WEB EDITION GEBRUIKERSHANDLEIDING
BESTE VOLVO-BEZITTER, DANK U DAT U GEKOZEN HEBT VOOR VOLVO! Wij hopen dat u jarenlang rijplezier van uw Volvo zult hebben. Bij het ontwerp hebben veiligheid en comfort van u en uw passagiers vooropgestaan. Een Volvo is een van de veiligste auto’s ter wereld. Uw Volvo is ook ontworpen om aan alle geldende veiligheidsvoorschriften en milieueisen te voldoen.
Inhoud 01 Inleiding Gebruikershandleiding lezen..................... Vastlegging van gegevens........................ Accessoires en extra uitrusting................. Verkoop van auto met Volvo On Call*....... Informatie op internet................................ Milieubeleid van Volvo Car Corporation... Milieu-aspecten van de gebruikershandleiding........................................................ Gelaagd glas.............................................
Inhoud 03 Instrumenten, schakelaars en bediening Instrumenten en bediening, auto met stuur links - overzicht................................ Instrumenten en bediening, auto met stuur rechts - overzicht............................. Instrumentenpaneel.................................. Instrumentenpaneel, analoog - overzicht. Instrumentenpaneel, digitaal - overzicht... Eco guide & Power guide*........................ Instrumentenpaneel - betekenis controlesymbolen..............................................
Inhoud 04 Klimaat Algemene informatie over de klimaatregeling...................................................... Werkelijke temperatuur........................... Sensoren - klimaat.................................. Luchtreiniging......................................... Luchtreiniging - interieurfilter.................. Luchtreiniging - Clean Zone Interior Package (CZIP)*............................................ Luchtreiniging - IAQS*............................ Luchtreiniging - materiaal...........
Inhoud 06 Sloten en alarm Transpondersleutel met sleutelblad........ 163 Transpondersleutel/PCC - verlies .......... 163 Transpondersleutel/PCC - sleutelgeheugen*......................................................... 164 Indicatie vergrendeling/ontgrendeling instellen................................................... 164 Vergrendelingsindicatie........................... 165 Transpondersleutel/PCC, elektronische startblokkering........................................
Inhoud 07 Bestuurdersondersteuning Stabiliteits- en tractieregelsysteem (DSTC)..................................................... Stabiliteits- en tractieregelsysteem (DSTC) - bediening.................................. Stabiliteits- en tractieregeling (DSTC) symbolen en meldingen.......................... Verkeersbordenherkenning (RSI)............ Verkeersbordenherkenning (RSI)* bediening................................................ Verkeersbordenherkenning (RSI)* beperkingen.........................
Inhoud 08 Starten en rijden Rijbaanassistent - beperkingen.............. Rijbaanassistent - symbolen en meldingen.......................................................... Park Assist*............................................. Park Assist* - functie............................... Park Assist* - aan de achterzijde............ Park Assist* - aan de voorzijde............... Park Assist* - storingsindicatie............... Park Assist* - sensoren schoonmaken... Park Assist-camera.............................
Inhoud 09 Wielen en banden Brandstof - benzine................................ 304 Brandstof - diesel.................................... 305 Brandstof bijvullen – met jerrycan........... 306 Roetfilter dieselmotor (DPF).................... 306 Zuinig rijden............................................ 307 Rijden met een aanhanger...................... 308 Rijden met een aanhanger - handgeschakelde versnellingsbak.............................. 309 Rijden met een aanhanger - automatische versnellingsbak.....
Inhoud 10 Onderhoud en service Serviceprogramma van Volvo................. Auto opnemen........................................ Motorkap - openen en sluiten................. Motorruimte - overzicht.......................... Motorruimte - controle............................ Motorolie - algemeen.............................. Motorolie - controleren en bijvullen........ Koelvloeistof - peil.................................. Rem- en koppelingsvloeistof - peil.........
Inhoud Verkeersinformatie (TP)........................... Enhanced Other Networks (EON)........... Nieuwsuitzendingen................................ Radioprogrammatypes (PTY).................. Radioprogrammatypes PTY zoeken....... Radioprogrammatypes (PTY) weergeven Volumeregeling voor onderbrekende radioprogrammatypes (PTY)................... Radiotekst............................................... Automatische radio-afstemfunctie (AF).. Regionale radioprogramma’s (REG).......
Inhoud 12 Specificaties Stembediening* mobiele telefoon gebruikersinstelling en stemvolume........ 429 Spraakherkenning* mobiele telefoon stemcommando’s................................... 430 Stembediening* mobiele telefoon - snelcommando’s........................................... 430 Stembediening* mobiele telefoon - nummer bellen............................................... 431 Stembediening* mobiele telefoon - bellen via gesprekslijst.......................................
Inhoud 13 Alfabetisch register Typegoedkeuring - Bluetooth®............... 477 Licenties.................................................. 485 Displaysymbolen..................................... 487 Alfabetisch register.................................
Inhoud 13
INLEIDING
01 Inleiding Gebruikershandleiding lezen Een goede manier om vertrouwd te raken met uw nieuwe auto is om de gebruikershandleiding te lezen, idealiter voordat u uw eerste rit maakt. Zo maakt u kennis met nieuwe functies, krijgt u tips hoe u het beste in verschillende situaties met de auto kunt omgaan en leert u hoe u optimaal gebruik kunt maken van alle mogelijkheden die uw auto biedt. Besteed ook aandacht aan de veiligheidsinstructies in de handleiding.
01 Inleiding 01 || de waarschuwing, kan resulteren in ernstig letsel met mogelijk dodelijke afloop. Wanneer er een reeks afbeeldingen bij een stapsgewijze instructie bestaat, zijn de verschillende stappen van de instructie op dezelfde manier genummerd als de bijbehorende afbeeldingen. Gevaar voor materiële schade G031592 G031593 Als voor de instructies bij een reeks afbeeldingen de onderlinge volgorde niet relevant is, worden de instructies voorafgegaan door letters.
01 Inleiding • • Koelvloeistof Vastlegging van gegevens Motorolie Bepaalde gegevens over de werking en functionaliteit van de auto en eventuele (bijna-)aanrijdingen worden door de auto vastgelegd. Afbeeldingen De afbeeldingen in de handleiding zijn soms schematisch en kunnen afwijken van hoe de auto eruitziet, afhankelijk van het uitrustingsniveau en de markt. Gerelateerde informatie Gerelateerde informatie verwijst naar andere gedeelten met voor de hand liggende informatie.
01 Inleiding 01 Accessoires en extra uitrusting Een verkeerde aansluiting en montage van accessoires en extra uitrusting kan een nadelige invloed hebben op de werking van de elektronische systemen van de auto. Bepaalde accessoires werken alleen, wanneer de bijbehorende software in de computersystemen van de auto wordt geladen.
01 Inleiding Informatie op internet 01 Op www.volvocars.com vindt u meer informatie over uw auto. Met een persoonlijke Volvo ID kunt u inloggen op My Volvo web, een persoonlijke webpagina voor u en uw auto. Voor het uitlezen van de QR-code is een QRcodelezer nodig die als accessoire verkrijgbaar is voor verschillende mobiele telefoons. QR-codelezers zijn bijvoorbeeld te downloaden via App Store, Windows Phone of Google Play.
01 Inleiding 01 Milieubeleid van Volvo Car Corporation een fabriek die zeer schoon is en efficiënt met hulpbronnen omgaat. G000000 Uw Volvo voldoet aan strenge internationale milieueisen en is bovendien geproduceerd in Zorg voor het milieu is een van de kernwaarden van Volvo Car Corporation die van invloed zijn op alle activiteiten. We zijn ervan overtuigd dat onze klanten onze zorg voor het milieu delen.
01 Inleiding Een geavanceerd luchtreinigingssysteem, IAQS* (Interior Air Quality System), zorgt ervoor dat de lucht die de passagiersruimte binnenkomt schoner is dan de lucht buiten in het verkeer. Het systeem bestaat uit een elektronische sensor en een koolstoffilter. De binnenkomende lucht wordt continu gecontroleerd en als het gehalte aan bepaalde schadelijke gassen zoals koolmonoxide te hoog oploopt, wordt de luchtinlaat gesloten.
01 Inleiding 01 Milieu-aspecten van de gebruikershandleiding De papiervezels waarvan deze publicatie gemaakt is afkomstig zijn uit FSC®-gecertificeerde bossen of andere gecontroleerde bronnen. Het Forest Stewardship Council®-symbool geeft aan dat de papiervezels waarvan een gebruikershandleiding in drukvorm gemaakt is afkomstig zijn uit FSC®-gecertificeerde bossen of andere gecontroleerde bronnen. Gerelateerde informatie • 22 Milieubeleid van Volvo Car Corporation (p.
VEILIGHEID
02 Veiligheid Algemeen over veiligheidsgordels 02 Remmen kan ernstige gevolgen hebben als de veiligheidsgordel niet wordt gedragen. Let er daarom op dat alle passagiers hun veiligheidsgordel tijdens het rijden om hebben. Waar u op moet letten • Gebruik geen klemmen of andere accessoires waardoor u de veiligheidsgordel niet strak langs uw lichaam kunt trekken. • De veiligheidsgordel mag niet gedraaid zitten. • De heupgordel moet laag zitten (niet over de buik).
02 Veiligheid Veiligheidsgordel - om doen Waar u op moet letten Doe de veiligheidsgordel (p. 24) om voordat u gaat rijden. De veiligheidsgordel is geblokkeerd en kan niet verder worden uitgetrokken: • • • Rol de gordel langzaam af en maak deze vast door de borglip in de gordelsluiting te steken. Een duidelijke ‘klik’ geeft aan dat de gordel vastzit. wanneer u de gordel te snel uittrekt wanneer u remt of optrekt 02 als de auto sterk overhelt.
02 Veiligheid 02 Veiligheidsgordel - losmaken Veiligheidsgordel - zwangerschap Maak de veiligheidsgordel (p. 24) pas los, wanneer de auto stilstaat. Wanneer u zwanger bent, is het belangrijk de Veiligheidsgordel (p. 24) altijd op de juiste manier te dragen. Druk op de rode knop van de gordelsluiting en laat het oprolmechanisme de gordel oprollen. Als de gordel niet volledig wordt opgerold, moet u de gordel handmatig zo ver terugrollen dat deze niet langer slap hangt.
02 Veiligheid Gordelwaarschuwing mentenpaneel. De melding verdwijnt na ongeveer 30 seconden rijden vanzelf of eerder bij het indrukken van de knop op de richtingaanwijzerhendel (p. 103) OK. Als een van de inzittenden geen veiligheidsgordel draagt, verdwijnt de melding echter alleen bij het indrukken van de knop OK op de richtingaanwijzerhendel. Wanneer iemand de veiligheidsgordel niet draagt, wordt de bewuste persoon er middel waarschuwingssymbolen en geluidssignalen aan herinnerd de gordel om te doen (p.
02 Veiligheid Veiligheid - waarschuwingssymbool 02 display. Volvo adviseert u zo spoedig mogelijk contact op te nemen met een erkende Volvo-werkplaats. Het waarschuwingslampje verschijnt, als er tijdens de storingsdiagnose een storing wordt geconstateerd of als het systeem geactiveerd is. Waar nodig verschijnt het waarschuwingslampje in combinatie met een melding op het informatiedisplay van het instrumentenpaneel (p. 60).
02 Veiligheid Airbagsysteem G018665 Bij een frontale botsing helpt het airbagsysteem voorkomen dat u en eventuele inzittenden letsel aan hoofd en borstkas oplopen. Airbagsysteem, van bovenaf gezien bij een auto met het stuur links. Het SRS bestaat uit airbags en sensoren. Bij een voldoende krachtige aanrijding reageren de sensoren, waarna één of meer airbags worden opgeblazen en warm worden. De airbags vangen de klap van de aanrijding op voor de inzittende.
02 Veiligheid Airbags aan de bestuurderszijde 02 Uw auto heeft behalve de veiligheidsgordel (p. 24) aan de bestuurderszijde ook twee airbags (p. 29). • Passagiersairbag (p. 30) Passagiersairbag Uw auto heeft behalve de veiligheidsgordel(p. 24) aan de passagierszijde ook een airbag (p. 29). Een van de airbags zit opgevouwen in het midden van het stuurwiel. Het stuurwiel is voorzien van het opschrift AIRBAG. De airbag zit opgevouwen in een ruimte boven het dashboardkastje.
02 Veiligheid WAARSCHUWING Vervoer kinderen nooit in een kinderzitje of op een comfortkussen voorin, wanneer de airbag aan die kant geactiveerd is. Laat nooit iemand voor de passagierstoel zitten of staan. Personen kleiner dan 1,40 m mogen nooit op de passagiersstoel voorin plaatsnemen, als de airbag geactiveerd is. Het niet opvolgen van de bovenstaande aanbevelingen kan levensgevaarlijke situaties opleveren. Positie van de passagiersairbag in een auto met het stuur rechts.
02 Veiligheid || de voorstoel zitten, maar kinderen in een kinderzitje of op een zittingverhoger beslist niet. 02 De airbag is gedeactiveerd. Met de schakelaar in deze stand kunnen kinderen in een kinderzitje of op een zittingverhoger aan de passagierszijde op de voorstoel zitten, maar passagiers groter dan 1,40 m beslist niet. N.B. Wanneer de transpondersleutel in sleutelstand II (p. 72) staat, brandt ca. 6 seconden lang het waarschuwingssymbool (p. 28) voor de airbag op het instrumentenpaneel.
02 Veiligheid WAARSCHUWING Laat geen passagier op de passagiersstoel plaatsnemen als het waarschuwingssymbool (p. 28) voor het airbagsysteem op het instrumentenpaneel oplicht, terwijl de melding op de plafondconsole aangeeft dat de airbag aan die kant gedeactiveerd is. Dit duidt op een ernstige storing. Bezoek zo spoedig mogelijk een werkplaats. Volvo adviseert u daarvoor contact op te nemen met een erkende Volvo-werkplaats.
02 Veiligheid || WAARSCHUWING • 02 • Volvo adviseert u de reparatie uitsluitend door een erkende Volvo-werkplaats te laten uitvoeren. Een verkeerde ingreep in het SIPS-systeem kan tot een onjuiste werking leiden met ernstig letsel als gevolg. Plaats geen voorwerpen in het gebied tussen de buitenzijde van de stoel en het portierpaneel, aangezien dit gebied door de zijairbag kan worden beïnvloed. • Volvo adviseert om uitsluitend door Volvo goedgekeurde overtrekbekleding te gebruiken.
02 Veiligheid WAARSCHUWING Hang of bevestig nooit zware voorwerpen aan de plafondhandgrepen. De haak is alleen bedoeld voor niet al te zware kledingstukken (en niet voor harde voorwerpen zoals paraplu’s). Schroef of bevestig geen onderdelen op de plafondbekleding, portierstijlen of de zijpanelen van de auto. Ze kunnen daarbij hun beschermende werking verliezen. Volvo adviseert u uitsluitend originele Volvo-onderdelen, bestemd voor montage op deze plaatsen, te gebruiken.
02 Veiligheid || en de materiaaleigenschappen van dat voertuig. WAARSCHUWING 02 Het WHIPS-systeem vormt een aanvulling op de veiligheidsgordel. Gebruik de veiligheidsgordel altijd. Eigenschappen van de stoel Als het WHIPS-systeem wordt geactiveerd, klappen de rugleuningen van de voorstoelen naar achteren zodat de zithouding van de bestuurder en de passagier op de voorstoelen verandert. Zo wordt de kans op zogeheten whiplash-letsel beperkt. WHIPS - kinderzitje WHIPS - zithouding Het WHIPS-systeem (p.
02 Veiligheid WAARSCHUWING Plaats dozen e.d. niet zodanig, dat deze vastgeklemd zitten tussen het zitkussen van de achterbank en de rugleuning van de voorstoel. Denk eraan dat u de werking van het WHIPS-systeem niet hindert. WAARSCHUWING Als de stoel aan een krachtige belasting is blootgesteld, bijv. bij een botsing van achteren, moet het WHIPS-systeem worden gecontroleerd. Volvo adviseert om dit door een erkende Volvo-werkplaats te laten controleren.
02 Veiligheid Systeem Activering Opblaasgordijnen (IC) (p. 34) Bij een aanrijding in de zij en/of kantelen en/of bepaalde frontale aanrijdingenB WHIPS-systeem (p. 35) Bij aanrijdingen van achteren 02 A B De middelste zitplaats van de achterbank is niet voorzien van een gordelspanner. Het is mogelijk dat de airbags niet worden opgeblazen, ondanks dat de carrosserie van de auto danig vervormd raakt.
02 Veiligheid Gerelateerde informatie • • Safety mode - startpoging (p. 39) Safety mode - auto verrijden (p. 40) Safety mode - startpoging Als de auto in de Safety mode (p. 38) staat, is een startpoging mogelijk als alles in orde lijkt te zijn en u gecontroleerd hebt dat er geen sprake is van brandstoflekkage. 02 Controleer eerst of er geen brandstof uit de auto is gelopen. Er mag evenmin een brandstofgeur waarneembaar zijn. De gevarendriehoek op het digitale instrumentenpaneel.
02 Veiligheid || WAARSCHUWING Probeer in geen geval de auto opnieuw te starten, als u een brandstofgeur waarneemt terwijl de melding Veiligheidsstand Zie instructieboekje getoond wordt. Verlaat de auto onmiddellijk. 02 WAARSCHUWING Als de auto nog in de Safety mode staat, mag deze niet worden gesleept. De auto moet door een berger worden opgehaald. Volvo adviseert u de auto te laten wegslepen naar een erkende Volvo-werkplaats.
02 Veiligheid N.B. Er zijn mogelijk zaken in het verkeersmilieu aanwezig waardoor de sensoren onterecht het signaal krijgen dat er een voetganger wordt aangereden. Bij een botsing met iets dergelijks wordt het systeem mogelijk geactiveerd. Bij activering van de airbag (Pedestrian Airbag) • • • wordt het achterste gedeelte van de motorkap opgetild en in deze stand vergrendeld worden de alarmlichten geactiveerd wordt het remsysteem voorbereid voor om in noodgevallen af te remmen.
02 Veiligheid Voetgangersairbag - opvouwen U mag de auto niet verrijden, wanneer deze in de Safety mode (p. 38) staat. 02 Vouw de voetgangersairbag (p. 40) (Pedestrain Airbag) op, voordat u de auto verrijdt. 2. Verzamel eerst de stof van de airbag aan de bestuurderszijde in de lengterichting en vouw daarna de verzamelde stof naar het midden. Wikkel de klittenband (dubbelzijdig) rond zoveel mogelijk stof en maak de band vast. 3. Druk het omwikkelde deel van de airbag omlaag in de airbagbehuizing (2). 4.
02 Veiligheid N.B. Bij vragen over de montage van kinderveiligheidsproducten neemt u voor duidelijke aanwijzingen contact op met de producent. 02 Kinderslot De bedieningsknoppen voor de ruiten in de achterportieren en de openingshandgrepen op de achterportieren zijn te blokkeren (p. 184), zodat de achterportieren en de zijruiten niet meer van de binnenzijde kunnen worden geopend. Gerelateerde informatie • • • • Kinderzitje (p. 44) Kinderzitje - positie (p. 48) Kinderzitje - ISOFIX (p.
02 Veiligheid Kinderzitje 02 N.B. Kinderen moeten comfortabel en veilig kunnen zitten. Zorg dat u het kinderzitje op de juiste wijze gebruikt. Bij gebruik van kinderveiligheidsproducten is het belangrijk om de meegeleverde montagehandleiding te lezen. WAARSCHUWING G020739 Zet de bevestigingsband van het kinderzitje niet aan de lengteverstelstang, veren of rails en balken onder de stoel vast. Scherpe randen kunnen de bevestigingsband beschadigen. Kinderzitjes en airbags gaan niet samen.
02 Veiligheid Aanbevolen kinderzitjes1 Gewicht Voorstoel (met gedeactiveerde airbag) Groep 0 02 Typegoedkeuring: E1 04301146 Groep 0+ (L) max. 13 kg max. 10 kg Middelste zitplaats achterbank Volvo-babyzitje (Volvo Infant Seat) - achterstevoren gemonteerd kinderzitje bevestigd met ISOFIX-systeem. max. 10 kg Groep 0 Buitenste zitplaats achterbank Volvo-babyzitje (Volvo Infant Seat) – achterstevoren gemonteerd kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel.
02 Veiligheid || 02 Gewicht Voorstoel (met gedeactiveerde airbag) Buitenste zitplaats achterbank Groep 1 Achterstevoren gemonteerd/omkeerbaar Volvo-kinderzitje (Volvo Convertible Child Seat) – achterstevoren gemonteerd kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel en bevestigingsband. Achterstevoren gemonteerd/omkeerbaar Volvo-kinderzitje (Volvo Convertible Child Seat) – achterstevoren gemonteerd kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel en bevestigingsband.
02 Veiligheid Gewicht Voorstoel (met gedeactiveerde airbag) Buitenste zitplaats achterbank Groep 2/3 Volvo-verhogingskussen met rugleuning (Volvo Booster Seat with backrest). Volvo-verhogingskussen met rugleuning (Volvo Booster Seat with backrest). Typegoedkeuring: E1 04301169 Typegoedkeuring: E1 04301169 (UF) (UF) Kinderzitje met of zonder rugleuning (Booster Cushion with and without backrest). Kinderzitje met of zonder rugleuning (Booster Cushion with and without backrest).
02 Veiligheid Kinderzitje - positie 02 WAARSCHUWING Plaats kinderzitjes/zittingverhogers (p. 44) altijd op de achterbank als de airbag aan de passagierszijde geactiveerd (p. 31) is. Als de airbag wordt opgeblazen, kan een kind op de passagiersstoel ernstig letsel oplopen.
02 Veiligheid • • • Kinderzitje (p. 44) ISOFIX - afmetingscategorieën Kinderzitje - positie (p. 48) Voor kinderzitjes met een ISOFIX (p. 48)bevestigingssysteem zijn er afmetingscategorieën om gebruikers te helpen bij het kiezen van het juiste type kinderzitje (p. 50). Kinderzitje - bovenste bevestigingspunten (p. 52) Afmetingscategorie WAARSCHUWING Zet het kind nooit op de passagiersplaats als de auto met een geactiveerde airbag is uitgerust. N.B.
02 Veiligheid ISOFIX - soorten kinderzitjes Kinderzitjes kunnen net als auto’s verschillende afmetingen hebben. Kinderzitjes passen 02 Type kinderzitje Babyzitje, overdwars Babyzitje, achterstevoren daardoor niet op alle zitplaatsen van de verschillende modellen. Gewicht max. 10 kg max. 10 kg Afmetingscategorie Zitplaatsen voor montage ISOFIXA-kinderzitje Voorstoel Buitenste zitplaats achterbank F X X G X X E X OK (IL) Babyzitje, achterstevoren max.
02 Veiligheid Type kinderzitje Kinderzitje, in rijrichting Gewicht 9–18 kg Afmetingscategorie B Zitplaatsen voor montage ISOFIXA-kinderzitje Voorstoel Buitenste zitplaats achterbank X OKB 02 (IUF) B1 X OKB (IUF) A X OKB (IUF) X: De ISOFIX-stand leent zich niet voor ISOFIX-kinderzitjes in deze gewichts- en/of afmetingscategorie. IL: Geschikt voor specifieke ISOFIX-kinderzitjes.
