stuurhendel.
03 Bestuurdersmilieu Verlichting Stand Betekenis DimlichtA/Dimlicht gedoofd in goede lichtomstandigheden. De functie ‘Tunneldetectie’* schakelt in slechte lichtomstandigheden het dimlicht in. 03 De functie ‘Actief groot licht’* is te gebruiken. Grootlichtsignaal is mogelijk in deze stand. Dimlicht Groot licht kan worden geactiveerd. Grootlichtsignaal is mogelijk in deze stand. A Geldt voor bepaalde markten.
03 Bestuurdersmilieu Verlichting Wanneer het AHB ontstoken is, brandt het op het display van het instrulampje mentenpaneel. Wanneer het groot licht ontstoop het ken is, brandt ook het lampje instrumentenpaneel. N.B. Houd de voorruit vóór de camerasensor vrij van sneeuw, ijs, condens en vuil. Verlichtingsdraaiknop in stand AUTO. Schakel het AHB in of uit door de linker stuurhendel tot in de eindstand naar het stuurwiel te halen en vervolgens los te laten.
03 Bestuurdersmilieu Verlichting BELANGRIJK Voorbeelden van situaties waarin u mogelijk moet wisselen tussen groot licht en dimlicht: • • • • 03 in zware regen of dichte mist bij stuifsneeuw of sneeuwmodder bij maanlicht bij ritten in zwak verlichte bebouwde gebieden • bij voorliggers met een zwakke voertuigverlichting • • bij voetgangers op of naast de weg • • • • als de verlichting van tegenliggers schuilgaat achter bijv.
03 Bestuurdersmilieu Verlichting Auto-instellingen Lichtinstellingen Act. bochtverlichting. Voor een beschrijving van het menusysteem, zie pagina 216. Draai de verlichtingsdraaiknop naar de stand voor stads-/parkeerlichten (plus kentekenplaatverlichting). Voor het aanpassen van de lichtbundel, zie pagina 98. Als het buiten donker is en de achterklep wordt geopend, gaan de achterlichten branden om achteropkomend verkeer te waarschuwen.
03 Bestuurdersmilieu Verlichting N.B. De regels voor het gebruik van het mistachterlicht verschillen van land tot land. 03 Alarmlichten den ze automatisch uitgeschakeld. U kunt ook op de knop voor de alarmlichten drukken. Voor meer informatie over de noodremlichten en de automatische alarmlichten, zie pagina 142. Richtingaanwijzers/knipperlichten Onafgebroken serie knippersignalen Haal de stuurhendel omhoog of omlaag naar de tweede stand.
03 Bestuurdersmilieu Verlichting Verlichting in interieur Plafondverlichting voorin Make-upspiegel De leeslampjes voorin worden in- en uitgeschakeld met een druk op de bijbehorende knoppen op de plafondconsole. De verlichting van de make-upspiegel, zie pagina 243, wordt bij het openen en sluiten van het klepje in- en uitgeschakeld. Plafondverlichting achterin Bagageruimteverlichting De bagageruimteverlichting wordt bij het openen en sluiten van de achterklep automatisch in- en uitgeschakeld.
03 Bestuurdersmilieu Verlichting • u de motor start • de auto wordt vergrendeld. 03 De interieurverlichting gaat aan en blijft twee minuten lang branden, wanneer een van de portieren openstaat. Als u een bepaalde verlichtingsfunctie handmatig inschakelt, zal deze na twee minuten automatisch worden uitgeschakeld. Sfeerverlichting Als de reguliere interieurverlichting is uitgegaan en de motor draait, branden er enkele leds, o.a.
03 Bestuurdersmilieu Verlichting Halogeenkoplampen • Mal C: horizontale lijn ca. 120 mm, ver- Bij halogeenkoplampen past u de lichtbundel aan door bepaalde delen van het koplampglas af te plakken. De sterkte van de lichtbundel neemt daardoor iets af. • Mal D: horizontale lijn ca. 85 mm, verti- ticale lijn ca. 4 mm cale lijn ca. 15 mm G021152 Koplampen afplakken Lichtbundel rechtsrijdend verkeer.
03 Bestuurdersmilieu Verlichting Positie van de mallen 03 Bovenste regel: auto met stuur links, mallen A en B. Onderste regel: auto met stuur rechts, mallen C en D.
03 Bestuurdersmilieu Verlichting Mallen voor halogeenkoplampen 03 101
03 Bestuurdersmilieu Wissers en sproeiers Ruitenwissers1 Intervalstand Regensensor* Met het duimwiel kunt u het aantal wisslagen per eenheid van tijd instellen wanneer u de intervalstand hebt geselecteerd. De regensensor registreert de hoeveelheid regen op de voorruit en schakelt automatisch de ruitenwissers op de voorruit in. De gevoeligheid van de regensensor is in te stellen met het duimwiel. Ononderbroken wissen 03 De wissers bewegen op normale snelheid. De wissers bewegen op hoge snelheid.
03 Bestuurdersmilieu Wissers en sproeiers Deactiveren Koplamp- en ruitensproeiers Deactiveer de regensensor met een druk op de of haal de hendel omlaag naar een knop ander wisprogramma. Gereduceerde sproeifunctie Wanneer er nog ca. 1 liter ruitensproeiervloeistof in het reservoir zit en op het display van het instrumentenpaneel de melding verschijnt dat u sproeiervloeistof moet bijvullen, worden de koplampen en de achterruit niet langer schoongesproeid.
03 Bestuurdersmilieu Wissers en sproeiers Wanneer u de hendel naar voren haalt (zie pijl op bovenstaande afbeelding), activeert u de ruitenwisser/-sproeier van de achterklep. N.B. De achterruitwisser is beveiligd tegen oververhitting zodat de wissermotor wordt uitgeschakeld bij oververhitting. De achterruitwisser werkt weer na een periode van afkoelen (30 seconden of langer afhankelijk van de motor- en de omgevingstemperatuur).
03 Bestuurdersmilieu Ruiten en spiegels Algemeen Warmtereflecterende voorruit* Gelaagd glas Het glas is verstevigd voor een verbeterde inbraakbeveiliging en geluidsisolatie van het interieur. De voorruit en de overige ruiten zijn gemaakt van gelaagd glas*. op dat deel van de voorruit waar geen warmtereflecterende film is aangebracht (zie gemarkeerd veld op bovenstaande afbeelding).
03 Bestuurdersmilieu Ruiten en spiegels WAARSCHUWING Bediening Zorg er bij het sluiten van de zijruiten voor dat kinderen of andere inzittenden niet met hun handen bekneld raken. Dit geldt ook als u gebruik maakt van de transpondersleutel. 03 De ruiten komen tot stilstand en worden geopend, als ze tijdens het sluiten in hun beweging worden gehinderd. Wanneer sluiten onmogelijk is door bijvoorbeeld ijsvorming, kan de beveiliging tegen overbelasting worden opgeheven.
03 Bestuurdersmilieu Ruiten en spiegels los. De bijbehorende zijruit gaat automatisch volledig open of dicht. Buitenspiegels De stand van de buitenspiegels en de bestuurdersstoel worden vastgelegd, wanneer u de auto met de transpondersleutel vergrendelt. Een volgende keer dat de auto met dezelfde transpondersleutel wordt ontgrendeld en het bestuurdersportier wordt geopend, nemen de buitenspiegels en de bestuurdersstoel de vastgelegde standen in.
03 Bestuurdersmilieu Ruiten en spiegels Automatisch kantelende buitenspiegel bij parkeren1 03 Bij het inschakelen van de achteruitversnelling worden de buitenspiegels automatisch omlaaggekanteld, zodat u bijvoorbeeld tijdens het parkeren de kant van de weg kan zien. Wanneer de auto uit de achteruitversnelling wordt gehaald, neemt de buitenspiegel na enige tijd automatisch de oorspronkelijke stand weer in.
03 Bestuurdersmilieu Ruiten en spiegels condens verdwenen is om de accu niet onnodig te belasten. Als u echter niets doet, wordt de verwarming na enige tijd automatisch uitgeschakeld. De buitenspiegels en de achterruit worden automatisch van condens/ijsvorming ontdaan, als de auto wordt gestart bij een buitentemperatuur lager dan +9 °C. Automatische ontwaseming is te selecteren in het menusysteem MY CAR onder Instellingen Klimaatinstellingen Aut. achterruitverwarming. Kies vervolgens uit Aan of Uit.
03 Bestuurdersmilieu Kompas* Bediening Kalibreren De aarde is in 15 magnetische zones verdeeld. Het kompas is ingesteld op het geografische gebied waarin de auto werd afgeleverd. Het kompas dient te worden gekalibreerd, als u met de auto meerdere magnetische zones doorkruist. Ga als volgt te werk: 03 G030295 1. Breng de auto tot stilstand op een groot en open terrein waar geen stalen constructies of hoogspanningsdraden zijn. 2. Start de motor. Magnetische zones. Achteruitkijkspiegel met kompas.
03 Bestuurdersmilieu Kompas* 8. Herhaal de bovenstaande procedure zo nodig. 03 * Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
03 Bestuurdersmilieu Elektrisch bedienbaar schuifdak* Algemene informatie De bedieningsknoppen voor het schuifdak zitten aan het plafond. Het schuifdak is aan de achterkant open te kantelen of horizontaal open te schuiven. Het schuifdak is alleen te openen in sleutelstand I of II. 03 Horizontaal openschuiven knop vervolgens los om het schuifdak zo ver mogelijk open te schuiven. U kunt het schuifdak handmatig openen door de bedieningsknop achteruit naar het weerstandspunt voor handmatig openen te trekken.
03 Bestuurdersmilieu Elektrisch bedienbaar schuifdak* Sluiten met transpondersleutel of knop voor centrale vergrendeling van het schuifdak. Pak de handgreep vast en schuif het scherm naar voren om het te sluiten. Beveiliging tegen overbelasting G021345 Het schuifdak is voorzien van een beveiliging tegen overbelasting die wordt geactiveerd, als het schuifdak door een obstakel wordt gehinderd.
03 Bestuurdersmilieu Alcoholslot* Algemene informatie over alcoholslot 03 Functies Het alcoholslot1 voorkomt dat bestuurders die onder invloed zijn in de auto kunnen rijden. Voordat de motor kan worden gestart, moet u een blaastest afgeven om vast te stellen dat u niet onder de invloed van alcohol bent. Het alcoholslot wordt gekalibreerd ten opzichte van de grenswaarde voor verkeersdeelname die in uw land geldt.
03 Bestuurdersmilieu Alcoholslot* Bewaren 1. Wanneer het controlelampje (6) groen oplicht, is de blaasunit klaar voor gebruik. Resultaat van de blaastest 2. Neem de blaasunit uit de houder. Als de blaasunit zich buiten de auto bevindt tijdens het ontgrendelen, dan dient u de unit eerst te activeren met de schakelaar (2). 3. Klap het mondstuk (1) omhoog, haal diep adem en blaas gelijkmatig totdat er ca. 5 seconden later een ‘klikgeluid’ klinkt.
03 Bestuurdersmilieu Alcoholslot* Waar u op moet letten Alvorens een blaastest te doen Voor een goede werking en een zo nauwkeurig mogelijk meetresultaat: • Ca. 5 minuten voor de blaastest niet eten of drinken. 03 • De voorruit niet te lang sproeien – de alcohol in de sproeiervloeistof kan een verkeerd meetresultaat opleveren. wijze gestart worden – de motor is dan alleen te starten via de bypass-functie, zie pagina 116, gedeelte over Noodsituatie.
03 Bestuurdersmilieu Alcoholslot* de noodfunctie. Deze instelling is achteraf nog te wijzigen in een werkplaats2. Bypass-functie activeren • Houd de knop OK op de linker stuurhendel en de knop voor de alarmknipperlichten ca. 5 seconden lang ingedrukt – op het display verschijnen achtereenvolgens Bypass actief Wacht 1 minuut en Alcoguard Bypass actief – daarna kunt u de motor starten.
03 Bestuurdersmilieu Motor starten Benzine- en dieselmotoren 2. Houd het koppelingspedaal volledig ingedrukt1. (Bij auto’s met automatische versnellingsbak – bedien het rempedaal.) 3. Druk op de knop START/STOP ENGINE en laat deze vervolgens los. De startmotor draait totdat de motor aanslaat of totdat de beveiliging tegen oververhitting in werking treedt. 03 BELANGRIJK Contactslot met transpondersleutel uitgetrokken/ ingeduwd en knop START/STOP ENGINE.
03 Bestuurdersmilieu Motor starten • Druk op START/STOP ENGINE – de Afstandsstart, ERS* WAARSCHUWING motor slaat af. Als de keuzehendel niet in stand P staat of als de auto rolt: • Druk twee maal op START/STOP ENGINE of houd de knop ingedrukt, totdat de motor afslaat. Stuurslotfout Er is mogelijk een mechanisch geluid waarneembaar, wanneer het stuurslot wordt opgeheven of ingeschakeld.
03 Bestuurdersmilieu Motor starten Bediening 1. Druk kort op de vergrendelingsknop (1) van de transpondersleutel. 2. Druk vervolgens lang – minimaal 2 seconden – op de knop (2). Als aan de voorwaarden voor ERS is voldaan, vindt bovendien het volgende plaats: 03 1. Alle richtingaanwijzers lichten snel enkele malen achtereen op. 2. De motor start. 3. Ter bevestiging dat de motor is gestart lichten alle richtingaanwijzers vervolgens 3 seconden lang op. Knoppen voor afstandsstart op transpondersleutel.
03 Bestuurdersmilieu Motor starten • het gas- of rempedaal wordt bediend • de keuzehendel wordt uit stand P gehaald • er zit minder dan ca. 10 liter brandstof in de brandstoftank Melding Betekenis Melding Betekenis Geen st. op afst accusp. laag ERS is niet ingeschakeld vanwege een geringe accuspanning. U laadt de accu op door de motor te starten. Geen st. op afst brandstofp. laag ERS is niet ingeschakeld vanwege een gering brandstofpeil. Geen st.
03 Bestuurdersmilieu Motor starten 03 A 122 Melding Betekenis St. op afst. uit hendel niet in P ERS is onderbroken, omdat de keuzehendel niet in stand P staat. St. op afst. uit best. in auto ERS is onderbroken, omdat er iemand in de auto zit. Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
03 Bestuurdersmilieu Motor starten, FlexiFuel Algemene informatie over het starten van een FlexiFuel-motor Motorverwarming* zoveel mogelijk gebruik van de motorverwarming. De motor wordt op dezelfde manier gestart als een benzinemotor. WAARSCHUWING De motorverwarming werkt op een hoge spanning. Laat controle- en reparatiewerkzaamheden aan een elektrische motorverwarming en de elektrische aansluitingen ervan uitvoeren door een werkplaats – geadviseerd wordt een erkende Volvowerkplaats.
03 Bestuurdersmilieu Motor starten, FlexiFuel Brandstofadaptatie 03 FlexiFuel-motoren kunnen op zowel loodvrije benzine (95 RON) als op bio-ethanol (E85) rijden. Beide brandstofsoorten worden in de gemeenschappelijke brandstoftank bijgevuld, wat betekent dat alle mogelijke mengverhoudingen tussen de beide brandstofsoorten zijn toegestaan. Wanneer u de brandstoftank hebt volgegoten met benzine nadat u op bio-ethanol (E 85) hebt gereden (om omgekeerd), kan de motor enige tijd ietwat onregelmatig lopen.
03 Bestuurdersmilieu Motor starten, hulpaccu Starten met hulpaccu 4. Bevestig de ene klem van de rode startkabel aan de pluspool (1) van de hulpaccu. BELANGRIJK Wees voorzichtig bij het aansluiten van de startkabels om kortsluiting met andere onderdelen in de motorruimte te voorkomen. 5. Haal de clips op de voorste dekplaat van de uitgeputte accu los en verwijder de dekplaat, zie pagina 362. Als de startaccu uitgeput is, kunt u de auto starten met stroom van een hulpaccu.
03 Bestuurdersmilieu Motor starten, hulpaccu WAARSCHUWING 03 • De startaccu kan het zeer explosieve knalgas produceren. Eén enkele vonk, veroorzaakt door een onjuiste aansluiting van een startkabel, kan volstaan om de accu tot ontploffing te brengen. • De startaccu bevat tevens zwavelzuur dat ernstige chemische brandwonden kan veroorzaken. • Als u accuzuur in uw ogen krijgt of op uw huid of kleren morst, moet u onmiddellijk met grote hoeveelheden water spoelen.
03 Bestuurdersmilieu Versnellingsbakken Schakelindicator1 BELANGRIJK Om schade aan onderdelen van de aandrijflijn te voorkomen wordt de bedrijfstemperatuur van de versnellingsbak gecontroleerd. Bij gevaar voor oververhitting gaat een waarschuwingslampje op het instrumentenpaneel branden en verschijnt er een displaymelding – volg het gegeven advies. 03 Handgeschakelde versnellingsbak Schakelpatroon zesversnellingsbak.
03 Bestuurdersmilieu Versnellingsbakken Blokkering achteruitversnelling N.B. De blokkering van de achteruitversnelling beperkt het risico dat u tijdens het vooruitrijden op normale snelheid onbedoeld de achteruitversnelling inschakelt. 03 De keuzehendel moet in de P-stand staan om de auto te kunnen vergrendelen en op alarm te zetten. • Volg het schakelpatroon dat in de versnel- BELANGRIJK lingspook is geslagen en begin in de neutrale stand N. Druk daarna de versnellingspook naar stand R duwt.
03 Bestuurdersmilieu Versnellingsbakken voordat u de keuzehendel vanuit stand D in stand R zet . als de bestuurder langzamer gaat rijden dan wat voor de gekozen versnelling gepast is. De sportstand kan op elk moment tijdens het rijden ingeschakeld worden. Geartronic - Handmatig schakelen (+/–) Om de automatische rijstand te hervatten: Geartronic - Winterstand Met de automatische versnellingsbak Geartronic kunt u ook handmatig schakelen.
03 Bestuurdersmilieu Versnellingsbakken Wanneer u het gaspedaal uit de kickdownstand loslaat, schakelt de versnellingsbak automatisch op. Mechanische schakelblokkering Elektrische schakelblokkering, Shiftlock parkeerstand (P) Om de keuzehendel uit stand P te kunnen halen, moet u het rempedaal bedienen terwijl de transpondersleutel in stand II staat, zie pagina 82. Gebruik de kickdown om zo snel mogelijk te accelereren zoals bij het inhalen.
03 Bestuurdersmilieu Versnellingsbakken Als er niet met de auto kan worden gereden zoals het geval is bij een uitgeputte accu, moet u de keuzehendel uit stand P halen voordat u de auto kunt verslepen. Til de rubbermat in het vak achter de middenconsole uit de auto en open het luikje. Steek het sleutelblad zo ver mogelijk naar binnen. Duw het sleutelblad omlaag en houd het in deze stand vast. (Voor informatie over het sleutelblad, zie pagina 51.) Haal de keuzehendel uit stand P.
03 Bestuurdersmilieu Versnellingsbakken BELANGRIJK Bedien de bedrijfsrem om de auto stil te houden op oplopende hellingen – maak geen gebruik van het gaspedaal. De versnellingsbak kan dan oververhit raken. Zie voor belangrijke informatie over de Powershift-bak en slepen - zie pagina 321. Displaymelding en maatregel In bepaalde situaties kan er een bepaalde melding op het display verschijnen in combinatie met een brandend lampje.
03 Bestuurdersmilieu Versnellingsbakken Als u het waarschuwingssymbool met de tekst Oververh versnb Stop auto z.s.m. negeert, kan de versnellingsbaktemperatuur dusdanig oplopen dat de krachtoverbrenging tussen de motor en de versnellingsbak tijdelijk wordt verbroken om te voorkomen dat de koppeling defect raakt – de auto wordt dan niet meer aangedreven totdat de versnellingsbaktemperatuur tot een aanvaardbaar niveau is gedaald.
