WEB EDITION GEBRUIKERSHANDLEIDING
BESTE VOLVO-BEZITTER, DANK U DAT U GEKOZEN HEBT VOOR VOLVO! Wij hopen dat u jarenlang rijplezier van uw Volvo zult hebben. Bij het ontwerp hebben veiligheid en comfort van u en uw passagiers vooropgestaan. Een Volvo is een van de veiligste auto’s ter wereld. Uw Volvo is ook ontworpen om aan alle geldende veiligheidsvoorschriften en milieueisen te voldoen.
Inhoud 01 Inleiding Gebruikershandleiding op beeldscherm in de auto.................................................. Gebruikershandleiding lezen..................... Digitale gebruikershandleiding in auto...... Vastlegging van gegevens........................ Accessoires en extra uitrusting................. Support en informatie over de auto op internet...................................................... Volvo ID..................................................... Milieubeleid..........................
Inhoud 03 Instrumenten, schakelaars en bediening Instrumenten en bediening, auto met stuur links - overzicht................................ Instrumenten en bediening, auto met stuur rechts - overzicht............................. Instrumentenpaneel.................................. Instrumentenpaneel, analoog - overzicht. Instrumentenpaneel, digitaal - overzicht... Eco guide & Power guide*........................ Instrumentenpaneel - betekenis controlesymbolen..............................................
Inhoud 04 Klimaat Algemene informatie over de klimaatregeling...................................................... Werkelijke temperatuur........................... Sensoren - klimaat.................................. Luchtkwaliteit.......................................... Luchtkwaliteit - interieurfilter................... Luchtkwaliteit - Clean Zone Interior Package (CZIP)*............................................ Luchtkwaliteit - IAQS*............................. Luchtkwaliteit - materialen.......
Inhoud 06 Sloten en alarm Transpondersleutel................................. 160 Transpondersleutel - verlies ................... 160 Transpondersleutel - personalisering*.... 161 Vergrendelen/ontgrendelen - indicatie.... 162 Vergrendelingsindicatie........................... 162 Transpondersleutel - elektronische startblokkering............................................... 163 Op afstand bediende startblokkering met opsporingssysteem*............................... 163 Transpondersleutel - functies....
Inhoud 07 Bestuurdersondersteuning Elektronische stabiliteitsregeling (ESC) algemeen................................................ Elektronische stabiliteitsregeling (ESC) bediening................................................ Elektronische stabiliteitsregeling (ESC) symbolen en meldingen.......................... Verkeersbordenherkenning (RSI)............ Verkeersbordenherkenning (RSI)* bediening................................................ Verkeersbordenherkenning (RSI)* beperkingen..............
Inhoud 08 Starten en rijden Rijbaanassistent - beperkingen.............. Rijbaanassistent - symbolen en meldingen.......................................................... Parkeerhulp*............................................ Park Assist* - functie............................... Parkeerhulp* - aan de achterzijde........... Park Assist* - aan de voorzijde............... Park Assist* - storingsindicatie............... Park Assist* - sensoren schoonmaken... Parkeerhulpcamera................................
Inhoud 09 Wielen en banden Start/Stop* - automatische motorstart werkt niet................................................ 291 Start/Stop* - onvrijwillige motorstop bij handgeschakelde versnellingsbak.......... 291 Start/Stop* - instellingen......................... 292 Start/Stop* - symbolen en meldingen..... 293 ECO*....................................................... 295 Rempedaal.............................................. 297 Bedrijfsrem - antiblokkeerremsysteem...
Inhoud 10 Onderhoud en service Bandenspanningscontrolesysteem (TPMS)* - activeren/deactiveren............. 339 Bandenspanningscontrolesysteem (TPMS)* - adviezen................................. 340 Bandenspanningscontrolesysteem (TPMS)* - runflat-banden*....................... 340 Bandenspanningscontrolesysteem (TPMS)* - bij een lage bandenspanning.. 341 Bandenspanningscontrolesysteem (TM)* 341 Noodreparatieset voor banden*..............
Inhoud 11 Specificaties Roestwering............................................ 398 Interieur reinigen..................................... 398 Lakschade............................................... 399 Type-aanduidingen................................. Maten...................................................... Gewichten............................................... Trekgewicht en kogeldruk....................... Motorspecificaties...................................
Inhoud 11
INLEIDING
01 Inleiding Gebruikershandleiding op beeldscherm in de auto Via het beeldscherm van de auto is de gebruikershandleiding1 raadpleegbaar in digitale vorm. De gebruikershandleiding bevat informatie over de werking van de auto. Bij auto’s met gebruikershandleiding vormt de gebruikershandleiding in drukvorm een aanvulling op deze informatie en deze bevat belangrijke teksten, de nieuwste gegevens en handige instructies, wanneer u de informatie op het beeldscherm om praktische redenen niet kunt lezen.
01 Inleiding 01 || Gebruikershandleiding op mobiele apparaten De uitrusting die in de gebruikershandleiding wordt beschreven is niet op alle auto’s aanwezig – welke uitrusting aanwezig is hangt af van de verschillende behoeften op de diverse markten en de landelijke en/of regionale weten regelgeving. Neem bij twijfel over de standaarduitrusting of opties/accessoires contact op met een Volvodealer. Speciale teksten WAARSCHUWING N.B.
01 Inleiding Zwarte ISO-symbolen in een oranje waarschuwingsveld, witte tekst/afbeelding in een zwart tekstveld. Worden gebruikt om te attenderen op een risico dat, bij het negeren van de waarschuwing, kan resulteren in ernstig letsel met mogelijk dodelijke afloop. Informatie voerd, staan genummerd in de gebruikershandleiding.
01 Inleiding 01 || Opsommingslijsten Digitale gebruikershandleiding in auto Bij opsommingen in de gebruikershandleiding wordt gebruik gemaakt van een opsommingslijst. De gebruikershandleiding is weer te geven op het beeldscherm in de auto2. De informatie is doorzoekbaar en de navigatie tussen de verschillende hoofdstukken verloopt eenvoudig. Bijvoorbeeld: • • Koelvloeistof Motorolie Gerelateerde informatie Gerelateerde informatie verwijst naar andere artikelen met aanverwante informatie.
01 Inleiding Zoeken 3. Om over te schakelen op de invoer van cijfers of speciale tekens of om te zoeken, draait u aan TUNE, totdat een van de opties (zie verklaring in volgende tabel) in de lijst voor het wisselen van invoerstand (2) verschijnt en druk vervolgens op OK/ MENU. 123/AB C Met OK/MENU kunt u wisselen tussen cijfers en letters. MEER Met OK/MENU kunt u overschakelen op de invoer van speciale tekens. OK Voer de zoekopdracht uit.
01 Inleiding 01 || Tekst invoeren met numeriek toetsenbord Categorieën De artikelen van de gebruikershandleiding zijn geordend naar hoofdcategorieën en ondercategorieën. Hetzelfde artikel ligt mogelijk in meerdere categorieën zodat het gemakkelijker te vinden is. kel te openen. Druk op EXIT om terug te gaan naar de vorige weergave. In een artikel navigeren Draai aan TUNE om door de categorieboom te navigeren en druk op OK/MENU om een ) of artikel (aancategorie (aangeduid met geduid met ) te openen.
01 Inleiding Draai aan TUNE om de links door te nemen of een artikel omhoog of omlaag te schuiven. Als het beeldscherm naar het begin/eind van een artikel is geschoven, zijn de opties Home en Favoriet bereikbaar door een stap omhoog/omlaag te gaan. Druk op OK/MENU om de keuze/gemarkeerde link te activeren. Druk op EXIT om terug te gaan naar de vorige weergave. Gerelateerde informatie • Support en informatie over de auto op internet (p.
01 Inleiding 01 Accessoires en extra uitrusting Support en informatie over de auto op internet Een verkeerde aansluiting en montage van accessoires en extra uitrusting kan een nadelige invloed hebben op de werking van de elektronische systemen van de auto. Bepaalde accessoires werken alleen, wanneer de bijbehorende software in de computersystemen van de auto wordt geladen.
01 Inleiding Downloadbare informatie van de supportsite Kaarten Voor auto’s met Sensus Navigation* zijn via de supportsite kaarten te downloaden. Mobiele apps Voor bepaalde Volvo-modellen van modeljaar 2014 en 2015 is de gebruikershandleiding als app beschikbaar. Ook de VOC*-app kan hier worden gedownload. ties. Op My Volvo web vindt u ook informatie over modelspecifieke accessoires en softwareproducten voor uw Volvo. Gerelateerde informatie • Volvo ID (p.
01 Inleiding 01 || opvolgen in het e-mailbericht dat automatisch wordt verstuurd naar het opgegeven e-mailadres. Een Volvo ID kan via de volgende diensten worden aangemaakt: • My Volvo - Geef het e-mailadres aan en volg de instructies. • Bij een auto met internetaansluiting* Geef het e-mailadres aan in de app die Volvo ID vereist en volg de instructies. Of druk twee keer op de verbindingsknop op de middenconsole en kies Apps Instellingen en volg de instructies.
01 Inleiding Milieubeleid Uw Volvo voldoet aan strenge internationale milieueisen en is bovendien geproduceerd in Zorg voor het milieu is een van de kernwaarden van Volvo Cars die van invloed zijn op alle activiteiten. We zijn ervan overtuigd dat onze klanten onze zorg voor het milieu delen. Volvo Cars is gecertificeerd volgens de milieunorm ISO 14001 voor alle fabrieken en de meeste andere eenheden. We eisen bovendien van onze samenwerkingspartners dat ze systematisch aan milieuzorg doen.
01 Inleiding 01 || sen zoals koolmonoxide te hoog oploopt, wordt de luchtinlaat gesloten. Iets dergelijks kan zich voordoen in bijvoorbeeld druk verkeer, files of tunnels. Het koolstoffilter zorgt ervoor dat stikstofoxiden, laaghangend ozon en koolwaterstoffen niet binnendringen. Interieur Het interieur van een Volvo werd dusdanig vormgegeven dat het gerieflijk en comfortabel is – ook voor mensen met contactallergieën of astma.
01 Inleiding Milieu-aspecten van de gebruikershandleiding De papiervezels waarvan deze publicatie gemaakt is afkomstig zijn uit Forest Stewardship Council®-gecertificeerde bossen of andere gecontroleerde bronnen. 01 Gelaagd glas Het glas is verstevigd voor een verbeterde inbraakbeveiliging en geluidsisolatie van het interieur. De voorruit en de overige ruiten zijn gemaakt van gelaagd glas*.
VEILIGHEID
02 Veiligheid Algemeen over veiligheidsgordels Remmen kan ernstige gevolgen hebben als de veiligheidsgordel niet wordt gedragen. Let er daarom op dat alle passagiers hun veiligheidsgordel tijdens het rijden om hebben. Waar u op moet letten • Gebruik geen klemmen of andere accessoires waardoor u de veiligheidsgordel niet strak langs uw lichaam kunt trekken. • De veiligheidsgordel mag niet gedraaid zitten.
02 Veiligheid 02 Veiligheidsgordel - om doen Waar u op moet letten Doe de veiligheidsgordel (p. 27) om voordat u gaat rijden. De veiligheidsgordel is geblokkeerd en kan niet verder worden uitgetrokken: • • • Rol de gordel langzaam af en maak deze vast door de borglip in de gordelsluiting te steken. Een duidelijke ‘klik’ geeft aan dat de gordel vastzit. als de auto sterk overhelt. Gerelateerde informatie • Verkeerde positie veiligheidsgordel. De veiligheidsgordel moet over de schouder lopen.
02 Veiligheid Veiligheidsgordel - losmaken Veiligheidsgordel - zwangerschap Maak de veiligheidsgordel (p. 27) pas los als de auto stilstaat. Wanneer u zwanger bent, is het belangrijk de veiligheidsgordel (p. 27) altijd op de juiste manier te dragen. Druk op de rode knop van de gordelsluiting en laat het oprolmechanisme de gordel naar binnen trekken. Als de gordel niet volledig wordt opgerold, moet u de gordel handmatig zo ver terugrollen dat deze niet langer slap hangt.
02 Veiligheid Gordelwaarschuwing 02 verschijnt er een melding op het instrumentenpaneel. De melding verdwijnt na ongeveer 30 seconden rijden vanzelf of eerder bij het indrukken van de knop OK op de richtingaanwijzerhendel (p. 108). Als een van de inzittenden geen veiligheidsgordel draagt, verdwijnt de melding echter alleen bij het indrukken van de knop OK op de richtingaanwijzerhendel.
02 Veiligheid Veiligheid - waarschuwingssymbool display. Volvo adviseert u zo spoedig mogelijk contact op te nemen met een erkende Volvo-werkplaats. Het waarschuwingslampje verschijnt, als er tijdens de storingsdiagnose een storing wordt geconstateerd of als het systeem geactiveerd is. Waar nodig verschijnt het waarschuwingslampje in combinatie met een melding op het informatiedisplay van het instrumentenpaneel (p. 63).
02 Veiligheid Airbagsysteem G018665 02 Bij een frontale botsing helpt het airbagsysteem voorkomen dat u en eventuele inzittenden letsel aan hoofd en borstkas oplopen. Airbagsysteem, van bovenaf gezien bij een auto met het stuur links. Het SRS bestaat uit airbags en sensoren. Bij een voldoende krachtige aanrijding reageren de sensoren, waarna één of meer airbags worden opgeblazen en warm worden. De airbags vangen de klap van de aanrijding op voor de inzittende.
02 Veiligheid Airbags aan de bestuurderszijde Uw auto heeft behalve de veiligheidsgordel (p. 27) aan de bestuurderszijde ook twee airbags (p. 32). Gerelateerde informatie • Passagiersairbag (p. 33) Passagiersairbag Uw auto heeft behalve de veiligheidsgordel (p. 27) aan de passagierszijde ook een airbag (p. 32). Een van de airbags zit opgevouwen in het midden van het stuurwiel. Het stuurwiel is voorzien van het opschrift AIRBAG. De airbag zit opgevouwen in een ruimte boven het dashboardkastje.
02 Veiligheid || WAARSCHUWING De veiligheidsgordel en airbag werken samen. Als de gordel niet of verkeerd wordt gebruikt, kan dit bij een botsing van invloed zijn op het effect van de airbag. 02 Om geen letsel op te lopen wanneer de airbag wordt opgeblazen, moet de passagier zo rechtop mogelijk zitten met de voeten op de vloer en de rug tegen de rugleuning. De veiligheidsgordel moet vast zitten. Positie van de passagiersairbag in een auto met het stuur rechts.
02 Veiligheid Schakelaar - PACOS* De passagiersairbag (SRS) voorin is te deactiveren, (p. 35) met een schakelaar als de auto is uitgerust met PACOS (Passenger Airbag Cut Off Switch). WAARSCHUWING Als de auto is uitgerust met een airbag aan de passagierszijde maar geen PACOSschakelaar (Passenger Airbag Cut Off Switch) heeft, is de airbag altijd geactiveerd. Gerelateerde informatie • • Airbags aan de bestuurderszijde (p. 33) Kinderzitje (p.
02 Veiligheid || N.B. 02 Wanneer de transpondersleutel in sleutelstand II (p. 79) staat, brandt ca. 6 seconden lang het waarschuwingssymbool (p. 31) voor de airbag op het instrumentenpaneel. Daarna gaat de indicator op de plafondconsole branden die de status van de passagiersairbag aangeeft. WAARSCHUWING WAARSCHUWING Vervoer kinderen nooit in een kinderzitje of op een verhogingskussen voorin wanneer de airbag aan die kant geactiveerd is en in de plafondconsole het symbool brandt.
02 Veiligheid SIPS-airbags Bij een aanrijding in de zij wordt een groot deel van de botskracht door het SIPS-systeem (Side Impact Protection System) over balken, stijlen, vloer, dak en andere delen van de carrosserie verdeeld. De SIPS-airbags aan de bestuurders- en de passagierszijde beschermen de borstkas en de heupen en vormen een belangrijk onderdeel van het SIPS-systeem. maal gesproken alleen opgeblazen aan de kant van de aanrijding.
02 Veiligheid SIPS-airbag (SIPS) - kinderzitje/ babyzitje 02 De SIPS-airbags beïnvloeden de beschermende werking van kinderzitje en/of zittingverhoger niet negatief (p. 37). Opblaasgordijnen (IC-systeem) WAARSCHUWING Het systeem helpt voorkomen dat de bestuurder en eventuele passagiers bij een botsing met hun hoofd tegen de binnenkant van de auto stoten. Hang of bevestig nooit zware voorwerpen aan de plafondhandgrepen.
02 Veiligheid Algemene informatie over WHIPS (whiplash-bescherming) en de materiaaleigenschappen van dat voertuig. WHIPS (Whiplash Protection System) biedt bescherming tegen whiplash-letsel. Het systeem bestaat uit energieabsorberende rugleuningen en speciaal voor het systeem ontwikkelde hoofdsteunen voor de beide voorstoelen. WAARSCHUWING Het WHIPS-systeem vormt een aanvulling op de veiligheidsgordel. Gebruik de veiligheidsgordel altijd.
02 Veiligheid 02 WHIPS - kinderzitje WHIPS - zithouding Het WHIPS-systeem (p. 39) beïnvloedt de beschermende werking van kinderzitje en/of zittingverhoger niet negatief. Voor optimale bescherming door het WHIPSsysteem (p. 39) moeten bestuurder en voorpassagier de juiste zithouding innemen en zorgen dat het systeem niet wordt gehinderd. Het is mogelijk een kinderzitje/zittingverhoger (p.
02 Veiligheid WAARSCHUWING Als de stoel aan grote krachten heeft blootgestaan zoals bij een botsing van achteren, moet het WHIPS-systeem worden gecontroleerd. Volvo adviseert om dit door een erkende Volvo-werkplaats te laten controleren. Het WHIPS-systeem kan een deel van zijn beschermende eigenschappen hebben verloren, ook als de stoel onbeschadigd lijkt. Volvo adviseert u contact op te nemen met een erkende Volvo-werkplaats om het systeem te laten controleren, ook bij zachtere aanrijdingen van achteren.
02 Veiligheid WAARSCHUWING 02 De regeleenheid van het airbagsysteem zit in de middenconsole. Als de middenconsole doorweekt geraakt is, moet u de accukabels loskoppelen. Probeer de auto niet te starten, omdat de airbags daarbij geactiveerd kunnen worden. Laat de auto wegslepen. Volvo adviseert u de te auto te laten wegslepen naar een erkende Volvowerkplaats.
02 Veiligheid Gerelateerde informatie • • Safety mode - startpoging (p. 43) Safety mode - auto verrijden (p. 44) Safety mode - startpoging WAARSCHUWING Als de auto in de Safety mode (p. 42) staat, is een startpoging mogelijk als alles in orde lijkt te zijn en u gecontroleerd hebt dat er geen sprake is van brandstoflekkage. Probeer in geen geval de auto opnieuw te starten, als u een brandstofgeur waarneemt terwijl de melding Veiligheidsstand Zie instructieboekje getoond wordt.
02 Veiligheid 02 Safety mode - auto verrijden Voetgangersairbag Als Normal mode verschijnt, wanneer de Veiligheidsstand Zie instructieboekje na een startpoging (p. 43) werd gereset, mag u de auto voorzichtig uit de huidige, gevaarlijke positie verrijden. De voetgangersairbag (Pedestrian Airbag) beperkt bij bepaalde frontale aanrijdingen de kracht waarmee de auto de voetganger raakt. N.B.
02 Veiligheid WAARSCHUWING Volvo adviseert u contact op te nemen met een erkende Volvo-werkplaats bij schade aan de bumper om er zeker van te zijn dat het systeem intact is. Gerelateerde informatie Voetgangersairbag - auto verrijden Voetgangersairbag - opvouwen U mag de auto niet verrijden, wanneer deze in de Safety mode (p. 42) staat. Vouw de voetgangersairbag (p. 44) (Pedestrian Airbag) op, voordat u de auto verrijdt.
02 Veiligheid 02 || 2. Verzamel eerst de stof van de airbag aan de linkerzijde in de lengterichting en vouw daarna de verzamelde stof naar het midden. Wikkel de klittenband (dubbelzijdig) rond zoveel mogelijk stof en maak de band vast. 3. Druk het omwikkelde deel van de airbag omlaag in de airbagbehuizing (2). 4. Herhaal de punten 1–3 voor de rechterzijde. Het is wellicht nodig om de verzamelde stof aan deze kant twee keer te vouwen voordat de klittenband er omheen wordt gewikkeld. 5.
02 Veiligheid Kinderzitje N.B. Kinderen moeten comfortabel en veilig kunnen zitten. Zorg dat u het kinderzitje op de juiste wijze gebruikt. Bij gebruik van kinderveiligheidsproducten is het belangrijk om de meegeleverde montagehandleiding te lezen. 02 WAARSCHUWING G020739 Zet de bevestigingsbanden van het kinderzitje niet vast aan de hendel waarmee u de voorstoel in de lengterichting verstelt of aan de veren, rails of balken onder de stoel. Scherpe randen kunnen de bevestigingsbanden beschadigen.
02 Veiligheid || Aanbevolen kinderzitjes1 Gewicht Voorstoel (met gedeactiveerde airbag) Buitenste zitplaats achterbank 02 Groep 0 Volvo-babyzitje (Volvo Infant Seat) - achterstevoren gemonteerd kinderzitje bevestigd met ISOFIX-systeem. max. 10 kg Typegoedkeuring: E1 04301146 Groep 0+ (L) max. 13 kg Groep 0 max. 10 kg Middelste zitplaats achterbank Volvo-babyzitje (Volvo Infant Seat) – achterstevoren gemonteerd kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel.
02 Veiligheid Gewicht Voorstoel (met gedeactiveerde airbag) Buitenste zitplaats achterbank Groep 1 Achterstevoren gemonteerd/omkeerbaar Volvo-kinderzitje (Volvo Convertible Child Seat) – achterstevoren gemonteerd kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel en bevestigingsband. Achterstevoren gemonteerd/omkeerbaar Volvo-kinderzitje (Volvo Convertible Child Seat) – achterstevoren gemonteerd kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel en bevestigingsband.
02 Veiligheid || 02 Gewicht Voorstoel (met gedeactiveerde airbag) Buitenste zitplaats achterbank Groep 2/3 Volvo-comfortkussen met rugleuning (Volvo Booster Seat with backrest). Volvo-comfortkussen met rugleuning (Volvo Booster Seat with backrest). Typegoedkeuring: E1 04301169 Typegoedkeuring: E1 04301169 (UF) (UF) Kinderzitje met of zonder rugleuning (Booster Cushion with and without backrest). Kinderzitje met of zonder rugleuning (Booster Cushion with and without backrest).
02 Veiligheid Kinderzitje - positie WAARSCHUWING Plaats kinderzitjes/zittingverhogers (p. 47) altijd op de achterbank als de airbag aan de passagierszijde geactiveerd (p. 35) is. Als de airbag wordt opgeblazen, kan een kind op de passagiersstoel ernstig letsel oplopen. Vervoer kinderen nooit in een kinderzitje of op een comfortkussen voorin, wanneer de airbag aan die kant geactiveerd is. Laat nooit iemand voor de passagiersstoel zitten of staan.
02 Veiligheid 02 Kinderzitje - ISOFIX ISOFIX - afmetingscategorieën ISOFIX is een bevestigingssysteem voor kinderzitjes (p. 47), gebaseerd op een internationale standaard. Voor kinderzitjes met een ISOFIX (p. 52)bevestigingssysteem zijn er afmetingscategorieën om gebruikers te helpen bij het kiezen van het juiste type kinderzitje (p. 53). Afmetingscategorie U vindt de bevestigingspunten voor het ISOFIX-systeem onder aan de rugleuning van de achterbank op de beide buitenste zitplaatsen.
02 Veiligheid ISOFIX - soorten kinderzitjes Kinderzitjes kunnen net als auto’s verschillende afmetingen hebben. Kinderzitjes passen Type kinderzitje Babyzitje, overdwars Babyzitje, achterstevoren daardoor niet op alle zitplaatsen van de verschillende modellen. Gewicht max. 10 kg max. 10 kg Afmetingscategorie Zitplaatsen voor montage ISOFIXA-kinderzitje Voorstoel Buitenste zitplaats achterbank F X X G X X E X OK 02 (IL) Babyzitje, achterstevoren max.
02 Veiligheid || Type kinderzitje 02 Kinderzitje, in rijrichting Gewicht 9–18 kg Afmetingscategorie B Zitplaatsen voor montage ISOFIXA-kinderzitje Voorstoel Buitenste zitplaats achterbank X OKB (IUF) B1 X OKB (IUF) A X OKB (IUF) X: De ISOFIX-stand leent zich niet voor ISOFIX-kinderzitjes in deze gewichts- en/of afmetingscategorie. IL: Geschikt voor specifieke ISOFIX-kinderzitjes.