02 Veiligheid Kinderzitje - bovenste bevestigingspunten 02 N.B. Klap de hoofdsteunen omlaag om het monteren van dit type kinderzitje te vereenvoudigen bij auto’s met neerklapbare hoofdsteunen op de beide buitenste zitplaatsen. De auto is uitgerust met bovenste bevestigingspunten voor bepaalde kinderzitjes (p. 44) die in de rijrichting worden gemonteerd. Deze bevestigingspunten zitten achter op het zitgedeelte van de achterbank. N.B.
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Instrumenten en bediening, auto met stuur links - overzicht In het overzicht staat waar de displays en bedieningen van de auto zitten.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Overzicht auto’s met het stuur links 03 }} 55
03 Instrumenten, schakelaars en bediening || 03 56 Functie Zie Functie Zie Menu- en meldingsfuncties, richtingaanwijzers, groot licht/ dimlicht, boordcomputer (p. 103), (p. 106), (p. 88), (p. 83) en (p. 125). Alarmlichten (p. 87). Bedieningspaneel voor infotainment en menufuncties (p. 108), (p. 384) en (p. 386). Cruisecontrol (p. 200) en (p. 205). Bedieningspaneel voor klimaatregeling (p. 134) of (p. 135). Claxon, airbag (p. 79) en (p. 29).
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Instrumenten en bediening, auto met stuur rechts - overzicht In het overzicht staat waar de displays en bedieningen van de auto zitten.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening || Overzicht auto’s met het stuur rechts 03 58
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Functie Zie Functie Zie Wissers en -sproeiers (p. 95). Menufuncties, bediening audio, bediening telefoon* (p. 108), (p. 384), (p. 386) en (p. 417). Bedieningspaneel voor infotainment en menufuncties (p. 108), (p. 384) en (p. 386). Bedieningspaneel voor klimaatregeling (p. 134) of (p. 135). Claxon, airbag (p. 79) en (p. 29). Versnellingspook/ keuzehendel Instrumentenpaneel (p. 60). (p. 280), (p. 281) of (p. 284). Cruisecontrol (p. 200) en (p. 205).
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Instrumentenpaneel Op het informatiedisplay van het instrumentenpaneel verschijnt informatie over bepaalde functies van de auto zoals de cruisecontrol, boordcomputer en meldingen. 03 • Instrumentenpaneel, digitaal - overzicht (p. 61) • Instrumentenpaneel, analoog - overzicht (p. 60) • Instrumentenpaneel - betekenis controlesymbolen (p. 65) • Instrumentenpaneel - betekenis waarschuwingssymbolen (p.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Geartronic* (p. 281) of Automatische versnellingsbak - Powershift* (p. 284). Controle- en waarschuwingssymbolen Als de motor niet aanslaat of als de functietest wordt uitgevoerd in sleutelstand II, gaan binnen enkele seconden alle symbolen uit, behalve het symbool voor storingen in het uitlaatgasreinigingssysteem en dat voor een lage oliedruk. Gerelateerde informatie • • Instrumentenpaneel (p.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening || tel, zie pagina Transpondersleutel met sleutelblad (p. 163) en MY CAR - Auto-instellingen (p. 110). Geartronic* (p. 281) of Automatische versnellingsbak - Powershift* (p. 284). Het is alleen mogelijk een thema te kiezen, wanneer de motor loopt. 03 Druk om een thema te kiezen op de knop OK op de linker stuurhendel en kies menu-optie Thema's door aan het duimwiel van dezelfde hendel te draaien. Druk op de knop OK.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Toerenteller. De meter geeft het motortoerental in duizenden omwentelingen per minuut aan. Schakelindicator6 /Schakelstandindicator7. Zie ook Schakelindicator* (p. 281), Automatische versnellingsbak Geartronic* (p. 281) of Automatische versnellingsbak - Powershift* (p. 284). Snelheidsmeter Controle- en waarschuwingssymbolen Toerenteller. De meter geeft het motortoerental in duizenden omwentelingen per minuut aan. Power guide. Zie ook Eco guide & Power guide* (p.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening || Als de motor niet aanslaat of als de functietest wordt uitgevoerd in sleutelstand II, gaan binnen enkele seconden alle symbolen uit, behalve het symbool voor storingen in het uitlaatgasreinigingssysteem en dat voor een lage oliedruk. Gerelateerde informatie 03 • • Instrumentenpaneel (p. 60) Instrumentenpaneel - betekenis controlesymbolen (p. 65) • Instrumentenpaneel - betekenis waarschuwingssymbolen (p. 67) • Instrumentenpaneel, analoog - overzicht (p.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Instrumentenpaneel - betekenis controlesymbolen Groot licht aan Controlesymbolen Richtingaanwijzers rechts Betekenis Storing in ABL Benut vermogen Uitlaatgasreinigingssysteem Storing in ABS Beschikbaar motorvermogen De kleinere wijzer bovenaan toont het beschikbare motorvermogen11. Hoe groter de uitslag op de schaal, hoe meer vermogen er beschikbaar is in de actuele versnelling.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening || 2. Start de motor opnieuw. 3. Als het symbool blijft branden, rijd dan naar een werkplaats om het ABS te laten controleren. Volvo adviseert dat u daarvoor een erkende Volvo-werkplaats bezoekt. Mistachterlicht aan 03 Het symbool brandt, wanneer het mistachterlicht is ingeschakeld. Stabiliteitssysteem Het knipperende symbool geeft aan dat het stabiliteitssysteem werkt. Als het symbool continu brandt is er sprake van een storing in het systeem.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Instrumentenpaneel - betekenis waarschuwingssymbolen De waarschuwingssymbolen attenderen u erop dat de bijbehorende belangrijke functies/ systemen ingeschakeld zijn of dat er ernstige storingen of gebreken zijn opgetreden.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening || WAARSCHUWING Als de remvloeistof onder het MIN-niveau in het remvloeistofreservoir ligt, mag u pas verder rijden als de remvloeistof is bijgevuld. Het remvloeistofverlies moet door een werkplaats worden gecontroleerd. Volvo adviseert u daarvoor contact op te nemen met een erkende Volvo-werkplaats. 03 WAARSCHUWING Als de rem- en ABS-symbolen tegelijkertijd branden, bestaat de kans dat de achtertrein bij krachtig afremmen slipt.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Buitentemperatuurmeter Dagtellers Klok Het buitentemperatuurmeterdisplay is zichtbaar op het instrumentenpaneel. Het dagtellerdisplay is zichtbaar op het instrumentenpaneel. Het klokdisplay is zichtbaar op het instrumentenpaneel. 03 Display voor buitentemperatuurmeter, digitaal instrumentenpaneel Display voor buitentemperatuurmeter, analoog instrumentenpaneel Geeft de buitentemperatuur aan.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening || 1. Ga naar Instellingen Tijd. Systeemopties 2. De cursor gaat op het eerste vakje voor de uuraanduiding staan: Druk op OK/ MENU – het vakje wordt geactiveerd. 3. Draai aan TUNE om de juiste uuraanduiding in te stellen en druk op OK/MENU – het vakje wordt gedeactiveerd. 03 Klok, digitaal instrumentenpaneel. Display voor de tijdaanduiding14 Klok instellen De klok is in te stellen in het menusysteem MY CAR. Voor meer informatie, zie MY CAR menu-opties (p.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening het besturen en bedienen van de auto, zoals City Safety, sloten en alarm, instellen van de klok e.d. Bij het indrukken van RADIO, MEDIA, TEL*, NAV* en CAM* kunt u andere bronnen, systemen en functies activeren, zoals AM, FM1, CD, DVD*, TV*, Bluetooth*, navigatie* en Park Assist-camera*. Klimaatregeling (p. 128). Park Assist-camera (p. 257) - CAM*. Gerelateerde informatie • Licenties (p.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening || Sleutel aanbrengen 1. Houd de transpondersleutel beet aan de kant van het afneembare sleutelblad en plaats de sleutel in het contactslot. 2. Duw de sleutel vervolgens tot aan de aanslag in het slot. BELANGRIJK 03 Vreemde voorwerpen in het contactslot kunnen tot functiestoringen leiden of schade aan het slot toebrengen.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Niveau II N.B. Functies Om niveau I of II te realiseren zonder dat de motor wordt gestart, trapt u niet het rem-/koppelingspedaal in als u deze sleutelstanden wilt selecteren. De koplampen worden ontstoken. Waarschuwings-/controlelampjes branden 5 seconden lang. Diverse andere systemen worden geactiveerd. Elektrische verwarming in zittingen en achterruit kan echter pas na starten van de motor worden geactiveerd.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening || Stoel* hoger/lager zetten, omhoog-/ omlaagpompen. Bedieningspaneel voor elektrisch bedienbare stoel*. WAARSCHUWING 03 De stand van de bestuurdersstoel instellen voordat u gaat rijden en nooit tijdens het rijden. Controleer of de stoel vergrendeld staat om letsel te voorkomen bij hard afremmen of een aanrijding. Om de hoogte af te stellen, moet u de knop (zie afbeelding) indrukken terwijl u de hoofdsteun omhoog of omlaag afstelt.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Voorstoelen - elektrisch bediend Voor optimaal zitcomfort hebben de voorstoelen verschillende instelmogelijkheden. De elektrisch bediende stoel kan naar voren/ achteren en omhoog/omlaag worden gezet. De voorkant van de zitting kan worden verhoogd/verlaagd. De hellingshoek van de rugleuning kan worden gewijzigd. Elektrische stoelbediening* zetten en enige tijd wachten voordat u de stoel opnieuw probeert te verstellen.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening || Elektrische stoelverwarming voor/ achterbankverwarming Voor elektrische stoelverwarming voor/ achterbankverwarming, zie Elektrische stoelverwarming voor* (p. 136) en Elektrische achterbankverwarming* (p. 136). Geheugen van transpondersleutel In alle transpondersleutels kunnen de instellingen voor de bestuurdersstoel en de buitenspiegels18 voor verschillende bestuurders worden opgeslagen. Gerelateerde informatie 03 • • Voorstoelen (p. 73) Achterbank (p.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Gerelateerde informatie • Transpondersleutel - functie (p. 166) Achterbank De rugleuning en de buitenste hoofdsteunen van de achterbank kunnen worden neergeklapt. De hoofdsteun van de middelste zitplaats kan aan de lengte van de passagier worden aangepast. Middelste hoofdsteun achterbank N.B. Ga niet op de middelste zitplaats van de achterbank zitten, wanneer de hoofdsteun volledig neergeklapt is.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening || Ruggedeelte achterbank omklappen N.B. Duw bij het neerklappen van de ruggedeelten de hoofdsteunen naar voren om te voorkomen dat ze in contact komen met het zitgedeelte. BELANGRIJK Als de rugleuning moet worden neergeklapt, mogen de bekerhouders van de achterbank niet open zijn en mogen er geen voorwerpen op de achterbank liggen. De veiligheidsgordels mogen evenmin zijn ingestoken. Schade aan de bekleding van de achterbank is anders namelijk niet uitgesloten.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Stuurwiel Het stuurwiel heeft meerdere verstellingsmogelijkheden en bedieningselementen voor de claxon, cruisecontrol en het menu-, het audioen het telefoonsysteem. Instellen 3. Trek de hendel naar achteren om het stuurwiel in de nieuwe stand te blokkeren. Als dit moeite kost, kunt u lichtjes op het stuurwiel drukken en tegelijkertijd de hendel terugduwen. Audiosysteem en media - systeem bedienen (p. 384) Bluetooth®*-handsfreesysteem - overzicht (p.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Bedieningspaneel verlichting Met het bedieningspaneel voor de verlichting kunt u de buitenverlichting inschakelen en aanpassen. U gebruikt het ook om de displayen instrumentenverlichting alsook de sfeerverlichting aan te passen. Overzicht bedieningspaneel verlichting 03 Standen draaiknop Stand Betekenis DagrijlichtA wanneer het elektrische systeem van de auto in sleutelstand II staat of als de motor warm is. Grootlichtsignalering mogelijk.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Stand Betekenis Dimlicht en stadslichten/ parkeerlichten/sidemarkers. Groot licht kan worden geactiveerd. 1. Laat de motor draaien of zet het elektrische systeem van de auto in de sleutelstand I. Stadslichten vóór en achterlichten U schakelt de stadslichten vóór en achterlichten in met de verlichtingsdraaiknop. 2. Draai het duimwiel omhoog of omlaag om de koplampen hoger of lager af te stellen. Grootlichtsignalering mogelijk.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening || Gerelateerde informatie • • Bedieningspaneel verlichting (p. 80) Lamp vervangen - positie lampen voorzijde (p. 352) Dagrijlicht WAARSCHUWING Dit is een stroombesparingsfunctie die niet in alle gevallen kan bepalen wanneer de omgevingsverlichting voldoende of onvoldoende is bij mist en regen bijvoorbeeld.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Tunneldetectie* Groot licht/dimlicht De functie Tunneldetectie is aanwezig op een auto met een regensensor*. Wanneer u een tunnel binnenrijdt, registreert de sensor dit en wordt overgeschakeld van dagrijlicht naar dimlicht. Ca. 20 seconden na het verlaten van de tunnel, wordt weer overgeschakeld op dagrijlicht. Als u na afloop van deze tijd een andere tunnel inrijdt, blijft het dimlicht branden.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Actief groot licht* Wanneer AHB geactiveerd is, brandt het symbool op het informatiedisplay van het instrumentenpaneel wit. Actief groot licht ontdekt de koplampen van een tegenligger of de achterlichten van een voorligger en schakelt dan over van groot licht naar dimlicht. De verlichting gaat terug naar groot licht als het invallende licht ophoudt. Als het groot licht ontstoken is, brandt het symbool blauw.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening voorruitsensoren niet langer geblokkeerd zijn, verdwijnt de melding en gaat het symbool branden. BELANGRIJK Voorbeelden van situaties waarin u mogelijk moet wisselen tussen groot licht en dimlicht: WAARSCHUWING • • • • • AHB is een systeem dat u helpt om in ongunstige omstandigheden de optimale verlichting te kiezen.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening || het instrumentenpaneel en op het informatiedisplay verschijnen een verklarende tekst plus een ander brandend symbool. Symbool 03 Display Betekenis Storing koplampsysteem Service vereist Het systeem is defect. Bezoek een werkplaats als de melding niet verdwijnt. Volvo adviseert u daarvoor contact op te nemen met een erkende Volvo-werkplaats. • Koplampen - lichtbundel aanpassen (p.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening wordt het mistachterlicht automatisch uitgeschakeld. N.B. De voorschriften voor het gebruik van een mistachterlicht verschillen per land. Gerelateerde informatie • • Bedieningspaneel verlichting (p. 80) Lamp vervangen - positie lampen achterzijde (p. 356) Remlichten Alarmlichten De remlichten gaan automatisch branden wanneer u remt.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening || rijdt, worden ze automatisch uitgeschakeld. U kunt ook op de knop voor de alarmlichten drukken. Voor meer informatie over de noodremlichten en de automatische alarmlichten, zie Bedrijfsrem - noodremlichten en automatische alarmlichten (p. 297). Richtingaanwijzer De richtingaanwijzers van de auto zijn te bedienen met de linker stuurhendel. De richtingaanwijzers knipperen driemaal of blijven knipperen, afhankelijk van hoe ver u de hendel omhoog- of omlaaghaalt.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Interieurverlichting • De interieurverlichting is te activeren/deactiveren met de knoppen van de bedieningspanelen aan het plafond voor- en achterin. de motor is afgezet en het elektrische systeem van de auto in sleutelstand 0 staat • de auto ontgrendeld is zonder dat de motor is gestart. Leeslampjes voorin* De leeslampjes worden in- en uitgeschakeld met een korte druk op de bijbehorende knop op de plafondconsole.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening || Verlichting in bagageruimte Sfeerverlichting* Follow Me Home-verlichting De bagageruimteverlichting wordt bij het openen en sluiten van de achterklep automatisch in- en uitgeschakeld. Wanneer de reguliere interieurverlichting is uitgegaan en de motor draait, brandt er een ledje op de voorste of achterste plafondconsole voor een zwakke sfeerverlichting tijdens de rit. Bovendien kunt u door de verlichting in het donker de voorwerpen in de opbergvakken enz.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Gerelateerde informatie • Approach-verlichting (p. 91) Approach-verlichting De Approach-verlichting maakt gebruik van de parkeerlichten, lampjes in de buitenspiegels, kentekenplaatverlichting alsook de plafond- en vloerverlichting in de auto. U activeert de Approach-verlichting met de transpondersleutel, zie Transpondersleutel functie (p. 166), om de verlichting van de auto op afstand in te schakelen.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Koplampen - lichtbundel aanpassen Actieve xenon-koplampen* Om verblinding van tegenliggers te voorkomen kunt u de lichtbundel van de koplampen aanpassen voor links- en rechtsrijdend verkeer. De lichtbundel hoeft niet te worden aangepast. De lichtbundel is dusdanig dat tegenliggers niet worden verblind. Lichtbundel aanpassen Bij halogeenkoplampen past u de lichtbundel aan door bepaalde delen van het koplampglas af te plakken.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening 03 Bovenste regel: auto met stuur links, mallen A en B. Onderste regel: auto met stuur rechts, mallen C en D.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening || Mallen voor halogeenkoplampen 03 94
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Wissers en -sproeiers Intervalstand Regensensor* De ruitenwisser en -sproeier reinigen de voorruit en achterruit. De koplampen worden met hogedruksproeiers gereinigd. Met het duimwiel kunt u het aantal wisslagen per eenheid van tijd instellen wanneer u de intervalstand hebt geselecteerd. De regensensor registreert de hoeveelheid regen op de voorruit en schakelt automatisch de ruitenwissers op de voorruit in.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening || De regensensor wordt automatisch gedeactiveerd, wanneer u de transpondersleutel uit het contactslot neemt of vijf minuten nadat u de motor hebt afgezet. BELANGRIJK 03 In de wasstraat kunnen de ruitenwissers van de voorruit starten en beschadigd raken. Schakel de regensensor uit terwijl de auto loopt of de transpondersleutel in stand I of II staat. Het symbool op het instrumentenpaneel en het lampje in de knop doven.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Ruitenwisser achterklep, achteruitrijden Elektrisch bedienbare ruiten Als u de auto in de achteruitversnelling zet terwijl de voorste ruitenwissers actief zijn, zal de intervalstand van de ruitenwisser op de achterklep starten24. Bij het inschakelen van een andere versnelling valt de ruitenwisser op de achterklep stil. Vanaf het bedieningspaneel van het bestuurdersportier zijn alle elektrisch bedienbare ruiten te bedienen.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening || Bediening 03 Bedieningsknoppen elektrisch bedienbare zijruiten. Handmatige bediening Automatische bediening Met het bedieningspaneel van het bestuurdersportier kunnen alle elektrisch bedienbare ruiten worden bediend. De bedieningspanelen van de overige portieren kunnen alleen de ruit van het desbetreffende portier bedienen. Er kan slechts één bedieningspaneel tegelijk worden bediend.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Buitenspiegels WAARSCHUWING Stel de stand van de buitenspiegels bij met het hendeltje op het bedieningspaneel van het bestuurdersportier. De spiegel aan bestuurderszijde is groothoekig voor een optimaal zicht. Voorwerpen kunnen verder weg lijken dan ze in werkelijkheid zijn. Buitenspiegels Stand vastleggen25 De stand van de buitenspiegels en de bestuurdersstoel worden vastgelegd, wanneer u de auto met de transpondersleutel vergrendelt.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening || Spiegels inklappen. Voor een beschrijving van het menusysteem, zie MY CAR - menuopties (p. 108). In neutrale stand terugzetten 03 Spiegels die uit positie zijn geraakt door invloeden van buitenaf, moeten eerst elektrisch in de neutrale stand worden teruggezet zodat het elektrisch in- en uitklappen weer correct werkt: 1. Klap de spiegels in met de knoppen L en R.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening niets doet, wordt de functie na enige tijd automatisch uitgeschakeld. Zie ook Voorruit ontwasemen en ontdooien (p. 139). De buitenspiegels en de achterruit worden automatisch van condens/ijsvorming ontdaan, als de auto wordt gestart bij een buitentemperatuur lager dan +7 °C. Automatische ontwaseming is te selecteren in het menusysteem MY CAR onder Instellingen Klimaatinstellingen Achterruitverwarming start autom.. Kies vervolgens uit Aan of Uit.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Glazen dak* Het rolgordijn van het glazen dak is te bedienen met de knoppen op de plafondconsole. 03 Het glazen dak* zit vast, maar het rolgordijn is in de sleutelstand I of II te bedienen met de knoppen op de plafondconsole. Voor informatie over de sleutelstanden, zie Sleutelstanden - functies in verschillende standen (p. 72). BELANGRIJK • Raak het rolgordijn niet met de handen aan, omdat dit dan beschadigd kan raken.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Menufuncties - instrumentenpaneel knopje aan de achterzijde van de achteruitkijkspiegel indrukken. Met de linker stuurhendel bedient u de menu’s die op het informatiedisplay van het instrumentenpaneel (p. 60) verschijnen. Welke menu’s er verschijnen hangt af van de sleutelstand (p. 72). Het kompas wordt gedeactiveerd, wanneer u de elektrische voorruitverwarming inschakelt. Wanneer u de elektrische voorruitverwarming uitschakelt, wordt het kompas weer geactiveerd.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening || 03 Informatiedisplays (digitaal instrumentenpaneel) en bedieningsknoppen voor menufuncties. OK - menu openen en meldingen en menu-opties bevestigen. Duimwiel – menu-opties doorbladeren. RESET - data in de gekozen boordcomputerstap resetten en ‘teruggaan’ in de menustructuur. Een eventuele melding, (p. 105) moet u eerst bevestigen met de knop OK, voordat u de menu’s kunt bekijken. Gerelateerde informatie • • • 26 27 28 104 Meldingen - functies (p.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Meldingen Wanneer er een waarschuwings-, informatieof controlesymbool oplicht, verschijnt er tevens een aanvullende melding op het informatiedisplay. Melding Betekenis Stop auto z.s.m.A Breng de auto tot stilstand en zet de motor af. Grote kans op schade – bezoek een werkplaatsB. Zet motor afA Breng de auto tot stilstand en zet de motor af. Grote kans op schade – bezoek een werkplaatsB.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening || Melding Betekenis Tijdelijk uitgeschakeldA De bijbehorende functie is tijdelijk uitgeschakeld en wordt na enige tijd rijden of de volgende keer dat u de motor start automatisch opnieuw ingeschakeld. 03 Accuspanning laag Spaarstand A B C Het audiosysteem is uitgeschakeld om stroom te besparen. Laad de accu bij. Deel van een melding, verschijnt samen met gegevens over de locatie van de storing. Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening MY CAR - bediening EXIT-functies MY CAR is een menugroep waar een groot deel van de autofuncties te hanteren zijn, waaronder de instelling van de klok, de buitenspiegels en de vergrendelingen.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening MY CAR - paden MY CAR is een menugroep voor hantering van tal van autofuncties, zoals het instellen van de klok, de buitenspiegels en de vergrendelingen. 03 Helemaal rechts bovenaan op het display van de middenconsole staat het actuele menuniveau. De paden naar de functies van het menusysteem worden bijvoorbeeld als volgt aangegeven Instellingen Auto-instellingen Slotinstellingen Deuren open Bestuurdersdeur: dan alle.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening • Start/Stop • Milieutips My V40 Voor meer informatie - zie Start/Stop* (p. 287). Menuniveau 1 Menuniveau 2 Menuniveau 3 Bestuurdersondersteunende systemen Menuniveau 4 Hier verschijnen de eerste 4 menuniveaus onder MY CAR Instellingen. Voor enkele menu’s bestaan submenu’s – deze worden in dat geval uitvoerig beschreven in het desbetreffende tekstgedeelte.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening || • • Volvo On Call, wordt in een aparte handleiding beschreven. Informatie (p. 116) Gerelateerde informatie 03 • • • • MY CAR (p. 106) MY CAR - bediening (p. 107) MY CAR - paden (p. 108) MY CAR - paden (p. 108) MY CAR - Auto-instellingen De menu-optie instellingen van de auto in de menugroep MY CAR bedient veel functies van de auto, bijvoorbeeld autosleutelgeheugen en vergrendelingsinstellingen voor portieren. Auto-instellingen Zie Sleutelgeheugen (p.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Binnenverlichting (p. 89) Tijdsduur 'follow me home'-verl. Vloerverlichting Omgevingslicht Kleuren omgevingslicht Lichtsignaal deurvergrendeling (p. 164) 60 sec. 90 sec. (p. 88) Autosnelheid in infotainm.scherm (p. 164) (p. 92) Uit Van alle menu’s onder Autoinstellingen worden de fabrieksinstellingen hervat.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening MY CAR - rij-assistentiesystemen Met de menu-optie bestuurdersondersteunende systemen in de menugroep MY CAR bedient u de functies zoals Collision Warning en Rijbaanassistent. Rij-assistentiesystemen 03 Botswaarschuwing Zie Aan bij starten Hogere gevoeligheid* (p. 236) (p. 236) Aan Uit (p. 249) (p. 249) Uit Uit Afstandswaarschuwing Uit Aan (p. 244) Uit (p. 194) Aan Gerelateerde informatie Uit Uit (p. 221) Aan (p. 194) Driver Alert DSTC (p.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening • • MY CAR - klimaatinstellingen (p. 115) MY CAR- systeeminstellingen MY CAR - informatie (p. 116) De menu-optie systeeminstellingen in menugroep MY CAR hanteert functies als tijd en taal. Systeemopties Zie Tijd (p. 69) Hier stelt u de klok in op het instrumentenpaneel. Tijdopmaak 12u 24u Screensaver Aan Uit Bij selectie van deze optie wordt de schermweergave automatisch vervangen door een leeg scherm, wanneer u enige tijd geen schermfunctie gebruikt.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening || Volumes Volume mededelingen Volume voor parkeerhulp vóór Volume voor parkeerhulp achter (p. 429), (p. 253) en (p. 411) Beltoonvolume 03 Systeemopties resetten Van alle menu’s onder Systeemopties worden de fabrieksinstellingen hervat. Gerelateerde informatie • • • • • • • • MY CAR (p. 106) MY CAR - Auto-instellingen (p. 110) MY CAR - rij-assistentiesystemen (p. 112) MY CAR- systeeminstellingen (p. 113) MY CAR - steminstellingen (p.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Gebruikersinstelling spraaksystem Standaardinstellingen Gebruiker 1 Gebruiker 2 Hier kunt u een tweede gebruikersprofiel aanmaken – handig wanneer meerdere personen regelmatig gebruik maken van de auto en het systeem. Standaardinstellingen reset naar de fabrieksinstelling. Volume mededelingen Er verschijnt een volumeregeling op het scherm – doe in dat geval het volgende: 1. Stel het volume bij met het duimwiel. 2.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening || Luchtkwaliteitssysteem Aan (p. 138), (p. 140), (p. 100) en (p. 131) Uit Klimaatinstellingen resetten 03 Van alle menu’s onder Klimaatinstellingen worden de fabrieksinstellingen hervat. (p. 138), (p. 140), (p. 100) en (p. 131) Gerelateerde informatie • • • • • • • MY CAR (p. 106) MY CAR - Auto-instellingen (p. 110) MY CAR - rij-assistentiesystemen (p. 112) MY CAR- systeeminstellingen (p. 113) MY CAR - steminstellingen (p.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening De functies of alternatieve rubrieken van de boordcomputer volgen elkaar op in elk hun eigen lus (loop). Gerelateerde informatie • Boordcomputer - analoog instrumentenpaneel (p. 118) • Boordcomputer - digitaal instrumentenpaneel (p. 122) • • Boordcomputer - functies (p. 125) 03 Boordcomputer - rijstatistiek* (p. 126) * Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Boordcomputer - analoog instrumentenpaneel De boordcomputer van de auto registreert, verwerkt en toont informatie. Functies Doe het volgende om functies te openen en regelen/aanpassen: 1. Om er zeker van dat geen van de bedieningselementen zich midden in een procedure bevindt, moet u ze eerst ‘resetten’ door 2 keer drukken op RESET te drukken. 2. Druk op OK - de lus met de verschillende functies wordt geopend. 03 3.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Functies Informatie Digit. snlhd. Geeft de rijsnelheid digitaal weer in het midden van het instrumentenpaneel: - km/h • - mph Open een functie met OK, kies een optie met het duimwiel, bevestig uw keuze met OK en verlaat de functie met ENTER. Geen aanduiding Verwarming* DIRECTE START Voor een beschrijving van het programmeren van de timer, zie Motor- en interieurverwarming* timers (p. 145).