03 Bestuurdersmilieu DRIVe Start/Stop* Stiller en schoner Algemene informatie over Start/Stop Functie en bediening 03 Milieuzorg vormt een van de kernwaarden van Volvo Car Corporation en geeft richting aan al onze activiteiten. Dit resulteerde in de DRIVeuitvoeringen: een concept bestaande in een synergetisch geheel van uiteenlopende energiebesparende functies met als doel het brandstofverbruik te verlagen en daarmee ook de uitlaatgasemissie te beperken.
03 Bestuurdersmilieu DRIVe Start/Stop* uitrusting (zoals het geval kan zijn voor de ventilatorsnelheid van de klimaatregeling of het volume van het audiosysteem). Automatische motorstart Voorwaarden Automatische motorafslag Voor automatische motorafslag geldt het volgende: Voorwaarden A M/AA Ontkoppel, zet de schakelhendel in de neutrale stand en laat het koppelingspedaal opkomen. De motor wordt afgezet. M Zet de auto stil met het rempedaal en houd uw voet op het pedaal.
03 Bestuurdersmilieu DRIVe Start/Stop* Beperkingen Voorwaarden M/AA Voorwaarden Automatische motorafslag werkt niet de startaccu een temperatuur onder het vriespunt of boven ca. 55 °C heeft. M+A het bestuurdersportier is geopend met de keuzehendel in stand D. A de bestuurder grotere stuurbewegingen maakt. M+A de keuzehendel vanuit stand D in stand SB of ‘+/-’ wordt gezet. A het roetfilter van het uitlaatsysteem vol is.
03 Bestuurdersmilieu DRIVe Start/Stop* Voorwaarden A M/AA de buitentemperatuur zakt onder het vriespunt of komt boven de ca. 30 °C. M+A er wordt tijdelijk veel stroom afgenomen of de capaciteit van de startaccu is onder de toelaatbare ondergrens gezakt. M+A u bedient het rempedaal met pompende bewegingen. M+A WAARSCHUWING Voorwaarden Open de motorkap niet als de motor automatisch afgeslagen is. De motor kan plotseling automatisch starten.
03 Bestuurdersmilieu DRIVe Start/Stop* Onvrijwillige motorafslag bij handgeschakelde versnellingsbak Doe het volgende als de automatische motorstart mislukt en de motor afslaat: 03 1. Bedien het koppelingspedaal opnieuw – de motor start automatisch. 2. In bepaalde gevallen moet u de versnellingspook in de neutrale stand zetten. Op het informatiedisplay verschijnt dan de tekst Zet versnelling in vrij Meer informatie en instellingen 138 * Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
03 Bestuurdersmilieu DRIVe Start/Stop* Lampje AUTOSTOP AUTOSTOP Melding Informatie/maatregel M/AA Auto Start-Stop AAN Blijft ca. 5 seconden branden na activering van Start/Stop. M+A Auto Start-Stop UIT Blijft ca. 5 seconden branden na deactivering van Start/ Stop. M+A Auto Start-Stop Service vereist Start/Stop werkt niet. Neem contact op met een werkplaats – geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats. M+A Motormanagement Er vindt een automatische controle van de werking plaats.
03 Bestuurdersmilieu DRIVe Start/Stop* Lampje 03 A Informatie/maatregel Kies stand P of N om te starten Start/Stop is gedeactiveerd. Zet de keuzehendel in stand N of P en voer een normale motorstart uit met de knop START/ STOP ENGINE. A Druk op Start-knop De motor zal niet automatisch starten. Voer een normale motorstart uit met de knop START/STOP ENGINE en de keuzehendel in P of N. A M = handbak, A = automaatbak.
03 Bestuurdersmilieu Vierwielaandrijving, AWD (All Wheel Drive)* De vierwielaandrijving is altijd ingeschakeld 03 Bij vierwielaandrijving worden alle vier de wielen van de auto tegelijk aangedreven. Het motorkoppel wordt automatisch over de voor- en achterwielen verdeeld. Een elektronisch gestuurd koppelingssysteem verdeelt het vermogen over het wielpaar dat op dat moment de beste grip op het wegdek heeft. Dit om optimale wegligging te verkrijgen en wielspin te voorkomen.
03 Bestuurdersmilieu Bedrijfsrem Algemeen De auto is uitgerust met twee remkringen. Als een van de remkringen defect raakt, betekent dit dat de remmen pas later worden aangesproken zodat u het rempedaal dieper moet intrappen voor dezelfde remmende werking. 03 De druk die u uitoefent op het rempedaal wordt versterkt door de rembekrachtiging. WAARSCHUWING De rembekrachtiging werkt alleen, als de motor loopt.
03 Bestuurdersmilieu Bedrijfsrem Onderhoud Om de verkeersveiligheid, bedrijfszekerheid en betrouwbaarheid van de auto op een hoog peil te houden, dient u de voorschriften van het Serviceprogramma van Volvo op te volgen zoals die omschreven staan in het Service- en garantieboekje van Volvo, zie pagina 344. BELANGRIJK De onderdelen van het remsystemen moeten regelmatig op slijtage worden gecontroleerd.
03 Bestuurdersmilieu Parkeerrem Algemeen hulpaccu aan, als de accuspanning te laag is, zie pagina 125. Parkeerrem aanzetten In noodgevallen kunt u de parkeerrem ook tijdens het rijden aanzetten door de handgreep ingedrukt te houden. Wanneer u de handgreep loslaat of het gaspedaal bedient, wordt de parkeerrem gelost. N.B. 03 Tijdens een noodstop bij snelheden hoger dan 10 km/h klinkt er gedurende de hele remmanoeuvre een geluidssignaal.
03 Bestuurdersmilieu Parkeerrem Parkeerrem lossen N.B. De parkeerrem is ook handmatig te lossen door het koppelingspedaal te bedienen in plaats van het rempedaal. Volvo adviseert u echter het rempedaal te gebruiken. Automatisch lossen 1. Start de motor. 2. Schakel de 1 versnelling of de achteruitrijversnelling in. Handgreep parkeerrem – lossen. Auto met handgeschakelde versnellingsbak 3. Laat de koppeling opkomen en geef gas. > De parkeerrem wordt gelost en het lampje op het instrumentenpaneel dooft.
03 Bestuurdersmilieu Parkeerrem Remblokken vervangen Laat de remblokken op de achterwielen vervangen in een werkplaats met het oog op de constructie van de elektrische parkeerrem – geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats. Lampjes en meldingen op display 03 Lampje Melding Betekenis/Maatregel ‘Melding’ Lees de melding op het informatiedisplay. Een knipperend lampje houdt in dat de parkeerrem wordt aangezet. Als het lampje in een andere situatie gaat knipperen, is er sprake van een storing.
03 Bestuurdersmilieu Parkeerrem Lampje Melding Betekenis/Maatregel Parkeerrem niet aangezet Door een storing kan de parkeerrem niet worden aangezet – probeer of u de rem kunt lossen en aanzetten. Als de storing ook na enkele pogingen aanhoudt: Bezoek een werkplaats – geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats. 03 Dezelfde melding verschijnt ook op auto’s met een handbak, wanneer er langzaam wordt gereden met het portier open.
03 Bestuurdersmilieu HomeLink * Algemeen WAARSCHUWING • 03 HomeLink1 is een programmeerbare afstandsbediening die tot drie verschillende systemen (bijvoorbeeld een garagedeuropener, alarmsysteem, huis- en tuinverlichting) op afstand kan bedienen en daarmee de originele afstandsbedieningen vervangt. Breng voor meer informatie over HomeLink een bezoek aan: www.homelink.com of bel 00 8000 466 354 65 (of het betaalnummer +49 6838 907 277).
03 Bestuurdersmilieu HomeLink * 3. Druk op de te programmeren HomeLink-knop, houd deze 5 seconden lang ingedrukt en laat de knop weer los. Herhaal dit zo nodig, totdat de garagedeur reageert. Als de deur niet reageert, druk dan op de geprogrammeerde HomeLink-knop, houd deze ingedrukt en controleer het controlelampje. > Brandt continu: Het controlelampje brandt continu terwijl u de knop ingedrukt houdt, wat aangeeft dat de programmering afgerond is. De garagedeur, het toegangshek e.d.
03 Bestuurdersmilieu HomeLink * Afzonderlijke knop programmeren Doe het volgende om één afzonderlijke HomeLink-knop te programmeren: 1. Druk op de gewenste knop en houd deze ingedrukt. 03 2. Begin, wanneer het controlelampje van HomeLink gaat knipperen (na ca. 20 seconden), met punt 1 in het gedeelte “HomeLink® programmeren” op pagina 148. Breng voor meer informatie over HomeLink of bij op- en aanmerkingen een bezoek aan: www.homelink.
03 Bestuurdersmilieu 03 151
152 * Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 154 156 158 160 162 173 177 182 191 192 195 198 201 205 G000000 Stabiliteits- en tractieregelsysteem, DSTC........................................... Road Sign Information – RSI*............................................................... Snelheidsbegrenzer.............................................................................. Cruisecontrol*.......................................................................................
BESTUURDERSONDERSTEUNING
04 Bestuurdersondersteuning Stabiliteits- en tractieregelsysteem, DSTC Algemene informatie over DSTC De stabiliteits- en tractieregeling DSTC (Dynamic Stability & Traction Control) helpt de bestuurder voorkomen dat de wielen doorslippen en verbetert de tractie van de auto. Een van de gevolgen van ongewenste blokkering van de wielen is dat u de auto moeilijk onder controle kunt houden.
04 Bestuurdersondersteuning Stabiliteits- en tractieregelsysteem, DSTC > Het systeem maakt vervolgens een sportievere rijstijl mogelijk. De Sport-stand is actief, totdat u de stand verlaat of de motor afzet – de volgende keer dat u de motor start, staat het DSTC-systeem weer in de normale stand. Symbolen en meldingen op display Symbool Melding Betekenis DSTC Tijdelijk UIT Wegens een te hoge temperatuur van de remschijven gelden er tijdelijk beperkingen voor het DSTCsysteem.
04 Bestuurdersondersteuning Road Sign Information – RSI* Algemene informatie over RSI WAARSCHUWING RSI werkt niet in alle situaties, maar is uitsluitend bedoeld als een aanvullend hulpmiddel. Als bestuurder bent u er altijd verantwoordelijk voor dat u de auto op een veilige manier bestuurt en dat u zich aan de geldende verkeersregels en voorschriften houdt. 04 Samen met het symbool voor de geldende snelheidsbeperking kan (indien van toepassing) ook een bord met inhaalverbod verschijnen.
04 Bestuurdersondersteuning Road Sign Information – RSI* Het aanvullende bord met betrekking tot regen verschijnt alleen als de ruitenwissers zijn geactiveerd. Instelling in MY CAR Auto-instellingen Snelheidswaarschuwing aan en verlaat het menu met EXIT, zie pagina 216. De geldende snelheid op een afrit verschijnt met een aanvullend bord met een pijl. De pijl verschijnt onder het symbool met de snelheid.
04 Bestuurdersondersteuning Snelheidsbegrenzer Algemene informatie over snelheidsbegrenzer Een snelheidsbegrenzer (Speed Limiter) is te beschouwen als een omgekeerde cruisecontrol – u regelt de snelheid met het gaspedaal, terwijl de snelheidsbegrenzer voorkomt dat u per ongeluk de vooraf gekozen/ingestelde snelheid overschrijdt. Bediening 04 Activeren en maximumsnelheid aanpassen (iedere keer indrukken komt overeen met +/– 5 km/h). Opgeslagen maximumsnelheid (tussen haakjes = stand-bystand).
04 Bestuurdersondersteuning Snelheidsbegrenzer > De opgeslagen maximumsnelheid staat tussen haakjes (5) op het display en het is mogelijk de ingestelde maximumsnelheid tijdelijk te overschrijden. De snelheidsbegrenzer is opnieuw te , waarna activeren met een druk op de haakjes van het display verdwijnen en de ingestelde maximumsnelheid opnieuw van kracht is. Alarm overschrijding snelheid Op steile aflopende hellingen volstaat de motorrem mogelijk niet zodat de gekozen maximumsnelheid wordt overschreden.
04 Bestuurdersondersteuning Cruisecontrol* Algemene informatie over DCC Bediening De cruisecontrol (CC – Cruise Control) helpt de bestuurder een gelijkmatige snelheid te houden, wat zorgt voor een comfortabeler rijervaring op lange ritten op snelwegen en lange, rechte hoofdwegen met een gelijkmatige verkeersstroom. G021411 WAARSCHUWING De bestuurder dient altijd rekening te houden met de verkeersomstandigheden en in te grijpen, wanneer de cruisecontrol geen passende snelheid en/of afstand aanhoudt.
04 Bestuurdersondersteuning Cruisecontrol* > op het display (5) licht op en Het lampje (---) km/h komt tussen haakjes te staan om aan te geven dat de cruisecontrol stand-by staat. Als een knop van de cruisecontrol langer dan ca. 1 minuut wordt ingedrukt, wordt deze geblokkeerd en uitgeschakeld. Om de cruisecontrol weer te kunnen activeren, moet de auto stilstaan en de motor worden herstart.
04 Bestuurdersondersteuning Adaptieve cruisecontrol* Algemene informatie over ACC De adaptieve cruisecontrol (ACC – Adaptive Cruise Control) helpt u om een veilige afstand tot voorliggers te houden. Een adaptieve cruisecontrol biedt u een comfortabeler rijervaring op lange ritten op snelwegen en lange, rechte hoofdwegen met een gelijkmatige verkeersstroom. 04 U stelt de gewenste snelheid en het tijdsverschil ten opzichte van de voorligger.
04 Bestuurdersondersteuning Adaptieve cruisecontrol* WAARSCHUWING De adaptieve cruisecontrol is geen systeem dat botsingen voorkomt. Grijp zelf in zodra u merkt dat het systeem een voorligger niet registreert. De adaptieve cruisecontrol reageert niet op voetgangers of dieren noch op kleinere voertuigen, zoals fietsen of motorfietsen e.d. Tegenliggers, langzaam rijdende en stilstaande voertuigen of vaste obstakels worden eveneens genegeerd.
04 Bestuurdersondersteuning Adaptieve cruisecontrol* WAARSCHUWING Bediening Volgtijd4 – Aan (tijdens aanpassing). Volgtijd4 – Aan (ná aanpassing). De adaptieve cruisecontrol waarschuwt alleen voor de voertuigen die de radarsensor heeft geregistreerd. Het is dan ook mogelijk dat een waarschuwing uitblijft of pas na enige vertraging wordt gegeven. Wacht een waarschuwing dan ook niet af, maar rem zelf wanneer u dat nodig acht.
04 Bestuurdersondersteuning Adaptieve cruisecontrol* Volgtijd5 – Aan (tijdens aanpassing). Volgtijd5 – Aan (ná aanpassing). Activeren en snelheid instellen Om de cruisecontrol aan te zetten: • Druk op de stuurtoets - het lampje op het display gaat branden. Het lampje (---) op het display geeft aan dat de cruisecontrol stand-by staat. Om de cruisecontrol in te schakelen: • Druk bij de gewenste snelheid op de stuurtoets > of .
04 Bestuurdersondersteuning Adaptieve cruisecontrol* Tijdens het instellen van de volgtijd verschijnt het bijbehorende aantal horizontale streepjes op het display. Deze streepjes verdwijnen na enkele seconden, waarna een verkleinde uitvoering ervan rechts op het display verschijnt. Hetzelfde symbool verschijnt ook wanneer Distance Alert geactiveerd is, zie pagina 173. 04 Houd alleen een volgtijd aan die niet in strijd is met de geldende verkeersregels.
04 Bestuurdersondersteuning Adaptieve cruisecontrol* N.B. Wanneer u de ingestelde snelheid hebt hervat met kan er een duidelijke snelheidsverhoging optreden. Een ander voertuig inhalen Als de auto een ander voertuig volgt en u met de richtingaanwijzer8 aangeeft te willen inhalen, helpt de cruisecontrol u door de auto kort te versnellen in de richting van de voorligger. De functie werkt bij snelheden hoger dan 70 km/h.
04 Bestuurdersondersteuning Adaptieve cruisecontrol* of • Trap het gaspedaal in. > De cruisecontrol zal dan de voorligger opnieuw volgen. Wanneer de cruisecontrol een rijdende voorligger volgt bij snelheden onder 30 km/h, van doelvoertuig verandert en een stilstaand voertuig volgt, zal de cruisecontrol voor het stilstaande voertuig remmen. WAARSCHUWING N.B.
04 Bestuurdersondersteuning Adaptieve cruisecontrol* Radarsensor en de beperkingen ervan De radarsensor wordt, behalve door de adaptieve cruisecontrol, ook gebruikt door de functies: • Collision Warning with Auto Brake, zie pagina 182 • Afstandswaarschuwing, zie pagina 173. De radarsensor dient om personenauto’s of grotere voertuigen te registreren die in dezelfde richting als u en in dezelfde rijstrook rijden. Bij modificatie van de radarsensor is het mogelijk dat het gebruik ervan onwettig wordt.
04 Bestuurdersondersteuning Adaptieve cruisecontrol* • als de snelheid van de voorligger te veel afwijkt van die van uw eigen auto. Voorbeeldsituaties waarin de cruisecontrol niet optimaal werkt De radarsensor heeft een beperkt bereik. In bepaalde gevallen wordt een voertuig niet ontdekt of later dan verwacht. Soms kan de radarsensor een voertuig op korte afstand pas laat registreren, bijvoorbeeld als een inhalend voertuig invoegt tussen u en uw voorligger.
04 Bestuurdersondersteuning Adaptieve cruisecontrol* Oorzaak Maatregel Het radaroppervlak van de grille is vuil of bedekt met sneeuw of ijs. Ontdoe het radaroppervlak van de grille van vuil, sneeuw en ijs. De radarsignalen worden gehinderd door hevige regen- of sneeuwval. Valt niets aan te doen. Bij hevige neerslag werkt de radar soms niet. De radarsignalen worden gehinderd door opspattend water en opdwarrelende sneeuw van het wegdek. Valt niets aan te doen.
04 Bestuurdersondersteuning Adaptieve cruisecontrol* Symbool Melding Betekenis ACC niet beschikbaar De adaptieve cruisecontrol kan niet worden ingeschakeld. Dit kan onder meer gebeuren wanneer: • de remmen een hoge temperatuur hebben • de radarsensor wordt gehinderd door natte sneeuw of regen. Radar afgedekt Zie instructieb. De adaptieve cruisecontrol werkt tijdelijk niet. • De radarsensor kan geen andere voertuigen registreren.
04 Bestuurdersondersteuning Afstandswaarschuwing* Algemene informatie De afstandswaarschuwing (Distance Alert) is een functie die u inlicht over de volgtijd ten opzichte van de voorligger. Distance Alert is actief bij snelheden hoger dan 30 km/h en reageert uitsluitend op voorliggers die in dezelfde richting als u rijden. Voor voertuigen die langzaam in tegengestelde richting rijden of stilstaan wordt geen afstandsinformatie gegeven. N.B.
04 Bestuurdersondersteuning Afstandswaarschuwing* Volgtijd instellen 04 Bedieningselementen en display voor volgtijd. Volgtijd – Verlengen/verkorten. Voor verlengen omhoogduwen, voor verkorten omlaagduwen. Volgtijd2 – Aan (tijdens aanpassing). Volgtijd2 – Aan (ná aanpassing). 2 174 U kunt verschillende volgtijden ten opzichte van voorliggers kiezen en deze worden op het display als 1–5 horizontale streepjes weergegeven – hoe meer streepjes, des te langer de volgtijd. Eén streepje komt overeen met ca.
04 Bestuurdersondersteuning Afstandswaarschuwing* N.B. In de felle zon en bij lichtschitteringen of grote variaties in de lichtsterkte alsook het gebruik van een zonnebril is het op de voorruit geprojecteerde waarschuwingslampje soms moeilijk waar te nemen. In slechte weersomstandigheden en op slingerende wegen heeft de radarsensor soms moeite om voorliggers te registreren. Ook voorliggers met geringe afmetingen (zoals motorfietsen) zijn soms moeilijk te ontdekken.