02 Veiligheid Kinderzitje - bovenste bevestigingspunten N.B. Klap de hoofdsteunen omlaag om het monteren van dit type kinderzitje te vereenvoudigen bij auto’s met neerklapbare hoofdsteunen op de beide buitenste zitplaatsen. De auto is uitgerust met bovenste bevestigingspunten voor bepaalde kinderzitjes (p. 47) die in de rijrichting worden gemonteerd. Deze bevestigingspunten zitten achter op het zitgedeelte van de achterbank. 02 N.B.
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Instrumenten en bediening, auto met stuur links - overzicht In het overzicht staat waar de displays en bedieningen van de auto zitten.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening || Overzicht auto’s met het stuur links 03 58
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Functie Zie Functie Zie Functie Zie Menu- en meldingsfuncties, richtingaanwijzers, groot licht/dimlicht, boordcomputer (p. 108), (p. 111), (p. 94), (p. 89) en (p. 122). Openingshandgreep portier – (p. 86) en (p. 178). Bedieningspaneel Stoelverstelling* (p. 82). Handmatig schakelen bij automatische versnellingsbak* (p. 279). (p. 176), (p. 182), (p. 102) en (p. 104). Verlichtingsdraaiknop, opener achterklep Alarmlichten (p. 93). Cruisecontrol* (p.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Instrumenten en bediening, auto met stuur rechts - overzicht In het overzicht staat waar de displays en bedieningen van de auto zitten.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Overzicht auto’s met het stuur rechts 03 }} 61
03 Instrumenten, schakelaars en bediening || 03 62 Functie Zie Functie Zie Functie Zie Wissers en -sproeiers (p. 100). Bedieningspaneel (p. 279). Verlichtingsdraaiknop, opener achterklep (p. 86) en (p. 178). Handmatig schakelen bij automatische versnellingsbak* (p. 176), (p. 182), (p. 102) en (p. 104). (p. 363). Stoelverstelling* (p. 82). Menufuncties, bediening audio, bediening telefoon* (p. 111) en Sensus Infotainment-supplement. Ontgrendeling motorkap Alarmlichten (p. 93).
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Instrumentenpaneel Op het informatiedisplay van het instrumentenpaneel wordt informatie weergegeven over bepaalde functies van de auto en meldingen. • Instrumentenpaneel, analoog - overzicht (p. 63) • Instrumentenpaneel, digitaal - overzicht (p. 64) • Instrumentenpaneel - betekenis controlesymbolen (p. 68) • Instrumentenpaneel - betekenis waarschuwingssymbolen (p.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening || Automatische versnellingsbak Geartronic* (p. 279) of Automatische versnellingsbak - Powershift* (p. 283). Controle- en waarschuwingssymbolen 03 parkeerrem. Dit gaat pas uit, als de auto van de parkeerrem wordt gehaald.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Druk om een thema te kiezen op de OK-knop op de linker stuurhendel en kies menu-optie Thema's door aan het duimwiel van dezelfde hendel te draaien. Druk op de OK-knop. Draai aan het duimwiel om een thema te kiezen en bevestig uw keuze door op de OK-knop te drukken. Geartronic* (p. 279) of Automatische versnellingsbak - Powershift* (p. 283).
03 Instrumenten, schakelaars en bediening || Toerenteller. De meter geeft het motortoerental in duizenden omwentelingen per minuut aan. Schakelindicator6 /Schakelstandindicator7. Zie ook Schakelindicator* (p. 278), Automatische versnellingsbak Geartronic* (p. 279) of Automatische versnellingsbak - Powershift* (p. 283). 03 matie (p. 122) en Brandstof tanken (p. 304). Controle- en waarschuwingssymbolen Temperatuurmeter koelvloeistof motor Snelheidsmeter Toerenteller.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Functietest Eco guide & Power guide* Actuele waarde Alle controle- en waarschuwingssymbolen, behalve de symbolen in het midden van het informatiedisplay, gaan branden in sleutelstand II of bij het starten van de motor. Alle symbolen moeten weer uitgaan als de motor is aangeslagen, behalve het symbool voor de parkeerrem. Dit gaat pas uit, als de auto van de parkeerrem wordt gehaald. Eco guide en Power guide zijn twee van de meters op het instrumentenpaneel (p.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening || Instrumentenpaneel - betekenis controlesymbolen Betekenis De controlesymbolen attenderen u erop dat de bijbehorende functies ingeschakeld zijn, de desbetreffende systemen actief zijn of dat er storingen of gebreken zijn opgetreden.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Uitlaatgasreinigingssysteem Bij een storing in het uitlaatgasreinigingssysteem kan na een motorstart het symbool gaan branden. Rijd voor een controle naar een werkplaats. Volvo adviseert dat u daarvoor een erkende Volvo-werkplaats bezoekt. Storing in ABS Als het lampje brandt, is het systeem defect. Het normale remsysteem van de auto werkt dan nog wel, zij het zonder ABS-regeling. 1. Breng de auto zo spoedig mogelijk tot stilstand en zet de motor af. 2.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening || Waarschuwing, portieren niet gesloten Als een van de portieren niet goed dichtstaat, gaat het informatie- of waarschuwingssymbool branden en verschijnt er een verklarende afbeelding op het informatiedisplay. Breng de auto zo spoedig mogelijk tot stilstand en sluit het portier dat openstaat. 03 Als de auto met een snelheid van maximaal 7 km/h rijdt, gaat het informatiesymbool branden. • Instrumentenpaneel, digitaal - overzicht (p.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening displaymelding gewaarschuwd voor een lage oliedruk. Voor meer informatie, zie Motorolie - algemeen (p. 364). Lage oliedruk Als het lampje tijdens het rijden oplicht, is de druk van de motorolie te laag. Zet de motor onmiddellijk af en controleer het motoroliepeil. Vul zo nodig olie bij. Als het lampje oplicht terwijl het oliepeil in orde is, moet u contact opnemen met een werkplaats. Volvo adviseert dat u daarvoor een erkende Volvowerkplaats bezoekt.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening || Waarschuwing 03 Het rode waarschuwingssymbool gaat branden, wanneer er een storing is geregistreerd die van invloed kan zijn op de veiligheid en/of de rijeigenschappen van de auto. Er verschijnt tegelijkertijd een verklarende tekstmelding op het informatiedisplay. Het symbool blijft branden totdat de storing is verholpen, maar de melding kunt u verwijderen met de OK-knop, zie Menufuncties - instrumentenpaneel (p. 108).
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Dagtellers Klok Het dagtellerdisplay is zichtbaar op het instrumentenpaneel. Het klokdisplay is zichtbaar op het instrumentenpaneel. Instrumentenpaneel licentieovereenkomst Een licentie is een overeenkomst die toestemming verleent om bepaalde handelingen te verrichten of het recht om gebruik te maken van een product waar een andere rechtspersoon octrooi of eigendomsrechten op heeft, onder de voorwaarden vervat in de overeenkomst.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening 03 upon written request. Please contact your nearest Volvo Dealer. MIT License: http://opensource.org/licenses/ mit-license.html The offer is valid for a period of at least three (3) years from the date of the distribution of this product by VCC / or for as long as VCC offers spare parts or customer support. • Lua Portions of this product uses software copyrighted © 2007 The FreeType Project (www.freetype.org). All rights reserved.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Symbool Betekenis Zie Lage oliedruk (p. 70) Parkeerrem ingeschakeld, digitaal instrument (p. 70), (p. 299) Parkeerrem ingeschakeld, analoog instrument (p. 70) Airbags (SRS) Controlesymbolen op instrumentenpaneel Symbool Symbool Betekenis Zie Storing in ABL* (p. 68), (p. 92) Uitlaatgasreinigingssysteem (p. 68) Storing in ABS (p. 68), (p. 297) (p. 31), (p. 70) Mistachterlicht aan (p. 68), (p. 92) Gordelwaarschuwing (p. 27), (p. 70) (p.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening || Informatiesymbolen op instrumentenpaneel Symbool 03 76 Symbool Betekenis Zie Radarsensor* Symbool Betekenis Zie (p. 217), (p. 221), (p. 238) Geactiveerde timer* (p. 143) Start/Stop* (p. 293) Geactiveerde timer* (p. 143) Betekenis Zie Groot licht met autodimfunctie AHB* (p. 90) Camerasensor*; lasersensor* (p. 90), (p. 228), (p. 238), (p. 242), (p. 247) Start/Stop* (p. 293) ABL* (p. 92) Adaptieve cruisecontrol* (p.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Symbool Betekenis Zie Driver Alert System*; Tijd voor pauze (p. 241) Driver Alert System*; Tijd voor pauze (p. 242) Schakelindicator (p. 278) Schakelstanden (p. 279) Geregistreerde snelheidsinformatie* (p. 192) Oliepeil meten (p. 365) Volvo Sensus Informatiesymbolen op display plafondconsole Symbool Betekenis Zie Gordelwaarschuwing (p. 30) Airbag passagiersstoel, geactiveerd (p. 35) Airbag passagiersstoel, gedeactiveerd (p.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening || van de auto, Audio en media, Klimaat en dergelijke. Overzicht Met de knoppen en bedieningselementen op de middenconsole en het rechter toetsenblok* op het stuurwiel kunt u functies activeren en deactiveren en tal van instellingen verrichten.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Sleutel aanbrengen 1. Houd de transpondersleutel beet aan de kant van het afneembare sleutelblad en plaats de sleutel in het contactslot. 2. Duw de sleutel vervolgens tot aan de aanslag in het slot. BELANGRIJK Vreemde voorwerpen in het contactslot kunnen tot functiestoringen leiden of schade aan het slot toebrengen.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening || Kiezen van sleutelstand • Sleutelstand 0 - Ontgrendel de auto - het elektrische systeem van de auto staat nu in stand 0. N.B. Om stand I of II te realiseren zonder dat de motor wordt gestart moet u bij het selecteren van deze contactslotstanden het rem-/koppelingspedaal niet bedienen. 03 • Sleutelstand I - Met de transpondersleutel volledig in het contactslot14 geduwd druk kort op START/STOP ENGINE.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Stoel hoger/lager zetten*, omhoog-/ omlaagpompen. Bedieningspaneel voor elektrisch bedienbare stoel*, zie Voorstoelen - elektrisch bediend (p. 82). WAARSCHUWING Stel de stand van de bestuurdersstoel in voordat u gaat rijden en nooit tijdens het rijden. Controleer of de stoel vergrendeld staat om letsel te voorkomen bij hard afremmen of een aanrijding.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Voorstoelen - elektrisch bediend Voor optimaal zitcomfort hebben de voorstoelen verschillende instelmogelijkheden. De elektrisch bediende stoel kan naar voren/ achteren en omhoog/omlaag worden gezet. De voorkant van de zitting kan worden verhoogd/verlaagd. De hellingshoek van de rugleuning kan worden gewijzigd. 03 Elektrische stoelbediening* door een obstakel wordt geblokkeerd.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Noodstop Achterbank Als de stoel per ongeluk in beweging komt, kunt u op een van de verstellingsknoppen of geheugenknoppen van de stoel drukken om de stoel tot stilstand te brengen. De rugleuning en de buitenste hoofdsteunen van de achterbank kunnen worden neergeklapt. De hoofdsteun van de middelste zitplaats kan aan de lengte van de passagier worden aangepast. WAARSCHUWING Beknellingsgevaar! Zorg ervoor dat kinderen niet met de bediening spelen.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening || Ruggedeelte achterbank omklappen N.B. Duw bij het neerklappen van de ruggedeelten de hoofdsteunen naar voren om te voorkomen dat ze in contact komen met het zitgedeelte. BELANGRIJK Als de rugleuning moet worden neergeklapt, mogen de bekerhouders van de achterbank niet open zijn en mogen er geen voorwerpen op de achterbank liggen. De veiligheidsgordels mogen evenmin zijn ingestoken. Schade aan de bekleding van de achterbank is anders namelijk niet uitgesloten.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Stuurwiel Het stuurwiel heeft meerdere verstellingsmogelijkheden en bedieningselementen voor de claxon, cruisecontrol en het menu-, het audioen het telefoonsysteem. Instellen 3. Trek de hendel naar achteren om het stuurwiel in de nieuwe stand te blokkeren. Als dit moeite kost, kunt u lichtjes op het stuurwiel drukken en tegelijkertijd de hendel terugduwen. WAARSCHUWING matische versnellingsbak - Geartronic* (p. 279).
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Bedieningspaneel verlichting Met het bedieningspaneel voor de verlichting kunt u de buitenverlichting inschakelen en aanpassen. U gebruikt het ook om de displayen instrumentenverlichting alsook de sfeerverlichting (p. 95) aan te passen. Overzicht bedieningspaneel verlichting 03 Standen draaiknop Stand Betekenis DagrijlichtA wanneer het elektrische systeem van de auto in sleutelstand II staat of als de motor warm is. Grootlichtsignalering mogelijk.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Stand Betekenis Groot licht kan worden geactiveerd. Grootlichtsignalering mogelijk. Bij een auto met actieve xenonlampen branden de dagrijlichten op gereduceerde sterkte. A Aangebracht in of onder de voorbumper. Volvo adviseert u om stand ken bij ritten in de auto. te gebrui- WAARSCHUWING Inzittenden op alle zitplaatsen en maximale belading in bagageruimte Ook de sterkte waarmee het instrumentenpaneel verlicht wordt stelt u in met het duimwiel.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Stadslichten vóór en achterlichten Dagrijlicht U schakelt de stadslichten vóór en achterlichten in met de verlichtingsdraaiknop. Wanneer de verlichtingsdraaiknop in stand staat en het elektrische systeem van de auto in sleutelstand II of als de motor loopt, wordt bij daglicht automatisch het dagrijlicht ingeschakeld. Dagrijlicht DRL Bij een auto met halogeenkoplampen zijn de dagrijlichten gedoofd, wanneer u het groot licht of dimlicht voert.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Tunneldetectie* Groot licht/dimlicht De tunneldetectie zorgt voor overschakeling van dagrijlicht op dimlicht bij het binnenrijden van een tunnel. Ca. 20 seconden na het verlaten van de tunnel, wordt weer overgeschakeld op dagrijlicht. De functie Tunneldetectie is aanwezig op een auto met een regensensor*. Wanneer u een tunnel binnenrijdt, registreert de sensor dit en wordt overgeschakeld van dagrijlicht naar dimlicht. Ca.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Automatisch groot licht* Wanneer AHB geactiveerd is, brandt het symbool op het informatiedisplay van het instrumentenpaneel wit. Automatisch groot licht ontdekt de koplampen van een tegenligger of de achterlichten van een voorligger en schakelt dan over van groot licht naar dimlicht. De verlichting gaat terug naar groot licht als het invallende licht ophoudt. 03 Als het groot licht ontstoken is, brandt het symbool blauw.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Handmatige bediening N.B. Houd de voorruit in het gebied vóór de camerasensor vrij van ijs, sneeuw, condens en vuil. Plak of monteer niets op de voorruit vóór de camerasensor, aangezien één of meer camera's voor het systeem hierdoor slechter of niet meer werken. WAARSCHUWING BELANGRIJK AHB is een systeem dat u helpt om in ongunstige omstandigheden de optimale verlichting te kiezen.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Actieve xenonkoplampen* Actieve xenon-koplampen zorgen voor optimale verlichting in bochten en op kruisingen om op die manier de veiligheid te verhogen. Actieve xenon-koplampen ABL op het toont, brandt het symbool instrumentenpaneel en op het informatiedisplay verschijnen een verklarende tekst plus een ander brandend symbool. Symbool 03 Lichtbundel bij gedeactiveerde (links) en geactiveerde (rechts) functie.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening wordt het mistachterlicht automatisch uitgeschakeld. N.B. De voorschriften voor het gebruik van een mistachterlicht verschillen per land. Gerelateerde informatie • Bedieningspaneel verlichting (p. 86) Remlichten Alarmlichten De remlichten gaan automatisch branden wanneer u remt. De alarmlichten waarschuwen medeweggebruikers doordat alle richtingaanwijzers gelijktijdig knipperen, wanneer deze functie actief is.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening || rijdt, worden ze automatisch uitgeschakeld. U kunt ook op de knop voor de alarmlichten drukken. Gerelateerde informatie • • Richtingaanwijzer (p. 94) Bedrijfsrem - noodremlichten en automatische alarmlichten (p. 299) Richtingaanwijzer De richtingaanwijzers van de auto zijn te bedienen met de linker stuurhendel. De richtingaanwijzers knipperen driemaal of blijven knipperen, afhankelijk van hoe ver u de hendel omhoog- of omlaaghaalt.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Interieurverlichting Leeslampjes voorin* De interieurverlichting is te activeren/deactiveren met de knoppen van de bedieningspanelen aan het plafond voor- en achterin. De leeslampjes worden in- en uitgeschakeld met een korte druk op de bijbehorende knop op de plafondconsole. De lichtsterkte wordt aangepast door de knop ingedrukt te houden. Leeslampjes achterin* De intensiteit van de vloerverlichting is te wijzigen in het menusysteem MY CAR, zie MY CAR (p. 111).
03 Instrumenten, schakelaars en bediening || (p. 164) of Afneembaar sleutelblad - portier ontgrendelen (p. 169) • de motor is afgezet en het elektrische systeem van de auto in 0 staat. De interieurverlichting dooft, wanneer: • • 03 u de motor start de auto wordt vergrendeld. De interieurverlichting wordt in- en uitgeschakeld bij het openen en sluiten van een portier. De verlichting gaat aan en blijft twee minuten lang branden, wanneer een van de portieren openstaat.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Koplampen - lichtbundel aanpassen Actieve xenonkoplampen* Om verblinding van tegenliggers te voorkomen kunt u de lichtbundel van de koplampen aanpassen voor links- en rechtsrijdend verkeer. De lichtbundel hoeft niet te worden aangepast. De lichtbundel is dusdanig dat tegenliggers niet worden verblind. Halogeenkoplampen 3. Neem de designstrepen op de koplampglazen als uitgangspunt, zie de lijnen op de volgende afbeelding.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening || 03 Bovenste regel: auto met stuur links, mallen A en B. Onderste regel: auto met stuur rechts, mallen C en D.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Mallen voor halogeenkoplampen 03 99
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Wissers en sproeiers Intervalstand Regensensor* De ruitenwisser en -sproeier reinigen de voorruit en achterruit. De koplampen worden met hogedruksproeiers gereinigd. Met het duimwiel kunt u het aantal wisslagen per eenheid van tijd instellen wanneer u de intervalstand hebt geselecteerd. De regensensor registreert de hoeveelheid regen op de voorruit en schakelt automatisch de ruitenwissers op de voorruit in.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening De regensensor wordt automatisch gedeactiveerd wanneer u de transpondersleutel uit het contactslot neemt of vijf minuten nadat u de motor hebt afgezet. BELANGRIJK In de wasstraat kunnen de ruitenwissers van de voorruit starten en beschadigd raken. Schakel de regensensor uit terwijl de auto loopt of de transpondersleutel in stand I of II staat. Het symbool op het instrumentenpaneel en het lampje in de knop doven.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening || 03 Ruitenwisser achterklep, achteruitrijden Elektrisch bedienbare ruiten Als u de auto in de achteruitversnelling zet terwijl de voorste ruitenwissers actief zijn, zal de intervalstand van de ruitenwisser op de achterklep starten22. Bij het inschakelen van een andere versnelling valt de ruitenwisser op de achterklep stil. Vanaf het bedieningspaneel van het bestuurdersportier zijn alle elektrisch bedienbare ruiten te bedienen.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Bediening Bedieningsknoppen elektrisch bedienbare zijruiten. Handmatige bediening Automatische bediening Met het bedieningspaneel van het bestuurdersportier kunnen alle elektrisch bedienbare ruiten worden bediend. De bedieningspanelen van de overige portieren kunnen alleen de ruit van het desbetreffende portier bedienen. Er kan slechts één bedieningspaneel tegelijk worden bediend.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Buitenspiegels WAARSCHUWING Stel de stand van de buitenspiegels bij met het hendeltje op het bedieningspaneel van het bestuurdersportier. Beide spiegels zijn groothoekig voor een optimaal zicht. Voorwerpen kunnen verder weg lijken dan ze in werkelijkheid zijn.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Elektrisch inklapbare buitenspiegels* U kunt de buitenspiegels inklappen bij het parkeren en als u op smalle wegen rijdt: 1. Druk de knoppen L en R gelijktijdig in (sleutelstand minimaal I). 2. Laat ze na ca. 1 seconde los. De spiegels stoppen automatisch, als ze volledig zijn ingeklapt. Ruiten en buitenspiegels - elektrische verwarming niets doet, wordt de functie na enige tijd automatisch uitgeschakeld.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Achteruitkijkspiegel Autodimfunctie* Glazen dak* De achteruitkijkspiegel is te dimmen met een knopje aan de onderkant van de spiegel. Ook is het mogelijk dat de autodimfunctie van de achteruitkijkspiegel actief is. Als het licht dat van achteren in de spiegel valt te fel is, wordt de achteruitkijkspiegel automatisch gedimd. Bij een spiegel met autodimfunctie ontbreekt het hendeltje voor handmatig dimmen.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening BELANGRIJK • Raak het rolgordijn niet met de handen aan, omdat dit dan beschadigd kan raken. • Gebruik voor bediening van het rolgordijn alleen de knoppen op de plafondconsole. Kompas* In de rechter bovenhoek van de achteruitkijkspiegel zit een display waarop wordt aangegeven in welke richting de voorkant van de auto wijst. Bediening Het kompas wordt gedeactiveerd als de elektrische voorruitverwarming wordt geactiveerd.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Menufuncties - instrumentenpaneel Met de linker stuurhendel bedient u de menu’s die op het informatiedisplay van het instrumentenpaneel (p. 63) verschijnen. Welke menu’s er verschijnen hangt af van de sleutelstand (p. 79). 03 Magnetische zones. Informatiedisplays (digitaal instrumentenpaneel) en bedieningsknoppen voor menufuncties. 4.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Menu-overzicht - analoog instrumentenpaneel Menu-overzicht - digitaal instrumentenpaneel Welke menu’s er op het informatiedisplay van het instrumentenpaneel verschijnen hangt af van de sleutelstand (p. 79). Welke menu’s er op het informatiedisplay van het instrumentenpaneel verschijnen hangt af van de sleutelstand (p. 79). Voor sommige van de onderstaande menuopties dient de auto te zijn uitgerust met de bijbehorende functie en software.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening || 03 Melding Betekenis Melding Betekenis Melding Betekenis Bespreek tijd voor onderhoud Het is tijd om een afspraak te maken voor een servicebeurt – bezoek een werkplaatsB. Versnellingsbak Beperkte werking Tijdelijk uitgeschakeldA Tijd voor periodiek onderhoud Het is tijd voor een servicebeurt – bezoek een werkplaatsB.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Meldingen - functies MY CAR Met de linker stuurhendel kunt u door de meldingen (p. 109) bladeren die op het informatiedisplay van het instrumentenpaneel verschijnen en deze bevestigen. MY CAR is een menugroep voor hantering van tal van autofuncties, zoals City Safety™, sloten en alarm, automatische ventilatorsnelheid, klokinstelling e.d.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening || is afhankelijk van de gekozen uitrusting en de desbetreffende markt. MY CAR - opent het menusysteem MY CAR. OK/MENU - knop op de middenconsole indrukken of het duimwiel op het stuurwiel om de gemarkeerde menu-optie te kiezen/aan te vinken of de gekozen functie in het geheugen op te slaan. 03 TUNE - aan de draaiknop op de middenconsole of het duimwiel op het stuurwiel draaien om een stap omhoog/omlaag te gaan door de menu-opties.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening De functies of alternatieve rubrieken van de boordcomputer volgen elkaar op in elk hun eigen lus (loop). Gerelateerde informatie • Boordcomputer - analoog instrumentenpaneel (p. 114) • Boordcomputer - digitaal instrumentenpaneel (p. 118) • Boordcomputer - aanvullende informatie (p. 122) • Boordcomputer - rijstatistiek* (p. 123) 03 * Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Boordcomputer - analoog instrumentenpaneel De menu’s van de boordcomputer volgens elkaar op in een eindeloze lus. Een van opties bestaat erin dat het boordcomputerdisplay dooft – dit geeft tevens het begin/eind van de lus aan. 03 Functies Doe het volgende om functies te openen en regelen/aanpassen: 1. Om er zeker van dat geen van de bedieningselementen zich midden in een procedure bevindt, moet u ze eerst ‘resetten’ door tweemaal drukken op RESET. 2.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Functies Informatie Digit. snlhd. Geeft de rijsnelheid digitaal weer in het midden van het instrumentenpaneel: • • • • km/h mph Open een functie met OK, kies een optie met het duimwiel, bevestig met OK en verlaat de functie met RESET. Geen aanduiding Verwarming* • • DIRECTE START • - Timer 2 - voert naar het menu voor selectie van het tijdstip. Voor een beschrijving van het programmeren van de timer, zie Motor- en interieurverwarming* timers (p. 142).