03 Instrumenten, schakelaars en bediening || A 03 Functies Informatie OliepeilA Voor meer informatie, zie Motorolie - controleren en bijvullen (p. 346). Meldingen (##) Voor meer informatie, zie Meldingen (p. 105). Bepaalde motoren. Rubrieken U kunt een van de rubrieken in de volgende tabel uitkiezen voor constante weergave op het instrumentenpaneel. Doe het volgende om een keuze te maken: 3. Stop met bladeren bij de rubriek van uw keuze. 2.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Boordcomputer op nul zetten - analoog instrumentenpaneel Dagtellers en gemiddelde snelheid Met de actuele boordcomputerrubriek - Dagteller T1, Dagteller T2 of Gemiddelde snelheid - op het instrumentenpaneel: • RESET lang indrukken - gekozen rubriek wordt op nul gesteld. 03 U moet iedere rubriek apart op nul stellen.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Boordcomputer - digitaal instrumentenpaneel De boordcomputer van de auto registreert, verwerkt en toont informatie. Functies Doe het volgende om functies te openen en regelen/aanpassen: 1. Om er zeker van dat geen van de bedieningselementen zich midden in een procedure bevindt, moet u ze eerst ‘resetten’ door 2 keer op RESET te drukken. 2. Druk op OK - de lus met de verschillende functies wordt geopend. 03 3.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Functies Informatie Thema's Hier kiest u het uiterlijk van het instrumentenpaneel, zie Instrumentenpaneel, digitaal - overzicht (p. 61). Instellingen* Kies Aut Aan of Uit. Voor meer informatie, zie Extra verwarming* (p. 147). Contraststand/Kleurstand Lichtsterkte en kleurtemperatuur van het instrumentenpaneel instellen. Standkachel* Voor een beschrijving van het programmeren van de timer, zie Motor- en interieurverwarming* - timers (p. 145).
03 Instrumenten, schakelaars en bediening || Rubriekcombinaties Informatie Gemiddeld Dagteller T1 + Kilometerstand Gemiddelde snelheid • RESET lang indrukken om dagteller T1 op nul te stellen. Huidig verbruik Dagteller T2 + Kilometerstand Actieradius op tank • RESET lang indrukken om dagteller T2 op nul te stellen. Huidig verbruik Kilometerstand kmh<>mph 03 Geen boordcomputerinformatie.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Boordcomputer - functies Bereik - actieradius op tank Eenheid wijzigen De boordcomputer van de auto kan informatie registreren, verwerken en weergeven. Hier volgt een beschrijving van Gemiddeld en Gemiddelde snelheid. De boordcomputer geeft de afstand aan die bij benadering kan worden afgelegd met de resterende hoeveelheid brandstof in de tank.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Boordcomputer - rijstatistiek* Bediening Er wordt informatie vastgelegd over het gemiddelde brandstofverbruik en de gemiddelde snelheid tijdens eerdere ritten. Deze informatie is weer te geven op het beeldscherm in de vorm van een staafdiagram. In het menusysteem MY CAR kunt u een instelling verrichten: MY CAR My V40 Verbruiksinfo: • Nieuwe rit starten – met ENTER wist u alle eerdere statistieken. Verlaat het menu met EXIT.
KLIMAAT
04 Klimaat Algemene informatie over de klimaatregeling De auto is voorzien van elektronische klimaatregeling. De klimaatregeling zorgt ervoor dat de lucht in het interieur gekoeld, verwarmd of van vocht ontdaan wordt. Er zijn twee soorten klimaatregelingen: • Elektronische temperatuurregeling (ETC) (p. 135) • Elektronische klimaatregeling (ECC) (p. 134) 04 • Maak in eerste instantie gebruik van de ontwasemingsfunctie (p. 139) om condens van de binnenkant van de ruiten te verwijderen.
04 Klimaat Werkelijke temperatuur Sensoren - klimaat Luchtreiniging De ingestelde interieurtemperatuur komt overeen met de gevoelstemperatuur op basis van de heersende omstandigheden in en rond de auto wat de luchtsnelheid, de luchtvochtigheidsgraad, de ingestraalde warmte enz. betreft. De klimaatregeling beschikt over enkele sensoren om de temperatuur (p. 129) in de auto te regelen.
04 Klimaat Luchtreiniging - interieurfilter Alle lucht die de passagiersruimte binnenkomt wordt gereinigd door een filter. Vervang het filter regelmatig. Raadpleeg het Serviceprogramma van Volvo voor het aanbevolen vervangingsinterval. In zeer sterk verontreinigde gebieden moet u het filter mogelijk vaker vervangen. Luchtreiniging - Clean Zone Interior Package (CZIP)* CZIP bestaat uit een aantal aanpassingen zodat er minder stoffen in het interieur verwerkt die allergieën en/of astma kunnen verwekken.
04 Klimaat Luchtreiniging - IAQS* Luchtreiniging - materiaal Menu-instellingen - klimaat Het Interior Air Quality System (IAQS) ontdoet de binnenkomende lucht van gassen en stofdeeltjes om zo hinderlijke geurtjes en verontreinigingen in de passagiersruimte te beperken. De gebruikte materialen zijn erop geselecteerd de hoeveelheid stof in de passagiersruimte te beperken, zodat de passagiersruimte gemakkelijker schoon te houden is.
04 Klimaat Luchtverdeling passagiersruimte Blaasmonden in dashboard Luchtverdeling De binnenkomende lucht wordt verdeeld over uiteenlopende blaasmonden verspreid over het interieur. 04 In de stand AUTO* vindt de luchtverdeling geheel automatisch plaats. De luchtverdeling valt zo nodig handmatig bij te regelen, zie luchtverdelingstabel (p. 142).
04 Klimaat Het display van de middenconsole geeft de gekozen luchtverdelingsstand aan. 04 Gerelateerde informatie • Algemene informatie over de klimaatregeling (p. 128) • • Automatische regeling (p. 138) Luchtverdeling - recirculatie (p.
04 Klimaat Elektronische klimaatregeling, ECC* ECC (Electronic Climate Control) behoudt de temperatuur die in het interieur wordt gekozen en kan voor de bestuurders- en passagierszijde apart worden ingesteld. 04 Ventilator (p. 137) AUTO - Automatische klimaatregeling (p. 138) Elektrische stoelverwarming voor (p. 136), linkerkant Elektrische voorruitverwarming en maximale ontwaseming (p. 139)* Temperatuurregeling (p. 138) linker-/ rechterkant instellen Elektrische stoelverwarming voor (p.
04 Klimaat Elektronische temperatuurregeling ETC Met ETC (Electronic Temperature Control) is het klimaat handmatig te regelen. 04 Ventilator (p. 137) Elektrische stoelverwarming voor (p. 136), linkerkant AC - Airconditioning aan/uit (p. 139) Elektrische voorruitverwarming en maximale ontwaseming* Elektrische achterruit- en buitenspiegelverwarming (p. 100) Recirculatie (p. 140) Elektrische stoelverwarming voor (p. 136), rechterkant Temperatuurregeling (p. 138) Luchtverdeling (p.
04 Klimaat Elektrische stoelverwarming voor* • De verwarming van de voorstoelen heeft drie standen om het zitcomfort voor bestuurder en voorpassagier bij kou te verhogen. Laagste verwarmingsstand - er brandt één oranje veld op het beeldscherm. • Verwarming uitschakelen - geen van de velden brandt. Elektrische achterbankverwarming* De verwarming op de buitenste zitplaatsen van de achterbank heeft drie standen om het zitcomfort bij kou te verhogen.
04 Klimaat WAARSCHUWING Een elektrisch verwarmde stoel mag niet worden gebruikt door personen die niet goed kunnen voelen dat de temperatuur toeneemt of die om een andere reden moeilijkheden hebben om de elektrisch verwarmde stoel te bedienen. Er kunnen dan namelijk brandwonden ontstaan. Gerelateerde informatie • Algemene informatie over de klimaatregeling (p. 128) • Elektrische stoelverwarming voor* (p. 136) • Ventilator Houd de ventilator altijd geactiveerd om te voorkomen dat de ruiten beslaan.
04 Klimaat Automatische regeling Automatische regeling is alleen mogelijk bij elektronische klimaatregeling (ECC) (p. 134). De autofunctie regelt automatisch temperatuur (p. 138), airconditioning (p. 139), ventilatorsnelheid (p. 137), recirculatie (p. 140) en luchtverdeling (p. 132). 04 Als u een of meer handmatige functies selecteert, worden de overige functies nog steeds automatisch geregeld. Alle handmatige instellingen worden uitgeschakeld, wanneer u op de knop AUTO drukt.
04 Klimaat Met deze knop kunt u de temperatuur aan de bestuurders- en passagierszijde onafhankelijk van elkaar instellen. Druk meerdere keren op L/R van de knop om de instelling voor links, rechts of beide kanten te kiezen. Stel de temperatuur in met de draaiknop – de gekozen temperatuur voor beide kanten verschijnt op het display van de middenconsole. ETC Met deze draaiknop kunt u de temperatuur in de passagiersruimte instellen. Gerelateerde informatie • Algemene informatie over de klimaatregeling (p.
04 Klimaat || Voor auto’s zonder elektrische voorruitverwarming: • Er stroomt lucht naar de ruiten - op het beeldscherm brandt het symbool (2). • Functie uitschakelen - geen van de symbolen brandt. Voor auto’s met elektrische voorruitverwarming: 04 • Elektrische voorruitverwarming2 inschakelen - op het beeldscherm brandt een symbool (1). • Elektrische voorruitverwarming2 inschakelen en lucht naar de ruiten sturen - op het beeldscherm branden de symbolen (1) en (2). • N.B.
04 Klimaat N.B. Wanneer u voor maximale ontwaseming kiest, wordt de recirculatie altijd uitgeschakeld. Gerelateerde informatie • Algemene informatie over de klimaatregeling (p. 128) • • Luchtverdeling passagiersruimte (p. 132) Luchtverdeling - tabel (p.
04 Klimaat Luchtverdeling - tabel Met drie knoppen kiest u de gewenste luchtverdeling (p. 132). 04 142 Luchtverdeling Toepassing Er stroomt een grote hoeveelheid warme lucht naar de ruiten. om snel te ontdooien en te ontwasemen. Lucht naar de voorruit, via de blaasmond voor ontwaseming, en de zijruiten. Er komt een bepaalde hoeveelheid lucht uit de blaasmonden. om wasem en ijsvorming bij koud en vochtig weer te voorkomen (niet te lage ventilatorsnelheid).
04 Klimaat Luchtverdeling Toepassing Lucht naar de vloer en de ruiten. Er komt een bepaalde hoeveelheid lucht uit de blaasmonden in het dashboard. om een comfortabel klimaat en een goede ontwaseming te verkrijgen bij koud weer. Lucht naar de vloer en uit de blaasmonden in het dashboard. bij zonnig weer en matige buitentemperaturen. 04 Lucht naar de vloer. Er komt een bepaalde hoeveelheid lucht uit de blaasmonden in het dashboard en op de ruiten. om warme of koude lucht naar de vloer te sturen.
04 Klimaat Motor- en interieurverwarming* Tanken Middels preconditioning worden motor en interieur voorverwarmd ter beperking van de slijtage en het stroomverbruik tijdens de rit. Bij voorverwarming van de auto verlengt u tevens de actieradius. ming automatisch uitgeschakeld en er verschijnt een melding op het display. Bevestig deze melding door op de knop OK op de richtingaanwijzerhendel (p. 103) te drukken.
04 Klimaat Motor- en interieurverwarming* direct inschakelen/uitschakelen Motor- en interieurverwarming* timers 5. Stel de gewenste uuraanduiding in met het duimwiel. Bij directe inschakeling van de motor- en interieurverwarming (p. 144) blijft de verwarming 50 minuten lang draaien. De timers van de motor- en interieurverwarming (p. 144) zijn gekoppeld aan de klok van de auto. 6. Druk kort op OK zodat de minuutaanduiding gaat branden.
04 Klimaat || 2. Ga met het duimwiel naar Verwarming en maak een keuze met OK. > Als een timer is ingesteld maar niet is geactiveerd, staat er een klokpictogram naast de ingestelde tijd. 3. Kies een van de beide timers met het duimwiel en bevestig uw keuze met OK. 4. Schakel de timer als volgt uit: • • 04 druk lang op OK of kort op OK om verder te gaan in het menu. Kies daarna voor uitschakeling van de timer en bevestig uw keuze met OK. 5. Verlaat het menu met RESET.
04 Klimaat Symbool Display Betekenis Gerelateerde informatie • Motor- en interieurverwarming* - direct inschakelen/uitschakelen (p. 145) Brandstofkachel gestopt Brandstofpeil laag De verwarming kan niet worden ingeschakeld door een te laag brandstofpeil – dit om het mogelijk te maken de motor te starten en nog ca. 50 km te rijden. • Motor- en interieurverwarming* - timers (p. 145) Brandstofkachel Service vereist Verwarming defect. Neem voor reparatie contact op met een werkplaats.
04 Klimaat Extra verwarming op brandstof* De auto is uitgerust met een extra verwarming (p. 147) op stroom (p. 148) of op brandstof. De extra verwarming wordt automatisch ingeschakeld, wanneer er extra warmte nodig is terwijl de motor loopt. De verwarming wordt automatisch uitgeschakeld, wanneer het warm genoeg is of wanneer de motor wordt afgezet. 2. Druk op de knop OK om het menu te openen. 3. Gebruik het duimwiel om naar Extra verw.6 of Instellingen7 te gaan en maak een keuze met OK. 4.
LAAD- EN OPBERGMOGELIJKHEDEN
05 Laad- en opbergmogelijkheden Opbergmogelijkheden Overzicht van opbergmogelijkheden in passagiersruimte 05 150
05 Laad- en opbergmogelijkheden Opbergvak1 in portierpaneel Opbergvak, bestuurderszijde (p. 152) Parkeerkaarthouder Opbergvak Dashboardkastje (p. 153) Opbergvakken, bekerhouder (p. 152) Kledinghaak (p. 152) Bekerhouder* in achterbank Opbergvak2 Opbergvak, achterbank 05 WAARSCHUWING Bewaar losse voorwerpen, zoals mobiele telefoon, camera, afstandsbediening voor extra uitrusting e.d., in het dashboardkastje of andere opbergruimten.
05 Laad- en opbergmogelijkheden Opbergvak bestuurderszijde Kledinghaak Middenconsole Het opbergvak (p. 150) zit aan de bestuurderszijde, links onder het verlichtingspaneel. De kledinghaak zit links op de hoofdsteun van de passagiersstoel. De middenconsole zit tussen de voorstoelen. WAARSCHUWING Bewaar geen scherpe voorwerpen of voorwerpen die uitsteken in het vak. De kledinghaak is alleen bestemd voor niet al te zware kledingstukken. Gerelateerde informatie • Opbergmogelijkheden (p.
05 Laad- en opbergmogelijkheden Middenconsole - armleuning Middenconsole - aansteker en asbak* Dashboardkastje De middenconsole zit tussen de voorstoelen. In bekerhouder onder de middenarmsteun zit een uitneembare asbak. De aansteker zit in de 12V-aansluiting (p. 155) voor de voorpassagiers. Het dashboardkastje zit aan de passagierszijde. In de gesloten stand is de armleuning op de middenconsole in de lengte verstelbaar*. Gerelateerde informatie • • Middenconsole - 12V-aansluiting (p.
05 Laad- en opbergmogelijkheden Dashboardkastje - koeling Inlegmatten* Make-upspiegel Het dashboardkastje (p. 153) kan ook worden gebruikt als gekoelde ruimte3. De inlegmatten vangen bijvoorbeeld vuil en natte sneeuw op. Volvo biedt inlegmatten die speciaal vervaardigd zijn. De make-upspiegel zit aan de achterkant van de zonneklep.
05 Laad- en opbergmogelijkheden Middenconsole - 12V-aansluiting N.B. De elektrische aansluitingen (12 V) zitten in het opbergvak van de middenconsole en bij de bekerhouder4.
05 Laad- en opbergmogelijkheden || • • Plaats de last in het midden. • Dek scherpe randen met iets zachts af om de bekleding te beschermen. • Zet alle bagage met riemen of bevestigingsbanden aan de verankeringsogen vast. WAARSCHUWING Breng zware voorwerpen zo laag mogelijk aan. Plaats geen zware voorwerpen op neergeklapte ruggedeelten. Zorg dat u de bagage altijd goed verankert. Bij krachtig remmen kan de bagage namelijk gaan schuiven en inzittenden verwonden.
05 Laad- en opbergmogelijkheden Lading op het dak Verankeringsogen Voor vervoer van lading op het dak adviseren we u de door Volvo ontwikkelde lastdragers. Dit om schade aan de auto te voorkomen en voor maximale veiligheid tijdens het rijden. De verankeringsogen in de bagageruimte gebruikt u om bagagebanden aan vast te zetten. Volg de montagevoorschriften die bij de lastdragers worden geleverd nauwkeurig op. • Controleer regelmatig of de lastdragers en de lading goed vastzitten.
05 Laad- en opbergmogelijkheden Lading vervoeren - opklapbare houder voor boodschappentassen* Opklappen 12V-aansluiting bagageruimte U kunt de elektrische aansluiting voor verschillende accessoires gebruiken die op een spanning van 12 V werken, zoals beeldschermen, mediaspelers of mobiele telefoons. Met de opklapbare houders voor boodschappentassen kunt u draagtassen vastzetten om te voorkomen dat ze omvallen en hun inhoud over de vloer van de bagageruimte verspreiden.