04 Bestuurdersondersteuning Afstandswaarschuwing* Lampje Melding Betekenis Radar afgedekt Zie instructieb. De afstandswaarschuwing werkt tijdelijk niet. De radarsensor kan geen andere voertuigen registreren. Bijvoorbeeld wanneer deze wordt gehinderd door hevige regenval of als sneeuwmodder of andere verontreinigingen de radarsensor afdekken. Voor meer informatie over de beperkingen van de radarsensor, zie pagina 169.
04 Bestuurdersondersteuning City Safety™ Algemeen City Safety™ is een hulpmiddel om u te helpen een aanrijding te voorkomen tijdens filerijden e.d., waarbij plotselinge wijzigingen in het verkeer vóór u gekoppeld aan onoplettendheid tot bijna-ongelukken kunnen leiden. De functie die actief is bij een snelheid tot 50 km/h helpt u door automatisch te remmen, wanneer het gevaar voor een botsing met een voorligger reëel is en u zelf niet snel genoeg remt en/of uitwijkt.
04 Bestuurdersondersteuning City Safety™ Bij een snelheidsverschil van meer dan 15 km/h tussen de voertuigen kan City Safety™ een aanrijding niet geheel op eigen kracht voorkomen – voor het maximale remvermogen dient u zelf het rempedaal te bedienen. In dat geval is het ook bij snelheidsverschillen groter dan 15 km/h mogelijk een aanrijding te voorkomen. 04 Wanneer het systeem ingrijpt en remt, verschijnt op het display van het instrumentenpaneel de melding dat het systeem actief is/was. N.B.
04 Bestuurdersondersteuning City Safety™ City Safety™ wordt niet geactiveerd op lage snelheden (onder 4 km/h), wat betekent dat het systeem niet ingrijpt in situaties waarbij u een voorligger uiterst langzaam nadert zoals tijdens het parkeren. De commando’s die u zelf geeft hebben altijd voorrang, wat betekent dat City Safety™ niet ingrijpt in situaties waarbij u duidelijke commando’s geeft via stuurwiel of gaspedaal, zelfs al is een aanrijding onvermijdelijk.
04 Bestuurdersondersteuning City Safety™ BELANGRIJK Als het voorruitoppervlak vóór een van beide “ogen” barsten, krassen of steenslagschade vertoont van 0,5 × 3,0 mm (of groter), neem dan contact op met een erkende werkplaats om de voorruit te laten repareren of vervangen (zie de afbeelding met de positie van de sensor op pagina 177) – geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats. 04 Als u niets doet, presteert City Safety™ mogelijk minder goed.
04 Bestuurdersondersteuning City Safety™ Lampje Melding Betekenis/Maatregel Autom. remmen door City Safety City Safety™ remt op dit moment of remde eerder automatisch. Voorruitsensoren afgedekt De lasersensor werkt tijdelijk niet doordat deze door iets gehinderd wordt. • Verwijder het voorwerp dat de sensoren hindert en/of maak het voorruitoppervlak vóór de sensoren schoon. 04 Voor meer informatie over de beperkingen van de lasersensoren, zie pagina 178.
04 Bestuurdersondersteuning Collision Warning met Auto Brake en voetgangersdetectie.* Algemene informatie ‘Collision Warning met Auto Brake en voetgangersdetectie’ is een hulpmiddel dat bedoeld is om u te waarschuwen wanneer het gevaar bestaat dat u op een voetganger of een (stilstaande of rijdende) voorligger botst.
04 Bestuurdersondersteuning Collision Warning met Auto Brake en voetgangersdetectie.* Collision Warning en City Safety™ vullen elkaar aan. Zie voor meer informatie over City Safety™ zie pagina 177. 1 – Collision Warning Eerst wordt de bestuurder gewaarschuwd voor een dreigende aanrijding. Collision Warning registreert voetgangers vóór de auto en (stilstaande of rijdende) voorliggers.
04 Bestuurdersondersteuning Collision Warning met Auto Brake en voetgangersdetectie.* Voetgangersdetectie • Een voetganger is alleen te ontdekken wanneer deze helemaal zichtbaar is en een lengte heeft van minimaal 80 cm. • Het systeem kan geen voetgangers ontdekken die grote voorwerpen dragen. • Bij zonsondergang en -ondergang kan de camerasensor voetgangers minder goed registreren – vergelijkbaar met het menselijke oog.
04 Bestuurdersondersteuning Collision Warning met Auto Brake en voetgangersdetectie.* Waarschuwingssignalen activeren/ deactiveren Waarschuwingslampje (nr. [1] in de afbeelding op pagina 182) wordt automatisch geactiveerd bij het starten van de motor als Collision Warning is geactiveerd. Het waarschuwingsgeluid kan apart worden ge(de)activeerd: • Kies Aan of Uit in het menusysteem MY CAR onder Instellingen Autoinstellingen Rij-assistentiesystemen Botswaarschuwing Signaaltoon.
04 Bestuurdersondersteuning Collision Warning met Auto Brake en voetgangersdetectie.* Onderhoud Beperkingen Collision Warning met Auto Brake en voetgangersdetectie is actief vanaf ca. 4 km/h. In de felle zon en bij lichtschitteringen alsook het gebruik van een zonnebril is het op de voorruit geprojecteerde waarschuwingslampje (nr. [1] in de afbeelding op pagina 182) soms moeilijk te ontdekken. Dat is ook mogelijk als u niet recht vooruit kijkt. Houd de waarschuwingszoemer daarom altijd ingeschakeld.
04 Bestuurdersondersteuning Collision Warning met Auto Brake en voetgangersdetectie.* WAARSCHUWING Als de radar- of camerasensor op grond van de verkeerssituatie of anderszins problemen heeft voetgangers of voorliggers te ontdekken, is het mogelijk dat het systeem pas laat, onterecht of helemaal geen waarschuwing geeft en remt. De sensoren hebben een beperkt bereik voor voetgangers wat inhoudt dat het systeem efficiënt waarschuwt en remingrepen verricht bij rijsnelheden tot 50 km/h.
04 Bestuurdersondersteuning Collision Warning met Auto Brake en voetgangersdetectie.* en andere voertuigen en voetgangers te ontdekken. Het zichtveld van de camerasensor is beperkt, zodat voetgangers en voertuigen in bepaalde situaties niet kunnen worden geregistreerd of later worden ontdekt dan verwacht. Bij zeer hoge temperaturen werkt de camera de eerste ca. 15 minuten na het starten van de motor niet om de camerafunctie te ontzien.
04 Bestuurdersondersteuning Collision Warning met Auto Brake en voetgangersdetectie.* Lampjes en meldingen op display Lampje Melding Betekenis CWS-systeem UIT Collision Warning is uitgeschakeld. Verschijnt bij het starten van de motor. De melding dooft automatisch na ca. 5 seconden of eerder wanneer u op de toets OK drukt. CWS-systeem niet beschikbaar Het is niet mogelijk Collision Warning te activeren. Remassistent geactiveerd De Auto Brake was actief.
04 Bestuurdersondersteuning Collision Warning met Auto Brake en voetgangersdetectie.* Lampje 04 190 Melding Betekenis Radar afgedekt Zie instructieb. Collision Warning met Auto Brake werkt tijdelijk niet. CWS-systeem Service vereist Collision Warning met Auto Brake werkt niet of gedeeltelijk. De radarsensor kan geen andere voertuigen registreren. Bijvoorbeeld wanneer deze wordt gehinderd door hevige regenval of als sneeuwmodder of andere verontreinigingen de radarsensor afdekken.
04 Bestuurdersondersteuning Driver Alert System* Algemene informatie over Driver Alert System Driver Alert System is bestemd om u te helpen als de auto op een ongecontroleerde manier wordt bestuurd of op het punt staat de rijstrookmarkering te overschrijden. Driver Alert System bestaat uit verschillende functies die tegelijk of apart in te schakelen zijn: WAARSCHUWING Driver Alert System heeft niet in alle situaties het beoogde effect en is uitsluitend bedoeld als hulpmiddel.
04 Bestuurdersondersteuning Driver Alert System – DAC* Algemene informatie over DAC DAC is bedoeld om langzame wijzigingen in het rijgedrag te bespeuren, in eerste instantie op de grotere wegen. De functie is niet bedoeld voor gebruik in het stadsverkeer. Soms treden er ondanks vermoeidheid geen merkbare wijzigingen op in het rijgedrag. In dat geval wordt er dan ook niet gewaarschuwd.
04 Bestuurdersondersteuning Driver Alert System – DAC* Aan/Uit Om Driver Alert in de stand-bystand te zetten: • Zoek op het beeldscherm van de middenconsole met het menusysteem MY CAR Auto-instellingen Rijassistentiesystemen Driver Alert op en vink het vakje aan. • Vakje niet aangevinkt: Functie uitgeschakeld. Op het display staat een niveaumarkering in de vorm van 1–5 balkjes, waarbij een klein aantal balkjes voor ongecontroleerd rijgedrag staat. Een groot aantal balkjes betekent stabiel rijden.
04 Bestuurdersondersteuning Driver Alert System – DAC* Lampje Melding Betekenis Driver Alert De functie analyseert uw rijstijl. Het aantal balkjes varieert van 1 tot 5, waarbij een klein aantal balkjes voor ongecontroleerd rijgedrag staat. Omgekeerd geldt dat een groot aantal balkjes voor stabiel rijgedrag staat. 04 Driver Alert Tijd voor pauze De auto vertoont zwalkend rijgedrag – u wordt gewaarschuwd met een zoemersignaal en een displaymelding.
04 Bestuurdersondersteuning Driver Alert System – (LDW)* Algemene informatie over LDW Bediening en functie Als de camera de rijstrookmarkeringen op het wegdek niet langer registreert verschijnt op het display de melding Lane Depart Warn niet beschikbaar. Als de rijsnelheid tot onder de 60 km/h daalt, neemt de functie de stand-bystand weer in en verschijnt op het display de melding Lane Depart Warn stand-by <65km/h.
04 Bestuurdersondersteuning Driver Alert System – (LDW)* N.B. Iedere keer dat de wielen een markeringsstreep passeren wordt er slechts eenmaal gewaarschuwd. Er wordt dan ook niet meer gewaarschuwd, wanneer u met één wiel aan weerszijden zijden van de rijstrookmarkering blijft rijden. Lampjes en meldingen op display 04 Lampje Melding Betekenis Lane departure warning AAN/Lane departure warning UIT De functie is ingeschakeld/uitgeschakeld. Verschijnt bij inschakeling/uitschakeling.
04 Bestuurdersondersteuning Driver Alert System – (LDW)* Lampje Melding Betekenis Voorruitsensoren afgedekt De camerasensor werkt tijdelijk niet. Verschijnt bijvoorbeeld bij sneeuw, ijs of vuil op de voorruit. • Maak het voorruitoppervlak vóór de camerasensor schoon. Voor meer informatie over de beperkingen van de camerasensor, zie pagina 187. Driver Alert Sys Service vereist Het systeem is defect. • Bezoek een werkplaats als de melding niet verdwijnt – geadviseerd wordt een erkende Volvowerkplaats.
04 Bestuurdersondersteuning Park Assist* Algemeen Park Assist is bedoeld als hulpmiddel tijdens het parkeren. Geluidssignalen en symbolen op het beeldscherm van de middenconsole geven de afstand aan tot een waargenomen obstakel. Het Park Assist-volume is tijdens de weergave van geluidssignalen bij te stellen met de draaiknop VOL op de middenconsole of in het menusysteem MY CAR van de auto – zie pagina 215.
04 Bestuurdersondersteuning Park Assist* Bij een afstand tot 30 cm bestaat het geluidssignaal uit een ononderbroken toon en is de sensorsector die het dichtst bij de auto ligt geheel gevuld. Als er zowel voor als achter de auto obstakels binnen deze afstand zijn waargenomen, komen de geluidssignalen beurtelings uit de luidsprekers aan linker- en rechterzijde. Park Assist aan de achterzijde N.B.
04 Bestuurdersondersteuning Park Assist* N.B. Sensoren schoonmaken Park Assist aan de voorzijde wordt gedeactiveerd, wanneer u de parkeerrem zet of de keuzehendel in stand P zet bij een auto met automatische versnellingsbak. BELANGRIJK 04 Bij auto’s met verstralers erop letten dat de lampen de sensoren niet blokkeren en voor obstakels worden gehouden. Aanduiding voor systeemstoringen Positie van de voorste sensoren.
04 Bestuurdersondersteuning Park Assist-camera* Algemeen Functie en bediening De Park Assist-camera is een hulpsysteem dat automatisch geactiveerd wordt bij het inschakelen van de achteruitversnelling (de functie is te wijzigen in het instellingenmenu, zie pagina 215).
04 Bestuurdersondersteuning Park Assist-camera* Hulplijnen 04 Camerapositie bij de openingshandgreep. Lichtomstandigheden Voorbeeld van hoe hulplijnen voor de bestuurder getoond worden. De cameraweergave wordt automatisch aangepast aan de heersende lichtomstandigheden. Dit kan ertoe leiden dat de beeldweergave ietwat kan variëren wat lichtsterkte en kwaliteit betreft. Slechte lichtomstandigheden leveren mogelijk een iets slechtere beeldkwaliteit op.
04 Bestuurdersondersteuning Park Assist-camera* Grenslijnen per reiken zolang er geen obstakel in de weg staat. Auto’s met Park Assist-sensoren achter* Kleur Afstand (meter) Oranje 1,5– Oranje 0,3–1,5 Rood 0–0,3 Instellingen Druk op OK/MENU wanneer een cameraweergave getoond wordt. Voer de gewenste instellingen uit. 04 Overig Lijnen van het systeem.
04 Bestuurdersondersteuning Park Assist-camera* Beperkingen N.B. Fietsdragers of andere accessoires achter op de auto kunnen het blikveld van de camera blokkeren. 04 Let erop dat ook als het geblokkeerde gebied er op het scherm relatief klein uitziet, het werkelijke, verborgen gebied dusdanig groot kan zijn dat obstakels pas worden geregistreerd wanneer u er bijna bovenop zit. Waar u op moet letten • Houd de cameralens vrij van vuil, sneeuw en ijs.
04 Bestuurdersondersteuning BLIS* – Blind Spot Information System Algemene informatie over BLIS WAARSCHUWING G021426 Het systeem vormt een aanvulling op – geen vervanging voor – een veilige rijstijl en het gebruik van de buitenspiegels. De bestuurder moet altijd oplettend en verantwoord blijven rijden. De bestuurder is er altijd verantwoordelijk voor dat er op een veilige manier van rijstrook wordt gewisseld. Buitenspiegel met BLIS1.
04 Bestuurdersondersteuning BLIS* – Blind Spot Information System Activeren/deactiveren een displaymelding op het instrumentenpaneel. Bij het heractiveren van BLIS brandt het lampje in de knop, verschijnt er een nieuwe displaymelding en lichten de controlelampjes in de portieren 3 keer op. Druk op de knop OK om de displaymelding te laten verdwijnen. (Voor een beschrijving van de meldingsfuncties, zie pagina 212). 04 Wanneer BLIS werkt Knop voor activering/deactivering.
04 Bestuurdersondersteuning BLIS* – Blind Spot Information System Schoonmaken Melding BLIS werkt alleen optimaal, als de lenzen van de BLIS-camera’s schoon zijn. U kunt de lenzen schoonmaken met een zachte doek of een vochtige spons. Maak de lenzen voorzichtig schoon om krassen te voorkomen. BLIS Beperkte functie BELANGRIJK Displaymeldingen Betekenis BLIS AAN BLIS-systeem geactiveerd. BLIS Service vereist BLIS werkt niet – neem contact op met een werkplaats.
04 Bestuurdersondersteuning BLIS* – Blind Spot Information System 04 Eigen schaduwen op grote, lichtgekleurde en gladde oppervlakken zoals geluidsschermen of betonnen wegen. Laag staande zon in de camera. 208 * Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
04 Bestuurdersondersteuning 04 209
Menu- en meldingsfuncties................................................................... Menugroep MY CAR............................................................................. Klimaatregeling..................................................................................... Motor- en interieurverwarming op brandstof*....................................... Extra verwarming*................................................................................. Boordcomputer.............................
COMFORT EN RIJPLEZIER
05 Comfort en rijplezier Menu- en meldingsfuncties Instrumentenpaneel eerst bevestigen met de knop OK voordat u de menu’s kunt bekijken. Melding Menu-overzicht Voor sommige van de onderstaande menuopties dient de auto te zijn uitgerust met de bijbehorende functie en software. ---- km actieradius --.- l/100km gemiddeld --.- l/100km momentaan --- km/h gem. snelheid Informatiedisplay en bedieningselementen voor menufuncties. 05 212 Melding op informatiedisplay. Motoroliepeil Een ogenblik...
05 Comfort en rijplezier Menu- en meldingsfuncties N.B. Als er een waarschuwingsmelding verschijnt als de boordcomputer wordt gebruikt, moet de melding worden gelezen (druk op OK) voordat de eerdere activiteit kan worden hervat. Melding Betekenis Stop auto z.s.m.A Breng de auto tot stilstand en zet de motor af. Grote kans op schade – bezoek een werkplaatsB. Zet motor afA Breng de auto tot stilstand en zet de motor af. Grote kans op schade – bezoek een werkplaatsB.
05 Comfort en rijplezier Menu- en meldingsfuncties A 05 214 B C Melding Betekenis Tijdelijk UITA De bijbehorende functie is tijdelijk uitgeschakeld en wordt na enige tijd rijden of de volgende keer dat u de motor start automatisch opnieuw ingeschakeld. Accuspann. laag Spaarstand Het audiosysteem is uitgeschakeld om stroom te besparen. Laad de accu bij. Deel van een melding, verschijnt samen met gegevens over de locatie van de storing. Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
05 Comfort en rijplezier Menugroep MY CAR Algemene informatie over MY CAR In deze menugroep zijn tal van autofuncties te regelen, zoals het instellen van de klok, de buitenspiegels en de Bediening Bedieningselementen op middenconsole sloten. Navigatie in deze menu’s vindt plaats met knoppen op de middenconsole of met de toetsenset rechts op het stuurwiel.
05 Comfort en rijplezier Menugroep MY CAR Toetsenset* op stuurwiel Instellingen Auto-instellingen Slotinstellingen Deuren open Bestuurdersdeur: dan alle. Hier volgt een voorbeeld van de wijze waarop u een functie kunt opzoeken en aanpassen met de toetsenset op de middenconsole: 1. Druk op de knop MY CAR op de middenconsole. De toetsenset kan per markt verschillen. 05 Draai aan het duimwiel om een stap omhoog/omlaag te gaan door de menuopties. 3.
05 Comfort en rijplezier Menugroep MY CAR My V60 Bestuurdersondersteunende systemen Hier verschijnen de eerste 4 menuniveaus onder MY CAR Instellingen. Voor enkele menu’s bestaan submenu’s – deze worden in dat geval uitvoerig beschreven in het desbetreffende tekstgedeelte. Wanneer u kunt kiezen uit activering/Aan of deactivering/Uit van een bepaalde functie, verschijnt er een vakje: Aan: Aangevinkt vakje. Uit: Leeg vakje. • Kies Aan/Uit met OK – verlaat het menu vervolgens met EXIT.
05 Comfort en rijplezier Menugroep MY CAR Slotinstellingen Automatische vergrendeling p. 48, 58 en 62 Aan Instellingen zijspiegel p. 107 Tijdsduur 'follow me home'-verl. Spiegels inklappen Linkerspiegel hellen 30 sec. Rechterspiegel hellen 60 sec. Uit Lichtinstellingen Deuren open Bestuurdersdeur: dan alle Instappen zonder sleutel Willekeurige deur Vragen bij uitstappen Aan Uit Uit Tijdsduur 'approach'verl. p. 64 en 69 Uit 30 sec. 60 sec. 90 sec.