03 Instrumenten, schakelaars en bediening || A 03 Functies Informatie OliepeilA Voor meer informatie, zie Motorolie - controleren en bijvullen (p. 365). Meldingen (##) Voor meer informatie, zie Berichten (p. 109). Bepaalde motoren. Rubrieken U kunt een van de rubrieken in de volgende tabel uitkiezen voor constante weergave op het instrumentenpaneel. Doe het volgende om een keuze te maken: 3. Stop met bladeren bij de rubriek van uw keuze. 2.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Resetten - Dagtellers en Gemiddelde snelheid Met de actuele boordcomputerrubriek – T1 en tot afst, T2 en tot afst of Gem. snelh. – op het instrumentenpaneel: • RESET lang indrukken - gekozen rubriek wordt op nul gesteld. U moet iedere rubriek apart op nul stellen. 03 Gerelateerde informatie • • Boordcomputer (p. 112) Boordcomputer - digitaal instrumentenpaneel (p. 118) • Boordcomputer - aanvullende informatie (p. 122) • Boordcomputer - rijstatistiek* (p.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Boordcomputer - digitaal instrumentenpaneel De menu’s van de boordcomputer volgens elkaar op in een eindeloze lus. Een van opties bestaat erin dat alle drie de boordcomputerdisplays doven – dit geeft tevens het begin/ eind van de lus aan. 03 Functies Doe het volgende om functies te openen en regelen/aanpassen: 1. Om er zeker van dat geen van de bedieningselementen zich midden in een procedure bevindt, moet u ze eerst ‘resetten’ door tweemaal drukken op RESET. 2.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Functies Informatie Boordcomp reset NB Bij deze functie worden de beide dagtellers T1 en T2 niet op nul gesteld - zie tabel in het volgende gedeelte ‘Rubrieken’ en het gedeelte ‘Op nul stellen - Snelheid/Verbruik gemiddeld’ voor informatie hierover. • • Gemiddeld Gemiddelde snelheid Meldingen Voor meer informatie, zie Berichten (p. 109). Thema's Hier kiest u het uiterlijk van het instrumentenpaneel, zie Instrumentenpaneel, digitaal - overzicht (p. 64).
03 Instrumenten, schakelaars en bediening || Rubrieken U kunt een van de rubriekcombinaties in de volgende tabel uitkiezen voor constante weergave op het instrumentenpaneel. Doe het volgende om een keuze te maken: 1. Om er zeker van dat geen van de bedieningselementen zich midden in een procedure bevindt, moet u ze eerst ‘resetten’ door tweemaal drukken op RESET. 2. Draai aan het duimwiel - de te kiezen rubriekcombinaties worden in een lus weergegeven.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Resetten - Dagtellers Draai met het duimwiel naar de rubriekcombinatie die de op nul te stellen dagteller bevat: • RESET lang indrukken - gekozen dagteller wordt op nul gesteld. Op nul stellen - Snelheid/Verbruik gemiddeld 1. Kies de functie Boordcomp reset en activeer deze met OK. 03 2. Kies een van de volgende opties met het duimwiel en activeer deze met OK: • • • l/100 km km/h Allebei resetten 3. Sluit af met RESET.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Boordcomputer - aanvullende informatie Hier volgt aanvullende informatie over enkele functies. Gemiddeld 03 Het gemiddelde brandstofverbruik sinds de laatste maal dat de waarde op nul gesteld werd. N.B. Er is een bepaalde afwijking mogelijk, als er een verwarming op brandstof* is gebruikt. Gemiddelde snelheid De gemiddelde snelheid voor de afgelegde afstand sinds de laatste nulstelling van de waarde.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Boordcomputer - rijstatistiek* Bediening Er wordt informatie vastgelegd over het gemiddelde brandstofverbruik en de gemiddelde snelheid tijdens eerdere ritten. Deze informatie is weer te geven op het beeldscherm in de vorm van een staafdiagram. Er zijn verschillende instellingen mogelijk in het menusysteem MY CAR, zie MY CAR (p. 111) – ga naar Verbruiksinfo. Functie • Boordcomputer - aanvullende informatie (p. 122) Met de optie ‘Resetten als motor min.
KLIMAAT
04 Klimaat Algemene informatie over de klimaatregeling De auto is voorzien van elektronische klimaatregeling. De klimaatregeling zorgt ervoor dat de lucht in het interieur gekoeld, verwarmd of van vocht ontdaan wordt. plasje water onder de auto ontstaan. Dit is volkomen normaal. • Wanneer de motor het maximale vermogen nodigt heeft (bijvoorbeeld als u volgas optrekt), is het mogelijk dat de airconditioning tijdelijk wordt uitgeschakeld. Er kan dan een tijdelijke temperatuurstijging optreden.
04 Klimaat 04 Werkelijke temperatuur Sensoren - klimaat Luchtkwaliteit De ingestelde interieurtemperatuur komt overeen met de gevoelstemperatuur op basis van de heersende omstandigheden in en rond de auto wat de buitentemperatuur, de luchtsnelheid, de luchtvochtigheidsgraad, de ingestraalde warmte enz. betreft. De klimaatregeling beschikt over enkele sensoren om de temperatuur (p. 126) in de auto te regelen.
04 Klimaat Luchtkwaliteit - interieurfilter Alle lucht die de passagiersruimte binnenkomt wordt gereinigd door een filter. Vervang het filter regelmatig. Raadpleeg het Serviceprogramma van Volvo voor het aanbevolen vervangingsinterval. In zeer sterk verontreinigde gebieden moet u het filter mogelijk vaker vervangen. Luchtkwaliteit - Clean Zone Interior Package (CZIP)* CZIP bestaat uit een aantal aanpassingen zodat er minder stoffen in het interieur verwerkt die allergieën en/of astma kunnen verwekken.
04 Klimaat Luchtkwaliteit - IAQS* Luchtkwaliteit - materialen Menu-instellingen - klimaat Het Interior Air Quality System (IAQS) ontdoet de binnenkomende lucht van gassen en stofdeeltjes om zo hinderlijke geurtjes en verontreinigingen in de passagiersruimte te beperken. De gebruikte materialen zijn erop geselecteerd de hoeveelheid stof in de passagiersruimte te beperken, zodat de passagiersruimte gemakkelijker schoon te houden is.
04 Klimaat Luchtverdeling passagiersruimte Blaasmonden in dashboard Luchtverdeling De binnenkomende lucht wordt verdeeld over uiteenlopende blaasmonden verspreid over het interieur. In de stand AUTO* vindt de luchtverdeling geheel automatisch plaats. De luchtverdeling valt zo nodig handmatig bij te regelen, zie luchtverdelingstabel (p. 138).
04 Klimaat || 04 Het beeldscherm van de middenconsole geeft de gekozen luchtverdelingsstand aan. Gerelateerde informatie 130 • Algemene informatie over de klimaatregeling (p. 125) • • Automatische regeling (p. 135) Luchtverdeling - recirculatie (p.
04 Klimaat Elektronische klimaatregeling - ECC* ECC (Electronic Climate Control) handhaaft de temperatuur die in het interieur wordt gekozen en kan voor de bestuurders- en passagierszijde apart worden ingesteld. Met de autofunctie worden temperatuur, airconditioning, ventilatorsnelheid, recirculatie en luchtverdeling automatisch geregeld. 04 Ventilator (p. 134) AUTO - Automatische klimaatregeling (p. 135) Elektrische voorstoelverwarming (p.
04 Klimaat Elektronische temperatuurregeling ETC Met ETC (Electronic Temperature Control) is het klimaat handmatig te regelen. 04 Ventilator (p. 134) Elektrische achterruit- en buitenspiegelverwarming (p. 105) Elektrisch verwarmde voorstoel (p. 133), linkerkant Recirculatie (p. 137) AC - Airconditioning aan/uit (p. 136) Elektrisch verwarmde voorstoel (p. 133), rechterkant Elektrische voorruitverwarming en maximale ontwaseming* Temperatuurregeling (p. 135) Luchtverdeling (p.
04 Klimaat Elektrische stoelverwarming voor* • De verwarming van de voorstoelen heeft drie standen om het zitcomfort voor bestuurder en voorpassagier bij kou te verhogen. Laagste verwarmingsstand - er brandt één oranje veld op het beeldscherm. • Verwarming uitschakelen - geen van de velden brandt. Elektrische achterbankverwarming* De verwarming op de buitenste zitplaatsen van de achterbank heeft drie standen om het zitcomfort bij kou te verhogen.
04 Klimaat || WAARSCHUWING Een elektrisch verwarmde stoel mag niet worden gebruikt door personen die niet goed kunnen voelen dat de temperatuur toeneemt of die om een andere reden moeilijkheden hebben om de elektrisch verwarmde stoel te bedienen. Er kunnen dan namelijk brandwonden ontstaan. Gerelateerde informatie 04 • Algemene informatie over de klimaatregeling (p. 125) • Elektrische stoelverwarming voor* (p.
04 Klimaat Automatische regeling Automatische regeling is alleen mogelijk bij elektronische klimaatregeling (ECC) (p. 131). De autofunctie regelt automatisch temperatuur (p. 135), airconditioning (p. 136), ventilatorsnelheid (p. 134), recirculatie (p. 137) en luchtverdeling (p. 129). Als u een of meer handmatige functies selecteert, worden de overige functies nog steeds automatisch geregeld. Alle handmatige instellingen worden uitgeschakeld, wanneer u op de knop AUTO drukt.
04 Klimaat Airconditioning Voorruit ontwasemen en ontdooien De airconditioning koelt en droogt zo nodig de binnenkomende lucht. U kunt de elektrische voorruitverwarming* en de maximale ontwaseming gebruiken om de vooruit en zijruiten snel te ontwasemen en ontdooien. Wanneer het lampje in de knop AC brandt, wordt de airconditioning geheel automatisch geregeld. 04 Het display van de middenconsole geeft de gekozen instelling aan.
04 Klimaat N.B. De elektrische voorruitverwarming is niet beschikbaar, wanneer de motor automatisch is afgezet (p. 286). Als de functie actief is, vindt bovendien het volgende plaats om de lucht in de passagiersruimte zoveel mogelijk van vocht te ontdoen: • de airconditioning wordt automatisch ingeschakeld • de recirculatie en het Interior Air Quality System worden automatisch uitgeschakeld. N.B. De ventilator maakt meer geluid wanneer de ventilator op maximale snelheid draait.
04 Klimaat Luchtverdeling - tabel Met drie knoppen kiest u de gewenste luchtverdeling (p. 129). 04 138 Luchtverdeling Toepassing Er stroomt een grote hoeveelheid warme lucht naar de ruiten. om snel te ontdooien en te ontwasemen. Lucht naar de voorruit, via de blaasmond voor ontwaseming, en de zijruiten. Er komt een bepaalde hoeveelheid lucht uit de blaasmonden. Om condens- of ijsvorming bij koud en vochtig weer te voorkomen (hiervoor mag het ventilatorniveau niet te laag zijn).
04 Klimaat Luchtverdeling Toepassing Lucht naar de vloer en de ruiten. Er komt een bepaalde hoeveelheid lucht uit de blaasmonden in het dashboard. om een comfortabel klimaat en een goede ontwaseming te verkrijgen bij koud weer. Lucht naar de vloer en uit de blaasmonden in het dashboard. bij zonnig weer en matige buitentemperaturen. 04 Lucht naar de vloer. Er komt een bepaalde hoeveelheid lucht uit de blaasmonden in het dashboard en op de ruiten. om warme of koude lucht naar de vloer te sturen.
04 Klimaat Motor- en interieurverwarming* Tanken Met preconditioning bereidt de verwarming de motor en het interieur voor om de slijtage en het stroomverbruik tijdens de rit te beperken. Bij voorverwarming van de auto verlengt u tevens de actieradius. ming automatisch uitgeschakeld en er verschijnt een melding op het display. Bevestig deze melding door op de knop OK op de richtingaanwijzerhendel (p. 108) te drukken.
04 Klimaat Motor- en interieurverwarming* direct inschakelen Directe start via transpondersleutel* De motor- en interieurverwarming zijn direct in te schakelen. Directe start is mogelijk via: • • • het informatiedisplay een transpondersleutel* een mobiele telefoon*. De verwarmingsstatus verschijnt ook op de boordcomputer. Bij directe inschakeling van de motor- en interieurverwarming (p. 140) blijft de verwarming 50 minuten lang draaien.
04 Klimaat Motor- en interieurverwarming* direct uitschakelen Motor- en interieurverwarming* timers 5. Stel de gewenste uuraanduiding in met het duimwiel. De motor- en interieurverwarming is direct uit te schakelen via het informatiedisplay. De timers van de motor- en interieurverwarming (p. 140) zijn gekoppeld aan de klok van de auto. 6. Druk kort op OK zodat de minuutaanduiding gaat branden. 1. Druk op de knop OK om het menu te openen. 2. Ga met het duimwiel naar Verwarming en maak een keuze met OK.
04 Klimaat 2. Ga met het duimwiel naar Verwarming en maak een keuze met OK. > Als een timer is ingesteld maar niet is geactiveerd, staat er een klokpictogram naast de ingestelde tijd. 3. Kies een van de beide timers met het duimwiel en bevestig uw keuze met OK. 4. Schakel de timer als volgt uit: • • druk lang op OK of kort op OK om verder te gaan in het menu. Kies daarna voor uitschakeling van de timer en bevestig uw keuze met OK. 5. Verlaat het menu met RESET.
04 Klimaat || Symbool 04 Melding Betekenis Brandstofkachel gestopt Brandstofpeil laag De verwarming kan niet worden geactiveerd door een te laag brandstofpeil – dit om het mogelijk te maken de motor te starten en nog ca. 50 km te rijden. Brandstofkachel Service vereist Verwarming defect. Neem voor reparatie contact op met een werkplaats. Volvo adviseert u contact op te nemen met een erkende Volvowerkplaats. Een displaymelding verdwijnt automatisch na enige tijd.
04 Klimaat 3. Gebruik het duimwiel om naar Extra verw.6 of Instellingen7 te gaan en maak een keuze met OK. 4. Kies een van de opties AAN of UIT met het duimwiel en bevestig uw keuze met OK. 5. Verlaat het menu met RESET. N.B. De menu-opties zijn alleen zichtbaar in contactslotstand I – verricht eventuele aanpassingen daarom voordat u de motor start. Extra verwarming op stroom* De auto is uitgerust met een extra verwarming (p. 144) op brandstof (p. 144).
LAAD- EN OPBERGMOGELIJKHEDEN
05 Laad- en opbergmogelijkheden Opbergmogelijkheden Overzicht van opbergmogelijkheden in passagiersruimte 05 }} 147
05 Laad- en opbergmogelijkheden || Opbergvak1 in portierpaneel Opbergvak, bestuurderszijde (p. 149) Parkeerkaarthouder Opbergvak Dashboardkastje (p. 150) Opbergvakken, bekerhouder (p. 149) Bekerhouder* in achterbank Opbergvak2 Opbergvak, achterbank WAARSCHUWING 05 Bewaar losse voorwerpen, zoals mobiele telefoon, camera, afstandsbediening voor extra uitrusting e.d., in het dashboardkastje of andere opbergruimten. Bij krachtig afremmen of een botsing kunnen deze anders inzittenden verwonden.
05 Laad- en opbergmogelijkheden Opbergvak bestuurderszijde Middenconsole Middenconsole - armleuning Het opbergvak (p. 147) zit aan de bestuurderszijde, links onder het verlichtingspaneel. De middenconsole zit tussen de voorstoelen. De middenconsole zit tussen de voorstoelen. In de gesloten stand is de armleuning op de middenconsole in de lengte verstelbaar*. WAARSCHUWING Gerelateerde informatie Bewaar geen scherpe voorwerpen of voorwerpen die uitsteken in het vak.
05 Laad- en opbergmogelijkheden Middenconsole - aansteker en asbak* Dashboardkastje Dashboardkastje - koeling* In bekerhouder onder de middenarmsteun zit een uitneembare asbak. De aansteker zit in de 12V-aansluiting (p. 151) voor de voorpassagiers. Het dashboardkastje zit aan de passagierszijde. Het dashboardkastje (p. 150) is ook te gebruiken als koelvak3. De asbak in de middenconsole (p. 149) is te verwijderen door deze recht omhoog te tillen. U activeert de aansteker door de knop in te drukken.
05 Laad- en opbergmogelijkheden Inlegmatten* Make-upspiegel Middenconsole - 12V-aansluiting De inlegmatten vangen bijvoorbeeld vuil en natte sneeuw op. Volvo biedt inlegmatten die speciaal vervaardigd zijn. De make-upspiegel zit aan de achterkant van de zonneklep. De elektrische aansluitingen (12 V) zitten in het opbergvak van de middenconsole en bij de bekerhouder4.
05 Laad- en opbergmogelijkheden || N.B. Extra uitrusting en accessoires – zoals beeldschermen, mediaspelers en mobiele telefoons – die zijn aangesloten op een van de 12V-aansluitingen in de passagiersruimte worden mogelijk geactiveerd door de klimaatregeling, ook al is de transpondersleutel uitgenomen of de auto vergrendeld, als bijvoorbeeld de motor- en interieurverwarming* ingesteld is om op een bepaalde tijd in te schakelen.
05 Laad- en opbergmogelijkheden WAARSCHUWING Zorg dat u de bagage altijd goed verankert. Bij krachtig remmen kan de bagage namelijk gaan schuiven en inzittenden verwonden. Dek scherpe randen en hoeken af met iets zachts. Zet de motor af en schakel de parkeerrem in bij het in- en uitladen van lange voorwerpen. Lange voorwerpen kunnen namelijk tegen de versnellingspook of keuzehendel aan komen en zo per ongeluk een versnelling inschakelen – de auto kan dan in beweging komen.
05 Laad- en opbergmogelijkheden Verankeringsogen De verankeringsogen in de bagageruimte gebruikt u om bagagebanden aan vast te zetten. 05 Lading vervoeren - houder voor boodschappentassen Lading vervoeren - opklapbare houder voor boodschappentassen* Met de houders voor boodschappentassen kunt u draagtassen vastzetten om te voorkomen dat ze omvallen en hun inhoud over de vloer van de bagageruimte verspreiden. De belasting van de houder is maximaal 3 kg.
05 Laad- en opbergmogelijkheden Opklappen 12V-aansluiting bagageruimte N.B. U kunt de elektrische aansluiting voor verschillende accessoires gebruiken die op een spanning van 12 V werken, zoals beeldschermen, mediaspelers of mobiele telefoons. De compressor voor de noodreparatieset voor banden is door Volvo getest en goedgekeurd. Voor informatie over het gebruik van de aanbevolen noodreparatieset voor banden (TMK) van Volvo, zie Noodreparatieset voor banden* (p. 343).
05 Laad- en opbergmogelijkheden Bagagenet Het bagagenet in de bagageruimte voorkomt dat bagage bij krachtige remmanoeuvres de passagiersruimte in wordt geslingerd. Bevestigen N.B. U monteert het bagagenet het eenvoudigst via het ene achterportier. WAARSCHUWING U dient te controleren of de bovenste bevestigingen van het bagagenet goed gemonteerd zijn en of de trekbanden goed vastzitten. Een beschadigd net mag niet worden gebruikt. 05 Het bagagenet wordt aan vier bevestigingspunten vastgezet.
05 Laad- en opbergmogelijkheden 4. Haak de spanbanden van het bagagenet vast in de verankeringsogen achter op de stoelrails – dit gaat eenvoudiger als u de rugleuningen rechtop zet en de stoelen iets verder naar voren zet. Demonteren en opbergen 4. Klap de stang in het midden dubbel en rol het net op. Doe het net in de opbergzak. U bewaart het opgevouwen bagagenet in de zak in de bagageruimte.
05 Laad- en opbergmogelijkheden Hoedenplank Voor extra laadruimte kunt u de hoedenplank verwijderen. Hoedenplank verwijderen 05 Maak de hefogen aan beide kanten van de hoedenplank los. Haak de voorkant van de hoedenplank los en verwijder de hoedenplank. Gerelateerde informatie • • 158 Lading vervoeren (p. 152) Lading vervoeren - lange lading (p.
SLOTEN EN ALARM
06 Sloten en alarm Transpondersleutel Meer informatie U gebruikt de transpondersleutel voor onder meer vergrendelen/ontgrendelen en het starten van de motor. Er zijn drie transpondersleutelvarianten: een transpondersleutel in basisuitvoering, een transpondersleutel zonder PCC* en een transpondersleutel met PCC*.
06 Sloten en alarm Transpondersleutel - personalisering* Dankzij het sleutelgeheugen van de transpondersleutel zijn bepaalde instellingen van de auto te personaliseren. Het sleutelgeheugen is te gebruiken voor de elektrisch bedienbare* bestuurdersstoel (p. 82). Instellingen voor de buitenspiegels (p. 104), bestuurdersstoel, stuurbekrachtiging (p. 266) alsook de thema-, contrast- en kleurinstellingen (p.
06 Sloten en alarm || Gerelateerde informatie • • Transpondersleutel - functies (p. 164) Transpondersleutel met PCC* - unieke functies (p. 166) Vergrendelen/ontgrendelen - indicatie Vergrendelingsindicatie Wanneer u de auto vergrendelt of ontgrendelt met een transpondersleutel (p. 160), lichten de richtingaanwijzers een bepaald aantal malen op om aan te geven dat de auto op de juiste manier vergrendeld/ontgrendeld is. Een knipperende diode bij de voorruit geeft aan dat de auto is vergrendeld.
06 Sloten en alarm Transpondersleutel - elektronische startblokkering De elektronische startblokkering is een antidiefstalsysteem dat voorkomt dat onbevoegden de auto kunnen starten (p. 274). Elke transpondersleutel (p. 160) heeft zijn eigen, unieke code. U kunt de auto alleen starten, wanneer u een transpondersleutel met de juiste code gebruikt.
06 Sloten en alarm Transpondersleutel - functies Ontgrendelen (p. 175) – Ontgrendelt de portieren en de achterklep en deactiveert het alarm. De transpondersleutel heeft functies voor bijvoorbeeld vergrendeling en ontgrendeling van de portieren. Bij lang indrukken worden alle zijruiten tegelijkertijd geopend. Voor meer informatie, zie Doorluchtfunctie (p. 177). Functies Transpondersleutel met PCC* (Personal Car Communicator). Info-knop - zie Transpondersleutel met PCC* - unieke functies (p.
06 Sloten en alarm U kunt deze functie met dezelfde toets weer uitschakelen, als de functie minimaal vijf seconden actief geweest is. Anders wordt deze functie na ca. drie minuten automatisch uitgeschakeld. Gerelateerde informatie • Transpondersleutel (p. 160) Transpondersleutel - bereik De functies van de transpondersleutel (in basisuitvoering) zijn tot op ca. 20 meter afstand van de auto te gebruiken. Gerelateerde informatie • • Transpondersleutel (p. 160) Transpondersleutel - functies (p.
06 Sloten en alarm Transpondersleutel met PCC* unieke functies Een transpondersleutel met PCC* heeft extra functies ten opzichte van een transpondersleutel in basisuitvoering (p. 160) in de vorm van een informatieknop en controlelampjes. Gebruik van de informatietoets – Druk op de informatietoets . > Ca. 7 seconden lang lichten de controlelampjes op de PCC om de beurt op. Dit geeft aan dat informatie over de auto wordt uitgelezen.
06 Sloten en alarm Transpondersleutel met PCC* - bereik N.B. Een transpondersleutel met PCC (Personal Car Communicator) heeft voor ontgrendeling van de portieren en de achterklep een bereik van ca. 20 meter en ca. 100 meter voor de overige functies. Als de auto niet reageert bij bediening van een toets – probeer het dan op minder grote afstand opnieuw.
06 Sloten en alarm || Portier handmatig vergrendelen (p. 175) Afneembaar sleutelblad - verwijderen/ aanbrengen Vergrendelen/ontgrendelen - dashboardkastje (p. 177) Het verwijderen/aanbrengen van het afneembare sleutelblad (p. 167) gaat als volgt: Passagiersairbag - activering/deactivering* (p. 35) Sleutelblad verwijderen Gerelateerde informatie • • • Haal de veerbelaste pal opzij. Trek tegelijkertijd het sleutelblad naar achteren.