05 Laad- en opbergmogelijkheden N.B. De compressor voor de noodreparatieset voor banden is door Volvo getest en goedgekeurd. Voor informatie over het gebruik van de aanbevolen noodreparatieset voor banden (TMK) van Volvo, zie Noodreparatieset voor banden* (p. 332). Bagagenet Het bagagenet in de bagageruimte voorkomt dat bagage bij krachtige remmanoeuvres de passagiersruimte in wordt geslingerd. N.B. U monteert het bagagenet het eenvoudigst via het ene achterportier.
05 Laad- en opbergmogelijkheden || 3. Haak het andere uiteinde van de stang vast aan de plafondbevestiging aan de tegenoverliggende zijde – de bevestigingshaken met telescoopveren maken het aanbrengen eenvoudiger. Let erop dat u de bevestigingshaken van de stang in de voorste eindstand van de beide plafondbevestigingen duwt. 4.
05 Laad- en opbergmogelijkheden 4. Klap de stang in het midden dubbel en rol het net op. Doe het net in de opbergzak. U bewaart het opgevouwen bagagenet in de zak in de bagageruimte. Hoedenplank Voor extra laadruimte kunt u de hoedenplank verwijderen. Hoedenplank verwijderen Maak de hefogen aan beide kanten van de hoedenplank los. Gerelateerde informatie • • 05 Haak de voorkant van de hoedenplank los en verwijder de hoedenplank. Lading vervoeren (p. 155) Verankeringsogen (p.
SLOTEN EN ALARM
06 Sloten en alarm Transpondersleutel met sleutelblad WAARSCHUWING U gebruikt de transpondersleutel om de auto te starten en deze te vergrendelen en ontgrendelen. De sleutel bevat een afneembaar sleutelblad (p. 169). Het zichtbare deel bestaat in twee uitvoeringen om de transponders van elkaar te kunnen onderscheiden. Bij de auto zijn twee transpondersleutels geleverd (in standaarduitvoering of met Keyless-functie (p. 172)).
06 Sloten en alarm Transpondersleutel/PCC sleutelgeheugen* Indicatie vergrendeling/ontgrendeling - instellen • Vergrendelen – eenmaal oplichten en de buitenspiegels worden ingeklapt3. Dankzij het sleutelgeheugen van de transpondersleutel/PCC (p. 163) zijn bepaalde Autoinstellingen te personaliseren. Wanneer u de auto vergrendelt of ontgrendelt met een transpondersleutel (p.
06 Sloten en alarm Vergrendelingsindicatie Een knipperende diode bij de voorruit geeft aan dat de auto is vergrendeld. Transpondersleutel/PCC, elektronische startblokkering De elektronische startblokkering is een antidiefstalsysteem dat voorkomt dat onbevoegden de auto kunnen starten (p. 276). Elke transpondersleutel/PCC (p. 163) heeft zijn eigen, unieke code. U kunt de auto alleen starten, wanneer u een transpondersleutel met de juiste code gebruikt.
06 Sloten en alarm Op afstand bediende startblokkering met opsporingssysteem De op afstand bediende startblokkering met opsporingssysteem maakt het mogelijk om de auto op te sporen en te lokaliseren alsmede op afstand de startblokkering te activeren, zodat de motor afslaat. Transpondersleutel - functie De transpondersleutel heeft functies voor bijvoorbeeld vergrendeling en ontgrendeling van de portieren.
06 Sloten en alarm Ontgrendelen (p. 177) – Ontgrendelt de portieren en de achterklep en deactiveert het alarm. nen 3 seconden indrukt, worden de richtingaanwijzers, de interieurverlichting en de claxon geactiveerd. Bij lang indrukken worden alle ruiten tegelijkertijd geopend (zie ook Doorluchtfunctie (p. 180)). U kunt deze functie met dezelfde toets weer uitschakelen, als de functie minimaal 5 seconden actief geweest is. Anders wordt deze functie na ca. 3 minuten automatisch uitgeschakeld.
06 Sloten en alarm PCC* - unieke functies Gebruik van de informatietoets Een transpondersleutel met PCC heeft extra functies ten opzichte van een transpondersleutel zonder PCC (p. 163) in de vorm van een informatieknop en controlelampjes. – Druk op de informatietoets . > Ca. 7 seconden lang lichten de controlesymbolen op de PCC om de beurt op. Dit geeft aan dat informatie over de auto wordt uitgelezen. Als u gedurende dit tijdsbestek op een van de andere toetsen drukt, wordt de uitlezing beëindigd.
06 Sloten en alarm PCC* - bereik N.B. Het bereik van de PCC voor ontgrendeling en bediening van de achterklep is ca. 20 m rond de auto – voor de overige functies geldt een maximumbereik van ca. 100 m. Als de auto niet reageert bij bediening van een toets – probeer het dan op minder grote afstand opnieuw.
06 Sloten en alarm Afneembaar sleutelblad - verwijderen/ aanbrengen Het verwijderen/aanbrengen van het afneembare sleutelblad (p. 169) gaat als volgt: Sleutelblad verwijderen Gerelateerde informatie • Afneembaar sleutelblad - portier ontgrendelen (p. 170) • Kinderslot - handmatige activering (p. 184) • Passagiersairbag - activering/deactivering* (p. 31) Afneembaar sleutelblad - portier ontgrendelen Het afneembare sleutelblad (p.
06 Sloten en alarm Transpondersleutel/PCC - batterij vervangen N.B. Keer de transpondersleutel met de knoppen naar boven om te voorkomen dat de batterijen eruit vallen als deze wordt geopend. De batterijen in de transpondersleutel/PCC zijn te vervangen. Vervang de batterijen in de transpondersleutel/PCC, als: • BELANGRIJK het informatiesymbool oplicht en Afst.bediening batterij raakt leeg. Vervang de batterij.
06 Sloten en alarm || Transpondersleutel en PCC* met 2 batterijen 1. Werk de batterijen voorzichtig los. 2. Plaats eerst een nieuwe met de pluszijde (+) omhoog. Keyless* Het passieve vergrendelings- en startsysteem is verkrijgbaar in twee uitvoeringen: Keyless drive en Keyless start. Gerelateerde informatie 3. Leg het witte plastic vel op de geplaatste nieuwe batterij en breng daarna nog een nieuwe batterij aan met de pluszijde (+) omlaag. Batterijtype Gebruik batterijen met de code CR2430, 3 V.
06 Sloten en alarm Keyless* - bereik transpondersleutel5 Om een portier of de achterklep te kunnen openen zonder knoppen op de transpondersleutel in te drukken, moet de transpondersleutel zich binnen een straal van 1,5 m rond de portierhandgrepen of de achterklep bevinden. U moet de transpondersleutel bij u dragen om een portier te vergrendelen of ontgrendelen.
06 Sloten en alarm Keyless* - storingen in de functie van de transpondersleutel De Keyless-functie kan gestoord worden door elektromagnetische velden en afschermingen. N.B. Plaats/bewaar de transpondersleutel met keyless-functie niet in de buurt van een mobiele telefoon of metalen voorwerpen. Houd een minimale afstand aan van 10-15 cm. Keyless* - vergrendelen N.B.
06 Sloten en alarm Keyless* - ontgrendelen6 Er wordt ontgrendeld met Keyless-drive wanneer iemand een portierhandgreep beetpakt of op het met rubber beklede drukplaatje van de achterklep drukt – open het portier of de achterklep op de normale manier. N.B. Keyless*- ontgrendelen met sleutelblad Als de centrale vergrendeling niet op de transpondersleutel reageert (omdat de batterijen bijvoorbeeld leeg zijn), kunt u het linker voorportier openen met het afneembare sleutelblad (p. 170) van de transponder. 1.
06 Sloten en alarm Keyless* - sleutelgeheugen sleutelgeheugen7 Dankzij het van de transpondersleutel/PCC zijn bepaalde Auto-instellingen te personaliseren. Het sleutelgeheugen is te gebruiken voor de elektrische verwarming* van de bestuurdersstoel en die van de buitenspiegels. De instellingen voor de buitenspiegels, de bestuurdersstoel en de mate van stuurbekrachtiging worden opgeslagen in het sleutelgeheugen. bedienbare stoel (p. 75) met de stoelknoppen 1 – 3. • Zet de stoel en de spiegels (p.
06 Sloten en alarm Keyless* - locatie antennes WAARSCHUWING Het Keyless-systeem werkt met een aantal antennes die op verschillende locaties ingebouwd zijn in de auto. Personen met een pacemaker mogen niet dichter dan 22 cm bij de antennes van het Keyless-systeem komen. Hierdoor voorkomt u storingen tussen de pacemaker en het Keyless-systeem.
06 Sloten en alarm || N.B. Let erop dat het alarm afgaat, wanneer het portier na ontgrendeling met het sleutelblad wordt geopend – het alarm wordt uitgeschakeld, wanneer de transpondersleutel in het contactslot wordt geplaatst. WAARSCHUWING Let op het risico van opsluiting in de auto, als u de auto van de buitenzijde vergrendelt – de portieren zijn dan namelijk niet meer van de binnenzijde te openen met de portierhandgrepen. Voor meer informatie, zie Safelock-functie* (p. 183).
06 Sloten en alarm Vergrendelen/ontgrendelen - van de binnenzijde • Vergrendeling/ontgrendeling is mogelijk met de knop voor centrale vergrendeling op het bestuurdersportier. Alle portieren en de achterklep (p. 181) zijn tegelijkertijd te vergrendelen of ontgrendelen. Met een knop voor centrale vergrendeling op beide voorportieren en op elk van beide achterportieren een knop voor elektrische vergrendeling: • Een brandend lampje houdt in dat alle portieren vergrendeld zijn.
06 Sloten en alarm Doorluchtfunctie Bij warm weer kunt u de doorluchtfunctie gebruiken om alle zijruiten tegelijk korte tijd te openen en weer te sluiten en op die manier snel voor frisse lucht in de auto te zorgen. Vergrendelen/ontgrendelen dashboardkastje Het dashboardkastje (p. 153) valt alleen te vergrendelen/ontgrendelen met het afneembare sleutelblad van de transpondersleutel (p. 163). Voor informatie over het sleutelblad, zie Afneembaar sleutelblad - verwijderen/ aanbrengen (p. 170).
06 Sloten en alarm Vergrendelen/ontgrendelen achterklep De achterklep is op enkele verschillende manieren te openen, vergrendelen en ontgrendelen. Handmatig openen BELANGRIJK • De achterklep is met heel weinig kracht te ontgrendelen – druk gewoon lichtjes op het met rubber beklede platje. • Breng geen druk aan op het met rubber beklede plaatje bij het openen van de achterklep – maar til de handgreep op. Bij te veel druk kan de elektrische schakelaar in het met rubber beklede plaatje beschadigd raken.
06 Sloten en alarm || • • N.B. Om de achterklep te openen: Wanneer de klep met 2 keer indrukken of vanaf de binnenkant van de auto werd ontgrendeld, is automatische hervergrendeling niet mogelijk omdat de klep openstaat – u dient de klep handmatig te sluiten. – Na het sluiten is de klep onvergrendeld en niet opgenomen in het alarmsysteem – met de vergrendeltoets op de transpondersleutel kunt u de klep opnieuw vergrendelen en opnemen in het alarmsysteem.
06 Sloten en alarm Safelock-functie* Tijdelijk deactiveren Safelock-functie8 Bij activering van de worden alle openingshandgrepen mechanisch losgekoppeld, wat het openen van de portieren van de binnenzijde onmogelijk maakt. Met de transpondersleutel (p. 163) activeert u de Safelock-functie die ca. 10 seconden na vergrendeling van de portieren in werking treedt. 2. Kies Eén keer activeren.
06 Sloten en alarm || Als u geen wijzigingen in het vergrendelingssysteem wenst Druk op EXIT en vergrendel de auto. – N.B. • Let erop dat het alarm wordt geactiveerd bij vergrendeling van de auto. • Als een van de portieren van de binnenzijde wordt geopend, gaat het alarm af. Kinderslot - handmatige activering De bedieningscilinders van het kinderslot zitten achter op de korte kant van de achterportieren, zodat ze alleen bereikbaar zijn wanneer de portieren openstaan.
06 Sloten en alarm Kinderslot - elektrische activering* Het kinderslot voorkomt dat kinderen een achterportier vanaf de binnenzijde kunnen openen. Activeren Het elektrische kinderslot is in alle sleutelstanden (p. 71) anders dan 0 te activeren/ deactiveren en dat binnen 2 minuten na het afzetten van de motor, op voorwaarde dat er geen portier wordt geopend. 2. Druk op de bijbehorende knop van het bedieningspaneel op het bestuurdersportier.
06 Sloten en alarm || N.B. De bewegingsmelders laten het alarm afgaan bij bewegingen in de passagiersruimte – ook eventuele luchtstromen worden geregistreerd. Het alarm kan dan ook afgaan als u de auto met een raam open laat staan of als u de interieurverwarming gebruikt. Om dat te voorkomen: Sluit bij het verlaten van de auto alle ramen.
06 Sloten en alarm Alarmsysteem - automatische herinschakeling De automatische herinschakeling van het alarm voorkomt dat u de auto verlaat zonder het alarmsysteem (p. 185) uit te schakelen. Als u geen van de portieren noch de achterklep binnen twee minuten na uitschakeling van het alarm opent wanneer de auto met de transpondersleutel (p. 163) ontgrendeld (en het alarm gedeactiveerd) werd, wordt het alarm automatisch opnieuw ingeschakeld. De auto wordt bovendien opnieuw vergrendeld.
06 Sloten en alarm Alarmsignalen Beperkt alarmniveau Wanneer het alarm (p. 185) afgaat, klinkt een sirene en knipperen alle richtingaanwijzers. Een beperkt alarmniveau houdt in dat de bewegingsmelders en niveausensoren tijdelijk worden uitgeschakeld. • Er klinkt een sirene totdat u het alarm uitschakelt. Bij inactiviteit gaat de sirene na 30 seconden lang automatisch uit. De sirene heeft zijn eigen accu en werkt volledig onafhankelijk van de startaccu in de auto.
BESTUURDERSONDERSTEUNING
07 Bestuurdersondersteuning Stabiliteits- en tractieregelsysteem (DSTC) Het stabiliteits- en tractieregelsysteem (DSTC (Dynamic Stability & Traction Control)) helpt u voorkomen dat de wielen doorslippen en verbetert de tractie van de auto. Tijdens het afremmen kunnen de ingrepen van het systeem waarneembaar zijn in de vorm van pulserende geluiden. Tijdens het gas geven kan de auto langzamer optrekken dan u verwacht.
07 Bestuurdersondersteuning Gerelateerde informatie • Stabiliteits- en tractieregelsysteem (DSTC) - bediening (p. 191) • Stabiliteits- en tractieregeling (DSTC) symbolen en meldingen (p. 192) Stabiliteits- en tractieregelsysteem (DSTC) - bediening Het stabiliteits- en tractieregelsysteem, DSTC (Dynamic Stability & Traction Control), helpt u voorkomen dat de wielen doorslippen en verbetert de tractie van de auto.
07 Bestuurdersondersteuning Stabiliteits- en tractieregeling (DSTC) - symbolen en meldingen voorkomen dat de wielen doorslippen en verbetert de tractie van de auto. Het stabiliteits- en tractieregelsysteem (DSTC (Dynamic Stability & Traction Control)) helpt u Tabel SymboolA Melding Betekenis DSTC Tijdelijk UIT Wegens een te hoge temperatuur van de remschijven gelden er tijdelijk beperkingen voor het DSTCsysteem.
07 Bestuurdersondersteuning Gerelateerde informatie • Stabiliteits- en tractieregelsysteem (DSTC) (p. 190) • Stabiliteits- en tractieregelsysteem (DSTC) - bediening (p.
07 Bestuurdersondersteuning Verkeersbordenherkenning (RSI) WAARSCHUWING De verkeersbordenherkenning (RSI – Road Sign Information) helpt de bestuurder te onthouden welke verkeersborden de auto gepasseerd is. RSI werkt niet in alle situaties, maar is uitsluitend bedoeld als een aanvullend hulpmiddel. Als bestuurder bent u er altijd verantwoordelijk voor dat u de auto op een veilige manier bestuurt en dat u zich aan de geldende verkeersregels en voorschriften houdt.
07 Bestuurdersondersteuning Einde snelheidsbeperking of snelweg Aanvullende borden Wanneer het RSI een bord registreert dat het einde van een snelheidsbeperking aangeeft (of andere snelheidsgerelateerde informatie zoals het einde van een snelweg), verschijnt het desbetreffende verkeersbord ca. 10 seconden lang op het instrumentenpaneel: Het snelheidsbord dat aan dit type aanvullend bord is gekoppeld, verschijnt alleen als de bestuurder de richtingaanwijzer gebruikt.
07 Bestuurdersondersteuning || Road Sign Information Aan/Uit U kunt ervoor kiezen of u een waarschuwing wil krijgen bij een overschrijding van de snelheidsbeperking met 5 km/h of meer. De waarschuwing bestaat uit een tijdelijk knipperend symbool voor de maximumsnelheid als de snelheid wordt overschreden. Om Speed Alert in te schakelen: • De weergave van snelheidssymbolen op het instrumentenpaneel kan worden gedeactiveerd.
07 Bestuurdersondersteuning Snelheidsbegrenzer* Een snelheidsbegrenzer (Speed Limiter) is te beschouwen als een omgekeerde cruisecontrol – u regelt de snelheid met het gaspedaal, terwijl de snelheidsbegrenzer voorkomt dat u per ongeluk de vooraf gekozen/ingestelde snelheid overschrijdt. Stuurtoetsen en instrumentpaneel (Digital c.q. Analog). Snelheidsbegrenzer - Aan/Uit. De stand-bystand wordt beëindigd en de ingestelde snelheid wordt hervat. Stand-by zetten Activeren en maximumsnelheid aanpassen.
07 Bestuurdersondersteuning || Inschakelen en activeren Wanneer de snelheidsbegrenzer actief is, verschijnt op het instrumentenpaneel het bijbehorende symbool (6) samen met een markering (5) bij de ingestelde maximumsnelheid. Zowel tijdens het rijden als bij stilstand is het mogelijk een maximumsnelheid in te stellen en op te slaan in het geheugen. Tijdens het rijden 1. Druk op de stuurtoets om de snelheidsbegrenzer in te schakelen.
07 Bestuurdersondersteuning Snelheidsbegrenzer - tijdelijk deactiveren en stand-bystand* Een snelheidsbegrenzer (Speed Limiter) is te beschouwen als een omgekeerde cruisecontrol – u regelt de snelheid met het gaspedaal, terwijl de snelheidsbegrenzer voorkomt dat u per ongeluk de vooraf gekozen/ingestelde snelheid overschrijdt. Tijdelijk deactiveren – stand-bystand – Om de snelheidsbegrenzer tijdelijk te deactiveren en stand-by te zetten: – Druk op .
07 Bestuurdersondersteuning Snelheidsbegrenzer* - alarm overschrijding snelheid Een snelheidsbegrenzer (Speed Limiter) is te beschouwen als een omgekeerde cruisecontrol – u regelt de snelheid met het gaspedaal, terwijl de snelheidsbegrenzer voorkomt dat u per ongeluk de vooraf gekozen/ingestelde snelheid overschrijdt. Op steile aflopende hellingen volstaat de motorrem van de snelheidsbegrenzer mogelijk niet, zodat de gekozen maximumsnelheid wordt overschreden.
07 Bestuurdersondersteuning WAARSCHUWING De bestuurder dient altijd rekening te houden met de verkeersomstandigheden en in te grijpen, wanneer de cruisecontrol geen passende snelheid en/of afstand aanhoudt. Als bestuurder bent u er altijd verantwoordelijk voor dat u de auto op een veilige manier bestuurt. Cruisecontrol* - snelheid regelen De cruisecontrol (CC – Cruise Control) helpt u een gelijkmatige snelheid aan te houden. U kunt een snelheid instellen, activeren en wijzigen.
07 Bestuurdersondersteuning || N.B. De cruisecontrol kan niet worden ingeschakeld bij snelheden lager dan 30 km/h. Snelheid wijzigen • of Stel af met een korte druk op elke druk zorgt voor +/- 5 km/h. De laatst verrichte aanpassing wordt in het geheugen opgeslagen. Om aan te passen met +/- 1 km/h: Toetsenset op het stuurwiel en display in de auto met snelheidsbegrenzer 5.
07 Bestuurdersondersteuning Snelheidsbegrenzer* tijdelijk deactiveren en stand-bystand • het koppelingspedaal meer dan 1 minuut7 lang wordt bediend De cruisecontrol (CC – Cruise Control) helpt u een gelijkmatige snelheid aan te houden. Het systeem is tijdelijk te activeren en in de standbystand te zetten. • de keuze-/schakelhendel in de neutrale stand N wordt gezet (automatische versnellingsbak) • u meer dan 1 minuut lang een hogere snelheid aanhoudt dan ingesteld.
07 Bestuurdersondersteuning Cruisecontrol* - ingestelde snelheid hervatten Gerelateerde informatie De cruisecontrol (p. 200) (CC – Cruise Control) helpt u een gelijkmatige snelheid aan te houden. Na tijdelijke deactivering en de stand-bystand (p. 203) kunt u de eerder ingestelde snelheid hervatten. Toetsenset op het stuurwiel en display in de auto met snelheidsbegrenzer 8.
07 Bestuurdersondersteuning Cruisecontrol* - uitschakelen Adaptieve cruisecontrol (ACC)* De cruisecontrol (CC – Cruise Control) helpt u een gelijkmatige snelheid aan te houden. Hier volgt een beschrijving van hoe u het systeem uitschakelt. De adaptieve cruisecontrol (ACC – Adaptive Cruise Control) helpt u om een veilige afstand tot voorliggers te houden.
07 Bestuurdersondersteuning || WAARSCHUWING De bestuurder dient altijd rekening te houden met de verkeersomstandigheden en in te grijpen, wanneer de adaptieve cruisecontrol geen passende snelheid of afstand aanhoudt. De adaptieve cruisecontrol leent zich niet voor alle verkeers-, weers- en wegomstandigheden. Neem alle hoofdstukken over de adaptieve cruisecontrol in de gebruikershandleiding door voor informatie over de systeembeperkingen die u moet kennen alvorens het systeem te gebruiken.
07 Bestuurdersondersteuning WAARSCHUWING De adaptieve cruisecontrol is geen systeem dat botsingen voorkomt. Grijp zelf in zodra u merkt dat het systeem een voorligger niet registreert. De adaptieve cruisecontrol reageert niet op voetgangers of dieren noch op kleinere voertuigen, zoals fietsen of motorfietsen e.d. Tegenliggers, langzaam rijdende en stilstaande voertuigen of vaste obstakels worden eveneens genegeerd.