05 Comfort en rijplezier Menugroep MY CAR Actieve bochtverlichting p. 94 Aan Uit Botswaarschuwing p. 182 Aan Aan Uit Uit Waarschuwingsafstand Extra koplampen p. 95 City Safety Lang Aan Normaal Uit Kort Aan p. 336 Waarschuwt bij lage bandenspanning Bandenspanning kalibreren Stuurkracht Laag Midden Hoog Auto-instellingen resetten Van alle menu’s onder Autoinstellingen worden de fabrieksinstellingen hervat. Rij-assistentiesystemen p. 240 p.
05 Comfort en rijplezier Menugroep MY CAR Tijdopmaak Volumes Aan Volume mededelingen 24u Uit Volume voor parkeerhulp vóór Aan Bij markering van deze optie verschijnt uitleg bij de actuele schermweergave. Uit Afstands-/ verbruikseenheid Bij selectie van deze optie wordt de schermweergave automatisch vervangen door een leeg scherm, wanneer u enige tijd geen schermfunctie gebruikt.
05 Comfort en rijplezier Menugroep MY CAR Lijst van spraakcommando's Telefooncommando's Telefoon Telefoon kies contact Telefoon kies nummer Navigatiecommando's Navigatie Bluetooth-aansluiting. Voor meer (gedetailleerde) informatie, zie pagina 278. De menu-opties onder Navigatiecommando's geven enkele voorbeelden van de beschikbare gesproken commando’s – alleen in combinatie met Volvo’s navigatiesysteem RTI* geïnstalleerd.
05 Comfort en rijplezier Menugroep MY CAR Volume mededelingen Klimaatinstellingen Er verschijnt een volumeregeling op het scherm – doe in dat geval het volgende: Autom. ventilatorinstellingen Hoog Laag 2. Met OK kunt u bij wijze van proef een stukje beluisteren. Timer voor hercirculatie 3. Met EXIT kunt u de instelling opslaan en het menu verlaten. Aan p. 46 VIN-nummer p. 386 DivX® VOD-code p. 270 Bluetooth-softwareversie in auto p. 277 Kaart- en softwareversie* Aut.
05 Comfort en rijplezier Klimaatregeling Algemeen Klimaatregeling De auto is voorzien van elektronische klimaatregeling. De klimaatregeling zorgt ervoor dat de lucht in het interieur gekoeld, verwarmd of van vocht ontdaan wordt. N.B. U kunt de airconditioning (AC) uitschakelen, maar voor optimaal klimaatcomfort in de passagiersruimte en om te voorkomen dat de ruiten beslaan dient u de airconditioning altijd te laten aanstaan. Positie van de sensoren • De zonnesensor zit boven op het dashboard.
05 Comfort en rijplezier Klimaatregeling regelmatig vervangen. Raadpleeg het Serviceprogramma van Volvo voor het aanbevolen vervangingsinterval. In zeer sterk verontreinigde gebieden moet u het filter mogelijk vaker vervangen. in de passagiersruimte ontdoet van verontreinigingen in de vorm van stofdeeltjes, koolwaterstoffen, stikstofoxiden en laaghangend ozon. N.B. N.B. Er bestaan twee verschillende soorten interieurfilters. Let erop dat u het juiste filter aanbrengt.
05 Comfort en rijplezier Klimaatregeling Luchtverdeling De binnenkomende lucht wordt verdeeld over uiteenlopende blaasmonden verspreid over het interieur. In de stand AUTO* vindt de luchtverdeling geheel automatisch plaats. De luchtverdeling valt zo nodig handmatig bij te regelen, zie pagina 232.
05 Comfort en rijplezier Klimaatregeling Elektronische klimaatregeling, ECC* 05 Temperatuurregeling, linkerzijde Luchtverdeling - blaasmond dashboard Temperatuurregeling, rechterzijde Elektrisch verwarmde voorstoel, links Luchtverdeling - ontwaseming voorruit Recirculatie Max. ontwaseming Elektrische achterruit- en buitenspiegelverwarming, zie pagina 108 AUTO Ventilator Luchtverdeling - ventilatie vloer 226 * Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
05 Comfort en rijplezier Klimaatregeling Elektronische temperatuurregeling, ETC 05 Ventilator Elektrisch verwarmde voorstoel, rechts Elektrisch verwarmde voorstoel, links Temperatuurregeling AC – Airconditioning aan/uit Max.
05 Comfort en rijplezier Klimaatregeling Gebruik bedieningselementen Elektrisch verwarmde stoelen/ achterbank* Voorstoelen Tweemaal op de knop drukken levert een lager verwarmingsniveau op – op het beeldscherm branden twee oranje lampjes. Achterbank2 Driemaal op de knop drukken levert het laagste verwarmingsniveau op – op het beeldscherm brandt één oranje lampje. De vierde maal dat u op de knop drukt wordt de verwarming uitgeschakeld – geen van de lampjes brandt.
05 Comfort en rijplezier Klimaatregeling Ventilator Luchtverdeling N.B. Als de ventilator volledig uitgeschakeld is, start de airconditioning niet – wat kans op beslagen ruiten kan geven. Ventilatorknop voor ECC* Draai aan de knop om de ventilatorsnelheid te verhogen of te verlagen. De ventilatorsnelheid wordt automatisch geregeld, als u AUTO selecteert. De eerder ingestelde ventilatorsnelheid wordt dan gene- Luchtverdeling - ontwaseming voorruit Luchtverdeling - blaasmond dashboard geerd.
05 Comfort en rijplezier Klimaatregeling U kunt de ventilatorsnelheid in de automatische stand instellen in het menusysteem MY CAR onder Instellingen Klimaatinstellingen Autom. ventilatorinstellingen. Kies uit Laag, Normaal of Hoog : AC – Airconditioning AAN/UIT Wanneer het lampje in de knop AC brandt, wordt de airconditioning geheel automatisch geregeld. De binnenkomende lucht wordt dan automatisch afgekoeld en van vocht ontdaan. • Laag - Automatische ventilatorregeling.
05 Comfort en rijplezier Klimaatregeling Timer Bij een geactiveerde timerfunctie zal de klimaatregeling afhankelijk van de buitentemperatuur na een bepaalde tijd de handmatig geactiveerde recirculatiestand verlaten. Dit beperkt de kans op ijs, beslagen ruiten en een slechte luchtkwaliteit. U kunt de functie activeren/ deactiveren in het menusysteem MY CAR onder Instellingen Klimaatinstellingen Timer voor hercirculatie. Voor een beschrijving van het menusysteem, zie pagina 216. N.B.
05 Comfort en rijplezier Klimaatregeling Luchtverdelingstabel 05 232 Luchtverdeling Toepassing Luchtverdeling Toepassing Lucht naar de ruiten. Er komt een bepaalde hoeveelheid lucht uit de blaasmonden. De lucht wordt niet gerecirculeerd. De airconditioning is altijd ingeschakeld. om snel te ontdooien en te ontwasemen. Lucht naar de vloer en de ruiten. Er komt een bepaalde hoeveelheid lucht uit de blaasmonden in het dashboard.
05 Comfort en rijplezier Motor- en interieurverwarming op brandstof* Verwarming op brandstof Tanken Als de accu onvoldoende opgeladen is of als het brandstofpeil te laag is, wordt de standverwarming automatisch uitgeschakeld en er verschijnt een melding op het display. Bevestig deze melding door op de knop OK op de richtingaanwijzerhendel te drukken, zie pagina 234.
05 Comfort en rijplezier Motor- en interieurverwarming op brandstof* N.B. Lampj e Duimwiel G025102 Knop OK 05 Lampjes en displaymeldingen Wanneer u de instellingen van een van de timers of Directe start activeert, gaat het informatielampje op het instrumentenpaneel branden en op het informatiedisplay verschijnen een verklarende melding plus een ander brandend lampje. In de onderstaande tabel staan de voorkomende lampjes en displaymeldingen. 234 * Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
05 Comfort en rijplezier Motor- en interieurverwarming op brandstof* Een displaymelding verdwijnt automatisch na enige tijd. U kunt een melding ook eerder laten verdwijnen met een druk op de knop OK van de richtingaanwijzerhendel. Meteen inschakelen/uitschakelen 1. Gebruik het duimwiel om naar Directe start Standverw. te gaan. 2. Druk op RESET om te kiezen uit AAN en UIT. AAN: De standverwarming is handmatig of via de timerfunctie ingeschakeld.
05 Comfort en rijplezier Motor- en interieurverwarming op brandstof* N.B. Als u de klok van de auto bijstelt, worden eventuele timerinstellingen gewist. 05 236 * Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
05 Comfort en rijplezier Extra verwarming* Algemene informatie over de extra verwarming Interieurverwarming* Als de extra verwarming wordt uitgebreid met een timerfunctie, kan deze dienstdoen als interieurverwarming op brandstof, zie pagina 233. In landen met een koud klimaat1 is wellicht een extra verwarming vereist om de motor op bedrijfstemperatuur te brengen en een behaaglijke temperatuur in de passagiersruimte te realiseren.
05 Comfort en rijplezier Boordcomputer Algemeen Functies N.B. Als er een waarschuwingsmelding verschijnt tijdens het gebruik van de boordcomputer, dient u deze melding eerst te bevestigen voordat u de boordcomputer weer kunt activeren. Bevestig de waarschuwingsmelding door te drukken op OK. Informatiedisplay en bedieningstoetsen. 05 OK – bevestigen. Duimwiel – menu’s en opties binnen de cruisecontrol-lijst doorbladeren. RESET – op nul stellen.
05 Comfort en rijplezier Boordcomputer 2. Houd RESET ca. 1 seconde ingedrukt om de waarde voor de gekozen functie op nul te stellen. Als u RESET ten minste 3 seconden lang ingedrukt houdt, stelt u de gemiddelde snelheid en het gemiddelde brandstofverbruik gelijktijdig op nul. Actuele snelheid*1 Bij een snelheidsmeter met een kilometerschaal wordt overgeschakeld op weergave van de actuele snelheid in mph (miles per hour).
05 Comfort en rijplezier Rijeigenschappen aanpassen Actieve chassisregeling, Four-C* Bediening Het actieve chassissysteem FOUR-C (Continously Controlled Chassis Concept) stemt de eigenschappen van de schokdempers af op de gewenste rijeigenschappen van de auto. U hebt de keuze uit drie standen: Comfort, Sport en Advanced. Voor een beschrijving van het menusysteem, zie pagina 215. Dit menu is niet te openen wanneer de auto rijdt.
05 Comfort en rijplezier Interieurcomfort Opbergmogelijkheden 05 `` 241
05 Comfort en rijplezier Interieurcomfort Opbergvak in portierpaneel Middenconsole Dashboardkastje Opbergzak* aan de voorkant van de voorstoelzittingen Parkeerkaarthouder Dashboardkastje Opbergvak Kledinghaak Opbergvakken, bekerhouder Bekerhouder* in armsteun, achterbank Opbergvak 05 Kledinghaak De kledinghaak is alleen bestemd voor niet al te zware kledingsstukken. WAARSCHUWING Bewaar losse voorwerpen, zoals een mobiele telefoon, camera, afstandsbediening voor extra uitrusting e.d.
05 Comfort en rijplezier Interieurcomfort Make-upspiegel 12V-aansluiting mediaspelers of mobiele telefoons. De transpondersleutel moet ten minste in sleutelstand I staan, anders geeft de aansluiting geen stroom, zie pagina 82. WAARSCHUWING Laat de plug altijd in de aansluiting zitten als u deze niet gebruikt. N.B. Make-upspiegel met verlichting. 12V-aansluiting in middenconsole, voorin. Het lampje gaat automatisch aan, wanneer u het klepje optilt.
05 Comfort en rijplezier Interieurcomfort BELANGRIJK U kunt maximaal 10 A (120 W) via de aansluiting afnemen bij gebruik van één aansluiting tegelijk. Bij gelijktijdig gebruik van de beide aansluitingen in de tunnelconsole geldt een waarde van 7,5 A (90 W) per aansluiting. Als de compressor voor bandenreparatie op een van de beide aansluitingen is aangesloten, mag er op de andere aansluiting geen stroomverbruiker aangesloten zijn. N.B.
05 Comfort en rijplezier 05 245
Algemene informatie over infotainment................................................ Radio..................................................................................................... Mediaspeler.......................................................................................... Externe geluidsbron via AUX/USB*-ingang.......................................... 248 259 267 272 Media Bluetooth* ................................................................................
INFOTAINMENT
06 Infotainment Algemene informatie over infotainment Algemeen Het infotainmentsysteem bestaat uit een radio, mediaspeler, tv* en een functie voor communicatie met een mobiele telefoon*. De informatie verschijnt op een kleurenscherm van 5 of 7 inch* boven aan de middenconsole. De functies zijn te bedienen via knoppen op het stuurwiel, op de middenconsole onder het kleurenscherm of via een afstandsbediening*. Een mobiele telefoon is in bepaalde gevallen ook via spraakherkenning te bedienen.
06 Infotainment Algemene informatie over infotainment Overzicht Installatie bedienen SOUND - indrukken op de audio-instellingen (lage tonen, hoge tonen e.d.) te openen. Voor meer informatie, zie pagina 254. VOL - eraan draaien om het volume te verhogen of te verlagen. ON/OFF/MUTE - Bij kort indrukken wordt de installatie ingeschakeld en bij lang indrukken (totdat het scherm zwart wordt) vindt uitschakeling plaats. Let erop dat het complete Sensus-systeem (incl.
06 Infotainment Algemene informatie over infotainment TUNE - eraan draaien om tracks/mappen, radio- en tv*-zenders, telefooncontacten* door te bladeren of de opties op het beeldscherm. EXIT - kort indrukken om omhoog te gaan in het menusysteem, een actieve functie te annuleren, telefoongesprekken te beëindigen/ weigeren of ingevoerde tekens te wissen.
06 Infotainment Algemene informatie over infotainment (voor mobiele telefoons met Bluetoothaansluiting en het navigatiesysteem*). Toetsenset zonder duimwiel Hoofdbronweergave Lang indrukken van EXIT op de toetsenset* op het stuurwiel voert naar de normaalweergave. Als u in de normaalweergave lang op EXIT drukt, beschikt u over dezelfde hoofdbronknoppen als die op de middenconsole: NAV - Volvo’s navigatiesysteem (RTI)*, wordt in een apart instructieboekje besproken.
06 Infotainment Algemene informatie over infotainment Menufuncties 06 Het voorbeeld geeft aan hoe u de verschillende functies bereikt tijdens het afspelen van een schijf.
06 Infotainment Algemene informatie over infotainment Kies een hoofdbron door te drukken op een hoofdbronknop (1) (RADIO, MEDIA, TEL). Gebruik om door de menu’s van de hoofdbron te bladeren de knoppen TUNE, OK/MENU of EXIT. Gebruik TUNE om door het menu te bladeren, kies de gemarkeerde menuregel met OK/ MENU of ga een stap terug met EXIT. In sommige gevallen kunt u een sneltoetsenmenu openen door op de hoofdbronknop (1) van de actieve bron te drukken. Voor Menu-overzicht, zie pagina 255. N.B.
06 Infotainment Algemene informatie over infotainment 2. Kies een frequentieband of bron (AM, Disk, etc.). 3. Houd de toets FAV ingedrukt totdat het ‘favorietenmenu’ verschijnt. 4. Draai aan TUNE om een alternatief op de lijst te kiezen en druk op OK/MENU om het op te slaan. > Wanneer de hoofdbron (bijvoorbeeld RADIO, MEDIA) actief is, is met een korte druk op FAV de opgeslagen functie te activeren. geval verschijnt op het beeldscherm.
06 Infotainment Algemene informatie over infotainment giers. Als er zowel voor- als achterin passagiers zitten wordt de optie beide voorstoelen geadviseerd. De opties zijn te kiezen onder Klankpodium. Audio-instellingen Voor algemene informatie over menufuncties en menusystemen, zie pagina 252 en het menu-overzicht, zie pagina 255.
06 Infotainment Algemene informatie over infotainment Equalizer15 Hoofdmenu DAB1*/DAB2* Volumecompensatie DAB-menu Alle audio-instellingen resetten Ensemble programmeren PTY-filter PTY-filter uitschakelen Hoofdmenu FM1/FM2 Radiotekst tonen FM-menu TP Presets tonen12 Radiotekst tonen Scan Presets tonen12 Geavanceerde instellingen 06 DAB-verbinding Nieuws-instellingen DAB-band Geavanceerde instellingen Subkanalen Alternatieve frequentie Willekeurige weergave Volgende titel Volgende audio
06 Infotainment Algemene informatie over infotainment Geavanceerde instellingen Hoek Scan Audio-instellingen Autostore 16 DivX® VOD-code Audio-instellingen 16 Hoofdmenu Media Bluetooth15 Bluetooth-menu Hoofdmenu iPod15 Willekeurig iPod-menu Ander apparaat Scan Audio-instellingen 16 Pop-upmenu17 video en tv* Druk op OK/MENU terwijl u een videobestand afspeelt of tv* kijkt om het pop-upmenu te openen.
06 Infotainment Algemene informatie over infotainment Gekozen nummers Gespreksduur Telefoonboek Zoeken Nieuw contact Verkorte nummers vCard ontvangen Geheugenstatus Telefoonboek wissen Telefoon wijzigen Bluetooth-apparaat verwijderen Telefooninstellingen Herkenbaar Geluiden en volume 06 Telefoonboek downloaden Bluetooth-softwareversie in auto Bel-opties Automatisch opnemen Voicemailnummer Telefoon uit 258
06 Infotainment Radio Algemeen N.B. Als de auto is uitgerust met een toetsenset* op het stuurwiel en/of een afstandsbediening*, kunt u deze meestal gebruiken in plaats van de toetsen op de middenconsole. Voor een beschrijving van de toetsenset op het stuurwiel, zie zie pagina 250. Voor een beschrijving van de afstandsbediening, zie pagina 296. Menufuncties Middenconsole, bedieningselementen voor radiofuncties. De toets RADIO voor het kiezen van frequentieband (AM, FM1, FM2, DAB1*, DAB2*).
06 Infotainment Radio Om de lijst te openen en een zender te kiezen: 1. Kies de gewenste frequentieband (FM1 of FM2). 2. Draai TUNE één stap links- of rechtsom. Er verschijnt dan een lijst met alle beschikbare zenders in het gebied waar u zich bevindt. De zender waarop is afgestemd staat met een groter lettertype in de lijst gemarkeerd. 3. Draai TUNE weer links- of rechtsom om een zender in de lijst te kiezen. 4. Bevestig uw keuze met OK/MENU. 06 N.B.
06 Infotainment Radio N.B. Weergave van de zenderlijst met de best doorkomende signalen in het huidige gebied behoort tot de fabriekinstellingen van de radio (zie het eerdere gedeelte “Zenderlijst”). Als u echter bent overgestapt op het handmatig zoeken van zenders (door te drukken op de toets van de middenconsole toen de zenderlijst getoond werd), is de volgende keer dat u de radio inschakelt de functie voor het handmatig zoeken van zenders opnieuw actief.
06 Infotainment Radio te hervatten en druk op OK/MENU om de melding te verwijderen. Alarm De functie wordt gebruikt om de bevolking attent te maken op ernstige ongelukken of calamiteiten. U kunt de functie alarm niet tijdelijk onderbreken of deactiveren. De melding ALARM! verschijnt op het beeldscherm, wanneer er een alarmmelding wordt verzonden. bepalend voor de vraag of de weergave van de actieve geluidsbron kan worden onderbroken voor uitzendingen van een bepaald programmatype.