06 Sloten en alarm Afneembaar sleutelblad - portier ontgrendelen Transpondersleutel/PCC - batterij vervangen Het afneembare sleutelblad is te gebruiken als de centrale vergrendeling niet kan worden geactiveerd, als bijvoorbeeld de batterij van de transpondersleutel (p. 169) leeg is. U moet de batterij6 in de transpondersleutel mogelijk vervangen. Het linker voorportier is als volgt te openen: • 1. Ontgrendel het linker voorportier met het sleutelblad in de slotcilinder van de portierhandgreep.
06 Sloten en alarm || N.B. Keer de transpondersleutel met de knoppen naar boven om te voorkomen dat de batterijen eruit vallen als deze wordt geopend. BELANGRIJK Raak nieuwe accu's en hun contactvlakken niet met uw vingers aan, aangezien de werking hierdoor verslechtert. Een transpondersleutel met PCC* heeft twee batterijen 1. Werk de batterijen voorzichtig los. 2. Plaats eerst een nieuwe met de pluszijde (+) omhoog. 3.
06 Sloten en alarm Keyless Drive* -bereik transpondersleutel9 Om een portier of de achterklep automatisch te ontgrendelen zonder knoppen op de transpondersleutel in te drukken, moet de transpondersleutel zich binnen een straal van 1,5 meter rond de portierhandgrepen of de achterklep bevinden. U moet de transpondersleutel bij u dragen om een portier te vergrendelen of ontgrendelen.
06 Sloten en alarm Keyless Drive* - storingen in de functie van de transpondersleutel De Keyless-functies (p. 170) kunnen gestoord worden door elektromagnetische velden en afschermingen. N.B. Keyless Drive* - vergrendelen N.B. Auto’s met Keyless Drive zijn voorzien van een aanraakgevoelige zone op de buitenhandgreep van de portieren alsook een met rubber beklede knop naast het eveneens met rubber beklede drukplaatje op de achterklep.
06 Sloten en alarm Keyless Drive* - ontgrendelen12 Er vindt ontgrendeling plaats, wanneer iemand een portierhandgreep beetpakt of op het met rubber beklede drukplaatje van de achterklep drukt – open het portier of de achterklep op de normale manier. N.B. Keyless Drive* - ontgrendelen met sleutelblad Als de centrale vergrendeling niet op de transpondersleutel reageert (omdat de batterijen bijvoorbeeld leeg zijn), kunt u het linker voorportier openen met het afneembare sleutelblad (p.
06 Sloten en alarm Keyless Drive* vergrendelingsinstellingen De vergrendelingsinstellingen voor auto’s met het Keyless Drive-systeem zijn aan te passen door in het menusysteem MY CAR aan te geven welke portieren er ontgrendeld moeten worden. Keyless Drive* - locatie antennes • Gerelateerde informatie Keyless Drive* (p.
06 Sloten en alarm Vergrendelen/ontgrendelen - vanaf de buitenkant N.B. Let erop dat het alarm afgaat, wanneer het portier na ontgrendeling met het sleutelblad wordt geopend – het alarm wordt uitgeschakeld, wanneer de transpondersleutel in het contactslot wordt geplaatst. Met de transpondersleutel (p. 164) is vergrendeling/ontgrendeling van de buitenkant mogelijk. Met de transpondersleutel kunt u alle portieren, de achterklep en de tankvulklep vergrendelen/ontgrendelen.
06 Sloten en alarm || – Haal het afneembare sleutelblad (p. 168) uit de transpondersleutel. Steek het sleutelblad in de vergrendelopening en druk de sleutel er helemaal in, ca. 12 mm. Het portier is zowel vanaf de buitenzijde als vanaf de binnenzijde te openen. Het portier is niet vanaf de buitenzijde te openen. Om terug te keren naar stand A moet de binnenhandgreep van het portier worden geopend.
06 Sloten en alarm Bij lang indrukken worden ook alle zijruiten tegelijkertijd gesloten (zie ook het gedeelte Doorluchtfunctie (p. 177)). Automatische vergrendeling Bij het wegrijden worden de portieren en de achterklep automatisch vergrendeld. Doorluchtfunctie Bij warm weer kunt u de doorluchtfunctie gebruiken om alle zijruiten tegelijk korte tijd te openen en weer te sluiten en op die manier snel voor frisse lucht in de auto te zorgen. Vergrendelen/ontgrendelen dashboardkastje Het dashboardkastje (p.
06 Sloten en alarm || Gerelateerde informatie • Transpondersleutel - functies (p. 164) Vergrendelen/ontgrendelen achterklep De achterklep is op enkele verschillende manieren te openen, vergrendelen en ontgrendelen. Handmatig openen BELANGRIJK • De achterklep is met heel weinig kracht te ontgrendelen – druk gewoon lichtjes op het met rubber beklede platje. • Breng geen druk aan op het met rubber beklede plaatje bij het openen van de achterklep – maar til de handgreep op.
06 Sloten en alarm aan te geven dat de auto niet volledig vergrendeld is en dat de niveausensoren en bewegingsmelders van het alarmsysteem* alsmede de sensoren voor opening van het kofferdeksel buiten werking gesteld zijn. N.B. Om de achterklep te openen: • Wanneer de klep met 2 keer indrukken of vanaf de binnenkant van de auto werd ontgrendeld, is automatische hervergrendeling niet mogelijk omdat de klep openstaat – u dient de klep handmatig te sluiten.
06 Sloten en alarm Vergrendelen/ontgrendelen tankvulklep U ontgrendelt de tankvulklep met de toets ) op de transpondervoor ontgrendeling ( sleutel (p. 160). De tankvulklep blijft ontgrendeld totdat de auto wordt vergrendeld met de knop voor vergrendeling ( ) op de transpondersleutel Als de auto tijdens de rit of met de knoppen in de passagiersruimte wordt vergrendeld, blijft de tankvulklep ontgrendeld.
06 Sloten en alarm Beveiliging beperkt en de Safelockfunctie wordt alleen deze keer uitgeschakeld. (Let erop dat ook de bewegingsmelders en niveausensoren* van het alarmsysteem worden uitgeschakeld.) Als u geen wijzigingen in het vergrendelingssysteem wenst N.B. De volgende keer dat u de motor start, wordt het systeem gereset waarna op het instrumentenpaneel de melding Sloten en alarm Beveiliging volledig verschijnt.
06 Sloten en alarm || N.B. Kinderslot - elektrische activering* • De vergrendelbus van een portier dient alleen om het desbetreffende portier te vergrendelen – dus niet beide achterportieren. • Op auto’s met een elektrisch kinderslot zit geen handmatig kinderslot. Activeren Gerelateerde informatie • Kinderslot - elektrische activering* (p. 182) • Vergrendelen/ontgrendelen - van de binnenzijde (p. 176) Het kinderslot voorkomt dat kinderen een achterportier vanaf de binnenzijde kunnen openen.
06 Sloten en alarm Alarm N.B. Het alarm is een systeem dat waarschuwt als er bijvoorbeeld in de auto wordt ingebroken. De bewegingsmelders laten het alarm afgaan bij bewegingen in de passagiersruimte – ook eventuele luchtstromen worden geregistreerd. Het alarm kan dan ook afgaan als u de auto met een raam open laat staan of als u de interieurverwarming gebruikt.
06 Sloten en alarm Alarmindicatie De alarmindicatie geeft de status aan van het alarmsysteem (p. 183). Alarmsysteem - automatische herinschakeling De automatische herinschakeling van het alarm voorkomt dat u de auto verlaat zonder het alarmsysteem (p. 183) uit te schakelen. Als u geen van de portieren noch de achterklep binnen twee minuten na uitschakeling van het alarm opent wanneer de auto met de transpondersleutel (p.
06 Sloten en alarm Alarmsysteem - transpondersleutel defect Als u het alarm (p. 183) niet kunt uitschakelen met de transpondersleutel (als bijvoorbeeld de batterij (p. 169) van de sleutel leeg is), kunt u de auto als volgt ontgrendelen, het alarmsysteem deactiveren en de motor starten: 1. Open het linker voorportier met het afneembare sleutelblad (p. 173). > Het alarmsysteem gaat af, de richtingaanwijzers knipperen en de sirene klinkt. Alarmsignalen Beperkt alarmniveau Wanneer het alarm (p.
06 Sloten en alarm Typegoedkeuring transpondersleutelsysteem De typegoedkeuring voor het transpondersleutelsysteem staat in de tabel. Land/regio China Vergrendelingssysteem standaard Land/regio EU, China Passief vergrendelingssysteem (Keyless drive) Land/regio EU 06 Korea 186 Hongkong Gerelateerde informatie • Transpondersleutel (p.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
07 Bestuurdersondersteuning Elektronische stabiliteitsregeling (ESC) - algemeen De stabiliteitsregeling ESC ((Electronic Stability Control)) helpt u voorkomen dat de wielen doorslippen en verbetert de tractie van de auto. Tijdens het afremmen kunnen de ingrepen van het ESC-systeem waarneembaar zijn in de vorm van pulserende geluiden. Tijdens het gas geven kan de auto langzamer optrekken dan u verwacht.
07 Bestuurdersondersteuning Gerelateerde informatie • Elektronische stabiliteitsregeling (ESC) bediening (p. 189) • Elektronische stabiliteitsregeling (ESC) symbolen en meldingen (p. 190) Elektronische stabiliteitsregeling (ESC) - bediening Niveau kiezen, Sport-stand Het ESC-systeem is altijd geactiveerd – uitschakelen is niet mogelijk. U kunt echter de Sportstand kiezen voor een actievere rijervaring.
07 Bestuurdersondersteuning Elektronische stabiliteitsregeling (ESC) - symbolen en meldingen Tabel Symbool Melding Betekenis ESC Tijdelijk UIT Wegens een te hoge temperatuur van de remschijven gelden er tijdelijk beperkingen voor het ESC-systeem – het systeem wordt automatisch opnieuw ingeschakeld, wanneer de remmen voldoende zijn afgekoeld. ESC Service vereist Het ESC-systeem is defect. • • Breng de auto zo spoedig mogelijk tot stilstand, zet de motor af en start deze opnieuw.
07 Bestuurdersondersteuning Symbool Melding Betekenis Knippert. Het ESC-systeem grijpt in. Brandt continu. De Sport-stand is geactiveerd. NB In deze stand is het ESC niet helemaal uitgeschakeld – er gelden bepaalde beperkingen. Gerelateerde informatie • Elektronische stabiliteitsregeling (ESC) algemeen (p. 188) • Elektronische stabiliteitsregeling (ESC) bediening (p.
07 Bestuurdersondersteuning Verkeersbordenherkenning (RSI) WAARSCHUWING De verkeersbordenherkenning (RSI – Road Sign Information) helpt de bestuurder te onthouden welke verkeersborden de auto gepasseerd is. RSI werkt niet in alle situaties, maar is uitsluitend bedoeld als een aanvullend hulpmiddel. Als bestuurder bent u er altijd verantwoordelijk voor dat u de auto op een veilige manier bestuurt en dat u zich aan de geldende verkeersregels en voorschriften houdt.
07 Bestuurdersondersteuning Einde snelheidsbeperking of snelweg Aanvullende borden Wanneer het RSI een bord registreert dat het einde van een snelheidsbeperking aangeeft (of andere snelheidsgerelateerde informatie zoals het einde van een snelweg), verschijnt het desbetreffende verkeersbord ca. 10 seconden lang op het instrumentenpaneel. Het snelheidsbord dat aan dit type aanvullend bord is gekoppeld, verschijnt alleen als u de richtingaanwijzer gebruikt.
07 Bestuurdersondersteuning || Road Sign Information Aan/Uit U kunt ervoor kiezen of u een waarschuwing wil krijgen bij een overschrijding van de snelheidsbeperking met 5 km/h of meer. De waarschuwing bestaat uit een tijdelijk knipperend symbool voor de maximumsnelheid als de snelheid wordt overschreden. Om Speed Alert in te schakelen: • Het is mogelijk de weergave van snelheidssymbolen op het instrumentenpaneel te deactiveren.
07 Bestuurdersondersteuning Snelheidsbegrenzer* Een snelheidsbegrenzer (Speed Limiter) is te beschouwen als een omgekeerde cruisecontrol – u regelt de snelheid met het gaspedaal, terwijl de snelheidsbegrenzer voorkomt dat u per ongeluk de vooraf gekozen/ingestelde snelheid overschrijdt. Stuurtoetsen en instrumentpaneel (Digital c.q. Analog). Snelheidsbegrenzer - Aan/Uit. De stand-bystand wordt beëindigd en de ingestelde snelheid wordt hervat. Stand-by zetten Activeren en maximumsnelheid aanpassen.
07 Bestuurdersondersteuning || Inschakelen en activeren Wanneer de snelheidsbegrenzer actief is, verschijnt op het instrumentenpaneel het bijbehorende symbool (6) samen met een markering (5) bij de ingestelde maximumsnelheid. Zowel tijdens het rijden als bij stilstand is het mogelijk een maximumsnelheid in te stellen en op te slaan in het geheugen. Tijdens het rijden 1. Druk op de stuurtoets om de snelheidsbegrenzer in te schakelen.
07 Bestuurdersondersteuning Snelheidsbegrenzer - tijdelijk deactiveren en stand-bystand* Een snelheidsbegrenzer (Speed Limiter) is te beschouwen als een omgekeerde cruisecontrol – u regelt de snelheid met het gaspedaal, terwijl de snelheidsbegrenzer voorkomt dat u per ongeluk de vooraf gekozen/ingestelde snelheid overschrijdt. Tijdelijk deactiveren – stand-bystand – Om de snelheidsbegrenzer tijdelijk te deactiveren en stand-by te zetten: – Druk op .
07 Bestuurdersondersteuning Snelheidsbegrenzer* - alarm overschrijding snelheid Een snelheidsbegrenzer (Speed Limiter) is te beschouwen als een omgekeerde cruisecontrol – u regelt de snelheid met het gaspedaal, terwijl de snelheidsbegrenzer voorkomt dat u per ongeluk de vooraf gekozen/ingestelde snelheid overschrijdt. Op steile aflopende hellingen volstaat de motorrem van de snelheidsbegrenzer mogelijk niet, zodat de gekozen maximumsnelheid wordt overschreden.
07 Bestuurdersondersteuning WAARSCHUWING De bestuurder dient altijd rekening te houden met de verkeersomstandigheden en in te grijpen, wanneer de cruisecontrol geen passende snelheid en/of afstand aanhoudt. Cruisecontrol* - snelheid regelen U kunt een snelheid activeren, instellen en een opgeslagen snelheid wijzigen. Activeren en snelheid instellen Als bestuurder bent u er altijd verantwoordelijk voor dat u de auto op een veilige manier bestuurt.
07 Bestuurdersondersteuning || > De actuele snelheid wordt in het geheugen opgeslagen, de markering (5) op het instrumentenpaneel gaat branden bij de ingestelde snelheid en het symbool (6) verkleurt van GRIJS naar WIT – de auto houdt de ingestelde/opgeslagen snelheid aan. Wanneer u tijdelijk gas geeft via het gaspedaal zoals bij een inhaalmanoeuvre, blijft de instelling van de cruisecontrol ongewijzigd – de auto hervat de laatst opgeslagen snelheid zodra u het gaspedaal loslaat. N.B.
07 Bestuurdersondersteuning Snelheidsbegrenzer* tijdelijk deactiveren en stand-bystand Het systeem is tijdelijk te activeren en standby te zetten. • u de versnellingspook/keuzehendel uit stand N haalt • u meer dan 1 minuut lang een hogere snelheid aanhoudt dan ingesteld. U dient vervolgens zelf uw snelheid aan te passen.
07 Bestuurdersondersteuning Cruisecontrol* - ingestelde snelheid hervatten De cruisecontrol (p. 198) (CC – Cruise Control) helpt u een gelijkmatige snelheid aan te houden. Na tijdelijke deactivering en de standbystand (p. 201) kunt u de eerder ingestelde snelheid hervatten. Toetsenset op het stuurwiel en display in de auto met snelheidsbegrenzer8.
07 Bestuurdersondersteuning Cruisecontrol* - uitschakelen Adaptieve cruisecontrol (ACC)* De adaptieve cruisecontrol (ACC – Adaptive Cruise Control) helpt u om een gelijkmatige snelheid en een bepaalde afstand tot voorliggers te houden door een tijdsverschil ten opzichte van de voorligger in te stellen. Hier volgt een beschrijving van hoe u het systeem uitschakelt.
07 Bestuurdersondersteuning || WAARSCHUWING De bestuurder dient altijd rekening te houden met de verkeersomstandigheden en in te grijpen, wanneer de adaptieve cruisecontrol geen passende snelheid of afstand aanhoudt. De adaptieve cruisecontrol leent zich niet voor alle verkeers-, weers- en wegomstandigheden. Neem alle hoofdstukken over de adaptieve cruisecontrol in de gebruikershandleiding door voor informatie over de systeembeperkingen die u moet kennen alvorens het systeem te gebruiken.
07 Bestuurdersondersteuning WAARSCHUWING De adaptieve cruisecontrol is geen systeem dat botsingen voorkomt. Grijp zelf in zodra u merkt dat het systeem een voorligger niet registreert. De adaptieve cruisecontrol reageert niet op voetgangers of dieren noch op kleinere voertuigen, zoals fietsen of motorfietsen e.d. Tegenliggers, langzaam rijdende en stilstaande voertuigen of vaste obstakels worden eveneens genegeerd.
07 Bestuurdersondersteuning || N.B. Bij felle zon of bij gebruik van een zonnebril kan het waarschuwingslampje moeilijk te zien zijn. WAARSCHUWING De adaptieve cruisecontrol waarschuwt alleen voor voertuigen die de radarsensor heeft gedetecteerd. Daarom kan de waarschuwing uitblijven of met een bepaalde vertraging plaatsvinden. Wacht een waarschuwing niet af, maar rem als dat nodig is. Adaptieve cruisecontrol* - overzicht De werking van de adaptieve cruisecontrol (p.
07 Bestuurdersondersteuning Tijdsverschil ACC is actief bij GROEN symbool (WIT = stand-by). Gerelateerde informatie • • Adaptieve cruisecontrol (ACC)* (p. 203) Adaptieve cruisecontrol* - snelheid regelen Tegelijkertijd wordt een snelheidsinterval gemarkeerd: Om de ACC te starten: • Adaptieve cruisecontrol* - snelheid regelen (p. 207) Druk op de stuurtoets – op het instrumentenpaneel (8) gaat een vergelijkbaar WIT symbool branden om aan te geven dat de adaptieve cruisecontrol stand-by (p.
07 Bestuurdersondersteuning || instelling ongewijzigd – de auto hervat de laatst opgeslagen snelheid zodra u het gaspedaal loslaat. N.B. Als u een knop van de adaptieve cruisecontrol meerdere minuten ingedrukt houdt, wordt de cruisecontrol geblokkeerd en uitgeschakeld. Om de cruisecontrol dan weer te kunnen activeren moet u de auto tot stilstand brengen en de motor opnieuw starten.
07 Bestuurdersondersteuning Adaptieve cruisecontrol* - tijdelijke deactivering en stand-by De adaptieve cruisecontrol is tijdelijk te deactiveren en stand-by te zetten. Tijdelijke deactivering/stand-bystand met snelheidsbegrenzer Om de adaptieve cruisecontrol tijdelijk uit te schakelen en stand-by te zetten: • Druk op de stuurtoets Dit symbool en de markering voor de ingestelde snelheid verkleuren dan van GROEN naar WIT.
07 Bestuurdersondersteuning || Gerelateerde informatie • • • Adaptieve cruisecontrol (ACC)* (p. 203) Adaptieve cruisecontrol* - overzicht (p. 206) Cruisecontrol* (p. 198) Adaptieve cruisecontrol* - een ander voertuig inhalen De ACC kan tevens helpen tijdens het inhalen. Toetsenset met snelheidsbegrenzer Als de auto een ander voertuig volgt en u met de richtingaanwijzer16 aangeeft te willen inhalen, helpt de adaptieve cruisecontrol door de auto kort te versnellen ten opzichte van de voorligger.
07 Bestuurdersondersteuning Adaptieve cruisecontrol* - Fileassistent Groter snelheidsinterval N.B. File-assistent is een aanvulling op de adaptieve cruisecontrol die ook bij snelheden lager dan 30 km/h werkt. Bij auto’s met een automatische versnellingsbak is de adaptieve cruisecontrol aangevuld met de functie File-assistent (ook wel "Queue Assist" genoemd).
07 Bestuurdersondersteuning || WAARSCHUWING Wanneer de adaptieve cruisecontrol een rijdende voorligger volgt bij snelheden boven 30 km/h, van doelvoertuig verandert en vervolgens een stilstaand voertuig volgt, zal de cruisecontrol het stilstaande voertuig negeren en de opgeslagen snelheid aanhouden. • Dat betekent dat de remmen worden gelost en de auto begint te rollen – u moet daarom ingrijpen en zelf remmen om de auto op zijn plaats te houden.
07 Bestuurdersondersteuning Adaptieve cruisecontrol* - van cruisecontrol-functie wisselen Wisselen van ACC naar CC Op het instrumentenpaneel geeft een symbool aan welke cruisecontrol actief is: CC ACC Cruise Control Adaptive Cruise Control Cruisecontrol Adaptieve cruisecontrol Wisselen van CC naar ACC Radarsensor Schakel de cruisecontrol (CC) uit met 1–2 -knop. De volgende keer drukken op de keer dat het systeem wordt ingeschakeld, wordt de adaptieve cruisecontrol (ACC) geactiveerd.
07 Bestuurdersondersteuning • • Collision Warning* (p. 229) Radarsensor - beperkingen Afstandswaarschuwing* (p. 219) Een radarsensor (p. 213) heeft bepaalde beperkingen die onder meer terug te voeren zijn op het beperkte blikveld.
07 Bestuurdersondersteuning WAARSCHUWING WAARSCHUWING De bestuurder dient altijd rekening te houden met de verkeersomstandigheden en in te grijpen, wanneer de adaptieve cruisecontrol geen passende snelheid of afstand aanhoudt. De adaptieve cruisecontrol is geen systeem dat botsingen voorkomt. Grijp zelf in zodra u merkt dat het systeem een voorligger niet registreert. De adaptieve cruisecontrol reageert niet op voetgangers of dieren noch op kleinere voertuigen, zoals fietsen of motorfietsen e.d.
07 Bestuurdersondersteuning Adaptieve cruisecontrol* - storingen opsporen en verhelpen Als op het instrumentenpaneel de melding Radar afgedekt Zie instructieboekje ver- Deze melding geeft aan dat de Afstandswaarschuwing (p. 219) of Collision Warning met Auto Brake (p. 229) evenmin werken. Maatregel Het radaroppervlak van de grille is vuil of bedekt met sneeuw of ijs. Ontdoe het radaroppervlak van de grille van vuil, sneeuw en ijs. De radarsignalen worden gehinderd door hevige regen- of sneeuwval.
07 Bestuurdersondersteuning Adaptieve cruisecontrol* - symbolen en meldingen ziet u een paar voorbeelden - volg in die gevallen het gegeven advies op: Soms kan de adaptieve cruisecontrol een symbool en/of een melding weergeven. Hier SymboolA Melding Betekenis Het symbool is WIT De adaptieve cruisecontrol staat stand-by (p. 209). Het symbool is GROEN De auto houdt de opgeslagen snelheid aan. De standaard cruisecontrol is handmatig gekozen.
07 Bestuurdersondersteuning || SymboolA Melding Betekenis Radar afgedekt Zie instructieboekje De adaptieve cruisecontrol werkt tijdelijk niet. • De radarsensor kan geen andere voertuigen registreren. Bijvoorbeeld wanneer deze wordt gehinderd door hevige regenval of als sneeuwmodder of andere verontreinigingen de radarsensor afdekken. U kunt dan kiezen voor de standaard cruisecontrol (p. 198) (CC) – een tekstmelding informeert over passende alternatieven.
07 Bestuurdersondersteuning Afstandswaarschuwing* De afstandswaarschuwing (Distance Alert) waarschuwt u, als het tijdsverschil ten opzichte van de voorligger te klein wordt. Distance Alert is actief bij snelheden hoger dan 30 km/h en reageert uitsluitend op voorliggers die in dezelfde richting als u rijden. Voor voertuigen die langzaam in tegengestelde richting rijden of stilstaan wordt geen afstandsinformatie gegeven. N.B.
07 Bestuurdersondersteuning || U kunt verschillende tijdsverschillen ten opzichte van voorliggers kiezen en deze worden op het instrumentenpaneel weergegeven met 1–5 horizontale streepjes – hoe meer streepjes, hoe langer het tijdsverschil. Eén streepje komt overeen met ca. 1 seconde ten opzichte van de voorligger en 5 streepjes met ca. 3 seconden. Hetzelfde symbool verschijnt ook wanneer de adaptieve cruisecontrol (p. 203) geactiveerd is. N.B.