07 Bestuurdersondersteuning || Steile wegen en/of zware belading Adaptieve cruisecontrol* - overzicht Let erop dat de adaptieve cruisecontrol in eerste instantie bestemd is voor gebruik tijdens ritten op vlakke weggedeelten. De cruisecontrol heeft mogelijk moeite om de juiste volgafstand ten opzichte van voorliggers aan te houden bij ritten op steile aflopende wegen, bij vervoer van zware belading of met een aanhanger/caravan achter de auto – blijf dan extra alert en rem zo nodig zelf.
07 Bestuurdersondersteuning Volgtijd ACC is actief bij GROEN symbool (WIT = stand-by). Gerelateerde informatie • Adaptieve cruisecontrol* - snelheid regelen (p. 209) • Adaptieve cruisecontrol* - volgtijd instellen (p. 210) • Adaptieve cruisecontrol* - tijdelijke deactivering en stand-by (p. 211) Adaptieve cruisecontrol* - snelheid regelen Tegelijkertijd wordt een snelheidsinterval gemarkeerd: De adaptieve cruisecontrol (p.
07 Bestuurdersondersteuning || N.B. Als u een knop van de cruisecontrol meerdere minuten ingedrukt houdt, wordt de cruisecontrol geblokkeerd en uitgeschakeld. Om de cruisecontrol weer te kunnen activeren, moet de auto stilstaan en de motor worden herstart. In bepaalde situaties is het niet mogelijk de adaptieve cruisecontrol te activeren. Op het instrumentenpaneel (p. 219) verschijnt dan ACC niet beschikbaar. Gerelateerde informatie • • Adaptieve cruisecontrol (ACC)* (p.
07 Bestuurdersondersteuning Adaptieve cruisecontrol* - tijdelijke deactivering en stand-by De adaptieve cruisecontrol (p. 205) (ACC – Adaptive Cruise Control) helpt u om een gelijkmatige snelheid en een veilige afstand tot voorliggers te houden. De cruisecontrol kan tijdelijk worden gedeactiveerd en in stand-by worden gezet.
07 Bestuurdersondersteuning || N.B. Nadat de snelheid weer met is hervat, kan er een markante snelheidstoename volgen. Gerelateerde informatie • • Adaptieve cruisecontrol (ACC)* (p. 205) Adaptieve cruisecontrol* - storingen opsporen en verhelpen (p. 218) Adaptieve cruisecontrol* - een ander voertuig inhalen Adaptieve cruisecontrol* uitschakelen De adaptieve cruisecontrol (p.
07 Bestuurdersondersteuning Adaptieve cruisecontrol* - Queue Assist Groter snelheidsinterval N.B. De adaptieve cruisecontrol (p. 205) (ACC – Adaptive Cruise Control) helpt u om een veilige afstand tot voorliggers aan te houden. Queue Assist is een aanvulling op de adaptieve cruisecontrol die ook bij snelheden lager dan 30 km/h werkt. Bij auto’s met een automatische versnellingsbak is de adaptieve cruisecontrol aangevuld met de functie Queue Assist (ook wel "Queue Assist" genoemd).
07 Bestuurdersondersteuning || WAARSCHUWING Wanneer de adaptieve cruisecontrol een rijdende voorligger volgt bij snelheden boven 30 km/h, van doelvoertuig verandert en vervolgens een stilstaand voertuig volgt, zal de cruisecontrol het stilstaande voertuig negeren en de opgeslagen snelheid aanhouden. • Dat betekent dat de remmen worden gelost en de auto begint te rollen – u moet daarom ingrijpen en zelf remmen om de auto op zijn plaats te houden.
07 Bestuurdersondersteuning Gerelateerde informatie • • Adaptieve cruisecontrol (ACC)* (p. 205) Adaptieve cruisecontrol* - tijdelijke deactivering en stand-by (p. 211) Radarsensor De radarsensor dient om personenauto’s of grotere voertuigen te registreren die in dezelfde richting als u en in dezelfde rijstrook rijden. • • Collision Warning* (p. 231) Afstandswaarschuwing* (p.
07 Bestuurdersondersteuning Radarsensor - beperkingen WAARSCHUWING De radarsensor (p. 215) heeft bepaalde beperkingen die onder meer terug te voeren zijn op het beperkte blikveld. De bestuurder dient altijd rekening te houden met de verkeersomstandigheden en in te grijpen, wanneer de adaptieve cruisecontrol geen passende snelheid of afstand aanhoudt.
07 Bestuurdersondersteuning WAARSCHUWING De adaptieve cruisecontrol is geen systeem dat botsingen voorkomt. Grijp zelf in zodra u merkt dat het systeem een voorligger niet registreert. De adaptieve cruisecontrol reageert niet op voetgangers of dieren noch op kleinere voertuigen, zoals fietsen of motorfietsen e.d. Tegenliggers, langzaam rijdende en stilstaande voertuigen of vaste obstakels worden eveneens genegeerd.
07 Bestuurdersondersteuning Adaptieve cruisecontrol* - storingen opsporen en verhelpen De adaptieve cruisecontrol (p. 205) (ACC – Adaptive Cruise Control) helpt u om een veilige afstand tot voorliggers te houden. Als op het instrumentenpaneel de melding Radar afgedekt Zie instructieb. verschijnt, In de volgende tabel staan voorbeelden van mogelijke oorzaken van het verschijnen van de melding en passende maatregelen: Dit betekent dat noch de adaptieve cruisecontrol noch Distance Alert (p.
07 Bestuurdersondersteuning Adaptieve cruisecontrol* - symbolen en meldingen De adaptieve cruisecontrol (p. 205) (ACC – Adaptive Cruise Control) helpt u om een veilige afstand tot voorliggers te houden. SymboolA Melding Betekenis Het symbool is WIT De adaptieve cruisecontrol staat Adaptieve cruisecontrol* - tijdelijke deactivering en stand-by (p. 211). Het symbool is GROEN De auto houdt de opgeslagen snelheid aan. De standaard cruisecontrol is handmatig gekozen.
07 Bestuurdersondersteuning || SymboolA Melding Betekenis Radar afgedekt Zie instructieb. De adaptieve cruisecontrol werkt tijdelijk niet. • De radarsensor kan geen andere voertuigen registreren. Bijvoorbeeld wanneer deze wordt gehinderd door hevige regenval of als sneeuwmodder of andere verontreinigingen de radarsensor afdekken. U kunt dan kiezen voor de standaard cruisecontrol Cruisecontrol* (p. 200) (CC) – een tekstmelding informeert over passende alternatieven.
07 Bestuurdersondersteuning Afstandswaarschuwing* N.B. De afstandswaarschuwing (Distance Alert) is een functie die u inlicht over de volgtijd ten opzichte van de voorligger. De afstandswaarschuwing is uitgeschakeld, zolang de adaptieve cruisecontrol actief is. Distance Alert is actief bij snelheden hoger dan 30 km/h en reageert uitsluitend op voorliggers die in dezelfde richting als u rijden.
07 Bestuurdersondersteuning || U kunt verschillende volgtijden ten opzichte van voorliggers kiezen en deze worden op het instrumentenpaneel weergegeven met 1–5 horizontale streepjes – hoe meer streepjes, hoe langer de volgtijd. Eén streepje komt overeen met ca. 1 seconde ten opzichte van de voorligger en 5 streepjes met ca. 3 seconden. Hetzelfde symbool verschijnt ook wanneer de adaptieve cruisecontrole (p. 205) geactiveerd is. N.B.
07 Bestuurdersondersteuning Afstandswaarschuwing* - symbolen en meldingen De afstandswaarschuwing (p. 221) (Distance Alert) is een functie die u inlicht over de volg- SymboolA tijd ten opzichte van de voorligger. Er kunnen symbolen en meldingen op het instrumentenpaneel verschijnen bij een gereduceerde wer- Melding Betekenis Radar afgedekt Zie instructieb. De afstandswaarschuwing werkt tijdelijk niet. king op grond van de systeembeperkingen (p. 222). De radarsensor (p.
07 Bestuurdersondersteuning City Safety™ BELANGRIJK City Safety™ is een hulpmiddel om u te helpen een aanrijding te voorkomen tijdens filerijden e.d., waarbij plotselinge wijzigingen in het verkeer vóór u gekoppeld aan onoplettendheid tot bijna-ongelukken kunnen leiden. Onderhoud en vervanging van onderdelen in City Safety™ mogen uitsluitend door een werkplaats worden uitgevoerd - geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
07 Bestuurdersondersteuning Wanneer het systeem ingrijpt en remt, verschijnt op het instrumentenpaneel de melding (p. 230) dat het systeem actief is/was. N.B. Als City Safety™ remt, gaan de remlichten branden. City Safety™ - bediening City Safety™ is een hulpmiddel om u te helpen een aanrijding te voorkomen tijdens filerijden e.d., waarbij plotselinge wijzigingen in het verkeer vóór u gekoppeld aan onoplettendheid tot bijna-ongelukken kunnen leiden.
07 Bestuurdersondersteuning || De volgende keer dat de motor wordt gestart is het systeem (p. 224) echter weer actief, ook al stond het systeem uit toen de motor werd afgezet. WAARSCHUWING De lasersensor (p. 228) zendt laserlicht uit, ook als City Safety™ handmatig is uitgeschakeld. Om City Safety™ opnieuw in te schakelen: • Volg de dezelfde procedure als bij het uitschakelen, maar kies nu de optie Aan. Gerelateerde informatie • • • 07 City Safety™ (p. 224) City Safety™ - beperkingen (p.
07 Bestuurdersondersteuning N.B. • Houd de voorruit in het gebied vóór de lasersensor (p. 228) vrij van sneeuw, ijs, condens en vuil. Voor een afbeelding met de positie van de sensor, zie City Safety™ - functie (p. 224). • Plak of bevestig geen zaken op de voorruit vóór de lasersensor • Haal sneeuw en ijs van de motorkap – de laag sneeuw en ijs mag niet dikker zijn dan 5 cm. Oorzaak BELANGRIJK Maatregel Het voorruitoppervlak vóór de lasersensor is vuil of bedekt met sneeuw of ijs.
07 Bestuurdersondersteuning City Safety™ - lasersensor Het City Safety™-systeem maakt gebruik van een sensor die laserlicht uitzendt. Neem contact op met een gekwalificeerde werkplaats als de lasersensor een storing vertoont of nagekeken moet worden – geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats. Het is daarom essentieel dat u de aangegeven instructies opvolgt bij het hanteren van de lasersensor. De volgende twee stickers hebben te maken met de lasersensor: • IEC 60825-1:1993 + A2:2001.
07 Bestuurdersondersteuning • Koppel de connector van de lasersensor los voordat u deze van de voorruit demonteert. • Zorg dat de lasersensor op de voorruit gemonteerd is alvorens de connector aan te sluiten. • De lasersensor zendt laserlicht uit wanneer de transpondersleutel in sleutelstand II (p. 72) staat, ook al is de motor afgezet. Gerelateerde informatie • City Safety™ (p.
07 Bestuurdersondersteuning City Safety™ - symbolen en meldingen op het instrumentenpaneel gaan branden in combinatie met een tekstmelding. Meldingen kunt u van het display halen door de OK-knop Terwijl City Safety™ (p. 224) automatisch remt, kunnen een of meer symbolen (p. 230) SymboolA op de richtingaanwijzerhendel kort in te drukken. Melding Betekenis/Maatregel Autom. remmen door City Safety City Safety™ remt op dit moment of remde eerder automatisch.
07 Bestuurdersondersteuning Collision Warning* Uitvoering 1 ‘Collision Warning met Auto Brake en voetgangers- en fietsersdetectie’ is een hulpmiddel dat bedoeld is om u te waarschuwen, wanneer het gevaar bestaat dat u op een voetganger of achter op een (stilstaande of rijdende) fietser of voorligger botst. U wordt alleen met visuele en akoestische signalen gewaarschuwd18 voor obstakels – er wordt niet automatisch geremd, u moet zelf remmen.
07 Bestuurdersondersteuning Collision Warning* - functie 3. Auto Brake20 ‘Collision Warning met Auto Brake en voetgangers- en fietsersdetectie’ is een hulpmiddel dat bedoeld is om u te waarschuwen, wanneer het gevaar bestaat dat u op een voetganger of achter op een (stilstaande of rijdende) fietser of voorligger botst. Collision Warning en City Safety™ (p. 224) vullen elkaar aan. 1 – Collision Warning Eerst wordt u gewaarschuwd voor een dreigende aanrijding.
07 Bestuurdersondersteuning WAARSCHUWING Collision Warning werkt niet in alle rijsituaties, verkeers-, weers- en wegomstandigheden. Collision Warning reageert niet op naderende tegenliggers of fietsers noch op dieren. Er wordt alleen gewaarschuwd wanneer het risico van een botsing groot is. In het onderdeel “Functie” en “Beperkingen” wordt geïnformeerd over de beperkingen die u als bestuurder moet kennen, voordat u de Collision Warning met Auto Brake gebruikt.
07 Bestuurdersondersteuning || Het systeem kan fietsers niet ontdekken, als de camera grote delen van het lichaam van de fietser of van zijn/haar fiets niet kan waarnemen. • Fietsers die dicht op de denkbeeldige snijlijnen door de zijkanten van uw auto fietsen (links of rechts ervan) worden mogelijk laat of helemaal niet ontdekt. • Bij zonsondergang en -opgang kan het systeem fietsers minder goed registreren – vergelijkbaar met het menselijk oog.
07 Bestuurdersondersteuning • Collision Warning* - beperkingen van de camerasensor (p. 239) • Collision Warning* voetgangersdetectie Collision Warning* - symbolen en melding (p. 241) ‘Collision Warning met Auto Brake en voetgangers- en fietsersdetectie’ is een hulpmiddel dat bedoeld is om u te waarschuwen, wanneer het gevaar bestaat dat u op een voetganger of achter op een (stilstaande of rijdende) fietser of voorligger botst.
07 Bestuurdersondersteuning || Gerelateerde informatie • • • • Collision Warning* (p. 231) Collision Warning* - functie (p. 232) Collision Warning* - bediening (p. 236) Collision Warning* - fietsersdetectie (p. 233) • Collision Warning* - algemene beperkingen (p. 238) • Collision Warning* - beperkingen van de camerasensor (p. 239) • Collision Warning* - symbolen en melding (p.
07 Bestuurdersondersteuning Lang, maar als deze instelling te vaak tot waarschuwingen leidt (wat in bepaalde situaties als hinderlijk kan worden ervaren) kunt u overgaan op de waarschuwingsafstand Normaal. Maak alleen in uitzonderingsgevallen zoals bij dynamisch rijden gebruik van de waarschuwingsafstand Kort. N.B. Bij gebruik van de adaptieve cruisecontrol worden het waarschuwingslampje en de waarschuwingszoemer door de cruisecontrol gehanteerd, ook al hebt u de Collision Warning gedeactiveerd.
07 Bestuurdersondersteuning Collision Warning* - algemene beperkingen ‘Collision Warning met Auto Brake en voetgangers- en fietsersdetectie’ is een hulpmiddel dat bedoeld is om u te waarschuwen, wanneer het gevaar bestaat dat u op een voetganger of achter op een (stilstaande of rijdende) fietser of voorligger botst. Het systeem heeft bepaalde beperkingen – zo is het systeem pas actief bij snelheden van zo’n 4 km/h en hoger.
07 Bestuurdersondersteuning Met geactiveerde achteruitversnelling is de Collision Warning met Auto Brake tijdelijk gedeactiveerd. Collision Warning met Auto Brake wordt niet geactiveerd op lage snelheden (onder 4 km/h), wat betekent dat het systeem niet ingrijpt in situaties waarbij uw auto een voorligger uiterst langzaam nadert zoals tijdens het parkeren. In situaties waarin u actief en bewust rijgedrag laat zien, wordt Collision Warning minder actief.
07 Bestuurdersondersteuning || regen- of sneeuwval en in dichte mist. In dergelijke omstandigheden kunnen functies die gebruik maken van de camera grote beperkingen ondervinden of tijdelijk gedeactiveerd worden.
07 Bestuurdersondersteuning Collision Warning* - symbolen en melding ‘Collision Warning met Auto Brake en voetgangers- en fietsersdetectie’ is een hulpmid- SymboolA del dat bedoeld is om u te waarschuwen, wanneer het gevaar bestaat dat u op een voetganger of achter op een (stilstaande of rijdende) fietser of voorligger botst. Melding Betekenis CWS-systeem UIT Collision Warning is uitgeschakeld. Verschijnt bij het starten van de motor. De melding dooft automatisch na ca.
07 Bestuurdersondersteuning || Gerelateerde informatie • • • Collision Warning* (p. 231) Collision Warning* - functie (p. 232) Collision Warning* - voetgangersdetectie (p. 235) • Collision Warning* - fietsersdetectie (p. 233) • • Collision Warning* - bediening (p. 236) • Collision Warning* - beperkingen van de camerasensor (p. 239) Collision Warning* - algemene beperkingen (p. 238) 07 242 * Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
07 Bestuurdersondersteuning Driver Alert System* Status hulpmiddel bestuurder Driver Alert System is bestemd om u te helpen als de auto op een ongecontroleerde manier wordt bestuurd of op het punt staat de rijstrookmarkering te overschrijden. Driver Alert System bestaat uit verschillende functies die tegelijk of apart in te schakelen zijn: • Driver Alert Control (DAC)* - bediening (p. 244). • Rijbaanassistent - bediening (p. 249).
07 Bestuurdersondersteuning || een geschikte plek parkeert om een pauze in te lassen, ongeacht de vraag of DAC nu wel of niet heeft gewaarschuwd. N.B. Driver Alert Control (DAC)* bediening Instellingen voor Driver Alert Control - DAC (p. 243) zijn te verrichten via het menusysteem (p. 106) op het display van de middenconsole. De functie mag niet worden gebruikt om de rijtijd te verlengen. Plan altijd regelmatig pauzes in en zorg ervoor dat u bent uitgerust.
07 Bestuurdersondersteuning Driver Alert Control (DAC)* - symbolen en meldingen meldingen op het instrumentenpaneel of op het beeldscherm van de middenconsole laten verschijnen. Het Driver Alert Control - DAC (p. 243) kan in uiteenlopende situaties symbolen en tekst- Instrumentenpaneel SymboolA Melding Betekenis Driver Alert Tijd voor pauze De auto vertoont zwalkend rijgedrag – u wordt gewaarschuwd met een zoemersignaal en een displaymelding.
07 Bestuurdersondersteuning || Symbool Melding Betekenis Driver Alert stand-by <65km/h De functie is stand-by gezet omdat de rijsnelheid onder 65 km/h ligt. Driver Alert niet beschikbaar De weg is niet voorzien van duidelijke markeringsstrepen of de camerasensor werkt tijdelijk niet. Lees meer over de beperkingen van de camerasensor, zie Collision Warning* - beperkingen van de camerasensor (p. 239). Gerelateerde informatie • • Driver Alert System* (p. 243) • Rijbaanassistent* (p.
07 Bestuurdersondersteuning Rijbaanassistent* WAARSCHUWING De Rijbaanassistent maakt deel uit van het Driver Alert System en wordt ook wel LKA (Lane Keeping Aid) genoemd. De Rijbaanassistent is bedoeld voor gebruik op snelwegen en dergelijke en beperkt het risico dat u in bepaalde situaties onbedoeld de eigen rijbaan verlaat. LKA is alleen een hulpmiddel voor de bestuurder en werkt niet in alle rijsituaties, verkeers-, weers- en wegomstandigheden.
07 Bestuurdersondersteuning || Voor een beschrijving van het menusysteem, zie MY CAR - menu-opties (p. 108). Waarschuwing met trillingen in het stuurwiel Dynamisch nemen van bochten LKA stuurt en waarschuwt met pulserende stuurwieltrillingen24. In bepaalde gevallen staat de rijbaanassistent toe dat de zijlijnen worden overschreden zonder in te grijpen met actief sturen of waarschuwen met pulserende trillingen in het stuurwiel.
07 Bestuurdersondersteuning Rijbaanassistent - bediening Rijbaanassistent - beperkingen De rijbaanassistent wordt in verschillende situaties gecompleteerd met duidelijke grafische voorstellingen. Hier volgen enkele voorbeelden: • De camerasensor van de rijbaanassistent heeft beperkingen, net als het menselijk oog. Voor meer informatie, zie Collision Warning* - beperkingen van de camerasensor (p. 239) en (p. 237). N.B. N.B. Het LKA staat uit zolang u de richtingaanwijzerhendel bedient.
07 Bestuurdersondersteuning || gezet. De functie is dan uitgeschakeld totdat u weer begint te sturen. Gerelateerde informatie • • • • Rijbaanassistent* (p. 247) Rijbaanassistent - functie (p. 247) Rijbaanassistent - bediening (p. 249) Rijbaanassistent - symbolen en meldingen (p. 251) 07 250 * Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
07 Bestuurdersondersteuning Rijbaanassistent - symbolen en meldingen In situaties waar het LKA-systeem niet wordt geactiveerd of wordt uitgeschakeld verschijnt SymboolA er mogelijk een symbool op het instrumentenpaneel in combinatie met een verklarende melding – volg in dat geval het gegeven advies op. Voorbeelden van meldingen: Melding Betekenis Rijstrookassistent Niet beschikbaar bij deze snelheid De Rijbaanassistent is stand-by gezet, omdat de rijsnelheid onder 65 km/h ligt.
07 Bestuurdersondersteuning || Gerelateerde informatie • • • • Rijbaanassistent* (p. 247) Rijbaanassistent - beperkingen (p. 249) Rijbaanassistent - functie (p. 247) Rijbaanassistent - bediening (p. 249) 07 252 * Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
07 Bestuurdersondersteuning Park Assist* WAARSCHUWING Park Assist is bedoeld als hulpmiddel tijdens het parkeren. Geluidssignalen en symbolen op het display van de middenconsole geven de afstand aan tot een waargenomen obstakel. Het Park Assist-volume is tijdens de weergave van geluidssignalen bij te stellen met de draaiknop VOL op de middenconsole of in het menusysteem MY CAR van de auto, zie MY CAR (p. 106).
07 Bestuurdersondersteuning || lings uit de luidsprekers aan linker- en rechterzijde. BELANGRIJK Voorwerpen zoals kettingen, smalle glanzende palen of lage obstakels kunnen ‘afgeschaduwd’ worden en worden in dat geval tijdelijk niet geregistreerd door de sensoren – het onderbroken geluidssignaal kan dan plotseling wegvallen in plaats van over te gaan in het verwachte ononderbroken geluidssignaal. De gemarkeerde sector(en) geeft/geven aan welke van de vier sensoren een obstakel heeft/hebben waargenomen.
07 Bestuurdersondersteuning N.B. Bij het achteruitrijden met een aanhanger achter de auto of een fietsdrager op de trekhaak – zonder een originele aanhangerkabel van Volvo – moet u de Park Assist mogelijk handmatig uitschakelen om te voorkomen dat de sensoren erop reageren. Gerelateerde informatie • • • • • • • Park Assist* (p. 253) Park Assist* - aan de voorzijde BELANGRIJK Park Assist is bedoeld als hulpmiddel tijdens het parkeren.