06 Infotainment Radio menu Geavanceerde instellingen PTY-instellingen PTY kiezen. 2. Vervolgens dient u de PTY-functie te activeren onder FM-menu Geavanceerde instellingen PTY-instellingen Verkeersinfo van andere zenders ontvangen. Er verschijnt een indicatie op het beeldscherm wanneer PTY geactiveerd is. U deactiveert de PTY-functie in stand FM onder FM-menu Geavanceerde instellingen PTY-instellingen Verkeersinfo van andere zenders ontvangen. De gekozen programmatypes (PTY) worden niet gereset.
06 Infotainment Radio – Reset in de stand FM onder FM-menu Geavanceerde instellingen Alle FMinstellingen resetten. Volumeregeling programmatypes De onderbrekende uitzendingen van het gekozen programmatype (bijvoorbeeld NEWS of TP) worden weergegeven op het volume dat voor het programmatype is gekozen. Als u het volume tijdens de onderbreking bijregelt, wordt het nieuwe volume opgeslagen voor een volgende onderbreking.
06 Infotainment Radio ders. Wanneer er een zender is gevonden, wordt deze ca. 10 seconden lang weergegeven voordat de zoekfunctie wordt voortgezet. Bij het beluisteren van een zender is de zender op de normale manier op te slaan als een van de voorkeuren. Voor meer informatie over voorkeuren, zie ‘Voorkeuren’ hieronder. U kiest een programmatype in stand DAB onder DAB-menu PTY-filter .
06 Infotainment Radio Geavanceerde instellingen DAB naar DAB link ‘DAB naar DAB link’ houdt in dat de DAB-radio van een kanaal dat slecht of helemaal niet te ontvangen is kan overschakelen op hetzelfde kanaal in een andere kanaalgroep met een betere ontvangst. Bij het veranderen van kanaalgroep kan enige vertraging in de geluidsweergave optreden. Vanaf het moment dat het huidige kanaal verdwijnt en het nieuwe kanaal toegankelijk wordt kan het geluid dan ook enige tijd stilvallen.
06 Infotainment Mediaspeler CD/DVD1-functies Uw keuze bevestigen of het menu voor de gekozen mediabron openen door te drukken op OK/MENU. Disctrack voor-/achteruitspoelen en van disctrack of hoofdstuk2 veranderen. De mediaspeler ondersteunt de volgende soorten discs en bestanden en kan deze met andere woorden afspelen: • Voorbespeelde cd-discs (CD Audio). • Zelfgebrande cd’s met audio- en/of videobestanden1. Bedieningspaneel op middenconsole.
06 Infotainment Mediaspeler Pauze Als het volume wordt uitgedraaid of MUTE wordt ingedrukt, pauzeert de mediaspeler. Als het volume wordt verhoogd of MUTE nogmaals wordt ingedrukt, start de mediaspeler weer. U kunt tevens pauzeren via het menusysteem3: druk op OK/MENU en kies Play/pause. Afspelen en navigeren Audio-cd’s Draai aan TUNE om de speellijst van de disc te bekijken en door de lijst te navigeren. Met OK/ MENU wordt de trackkeuze bevestigd en de weergave gestart.
06 Infotainment Mediaspeler toets weer los om de video weer op normale snelheid weer te geven. 3. Druk op OK/MENU om de functie te activeren/deactiveren. Scannen5 Bij activering van deze functie worden van alle disctracks/audiobestanden de eerste tien seconden weergegeven. Om te scannen: Wisselen van disctrack/audiobestand is mogelijk door te drukken op / op de middenconsole of op de toetsenset* op het stuurwiel. 1. Druk op OK/MENU Map herhalen6 2.
06 Infotainment Mediaspeler Van hoofdstuk of titel veranderen Draai aan TUNE om de lijst met hoofdstukken te openen en erin te navigeren (bij het afspelen van een film wordt de film gepauzeerd). Druk op OK/MENU om een hoofdstuk te kiezen en terug te keren naar de uitgangspositie (als eerder een film werd afgespeeld, wordt deze film voortgezet). Druk op EXIT om de titellijst te openen.
06 Infotainment Mediaspeler A B C AudioformatenA CD-Audio, mp3, wma AudioformatenB CD-Audio, mp3, wma, aac, m4a VideoformatenC CD-Video, DVD-Video, divx, avi, asf Geldt voor Performance. Geldt niet voor Performance. Geldt alleen voor High Performance Multimedia en Premium Sound Multimedia.
06 Infotainment Externe geluidsbron via AUX/USB*-ingang Algemeen N.B. Als de auto is uitgerust met een toetsenset* op het stuurwiel en/of een afstandsbediening*, kunt u deze meestal gebruiken in plaats van de toetsen op de middenconsole. Voor een beschrijving van de toetsenset op het stuurwiel, zie zie pagina 250. Voor een beschrijving van de afstandsbediening, zie pagina 296. Aansluitingspunten voor externe geluidsbronnen.
06 Infotainment Externe geluidsbron via AUX/USB*-ingang Afspelen en navigeren2 Draai aan TUNE om de speellijst/mapstructuur te openen en door de lijst/structuur te navigeren. Met OK/MENU wordt de gekozen submap bevestigd of de weergave van het gekozen audio-/videobestand gestart. Druk op EXIT om te annuleren en de speellijst te verlaten of een stap omhoog (terug) te zetten in de mapstructuur. Lang indrukken van EXIT voert u naar het hoofdniveau van de speellijst.
06 Infotainment Externe geluidsbron via AUX/USB*-ingang N.B. Het systeem biedt ondersteuning voor draagbare media die werken met USB 2.0 en het bestandssysteem FAT32 en kan 1000 mappen aan met maximaal 254 submappen/bestanden in elke map. Een uitzondering daarop vormt het hoogste niveau, dat tot 1000 submappen/bestanden kan bevatten. USB Removable device/Mass Storage Device te staan. iPod Een iPod wordt middels de aansluitkabel bijgeladen en gevoed door de USB-aansluiting*. N.B.
06 Infotainment Media Bluetooth* Algemeen De mediaspeler in de auto is uitgerust met Bluetooth1 en kan draadloos ‘streaming audio’-bestanden afspelen op externe eenheden met Bluetooth zoals mobiele telefoons en laptops. Navigatie en regeling van het geluid zijn in dat geval te verrichten via de toetsen op de middenconsole of via de toetsenset* op het stuurwiel. Bij sommige externe eenheden is het ook mogelijk op de eenheid zelf van track te wisselen.
06 Infotainment Media Bluetooth* EXIT – Omhoog in het menusysteem, annuleert de actuele functie. Bij kort indrukken loopt u de audiobestanden door. Bij lang indrukken spoelt u de audiobestanden voor- of achteruit. N.B. Als de auto is uitgerust met een toetsenset* op het stuurwiel en/of een afstandsbediening*, kunt u deze meestal gebruiken in plaats van de toetsen op de middenconsole. Voor een beschrijving van de toetsenset op het stuurwiel, zie zie pagina 250.
06 Infotainment Media Bluetooth* Willekeurige afspeelvolgorde2 Versie-informatie Bluetooth Bij activering van deze functie worden de audiobestanden op de externe eenheid in willekeurige volgorde afgespeeld. Activeer/deactiveer de willekeurige afspeelvolgorde in stand Bluetooth onder Bluetooth-menu Willekeurige weergave. De actuele Bluetooth-versie van de auto is in stand Bluetooth te bekijken onder Bluetoothmenu Bluetooth-softwareversie in auto.
06 Infotainment Bluetooth-handsfree* Algemeen Overzicht Een mobiele telefoon met Bluetooth is draadloos aan te sluiten op het infotainmentsysteem1. Het infotainmentsysteem werkt dan als handsfree en biedt u de mogelijkheid om enkele functies van uw mobiele telefoon op afstand te bedienen. De microfoon waarvan het systeem gebruik maakt zit bij de zonneklep (2) aan bestuurderszijde. U kunt de mobiele telefoon via de knoppen op de telefoon bedienen of de telefoon nu aangesloten is of niet.
06 Infotainment Bluetooth-handsfree* Beantwoord inkomende gesprekken, bevestig uw keuze of open het telefoonmenu door te drukken op OK/MENU. EXIT - Telefoongesprekken beëindigen/ weigeren, ingevoerde tekens wissen, omhoog in het menusysteem en actieve functie annuleren. N.B. Als de auto is uitgerust met een toetsenset* op het stuurwiel en/of een afstandsbediening*, kunt u deze meestal gebruiken in plaats van de toetsen op de middenconsole.
06 Infotainment Bluetooth-handsfree* te kiezen en bevestig uw keuze met OK/ MENU. 6. Voer via het toetsenblok van de te registreren mobiele telefoon de cijfercode (pincode) in die op het beeldscherm van de auto staat en druk op de toets van de mobiele telefoon waarmee u uw keuze bevestigt. De externe eenheid wordt vervolgens aangesloten op de auto en kan via de auto worden bediend. Als het aansluiten van een telefoon mislukt: Druk op EXIT en sluit aan volgens alternatief 2. 6.
06 Infotainment Bluetooth-handsfree* Bellen 1. Zorg dat het lampje boven aan het beeldscherm staat en dat de handsfreefunctie in de telefoonstand staat. 2. Voer ofwel het gewenste nummer of snelnummer in, zie pagina 286. Of draai in de normaalweergave TUNE rechtsom voor toegang tot het telefoonboek of linksom voor de gesprekslijst met alle gesprekken. Voor informatie over het telefoonboek, zie pagina 282. 3. Druk op OK/MENU. U beëindigt het gesprek met EXIT.
06 Infotainment Bluetooth-handsfree* TUNE linksom om de gesprekslijst voor Alle gesprekken te zien. Audio-instellingen In de telefoonstand zijn onder Telefoonmenu Bellijst alle gesprekslijsten te zien: Het gespreksvolume is alleen tijdens een gesprek te wijzigen. Gebruik de toetsenset* op het stuurwiel of draai aan de knop VOL.
06 Infotainment Bluetooth-handsfree* sonen opgeslagen, onafhankelijk van de vraag welke telefoon er tijdens de opslag aangesloten. Deze contactpersonen zijn zichtbaar voor alle gebruikers, ongeacht de telefoon die aan de auto gekoppeld is. Als een contactpersoon opgeslagen is in het telefoonboek van de auto, verschijnt vóór deze contactperhet symbool soon. N.B.
06 Infotainment Bluetooth-handsfree* Toets Functie Contactpersonen zoeken N.B. Bij de uitvoering High Performance ontbreekt het tekstwiel, zodat u TUNE niet kunt gebruiken voor de invoer van tekens maar aangewezen bent op de cijfer- en lettertoetsen op het bedieningspaneel van de middenconsole. WXYZ9 Wisselen tussen hoofdletters en kleine letters. +0pw #* Contactpersonen zoeken met het tekstwiel.
06 Infotainment Bluetooth-handsfree* 123/ ABC Met OK/MENU kunt u wisselen tussen cijfers en letters. Overige Met OK/MENU kunt u overschakelen op de invoer van speciale tekens. Nieuw contact Opent het telefoonboek (3). Draai aan TUNE om een contactpersoon te kiezen en druk op OK/ MENU om opgeslagen nummers en overige informatie te bekijken. Bij kort indrukken van EXIT wist u het laatst ingevoerde teken. Bij lang indrukken van EXIT wist u alle ingevoerde tekens.
06 Infotainment Bluetooth-handsfree* Kies, wanneer u de volledige naam ingevoerd hebt, OK in de lijst op het beeldscherm (1) en druk op OK/MENU. Voer vervolgens het telefoonnummer in op hierboven beschreven manier. Druk wanneer u het telefoonnummer hebt ingevoerd op OK/MENU en geef het type telefoonnummer aan (GSM, Home, Werk of Algemeen). Druk ter bevestiging op OK/ MENU. Kies, wanneer alle gegevens ingevoerd zijn, Contact opslaan in het menu om de contactpersoon op te slaan.
06 Infotainment Bluetooth-handsfree* Versie-informatie Bluetooth De actuele Bluetooth-versie van de auto is in de telefoonstand te bekijken onder Telefoonmenu Telefooninstellingen Bluetooth-softwareversie in auto. 06 * Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
06 Infotainment Spraakherkenning* mobiele telefoon Algemeen De spraakherkenningsfunctie1 van het infotainmentsysteem biedt u de mogelijkheid om bepaalde functies van een mobiele telefoon met Bluetooth-aansluiting of van Volvo’s navigatiesysteem, RTI (Road and Traffic Information System) met uw stem te bedienen. N.B. • • 06 1 288 In dit gedeelte staat aangegeven hoe u gesproken commando’s kunt gebruiken om een mobiele telefoon met Bluetooth-aansluiting te bedienen.
06 Infotainment Spraakherkenning* mobiele telefoon commando’s op het beeldscherm van de middenconsole. Beknopte bedieningsinstructies Let op het volgende bij het gebruik van de spraakherkenningsfunctie: • Spreek bij het geven van commando’s na de toon, met normale stem in een normaal tempo. • Wacht met spreken, totdat het systeem klaar is met antwoorden (zolang het systeem antwoordt, werkt de spraakherkenning namelijk niet). • Houd portieren, zijruiten en schuifdak* dicht. Toetsenset op stuurwiel.
06 Infotainment Spraakherkenning* mobiele telefoon De instructie is opgesplitst in 3 lessen, die in totaal zo’n 5 minuten duren. De functie start met de eerste les. Om een les over te slaan en naar de volgende te gaan, kunt u op de knop voor spraakherkenning drukken en “Volgende” zeggen. U kunt teruggaan naar de vorige les door “Vorige” te zeggen. Beëindig de instructie door de knop voor spraakherkenning lang in te drukken. Stemtraining U krijgt tot vijftien zinnen te zien die u moet inspreken.
06 Infotainment Spraakherkenning* mobiele telefoon Systeemreactie Contactpersoon bellen Nummer? Met het onderstaande dialoog kunt u de geprogrammeerde contactpersonen in uw mobiele telefoon bellen. Gebruikersreactie Noem de cijfers (eenheden zoals zes-achtzeven enz.) van het telefoonnummer. Als u meerdere cijfers noemt en vervolgens pauzeert, zal het systeem ze herhalen en vervolgens “Doorgaan” zeggen. Noem de rest van de cijfers. Sluit wanneer u klaar bent het commando af door “Bel” te zeggen.
06 Infotainment TV - instelling* Algemeen N.B. Dit systeem ondersteunt alleen tv-signalen in die landen die in mpeg2-formaat uitzenden volgens de DVB-T-standaard. Het systeem biedt geen ondersteuning voor tv-signalen in mpeg-4-formaat of analoge tv-signalen. N.B. Tv-weergave is uitsluitend mogelijk wanneer de auto stilstaat. Wanneer de auto sneller rijdt dan ca. 6 km/h, verschijnt er geen beeld en staat Geen visuele media tijdens het rijden op het beeldscherm. Het geluid wordt echter wel weergegeven.
06 Infotainment TV - instelling* N.B. Als de auto is uitgerust met een toetsenset* op het stuurwiel en/of een afstandsbediening*, kunt u deze meestal gebruiken in plaats van de toetsen op de middenconsole. Voor een beschrijving van de toetsenset op het stuurwiel, zie zie pagina 250. Voor een beschrijving van de afstandsbediening, zie pagina 296. Tv kijken – Druk op MEDIA, draai aan TUNE totdat TV op het beeldscherm verschijnt en druk op OK/MENU.
06 Infotainment TV - instelling* Het zoeken en vastleggen van voorkeuren kan worden geannuleerd met EXIT. Voorkeur kijker De voorkeurslijst is te bewerken. U kunt de volgorde van de kanalen in de voorkeurslijst wijzigen. Een tv-kanaal kan op meerdere plaatsen in de voorkeurslijst voorkomen. De onderlinge positie van de tv-kanalen in de lijst kan bovendien variëren. Om de volgorde binnen de lijst met voorkeuren te wijzigen dient u in stand TV te gaan naar TVmenu Presets sorteren. 1.
06 Infotainment TV - instelling* Informatie over actueel programma Druk op de toets INFO om informatie te bekijken over het actuele programma, het volgende programma alsmede het starttijdstip. Wanneer u nogmaals op de toets INFO drukt, valt soms meer informatie over het actuele programma te bekijken (zoals de tijd dat het begint en eindigt) alsmede een korte beschrijving van het actuele programma te lezen. Voor meer informatie over de toets INFO, zie pagina 249.
06 Infotainment Afstandsbediening* Algemeen* De afstandsbediening is te gebruiken voor alle functies van het infotainmentsysteem. De toetsen op de afstandsbediening hebben dezelfde functies als de overeenkomstige toetsen op de middenconsole of de toetsenset* op het stuurwiel. Druk bij gebruik van de afstandsbediening de knop op de afstandsbediening in stand F. Richt de afstandsbediening vervolgens op de IR-ontvanger, die rechts van de knop INFO (zie pagina 249) op de middenconsole zit.
06 Infotainment Afstandsbediening* Toets Functie Functie Omhoog/omlaag Ondertiteling, ondertitelingstaal kiezen Naar rechts/links Teletekst*, aan/uit Keuze bevestigen of menusysteem voor gekozen bron openen Volume verlagen Volume verhogen 0–9 Toets Voorkeurskanalen kiezen, cijfers/ letters invoeren Batterijen in afstandsbediening vervangen N.B. De batterijen gaan normaal 1–4 jaar mee, afhankelijk van het gebruik van de afstandsbediening. 1.
Rijadviezen............................................................................................ Tanken.................................................................................................. Brandstof.............................................................................................. Lading vervoeren.................................................................................. Bagageruimte........................................................................................
TIJDENS HET RIJDEN
07 Tijdens het rijden Rijadviezen Algemeen Zie pagina 12 en 400 voor meer informatie en meer tips. Zuinig rijden Zuinig rijden houdt in dat u anticiperend en rustig rijdt, en uw rijstijl en snelheid afstemt op de verkeerssituatie. WAARSCHUWING Zet de motor nooit af tijdens het rijden (zoals op een aflopende helling), omdat daarbij belangrijke systemen zoals de stuur- en rembekrachtiging wegvallen.
07 Tijdens het rijden Rijadviezen mogelijk tot stilstand en laat de motor enkele minuten stationair lopen zodat deze kan afkoelen. Geopende achterklep WAARSCHUWING • Als de displaymelding Motortemp. hoog • • • Zet motor af of Koelvl.peil laag Zet motor af verschijnt, dient u nadat de auto tot stilstand is gekomen ook de motor af te zetten.
07 Tijdens het rijden Rijadviezen tegen vorst is het zaak geen verschillende soorten glycol met elkaar te mengen. • Houd de tank altijd goed gevuld om condens in de brandstoftank tegen te gaan. N.B. In sommige landen is het gebruik van winterbanden verplicht. Banden met spikes zijn niet in alle landen toegestaan. • De viscositeit van de motorolie is belangrijk.
07 Tijdens het rijden Tanken Tanken Tankvulklep handmatig openen Tankdop open-/dichtdraaien Tankvulklep openen/sluiten Open de tankvulklep met de knop op het verlichtingspaneel – bij het loslaten van de knop springt de klep open. De pijl van het symbool op het informatiedisplay geeft de kant van de auto aan waar de tankdop zit. • Sluit de klep door deze dusdanig in te drukken dat u een klik hoort.
07 Tijdens het rijden Brandstof Algemene informatie over brandstof Gebruik geen brandstof met een slechtere kwaliteit dan Volvo adviseert, omdat dit een nadelige invloed kan hebben op het motorvermogen en het brandstofverbruik. WAARSCHUWING Zorg altijd dat u geen brandstofdampen inademt of brandstofspatten in de ogen krijgt. Bij brandstof in de ogen eventuele contactlenzen uitnemen en de ogen ten minste 15 minuten lang spoelen met een ruime hoeveelheid schoon water en medische hulp inroepen.
07 Tijdens het rijden Brandstof Benzine Bio-ethanol (E 85) Benzine dient te voldoen aan de norm NENEN 228. De meeste motoren kunnen op benzine met een octaangetal van 95 en 98 RON lopen. 91 RON mag alleen in uitzonderlijke gevallen worden gebruikt. Breng geen wijzigingen aan in het brandstofsysteem of de onderdelen daarvan en vervang ze evenmin door componenten die niet speciaal geconstrueerd zijn voor gebruik in combinatie met bio-ethanol. • 95 RON is te gebruiken in normale rijomstandigheden.