07 Bestuurdersondersteuning Afstandswaarschuwing* - symbolen en meldingen duceerde werking op grond van de systeembeperkingen (p. 220). Er kunnen symbolen en meldingen op het instrumentenpaneel verschijnen bij een gere- SymboolA Melding Betekenis Radar afgedekt Zie instructieboekje De afstandswaarschuwing werkt tijdelijk niet. De radarsensor (p. 213) kan geen andere voertuigen registreren.
07 Bestuurdersondersteuning City Safety™ BELANGRIJK City Safety™ is een hulpmiddel om u te helpen een aanrijding te voorkomen tijdens filerijden e.d., waarbij plotselinge wijzigingen in het verkeer vóór u gekoppeld aan onoplettendheid tot bijna-ongelukken kunnen leiden. Onderhoud en vervanging van onderdelen in City Safety™ mogen uitsluitend door een werkplaats worden uitgevoerd - geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
07 Bestuurdersondersteuning Wanneer het systeem ingrijpt en remt, verschijnt op het instrumentenpaneel de melding (p. 228) dat het systeem actief is/was. N.B. Als City Safety™ remt, gaan de remlichten branden. City Safety™ - bediening City Safety™ is een hulpmiddel om u te helpen een aanrijding te voorkomen tijdens filerijden e.d., waarbij plotselinge wijzigingen in het verkeer vóór u gekoppeld aan onoplettendheid tot bijna-ongelukken kunnen leiden.
07 Bestuurdersondersteuning || WAARSCHUWING De lasersensor (p. 226) zendt laserlicht uit, ook als City Safety™ handmatig is uitgeschakeld. Om City Safety™ opnieuw in te schakelen: • Volg de dezelfde procedure als bij het uitschakelen, maar kies nu de optie Aan. Gerelateerde informatie • • • City Safety™ (p. 222) City Safety™ - beperkingen (p. 224) City Safety™ - symbolen en meldingen (p.
07 Bestuurdersondersteuning N.B. • Houd de voorruit in het gebied vóór de lasersensor (p. 226) vrij van sneeuw, ijs, condens en vuil. Voor een afbeelding met de positie van de sensor, zie City Safety™ - functie (p. 222). • Plak of bevestig geen zaken op de voorruit vóór de lasersensor • Haal sneeuw en ijs van de motorkap – de laag sneeuw en ijs mag niet dikker zijn dan 5 cm. Oorzaak BELANGRIJK Maatregel Het voorruitoppervlak vóór de lasersensor is vuil of bedekt met sneeuw of ijs.
07 Bestuurdersondersteuning City Safety™ - lasersensor Het City Safety™-systeem maakt gebruik van een sensor die laserlicht uitzendt. Neem contact op met een gekwalificeerde werkplaats als de lasersensor een storing vertoont of nagekeken moet worden – geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats. Het is daarom essentieel dat u de aangegeven instructies opvolgt bij het hanteren van de lasersensor. De volgende twee stickers hebben te maken met de lasersensor: • IEC 60825-1:1993 + A2:2001.
07 Bestuurdersondersteuning • Koppel de connector van de lasersensor los voordat u deze van de voorruit demonteert. • Zorg dat de lasersensor op de voorruit gemonteerd is alvorens de connector aan te sluiten. • De lasersensor zendt laserlicht uit wanneer de transpondersleutel in sleutelstand II (p. 79) staat, ook al is de motor afgezet. Gerelateerde informatie • City Safety™ (p.
07 Bestuurdersondersteuning City Safety™ - symbolen en meldingen Terwijl City Safety™ (p. 222) automatisch remt, kunnen een of meer symbolen (p. 228) SymboolA op het instrumentenpaneel gaan branden in combinatie met een tekstmelding. Meldingen kunt u van het display halen door de OK-knop op de richtingaanwijzerhendel kort in te drukken. Melding Betekenis/Maatregel Automatisch remmen door City Safety City Safety™ remt op dit moment of remde eerder automatisch.
07 Bestuurdersondersteuning Collision Warning* ‘Collision Warning met Auto Brake en fietsersen voetgangersdetectie’ is een hulpmiddel dat bedoeld is om u te waarschuwen, wanneer het gevaar bestaat dat u op een voetganger of achter op een (stilstaande of rijdende) fietser of voorligger botst. ‘Collision Warning met Auto Brake en fietsers- en voetgangersdetectie’ wordt geactiveerd in situaties waar u eigenlijk al veel eerder had moeten remmen, zodat het systeem niet altijd uitkomst biedt.
07 Bestuurdersondersteuning Collision Warning* - functie 1 – Collision Warning 3 – Auto Brake Eerst wordt u gewaarschuwd voor een dreigende aanrijding. Op het laatste moment wordt de automatische remfunctie geactiveerd. Collision Warning kan voetgangers, fietsers of voertuigen voor uw auto registreren die stilstaan of zich in dezelfde richting als u bewegen.
07 Bestuurdersondersteuning WAARSCHUWING Collision Warning werkt niet in alle rijsituaties, verkeers-, weers- en wegomstandigheden. Collision Warning reageert niet op naderende tegenliggers of fietsers noch op dieren. Collision Warning* - detectie van fietsers Er wordt alleen gewaarschuwd wanneer het risico van een botsing groot is. In het onderdeel “Functie” en “Beperkingen” wordt geïnformeerd over de beperkingen die u als bestuurder moet kennen, voordat u de Collision Warning met Auto Brake gebruikt.
07 Bestuurdersondersteuning || zichtbaar en goedgekeurd24 is en op minstens 70 cm boven het wegdek zit. • Collision Warning met Auto Brake en voetgangers- en fietserdetectie is een hulpmiddel. Het systeem kan fietsers alleen recht van achteren ontdekken en alleen als deze zich in dezelfde richting als uw auto bewegen – niet schuin van achteren of van opzij. • Bij zonsondergang en -opgang kan het systeem fietsers minder goed registreren – vergelijkbaar met het menselijke oog.
07 Bestuurdersondersteuning • Een voetganger is alleen te ontdekken wanneer deze helemaal zichtbaar is en een lengte heeft van minimaal 80 cm. • Bij zonsondergang en -opgang kan de camerasensor voetgangers minder goed registreren – vergelijkbaar met het menselijke oog. • De camerasensor is niet in staat voetgangers te registreren bij ritten in het donker of in tunnels – zelfs al brandt de straatverlichting.
07 Bestuurdersondersteuning || Waarschuwingslampje en geluidssignaal Wanneer het waarschuwingslampje en het geluidssignaal zijn ingeschakeld, wordt het waarschuwingslampje (nr. [1] op de voorgaande afbeelding) bij iedere motorstart getest door de verschillende lichtpunten korte tijd te laten branden. Na het starten van de motor zijn zowel het waarschuwingslampje als het geluidssignaal uit te schakelen: • Ga naar Botswaarschuwing in Rijondersteuning in het menusysteem MY CAR (p.
07 Bestuurdersondersteuning Onderhoud Collision Warning* - beperkingen Het systeem heeft bepaalde beperkingen – zo is het systeem pas actief bij snelheden van ca. 4 km/h en hoger. In de felle zon en bij lichtschitteringen alsook het gebruik van een zonnebril is het op de voorruit geprojecteerde waarschuwingslampje voor de Collision Warning soms moeilijk te ontdekken. Dat is ook mogelijk als u niet recht vooruit kijkt. Houd de waarschuwingszoemer daarom altijd ingeschakeld. Camera- en radarsensor26.
07 Bestuurdersondersteuning || WAARSCHUWING Als de radar- of camerasensor op grond van de verkeerssituatie of anderszins problemen heeft voetgangers, voorliggers of fietsers te ontdekken, is het mogelijk dat het systeem pas laat, onterecht of helemaal geen waarschuwing geeft en remt. De sensoren hebben een beperkt bereik voor voetgangers en fietsers27, zodat het systeem voor dergelijke weggebruikers efficiënt waarschuwt en remingrepen verricht bij rijsnelheden tot 50 km/h.
07 Bestuurdersondersteuning kingen ondervinden of tijdelijk gedeactiveerd worden. • • Ook fel tegenlicht, reflecties op het wegdek, besneeuwde of beijzelde wegen, verontreinigde of onduidelijke rijstrookmarkeringen kunnen aanleiding geven tot grote beperkingen voor de functies die van de camera gebruik maken om bijvoorbeeld het wegdek af te tasten en andere voertuigen en voetgangers te ontdekken. In de volgende tabel staan mogelijke oorzaken van het verschijnen van de melding en passende maatregelen.
07 Bestuurdersondersteuning Collision Warning* - symbolen en meldingen SymboolA Melding Betekenis Collision warning system UIT Collision Warning is uitgeschakeld. Verschijnt bij het starten van de motor. De melding dooft automatisch na ca. 5 seconden of eerder wanneer u op de OK-knop drukt. CWS-systeem niet beschikbaar Het is niet mogelijk Collision Warning te activeren. Verschijnt wanneer u de functie toch probeert te activeren. De melding dooft automatisch na ca.
07 Bestuurdersondersteuning Gerelateerde informatie • Collision Warning* (p. 229) 07 * Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
07 Bestuurdersondersteuning Driver Alert System* Driver Alert System is bestemd om u te helpen als de auto op een ongecontroleerde manier wordt bestuurd of op het punt staat de rijstrookmarkering te overschrijden. Driver Alert System bestaat uit verschillende functies die tegelijk of apart in te schakelen zijn: • • Driver Alert Control - DAC (p. 241). Gerelateerde informatie • • Driver Alert Control (DAC)* (p. 240) Rijbaanassistent* (p.
07 Bestuurdersondersteuning een geschikte plek parkeert om een pauze in te lassen, ongeacht de vraag of DAC nu wel of niet heeft gewaarschuwd. N.B. De functie mag niet worden gebruikt om de rijtijd te verlengen. Plan altijd regelmatig pauzes in en zorg ervoor dat u bent uitgerust. Beperkingen Soms kan het systeem ten onrechte waarschuwen voor ongecontroleerde stuurbewegingen. Dit kan bijvoorbeeld gebeuren bij: • • zijdelingse rukwinden spoorvorming in het wegdek.
07 Bestuurdersondersteuning Driver Alert Control (DAC)* - symbolen en meldingen meldingen op het instrumentenpaneel of op het beeldscherm van de middenconsole laten verschijnen. Het Driver Alert Control - DAC (p. 240) kan in uiteenlopende situaties symbolen en display- SymboolA Hier volgen enkele voorbeelden: Melding Betekenis Driver Alert Tijd voor pauze De auto vertoont zwalkend rijgedrag – u wordt gewaarschuwd met een zoemersignaal en een displaymelding.
07 Bestuurdersondersteuning Rijbaanassistent* WAARSCHUWING De Rijbaanassistent is een van de functies van Driver Alert System – wordt ook wel LKA (Lane Keeping Aid) genoemd. LKA is alleen een hulpmiddel voor de bestuurder en werkt niet in alle rijsituaties, verkeers-, weers- en wegomstandigheden. De functie is bedoeld voor gebruik op snelwegen, hoofdwegen en dergelijke en beperkt de kans op het in bepaalde situaties onbedoeld verlaten van de eigen rijbaan.
07 Bestuurdersondersteuning || • Ga naar Rijstrookassistent en kies daar Aan of Uit. In MY CAR kan bovendien o.a. het volgende worden gekozen: • Waarschuwing met stuurtrillingen: Alleen vibratie - Aan of Uit. • Actief sturen: Alleen stuurhulp - Aan of Uit • Zowel Waarschuwing met stuurtrillingen als Actief sturen: Volledige functie - Aan of Uit. zer hebt geactiveerd, wordt de auto bijgestuurd.
07 Bestuurdersondersteuning Rijbaanassistent - bediening Rijbaanassistent - beperkingen De rijbaanassistent wordt in verschillende situaties gecompleteerd met duidelijke grafische voorstellingen op het instrumentenpaneel. Hier volgen enkele voorbeelden: De camerasensor van de Rijbaanassistent heeft beperkingen, net als het menselijk oog. Voor meer informatie, zie Collision Warning* beperkingen van de camerasensor (p. 236) en (p. 235). N.B. Het LKA staat uit zolang u de richtingaanwijzerhendel bedient.
07 Bestuurdersondersteuning || Gerelateerde informatie • Rijbaanassistent* (p. 243) 07 246 * Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
07 Bestuurdersondersteuning Rijbaanassistent - symbolen en meldingen instrumentenpaneel verschijnen in combinatie met een verklarende melding – volg in dat geval het gegeven advies op. In situaties waar de Rijbaanassistent niet wordt geactiveerd kan er een symbool op het Symbool Melding Betekenis Voorruitsensoren afgedekt Zie instructieboek De camerasensor werkt tijdelijk niet. Voorbeelden van meldingen: Verschijnt bijvoorbeeld bij sneeuw, ijs of vuil op de voorruit.
07 Bestuurdersondersteuning Parkeerhulp* WAARSCHUWING Parkeerhulp is bedoeld als hulpmiddel tijdens het parkeren. Geluidssignalen en symbolen op het display van de middenconsole geven de afstand aan tot een waargenomen obstakel. Het parkeerhulpvolume is tijdens de weergave van geluidssignalen bij te stellen met de draaiknop VOL op de middenconsole of in het menusysteem MY CAR van de auto, zie MY CAR (p. 111).
07 Bestuurdersondersteuning lings uit de luidsprekers aan linker- en rechterzijde. BELANGRIJK Voorwerpen zoals kettingen, smalle glanzende palen of lage obstakels kunnen ‘afgeschaduwd’ worden en worden in dat geval tijdelijk niet geregistreerd door de sensoren – het onderbroken geluidssignaal kan dan plotseling wegvallen in plaats van over te gaan in het verwachte ononderbroken geluidssignaal. De gemarkeerde sector(en) geeft/geven aan welke van de vier sensoren een obstakel heeft/hebben waargenomen.
07 Bestuurdersondersteuning || N.B. Bij het achteruitrijden met een aanhanger achter de auto of een fietsdrager op de trekhaak – zonder een originele aanhangerkabel van Volvo – moet u de Park Assist mogelijk handmatig uitschakelen om te voorkomen dat de sensoren erop reageren. Gerelateerde informatie • • • • • • • Parkeerhulp* (p. 248) Park Assist* - aan de voorzijde Bij het starten van de motor wordt Park Assist automatisch geactiveerd - het lampje in de Aan/Uit-knop brandt.
07 Bestuurdersondersteuning Park Assist* - storingsindicatie • Actieve parkeerhulp (PAP)* (p. 256) Park Assist* - sensoren schoonmaken Park Assist is bedoeld als hulpmiddel tijdens het parkeren. Geluidssignalen en symbolen op het display van de middenconsole geven de afstand aan tot een waargenomen obstakel. Park Assist is bedoeld als hulpmiddel tijdens het parkeren. Geluidssignalen en symbolen op het display van de middenconsole geven de afstand aan tot een waargenomen obstakel.
07 Bestuurdersondersteuning || Parkeerhulpcamera Functie en bediening De parkeercamera is een ondersteunend systeem en wordt geactiveerd bij inschakeling van de achteruitversnelling. De cameraweergave verschijnt op het display van de middenconsole. N.B. Positie van de achterste sensoren. Als er een trekhaak met het elektrische systeem van de auto is geconfigureerd, wordt de uitsteeklengte van de trekhaak bij het meten van de parkeerruimte meegerekend. N.B.
07 Bestuurdersondersteuning Bij het inschakelen van de achteruitversnelling wordt met behulp van ononderbroken lijnen grafisch aangegeven waar de achterwielen van de auto uitkomen bij de actuele stuuruitslag – dit vereenvoudigt het achteruit inparkeren, achteruitrijden in krappe ruimten en aankoppelen van aanhangers. De contouren van de auto worden bij benadering getoond met streepjeslijnen. De hulplijnen zijn te deactiveren - zie hoofdstuk Instellingen (p. 255). N.B.
07 Bestuurdersondersteuning || Grenslijnen Auto’s met parkeerhulpsensoren achter* Gerelateerde informatie • • • • De verschillende lijnen van het systeem. Grenslijn vrije achteruitrijzone De afstand wordt aangegeven met gekleurde velden (4 stuks, voor elke sensor één). ‘Wielsporen’ Als de auto tevens uitgerust is met Parkeerhulp (p. 248) wordt voor iedere sensor die een obstakel waarneemt de afstand met gekleurde velden weergegeven. De onderbroken lijn (1) grenst een zone af die tot ca.
07 Bestuurdersondersteuning Parkeerhulpcamera - instellingen Opties* Uitgeschakelde camera activeren Bij een auto met de optie Frontcamera zit de CAM-knop op het bedieningspaneel voor de klimaatregeling. Als de camera uitgeschakeld is bij het inschakelen van de achteruitversnelling, is de camera als volgt te activeren: U kunt de instellingen van de parkeercamera wijzigen, wanneer camerabeelden op het beeldscherm worden weergegeven: 1.
07 Bestuurdersondersteuning || Zoomen Park Assist-camera - beperkingen Voor nauwkeurig manoeuvreren kunt u als volgt inzoomen op de camerabeelden: • N.B. Druk op CAM of draai aan TUNE - bij nogmaals indrukken/draaien springt u terug naar de normaalweergave. Eventuele andere opties liggen in een lus - druk/draai totdat de gewenste camerabeelden verschijnen. Gerelateerde informatie • • Parkeerhulpcamera (p. 252) • • Parkeerhulp* (p. 248) Park Assist-camera - beperkingen (p.
07 Bestuurdersondersteuning WAARSCHUWING PAP werkt niet in alle situaties, maar is uitsluitend bedoeld als een aanvullend hulpmiddel. Als bestuurder bent u er altijd verantwoordelijk voor dat u de auto op een veilige manier bestuurt en het gebied rond de auto goed in de gaten houdt om naderende of passerende verkeersdeelnemers tijdig op te merken. Actieve parkeerhulp (PAP)* - functie Het instrumentenpaneel geeft met symbolen, grafische voorstellingen en teksten aan, wanneer u iets moet doen. N.B.
07 Bestuurdersondersteuning Actieve parkeerhulp (PAP)* - functie U krijgt eenvoudige en heldere instructies voor het gebruik van PAP op het instrumentenpaneel – met grafische voorstellingen en teksten grafische voorstellingen en teksten (p. 261). N.B. Denk eraan dat het stuurwiel in bepaalde standen de aanwijzingen op het instrumentenpaneel kan verbergen als het tijdens de parkeermanoeuvre wordt verdraaid. 1 – Zoeken en meten 1. Activeer PAP met een druk op deze knop en rijd niet sneller dan 30 km/h. 2.
07 Bestuurdersondersteuning N.B. • Houd uw handen weg van het stuurwiel als de PAP-functie is geactiveerd. • Let erop dat het stuurwiel niet door iets wordt gehinderd en vrij kan draaien. • Wacht voor het beste resultaat totdat het stuurwiel is uitgedraaid, voordat u achteruit/vooruit rijdt. 3 – Fixeren 1. Schakel de 1e versnelling in of D, wacht totdat het stuurwiel is gedraaid en rijd voorzichtig vooruit. Actieve parkeerhulp (PAP)* beperkingen 2.
07 Bestuurdersondersteuning || noeuvre, waardoor PAP mogelijk te vroeg het parkeervak indraait. Vermijd daarom parkeervakken met dergelijke hoge voorwerpen. Waar u op moet letten Let erop dat de Actieve parkeerhulp een hulpmiddel is - niet een onfeilbare volautomatische functie. Daarom moet u voorbereid zijn om het parkeren te onderbreken.
07 Bestuurdersondersteuning Actieve parkeerhulp (PAP)* symbolen en meldingen Het instrumentenpaneel kan verschillende symbool- en tekstcombinaties met uiteenlopende betekenis tonen – soms met een advies voor een geschikte oplossing. Als een melding aangeeft dat de actieve parkeerhulp buiten werking is, wordt geadviseerd contact op te nemen met een erkende Volvo-werkplaats. Gerelateerde informatie • • Actieve parkeerhulp (PAP)* (p. 256) Parkeerhulpcamera (p.
07 Bestuurdersondersteuning || BLIS - bediening BLIS (Blind Spot Information System) is een functie om de bestuurder ondersteuning te bieden bij rijden in druk verkeer op wegen met meerdere rijbanen in dezelfde richting. BLIS activeren/deactiveren BLIS wordt geactiveerd bij het starten van de motor wat bevestigd wordt door de controlelampjes op de portierpanelen die één keer oplichten. Selecteer Aan of Uit met Instellingen Auto-instellingen BLIS.
07 Bestuurdersondersteuning Het BLIS-systeem is actief bij snelheden hoger dan ongeveer 10 km/h. • Het systeem reageert als: • • de eigen auto wordt ingehaald door andere voertuigen BELANGRIJK Reparaties aan de componenten van de BLIS- en CTA-functies of het spuiten van de bumper mogen uitsluitend in een werkplaats worden uitgevoerd. Een erkende Volvo-werkplaats wordt aanbevolen. de eigen auto snel wordt ingehaald door andere voertuigen.
07 Bestuurdersondersteuning || • Ga naar Cross Traffic Alert onder BLIS en verwijder het vinkje - het CTA-systeem is daarmee uitgeschakeld. Na uitschakeling van het CTA-systeem is het BLIS-systeem echter nog steeds geactiveerd. CTA vormt een aanvulling op het BLIS-systeem door bij achteruitrijden het kruisende verkeer vanaf de zijkant te kunnen zien, bijvoorbeeld als de auto achteruit een parkeervak verlaat. CTA is slechts een aanvullend hulpmiddel en werkt niet in alle situaties.
07 Bestuurdersondersteuning BELANGRIJK Reparaties aan de componenten van de BLIS- en CTA-functies of het spuiten van de bumper mogen uitsluitend in een werkplaats worden uitgevoerd. Een erkende Volvo-werkplaats wordt aanbevolen. Gerelateerde informatie • • BLIS (p. 261) BLIS en CTA - symbolen en meldingen (p. 266) Onderhoud De sensoren voor de BLIS- en CTA-systemen zitten aan de binnenkant van beide hoeken van achterspatbord/bumper.
07 Bestuurdersondersteuning BLIS en CTA - symbolen en meldingen In situaties waarbij het BLIS (Blind Spot Information System) (p. 261) en CTA (p. 263) uitblijven of worden onderbroken, kan er een symbool op het instrumentenpaneel verschijnen in combinatie met een verklarende melding. Neem een eventueel advies in acht. Voorbeelden van meldingen: 07 Melding Betekenis CTA UIT CTA is handmatig uitgeschakeld - BLIS is actief.
07 Bestuurdersondersteuning Typegoedkeuring - radarsysteem De typegoedkeuring voor het radarsysteem staat in de tabel. Gerelateerde informatie • Radarsensor (p. 213) Land/ regio Singapore IDA: Infocomm Development Authority of Singapore. Brazilië Europa Hierbij verklaart Delphi Electronics & Safety dat L2C0038TR en L2C0049TR in overeenstemming zijn met de essentiële eigenschappen en overige relevante bepalingen zoals beschreven in de EUrichtlijn 1999/5/EG.
STARTEN EN RIJDEN
08 Starten en rijden Alcoholslot* Het alcoholslot voorkomt dat bestuurders die onder invloed zijn in de auto kunnen rijden. Voordat de motor kan worden gestart, moet u een blaastest afgeven om vast te stellen dat u niet onder de invloed van alcohol bent. Het alcoholslot wordt gekalibreerd ten opzichte van de grenswaarde voor verkeersdeelname die in uw land geldt.
08 Starten en rijden Alcoholslot* - opslag Bewaar de blaasunit in zijn houder. Verwijder de blaasunit door de unit licht in de houder te drukken en los te laten, waarna deze opveert en uit de houder kan worden genomen. Handeenheid bewaren en laadstation. • Plaats de handeenheid terug in de houder tot de eenheid vastklikt. • Bewaar de handeenheid in de houder. Dat biedt de beste bescherming en garandeert dat de batterijen steeds volledig opgeladen zijn.
08 Starten en rijden dens het ontgrendelen, dan moet u de unit eerst activeren met de schakelaar (2). Resultaat van de blaastest 3. Klap het mondstuk (1) omhoog, haal diep adem en blaas gelijkmatig totdat er ca. 5 seconden later een ‘klikgeluid’ klinkt. Het resultaat is een van de alternatieven in de volgende tabel Resultaat van de blaastest. 4.