07 Bestuurdersondersteuning Park Assist* - storingsindicatie Park Assist* - sensoren schoonmaken Park Assist is bedoeld als hulpmiddel tijdens het parkeren. Geluidssignalen en symbolen op het display van de middenconsole geven de afstand aan tot een waargenomen obstakel. Park Assist is bedoeld als hulpmiddel tijdens het parkeren. Geluidssignalen en symbolen op het display van de middenconsole geven de afstand aan tot een waargenomen obstakel.
07 Bestuurdersondersteuning Park Assist-camera Functie en bediening De Park Assist-camera is een hulpsysteem dat automatisch geactiveerd wordt bij het inschakelen van de achteruitversnelling (de functie is te wijzigen in het instellingenmenu, zie MY CAR - menu-opties (p. 108)). De cameraweergave verschijnt op het display van de middenconsole. N.B.
07 Bestuurdersondersteuning || Lichtomstandigheden De cameraweergave wordt automatisch aangepast aan de heersende lichtomstandigheden. Dit kan ertoe leiden dat de beeldweergave ietwat kan variëren wat lichtsterkte en kwaliteit betreft. Slechte lichtomstandigheden leveren mogelijk een iets slechtere beeldkwaliteit op. auto. De lijnen zijn bovendien afhankelijk van de stuuruitslag, zodat u ook tijdens het draaien kunt zien welke baan de auto zal nemen. N.B.
07 Bestuurdersondersteuning Auto’s met Park Assist-sensoren achter* Gerelateerde informatie • • • • Park Assist-camera - instellingen (p. 259) Park Assist-camera - beperkingen (p. 260) Park Assist* (p. 253) Actieve parkeerhulp (PAP)* (p. 260) Park Assist-camera - instellingen De parkeercamera is een hulpsysteem en wordt geactiveerd wanneer er in de achteruit wordt geschakeld. Druk op OK/MENU wanneer een cameraweergave getoond wordt. Voer de gewenste instellingen uit.
07 Bestuurdersondersteuning || baan van de trekhaak – beide opties kunnen niet gelijktijdig worden weergegeven. Gerelateerde informatie • • • • • Park Assist-camera (p. 257) Park Assist-camera - beperkingen Actieve parkeerhulp (PAP)* De parkeercamera is een hulpsysteem en wordt geactiveerd wanneer er in de achteruit wordt geschakeld.
07 Bestuurdersondersteuning WAARSCHUWING PAP werkt niet in alle situaties, maar is uitsluitend bedoeld als een aanvullend hulpmiddel. Als bestuurder bent u er altijd verantwoordelijk voor dat u de auto op een veilige manier bestuurt en het gebied rond de auto goed in de gaten houdt om naderende of passerende verkeersdeelnemers tijdig op te merken.
07 Bestuurdersondersteuning Actieve parkeerhulp (PAP)* - functie De actieve parkeerhulp (PAP – Park Assist Pilot) helpt u bij het parkeren door eerst te controleren of het vak groot genoeg is en daarna het stuurwiel te draaien en de auto in het vak te parkeren. U krijgt eenvoudige en heldere instructies voor het gebruik van PAP op het instrumentenpaneel – met grafische beelden en teksten grafische beelden en teksten (p. 265). N.B.
07 Bestuurdersondersteuning N.B. • Houd uw handen weg van het stuurwiel als de PAP-functie is geactiveerd. • Let erop dat het stuurwiel niet door iets wordt gehinderd en vrij kan draaien. • Wacht voor het beste resultaat totdat het stuurwiel is uitgedraaid, voordat u achteruit/vooruit rijdt. 3. Schakel de achteruitversnelling in en rijd voorzichtig achteruit tot met grafische beelden en meldingen wordt verzocht om te stoppen.
07 Bestuurdersondersteuning || de benodigde ruimte voor het manoeuvreren onvoldoende is - het kan dan handig zijn om zo dicht mogelijk naar de kant van de straat te rijden waar het parkeervak zich bevindt. BELANGRIJK Onder bepaalde omstandigheden kan PAP geen parkeerplaatsen vinden - een reden kan zijn dat de sensoren worden verstoord door externe geluidsbronnen, die dezelfde ultrasoonfrequenties afgeven als waar het systeem mee werkt. Voorbeelden van dergelijke bronnen zijn o.a.
07 Bestuurdersondersteuning Gerelateerde informatie • • Actieve parkeerhulp (PAP)* (p. 260) Park Assist-camera (p. 257) Actieve parkeerhulp (PAP)* symbolen en meldingen De actieve parkeerhulp (PAP – Park Assist Pilot) helpt u bij het parkeren door eerst te controleren of het vak groot genoeg is en daarna het stuurwiel te draaien en de auto in het vak te parkeren. Het instrumentenpaneel geeft met symbolen, grafische beelden en teksten aan, wanneer u iets moet doen.
07 Bestuurdersondersteuning || Overzicht Onderhoud BLIS - bediening BLIS (Blind Spot Information System) is een functie om de bestuurder ondersteuning te bieden bij rijden in druk verkeer op wegen met meerdere rijbanen in dezelfde richting. BLIS activeren/deactiveren BLIS wordt geactiveerd bij het starten van de motor wat bevestigd wordt door de controlelampjes op de portierpanelen die één keer oplichten. Positie BLIS-lamp27. Controlelampje BLIS-symbool N.B.
07 Bestuurdersondersteuning console - in dat geval is de functie te bedienen via het menusysteem MY CAR28: • Wanneer BLIS werkt Selecteer Aan of Uit met Instellingen Auto-instellingen BLIS. BLIS werkt niet als de auto achteruitrijdt. Bij deactivering/activering van BLIS dooft/ brandt het lampje in de knop en het instrumentenpaneel bevestigt de wijziging met een tekstmelding - bij activering lichten de controlelampjes op de portierpanelen eenmaal op.
07 Bestuurdersondersteuning CTA (Cross Traffic Alert)* CTA (Cross Traffic Alert) is een hulpmiddel om u voor kruisend verkeer te waarschuwen, als u achteruitrijdt met de auto. CTA is een aanvulling op BLIS (p. 265). CTA activeren/deactiveren CTA wordt geactiveerd bij het starten van de motor wat bevestigd wordt door de controlelampjes op de portierpanelen die één keer oplichten. Bij auto’s met Park Assist (p. 253) kunt u het CTA-systeem uitschakelen/aanzetten met de Aan/Uit-knop van de Park Assist.
07 Bestuurdersondersteuning Naarmate u verder achteruitrijdt, verandert de hoek ten opzichte van de auto/het obstakel die/dat in de weg zit zodat de dode hoek snel in grootte afneemt. Onderhoud Voorbeelden van andere beperkingen: • Vuil, ijs en sneeuw op de sensoren kunnen voor functiebeperkingen zorgen en waarschuwingen onmogelijk maken. CTA kan dergelijke beperkende omstandigheden niet detecteren. • Bevestig geen voorwerpen, tape of stickers binnen het oppervlak van de sensoren.
07 Bestuurdersondersteuning BLIS en CTA - symbolen en meldingen In situaties waarbij het BLIS (p. 265) en CTA (p. 268) uitblijven of worden onderbroken, kan er een symbool op het instrumentenpaneel verschijnen in combinatie met een verklarende melding. Neem een eventueel advies in acht. Voorbeelden van meldingen: 07 Melding Betekenis CTA UIT CTA is handmatig uitgeschakeld - BLIS is actief.
STARTEN EN RIJDEN
08 Starten en rijden Alcoholslot* alcoholslot1 Het voorkomt dat bestuurders die onder invloed zijn in de auto kunnen rijden. Voordat de motor kan worden gestart, moet u een blaastest afgeven om vast te stellen dat u niet onder de invloed van alcohol bent. Het alcoholslot wordt gekalibreerd ten opzichte van de grenswaarde voor verkeersdeelname die in uw land geldt. Alcoholslot* - functies en bediening alcoholslot2 Het voorkomt dat bestuurders die onder invloed zijn in de auto kunnen rijden.
08 Starten en rijden Alcoholslot* - opslag alcoholslot3 Het voorkomt dat bestuurders die onder invloed zijn in de auto kunnen rijden. Bewaar de blaasunit in zijn houder. Verwijder de blaasunit door de unit licht in de houder te drukken en los te laten, waarna deze opveert en uit de houder kan worden genomen. Alcoholslot* - vóór het starten van de motor 1. Wanneer het controlelampje (6) groen oplicht, is de blaasunit klaar voor gebruik.
08 Starten en rijden || Resultaat van de blaastest Controlelampje (5) + displaymelding Betekenis Groen lampje + Alcoguard Test goedgekeurd Start de motor – geen alcohol gemeten. Oranje lampje + Alcoguard Test goedgekeurd Motor kan worden gestart – gemeten promillage boven 0,1 promille maar onder de geldende grenswaardeA. Rood lampje + Test afgekeurd Wacht 1 minuut A Het voorkomt dat bestuurders die onder invloed zijn in de auto kunnen rijden. • Ca.
08 Starten en rijden Koud en warm weer N.B. Hoe kouder het buiten is, hoe langer het duurt voordat de blaasunit gereed is voor gebruik: Temperatuur (°C) Maximale opwarmtijd (seconden) +10 tot +85 10 –5 tot +10 60 –40 tot –5 180 Bij temperaturen lager dan –20 °C of hoger dan +60 ’C is extra voeding voor de blaasunit vereist. Het instrumentenpaneel toont Alcoguard Stroom kabel aansluiten.
08 Starten en rijden Alcoholslot* - symbolen en meldingen alcoholslot7 Het voorkomt dat bestuurders die onder invloed zijn in de auto kunnen rijden. Naast de al beschreven meldingen gerelateerd aan hoe het alcoholslot vóór het starten van de motor (p. 273) werkt kan ook het volgende verschijnen: Displaymelding Betekenis/Maatregel Alcoguard Her- start mogelijk Motor stond minder dan 30 minuten af – motor kan worden gestart zonder nieuwe blaastest. Alcoguard Service vereist Bezoek een werkplaatsA.
08 Starten en rijden BELANGRIJK De transpondersleutel niet verkeerd om insteken – pak de sleutel beet aan het uiteinde met het afneembare sleutelblad, zie Afneembaar sleutelblad - verwijderen/ aanbrengen (p. 170) 1. Plaats de transpondersleutel in het contactslot en duw deze tot aan de aanslag naar binnen. Let erop dat u bij een auto met alcoholslot* eerst een goedgekeurde blaastest moet uitvoeren voordat de motor kan worden gestart. Voor meer informatie over Alcoguard, zie Alcoholslot* (p. 272). 2.
08 Starten en rijden Motor afzetten Stuurslot Starten met hulpaccu U zet de motor af met de knop START/STOP ENGINE. Het stuurslot bemoeilijkt de besturing zoals bij gebruik van de auto door onbevoegden. Als de startaccu (p. 361) uitgeput is, kunt u de auto starten met stroom van een hulpaccu. Om de motor af te zetten: Functie • Druk op de knop START/STOP ENGINE - de motor slaat af.
08 Starten en rijden 4. Bevestig de ene klem van de rode startkabel aan de pluspool (1) van de hulpaccu. BELANGRIJK Wees voorzichtig bij het aansluiten van de startkabels om kortsluiting met andere onderdelen in de motorruimte te voorkomen. 5. Haal de clips op de voorste dekplaat van de uitgeputte accu los en verwijder de dekplaat. 6. Bevestig de andere klem van de rode startkabel aan de pluspool (2) van de auto. 7. Bevestig de ene klem van de zwarte startkabel aan de minpool (3) van de hulpaccu. 11.
08 Starten en rijden Versnellingsbakken Handgeschakelde versnellingsbak Blokkering achteruitversnelling Er zijn twee hoofdgroepen versnellingsbakken: handgeschakelde en automatische versnellingsbakken. De versnellingsbak heeft tot taak de overbrengingsverhouding af te stemmen op de gewenste snelheid en vermogensbehoefte. De blokkering van de achteruitversnelling beperkt het risico dat u tijdens het vooruitrijden op normale snelheid onbedoeld de achteruitversnelling inschakelt.
08 Starten en rijden Schakelindicator* Automatische versnellingsbak De schakelindicator geeft aan wanneer u moet opschakelen of terugschakelen om het brandstofverbruik minimaal te houden. Een automatische versnellingsbak met Geartronic heeft in tegenstelling tot een automatische versnellingsbak met Powershift (p. 284) een hydraulische koppelomvormer die de kracht van de motor overbrengt op de versnellingsbak. De bak heeft twee verschillende schakelstanden: automatisch en handmatig.
08 Starten en rijden || Schakelstanden De automatische schakelstanden worden rechts op het instrumentenpaneel getoond. (Er brandt maar één lampje tegelijk - dat van de actuele keuzehendelstand.) Symbool ‘S’ voor Sport-stand is ORANJE, indien geactiveerd. P – Parkeerstand Selecteer stand P, wanneer u de motor start of de auto wordt geparkeerd. • Om de keuzehendel uit stand P te kunnen halen moet u eerst het rempedaal ver genoeg intrappen. In stand P is de versnellingsbak mechanisch geblokkeerd.
08 Starten en rijden N.B. Als de versnellingsbak een sportstand kent, is handmatig schakelen pas te activeren wanneer u de hendel vooruit of achter in de stand "+/-" hebt gezet. Op het instrumentenpaneel verandert de S dan in een van de tekens 1, 2, 3 enz. om aan te geven welke versnelling er ingeschakeld is. Geartronic - Sportstand (S) De sportstand levert een sportiever rijgedrag op en maakt het mogelijk om hogere toeren te maken in de versnellingen.
08 Starten en rijden Automatische versnellingsbak Powershift* Een automatische versnellingsbak met Powershift is een automaat die, in tegenstelling tot een Geartronic-automaat (p. 281), dubbele mechanische lamellenkoppelingen heeft. die van de Geartronic-automaat. Een uitzondering vormt de Winterstand van de Geartronic-automaat, zie Automatische versnellingsbak - Geartronic* (p. 281).
08 Starten en rijden Tekstmelding en maatregel In bepaalde situaties kan er een bepaalde melding op het instrumentenpaneel verschij- Symbool A nen in combinatie met een brandend symbool. Melding Rijeigenschappen Maatregel Oververh versnb zet auto stil Problemen om snelheid constant te houden bij hetzelfde toerental. Versnellingsbak oververhit. Houd de auto stil met het rempedaal.A Oververh versnb Stop auto z.s.m. Auto rijdt met hevige schokkerige bewegingen vooruit. Versnellingsbak oververhit.
08 Starten en rijden Keuzehendelblokkering Stilstaande auto met draaiende motor: De keuzehendelblokkering is verkrijgbaar in twee uitvoeringen: een mechanische en een automatische. • Mechanische keuzehendelblokkering Houd uw voet op het rempedaal terwijl u de keuzehendel verzet.
08 Starten en rijden Gerelateerde informatie • Automatische versnellingsbak Geartronic* (p. 281) • Automatische versnellingsbak Powershift* (p.
08 Starten en rijden || Met het Start/Stop-systeem kunt u actiever milieubewust rijden doordat de motor, waar mogelijk, automatisch te laten afslaan. Handbak of automaat Let erop dat er verschillen zijn in het Start/Stop-systeem, afhankelijk van de vraag of de auto een handbak of een automaat heeft. Gerelateerde informatie • Start/Stop* - functie en bediening (p. 288) • • • Motor start (p. 276) • Start/Stop* - de motor is automatisch gestart (p.
08 Starten en rijden Automatische motorstart Voorwaarden M/ AA Met de schakelhendel in de neutrale stand: M 1. Trap het koppelingspedaal of het gaspedaal in – de motor start. Het Start/Stop-systeem blijft gedeactiveerd, totdat het opnieuw geactiveerd wordt met de knop of de volgende keer dat de motor wordt gestart met de sleutel. 2. Schakel een passende versnelling in en rijd weg. Op een aflopende helling bestaat ook deze mogelijkheid: M Laat het rempedaal los en laat de auto wegrollen.
08 Starten en rijden Start/Stop* - de motor slaat niet automatisch af Voorwaarden M/AA Voorwaarden M/AA Auto’s met een bepaalde combinatie van motor en versnellingsbak zijn voorzien van een Start/Stop-systeem dat in werking treedt, als de auto bijvoorbeeld stilstaat in een file of wacht voor een verkeerslicht. Ook als het Start/Stop-systeem geactiveerd is, vindt er niet altijd een automatische motorstop plaats.
08 Starten en rijden • Start/Stop* - symbolen en meldingen (p. 294) Voorwaarden • Start/Stop* - de motor is automatisch gestart Accu - Start/Stop (p. 363) Auto’s met een bepaalde combinatie van motor en versnellingsbak zijn voorzien van een Start/Stop-systeem dat in werking treedt, als de auto bijvoorbeeld stilstaat in een file of wacht voor een verkeerslicht.
08 Starten en rijden • Start/Stop* - de motor slaat niet automatisch af (p. 290) • Start/Stop* - de motor start niet automatisch Start/Stop* - onvrijwillige motorstop bij handgeschakelde versnellingsbak (p. 293) Auto’s met een bepaalde combinatie van motor en versnellingsbak zijn voorzien van een Start/Stop-systeem dat in werking treedt, als de auto bijvoorbeeld stilstaat in een file of wacht voor een verkeerslicht. De automatische motorstart werkt niet altijd na automatische motorafslag.
08 Starten en rijden Start/Stop* - onvrijwillige motorstop bij handgeschakelde versnellingsbak Auto’s met een bepaalde combinatie van motor en versnellingsbak zijn voorzien van een Start/Stop-systeem dat in werking treedt, als de auto bijvoorbeeld stilstaat in een file of wacht voor een verkeerslicht.
08 Starten en rijden Start/Stop* - symbolen en meldingen Tekstmelding Het Start/Stop-systeem kan tekstmeldingen op het informatiedisplay weergeven. Het Start/Stop-systeem kan soms aanleiding geven tot meldingen op het instrumentenpaneel en een brandend controlelampje. Bij enkele daarvan Symbool Melding Informatie/maatregel M/AA Motor in Auto Start Blijft enkele seconden branden na activering van Start/Stop. M+A Eco DRIVe UIT Blijft enkele seconden branden na deactivering van Start/Stop.
08 Starten en rijden Symbool A Melding Informatie/maatregel Trap rempedaal in om te starten Motor klaar voor automatische start – wacht op bediening van het rempedaal. M Rem en ontkoppel om te starten Motor klaar voor automatische start – wacht op bediening van het koppelings- of rempedaal. M Stand N kiezen om te starten Er is geschakeld zonder te ontkoppelen – bedien het koppelingspedaal om de schakelhendel in de neutrale stand te zetten.
08 Starten en rijden Bedrijfsrem Remschijven schoonmaken De bedrijfsrem wordt gebruikt om de snelheid van de auto tijdens rijden te verlagen. Vuil en water op de remschijven kunnen ertoe leiden dat de aanspreekduur van de remmen wordt verlengd. Door de remblokken schoon te maken beperkt u deze verlenging. De auto is uitgerust met twee remcircuits.
08 Starten en rijden Gerelateerde informatie • • Parkeerrem (p. 298) Bedrijfsrem - noodremlichten en automatische alarmlichten (p. 297) • Bedrijfsrem - remkrachtverhoging bij noodstops (p. 298) • Bedrijfsrem - antiblokkeerremsysteem (p. 297) Bedrijfsrem antiblokkeerremsysteem Bedrijfsrem - noodremlichten en automatische alarmlichten Het antiblokkeerremsysteem, ABS Anti-lock Braking System voorkomt dat de wielen blokkeren tijdens het remmen.
08 Starten en rijden Bedrijfsrem - remkrachtverhoging bij noodstops De remkrachtverhoging bij noodstops (EBA, Emergency Brake Assist) helpt de remkracht verhogen om op die manier de remweg te verkorten. Het EBA registreert de wijze waarop u het rempedaal bedient en verhoogt zo nodig de remkracht. De remkracht kan worden verhoogd tot aan het niveau waarbij het ABS ingrijpt. De EBA-regeling wordt uitgeschakeld wanneer u de druk op het rempedaal verlaagt.
08 Starten en rijden 2. Trek de parkeerremhendel iets omhoog, druk de knop in, duw de parkeerrem omlaag en laat de knop weer los. > Het waarschuwingssymbool op het instrumentenpaneel dooft. Doorwaaddiepte Als u vergeet de auto van de parkeerrem te halen, wordt u daar niet alleen op gewezen via het brandende waarschuwingslampje maar u krijgt bij een rijsnelheid hoger dan 10 km/h bovendien een belsignaal te horen en een melding op het instrumentenpaneel te zien.
08 Starten en rijden Oververhitting In bepaalde omstandigheden, bij zware belasting op steile hellingen en warm weer, bestaat het gevaar dat de motor en de aandrijflijn oververhit raken – vooral bij het vervoer van een zware lading. Voor informatie over oververhitting bij het gebruik van een aanhanger, zie Rijden met een aanhanger (p. 308). 08 300 • Verwijder verstralers die voor de grille zitten tijdens ritten bij warm weer.
08 Starten en rijden Overbelasting - startaccu De elektrische functies van de auto belasten de startaccu in verschillende mate. Laat het contactslot niet te lang achtereen in sleutelstand II staan, wanneer u de motor hebt afgezet. Maak in plaats daarvan gebruik van de stand I – het stroomverbruik is dan minder, zie Sleutelstanden - functies in verschillende standen (p. 72). Let er tevens op dat de verschillende accessoires het elektrische systeem belasten.
08 Starten en rijden Winterse ritten Bij rijden in de winter is het belangrijk om bepaalde controles uit te voeren, zodat u zeker weet dat u veilig met de auto kunt rijden. Waar u op moet letten: Let voor aanvang van de winter in het bijzonder op het volgende: • De koelvloeistof (p. 462) van de motor moet ten minste 50 % glycol bevatten. Bij een dergelijke concentratie is de motor beschermd tegen stukvriezen tot ca. –35 °C.
08 Starten en rijden Tankvulklep - handmatig openen Brandstof tanken De tankvulklep is met de hand te openen, wanneer het niet mogelijk is deze van buitenaf te openen. De brandstoftank is voorzien van een doploos vulsysteem. Tanken gaat als volgt: N.B. Voorkom morsen door na het tanken ca. 5–8 seconden te wachten en daarna het vulpistool voorzichtig te verwijderen. Gerelateerde informatie • Open/verwijder het zijluikje in de bagageruimte (aan de kant van de tankvulklep). • Open de tankvulklep (p.
08 Starten en rijden Brandstof - gebruik WAARSCHUWING Gebruik geen brandstof met een slechtere kwaliteit dan Volvo adviseert, omdat dit een nadelige invloed kan hebben op het motorvermogen en het brandstofverbruik. Op de grond gemorste brandstof kan vlam vatten. Schakel de verwarming op brandstof uit voordat u gaat tanken. WAARSCHUWING Heb nooit een ingeschakelde mobiele telefoon bij u als u staat te tanken.