07 Tijdens het rijden Brandstof BELANGRIJK Het is alleen toegestaan brandstof te gebruiken die voldoet aan de Europese norm voor dieselolie. Het zwavelgehalte mag maximaal 50 ppm zijn. BELANGRIJK Maak geen gebruik van de volgende dieselolie-achtige brandstoffen: • • • • speciale toevoegingen (dopes) scheepsolie stookolie FAME1 (Fatty Acid Methyl Ester) of plantaardige olie.
07 Tijdens het rijden Brandstof De regeneratie van het filter vindt automatisch plaats en duurt normaal 10–20 minuten. Bij een lage gemiddelde snelheid kan dit iets langer duren. Gedurende de regeneratie kan het brandstofverbruik iets stijgen. Regeneratie bij koud weer Als u bij koud weer vaak korte afstanden rijdt, komt de motor onvoldoende op temperatuur. Dit betekent dat het roetfilter niet geregenereerd en niet geleegd wordt. Wanneer het filter voor ca.
07 Tijdens het rijden Lading vervoeren Algemene informatie over vervoer van lading • Dek scherpe randen met iets zachts af om Het laadvermogen is afhankelijk van het rijklaar gewicht van de auto. Het laadvermogen dient te worden verminderd met de som van het gewicht van eventuele inzittenden en dat van gemonteerde accessoires. Voor gedetailleerde informatie over de gewichten, zie pagina 389.
07 Tijdens het rijden Lading vervoeren • Controleer regelmatig of de lastdragers en Verankeringsogen Houder voor boodschappentassen* de lading goed vastzitten. Zet de lading stevig vast met sjorbanden. • Verdeel het gewicht van de lading gelijkmatig over de lastdragers. Leg de zwaarste voorwerpen onderop. • Naarmate u meer lading op het dak vervoert, vangt de auto meer wind en neemt het brandstofverbruik toe. • Rijd rustig.
07 Tijdens het rijden Lading vervoeren 12V-aansluiting* N.B. De compressor voor provisorische bandenreparatie is door Volvo getest en goedgekeurd. Voor informatie over het gebruik van de aanbevolen provisorische bandenreparatie (TMK) van Volvo, zie pagina 338. Open het klepje om bij de elektrische aansluiting te komen. • Via de aansluiting is ook stroom af te nemen, wanneer de transpondersleutel niet in het contactslot steekt. BELANGRIJK Max. 10 A (120 W). 07 N.B.
07 Tijdens het rijden Bagageruimte Veiligheidsnet* Opbergruimte voor tweedelige veiligheidsnetcassette. Onder het vloerluik in de bagageruimte is voorzien in opbergruimte voor een tweedelige veiligheidsnetcassette. Tweedelige veiligheidsnetcassette bevestigen Monteer de tweedelige veiligheidsnetcassette achter op het ruggedeelte van de achterbank. Monteer het smalle cassettegedeelte links (in de rijrichting gezien). 1. Klap de ruggedeelten van de achterbank voorover, zie pagina 87. 2.
07 Tijdens het rijden Bagageruimte Het net kan ook worden gebruikt wanneer de ruggedeelten van de achterbank neergeklapt zijn. Veiligheidsnet én bagagerolhoes gebruiken Veiligheidsrek* Tweedelige veiligheidsnetcassette verwijderen 1. Rol het tweedelige veiligheidsnet op door de procedure onder het kopje “Veiligheidsnet gebruiken” in omgekeerde volgorde uit te voeren. 2. Klap de beide ruggedeelten van de achterbank voorover. 3.
07 Tijdens het rijden Bagageruimte Monteren/demonteren Normaal laat u het veiligheidsrek gemonteerd in de auto zitten, omdat het eenvoudig tegen het plafond op te klappen is en zo niet in de weg zit als u de bagageruimte wenst te verlengen. U kunt het veiligheidsrek desgewenst demonteren en uit de auto nemen. Voor informatie over het vereiste gereedschappen en de te volgen methode bij montage/ demontage, zie de montagevoorschriften1 die bij aankoop bijgeleverd werden.
07 Tijdens het rijden Rijden met een aanhanger Algemene informatie Het laadvermogen is afhankelijk van het rijklaar gewicht van de auto. Het laadvermogen dient te worden verminderd met de som van het gewicht van eventuele inzittenden en dat van gemonteerde accessoires, zoals een trekhaak. Voor gedetailleerde informatie over de gewichten, zie pagina 389. Als de trekhaak door Volvo is gemonteerd, wordt de auto compleet aangeleverd met de benodigde randuitrusting voor het gebruik van een aanhanger.
07 Tijdens het rijden Rijden met een aanhanger N.B. De aangegeven maximaal toelaatbare aanhangergewichten zijn door Volvo bepaald. Let erop dat er op grond van de wetgeving voor motorvoertuigen in uw land verdere beperkingen van het aanhangergewicht en de snelheid kunnen gelden. Het is bovendien mogelijk dat de trekhaak gespecificeerd is voor hogere gewichten dan het maximaal toelaatbare aanhangergewicht van de auto. WAARSCHUWING Houd u aan de opgegeven aanbevelingen voor het aanhangergewicht.
07 Tijdens het rijden Rijden met een aanhanger WAARSCHUWING Afneembare trekhaak opbergen Specificaties • Volg de montage-instructies nauwkeurig op. • Zorg dat het afneembare gedeelte met de sleutel vergrendeld is voordat u begint te rijden. • Controleer of het controlevenster groen van kleur is. Belangrijke controlepunten • U moet de kogel van de trekhaak regelmatig schoonmaken en met vet insmeren. N.B. Wanneer u een trekhaak met trillingsdemper gebruikt, hoeft de kogel niet te worden ingevet.
07 Tijdens het rijden Rijden met een aanhanger 998 B 80 C 854 D 427 E 109 F 282 G Langsligger H Middelpunt kogel Het controlevenster moet rood van kleur zijn. G021489 A G021487 Afmetingen, bevestigingspunten (mm) Verwijder de afdekking door de pal in te drukken en de afdekking vervolgens recht naar achteren te trekken . G021488 G018928 Trekhaak bevestigen Controleer of het mechanisme in de ontgrendelde stand staat door de sleutel rechtsom te draaien.
07 Tijdens het rijden Het controlevenster moet groen van kleur zijn. Controleer of de trekhaak vastzit door deze stevig omhoog, omlaag en naar achteren te bewegen. WAARSCHUWING G000000 Als de trekhaak niet goed zit, moet u deze verwijderen en opnieuw monteren zoals eerder werd beschreven. Draai de sleutel linksom naar de vergrendelde stand. Neem de sleutel uit het slot. BELANGRIJK G021495 G021494 G021490 Rijden met een aanhanger Veiligheidskabel.
07 Tijdens het rijden Rijden met een aanhanger WAARSCHUWING Zet de trekhaak goed vast, wanneer u deze in de auto bewaart, zie pagina 316. het verschijnsel pas bij zeer hoge snelheden op. Als de aanhanger/caravan echter overmatig beladen is of als het gewicht van de lading verkeerd verdeeld is (bijvoorbeeld te ver naar achteren), bestaat er ook op lagere snelheden van 70–90 km/h gevaar voor pendelbewegingen.
07 Tijdens het rijden Rijden met een aanhanger Als de pendelbeweging ondanks de eerste ingreep van het TSA-systeem niet wordt gedempt, worden alle wielen van de combinatie afgeremd en wordt de aandrijfkracht van de motor verlaagd. Wanneer de pendelbeweging vervolgens stukje bij beetje verminderd is en de combinatie weer stabiel is, beëindigt het TSAsysteem de regeling waarna u de auto weer volledig onder controle hebt. Overig Het TSA-systeem kan ingrijpen bij snelheden van 60–160 km/h. N.B.
07 Tijdens het rijden Slepen en bergen Slepen WAARSCHUWING Kijk voordat u met slepen begint wat de wettelijk voorgeschreven maximumsnelheid voor slepen is. 1. Ontgrendel het stuurslot door de transpondersleutel in het contactslot te plaatsen en de START/STOP ENGINE-knop lang in te drukken. Sleutelstand II wordt geactiveerd, zie pagina 82 voor meer informatie over sleutelstanden. 2. Laat de transpondersleutel tijdens het slepen in het contactslot zitten. 3.
07 Tijdens het rijden Slepen en bergen BELANGRIJK Vermijd slepen. • • Een auto die op een gevaarlijke plek in het verkeer staat, mag echter over een korte afstand (tot 10 km) en op lage snelheid (tot 10 km/h) worden versleept. Berg de auto altijd zo dat de wielen in de rijrichting draaien. Sleepoog Het sleepoog dient te worden vastgeschroefd in een draadbus achter een afdekking in de bumper, voor of achter.
07 Tijdens het rijden Slepen en bergen BELANGRIJK BELANGRIJK Het sleepoog is alleen bedoeld voor het slepen over de weg en niet geschikt voor berging wanneer de auto bijvoorbeeld in een sloot is gereden of vast is komen te zitten. Roep professionele hulp in voor berging. Berg de auto altijd zo dat de wielen in de rijrichting draaien. • Voor auto’s met vierwielaandrijving (AWD) gelden, bij het bergen met een geheven vooras, zowel een maximale snelheid van 70 km/h als een maximale afstand van 50 km. N.B.
Algemene informatie ............................................................................ Wielen verwisselen ............................................................................... Bandenspanning .................................................................................. Gevarendriehoek en EHBO-set*........................................................... Bandenspanningscontrolesysteem (TPMS)*......................................... Bandenreparatieset (TMK) .........................
WIELEN EN BANDEN
08 Wielen en banden Algemene informatie Rijeigenschappen Banden zijn van grote invloed op de rijeigenschappen van de auto. Zowel het type, de maat, de bandenspanning als de snelheidsklasse zijn belangrijk voor het rijgedrag van de auto. schappen van de auto af en kunnen de banden regen, sneeuw en drab minder goed afvoeren. Nieuwe banden Monteer de banden met het diepste profiel altijd op de achteras (om het gevaar voor slippen te verminderen). N.B.
08 Wielen en banden Algemene informatie De juiste bandenspanning levert een gelijkmatiger slijtage op, zie pagina 334. De rijstijl, de bandenspanning, het klimaat en de staat van de wegen zijn van invloed op de snelheid waarmee de banden verouderen en slijten. Om verschillen in profieldiepte te voorkomen en slijtpatronen tegen te gaan kunt u de wielen op de voor- en achteras onderling van plaats verwisselen. Voer de eerste wissel na ca. 5000 km uit en doe dat daarna om de 10.000 km opnieuw.
08 Wielen en banden Algemene informatie Gereedschap Gereedschap, terugplaatsen N.B. Volvo adviseert u contact op te nemen met een erkende Volvo-werkplaats voor advies over de beste soort velgen en banden. G029336 Banden met “spikes” Onder de vloer in de bagageruimte vindt u het sleepoog van de auto, de krik* en de wielsleutel*. Er is tevens ruimte om de dop voor de afsluitbare wielbouten in op te bergen. Krik* Gebruik de originele krik alleen voor het verwisselen van het reservewiel.
08 Wielen en banden Algemene informatie Rijd nooit sneller dan 50 km/h met sneeuwkettingen. Rijd evenmin op sneeuwvrije wegen, omdat zowel de sneeuwkettingen als de banden daardoor overmatig slijten. 16 Velgdiameter van de band 50 Bolling in mm (afstand tussen de verticale aslijn door het wiel en het contactvlak met de naaf) WAARSCHUWING Gebruik originele Volvo-sneeuwkettingen of vergelijkbare sneeuwkettingen die zijn afgestemd op het model en op de band- en velgafmetingen.
08 Wielen en banden Algemene informatie Q 160 km/h (alleen voor winterbanden) T 190 km/h H 210 km/h V 240 km/h W 270 km/h Y 300 km/h WAARSCHUWING De auto moet worden uitgerust met banden die minimaal de gespecificeerde lastindex (LI) en snelheidsklasse (SS) hebben. Bij gebruik van banden met een te lage lastindex of snelheidsklasse kunnen de banden oververhit raken.
08 Wielen en banden Wielen verwisselen Reservewiel* De volgende instructies gelden alleen voor reservewielen die bij wijze van accessoire zijn aangekocht. Als de auto geen reservewiel heeft, zie dan pagina 338 voor meer informatie over de provisorische bandenreparatie (TMK). Een compact reservewiel (Temporary Spare) is alleen bestemd voor tijdelijk gebruik en dient dan ook zo spoedig mogelijk door een normaal wiel te worden vervangen.
08 Wielen en banden Wielen verwisselen Verwijderen Zet een gevarendriehoek zie pagina 335 op, als u een wiel langs een drukke weg moet verwisselen. Zorg ervoor dat de auto en de krik* op een stevige en horizontale ondergrond staan. 1. Haal de parkeerrem aan en schakel de achteruitversnelling in of zet de keuzehendel in stand P, als de auto een automatische versnellingsbak heeft. 3. Plaats wielblokken voor en achter de wielen die op de grond blijven staan.
08 Wielen en banden Wielen verwisselen omlaag dat de voet plat tegen de grond aankomt. 3. Breng de auto zo ver omlaag dat het wiel niet meer ongehinderd kan draaien. WAARSCHUWING Kruip nooit onder de auto als deze op de krik staat. Laat eventuele passagiers uit de auto stappen, voordat u de auto opkrikt. Parkeer de auto dusdanig dat de auto en liever nog een vangrail u en eventuele uitgestapte passagiers afschermen van het verkeer op de rijbaan. N.B.
08 Wielen en banden Bandenspanning Bandenspanning Brandstofbesparing, ECObandenspanning Voor een zo laag mogelijk brandstofverbruik wordt geadviseerd de aangegeven bandenspanning (zowel bij maximale als lichte belading) aan te houden bij snelheden tot 160 km/h. Bandenspanning controleren G021830 Controleer iedere maand de bandenspanning.
08 Wielen en banden Gevarendriehoek en EHBO-set* Gevarendriehoek Til de vloer in de bagageruimte op en haal de gevarendriehoek tevoorschijn. EHBO-set* Neem de gevarendriehoek uit de houder, klap de driehoek uit en bevestig de twee losse zijden aan elkaar. Klap de steunpoten van de gevarendriehoek uit. Volg de geldende bepalingen voor het gebruik van een gevarendriehoek. Zet de gevarendriehoek op een passend punt achter de auto op om achteropkomend verkeer tijdig te waarschuwen.
08 Wielen en banden Bandenspanningscontrolesysteem (TPMS)* Algemene informatie Het bandenspanningscontrolesysteem (TPMS, Tyre Pressure Monitoring System)* waarschuwt de bestuurder, wanneer de spanning in één of meer banden te laag is. Het systeem maakt gebruik van sensoren in de ventielen van de banden. Bij snelheden van ca. 40 km/h controleert het systeem de bandenspanning.
08 Wielen en banden Bandenspanningscontrolesysteem (TPMS)* 2. Open het systeem MY CAR om naar de menu’s voor Auto-instellingen Bandenspanning te gaan 3. Kies Bandenspanningsysteem en druk op OK. > Bij het activeren van het systeem verschijnt een X op het display. Het verdwijnt als u het systeem deactiveert. Adviezen • Volvo adviseert TPMS-sensoren te laten monteren op alle wielen van de auto. (Om dergelijke velgen kunnen ook standaardbanden worden gelegd).
08 Wielen en banden Bandenreparatieset (TMK) Algemeen N.B. De bandenreparatieset is uitsluitend bedoeld voor het afdichten van banden met een lek in het loopvlak. De bandenreparatieset leent zich minder goed voor banden met een gat in het zijvlak. Probeer geen banden met de bandenreparatiesetset af te dichten die grote groeven, scheuren en dergelijke vertonen.
08 Wielen en banden Bandenreparatieset (TMK) Overzicht Lekke band repareren WAARSCHUWING Het afdichtmiddel kan aanleiding geven tot huidirritatie. Was bij huidcontact het getroffen gebied onmiddellijk schoon met water en zeep. 3. Controleer of de knop in stand 0 staat en neem de kabel en de luchtslang erbij. N.B. Voor het gebruik de verzegeling van de bus niet verbreken. Bij het indraaien van de bus wordt de verzegeling automatisch verbroken. Sticker, toegestane maximumsnelheid Knop 4.
08 Wielen en banden Bandenreparatieset (TMK) 7. Sluit de kabel op een 12V-aansluiting aan en start de motor. N.B. Als de compressor op een van de beide 12 V-aansluitingen is aangesloten, in de tunnelconsole, mag er op de andere aansluiting geen stroomverbruiker aangesloten zijn. WAARSCHUWING Laat geen kinderen zonder toezicht in de auto achter, terwijl de motor loopt. 8. Zet de knop in stand I. WAARSCHUWING Ga nooit naast de band staan terwijl de compressor aan het pompen is.
08 Wielen en banden Bandenreparatieset (TMK) N.B. Vervang de bus met afdichtmiddel en de slang na gebruik. Volvo adviseert u het vervangen over te laten aan een erkende Volvowerkplaats. WAARSCHUWING Controleer de bandenspanning regelmatig. U wordt geadviseerd om naar de dichtstbijzijnde erkende Volvo-werkplaats te rijden en er de beschadigde band te laten vervangen/repareren. Geef aan het werkplaatspersoneel door dat er afdichtmiddel in de band zit.
Motorruimte.......................................................................................... Gloeilampen.......................................................................................... Wisserbladen en sproeiervloeistof........................................................ Accu...................................................................................................... Zekeringen............................................................................................
ONDERHOUD EN SERVICE
09 Onderhoud en service Motorruimte 09 Algemeen Serviceprogramma van Volvo Om de verkeersveiligheid, bedrijfszekerheid en betrouwbaarheid van de auto op een hoog peil te houden, dient u de voorschriften van het Serviceprogramma van Volvo op te volgen zoals die omschreven staan in het Service- en garantieboekje van Volvo. Volvo adviseert u om service- en onderhoudswerkzaamheden over te laten aan een erkende Volvo-werkplaats.
09 Onderhoud en service Motorruimte Motorruimte, overzicht 09 Vulopening voor sproeiervloeistof Luchtfilter WAARSCHUWING De spanning en het vermogen van het ontstekingssysteem zijn zeer hoog. De spanning in het ontstekingssysteem is levensgevaarlijk. Houd de transpondersleutel altijd in stand 0 bij werkzaamheden in de motorruimte, zie pagina 82. Draai de handgreep ca. 20–25 graden rechtsom. Het is duidelijk te horen dat vergrendeling wordt opgeheven. Haal de borghaak naar links om de motorkap te openen.
09 Onderhoud en service Motorruimte Volvo adviseert olieproducten van Castrol. Voor ritten onder ongunstige omstandigheden, zie pagina 394. BELANGRIJK Om aan de vereisten voor de gespecificeerde service-intervallen te voldoen worden alle motoren in de fabriek gevuld met een speciaal aangepaste, synthetische motorolie. De oliesoort werd met grote zorg geselecteerd lettend op de levensduur van de motor, de startgewilligheid, het brandstofverbruik en de milieu-impact.
09 Onderhoud en service Motorruimte ver onder staat, moet u wellicht meer bijvullen. 09 Motor met elektronische oliepeilaanduiding3 6. Als u het peil daarna nogmaals wenst te controleren, moet u dat na enige tijd rijden doen. Herhaal vervolgens de stappen 1–4. G021737 WAARSCHUWING De olie moet tussen het MIN- en MAX-streepje staan. Peil meten en zo nodig corrigeren Vul nooit bij tot boven de MAX-aanduiding. De olie mag nooit boven MAX of onder MIN staan om motorschade tegen te gaan.