08 Starten en rijden Alcoholslot* - waar u op moet letten Voor een goede werking en een zo nauwkeurig mogelijk meetresultaat: • Ca. 5 minuten voor de blaastest niet eten of drinken. • De voorruit niet te lang sproeien – de alcohol in de sproeiervloeistof kan een verkeerd meetresultaat opleveren. Van bestuurder wisselen Om bij het wisselen van bestuurder een nieuwe blaastest te kunnen doen schakelaar (2) en de zendtoets (3) gelijktijdig ca. 3 seconden lang ingedrukt houden.
08 Starten en rijden • Houd de OK-knop op de linker stuurhendel en de knop voor de alarmknipperlichten ca. 5 seconden lang ingedrukt – op het instrumentenpaneel verschijnen achtereenvolgens Bypass actief Wacht 1 minuut en Alcoguard Bypass actief – daarna kunt u de motor starten. Deze functie is meerdere malen te activeren. De foutmelding die verschijnt tijdens het rijden is echter alleen te wissen in een werkplaats1.
08 Starten en rijden Motor starten De motor wordt gestart c.q. uitgeschakeld met behulp van de transpondersleutel en de START/STOP ENGINE-knop. BELANGRIJK De transpondersleutel niet verkeerd om insteken – pak de sleutel beet aan het uiteinde met het afneembare sleutelblad, zie Afneembaar sleutelblad - verwijderen/ aanbrengen (p. 168) 1. Plaats de transpondersleutel in het contactslot en duw deze tot aan de aanslag naar binnen.
08 Starten en rijden WAARSCHUWING Haal nooit de transpondersleutel uit de auto tijdens rijden of slepen. Gerelateerde informatie • Sleutelstanden (p. 78) Motor afzetten Stuurslotfout U zet de motor af met de knop START/STOP ENGINE. Het stuurslot bemoeilijkt de besturing zoals bij gebruik van de auto door onbevoegden. Er is mogelijk een mechanisch geluid waarneembaar wanneer het stuurslot wordt opgeheven of ingeschakeld.
08 Starten en rijden Starten met hulpaccu Als de startaccu (p. 380) uitgeput is, kunt u de auto starten met stroom van een hulpaccu. 4. Bevestig de ene klem van de rode startkabel aan de pluspool (1) van de hulpaccu. BELANGRIJK Wees voorzichtig bij het aansluiten van de startkabels om kortsluiting met andere onderdelen in de motorruimte te voorkomen. 5. Haal de clips op de voorste dekplaat van de uitgeputte accu los en verwijder de dekplaat.
08 Starten en rijden Gerelateerde informatie • Motor starten (p. 274) Versnellingsbakken Handgeschakelde versnellingsbak Er zijn twee hoofdgroepen versnellingsbakken: handgeschakelde en automatische versnellingsbakken. De versnellingsbak heeft tot taak de overbrengingsverhouding af te stemmen op de gewenste snelheid en vermogensbehoefte. • Handgeschakelde versnellingsbak (p. 277) • Automatische versnellingsbak - Geartronic (p. 279) en Powershift (p.
08 Starten en rijden || Blokkering achteruitversnelling Schakelindicator* De blokkering van de achteruitversnelling beperkt het risico dat u tijdens het vooruitrijden op normale snelheid onbedoeld de achteruitversnelling inschakelt. De schakelindicator geeft aan wanneer u moet opschakelen of terugschakelen om het brandstofverbruik minimaal te houden. • • Volg het schakelpatroon dat in de versnellingspook is geslagen en begin in de neutraalstand N. Druk daarna de versnellingspook naar stand R duwt.
08 Starten en rijden Automatische versnellingsbak Geartronic* Een automatische versnellingsbak met Geartronic heeft in tegenstelling tot een automatische versnellingsbak met Powershift (p. 283) een hydraulische koppelomvormer die de kracht van de motor overbrengt op de versnellingsbak. De bak heeft twee verschillende schakelstanden: automatisch en handmatig. Schakelstanden De automatische schakelstanden worden rechts op het instrumentenpaneel getoond.
08 Starten en rijden || Bij het loslaten van het gaspedaal wordt de auto op de motor afgeremd. U activeert de handmatige schakelstand door de hendel zijwaarts vanuit de stand D naar de eindstand bij ‘+/-’ te bewegen. Het symbool ‘+/-’ op het instrumentenpaneel verkleurt van WIT naar ORANJE en de cijfers 1, 2, 3 enz. worden in een kader getoond en komen overeen met de zojuist ingeschakelde versnelling.
08 Starten en rijden N.B. Automatische deactivering Als u de stuurpaddles niet gebruikt, worden ze na korte tijd automatisch gedeactiveerd. Het instrumentenpaneel geeft dit aan doordat het cijfer voor de ingeschakelde versnelling weer verandert in ‘D’. Geartronic - Sportstand (S) De sportstand levert een sportiever rijgedrag op en maakt het mogelijk om hogere toeren te maken in de versnellingen. De motor reageert bovendien sneller op de commando’s die u met het gaspedaal geeft.
08 Starten en rijden || gebeurt er niets. De auto blijft in de oorspronkelijke versnelling rijden. Bij kickdown kan de auto afhankelijk van het motortoerental een of meer versnellingen terugschakelen. Om schade aan de motor te voorkomen schakelt de auto op wanneer de motor het maximumtoerental heeft bereikt. Slepen Als de auto moet worden weggesleept - zie de belangrijke informatie in hoofdstuk Slepen (p. 318). Gerelateerde informatie • Transmissieolie - kwaliteit en hoeveelheid (p.
08 Starten en rijden Automatische versnellingsbak Powershift* De automatische Powershift-versnellingsbak brengt de aandrijfkracht van de motor middels dubbele mechanische lamellenkoppelingen over op de aandrijfwielen. Dit in tegenstelling tot de Geartronic-versnellingsbak die hiervoor een conventionele hydraulische koppelomvormer gebruikt. D: automatisch schakelen. +/–: handmatig schakelen. S: Sport-stand*.
08 Starten en rijden || nen in combinatie met een brandend symbool. Symbool A Melding Rijeigenschappen Maatregel Versnellingsbak heet Zet auto stil Problemen om snelheid constant te houden bij hetzelfde toerental. Versnellingsbak oververhit. Houd de auto stil met het rempedaal.A Versnellingsbak heet Stop auto z.s.m. Laat motor lopen Auto rijdt met hevige schokkerige bewegingen vooruit. Versnellingsbak oververhit. Parkeer de auto zo spoedig mogelijk.A Koeling versnell.
08 Starten en rijden Keuzehendelblokkering Stilstaande auto met draaiende motor: De keuzehendelblokkering is verkrijgbaar in twee uitvoeringen: een mechanische en een automatische. • Mechanische schakelblokkering Houd uw voet op het rempedaal terwijl u de keuzehendel verzet. Automatische schakelblokkering deactiveren Elektrische schakelblokkering, Shiftlock parkeerstand (P) Om de keuzehendel vanuit stand P in een andere schakelstand te zetten, moet u in sleutelstand (p. 79) II het rempedaal bedienen.
08 Starten en rijden || Gerelateerde informatie • Automatische versnellingsbak Geartronic* (p. 279) • Automatische versnellingsbak Powershift* (p.
08 Starten en rijden Met het Start/Stop-systeem kunt u actiever milieubewust rijden doordat de motor, waar mogelijk, automatisch te laten afslaan. Handbak of automaat Let erop dat er verschillen zijn in het Start/Stop-systeem, afhankelijk van de vraag of de auto een handbak of een automaat heeft. Gerelateerde informatie • Start/Stop* - functie en bediening (p. 287) • • • Motor starten (p. 274) • Start/Stop* - automatische motorstart (p. 290) • Start/Stop* - automatische motorafslag werkt niet (p.
08 Starten en rijden || Automatische motorstart Start/Stop-systeem deactiveren Voorwaarden M/ AA Met de schakelhendel in de neutrale stand: M 1. Trap het koppelingspedaal of het gaspedaal in – de motor start. Bij uitschakeling van het systeem gaan de Start/Stop-symbolen op het instrumentenpaneel en het lampje in de knop uit. 2. Schakel een passende versnelling in en rijd weg. Laat het rempedaal los. De motor start automatisch en u kunt doorrijden.
08 Starten en rijden Start/Stop* - automatische motorafslag werkt niet Voorwaarden M/AA Voorwaarden Ook als het Start/Stop-systeem geactiveerd is, vindt er niet altijd een automatische motorstop plaats. de auto achteruitrijdt. M+A A de temperatuur van de startaccu onder het vriespunt ligt of te hoog is. M+A de file-assistent van de adaptieve cruisecontrol is geactiveerd. de keuzehendel vanuit stand D in stand SD of ‘+/-’ wordt gezet. A u grotere stuurbewegingen maakt.
08 Starten en rijden Start/Stop* - automatische motorstart In de volgende gevallen start de motor automatisch, ook als u het koppelingspedaal niet hebt ingetrapt (handgeschakelde bak) of uw voet niet van het rempedaal haalt (automaat): 08 290 Voorwaarden M/AA er wordt condens gevormd op de ruiten. M+A De omstandigheden in de passagiersruimte wijken af van de ingestelde waardenB.
08 Starten en rijden Start/Stop* - automatische motorstart werkt niet De automatische motorstart werkt niet altijd na automatische motorafslag. In de volgende gevallen werkt de automatische motorstart niet nadat de motor automatisch werd afgezet: Voorwaarden M/ AA er is een versnelling ingeschakeld zonder het koppelingspedaal te bedienen – een tekstmelding dring er bij u op aan om de schakelhendel in de neutrale stand te zetten en automatische motorstart mogelijk te maken.
08 Starten en rijden Start/Stop* - instellingen In het menusysteem MY CAR (p. 111) vindt u informatie over Volvo’s Start-Stop-systeem en adviezen voor een zuinige rijstijl. Gerelateerde informatie • • • • 08 292 Start/Stop* (p. 286) Start/Stop* - functie en bediening (p. 287) Motor starten (p. 274) Start/Stop* - automatische motorstart werkt niet (p. 291) • Start/Stop* - automatische motorstart (p. 290) • Start/Stop* - automatische motorafslag werkt niet (p.
08 Starten en rijden Start/Stop* - symbolen en meldingen Tekstmelding Het Start/Stop-systeem kan tekstmeldingen op het instrumentenpaneel weergeven. Het Start/Stop-systeem kan soms aanleiding geven tot meldingen op het instrumentenpaneel en een brandend controlelampje. Bij enkele daarvan Symbool dient u een aanbevolen maatregel te nemen. In de volgende tabel staan enkele voorbeelden. Melding Informatie/maatregel M/AA Auto Start/Stop Service vereist Start/Stop werkt niet.
08 Starten en rijden || Symbool A Melding Informatie/maatregel Kies stand P of N om te starten Start/Stop is gedeactiveerd. Zet de keuzehendel in stand N of P en voer een normale motorstart uit met de START/STOP ENGINE-knop. A Druk op startknop De motor zal niet automatisch starten. Voer een normale motorstart uit met de START/ STOP ENGINE-knop en de keuzehendel in P of N. A M = handbak, A = automaatbak.
08 Starten en rijden ECO* N.B. ECO7 is een uniek en innovatief Volvo-systeem dat bij auto’s met een automatische versnellingsbak het brandstofverbruik met tot wel 5 % kan beperken, afhankelijk van de rijstijl van de bestuurder. Met het systeem kunt u actiever milieubewust rijden.
08 Starten en rijden || Ook de combinatie van Eco Coast en een tijdelijk uitgeschakeld ECO-systeem kan tot een lager verbruik leiden. Dus: • Actieve Eco Coast: Lang uitrollen zonder afremmen op de motor = Laag verbruik en • Uitgeschakeld ECO-systeem: Kort uitrollen met motorrem = Minimaal verbruik. N.B. Voor een optimaal laag brandstofverbruik moet Eco Coast gecombineerd met kort uitrollen gewoonlijk worden vermeden.
08 Starten en rijden Rempedaal Het rempedaal wordt gebruikt om de snelheid van de auto tijdens rijden te verlagen. De auto is uitgerust met twee remcircuits. Als een van de remcircuits beschadigd raakt, neemt de rempedaalweg toe en moet u meer druk uitoefenen voor een normale remwerking. De druk die u uitoefent op het rempedaal wordt versterkt door de rembekrachtiging. WAARSCHUWING De rembekrachtiging werkt alleen als de motor draait.
08 Starten en rijden || Symbolen op instrumentenpaneel Symbool Betekenis Brandt continu – controleer het remvloeistofpeil. Vul remvloeistof bij als het peil te laag ligt en controleer tevens de oorzaak van het remvloeistofverlies. Brandt tijdens het starten van de motor 2 seconden continu - automatische functietest. WAARSCHUWING Als en tegelijk branden, kan er een storing in het remsysteem zijn ontstaan.
08 Starten en rijden Bedrijfsrem - noodremlichten en automatische alarmlichten Bedrijfsrem - remkrachtverhoging bij noodstops De noodremlichten worden geactiveerd om achterliggers erop te attenderen dat u krachtig remt. Daarbij knipperen de remlichten in plaats van dat ze continu branden, zoals bij normaal remmen. De remkrachtverhoging bij noodstops (EBA, Emergency Brake Assist) helpt de remkracht verhogen om op die manier de remweg te verkorten.
08 Starten en rijden || 2. Trek de hendel stevig omhoog. > Het waarschuwingssymbool op het instrumentenpaneel gaat branden. Het waarschuwingssymbool op het instrumentenpaneel brandt ongeacht hoe hard de parkeerrem is aangehaald. 3. Laat het rempedaal los en controleer of de auto volledig stilstaat. 4. Als de auto beweegt, dient u de hendel minimaal één klik strakker aan te trekken.
08 Starten en rijden BELANGRIJK Als er water in het luchtfilter komt, kan er motorschade ontstaan. Bij een diepte groter dan 25 cm kan er water in de transmissie komen. Het smerende vermogen van de oliën neemt dan af, waardoor de levensduur van deze systemen korter wordt. Schade aan de motor, transmissie, turbocompressor, het differentieel of de inwendige onderdelen ervan als gevolg van waterlekkage (hydrolock) of een tekort aan olie valt niet onder de garantie.
08 Starten en rijden Rijden met een geopende achterklep Overbelasting - startaccu Wanneer u met een geopende achterklep rijdt, kunnen er giftige uitlaatgassen via de bagageruimte de passagiersruimte in worden gezogen. De elektrische functies van de auto belasten de startaccu in verschillende mate. Laat het contactslot niet te lang achtereen in sleutelstand II staan, wanneer u de motor hebt afgezet.
08 Starten en rijden Voorbereidingen bij lange reizen Rijden tijdens de winter • Bij lange reizen is het goed om de volgende punten te doorlopen: Bij rijden in de winter is het belangrijk om bepaalde controles uit te voeren, zodat u zeker weet dat u veilig met de auto kunt rijden. Controleer de algehele conditie en de ladingstoestand van de accu. De accu wordt zwaarder belast bij koud weer en ook de accucapaciteit neemt af bij vorst. • Giet sproeiervloeistof (p.
08 Starten en rijden Tankvulklep - openen/sluiten Tankvulklep - handmatig openen Brandstof tanken De tankvulklep is als volgt te openen/sluiten: De tankvulklep is met de hand te openen, wanneer het niet mogelijk is deze van buitenaf te openen. De brandstoftank is voorzien van een doploos brandstofvulsysteem. Tanken gaat als volgt: Tankvulklep openen/sluiten Open de tankvulklep door de achterkant van de klep wat in te drukken.
08 Starten en rijden N.B. Voorkom morsen door na het tanken ca. 5–8 seconden te wachten en daarna het vulpistool voorzichtig te verwijderen. Gerelateerde informatie • Brandstof bijvullen – met jerrycan (p. 308) • Tankvulklep - openen/sluiten (p. 304) Brandstof - gebruik WAARSCHUWING Gebruik geen brandstof met een slechtere kwaliteit dan Volvo adviseert, omdat dit een nadelige invloed kan hebben op het motorvermogen en het brandstofverbruik. Op de grond gemorste brandstof kan vlam vatten.
08 Starten en rijden Brandstof - benzine Alcoholen-ethanol De motor loopt op benzine. BELANGRIJK Maak alleen gebruik van benzine van gerenommeerde oliemaatschappijen. Giet nooit brandstof van twijfelachtige kwaliteit in de tank. De benzine moet voldoen aan de norm EN 228, voor zover dergelijke benzine verkrijgbaar is. • 95 RON is te gebruiken in normale rijomstandigheden. • 98 RON wordt geadviseerd voor een maximaal rendement tegen een minimaal brandstofverbruik.
08 Starten en rijden BELANGRIJK De dieselolie: • moet voldoen aan de norm EN 590 en/of SS 155435; • moet een zwavelgehalte hebben van maximaal 10 mg/kg; • mag maximaal 7 vol% FAME (Fatty Acid Methyl Ester) bevatten. BELANGRIJK Maak geen gebruik van de volgende dieselolie-achtige brandstoffen: • • • • speciale toevoegingen (dopes) 1. Plaats de transpondersleutel in het contactslot en duw deze tot aan de aanslag naar binnen, zie Sleutelstanden (p. 78).
08 Starten en rijden Katalysatoren De katalysatoren hebben tot taak de uitlaatgassen te reinigen. Ze zijn dicht bij de motor in het uitlaatsysteem gemonteerd om snel op temperatuur te komen. De katalysatoren bestaan uit een monoliet (keramiek of metaal) met kanalen. De wanden van de kanalen zijn bekleed met platina/ rodium/palladium. Deze edelmetalen hebben een katalytische werking, d.w.z. ze versnellen een chemische reactie zonder dat ze daar zelf actief aan deelnemen.
08 Starten en rijden Roetfilter dieselmotor (DPF) N.B. Dieselmodellen zijn uitgerust met een roetfilter, waardoor een nog effectievere uitlaatgasreiniging mogelijk is. Onder normale rijomstandigheden blijven de roetdeeltjes uit de uitlaatgassen in het filter achter. Om de roetdeeltjes te verbranden en het filter te legen wordt een zogeheten regeneratie gestart. Daarvoor moet de motor de normale bedrijfstemperatuur hebben.
08 Starten en rijden • Maak gebruik van de ECO Guide* (p. 67) die laat zien hoe zuinig de auto rijdt. De bandenkeuze is mogelijk van invloed op het brandstofverbruik – informeer bij uw dealer naar passende banden. • Activeer voor een minimaal brandstofverbruik ECO* (p. 295)9 waarmee het brandstofverbruik verder te verlagen is. • • Gebruik geen winterbanden buiten het winterseizoen.
08 Starten en rijden • Bij het gebruik van een aanhanger wordt de motor zwaarder belast dan normaal. • Richtingaanwijzers en remlichten op aanhanger Rijd niet met een zware aanhanger, wanneer de auto nog helemaal nieuw is. Wacht hiermee totdat de auto ten minste 1000 kilometer heeft gereden. • Bij het afdalen op lange en steile hellingen worden de remmen veel zwaarder belast dan normaal. Schakel dan terug naar een lagere versnelling en pas uw snelheid aan.
08 Starten en rijden Rijden met een aanhanger handgeschakelde versnellingsbak Rijden met een aanhanger automatische versnellingsbak Wanneer u bij warm weer een aanhanger sleept (p. 310) in heuvelachtig terrein, bestaat er mogelijk gevaar voor oververhitting. Wanneer u bij warm weer een aanhanger sleept in heuvelachtig terrein, bestaat er mogelijk gevaar voor oververhitting.
08 Starten en rijden Trekhaak WAARSCHUWING Een trekhaak maakt het mogelijk om bijvoorbeeld een aanhanger achter de auto te hangen. De bewegende onderdelen van de afneembare trekhaak mogen niet worden gesmeerd/ingevet. Hierdoor kan het veiligheidsniveau namelijk afnemen. Als de auto is uitgerust met een afneembare trekhaak, dienen de montagevoorschriften voor het bevestigen van het afneembare gedeelte zorgvuldig te worden opgevolgd, zie Afneembare trekhaak* - monteren/demonteren (p. 315).
08 Starten en rijden • Afneembare trekhaak* - specificaties G021485 Specificaties voor een afneembare trekhaak. A 887 B 79 C 881 D 441 E 109 F 306 G Langsligger H Middelpunt kogel Gerelateerde informatie 08 314 Afmetingen, bevestigingspunten (mm) * Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. • Afneembare trekhaak* - monteren/ demonteren (p. 315) • Afneembare trekhaak* - opbergen (p. 313) Rijden met een aanhanger (p.
08 Starten en rijden Afneembare trekhaak* - monteren/ demonteren U kunt de afneembare trekhaak als volgt monteren/demonteren: Het controlevenster moet rood van kleur zijn. G021490 G021488 Aanbrengen Het controlevenster moet groen van kleur zijn. Draai de sleutel linksom naar de vergrendelde stand. Neem de sleutel uit het slot. G021487 Breng het kogelsegment aan en duw het naar binnen totdat u een klik hoort.
08 Starten en rijden Controleer of het kogelsegment vastzit door het stevig omhoog, omlaag en naar achteren te bewegen. WAARSCHUWING Als het kogelgedeelte niet goed zit, moet u het verwijderen en opnieuw monteren zoals eerder werd beschreven. G021495 G021494 || Veiligheidskabel. WAARSCHUWING Controleer of de veiligheidskabel van de aanhanger in de juiste bevestiging vastzit.
08 Starten en rijden Gerelateerde informatie • • • Afneembare trekhaak* - opbergen (p. 313) Afneembare trekhaak* - specificaties (p. 314) Rijden met een aanhanger (p. 310) Trailer Stability Assist (TSA)11 Het TSA-systeem (Trailer Stability Assist) heeft tot taak de auto met een aanhanger/ caravan te stabiliseren, wanneer de combinatie de neiging tot pendelbewegingen vertoont. TSAHet systeem maakt deel uit van de stabiliteitsregeling (p. 188) ESC12.
08 Starten en rijden || Het TSA-systeem houdt continu de bewegingen van de auto in de gaten en in het bijzonder de dwarsbewegingen. Als een neiging tot slingeren geregistreerd wordt, worden de voorwielen ieder afzonderlijk dusdanig afgeremd dat de combinatie gestabiliseerd wordt. Vaak is dit voldoende om de auto weer onder controle te krijgen.
08 Starten en rijden WAARSCHUWING • Controleer voordat u gaat slepen of het stuurslot eraf is. • De transpondersleutel moet in sleutelstand II staan. In stand I zijn alle airbags gedeactiveerd. • Haal nooit de transpondersleutel uit het contactslot als de auto wordt gesleept. Automatische versnellingsbak Geartronic BELANGRIJK Handgeschakelde versnellingsbak Alvorens te slepen: – Zet de versnellingspook in de neutraalstand en los de parkeerrem.
08 Starten en rijden Sleepoog Neem het sleepoog erbij dat onder het vloerluik in de bagageruimte ligt. Het sleepoog dient te worden vastgeschroefd in een draadbus achter een afdekking in de bumper, voor of achter. Sleepoog bevestigen De afdekking op het bevestigingspunt voor het sleepoog is als volgt te openen: • N.B.
08 Starten en rijden Bergen Met bergen wordt het afslepen bedoeld met een ander voertuig. Roep professionele hulp in voor berging. BELANGRIJK Berg de auto altijd zo dat de wielen in de rijrichting draaien. Gerelateerde informatie • Slepen (p.
WIELEN EN BANDEN
09 Wielen en banden Banden - onderhoud Nieuwe banden De banden bieden onder meer draagvermogen, grip op de ondergrond, trillingsdemping en beschermen de wielen tegen slijtage. Rijeigenschappen Banden zijn van grote invloed op de rijeigenschappen van de auto. Zowel het type, de maat, de bandenspanning als de snelheidsklasse zijn belangrijk voor het rijgedrag van de auto. Leeftijd van de banden Alle banden die ouder zijn dan 6 jaar moet u door een vakman laten controleren, ook al zien ze er intact uit.
09 Wielen en banden 09 || Gerelateerde informatie • • • Banden - maten (p. 326) Banden - snelheidsklassen (p. 327) Banden - draairichting (p. 324) Banden - draairichting Bij banden met een speciaal profiel dat alleen goed werkt wanneer de banden in een bepaalde richting draaien, staat deze richting aangegeven met een pijl op de zijkant van de band. N.B. Let erop dat u hetzelfde type, dezelfde maat en ook hetzelfde merk voor beide wielparen hebt. Houd de aanbevolen bandenspanning (p.
09 Wielen en banden Banden - slijtage-indicator Banden - bandenspanning Een slijtage-indicator toont de status van de profieldiepte van de band. Banden kunnen een verschillende bandenspanning hebben en dat wordt gemeten in de eenheid bar. 09 Bandenspanningssticker Bandenspanning controleren G021829 Slijtage-indicatoren. Slijtage-indicatoren zijn smalle ophogingen die dwars op het bandenprofiel staan. Op de zijkant van de band staan de letters TWI (Tread Wear Indicator).