08 Starten en rijden Brandstof - diesel De motor loopt op dieselolie. Maak alleen gebruik van dieselolie van gerenommeerde oliemaatschappijen. Giet nooit dieselolie van twijfelachtige kwaliteit in de tank. Diesel moet voldoen aan de norm EN 590 of JIS K2204. Dieselmotoren zijn gevoelig voor verontreiniging in de brandstof, zoals een te grote hoeveelheid zwaveldeeltjes. Bij lage temperaturen (–6 °C tot –40 °C) kan de paraffine in de dieselolie uitvlokken. Dit kan tot startproblemen leiden.
08 Starten en rijden || wanneer u vermoedt dat er vervuilde brandstof is gebruikt, moet u het brandstoffilter aftappen, zie Serviceprogramma van Volvo (p. 341). BELANGRIJK Bepaalde speciale toevoegingen verwijderen de waterafscheiding in het brandstoffilter. Gerelateerde informatie • • • Roetfilter dieselmotor (DPF) (p. 306) Brandstof - gebruik (p. 304) Zuinig rijden (p. 307) Brandstof bijvullen – met jerrycan Roetfilter dieselmotor (DPF) Gebruik voor het bijvullen van brandstof (p.
08 Starten en rijden N.B. Tijdens de regeneratie is het volgende mogelijk: • een tijdelijke en geringe beperking van het motorvermogen, • een tijdelijke verhoging van het brandstofverbruik, • een brandgeur. Wanneer het filter geregenereerd is, wordt de waarschuwingsmelding automatisch gewist. Zuinig rijden Zuinig rijden houdt in dat u anticiperend en rustig rijdt, en uw rijstijl en snelheid afstemt op de verkeerssituatie.
08 Starten en rijden Rijden met een aanhanger Bij het rijden met een aanhanger moet u op enkele dingen letten zoals de trekhaak, de aanhanger en hoe u de aanhanger laadt. Het laadvermogen is afhankelijk van het rijklaar gewicht van de auto. Het laadvermogen dient te worden verminderd met de som van het gewicht (p. 455) van eventuele inzittenden en dat van gemonteerde accessoires, zoals een trekhaak.
08 Starten en rijden WAARSCHUWING Volg de vermelde aanbevelingen voor het aanhangergewicht. Anders is het mogelijk dat de hele combinatie bij uitwijkmanoeuvres en afremmen moeilijk onder controle is te houden. Rijden met een aanhanger handgeschakelde versnellingsbak Rijden met een aanhanger automatische versnellingsbak Wanneer u bij warm weer een aanhanger sleept (p. 308) in heuvelachtig terrein, bestaat er mogelijk gevaar voor oververhitting.
08 Starten en rijden || 4. Haal uw voet van het rempedaal. Trekhaak • Zet de keuzehendel in de parkeerstand P, wanneer u een automaat met aanhanger parkeert. Gebruik altijd de parkeerrem. Een trekhaak maakt het mogelijk om bijvoorbeeld een aanhanger achter de auto te hangen. • Gebruik wielblokken, als u een auto met aanhanger op een steile helling parkeert.
08 Starten en rijden Afneembare trekhaak - specificaties Bewaar de afneembare trekhaak in de bagageruimte. Specificaties voor een afneembare trekhaak. G021485 Afneembare trekhaak - opbergen Opbergmogelijkheid voor de afneembare trekhaak. BELANGRIJK Neem na gebruik altijd de afneembare trekhaak los en berg deze op de daarvoor bestemde plaats op. Gerelateerde informatie Afmetingen, bevestigingspunten (mm) A 887 B 79 C 881 D 441 E 109 • Afneembare trekhaak - specificaties (p.
08 Starten en rijden || Gerelateerde informatie • Afneembare trekhaak - monteren/demonteren (p. 312) • • Afneembare trekhaak - opbergen (p. 311) U kunt de afneembare trekhaak als volgt monteren/demonteren: Bevestigen G021488 Rijden met een aanhanger (p. 308) Afneembare trekhaak - monteren/ demonteren Het controlevenster moet rood van kleur zijn. G021489 Verwijder de afdekking door de pal in te drukken en de afdekking vervolgens recht naar achteren te trekken .
Het controlevenster moet groen van kleur zijn. Controleer of het kogelsegment vastzit door het stevig omhoog, omlaag en naar achteren te bewegen. WAARSCHUWING G000000 Als het kogelgedeelte niet goed zit, moet u het verwijderen en opnieuw monteren zoals eerder werd beschreven. Draai de sleutel linksom naar de vergrendelde stand. Neem de sleutel uit het slot. G021495 G021494 G021490 08 Starten en rijden Veiligheidskabel.
08 Starten en rijden || Gerelateerde informatie Druk de vergrendelingsknop in en totdat u een klik draai deze linksom hoort. Draai de vergrendelingsknop volledig omlaag totdat deze niet verder kan. Houd de knop in deze stand vast terwijl u het kogelsegment schuin naar achteren toe omhoogtrekt. WAARSCHUWING Zet de afneembare trekhaak goed vast, wanneer u deze in de auto bewaart, zie Afneembare trekhaak - opbergen (p. 311). 08 314 Duw de afdekking er zo ver op dat deze vastklikt.
08 Starten en rijden Trailer Stability Assist (TSA) Bediening Het aanhangerstabilisatiesysteem TSA (Trailer Stability Assist) heeft tot taak de auto met een aanhanger/caravan te stabiliseren, wanneer de combinatie de neiging tot pendelbewegingen vertoont. Een pendelbeweging is vaak niet of nauwelijks te dempen, waardoor de combinatie moeilijk bestuurbaar wordt en het gevaar bestaat op de verkeerde weghelft of naast de weg te belanden.
08 Starten en rijden Slepen WAARSCHUWING Bij het slepen wordt de auto met behulp van een sleepkabel voortgetrokken door een ander voertuig. Ga voordat u gaat slepen na wat de wettelijk voorgeschreven maximumsnelheid voor slepen is. 1. Ontgrendel het stuurslot (p. 278) door de transpondersleutel in het contactslot te plaatsen en de knop START/STOP ENGINE lang in te drukken – sleutelstand (p. 72) II wordt geactiveerd. 316 Controleer voordat u gaat slepen of het stuurslot eraf is.
08 Starten en rijden Powershift-bak gaat – anders is het een Geartronic-automaat. BELANGRIJK Vermijd slepen. • Een auto die op een gevaarlijke plek in het verkeer staat, mag echter over een korte afstand (tot 10 km) en op lage snelheid (tot 10 km/h) worden versleept. Berg de auto altijd zo dat de wielen in de rijrichting draaien.
08 Starten en rijden || Neem het sleepoog erbij dat onder het vloerluik in de bagageruimte ligt. N.B. Om bij het sleepoog/de wielsleutel in het schuimrubber blok te komen: • • Versie 1: Til de compressoreenheid van de noodreparatieset voor banden (punt 5) op om bij de wielsleutel te komen. Til de bus met afdichtmiddel eruit (punt 6) om bij het sleepoog te komen. Met bergen wordt het afslepen bedoeld met een ander voertuig. • Roep professionele hulp in voor berging.
WIELEN EN BANDEN
09 Wielen en banden 09 Banden - draairichting Bij banden met een speciaal profiel dat alleen goed werkt wanneer de banden in een bepaalde richting draaien, staat deze richting aangegeven met een pijl op de zijkant van de band. N.B. Let erop dat u hetzelfde type, dezelfde maat en ook hetzelfde merk voor beide wielparen hebt. Houd de aanbevolen bandenspanning (p. 330) aan die in de bandenspanningstabel staat. Gerelateerde informatie G021778 • • • • De pijl geeft de draairichting van de band aan.
09 Wielen en banden Nieuwe banden Banden hebben een beperkte houdbaarheidsdatum. Na enkele jaren worden de banden hard en neemt de grip op het wegdek stukje bij beetje af. Gebruik bij het verwisselen van banden altijd zo nieuw mogelijke banden. Dit geldt in het bijzonder voor winterbanden. De laatste cijfers van de cijferreeks geven de week en het jaar van productie aan. Het is de zogeheten DOT-code (Department of Transportation) van de band en bestaat uit vier cijfers, bijvoorbeeld 1510.
09 Wielen en banden 09 Banden - slijtage-indicator Wielbouten Afsluitbare wielbouten* Een slijtage-indicator toont de status van het loopvlak van de band. De wielen zitten op de naaf vast met wielbouten die in verschillende uitvoeringen verkrijgbaar zijn. Afsluitbare wielbouten zijn te gebruiken op zowel aluminium als stalen velgen. Onder de vloer in de bagageruimte is ruimte om de dop voor de afsluitbare wielbouten in op te bergen. Gerelateerde informatie G021829 • Slijtage-indicatoren.
09 Wielen en banden Krik Winterbanden Sneeuwkettingen gebruiken Er wordt een krik gebruikt om de auto op te nemen, bijvoorbeeld bij het verwisselen van banden. Winterbanden zijn banden die aan de winterse toestand van de weg zijn aangepast. Het gebruik van sneeuwkettingen is alleen toegestaan op de voorwielen (geldt ook voor modellen met voorwielaandrijving). Rijd nooit sneller dan 50 km/h met sneeuwkettingen.
09 Wielen en banden 09 Wiel- en velgmaten Banden - maten Banden - lastindex Wiel- en velgmaten worden aangeduid zoals in de onderstaande tabel. De wielen, banden en velgen van de auto hebben een bepaalde maat, zie het voorbeeld in de onderstaande tabel. De lastindex geeft het vermogen van een band aan om een bepaalde last te dragen. Wielen (velgen) zijn voorzien van een maataanduiding, bijvoorbeeld: 7Jx16x50. Op alle autobanden staat een bepaalde maataanduiding.
09 Wielen en banden Banden - snelheidsklassen Elke band is bestand tegen een bepaalde max. snelheid en behoort daardoor tot een bepaalde snelheidsklasse (SS - Speed Symbol). De snelheidsklasse van de banden dient minimaal overeen te komen met de topsnelheid van de auto. De laagst toegestane snelheidsklasse staat in de onderstaande snelheidsklassetabel. De enige uitzondering hierop vormen winterbanden (p. 323) (zowel banden met als zonder ‘spikes’), waarvoor een lagere snelheidsklasse gebruikt mag worden.
09 Wielen en banden 09 || Gerelateerde informatie • Wielen verwisselen - wielen verwijderen (p. 327) • Wielen verwisselen - compact reservewiel monteren* (p. 329) • Wielen verwisselen - reservewiel erbij nemen* (p. 326) • • • Wielen verwisselen - reservewiel erbij nemen* U vindt het compacte reservewiel* met krik* en wielsleutel* onder de vloer in de bagageruimte. 5. Pak het compacte reservewiel aan de buitenkant vast en til op.
09 Wielen en banden Wielen verwisselen - wielen verwijderen De wielen van de auto kunnen worden verwisseld door bijvoorbeeld winterwielen/winterbanden. Zet een gevarendriehoek op, als u een wiel moet verwisselen langs een drukke weg. Zorg ervoor dat de auto en de krik* op een stevige en horizontale ondergrond staan. 1. Haal de parkeerrem aan en schakel de achteruitversnelling in of zet de keuzehendel in stand P, als de auto een automatische versnellingsbak heeft.
09 Wielen en banden 09 || 5. Schroef het sleepoog tot aan de aanslag in de wielsleutel* vast zoals in de volgende afbeelding. WAARSCHUWING WAARSCHUWING Leg nooit iets tussen de krik en de ondergrond en evenmin tussen de krik en het kriksteunpunt van de auto. Kruip nooit onder de auto als deze op een krik staat. Laat nooit passagiers in de auto zitten als deze op een krik staat. 7. Er zitten twee kriksteunpunten aan weerszijden van de auto.
09 Wielen en banden Wielen verwisselen - compact reservewiel monteren* Krik* en gereedschap terugplaatsen 5. 09 Het is belangrijk het compacte reservewiel op de juiste wijze te monteren. Monteren 1. Reinig de contactvlakken tussen het wiel en de naaf. 2. Breng het wiel aan. Haal de wielbouten stevig aan. 3. Breng de auto zo ver omlaag dat het wiel niet meer ongehinderd kan draaien. Plaats een volledige wieldop terug (indien aanwezig). N.B.
09 Wielen en banden 09 || 3. Bij gebruik van het compacte reservewiel kunt u de lekke band in de plastic zak doen, die u in de verpakking met de handschoenen vindt. Leg het schuimrubber blok terug in het opbergvak en draai de bevestigingsbout vast in de vloer van het opbergvak. Leg, als u het compacte reservewiel niet gebruikt hebt, het schuimrubber blok in het compacte reservewiel en plaats het compacte reservewiel terug in het opbergvak. Draai de bevestigingsbouten vast in de vloer van het opbergvak. 4.
09 Wielen en banden Bandenspanningssticker bandenspanning geadviseerd (zowel bij maximale als bij lichte belading – zie bandenspanningstabel (p. 471)). Gerelateerde informatie Banden - snelheidsklassen (p. 325) 09 Opbergen en uitklappen Banden - draairichting (p. 320) Banden - onderhoud (p. 320) Banden - slijtage-indicator (p. 322) G021830 • • • • Gevarendriehoek De gevarendriehoek wordt gebruikt om andere verkeersdeelnemers te waarschuwen voor een stilstaande auto.
09 Wielen en banden 09 || EHBO-set* Noodreparatieset voor banden* De EHBO-set bevat materiaal voor het verlenen van eerste hulp. Provisorische bandenreparatie, met behulp van een noodreparatieset voor banden* (TMK - Temporary Mobility Kit), wordt gebruikt om een gat te dichten en om de bandenspanning te controleren en aan te passen. De noodreparatieset voor banden bestaat uit een compressor en een bus met afdichtmiddel. Het afdichtmiddel dient om noodreparaties uit te voeren.
09 Wielen en banden N.B. De compressor voor provisorische bandenreparatie is door Volvo getest en goedgekeurd. Gerelateerde informatie • Noodreparatieset voor banden* - bediening (p. 335) • Noodreparatieset voor banden* - reparatieresultaat controleren (p. 337) • Noodreparatieset voor banden* - overzicht (p.
09 Wielen en banden 09 || 5. Til de TMK-compressor recht omhoog. 6. Om bij de fles met afdichtmiddel te komen, moet de fles naar links worden geschoven tot de fles uit het schuimrubber blok kan worden getild. N.B. Gerelateerde informatie • Noodreparatieset voor banden* - overzicht (p. 334) • Noodreparatieset voor banden* - afdichtmiddel (p. 339) • Noodreparatieset voor banden* (p.
09 Wielen en banden Gerelateerde informatie • Noodreparatieset voor banden* - positie (p. 333) • Noodreparatieset voor banden* - afdichtmiddel (p. 339) • • Noodreparatieset voor banden* (p. 332) Noodreparatieset voor banden* - onderdelen terugplaatsen (p.
09 Wielen en banden 09 || 4. Draai de bus in de bushouder vast. WAARSCHUWING Draai de bus niet los, aangezien deze een blokkering heeft om lekkage te voorkomen. 5. Draai het ventieldopje van het wiel los en schroef de ventielaansluiting van de luchtslang zo ver mogelijk op het ventiel van de band. 6. Sluit de kabel op een 12V-aansluiting aan en start de motor. WAARSCHUWING Laat kinderen niet zonder toezicht in de auto achter als de motor draait. 7. Zet de knop in stand I.
09 Wielen en banden Noodreparatieset voor banden* reparatieresultaat controleren Provisorische bandenreparatie (p. 332) is mogelijk met de noodreparatieset voor banden (p. 334)* (TMK - Temporary Mobility Kit), die wordt gebruikt om een gat te dichten en om de bandenspanning te controleren en aan te passen. Bandenspanning controleren 1. Sluit de noodreparatieset voor banden weer aan. 2. Lees de bandenspanning van de manometer af.
09 Wielen en banden 09 Banden oppompen met de noodreparatieset voor banden* De originele banden van de auto kunnen worden opgepompt met behulp van de compressor in de noodreparatieset voor banden. 1. De compressor moet uitstaan. Zorg dat de knop in stand 0 staat en neem de kabel en luchtslang erbij. 2. Draai het ventieldopje van het wiel los en schroef de ventielaansluiting van de luchtslang zo ver mogelijk op het ventiel van de band. WAARSCHUWING Het inademen van uitlaatgassen kan levensgevaarlijk zijn.
09 Wielen en banden 09 Noodreparatieset voor banden* afdichtmiddel De verpakking (bus) in de noodreparatieset voor banden (p. 334) bevat afdichtmiddel en is te vervangen. Vervang de bus voordat de houdbaarheidsdatum verstreken is. Behandel de vervangen bus als klein chemisch afval (KCA). WAARSCHUWING Versie 2. De bus bevat 1,2-Ethanol en natuurrubberlatex. Plaats de onderdelen in de aangegeven volgorde terug in het schuimrubber blok: Gevaarlijk bij inname. Kan bij huidcontact allergie veroorzaken. 1.
ONDERHOUD EN SERVICE
10 Onderhoud en service Serviceprogramma van Volvo Om de verkeersveiligheid, bedrijfszekerheid en betrouwbaarheid van de auto op een hoog peil te houden, dient u de voorschriften van het Serviceprogramma van Volvo op te volgen zoals die omschreven staan in het Service- en garantieboekje van Volvo. 10 Volvo adviseert u om service- en onderhoudswerkzaamheden over te laten aan een erkende Volvo-werkplaats.
10 Onderhoud en service Auto opnemen 10 Bij het opnemen van de auto is het belangrijk dat u de krik of de dragerarmen onder de voorziene steunpunten in het onderstel van de auto aanbrengt. N.B. Volvo adviseert u alleen de krik te gebruiken die bij de auto hoort. Volg bij gebruik van een andere krik dan door Volvo geadviseerd de aanwijzingen die bij deze krik werden geleverd.
10 Onderhoud en service 10 Kriksteunpunten (pijlen) voor de krik van de auto en de hefpunten (rood gemarkeerd). Als u de auto aan de voorkant heft met een garagekrik, moet u de krik onder een van de twee hefpunten zetten die verder naar binnen onder de auto zitten. Als u de auto aan de achterkant heft met een garagekrik, moet u de krik onder een van de hefpunten zetten. Let erop dat u de garagekrik dusdanig aanbrengt, dat de auto er niet van af kan glijden.
10 Onderhoud en service Motorkap - openen en sluiten 10 Haal de borghaak naar links om de motorkap te openen. (De borghaak zit tussen de koplamp en de grille zoals afgebeeld.) De motorkap is te openen, wanneer u de handgreep in de passagiersruimte rechtsom hebt gedraaid en de pal bij de grille naar links hebt gehaald. Motorruimte - overzicht Het overzicht geeft de standaardcontrolepunten aan. WAARSCHUWING Controleer of de motorkap bij sluiten goed vergrendelt.
10 Onderhoud en service Relais- en zekeringenkastje Motorruimte - controle Motorolie - algemeen Luchtfilter Bepaalde oliën en vloeistoffen dienen regelmatig gecontroleerd te worden. Om de geadviseerde service-intervallen aan te kunnen houden dient u een goedgekeurde motoroliesoort te gebruiken. WAARSCHUWING De spanning en het vermogen van het ontstekingssysteem zijn zeer hoog. De spanning in het ontstekingssysteem is levensgevaarlijk.
10 Onderhoud en service || Voor ritten onder ongunstige omstandigheden, zie Motorolie - ongunstige rijomstandigheden (p. 459). 10 BELANGRIJK Om aan de vereisten voor de gespecificeerde service-intervallen te voldoen worden alle motoren in de fabriek gevuld met een speciaal aangepaste, synthetische motorolie. De oliesoort werd met grote zorg geselecteerd lettend op de levensduur van de motor, de startgewilligheid, het brandstofverbruik en de milieu-impact.
10 Onderhoud en service 5. Als de olie dichter bij het MIN-streepje ligt, dient u 0,5 liter bij te vullen. Als de olie daar ver onder staat, moet u wellicht meer bijvullen. Motor met oliepeilstok2 G021737 6. Als u het peil daarna nogmaals wenst te controleren, moet u dat na enige tijd rijden doen. Herhaal vervolgens de stappen 1–4. Peilstok en vulbuis. Bij een nieuwe auto is het belangrijk om het oliepeil te controleren, voordat de olie voor de eerste keer volgens schema moet worden ververst.
10 Onderhoud en service || Motor met elektronische oliepeilaanduiding3 BELANGRIJK Vul bij het verschijnen van de melding Oliepeil laag 0,5 liter bijvullen slechts 0,5 liter bij. 10 N.B. Vulbuis4. U hoeft het motoroliepeil niet aan te passen, voordat er een melding op het informatiedisplay van het instrumentenpaneel verschijnt, zie volgende afbeelding. Melding en grafische weergave op display. Het linker display toont een digitaal instrumentenpaneel en het rechter een analoog.
10 Onderhoud en service Oliepeil meten Koelvloeistof - peil Voor controle van het oliepeil de onderstaande volgorde aanhouden. De koelvloeistof koelt de verbrandingsmotor af tot de juiste bedrijfstemperatuur. De warmte die de motor overdraagt op de koelvloeistof kan worden benut voor verwarming van de passagiersruimte. 1. Activeer sleutelstand II, zie Sleutelstanden - functies in verschillende standen (p. 72). 2. Draai het duimwiel op de linker stuurhendel naar stand Oliepeil.
10 Onderhoud en service BELANGRIJK • 10 • Gebruik altijd een koelvloeistof met roestwerende eigenschappen volgens de aanbevelingen van Volvo. • Let erop dat het koelvloeistofmengsel altijd voor 50 % uit water en voor 50 % uit koelvloeistof bestaat. • • • 350 Hoge concentraties chloor, chloriden en andere zoutverbindingen kunnen aanleiding geven tot corrosie in het koelsysteem. Leng de koelvloeistof aan met leidingwater van goede kwaliteit.
10 Onderhoud en service Klimaatregeling - storingen opsporen en verhelpen Service en reparatie aan het aircosysteem mogen uitsluitend door een erkende werkplaats worden uitgevoerd. Storingen opsporen en verhelpen De airconditioning bevat een fluorescerend traceermiddel. Gebruik ultraviolet licht voor het zoeken van lekkage. Volvo adviseert u daarvoor contact op te nemen met een erkende Volvo-werkplaats. WAARSCHUWING In de installatie voor airconditioning zit koudemiddel R134a onder druk.
10 Onderhoud en service || N.B. Bij de externe verlichting zoals de koplampen, mistlampen en achterlichten kan tijdelijk condens optreden aan de binnenkant van het lampglas. Dit is een natuurlijk verschijnsel en alle externe verlichting is erop gebouwd om dit zoveel mogelijk te voorkomen. Condens verdwijnt normaal uit het lamphuis, wanneer de lamp enige tijd brandt. 10 Lamp vervangen - positie lampen voorzijde Het overzicht geeft de positie aan van de lampen aan de voorzijde.
10 Onderhoud en service 4. Haal het koplamphuis los door het beurtelings te kantelen en naar buiten te trekken. BELANGRIJK • Lampen verwisselen - afdekkap groot-/ dimlichtlampen (p. 353) • Lampen verwisselen - afdekkap groot-/dimlichtlampen Lampen - specificaties (p. 358) De groot-/dimlichtlampen zijn bereikbaar door de grotere afdekkap van de koplamp los te maken. 10 Wees voorzichtig bij het eruit tillen van de koplamp, zodat er geen onderdelen beschadigd raken. 5. Druk de borghaak omlaag.