09 Onderhoud en service 09 Motorruimte BELANGRIJK Vul bij het verschijnen van de melding Oliepeil laag 0.5 l bijvullen slechts 0,5 liter bij. 2. Draai het duimwiel op de linker stuurhendel naar stand Motoroliepeil Een ogenblik.... > Vervolgens verschijnt informatie over het motoroliepeil. N.B. Melding en grafische weergave op display. Het systeem detecteert het oliepeil alleen tijdens het rijden.
09 Onderhoud en service Motorruimte Koelvloeistof Voor de aan te houden hoeveelheden en de aanbevolen vloeistofkwaliteit, zie pagina 397. Peil controleren en bijvullen BELANGRIJK • Hoge concentraties chloor, chloriden en andere zoutverbindingen kunnen aanleiding geven tot corrosie in het koelsysteem. • Gebruik altijd een koelvloeistof met roestwerende eigenschappen volgens de aanbevelingen van Volvo.
09 Onderhoud en service 09 Motorruimte Rem- en koppelingsvloeistof Bijvullen Stuurbekrachtigingsvloeistof Peil controleren De rem- en koppelingsvloeistof zitten in hetzelfde reservoir. De vloeistof moet tussen het MIN- en MAX-streepje staan die aan de buitenkant van het reservoir zichtbaar zijn. Controleer het peil regelmatig. Ververs de remvloeistof om de twee jaar of iedere tweede geplande servicebeurt. Voor de aan te houden hoeveelheden en de aanbevolen kwaliteit van de remvloeistof, zie pagina 397.
09 Onderhoud en service Motorruimte 09 Klimaatregeling Storingen opsporen en verhelpen De airconditioning bevat een fluorescerend traceermiddel. Gebruik ultraviolet licht voor het zoeken van lekkage. Volvo raadt aan contact op te nemen met een erkende Volvo-werkplaats. WAARSCHUWING In de installatie voor airconditioning zit koudemiddel R134a onder druk. Service en reparatie aan het systeem mogen uitsluitend door een erkende werkplaats worden uitgevoerd.
09 Onderhoud en service Gloeilampen 09 Algemeen Alle gloeilampen van de auto zijn vermeld, zie pagina 357. Gloeilampen en andere lichtbronnen van een bijzonder type of lampen die alleen in een werkplaats te vervangen zijn te vinden in: • Actieve xenonkoplampen - ABL (xenonlampen) • • • • • • • • • Richtingaanwijzers, buitenspiegels ‘Approach’-verlichting, buitenspiegels Instapverlichting BELANGRIJK Raak het glas van de gloeilampen nooit met blote vingers aan.
09 Onderhoud en service Gloeilampen BELANGRIJK Trek niet aan de kabel, maar alleen aan de connector. 3. (Tweede afbeelding) Koppel de connector van het koplamphuis los door met uw duim de clip omlaag te duwen. Trek ondertussen met uw andere hand de connector los. 4. Til het koplamphuis naar buiten en leg het op een zachte ondergrond om krassen op de lens te voorkomen. 5. Vervang de kapotte gloeilamp. Koplamphuis bevestigen 1. Sluit de connector dusdanig aan dat u een klik hoort.
09 Onderhoud en service 09 Gloeilampen Dimlicht, halogeen Groot licht, halogeen Verstralers, ABL-koplampen* 1. Haal het koplamphuis los, zie pagina 352. 1. Haal het koplamphuis los. 1. Haal het koplamphuis los. 2. Verwijder de afdekking. 2. Verwijder de afdekking, zie pagina 353 2. Verwijder de afdekking, zie pagina 353. 3. Koppel de connector van de lamp los. 3. Haal de gloeilamp los door deze rechtsom te draaien en vervolgens recht naar buiten te trekken 3.
09 Onderhoud en service Gloeilampen Richtingaanwijzers Achterlamphuis 09 6. Houd de borghaak omlaag terwijl u de gloeilamphouder terugplaatst. 7. Plaats de isolatie en het paneel terug. N.B. Als een foutmelding niet verdwijnt nadat de kapotte gloeilamp is vervangen, dan wordt u geadviseerd een erkende Volvo-werkplaats te bezoeken. Positie gloeilampen achterlamphuis 1. Haal het koplamphuis los. 2. Trek de afdekking recht naar buiten toe los. 3.
09 Onderhoud en service 09 Gloeilampen Kentekenplaatverlichting Bagageruimteverlichting Verlichting make-upspiegel G031942 Lampglas verwijderen 1. Draai de boutjes los met een schroevendraaier. 2. Haal voorzichtig het complete gloeilamphuis los en trek het naar buiten. 3. Vervang de gloeilamp. 4. Plaats het complete gloeilamphuis terug en draai de boutjes vast. 1. Steek een schroevendraaier achter het lamphuis en wrik deze iets heen en weer, zodat het lamphuis loskomt. 2. Vervang de gloeilamp. 1.
09 Onderhoud en service Gloeilampen Specificatie gloeilampen Verlichting WA Type Dimlicht, halogeen 55 H7 LL A Groot licht, halogeen 65 H9 Verstralers, ABL 65 H9 Richtingaanwijzers voorzijde 21 HY21W Instapverlichting voor 3 Lampvoet T10; W2,1x9,5d Verlichting dashboardkastje 5 Lampvoet SV8.5; lengte 43 mm 1,2 Lampvoet T5; W2x4,6d Verlichting bagageruimte 5 Lampvoet SV8.
09 Onderhoud en service Wisserbladen en sproeiervloeistof 09 Wisserbladen Servicestand STOP ENGINE om het elektrische systeem van de auto in de sleutelstand I te zetten. (Zie voor meer informatie over de sleutelstanden zie pagina 82.) 2. Druk nogmaals kort op de knop START/ STOP ENGINE om het elektrische systeem van de auto in de sleutelstand 0 te zetten. 3. Beweeg binnen 3 seconden de rechter stuurhendel omhoog en houd deze ca. 1 seconde in deze stand. > De ruitenwisserarmen gaan dan verticaal staan.
09 Onderhoud en service Wisserbladen en sproeiervloeistof 09 1. Klap de wisserarm uit. 2. Pak het wisserblad aan de binnenkant (bij de pijl) beet. Klap de wisserarm omhoog als deze in de servicestand staat. Druk op de knop die op de wisserbladhouder zit en trek het wisserblad evenwijdig aan de wisserarm los. Duw het nieuwe wisserblad zo ver naar binnen dat u een klik hoort. Controleer of het blad goed vastzit. 4. Klap de wisserarm terug op de voorruit.
09 Onderhoud en service 09 Wisserbladen en sproeiervloeistof Vulopening voor sproeiervloeistof De sproeiers van de voorruit en de koplampen staan in verbinding met hetzelfde vloeistofreservoir. BELANGRIJK Gebruik in de winter sproeiervloeistof met antivries, zodat de vloeistof niet vastvriest in pomp, reservoir en slangen. Voor de hoeveelheden, zie pagina 397.
09 Onderhoud en service Accu Gebruik De rijomstandigheden, de rijstijl, het aantal startpogingen, de weersomstandigheden e.d. zijn van invloed op de levensduur en de werking van de accu. • Koppel de startaccu nooit los, terwijl de motor loopt. • Controleer of de kabels van de startaccu op de juiste manier zijn aangesloten en stevig vastzitten. WAARSCHUWING • • • De startaccu kan het zeer explosieve knalgas produceren.
09 Onderhoud en service 09 Accu Symbolen op de accu Vermijd vonken en open vuur. Draag een veiligheidsbril. Explosiegevaar. Zie voor meer informatie het instructieboekje dat bij de auto hoort. Bestemd voor inzameling. Bewaar accu’s buiten het bereik van kinderen. De accu bevat een bijtend zuur. 362 N.B. Zamel oude accu’s op een milieuvriendelijke manier in, omdat ze lood bevatten.
09 Onderhoud en service Accu Haal de rubber strip los om de achterste afdekking bloot te leggen. 09 Veerpootbrug bij R-Design* Neem de achterste afdekking los door deze een kwartslag te verdraaien en vervolgens op te tillen. WAARSCHUWING De plus- en minkabels in de juiste volgorde loskoppelen en/of aansluiten. Koppel de zwarte minkabel los. Veerpootbrug en paraventafdekking. Koppel de rode pluskabel los.
09 Onderhoud en service Accu 09 N.B. Haal de bouten aan met 30 Nm. Controleer het aanhaalmoment met een momentsleutel. Monteren 6. Sluit de zwarte minkabel aan. Accu 7. Duw de achterste afdekking vast (zie Verwijderen.) 8. Plaats de rubber strip (zie Verwijderen.) 9. Pas de voorste afdekking in en zet het vast met behulp van de clips (zie Verwijderen.) Voor meer informatie over de startaccu van de auto - zie pagina 407. 1. Laat de accu in de accubak zakken. 2.
09 Onderhoud en service Accu N.B. • Hoe hoger de stroomafname in de auto (extra koeling/verwarming e.d.), hoe meer de accu’s moeten worden bijgeladen = hoe hoger het brandstofverbruik. • Wanneer de capaciteit van de startaccu tot onder de ondergrens is gedaald, wordt het Start/Stop-systeem uitgeschakeld.
09 Onderhoud en service 09 Accu N.B. Als de startaccu dermate ontladen is dat alles "zwart" is en alle elektrische standaardsystemen van de auto’s nagenoeg uitgeschakeld zijn en u de motor vervolgens start met een externe accu of acculader, zal het Start/Stop-systeem actief zijn. Autostop van de motor is in dat geval mogelijk, maar het Start/Stop-systeem kan na autostop van de motor mogelijk geen auto-start uitvoeren door onvoldoende capaciteit van de startaccu.
09 Onderhoud en service Zekeringen Algemeen Om te voorkomen dat de elektrische systemen van de auto beschadigd raken door kortsluiting of overbelasting, worden alle verschillende elektrische functies en onderdelen door een aantal zekeringen beschermd. Als een van de elektrische onderdelen of functies niet werkt, is het mogelijk dat de bijbehorende zekering overbelast werd en daardoor gesmolten is.
09 Onderhoud en service 09 Zekeringen Motorruimte 368
09 Onderhoud en service Zekeringen Algemene informatie over de zekeringen in de motorruimte Functie A Functie A Aan de binnenkant van het deksel zit een speciale trekker waarmee u de zekeringen gemakkelijker kunt verwijderen en aanbrengen.
09 Onderhoud en service 09 370 Zekeringen Functie A Functie A Functie A Motorregelmodule; transmissieregelmodule; airbags 10 15 Kleppen (1,6 l benzine); luchtmassameter (1,6 l benzine) 10 Elektrisch verwarmde sproeikoppen* 10 Magneetkoppeling A/C (niet 5cil. diesel); koelvloeistofpomp (5-cil.diesel Start/Stop) Spoel in relais voor magneetkoppeling A/C (niet 5-cil. diesel); spoel in relais voor koelvloeistofpomp (5-cil.
09 Onderhoud en service Zekeringen Functie A Functie A Lambdasondes (4-cil. benzine); lambdasonde (diesel); regelmodule radiateurafdekking (handgeschakelde 5-cil. 2,0 liter diesel) 10 Koelventilator (4-cil., 5-cil. benzine) 60 Koelventilator (6-cil., 5-cil. diesel) 80 EVAP-klep (5-, 6-cil. benzine); lambdasondes (5-, 6-cil. benzine) 15 Elektrohydraulische stuurbekrachtiging 100 Koelvloeistofpomp (1,6 l benzine Start/Stop, 5-cil. benzine Start/Stop); verwarming carterventilatie (5-cil.
09 Onderhoud en service 09 Zekeringen Onder dashboardkastje Posities Aan de binnenkant van het deksel zit een sticker met de positie van de verschillende zekeringen in zekeringhouder A. Houder A Functie Hoofdzekering voor audioregelmodule*; hoofdzekering voor de zekeringen 16–20: Infotainment - 372 A 40 - * Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
09 Onderhoud en service Zekeringen Houder A Functie A Bedieningspaneel achterste passagiersportier links 20 Keyless* 7,5 Elektrisch bedienbare bestuurdersstoel* Elektrisch bedienbare passagiersstoel* Functie A Schuifdak*; interieurverlichting plafond; klimaatregelingssensor*; klepmotoren luchtinlaat 5 12V-aansluiting middenconsole 15 20 Verwarming zitplaats achterbank rechts* 15 20 - Verwarming zitplaats achterbank links* 15 Regelmodule Infotainment 5 - 10 Stoelverwarming passagiersz
09 Onderhoud en service 09 Zekeringen Houder B 374 Functie A Stuurwieleenheid 7,5 Centrale vergrendeling tankvulklep 10 Achterruitensproeier 15 Ruitenwissers 15 Ontgrendelen achterklep 10 Omklapbare hoofdsteunen* 10 Brandstofpomp 20 Bewegingsmelder alarm*; bedieningspaneel klimaatregeling 5 Stuurslot 15 Sirene alarm*; diagnoseaansluiting OBDII 5 - - Airbags 10 Collision Warning* 5 * Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
09 Onderhoud en service Zekeringen 09 Kofferbak/bagageruimte Posities Functie A Elektrische parkeerrem links 30 Elektrische parkeerrem rechts 30 Elektrisch verwarmde achterruit 30 Trekhaakaansluiting 2* 15 Functie A Functie A - - - - 15 - - 12V-aansluiting bagageruimte - - Trekhaakaansluiting 1* - - - 40 - `` * Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
09 Onderhoud en service Zekeringen 09 Koude zone motorruimte – Start/Stop* Positie van de zekeringen voor het Start/Stop-systeem. • De zekeringen A1 en A2 zijn van het type ‘MEGA Fuse’ en mogen alleen door een werkplaats worden vervangen2. • De zekeringen 1–11 zijn van het type ‘MidiFuse’ en mogen alleen door een werkplaats worden vervangen2. • Zekeringen 12 is van het type ‘MiniFuse’. Voor meer informatie over Start/Stop - zie pagina 134. 2 376 Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
09 Onderhoud en service Zekeringen Functie A Functie A Hoofdzekering voor centrale elektronicamodule (CEM) met zekeringhouder B onder dashboardkastje 50 Hulpaccu 70 Centrale elektronicamodule (CEM) - referentiespanning hulpaccu; laadpunt hulpaccu 15 Hoofdzekering voor relais- en zekeringhouder in passagiersruimte met zekeringhouder A onder dashboardkastje 60 Hoofdzekering voor relais- en zekeringhouder in passagiersruimte met zekeringhouder A onder dashboardkastje 60 Hoofdzekering voor relais-
09 Onderhoud en service 09 Verzorging Auto wassen Was de auto zodra deze vuil geworden is. Zorg dat de auto op een spoelvloer met olieafscheider staat. Gebruik autoshampoo. • Verwijder vogelpoep zo spoedig mogelijk van de lak. Vogelpoep bevat namelijk stoffen die de lak aantasten en deze zeer snel doen verkleuren. U wordt geadviseerd een dergelijke verkleuring te laten herstellen door een erkende Volvo-werkplaats. • Spoel het onderstel af.
09 Onderhoud en service Verzorging len). Spuit niet rechtstreeks in de richting van de sloten. Remmen testen WAARSCHUWING Test na het wassen van de auto altijd de remmen (en dus ook de handrem) om te voorkomen dat vocht en corrosie de remblokken aantasten, waardoor de remwerking afneemt. BELANGRIJK Onderdelen van kunststof en rubber niet in de was zetten of oppoetsen. Bij gebruik van ontvetters op kunststof en rubber onderdelen waar nodig alleen voorzichtig wrijven. Gebruik een zachte schoonmaakspons.
09 Onderhoud en service 09 Verzorging Waterafstotende laag* Gebruik nooit producten zoals autowas, ontvetters e.d. op het glasoppervlak, omdat de waterafstotende laag daardoor beschadigd kan raken. Wees voorzichtig bij het schoonmaken om te voorkomen dat er krassen in het glasoppervlak ontstaan. Om schade aan het glas te voorkomen dient u voor het verwijderen van ijs alleen een krabber van kunststof te gebruiken. De waterafstotende laag staat bloot aan natuurlijke slijtage.
09 Onderhoud en service Verzorging Behandeling van vlekken op leren bekleding De leren bekleding van Volvo is chroomvrij en is behandeld om de bekleding in oorspronkelijke staat te bewaren. Naarmate leren bekleding ouder wordt, krijgt het een fraai patina. Het leer wordt veredeld en bewerkt zodat het zijn natuurlijke eigenschappen houdt. Het leer is voorzien van een beschermende toplaag, maar om de goede eigenschappen en het fraaie uiterlijk te behouden is regelmatige verzorging van het leer vereist.
09 Onderhoud en service Verzorging 09 Groep 3 (vuil, stof in droge vorm) Geringe lakschade herstellen 1. Gebruik een zachte borstel om het vuil te verwijderen. De lak vormt een belangrijk onderdeel van de roestwering van de auto en moet daarom regelmatig worden gecontroleerd. Om roestvorming te voorkomen moet u lakschade direct herstellen. De meest voorkomende soorten lakschade zijn bijvoorbeeld steenslagplekken, krassen en plekjes op de spatbordranden, portieren en bumpers. 2.
09 Onderhoud en service Verzorging 09 2. Vóór het lakken kunt u zo nodig (bij ongelijkmatige randen bijv.) plaatselijk licht schuren met zeer fijn schuurlinnen. Reinig het gebied zorgvuldig en laat het goed drogen. Geringe lakschade herstellen zoals steenslagschade en krasjes G021832 3. Roer de grondlak (primer) goed om en breng deze met een fijn kwastje of een lucifer of iets dergelijks op. Dek het geheel af met basislak en heldere lak, wanneer de grondlak droog is.
Type-aanduidingen............................................................................... Maten en gewichten.............................................................................. Motorspecificaties................................................................................. Motorolie............................................................................................... Vloeistoffen en smeermiddelen............................................................. Brandstof.............
SPECIFICATIES
10 Specificaties Type-aanduidingen Positie van stickers en plaatjes 10 386
10 Specificaties Type-aanduidingen Wanneer u contact opneemt met uw erkende Volvo-werkplaats of vervangende onderdelen of accessoires wilt bestellen, kan het handig zijn om de type-aanduiding, het chassisnummer en het motornummer bij de hand te hebben. Type-aanduiding, chassisnummer, maximaal toelaatbaar gewicht, kleurcodes voor lak en bekleding en typegoedkeuringsnummer. Bij het openen van het rechter achterportier is de sticker zichtbaar. N.B.
10 Specificaties Maten en gewichten Maten 10 Maten A B C 388 Wielbasis Lengte Laadlengte, vloer, achterbank neergeklapt D Laadlengte, vloer E Hoogte F Laadhoogte mm 2776 Maten G Spoorbreedte vooras 4628 H Spoorbreedte achteras 1749 978 1484 658 mm 1588A 1578B 1585A 1575B I Laadbreedte, vloer 1082 J Breedte 1865 A B Maten mm K Breedte incl. buitenspiegels 2097 L Breedte incl.
10 Specificaties Maten en gewichten Gewichten Inbegrepen bij het rijklaar gewicht zijn het gewicht van de bestuurder, dat van de brandstoftank die voor 90 % gevuld is en dat van de resterende oliën/vloeistoffen. Het gewicht van de passagiers en de gemonteerde accessoires alsmede de kogeldruk (bij gebruik van een aanhanger (zie tabel op pagina 390)) zijn van invloed op het laadvermogen en zijn niet inbegrepen bij het rijklaar gewicht. Toelaatbare maximumbelading = totaalgewicht – rijklaar gewicht. N.B.
10 Specificaties Maten en gewichten Trekgewicht en kogeldruk 10 390 Motor MotorcodeA Versnellingsbak T3 B4164T3 T3 T4B T4B T4C Max. gewicht geremde aanhanger (kg) Max.
10 Specificaties Maten en gewichten A B C D E Motor MotorcodeA Versnellingsbak D4 D5204T3 D4 Max. gewicht geremde aanhanger (kg) Max.