09 Wielen en banden 09 || bandenspanning geadviseerd (zowel bij maximale als bij lichte belading – zie de bandenspanningstabel in de gedrukte Gebruikershandleiding). Gerelateerde informatie • • • • Banden - snelheidsklassen (p. 327) Banden - draairichting (p. 324) Banden - onderhoud (p. 323) Banden - slijtage-indicator (p. 325) Wiel- en velgmaten Banden - maten Wiel- en velgmaten worden aangeduid zoals in de onderstaande tabel.
09 Wielen en banden Banden - lastindex Banden - snelheidsklassen De lastindex geeft het vermogen van een band aan om een bepaalde last te dragen. Elke band is bestand tegen een bepaalde max. snelheid en behoort daardoor tot een bepaalde snelheidsklasse (SS - Speed Symbol). Iedere band heeft een bepaald draagvermogen, wat wordt aangeduid met de lastindex (LI). Het gewicht van de auto bepaalt het draagvermogen van de banden. Gerelateerde informatie • • • • Banden - maten (p.
09 Wielen en banden 09 Wielmoeren Afsluitbare wielmoeren* Winterbanden De wielen zitten op de naaf vast met wielmoeren die in verschillende uitvoeringen verkrijgbaar zijn. Afsluitbare wielmoeren zijn te gebruiken op zowel aluminium als stalen velgen. Onder de vloer in de bagageruimte is ruimte om de dop voor de afsluitbare wielmoeren in op te bergen. Winterbanden zijn banden die aan de winterse toestand van de weg zijn aangepast. Gerelateerde informatie • Wiel- en velgmaten (p.
09 Wielen en banden Sneeuwkettingen gebruiken Compact reservewiel* Het gebruik van sneeuwkettingen is alleen toegestaan op de voorwielen (geldt ook voor modellen met voorwielaandrijving). Rijd nooit sneller dan 50 km/h met sneeuwkettingen. Rijd evenmin op sneeuwvrije wegen, omdat zowel de sneeuwkettingen als de banden daardoor overmatig slijten. U gebruikt een compact reservewiel (Temporary Spare) ter vervanging van een standaardwiel met een lekke band.
09 Wielen en banden 09 Wielen verwisselen - reservewiel erbij nemen* U vindt het compacte reservewiel* met krik* en wielsleutel* onder de vloer in de bagageruimte. 5. Pak het compacte reservewiel aan de buitenkant vast en til op. Duw het compacte reservewiel iets naar voren en til het uit de opbergruimte. 6. Pak wielsleutel, krik en sleepoog uit het schuimrubber blok. N.B. De krik moet eruit worden getild om bij het sleepoog te komen. Gerelateerde informatie 1.
09 Wielen en banden WAARSCHUWING Controleer of de krik onbeschadigd is, of de schroefdraden goed zijn gesmeerd en of deze vrij van vuil is. N.B. 4. Auto’s met stalen velgen hebben afneembare wieldoppen. Haak het demontagegereedschap in dat geval vast de volledige wieldoppen om ze vervolgens los te trekken. De wieldoppen zijn ook met de hand in één snelle beweging los te trekken. 5. Schroef het sleepoog tot aan de aanslag in de wielsleutel* vast zoals in de volgende afbeelding.
09 Wielen en banden 09 || 6. Verwijder de kunststof boutafdekkingen met het demontagegereedschap. WAARSCHUWING WAARSCHUWING Leg nooit iets tussen de krik en de ondergrond en evenmin tussen de krik en het kriksteunpunt van de auto. Kruip nooit onder de auto als deze op een krik staat. Laat nooit passagiers in de auto zitten als deze op een krik staat. Bij het verwisselen van een wiel langs de kant van de weg moeten eventuele passagiers op een veilige plek gaan staan. 8.
09 Wielen en banden Wielen verwisselen - monteren Krik* en gereedschap terugplaatsen 6. 09 Het is belangrijk dat het wiel op de juiste manier gemonteerd wordt. Aanbrengen 1. Reinig de contactvlakken tussen het wiel en de naaf. 2. Breng het wiel aan. Haal de wielmoeren stevig aan. 3. Breng de auto zo ver omlaag dat het wiel niet meer ongehinderd kan draaien. Plaats een volledige wieldop terug (indien aanwezig). N.B.
09 Wielen en banden 09 || 3. Bij gebruik van het compacte reservewiel kunt u de lekke band in de plastic zak doen, die u in de verpakking met de handschoenen vindt. Leg het schuimrubber blok terug in het opbergvak en draai de bevestigingsbout vast in de vloer van het opbergvak. Leg, als u het compacte reservewiel niet gebruikt hebt, het schuimrubber blok in het compacte reservewiel en plaats het compacte reservewiel terug in het opbergvak. Draai de bevestigingsbouten vast in de vloer van het opbergvak. 4.
09 Wielen en banden Krik EHBO-set* Er wordt een krik gebruikt om de auto op te nemen, bijvoorbeeld bij het verwisselen van banden. De EHBO-set bevat materiaal voor het verlenen van eerste hulp. 09 Gebruik de originele krik alleen voor het verwisselen van het reservewiel. Houd de schroef van de krik altijd goed ingevet.
09 Wielen en banden 09 Bandenspanningscontrolesysteem*2 Gerelateerde informatie Het bandenspanningscontrolesysteem waarschuwt u, wanneer de bandenspanning in één of meer banden te laag is. Op bepaalde markten is een bandenspanningscontrolesysteem wettelijk verplicht. • Bandenspanningscontrolesysteem (TPMS)* - algemeen (p. 336) • Bandenspanningscontrolesysteem (TPMS)* - aanpassen (herkalibreren) (p. 337) • Bandenspanningscontrolesysteem (TPMS)* - bij een lage bandenspanning (p.
09 Wielen en banden • Band moet worden opgepompt Contr. • Bandenspanningscontrolesysteem (TPMS)* - activeren/deactiveren (p. 339) • Bandensp.systeem Service vereist • Bandenspanningscontrolesysteem (TPMS)*19 - aanpassen (herkalibreren) Bij gebruik van wielen zonder TPMS-sensor of een kapotte sensor, verschijnt de melding Bandensp.systeem Service vereist. Bandenspanningscontrolesysteem (TPMS)* - adviezen (p. 340) • Bandenspanningscontrolesysteem (TPMS)* - runflat-banden* (p.
09 Wielen en banden 09 || 5. Rijd ten minste 10 minuten op een snelheid van 30 km/h of hoger. > Op het teken van de bestuurder vindt automatisch kalibratie plaats. Het systeem geeft geen bevestiging na afloop van de kalibratie. Gerelateerde informatie • Bandenspanningscontrolesysteem* (p. 336) • Banden - bandenspanning (p.
09 Wielen en banden N.B. • • Het TPMS hanteert een zogeheten spanningswaarde die gecorrigeerd wordt op basis van de banden- en buitentemperatuur. Dit betekent dat de bandenspanning iets kan afwijken van de aanbevolen spanningswaarden die staan aangegeven op de bandenspanningssticker op de B-stijl aan bestuurderszijde (tussen voor- en achterportier). Het is mogelijk dat u de banden tot een iets hogere waarde moet oppompen om de melding voor een lage bandenspanning te laten verdwijnen.
09 Wielen en banden 09 Bandenspanningscontrolesysteem (TPMS)*26 - adviezen WAARSCHUWING Houd bij het oppompen van een band met TMPS het mondstuk recht tegen het ventiel aan om het ventiel niet te beschadigen. Het bandenspanningscontrolesysteem TPMS (Tyre Pressure Monitoring System)* waarschuwt u, wanneer de spanning in één of meer banden te laag is. • Volvo adviseert TPMS-sensoren te laten monteren op alle wielen (zomer- en winterbanden) van de auto.
09 Wielen en banden WAARSCHUWING Laat de montage van SST-banden over aan de vakman. Gebruik SST-banden alleen in combinatie met TPMS. Rijd niet sneller dan 80 km/h, nadat er een waarschuwingsmelding voor een lage bandenspanning is verschenen. Vervang de lekke band na maximaal 80 kilometer rijden. Rijd voorzichtig en vermijd snelle afremmanoeuvres of scherpe bochten. Vervang een SST-band bij beschadiging of lekkage. Gerelateerde informatie • Bandenspanningscontrolesysteem* (p.
09 Wielen en banden 09 || BELANGRIJK Als er een storing optreedt in het TM, gaat het waarschuwingslampje op het instrumentenpaneel eerst ca. 1 minuut lang knipperen waarna het continu blijft branden. Er verschijnt tevens een melding op het instrumentenpaneel. Ook mét dit systeem moet u het normale onderhoud aan de banden blijven plegen. TM kalibreren TM kan alleen correct werken, wanneer er een referentiewaarde voor de bandenspanning is vastgesteld.
09 Wielen en banden Waarschuwingsmeldingen verwijderen Noodreparatieset voor banden* Als er een bandenspanningsmelding is verschenen en het waarschuwingslampje voor TM brandt: U gebruikt de noodreparatieset voor banden, Temporary Mobility Kit (TMK), om een gat te dichten en om de bandenspanning te controleren en aan te passen. 1. Controleer met een manometer de bandenspanning van alle banden. 2.
09 Wielen en banden 09 Noodreparatieset voor banden* positie 5. Til de TMK-compressor recht omhoog. 6. Om bij de fles met afdichtmiddel te komen, moet de fles naar links worden geschoven tot de fles uit het schuimblok kan worden getild. U gebruikt de noodreparatieset voor banden, Temporary Mobility Kit (TMK), om een gat te dichten en om de bandenspanning te controleren en aan te passen. N.B.
09 Wielen en banden Gerelateerde informatie • Noodreparatieset voor banden* - overzicht (p. 345) • Noodreparatieset voor banden* - afdichtmiddel (p. 350) • Noodreparatieset voor banden* (p. 343) Noodreparatieset voor banden* overzicht Overzicht van de onderdelen van de noodreparatieset, Temporary Mobility Kit (TMK). Gerelateerde informatie • Noodreparatieset voor banden* - positie (p. 344) • Noodreparatieset voor banden* - afdichtmiddel (p. 350) • • Noodreparatieset voor banden* (p.
09 Wielen en banden 09 Noodreparatieset voor banden* bediening Repareer een lekke band met de noodreparatieset, Temporary Mobility Kit (TMK). Noodreparatie banden 1. Plaats een gevarendriehoek en schakel de alarmlichten in, als u een lekke band moet afdichten langs een drukke weg. Laat een eventuele spijker of iets dergelijks in de lekke band zitten. Het lek is zo beter af te dichten. 2.
09 Wielen en banden 8. Zet de knop in stand I. WAARSCHUWING Ga nooit naast de band staan terwijl de compressor aan het pompen is. Bij barsten, oneffenheden en dergelijke dient u de compressor onmiddellijk uit te schakelen. Beëindig in dat geval de rit. Het wordt dan geadviseerd een erkende bandenwerkplaats te bezoeken. N.B. Als de compressor start, kan de druk tot 6 bar toenemen. De druk daalt echter na ca. 30 seconden. 9. Vul de band 7 minuten lang met afdichtmiddel. BELANGRIJK Kans op oververhitting.
09 Wielen en banden 09 Noodreparatieset voor banden* reparatieresultaat controleren Wanneer een band gerepareerd is met de noodreparatieset, Temporary Mobility Kit (TMK), moet na zo’n 3 kilometer rijden een controle plaatsvinden. Bandenspanning controleren 1. Sluit de noodreparatieset voor banden weer aan. 2. Lees de bandenspanning van de manometer af. • • Als de spanning lager is dan 1,3 bar, werd de band onvoldoende afgedicht. Beëindig in dat geval de rit.
09 Wielen en banden Band oppompen met de compressor uit de noodreparatieset voor banden* De originele banden van de auto zijn op te pompen met de compressor uit de noodreparatieset voor banden. 1. De compressor moet uitstaan. Zorg dat de knop in stand 0 staat en neem de kabel en de luchtslang erbij. 2. Draai het ventieldopje van het wiel los en schroef de ventielaansluiting van de luchtslang zo ver mogelijk op het ventiel van de band. WAARSCHUWING Het inademen van uitlaatgassen kan levensgevaarlijk zijn.
09 Wielen en banden 09 || Noodreparatieset voor banden* afdichtmiddel De verpakking (bus) in de noodreparatieset voor banden (p. 345) bevat afdichtmiddel en is te vervangen. Vervang de bus voordat de houdbaarheidsdatum verstreken is. Behandel de vervangen bus als klein chemisch afval (KCA). WAARSCHUWING Versie 2. De bus bevat 1,2-Ethanol en natuurrubberlatex. Plaats de onderdelen in de aangegeven volgorde terug in het blok schuimrubber: Gevaarlijk bij inname. Kan bij huidcontact allergie veroorzaken.
09 Wielen en banden Typegoedkeuring bandenspanningscontrolesysteem (TPMS) 09 (Tyre Pressure Monitoring System)* staat in de tabel. De typegoedkeuring voor de sensoren van het bandenspanningscontrolesysteem - TPMS }} * Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
09 Wielen en banden 09 || Land/regio Brazilië Oekraïne 352
09 Wielen en banden Land/regio 09 Israël }} 353
09 Wielen en banden 09 || Verklaring van overeenstemming (Declaration of Conformity) Land/regio Landen binnen de EU: Exportland: Duitsland Producent: Continental Automotive GmbH Type uitrusting: TPMS-eenheid Tsjechië: 354 Continental tímto prohlašuje, že tento Radio Transmitter je ve shodě se základními požadavky a dalšími příslušnými ustanoveními směrnice 1999/5/ES.
09 Wielen en banden 09 Land/regio Denemarken: Undertegnede Continental erklærer herved, at følgende udstyr Radio Transmitter overholder de væsentlige krav og øvrige relevante krav i direktiv 1999/5/EF. Duitsland: Hiermit erklärt Continental, dass sich das Gerät Radio Transmitter in Übereinstimmung mit den grundlegenden Anforderungen und den übrigen einschlägigen Bestimmungen der Richtlinie 1999/5/EG befindet.
09 Wielen en banden 09 || Land/regio Hongarije: Alulírott, Continental nyilatkozom, hogy a Radio Transmitter megfelel a vonatkozó alapvetõ követelményeknek és az 1999/5/EC irányelv egyéb elõírásainak. Polen: Niniejszym Continental oświadcza, że Radio Transmitter jest zgodny z zasadniczymi wymogami oraz pozostałymi stosownymi postanowieniami Dyrektywy 1999/5/EC.
ONDERHOUD EN SERVICE
10 Onderhoud en service Serviceprogramma van Volvo 10 Om de verkeersveiligheid, bedrijfszekerheid en betrouwbaarheid van de auto op een hoog peil te houden, dient u de voorschriften van het Serviceprogramma van Volvo op te volgen zoals die omschreven staan in het Service- en garantieboekje van Volvo. Volvo adviseert u om service- en onderhoudswerkzaamheden over te laten aan een erkende Volvo-werkplaats.
10 Onderhoud en service Dienst gebruiken Alle menu’s en instellingen zijn vanuit de normaalweergave in MY CAR te bereiken door OK/MENU in te drukken gevolgd door Service & reparatie. Wanneer het tijd is voor service en in sommige gevallen ook wanneer de auto aan reparatie toe is, wordt dat aangegeven via een melding op het instrumentenpaneel (p. 63) en via een pop-upmenu op het beeldscherm. Het servicelampje en de servicemelding op het instrumentenpaneel doven.
10 Onderhoud en service || Navigatiesysteem gebruiken1, 2 Geef uw werkplaats als bestemming of deelbestemming aan voor het navigatiesysteem. 10 – – Kies Service & reparatie Dealerinformatie Eén bestemming inst.. Kies Service & reparatie Dealerinformatie Toevoegen als tussenbestemming. Autogegevens versturen1 De autogegevens worden verstuurd naar de centrale Volvo-database (niet naar dealers).
10 Onderhoud en service Auto opnemen Bij het opnemen van de auto is het belangrijk dat u de krik of de dragerarmen onder de voorziene steunpunten in het onderstel van de auto aanbrengt. 10 N.B. Volvo adviseert u alleen de krik te gebruiken die bij de auto hoort. Volg bij gebruik van een andere krik dan door Volvo geadviseerd de aanwijzingen die bij deze krik werden geleverd.
10 Onderhoud en service || 10 Kriksteunpunten (pijlen) voor de krik van de auto en de hefpunten (rood gemarkeerd). Als u de auto aan de voorkant heft met een garagekrik, moet u de krik onder een van de twee hefpunten zetten die verder naar binnen onder de auto zitten. Als u de auto aan de achterkant heft met een garagekrik, moet u de krik onder een van de hefpunten zetten. Let erop dat u de garagekrik dusdanig aanbrengt, dat de auto er niet van af kan glijden.
10 Onderhoud en service Motorkap - openen en sluiten Haal de borghaak naar links om de motorkap te openen. (De borghaak zit tussen de koplamp en de radiateurgrille zoals afgebeeld.) De motorkap is te openen, wanneer u de handgreep in de passagiersruimte rechtsom hebt gedraaid en de pal bij de radiateurgrille naar links hebt gehaald. Motorruimte - overzicht Het overzicht laat een aantal servicegerelateerde componenten zien.
10 Onderhoud en service || WAARSCHUWING De spanning en het vermogen van het ontstekingssysteem zijn zeer hoog. De spanning in het ontstekingssysteem is levensgevaarlijk. Houd het elektrische systeem van de auto altijd in sleutelstand 0 bij werkzaamheden in de motorruimte, zie Sleutelstanden - functies in verschillende standen (p. 79). 10 Raak bougies of bobine niet aan, wanneer het elektrische systeem van de auto in sleutelstand II staat of als de motor warm is.
10 Onderhoud en service Voor ritten onder ongunstige omstandigheden, zie Motorolie - ongunstige rijomstandigheden (p. 410). BELANGRIJK Om aan de vereisten voor de gespecificeerde service-intervallen te voldoen worden alle motoren in de fabriek gevuld met een speciaal aangepaste, synthetische motorolie. De oliesoort werd met grote zorg geselecteerd lettend op de levensduur van de motor, de startgewilligheid, het brandstofverbruik en de milieu-impact.
10 Onderhoud en service || BELANGRIJK Vul bij een melding dat het oliepeil gering alleen de aangegeven hoeveelheid olie bij, bijvoorbeeld 0,5 liter. 10 N.B. Vulpijp4. In sommige gevallen moet olie worden bijgevuld tussen de servicebeurten door. Aanpassing van het motoroliepeil is niet nodig voordat er een melding op het bestuurdersdisplay verschijnt, zie volgende afbeelding. Melding en grafische voorstelling op display.
10 Onderhoud en service Oliepeil meten Koelvloeistof - peil Houd voor controle van het oliepeil de onderstaande procedure aan. De koelvloeistof koelt de verbrandingsmotor af tot de juiste bedrijfstemperatuur. De warmte die de motor overdraagt op de koelvloeistof kan worden benut voor verwarming van de passagiersruimte. 1. Activeer sleutelstand II, zie Sleutelstanden - functies in verschillende standen (p. 79). 2. Draai het duimwiel op de linker stuurhendel naar stand Oliepeil.
10 Onderhoud en service BELANGRIJK • 10 • Gebruik altijd een koelvloeistof met roestwerende eigenschappen volgens de aanbevelingen van Volvo. • Let erop dat het koelvloeistofmengsel altijd voor 50 % uit water en voor 50 % uit koelvloeistof bestaat. • • • 368 Hoge concentraties chloor, chloriden en andere zoutverbindingen kunnen aanleiding geven tot corrosie in het koelsysteem. Leng de koelvloeistof aan met leidingwater van goede kwaliteit.
10 Onderhoud en service Klimaatregeling - storingen opsporen en verhelpen Service en reparatie aan het aircosysteem mogen uitsluitend door een erkende werkplaats worden uitgevoerd. Storingen opsporen en verhelpen De airconditioning bevat een fluorescerend traceermiddel. Gebruik ultraviolet licht voor het zoeken van lekkage. Volvo adviseert om contact op te nemen met een erkende Volvo-werkplaats. WAARSCHUWING In de installatie voor airconditioning zit koudemiddel R134a onder druk.
10 Onderhoud en service || N.B. Als een foutmelding niet verdwijnt nadat de kapotte gloeilamp is vervangen, dan wordt u geadviseerd een erkende Volvowerkplaats te bezoeken. 10 Lamp vervangen - positie lampen voorzijde Het overzicht geeft de positie aan van de lampen aan voorzijde. Lamp vervangen - koplampen Alle gloeilampen in het koplamphuis zijn te vervangen door eerst het complete koplamphuis via de motorruimte los te nemen en te verwijderen. N.B.
10 Onderhoud en service 4. Haal het koplamphuis los door het beurtelings te kantelen en naar buiten te trekken. BELANGRIJK • Lampen verwisselen - afdekkap groot-/ dimlichtlampen (p. 371) • Lampen verwisselen - afdekkap groot-/dimlichtlampen Lampen - specificaties (p. 376) De groot-/dimlichtlampen zijn bereikbaar door de grotere afdekkap van de koplamp los te maken. 10 Wees voorzichtig bij het eruit tillen van de koplamp, zodat er geen onderdelen beschadigd raken. 5. Druk de borghaak omlaag.
10 Onderhoud en service Lamp vervangen - dimlicht Lamp vervangen - groot licht Lamp vervangen - verstraler De dimlichtlamp zit achter de grote afdekking in het koplamphuis. De grootlichtlamp zit achter de grote afdekking in het koplamphuis. De verstralerlamp zit achter de grote afdekking in het koplamphuis. N.B. 10 N.B. Geldt voor auto’s met halogeenkoplampen. 1. Neem de koplamp (p. 370) los. 2. Maak de afdekking (p. 371) los. 2. Maak de afdekking (p. 371) los. 3. 3.
10 Onderhoud en service Lampen vervangen richtingaanwijzers voorzijde Lamp vervangen - stadslichten/ parkeerlichten vóór De richtingaanwijzerlamp zit achter de kleine afdekking in het koplamphuis. De houder voor de stadslichten vóór en de parkeerlichten zit aan de zijkant van de koplamp. Gerelateerde informatie • Lampen - specificaties (p. 376) 10 N.B. Geldt niet voor auto’s met xenon-koplampen*, omdat deze zijn voorzien van ledlampen. 1. Neem de koplamp (p. 370) los. 2. Maak de afdekking los. 3.
10 Onderhoud en service Lamp vervangen - dagrijlicht De dagrijlichtlamp zit achter de afdekking in de bumper. N.B. 10 Lamp vervangen - positie lampen achterzijde Lamp vervangen - richtingaanwijzers achter, rem- en achterlichten Het overzicht geeft de positie aan van de lampen aan achterzijde. U vervangt de richtingaanwijzers achter, de rem- en achteruitrijlichten vanaf de binnenkant van de bagageruimte. Geldt alleen voor dagrijlicht met gloeilampen. Remlicht (led) Remlichten (p. 374) 1.
10 Onderhoud en service Gerelateerde informatie • Lamp vervangen - positie lampen achterzijde (p. 374) • Lampen - specificaties (p. 376) Lamp vervangen - mistachterlicht Draai de lamphouder linksom. De mistachterlichtlamp zit in de lamphouder van bumper. Trek de lamphouder naar buiten. 3. Vervang de gloeilamp en monteer de onderdelen in omgekeerde volgorde terug. 10 Gerelateerde informatie • Lampen - specificaties (p. 376) Steek een stomp, op een mes lijkend voorwerp, zoals een tafelmes, (ca.
10 Onderhoud en service Lamp vervangen - verlichting makeupspiegel 10 De lampjes voor de verlichting van de makeupspiegel zitten achter de lensjes. Lampen - specificaties Verlichting 1. Steek een schroevendraaier achter het lampglas om de borgnok aan de rand voorzichtig los te werken. 2. Haal het lampglas voorzichtig los en verwijder het. 3. Trek de gloeilamp met een rondbektang recht opzij. Klem de tang niet te hard, anders kan het glas van de lamp kapot gaan. 4.
10 Onderhoud en service Wisserbladen De wisserbladen vegen neerslag van de vooren achterruit. In combinatie met sproeiervloeistof reinigen ze de ruiten voor een goed zicht tijdens het rijden. Om de wisserbladen van de voorruit te kunnen vervangen moeten deze eerst in de servicestand worden gezet. Servicestand BELANGRIJK Voordat de wisserbladen in de servicestand worden gezet, moet u controleren of ze niet vastgevroren zijn. 1.