10 Specificaties Motorspecificaties Motorspecificaties 10 N.B. Niet alle motoren zijn verkrijgbaar op alle markten.
10 Specificaties Motorspecificaties Motor A B C D E MotorcodeA Vermogen (kW bij omw/min) Vermogen (pk bij omw/min) Motorkoppel (Nm bij omw/ min) Aantal cilinders Cilinderboring (mm) Slaglengte (mm) Slagvolume (liter) Compressieverhouding D4 AWD D5244T17 120/4000 163/4000 420/1500–2500 5 81,0 93,2 2,400 16,5:1 D5 D5244T11D 158/4000 215/4000 420/1500–3250 5 81,0 93,15 2,400 16,5:1 D5 D5244T15E 158/4000 215/4000 440/1500–3000 5 81,0 93,15 2,400 16,5:1 10 Motorcode, ond
10 Specificaties Motorolie Ongunstige rijomstandigheden 10 In ongunstige rijomstandigheden kunnen de olietemperatuur en het olieverbruik abnormaal toenemen. Hier volgen enkele voorbeelden van ongunstige rijomstandigheden. Controleer het oliepeil vaker bij lange ritten: • met een caravan of aanhanger achter de auto • in bergachtig gebied • op hoge snelheden • in temperaturen lager dan –30 °C of hoger dan +40 °C Het bovenstaande geldt ook tijdens kortere ritten bij lage temperaturen.
10 Specificaties Motorolie Motoroliekwaliteit Motor MotorcodeA Aanbevolen oliekwaliteit Hoeveelheid, incl. oliefilter 10 (liter) T6 B6304T4 Oliekwaliteit: ACEA A5/B5 ca. 6,8 D4 D5204T3 Viscositeit: SAE 0W-30 ca. 5,9 D4 AWD D5244T17 ca. 5,9 D3 D5204T7 ca. 5,9 D5 D5244T11B ca. 5,9 D5 D5244T15C ca. 5,9 T5 B4204T7 Oliekwaliteit: ACEA A5/B5 ca. 5,4 Viscositeit: SAE 5W-30 D2 D4162T T3 B4164T3 In de fabriek bijgevulde en gecertificeerde olie: Oliekwaliteit WSS-M2C925-A ca.
10 Specificaties Motorolie Motor MotorcodeA Aanbevolen oliekwaliteit 10 (liter) T4E A B C D E B5204T8 Oliekwaliteit: ACEA A5/B5 ca. 5,5 T5E B5204T9 Viscositeit: SAE 0W-30 ca. 5,5 T5E B5254T12 Motorcode, onderdeel- en serienummer van de motor vindt u op de motor, zie pagina 386. Handgeschakelde versnellingsbak Automatische versnellingsbak DRIVe voor bepaalde markten. Alleen bepaalde markten. Voor het bijvullen van motorolie, zie pagina 345. 396 Hoeveelheid, incl. oliefilter ca.
10 Specificaties Vloeistoffen en smeermiddelen Koelvloeistof MotorA Voorgeschreven kwaliteit: Door Volvo aanbevolen koelvloeistof aangelengd met 50 % water1, zie verpakking.
10 Specificaties Vloeistoffen en smeermiddelen Overige vloeistoffen en smeermiddelen 10 Handgeschakelde versnellingsbak Hoeveelheid (liter) MMT6 1,7 M66 1,9 Voorgeschreven versnellingsbakolie BOT 350M3 Automatische versnellingsbak Voorgeschreven versnellingsbakolie MPS6 7,3 BOT 341 TF-80SC 7,0 AW1 TF-80SD 7,0 AW1 Vloeistof Systeem Remvloeistof Remsysteem Stuurbekrachtigingsvloeistof Stuurbekrachtiging Sproeiervloeistof Auto’s met koplampsproeiers 5,4 Auto’s zonder koplampsproeier
10 Specificaties Vloeistoffen en smeermiddelen N.B. Onder normale rijomstandigheden hoeft u de versnellingsbakolie nooit te verversen. Onder ongunstige rijomstandigheden moet de olie mogelijk wel worden ververst, zie pagina 397.
10 Specificaties Brandstof CO2-uitstoot en brandstofverbruik 10 400 T3 174 7,5 119 5,1 139 6,0 T3 230 9,9 137 5,9 171 7,4 T4A 202 8,7 125 5,4 153 6,6 T4A 230 9,9 137 5,9 171 7,4 T4FB 219 (212C) 9,5 (12,9C) 129 (124C) 5,6 (7,5C) 162 (156C) 7,0 (9,5C) T4FB 238 (223C) 10,2 (13,6C) 135 (135C) 5,8 (8,2C) 173 (167C) 7,5 (10,2C) T5 261 11,2 143 6,1 186 8,0 T5 269 11,5 148 6,3 192 8,2 T6 AWD 346 14,8 175 7,5 237 10,2 D2 137 5,2 109 4,1 119 4,5
10 Specificaties Brandstof 10 D2 134 5,1 111 4,2 119 4,5 D3 138 5,2 108 4,1 119 4,5 D3 187 7,1 127 4,8 149 5,7 D4 138 5,2 108 4,1 119 4,5 D4D 214 8,1 127 4,8 159 6,0 D4E 187 7,1 127 4,8 149 5,7 D4 AWD 226 8,6 137 5,2 169 6,4 D5 148 5,6 104 4,0 120 4,6 `` 401
10 Specificaties Brandstof 10 A B C D E D5 221 8,5 128 4,9 162 6,2 D5 AWD 226 8,6 137 5,2 169 6,4 DRIVe voor bepaalde markten. FlexiFuel-motoren kunnen op zowel loodvrije benzine (95 RON) als op bio-ethanol (E85) rijden. Beide brandstofsoorten worden in de gemeenschappelijke brandstoftank bijgevuld, wat betekent dat alle mogelijke mengverhoudingen tussen de beide brandstofsoorten zijn toegestaan. Voor meer informatie, zie pagina 124. E85 Zonder Start/Stop. Met Start/Stop.
10 Specificaties Brandstof Er zijn meerdere oorzaken aan te geven voor een verhoogd brandstofverbruik ten opzichte van de tabelwaarden. Daarbij valt te denken aan factoren als: • Uw rijstijl. • De grotere rolweerstand als u kiest voor grotere wielen dan de standaardwielen op de basisuitvoering van het model. • De grotere luchtweerstand bij hogere snelheden. • De brandstofkwaliteit, de weg- en verkeersomstandigheden, de weersgesteldheid en de staat van de auto.
10 Specificaties Wielen en banden, maten en spanning Goedgekeurde bandenspanningswaarden 10 Motor Bandenmaat Snelheid (km/h) Belading, 1–3 inzittenden Max.
10 Specificaties Wielen en banden, maten en spanning Motor Bandenmaat Snelheid (km/h) T4 (B5204T8)D 215/55 R 16 (B5204T9)D 215/50 R 17 T5 (B4204T7) 235/45 R 17 T5 T5 (B5254T12)D Belading, 1–3 inzittenden Max.
10 Specificaties Wielen en banden, maten en spanning Motor Bandenmaat 10 Snelheid (km/h) Belading, 1–3 inzittenden Max.
10 Specificaties Elektrisch systeem Elektrisch systeem Op de auto zit een wisselstroomdynamo met spanningsregelaar. Het elektrische systeem is enkelpolig en gebruikt het chassis en het motorblok als geleiders. De accucapaciteit is afhankelijk van de uitrusting op de auto. BELANGRIJK Let er bij het vervangen van de accu op, dat de nieuwe accu dezelfde koudestartcapaciteit en reservecapaciteit als de originele accu heeft (zie sticker op de accu).
10 Specificaties Typegoedkeuring 10 Transpondersleutelsysteem Land Vergrendelingssysteem standaard China Sensoren bandenspanningscontrolesysteem TPMS (Tyre Pressure Monitoring System)* Land Land EU, China Brazilië Hongkong Sleutelloos vergrendelingssysteem (Keyless drive) Land EU Radarsysteem Land Singapore Korea IDA: Infocomm Development Authority of Singapore. Brazilië 408 * Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
10 Specificaties Typegoedkeuring Bluetooth Verklaring van overeenstemming (Declaration of Conformity) 10 Land Landen binnen de EU: Exportland: Japan Producent: Alpine Electronics Inc. Type uitrusting: Bluetooth-eenheid Breng voor meer informatie een bezoek aan http://ec.europa.eu/enterprise/rtte/faq.
10 Specificaties Typegoedkeuring Land 10 410 Tsjechië: Alpine Electronics, Inc. tímto prohlašuje, že tento Bluetooth Module je ve shodě se základními požadavky a dalšími příslušnými ustanoveními směrnice 1999/5/ES. Denemarken: Undertegnede Alpine Electronics, Inc. erklærer herved, at følgende udstyr Bluetooth Module overholder de væsentlige krav og øvrige relevante krav i direktiv 1999/5/EF. Duitsland: Hiermit erklärt Alpine Electronics, Inc.
10 Specificaties Typegoedkeuring Land Estland: Käesolevaga kinnitab Alpine Electronics, Inc. seadme Bluetooth Module vastavust direktiivi 1999/5/EÜ põhinõuetele ja nimetatud direktiivist tulenevatele teistele asjakohastele sätetele. GrootBrittannië: Hereby, Alpine Electronics, Inc., declares that this Bluetooth Module is in compliance with the essential requirements and other relevant provisions of Directive 1999/5/EC. Spanje: Por medio de la presente Alpine Electronics, Inc.
10 Specificaties Typegoedkeuring Land 10 412 Hongarije: Alulírott, Alpine Electronics, Inc. nyilatkozom, hogy a Bluetooth Module megfelel a vonatkozó alapvetõ követelményeknek és az 1999/5/EC irányelv egyéb elõírásainak. Polen: Niniejszym Alpine Electronics, Inc. oświadcza, że Bluetooth Module jest zgodny z zasadniczymi wymogami oraz pozostałymi stosownymi postanowieniami Dyrektywy 1999/5/EC. Portugal: Alpine Electronics, Inc.
10 Specificaties Typegoedkeuring Land China: कϝᴵǂ䖯ষ⫳ѻॖଚ݊ѻકⱘ䇈ᯢкՓ⫼ݠЁˈᑨߞॄϟ䗄᳝݇ݙᆍ˖ 10 ᷛᯢ䰘ӊЁ᠔㾘ᅮⱘᡔᴃᣛᷛՓ⫼㣗ೈˈ䇈ᯢ᠔᳝ࠊǃ䇗ᭈঞᓔ݇ㄝՓ⫼ᮍ⊩˗ Ƶ Փ⫼乥⥛˖ *+] Ƶ ㄝᬜܼ䕤ᇘࡳ⥛ (,53 ˖㒓Ⲟ˘ G%L ᯊ˖싨 P: 싨 G%Pǂķ Ƶ ᳔ࡳ⥛䈅ᆚᑺ˖㒓Ⲟ˘ G%L ᯊ˖싨 G%P 0+] (,53 ķ Ƶ 䕑乥ᆍ䰤˖ SSP Ƶ ᴖᬷথᇘ 䕤ᇘ ࡳ⥛ ᇍᑨ䕑⊶f ֵס䘧ᏺᆑҹ ˖ • • • • • 싨 G%P N+] 0+] 싨 G%P N+] *+] 싨 G%P 0+] *+] 싨 G%P 0+] *+] 싨 G%P 0+] ݊ᅗ *+] ϡᕫ᪙㞾ᬍথᇘ乥⥛ǃࡴথᇘࡳ⥛ ࣙᣀ
10 Specificaties Typegoedkeuring Land 10 Taiwan: ܅㧤ሽंᘿ୴ࢤሽᖲጥ䏺ऄรԼ㦕 รԼԲය ᆖীڤᎁᢞٽհפ܅୴᙮ሽᖲΔॺᆖױΔֆΕᇆࢨࠌ݁ृشլᖐ۞!᧢ޓ᙮ΕףՕפࢨ᧢ޓૠհࢤ֗פ౨Ζ รԼය פ܅୴᙮ሽᖲհࠌشլᐙଆڜ٤֗եឫٽऄຏॾΙᆖ࿇ڶեឫွழΔ!ᚨܛمೖشΔࠀޏ۟ྤեឫழֱᤉᥛࠌشΖছႈ ٽऄຏॾΔਐࠉሽॾऄࡳ!܂ᄐհྤᒵሽຏॾΖפ܅୴᙮ሽᖲႊٽ࠹ݴऄຏॾࢨՠᄐΕઝᖂ֗᠔᛭شሽं!ᘿ୴ࢤሽᖲໂհեឫΖ CCAB10LP0230T7 414
10 Specificaties Typegoedkeuring Land ZuidKorea: ⭧㟓#⭠‿ 10 Volvo Car Korea 㐔㷡㣄G䂈☐aGuY\TphtYXWX} 㥐䖼G⮹aGiGhGuGy ⯜⒬G⮹aGphtYUX G⇔㬐aGtVYWXW Alpine Electronics, Inc Made in Japan ါཨ#⭠‿ Volvo Car Korea ⸰⸨㣄┍㵜䂈⫠㙸 ㉐㟬㐐G㟝ẠG䚐⇜ Y ┍G^Y]TX^ZG⸰⸨⾀♝G[ 㽩 ⸰⸨㣄┍㵜GḔᵑ㉰䉤GX\__TX^^^ http://www.volvocars.
10 Specificaties Typegoedkeuring Land 10 Singapore: Verenigde Arabische Emiraten: Jordanië: The product that contains the Bluetooth module is approved with the following certification number. BT module certification number: TRC/LPD/2010/4. BT module name: IAM2.
10 Specificaties Typegoedkeuring Land 10 ZuidAfrika: Urugay: This product contains URSEC approved transmitter [module name and model name (IAM2.
10 Specificaties Typegoedkeuring Land 10 Jamaica: Approved for use in Jamaica SMA EI: IAM2.1 Thailand: This telecommunication equipment conforms to NTC technical requirement. Nigeria: Mexico: Waarschuwing "Este equipo opera a titulo secundario, consecuentemente, debe aceptar interferencias perjudiciales incluyendo equipos de la misma clase y puede no causar interferencias a sistemas operando a titulo primario.
10 Specificaties Typegoedkeuring Land Botswana: 10 Kroatië: 419
10 Specificaties Displaysymbolen Algemeen 10 420 Er worden tal van verschillende displaysymbolen gebruikt in de auto. De lampjes zijn onderverdeeld in waarschuwings-, controle- en informatielampjes. Hier volgt een overzicht van de meest voorkomende lampjes met hun betekenis en een verwijzing naar de pagina(’s) in het boek waar u meer informatie kunt vinden. Voor meer informatie over de lampjes en displaymeldingen, zie pagina 76, 78 en 212.
10 Specificaties Displaysymbolen Betekenis Pagina Groot licht aan 76, 94 Richtingaanwijzers links 76 Richtingaanwijzers rechts 76 DRIVe - Start/ Stop* 76, 134, 138 Bandenspanningssysteem* 336 Betekenis Pagina Adaptieve cruisecontrol*; afstandswaarschuwing* (Distance Alert) 171, 175 Adaptieve cruisecontrol* 171 Adaptieve cruisecontrol*; afstandswaarschuwing* (Distance Alert) 165, 174 165, 174 Lampje Betekenis Pagina Snelheidsbegrenzer 158 Camerasensor*; lasersensor* 180, 189, 193,
10 Specificaties Displaysymbolen Lampje 10 422 Betekenis Pagina Regensensor* 102 Driver Alert System* 193 Driver Alert System*; Lane Departure Warning* Informatielampjes op display plafondconsole Betekenis Pagina Gordelwaarschuwing 18 Airbag passagiersstoel, geactiveerd 22, 23 193, 196 196 Airbag passagiersstoel, gedeactiveerd 23 Driver Alert System*; Lane Departure Warning* Driver Alert System*; Tijd voor pauze 193 * Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
10 Specificaties 10 423
11 Alfabetisch register A Actieve xenonkoplampen.......................... 94 Adaptatie................................................. 124 Aanbevolen veiligheidzitjes, tabel.............. 33 11 Aanhanger............................................... kabel................................................... pendelbeweging................................. rijden met een aanhanger................... 314 314 319 314 Aanpassen, lichtbundel............................. 98 Aanrijding......................
11 Alfabetisch register handmatig schakelen (Geartronic)...... 129 slepen en bergen................................ 321 Automatische wasstraten........................ 378 Auto wassen............................................ 378 AUX-ingang..................................... 249, 272 AWD, vierwielaandrijving......................... 141 snelheidsaanduidingen....................... spanning............................................. specificaties........................................ winterbanden..
11 Alfabetisch register Buitenspiegels......................................... 107 Buitenspiegels resetten........................... 108 D DAB-radio................................................ 264 Dagtellers................................................... 79 11 C Dakbelasting, max. gewicht .................... 389 Camerasensor................................. 178, 187 Dashboardkastje...................................... 242 vergrendelen......................................... 62 CD ......
11 Alfabetisch register Extra verwarming (diesel)......................... 237 Gesprekken gebruik................................................ 281 inkomende.......................................... 281 Hogedruksproeiers koplampen............... 103 Hoge motortemperatuur.......................... 314 HomeLink .............................................. 148 F Gevarendriehoek..................................... 335 File-assistent............................................
11 Alfabetisch register 11 Instrumentenoverzicht auto met stuur links.............................. 72 auto met stuur rechts........................... 74 kinderzitjes en SIPS-airbags................. 24 positie in de auto.................................. 31 veiligheid............................................... 31 Instrumentenpaneel........................... 75, 212 Kinderslot................................................... 66 Instrumentenverlichting, zie Verlichting..... 90 Kinderzitje.....
11 Alfabetisch register Mediaspeler ............................................ 267 Meldingen en symbolen Adaptieve cruisecontrol...................... 171 Motor oververhitting...................................... 314 starten................................................. 118 Menufuncties infotainment ..................... 252 Motorolie.......................................... 345, 394 filter..................................................... 345 hoeveelheden.....................................
11 Alfabetisch register Park Assist............................................... 198 sensoren voor Park Assist.................. 200 Parkeerhulpcamera.................................. 201 Parkeerrem.............................................. 144 Passagiersruimte..................................... 241 11 PCC (Personal Car Communicator) bereik transpondersleutel............... 49, 50 functies................................................. 48 Peilstok, elektronisch...............................
11 Alfabetisch register S Safelock-functie......................................... 64 deactiveren........................................... 64 tijdelijk deactiveren............................... 64 Safety mode.............................................. 30 Schakelindicatie (GSI).............................. 127 Schoonmaken automatische wasstraten................... auto wassen....................................... bekleding............................................ veiligheidsgordels..............
11 Alfabetisch register Storingsmeldingen Driver Alert Control............................. 193 Lane Departure Warning..................... 196 zie Berichten en symbolen......... 146, 171 Storingsmeldingen voor BLIS.................. 207 11 Storingsmeldingen voor de afstandscontrole.......................................................... 175 Storingzoeken Adaptieve cruisecontrol...................... 170 Stuurbekrachtiging, snelheidsafhankelijke...........................................................
11 Alfabetisch register Tunneldetectie........................................... 94 TV............................................................. 292 Type-aanduidingen.................................. 386 Typegoedkeuring, transpondersleutelsysteem......................................................... 408 geïntegreerd kinderzitje met twee standen........................................................ 37 ISOFIX-bevestigingssysteem voor kinderzitjes................................................
11 Alfabetisch register Volgtijd instellen....................................... 174 Volume .................................................... 249 snelheids-/geluidscompensatie.......... 255 Volvo Sensus............................................. 81 11 W Waarschuwingsgeluid Collision Warning................................ 185 Waarschuwingslampje adaptieve cruisecontrol...................... 162 Collision Warning................................ 185 stabiliteits- en tractieregelsysteem.....
Kdakd 8Vg 8dgedgVi^dc 51 %VUDI "5 1SJOUFE JO 4XFEFO (zUFCPSH $PQZSJHIU © 7PMWP $BS $PSQPSBUJPO