10 Onderhoud en service || Wisserbladen vervangen, achterklep Klap de wisserarm omhoog als deze in de servicestand staat. Druk op de knop die op de wisserbladhouder zit en trek het wisserblad evenwijdig aan de wisserarm los. Duw het nieuwe wisserblad zo ver naar binnen dat u een klik hoort. Controleer of het blad goed vastzit. 4. Klap de wisserarm terug op de voorruit.
10 Onderhoud en service BELANGRIJK Controleer de bladen regelmatig. Verwaarloosd onderhoud verkort de levensduur van de bladen. Sproeiervloeistof - bijvullen Om de koplampen en ruiten schoon te houden wordt sproeiervloeistof gebruikt. Gebruik sproeiervloeistof met antivries bij temperaturen onder het vriespunt. Voorgeschreven kwaliteit: Door Volvo aanbevolen sproeiervloeistof, met antivries bij koud weer en onder het vriespunt.
10 Onderhoud en service Startaccu - algemeen 10 Afmetingen , l×b×h (mm) De startaccu wordt gebruikt om de startmotor en andere elektrische uitrusting in de auto aan te drijven. De startaccu is een traditionele 12V-accu. De rijomstandigheden, de rijstijl, het aantal startpogingen, de weersomstandigheden e.d. zijn van invloed op de levensduur en de werking van de accu. • Koppel de startaccu nooit los, terwijl de motor loopt.
10 Onderhoud en service BELANGRIJK N.B. Gebruik voor het opladen van de startaccu of de hulpaccu (p. 382) alleen een moderne acculader met laadspanningsregeling. Maak geen gebruik van eventuele snellading omdat de accu daarbij beschadigd kan raken. Als de startaccu vaak ontladen wordt, heeft dat een negatief effect op zijn levensduur. De levensduur van de startaccu wordt door meerdere factoren beïnvloed, o.a. de rijomstandigheden en het klimaat.
10 Onderhoud en service || Vermijd vonken en open vuur. 10 Explosiegevaar. Startaccu - vervangen Accu - Start/Stop Laat de hulpaccu vervangen in een erkende werkplaats. Auto’s met Start/Stop-systeem hebben behalve de startaccu ook een hulpaccu. De startaccu is een traditionele 12V-accu. Een auto met Start/Stop-systeem is voorzien van twee 12V-accu’s – één extra krachtige startaccu en een hulpaccu die gebruikt wordt voor de startprocedure middels het Start/Stop-systeem.
10 Onderhoud en service BELANGRIJK Bij vervanging van de startaccu of hulpaccu, bij een auto met Start/Stop-systeem, moet u een accu van het juiste type monteren; EFB11 bij een auto met een handgeschakelde versnellingsbak en AGM12 bij een auto met een automatische versnellingsbak. • • Auto-start motor13 werkt zonder dat u de koppeling bedient (handmatige versnellingsbak). De motor start automatisch zonder dat u uw voet van het rempedaal haalt (automatische versnellingsbak).
10 Onderhoud en service || N.B. Als de startaccu dermate ontladen is dat alles ‘zwart’ is en alle elektrische standaardsystemen van de auto’s nagenoeg uitgeschakeld zijn en u de motor vervolgens start met een externe accu of acculader, zal het Start/Stop-systeem actief zijn. Auto-stop van de motor is in dat geval mogelijk, maar het Start/Stop-systeem kan na auto-stop van de motor mogelijk geen auto-start uitvoeren door onvoldoende capaciteit van de startaccu.
10 Onderhoud en service WAARSCHUWING Gebruik nooit een vreemd voorwerp of een zekering met meer ampère dan gespecificeerd om een zekering te vervangen. Dit kan aanzienlijke schade aan het elektrische systeem veroorzaken en mogelijk tot brand leiden. Gerelateerde informatie • • • Zekeringen - in motorruimte (p. 386) Zekeringen - onder dashboardkastje (p. 389) Zekeringen - onder rechter voorstoel (p.
10 Onderhoud en service Zekeringen - in motorruimte De zekeringen in de motorruimte beschermen o.a. de motor- en remfuncties. 10 Aan de binnenkant van het deksel zit een speciale trekker waarmee u de zekeringen gemakkelijker kunt verwijderen en aanbrengen. In de relais- en zekeringhouder is tevens plaats voor enkele reservezekeringen. Zekeringen vervangen De zekeringen zijn te bereiken, wanneer u het deksel van de startaccu en het deksel van de relais- en zekeringhouder hebt verwijderd.
10 Onderhoud en service Haal de borgnok opzij die op de zijkant van de relais- en zekeringhouder zit. Draai het deksel omhoog, totdat de borgnokken (1) loskomen. Functie Remlichten 5 ABS-ventielen 30 - - Koplampsproeiers* 20 Verlichtingsdraaiknop 5 Interieurventilator 40 Interne relaisspoelen 5 12V-aansluiting middenconsole voor 15 Regeleenheid transmissie 15 Elektrische voorruitverwarming, rechts* Plaats de onderdelen in omgekeerde volgorde terug.
10 Onderhoud en service || Functie 10 388 Functie [A]A Vacuümregelaar; kleppen; regeleenheid grille-afsluiting; regeleenheid spoilerafsluiting (diesel); compressor A/C; magneetklep voor motoroliepomp; koelklep voor klimaatregeling (diesel); regeleenheid gloeibougies (diesel); relaisspoelen in relais voor Start/ Stop-functies 10 EGR-klep (diesel); EVAP-klep (benzine); regeleenheid motor; thermostaat voor motorkoelsysteem (benzine); koelpomp voor EGR (diesel) 15 Bougies (benzine) 15 Dieselfilterve
10 Onderhoud en service Zekeringen - onder dashboardkastje De zekeringen onder het dashboardkastje beschermen onder meer de airbags en de interieurverlichting. Aan de binnenkant van het deksel naar relais- en zekeringhouder in de motorruimte zit een speciale trekker waarmee u de zekeringen gemakkelijker kunt verwijderen en aanbrengen. In de relais- en zekeringhouder in de motorruimte is tevens plaats voor enkele reservezekeringen.
10 Onderhoud en service || Kap monteren Functie 10 Pas de onderste borgnokjes in. Draai de kap omhoog totdat de bovenste nokjes vastklikken. N.B. Let erop dat de bovenste borgnokjes goed in de groeven van de relais- en zekeringhouder worden geleid. Posities De zekeringen zijn van het type ‘MiniFuse’. Functie Brandstofpomp Achterruitwisser 390 [A]A 20 15 * Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
10 Onderhoud en service Functie A B C D E F G [A]A Centrale vergrendeling tankvulklepF 10 Ontgrendelen achterklepG 10 Elektrische extra verwarming*; knop achterbankverwarming* 7,5 Airbags; voetgangersairbag* 7,5 Reservepositie 4, continue spanning 7,5 - - - - 10 Ampère Zie ook zekering 84. Zie ook zekering 83. Zie ook zekering 82. Zie ook zekering 77. Zie ook zekering 70. Zie ook zekering 65. Gerelateerde informatie • • Zekeringen - in motorruimte (p.
10 Onderhoud en service Zekeringen - onder rechter voorstoel 10 De zekeringen onder de rechter voorstoel beveiligen onder meer de infotainmentfuncties en de stoelverwarming. Aan de binnenkant van het deksel naar relais- en zekeringhouder in de motorruimte zit een speciale trekker waarmee u de zekeringen gemakkelijker kunt verwijderen en aanbrengen. In de relais- en zekeringhouder in de motorruimte is tevens plaats voor enkele reservezekeringen. 16 392 Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
10 Onderhoud en service Functie [A]A Functie Bedieningspaneel portier rechtsvoor 25 Bedieningspaneel portier linksachter 25 Bedieningspaneel portier rechtsachter 25 Trekhaakaansluiting 2* 20 Hoofdzekering voor zekeringen 12–16: Infotainment 25 Regeleenheid audio (versterker)* 30 Elektrisch bediende stoel links* 20 - - Interne relaisspoel 5 - - - - - - 12V-aansluiting bagageruimte 15 - - - - - - - - - - - Functie [A]A Stoelverwarming passagierszijde voorin - [A]A 1
10 Onderhoud en service || Gerelateerde informatie • • 10 394 Zekeringen - in motorruimte (p. 386) Zekeringen - onder dashboardkastje (p.
10 Onderhoud en service Wasstraat Was de auto zodra deze vuil geworden is. Zorg dat de auto op een spoelvloer met olieafscheider staat. Gebruik autoshampoo. Met de hand wassen • • • Verwijder vogelpoep zo spoedig mogelijk van de lak. Vogelpoep bevat namelijk stoffen die de lak aantasten en deze zeer snel doen verkleuren. U wordt geadviseerd een dergelijke verkleuring te laten herstellen door een erkende Volvo-werkplaats. Spoel het onderstel af.
10 Onderhoud en service || Bij het reinigen: – 10 BELANGRIJK Zet de wisserbladen in de servicestand, zie Wisserbladen (p. 377). Waxen en polijsten op kunststof en rubber is niet toegestaan. Bij gebruik van ontvettingsmiddel op kunststof en rubber mag u, als dat nodig is, slechts met lichte druk wrijven. Gebruik een zachte spons. N.B. Reinig de wisserbladen en voorruit regelmatig met een lauw sopje of autoshampoo.
10 Onderhoud en service BELANGRIJK Waxen en polijsten op kunststof en rubber is niet toegestaan. Bij gebruik van ontvettingsmiddel op kunststof en rubber mag u, als dat nodig is, slechts met lichte druk wrijven. Gebruik een zachte spons. Door het polijsten van glimmende strips kan de glimmende oppervlaktelaag wegslijten of beschadigd raken. Gebruik geen poetsmiddel dat schuurmiddel bevat. BELANGRIJK Alleen lakbehandelingen uitvoeren die door Volvo geadviseerd worden.
10 Onderhoud en service 10 Roestwering Interieur reinigen Stoffen bekleding en plafondbekleding De auto heeft in de fabriek een uiterst grondige en complete roestwerende behandeling ondergaan. De carrosserie bestaat ten dele uit gegalvaniseerd plaatwerk. Het onderstel is voorzien van een slijtvaste bodembescherming. In de balken, holten en gesloten profielen werd een dunne, doordringende roestwerende vloeistof gespoten.
10 Onderhoud en service Interieuronderdelen van kunststof, metaal en hout WAARSCHUWING Gebruik voor alle zitplaatsen slechts één inlegmat tegelijk en controleer alvorens weg te rijden of de mat voor de bestuurdersstoel goed in de bevestigingsklemmen op de vloer vastzit om te voorkomen dat deze kan gaan glijden en achter of onder de pedalen blijft haken.
10 Onderhoud en service || spuitbussen met speciale hechtprimer verkrijgbaar. • basislak en heldere lak - verkrijgbaar in spuitbussen en als bijwerkpennen/-stiften18. • • Afplaktape. 10 Fijn Kleine lakbeschadigingen als steenslagplekken en krassen repareren 2. Vóór het lakken kunt u zo nodig (bij ongelijkmatige randen bijvoorbeeld) plaatselijk licht schuren met zeer fijn schuurlinnen. Maak het oppervlak goed schoon en laat drogen. 3.
SPECIFICATIES
11 Specificaties Type-aanduidingen Type-aanduiding, chassisnummer en dergelijke (voertuigspecifieke informatie) staan aangegeven op een sticker in de auto. Positie van stickers en plaatjes 11 De afbeelding is schematisch – afhankelijk van de markt en het model zijn afwijkingen mogelijk.
11 Specificaties Wanneer u contact opneemt met uw erkende Volvo-werkplaats of vervangende onderdelen of accessoires wilt bestellen, kan het handig zijn om de type-aanduiding, het chassisnummer en het motornummer bij de hand te hebben. Type-aanduiding, chassisnummer, maximaal toelaatbaar gewicht, kleurcode voor lakwerk en typegoedkeuringsnummer. De sticker zit op de portierstijl en wordt bij het openen van het rechter achterportier zichtbaar. Sticker voor A/C-systeem. Sticker voor standverwarming. N.B.
11 Specificaties Maten In de tabel ziet u de maten van de auto wat de lengte, hoogte e.d. betreft. 11 V40. Maten mm A Wielbasis 2647 B Lengte 4369 C 404 Laadlengte, vloer, achterbank neergeklapt D Laadlengte, vloer E Hoogte F Laadhoogte 1508 G H Maten mm Spoorbreedte vooras 1546A Spoorbreedte achteras Maten mm J Breedte 1802 1551B K Breedte incl. buitenspiegels 2041 1559C L Breedte incl.
11 Specificaties Gewichten Het maximale totaalgewicht staat aangegeven op een sticker in de auto. Inbegrepen bij het rijklaar gewicht zijn het gewicht van de bestuurder, dat van de brandstoftank die voor 90 % gevuld is en dat van de resterende oliën/vloeistoffen. Het gewicht van de passagiers en de gemonteerde accessoires alsmede de kogeldruk (p. 406) (bij gebruik van een aanhanger) zijn van invloed op het laadvermogen en zijn niet inbegrepen bij het rijklaar gewicht.
11 Specificaties Trekgewicht en kogeldruk Het trekgewicht en de kogeldruk voor het rijden met een aanhanger staan in de tabellen. 11 406 Max. gewicht geremde aanhanger N.B. Niet alle motoren zijn verkrijgbaar op alle markten.
11 Specificaties V40 MotorcodeA Versnellingsbak Max. gewicht geremde aanhanger (kg) Max.
11 Specificaties || Max. gewicht ongeremde aanhanger V40 Max. gewicht ongeremde aanhanger (kg) Max. kogeldruk (kg) 700 50 Motor Alle Gerelateerde informatie 11 408 • • • Gewichten (p. 405) Rijden met een aanhanger (p. 310) Trailer Stability Assist (TSA) (p.
11 Specificaties Motorspecificaties De motorspecificaties (vermogen enz.) voor de verschillende motoralternatieven staan in de tabel. V40 N.B. Niet alle motoren zijn verkrijgbaar op alle markten.
11 Specificaties Motorolie - ongunstige rijomstandigheden BELANGRIJK Om aan de vereisten voor de gespecificeerde service-intervallen te voldoen worden alle motoren in de fabriek gevuld met een speciaal aangepaste, synthetische motorolie. De oliesoort werd met grote zorg geselecteerd lettend op de levensduur van de motor, de startgewilligheid, het brandstofverbruik en de milieu-impact. In ongunstige rijomstandigheden kunnen de olietemperatuur en het olieverbruik abnormaal toenemen.
11 Specificaties Motorolie - kwaliteit en hoeveelheid De aanbevolen motoroliekwaliteit en de hoeveelheid voor de verschillende motoralternatieven staan in de tabel. N.B. Niet alle motoren zijn verkrijgbaar op alle markten.
11 Specificaties || V40 MotorcodeA Oliekwaliteit Motor 11 A (liter) T2 B4154T5 Castrol Edge Professional V 0W-20 of VCC RBS0-2AE 0W-20 T2 B4204T38 ca. 5,9 T3 B4154T4 ca. 5,6 T3 B4204T37 ca. 5,9 T4 B4204T19 ca. 5,9 T5 B4204T11 ca. 5,9 T5 B4204T15 ca. 5,9 D2 D4204T8 ca. 5,2 D3 D4204T9 ca. 5,2 D4 D4204T14 ca. 5,2 Motorcode, onderdeel- en serienummer van de motor vindt u op de motor, zie Type-aanduidingen (p. 402). Gerelateerde informatie 412 Hoeveelheid, incl.
11 Specificaties Koelvloeistof - kwaliteit en hoeveelheid V40 In de tabel ziet u de aan te houden hoeveelheid koelvloeistof voor de verschillende motortypes. D2 D4204T8 D3 D4204T9 D4 D4204T14 Voorgeschreven kwaliteit: Door Volvo aanbevolen koelvloeistof aangelengd met 50 % water2, zie verpakking. N.B. V40 (liter) 8,0 (8,4B) Motorcode, onderdeel- en serienummer van de motor vindt u op de motor, zie Type-aanduidingen (p. 402). Geldt voor een auto met een verwarming op brandstof.
11 Specificaties Transmissieolie - kwaliteit en hoeveelheid De voorgeschreven transmissieolie en de hoeveelheid voor de verschillende versnellingsbakopties staan in de tabel. Handgeschakelde versnellingsbak Handgeschakelde versnellingsbak 11 Hoeveelheid (liter) M66 ca. 1,45 Voorgeschreven versnellingsbakolie BOT 350M3 Automatische versnellingsbak Automatische versnellingsbak Hoeveelheid (liter) TF-71SC ca. 6,8 TG-81SC 6,6A ca. ca. 7,5B A B Benzinemotoren Dieselmotoren N.B.
11 Specificaties Remvloeistof - kwaliteit en hoeveelheid Remvloeistof is de naam van het middel in een hydraulisch remsysteem, dat wordt gebruikt om druk over te brengen vanuit bijvoorbeeld een rempedaal via een hoofdremcilinder naar een of meerdere hulpcilinders die op hun beurt een mechanische rem bedienen. Voorgeschreven kwaliteit: DOT 4 11 Hoeveelheid: 0,6 liter Gerelateerde informatie • Rem- en koppelingsvloeistof - peil (p.
11 Specificaties Brandstoftank - inhoud De inhoud van de brandstof voor de verschillende motoralternatieven staan in de tabel. V40 Hoeveelheid (liter) Voorgeschreven kwaliteit Motor 11 Benzine ca. 62 Brandstof - benzine (p. 306) Dieselolie ca. 62 Brandstof - diesel (p. 306) Gerelateerde informatie • • 416 Brandstof tanken (p. 304) Motorspecificaties (p.
11 Specificaties Airconditioning, vloeistof hoeveelheid en kwaliteit In de onderstaande tabellen ziet u welke kwaliteit vloeistoffen en smeermiddelen er in het aircosysteem zitten en in welke hoeveelheden. A/C-sticker Compressorolie Hoeveelheid 60 ml Voorgeschreven kwaliteit PAG-olie Gerelateerde informatie • Klimaatregeling - storingen opsporen en verhelpen (p. 369) 11 De sticker zit aan de binnenkant van de motorkap.
11 Specificaties Brandstofverbruik en CO2-uitstoot Stadsverkeer Het brandstofverbruik voor een auto wordt gemeten in liter per 100 km en de CO2-uitstoot in gram per km. handgeschakelde versnellingsbak Snelwegrit Automatische versnellingsbak Uitleg Combinatierit N.B. gram/km 11 Als de gegevens over brandstofverbruik en emissie ontbreken, staan deze in het bijgeleverde supplement. liter/100 km N.B. Niet alle motoren zijn verkrijgbaar op alle markten.
11 Specificaties V40 T3 (B4204T37) - - - - - - T3 (B4154T4) - - - - - - T4 (B4204T19) - - - - - - T4 (B4204T19) 164 7,1 106 4,6 127 5,5 T5 (B4204T11) 185 8,0 110 4,8 137 5,9 D2A (D4204T8) - - - - - - D2B (D4204T8) - - - - - - D2A (D4204T8) - - - - - - D2B (D4204T8) - - - - - - D3A (D4204T9) - - - - - - D3B (D4204T9) - - - - - - 11 }} 419
11 Specificaties || V40 11 A B D3A (D4204T9) 117 4,6 97 3,7 104 4,0 D3B (D4204T9) 116 4,5 93 3,6 101 3,9 D4A (D4204T14) 110 4,2 93 3,6 99 3,8 D4B (D4204T14) 108 4,1 89 3,5 96 3,7 D4A (D4204T14) 132 5,0 96 3,7 109 4,2 D4B (D4204T14) 129 4,9 93 3,5 106 4,0 Geldt niet voor de variant met een geringe emissie. Geldt alleen voor de variant met een geringe emissie.
11 Specificaties • • Uw rijstijl. • De grotere luchtweerstand bij hogere snelheden. • De brandstofkwaliteit, de weg- en verkeersomstandigheden, de weersgesteldheid en de staat van de auto. N.B. De grotere rolweerstand als u kiest voor grotere wielen dan de standaardwielen op de basisuitvoering van het model. Ook wanneer u slechts enkele van de hier genoemde tips opvolgt, is al een aanzienlijk lager brandstofverbruik mogelijk.
11 Specificaties Banden - goedgekeurde bandenspanning De goedgekeurde bandenspanningen voor de verschillende motoralternatieven staan in de tabel. V40 Bandenmaat Motor 11 (km/h) Voor Achter Voor/achter (kPa) (kPa) (kPa) (kPa) Tot 160 230 230 260 260 260 (280C) 160 + 250 250 300 280 - 225/40 R18 Tot 160 230 230 260 260 260 235/35 R19 160 + 270 270 320 300 - max. 80 420 420 420 420 - 225/45 R17 Zuinig rijden.
11 Specificaties 11 423
12 Alfabetisch register Actieve xenonkoplampen.......................... 92 A Aanbevolen kinderzitjes tabel...................................................... 47 Aanhanger............................................... 310 kabel........................................... 310, 311 pendelbeweging................................. 317 rijden met een aanhanger................... 310 Aanrijding................................................... 42 ACC - Adaptieve cruisecontrol................
12 Alfabetisch register Auto met internetaansluiting afspraak maken voor servicebeurt en reparatie.............................................. 358 Autosleutelgeheugen............................... 161 Autoverzorging......................................... 395 Leren bekleding.................................. 398 B bagageruimte bagagenet........................................... 156 Bagageruimte bevestigingspunten............................ 154 Hoedenplank......................................
12 Alfabetisch register 12 Condens Condens in koplamp.......................... 395 ruiten ontdoen van -........................... 125 Distance Alert.......................................... 219 Beperkingen....................................... 220 Symbolen en meldingen..................... 221 Condens in koplamp................................ 395 Doorluchtfunctie.............................. 125, 177 Controlesymbolen......................... 64, 66, 68 Doorwaaddiepte............................
12 Alfabetisch register FSC, milieulabel......................................... 25 H G handgeschakelde versnellingsbak........... 277 schakelindicatie (GSI)......................... 278 slepen en bergen................................ 319 Geartronic................................................ 279 Geheugenfunctie stoel............................... 82 Handgeschakelde versnellingsbak aanhanger........................................... 312 Gelaagd glas.............................................
12 Alfabetisch register Keyless - vergrendelen............................ 172 Kinderen kinderslot.............................................. 46 kinderzitje en airbag............................. 51 kinderzitje en SIPS-airbag.................... 38 plaats in de auto................................... 51 veiligheid......................................... 38, 46 Kinderslot......................................... 181, 182 12 Kinderveiligheidszitje................................. aanbevolen.............
12 Alfabetisch register Meldingen en symbolen Adaptieve cruisecontrol...................... 217 Collision Warning with Auto Brake.......................................... 228, 238 Driver Alert Control............................. 242 LKA..................................................... 247 Motor- en interieurverwarming........... 143 Meldingen op het informatiedisplay........ 109 Meldingsfuncties...................................... 111 Menufuncties Instrumentenpaneel............................
12 Alfabetisch register P Q PACOS....................................................... 35 Queue Assist............................................ 211 Paneelverlichting....................................... 87 Paniekfunctie........................................... 164 PAP - Actieve parkeerhulp....................... 256 12 Park Assist............................................... aan achterzijde................................... functie.................................................
12 Alfabetisch register Roestwering............................................. 398 Serviceprogramma.................................. 358 Sproeien voorruit..................................... 101 Roetfilter dieselmotor.............................. 309 Servicestand............................................ 377 ROETFILTER VOL.................................... 309 Sfeerverlichting.......................................... 96 Rugleuning.................................................
12 Alfabetisch register Stoffen die allergieën en/of astma kunnen verwekken................................................ 127 T Transpondersleutel met PCC Actieradius.......................................... 167 Storingsdiagnose van camerasensor...... 225 Tanken............................................. 180, 308 Bijvullen.............................................. 304 bijvullen met jerrycan met reservebrandstof............................................ 308 tankklep............................
12 Alfabetisch register U Vergrendelingsindicatie .......................... 162 Uitstoot van kooldioxide.......................... 418 Verkeersbordinformatie........................... 192 bediening............................................ 192 Beperkingen....................................... 194 V Veiligheidsgordel....................................... Achterbank........................................... gordelspanner....................................... gordelwaarschuwing.....................
12 Alfabetisch register Voorruit elektrische verwarming............... 105, 136 Voorstoel hoofdsteun............................................ 81 WHIPS kinderzitje/verhogingskussen............... 40 WHIPS-systeem............................. 39, 41 zithouding............................................. 40 Wielbouten............................................... 328 afsluitbare........................................... 328 W Waarschuwingsgeluid Collision Warning................................
TP 18802 (Dutch), AT 1517, MY16, Printed in Sweden, Göteborg 2015, Copyright © 2000-2015 Volvo Car Corporation