10 Onderhoud en service Lamp vervangen - dimlicht Lamp vervangen - groot licht Lamp vervangen - verstraler De dimlichtlamp zit achter de grote afdekking in het koplamphuis. De grootlichtlamp zit achter de grote afdekking in het koplamphuis. De verstralerlamp zit achter de grote afdekking in het koplamphuis. N.B. 10 N.B. Geldt voor auto’s met halogeenkoplampen. 1. Neem de koplamp (p. 352) los. 2. Maak de afdekking (p. 353) los. 2. Maak de afdekking (p. 353) los. 3. 3.
10 Onderhoud en service Lampen vervangen richtingaanwijzers voorzijde Lamp vervangen - stadslichten/ parkeerlichten vóór De richtingaanwijzerlamp zit achter de kleine afdekking in het koplamphuis. De houder voor de stadslichten vóór en de parkeerlichten zit aan de zijkant van de koplamp. Gerelateerde informatie • Lampen - specificaties (p. 358) 10 N.B. Geldt niet voor auto’s met xenon-koplampen*, omdat deze zijn voorzien van ledlampen. 1. Neem de koplamp (p. 352) los. 2. Maak de afdekking los. 3.
10 Onderhoud en service Lamp vervangen - dagrijlicht De dagrijlichtlamp zit achter de afdekking in de bumper. N.B. 10 Lamp vervangen - positie lampen achterzijde Lamp vervangen - richtingaanwijzers achter, rem- en achterlichten Het overzicht geeft de positie aan van de lampen aan achterzijde. U vervangt de richtingaanwijzers achter, de rem- en achteruitrijlichten vanaf de binnenkant van de bagageruimte. Geldt alleen voor dagrijlicht met gloeilampen. Remlicht (led) Remlichten (p. 356) 1.
10 Onderhoud en service Gerelateerde informatie • Lamp vervangen - positie lampen achterzijde (p. 356) • Lampen - specificaties (p. 358) Lamp vervangen - mistachterlicht Draai de lamphouder linksom. De mistachterlichtlamp zit in de lamphouder van bumper. Trek de lamphouder naar buiten. 3. Vervang de gloeilamp en monteer de onderdelen in omgekeerde volgorde terug. 10 Gerelateerde informatie • Lampen - specificaties (p. 358) Steek een stomp, op een mes lijkend voorwerp, zoals een tafelmes, (ca.
10 Onderhoud en service Lamp vervangen - verlichting makeupspiegel 10 De lampjes voor de verlichting van de makeupspiegel zitten achter de lensjes. Lampen - specificaties Verlichting 1. Steek een schroevendraaier achter het lampglas om het borgnokje aan de rand voorzichtig los te werken. 2. Haal het lampglas voorzichtig los en verwijder het. 3. Trek de gloeilamp met een rondbektang recht opzij. Klem de tang niet te hard, anders kan het glas van de lamp kapot gaan. 4.
10 Onderhoud en service Wisserbladen De wisserbladen vegen neerslag van de vooren achterruit. In combinatie met sproeiervloeistof reinigen ze de ruiten voor een goed zicht tijdens het rijden. Om de wisserbladen van de voorruit te kunnen vervangen moeten deze eerst in de servicestand worden gezet. Servicestand BELANGRIJK Voordat de wisserbladen in de servicestand worden gezet, moet u controleren of ze niet vastgevroren zijn. 1.
10 Onderhoud en service || Wisserbladen vervangen, achterklep Klap de wisserarm omhoog als deze in de servicestand staat. Druk op de knop die op de wisserbladhouder zit en trek het wisserblad evenwijdig aan de wisserarm los. Duw het nieuwe wisserblad zo ver naar binnen dat u een klik hoort. Controleer of het blad goed vastzit. 4. Klap de wisserarm terug op de voorruit.
10 Onderhoud en service BELANGRIJK Controleer de bladen regelmatig. Verwaarloosd onderhoud verkort de levensduur van de bladen. Sproeiervloeistof - bijvullen Startaccu Om de koplampen en ruiten schoon te houden wordt sproeiervloeistof gebruikt. Gebruik tijdens de wintermaanden sproeiervloeistof met antivries. De rijomstandigheden, de rijstijl, het aantal startpogingen, de weersomstandigheden e.d. zijn van invloed op de levensduur en de werking van de accu.
10 Onderhoud en service || BELANGRIJK 10 N.B. Bij opladen van de startaccu mag alleen een traditionele acculader worden gebruikt. Als de startaccu vaak ontladen wordt, heeft dat een negatief effect op zijn levensduur. De levensduur van de startaccu wordt door meerdere factoren beïnvloed, o.a. de rijomstandigheden en het klimaat.
10 Onderhoud en service Vermijd vonken en open vuur. Explosiegevaar. Startaccu - vervangen Accu - Start/Stop Laat de hulpaccu vervangen in een erkende werkplaats. Auto’s met Start/Stop-systeem hebben behalve de startaccu ook een hulpaccu. De startaccu is een traditionele 12V-accu. Start/Stop Volvo adviseert accu’s te laten vervangen door een erkende werkplaats – geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats. Voor meer informatie over de startaccu van de auto - zie Starten met hulpaccu (p. 278).
10 Onderhoud en service || Accu KoudestartvermogenA, CCA (A) 10 AfmetingenB, l×b×h (mm) Capaciteit (Ah) A B C D Start Hulp Startaccu specificatie (p. 474) 120C 278×175×190C 150×90×106C 315×175×190D 150×90×130D 70C 8C 80D 10D Volgens EN-norm. Maximale afmetingen. Handgeschakelde versnellingsbak. Automatische versnellingsbak.
10 Onderhoud en service BELANGRIJK N.B. Bij het negeren van het volgende valt het Start/Stop-systeem mogelijk tijdelijk uit na aansluiting van een externe startaccu of acculader: Als de startaccu dermate ontladen is dat alles ‘zwart’ is en alle elektrische standaardsystemen van de auto’s nagenoeg uitgeschakeld zijn en u de motor vervolgens start met een externe accu of acculader, zal het Start/Stop-systeem actief zijn.
10 Onderhoud en service || WAARSCHUWING 10 Gebruik nooit een vreemd voorwerp of een zekering met meer ampère dan gespecificeerd om een zekering te vervangen. Dit kan aanzienlijke schade aan het elektrische systeem veroorzaken en mogelijk tot brand leiden. Positie relais- en zekeringhouders Positie van de relais- en zekeringhouders, auto met het stuur links – bij auto’s met het stuur rechts zit de relais- en zekeringhouder onder het dashboardkastje aan de andere kant.
10 Onderhoud en service Zekeringen - in motorruimte De zekeringen in de motorruimte beschermen o.a. de motor- en remfuncties. 10 Aan de binnenkant van het deksel zit een speciale trekker waarmee u de zekeringen gemakkelijker kunt verwijderen en aanbrengen. In de relais- en zekeringhouder is tevens plaats voor enkele reservezekeringen. Deksel verwijderen Haal de borgnokken naar buiten toe die aan de zijkanten van het deksel op de startaccu zitten. Neem het deksel recht omhoog eraf.
10 Onderhoud en service || Posities De sticker in het deksel toont de plaats van de zekeringen. 10 Haal de borgnok opzij die op de zijkant van de relais- en zekeringhouder zit. Draai het deksel omhoog, totdat de borgnokken (1) loskomen. • De zekeringen 7–18 zijn van het type ‘JCASE’ en moeten worden vervangen door een werkplaats12. • De zekeringen 19–45 en 47–48 zijn van het type ‘MiniFuse’.
10 Onderhoud en service Functie A Functie A Functie A Elektrisch bedienbare stoel, rechts* 20 10 Gaspedaalsensor 5 Relaisspoel in relais voor koelventilator (4-cil., 5-cil. diesel); lambdasondes (4-cil. benzine); luchtmassameter (diesel); omloopklep EGR-koeling (diesel); regelklep brandstofstroom (5-cil. diesel); regelklep brandstofdruk (5-cil. diesel) 10 Kleppen (4-cil. benzine); magneetkleppen (4-cil. benzine); verstuivers (5-cil. benzine); lambdasonde (5-cil.
10 Onderhoud en service Zekeringen - onder dashboardkastje 10 De zekeringen onder het dashboardkastje beveiligen onder meer de airbags en de interieurverlichting. Aan de binnenkant van het deksel naar relais- en zekeringenhouder in de motorruimte zit een speciale trekker waarmee u de zekeringen gemakkelijker kunt verwijderen en aanbrengen. In de relais- en zekeringenhouder in de motorruimte is tevens plaats voor enkele reservezekeringen.
10 Onderhoud en service Kap monteren Pas de onderste borgnokjes in. Draai de kap omhoog totdat de bovenste nokjes vastklikken. N.B. Let erop dat de bovenste borgnokjes goed in de groeven van de relais- en zekeringhouder worden geleid. Posities De zekeringen zijn van het type ‘MiniFuse’.
10 Onderhoud en service || 10 A B C D E F Functie A Ontgrendelen achterklepF 10 Elektrische extra verwarming*; knop achterbankverwarming* 7,5 Airbags; voetgangersairbag 10 Reservepositie 4, continue spanning 7,5 – – – – Zie ook zekering 84. Zie ook zekering 83. Zie ook zekering 82. Zie ook zekering 77. Zie ook zekering 70. Zie ook zekering 65. Gerelateerde informatie • • 372 Zekeringen - in motorruimte (p. 367) Zekeringen - onder rechter voorstoel (p.
10 Onderhoud en service Zekeringen - onder rechter voorstoel De zekeringen onder de rechter voorstoel beveiligen onder meer het infotainment en de aanhangersystemen. Aan de binnenkant van het deksel naar relais- en zekeringenhouder in de motorruimte zit een speciale trekker waarmee u de zekeringen gemakkelijker kunt verwijderen en aanbrengen. In de relais- en zekeringenhouder in de motorruimte is tevens plaats voor enkele reservezekeringen.
10 Onderhoud en service || 10 Functie A Functie A Functie A Bedieningspaneel portier rechtsachter 25 Trekhaakaansluiting 2* 20 15 Hoofdzekering voor zekeringen 12–16: Infotainment 40 Verwarming zitplaats achterbank rechts* Verwarming zitplaats achterbank links* 15 – Elektrisch bedienbare stoel, links* – Interne relaisspoel Audioregelmodule (versterker)* – Telematica*; Bluetooth* Audio; Infotainmentregelmodule 374 – 20 – 5 5 – 5 15 Digitale radio*; tv* 10 12V-aansluiting bagageruimte 1
10 Onderhoud en service Wasstraat WAARSCHUWING Was de auto zodra deze vuil geworden is. Zorg dat de auto op een spoelvloer met olieafscheider staat. Gebruik autoshampoo. Laat de motorreiniging altijd uitvoeren door een werkplaats. Als de motor warm is, bestaat er brandgevaar. Gebruik geen sterke oplosmiddelen. Met de hand wassen • • • • • Vuile koplampen werken slechter. Maak ze regelmatig schoon, bijvoorbeeld als u tankt.
10 Onderhoud en service || Remmen testen BELANGRIJK Waxen en polijsten op kunststof en rubber is niet toegestaan. WAARSCHUWING 10 Test de rem na het wassen altijd, ook de parkeerrem, zodat vocht en corrosie de remvoering niet aantasten en de remmen verslechteren. Bij gebruik van ontvettingsmiddel op kunststof en rubber mag u, als dat nodig is, slechts met lichte druk wrijven. Gebruik een zachte spons.
10 Onderhoud en service BELANGRIJK Waxen en polijsten op kunststof en rubber is niet toegestaan. Bij gebruik van ontvettingsmiddel op kunststof en rubber mag u, als dat nodig is, slechts met lichte druk wrijven. Gebruik een zachte spons. Door het polijsten van glimmende strips kan de glimmende oppervlaktelaag wegslijten of beschadigd raken. Gebruik geen poetsmiddel dat schuurmiddel bevat. BELANGRIJK Alleen lakbehandelingen uitvoeren die door Volvo geadviseerd worden.
10 Onderhoud en service 10 Roestwering Interieur reinigen De auto heeft in de fabriek een uiterst grondige en complete roestwerende behandeling ondergaan. De carrosserie bestaat ten dele uit gegalvaniseerd plaatwerk. Het onderstel is voorzien van een slijtvaste bodembescherming. In de balken, holten en gesloten profielen werd een dunne, doordringende roestwerende vloeistof gespoten. Gebruik alleen reinigingsmiddelen en autoverzorgingsproducten die door Volvo geadviseerd worden.
10 Onderhoud en service schappen houdt. Het leer is voorzien van een beschermende toplaag, maar om de goede eigenschappen en het fraaie uiterlijk te behouden is regelmatige verzorging van het leer vereist. Volvo biedt een universeel leerverzorgingsproduct waarmee u leren bekleding kunt schoonmaken en de beschermende laag kunt herstellen, mits u de instructies opvolgt. Na enig tijd in gebruikt te zijn geweest krijgt het leer zijn natuurlijke patina, afhankelijk van de oppervlaktestructuur.
10 Onderhoud en service || Vlekken op interieuronderdelen van kunststof, metaal en hout 10 Voor het reinigen van interieuronderdelen en panelen van kunststof worden met water bevochtigde splitfiber- of microvezeldoeken geadviseerd, die verkrijgbaar zijn bij een erkende Volvo-werkplaats. Krab of wrijf nooit over een vlek. Gebruik nooit sterke vlekkenmiddelen. Voor de hardnekkige vlekken kunt u een speciaal reinigingsmiddel gebruiken dat verkrijgbaar is bij de erkende Volvo-werkplaats.
10 Onderhoud en service Geringe lakschade herstellen zoals steenslagschade en krasjes 2. Vóór het lakken kunt u zo nodig (bij ongelijkmatige randen bijvoorbeeld) plaatselijk licht schuren met zeer fijn schuurlinnen. Reinig het gebied zorgvuldig en laat het goed drogen. 10 G021832 3. Roer de grondlak (primer) goed om en breng deze met een fijn kwastje of een lucifer of iets dergelijks op. Dek het geheel af met basislak en heldere lak, wanneer de grondlak droog is. 4.
AUDIO EN MEDIA
11 Audio en media Audio en media Het audio- en mediasysteem omvat de functies radio (p. 391), mediaspeler (p. 403), tv (p. 435)* en biedt u de mogelijkheid te communiceren met een mobiele telefoon (p. 416) *. De informatie verschijnt op een scherm van 5 of 7 inch* boven aan de middenconsole. De functies zijn te bedienen via knoppen op het stuurwiel, op de middenconsole onder het scherm of via een afstandsbediening (p. 439) *.
11 Audio en media Audio en media - overzicht Overzicht van de onderdelen van het audioen mediasystemen. 11 AUX2- en USB3-ingangen voor externe geluidsbronnen (bijvoorbeeld iPod®) Toetsenset op stuurwiel (met*/zonder duimwiel). Display. Het display is verkrijgbaar in twee afmetingen: 5 en 7 inch. In het boekje staat het display van 7 inch afgebeeld. Bedieningspaneel op middenconsole Gerelateerde informatie • • 2 3 384 Audio en media (p. 383) Audiosysteem en media - systeem bedienen (p.
11 Audio en media Vooruit/achteruit/zoeken - Kort indrukken om naar de/het volgende/vorige track op een cd, voorkeurzender van de radio4 of hoofdstuk5 te gaan. Lang indrukken om een track op een cd vooruit/achteruit te spoelen of de eerstvolgende goed doorkomende radiozender te zoeken. SOUND - indrukken op de audio-instellingen (lage tonen, hoge tonen e.d.) te openen. Voor meer informatie, zie algemene audioinstellingen (p. 389). VOL - het geluidsniveau verhogen of verlagen.
11 Audio en media Audio en media - menufuncties Het audio- en mediasysteem wordt bediend vanaf de middenconsole en voor een deel vanaf de stuurtoetsen. De informatie wordt op het scherm in het bovenste deel van de middenconsole gepresenteerd. 11 Het voorbeeld geeft aan hoe u de verschillende functies bereikt tijdens het afspelen van een schijf.
11 Audio en media Kies een hoofdbron door te drukken op een hoofdbronknop (1) (RADIO, MEDIA, TEL). Gebruik om door de menu’s van de bron te navigeren de bedieningsknoppen TUNE, OK/ MENU, EXIT of de hoofdbronknop (1). Om de beschikbare functies te bekijken, zie Audio en media - menu-overzicht (p. 442). N.B. Als de auto is voorzien van stuurtoetsen met duimwiel*, kunt u deze gebruiken in plaats van de toetsen op de middenconsole (TUNE, OK/MENU, EXIT), Audiosysteem en media - systeem bedienen (p. 384).
11 Audio en media 11 Favorieten • Sla veelgebruikte functies op als favoriet. De functies die kunnen worden opgeslagen maken deel uit van de radio, het mediasysteem, de achteruitrijcamera en de menugroep MY CAR, waar een groot deel van de autofuncties te hanteren zijn, waaronder de instelling van de klok, de buitenspiegels en de vergrendelingen. De functie is eenvoudig te bereiken met een druk op de knop FAV.
11 Audio en media Audio en media - algemene audioinstellingen Algemene geluidsinstellingen voor het audioen mediasysteem. Druk op SOUND om het menu met audioinstellingen (Bass, Treble, etc.) te openen. Ga verder met SOUND of OK/MENU naar het alternatief van uw keuze (bijvoorbeeld Treble). Pas de instelling aan door te draaien aan TUNE en sla de instelling op met OK/MENU. Druk opnieuw meerdere malen op SOUND of OK/MENU om de overige alternatieven te bereiken: • Surround8 – Is Aan/Uit te zetten.
11 Audio en media Equalizer instellen equalizer10 Met de kunt u het volumeniveau aanpassen voor de verschillende radiofrequentiebanden of de tv. 1. Druk op OK/MENU om Audioinstellingen te openen en kies voor Equalizer. 11 2. Kies een frequentieband door te draaien aan TUNE en bevestig uw keuze met OK/ MENU. 3. Pas de audio-instelling aan door te draaien aan TUNE en bevestig uw keuze met OK/MENU. Doe hetzelfde voor de andere frequentiebanden die u wenst aan te passen. 4.
11 Audio en media Radio • Het is mogelijk de FM- en AM-band te beluisteren. In bepaalde gevallen ook de digitale radio (DAB) (p. 400)*. Radiokanalen programmeren (Groep leren) (p. 401) • Navigeren in kanaalgroepenlijst (Ensemble) (p. 401) • Radiozenders als voorkeurzenders opslaan (p. 394) • Radiofrequentieband doorzoeken (p. 400) • • • • Radioprogrammatypes (PTY) (p. 397) Bedieningselementen voor radiofuncties. Voor het bedienen van de radio, zie Systeem bedienen (p. 384) en Menufuncties (p.
11 Audio en media Automatisch radiozenders zoeken Radiozenderlijst Zoekt de volgende/vorige zender. De radio stelt automatisch een radiozenderlijst12 op met de FM-zenders met de best doorkomende signalen. Dat biedt u de mogelijkheid een zender te zoeken in gebieden waar u de radiozenders en hun frequenties niet kent.
11 Audio en media Gerelateerde informatie • Radiozenders zoeken (p. 391) Handmatig radiozenders zoeken N.B. De radio stelt automatisch een radiozenderlijst13 op, maar u kunt ook handmatig radiozenders zoeken. Weergave van de zenderlijst met de best doorkomende signalen in het huidige gebied behoort tot de fabrieksinstellingen van de radio (zie het gedeelte “Zenderlijst”). Weergave van de zenderlijst met de best doorkomende signalen bij het draaien aan TUNE (zie gedeelte Radiozenderlijst (p.
11 Audio en media Radiozenders als voorkeurzenders opslaan Vaak beluisterde radiozenders kunt u opslaan als voorkeurzenders, zodat u er eenvoudig op kunt afstemmen. 2. Houd een van de sneltoetsen enkele seconden ingedrukt. Het geluid verdwijnt zolang maar keert terug wanneer de zender opgeslagen is. De sneltoets is vervolgens te gebruiken. N.B. U kunt een lijst met voorkeurzenders tonen op het display14.
11 Audio en media RDS-functies Met RDS kan de radio automatisch naar de sterkste zender schakelen. RDS biedt de mogelijkheid om bijvoorbeeld verkeersinformatie (TP) te ontvangen en naar bepaalde soorten programma's te zoeken (PTY). RDS (Radio Data System) verbindt FM-zenders in een netwerk met elkaar.
11 Audio en media Alarm bij ernstige ongelukken en calamiteiten De functie wordt gebruikt om de bevolking attent te maken op ernstige ongelukken of calamiteiten. De melding ALARM! verschijnt op het display, wanneer er een alarmmelding wordt verzonden. 11 U kunt de functie alarm niet tijdelijk onderbreken of deactiveren. Gerelateerde informatie • RDS-functies (p.
11 Audio en media Nieuwsuitzendingen Radioprogrammatypes (PTY) Bij activering van deze functie wordt de weergave van de actieve geluidsbron onderbroken voor een nieuwsuitzending via het RDS-netwerk van de zender waarop is afgestemd. Met de functie PTY kunt u radiokanalen met een of meer radioprogrammatypes (zoals pop en klassiek) kiezen. Wanneer u een bepaald programmatype hebt gekozen, navigeert u uitsluitend binnen de kanalen die programma’s van het gekozen type uitzenden.
11 Audio en media Radioprogrammatypes PTY zoeken Bij activering van deze functie wordt de gehele frequentieband doorzocht op radiouitzendingen van het gekozen programmatype. 1. Kies in stand FM een of meer PTY onder FM-menu Geavanceerde instellingen PTY-instellingen PTY kiezen. 11 2. Ga naar FM-menu Geavanceerde instellingen PTY-instellingen PTY zoeken. Druk op EXIT om te stoppen met zoeken. – • Sommige radiozenders versturen informatie over programmatype en programmacategorie.
11 Audio en media Radiotekst Sommige RDS-zenders geven informatie door over de inhoud van de uitzendingen, uitvoerende artiesten e.d. Deze informatie kan op het beeldscherm16 worden weergegeven. Er kan radiotekst worden weergegeven voor FMen DAB-radio. Automatische radio-afstemfunctie (AF) De functie stemt af op het best doorkomende zendersignaal voor de beluisterde radiozender. Radiotekst voor FM-radio Om een sterk zendersignaal op te kunnen sporen moet de functie soms de gehele FMband doorzoeken.
11 Audio en media 11 Radiofrequentieband doorzoeken RDS-functies resetten Digitale radio* (DAB) Er wordt automatisch naar de beschikbare radiokanalen gezocht, eventueel gefilterd op radioprogrammatype (PTY). Met deze kunt u alle fabrieksinstellingen voor RDS herstellen. DAB (Digital Audio Broadcasting) is een systeem voor digitale overdracht van radiosignalen. De auto biedt ondersteuning voor DAB, DAB+ en DMB. Wanneer er een zender is gevonden, wordt deze ca.
11 Audio en media • • • Digitale radio* (DAB) - frequentieband (p. 402) Radiokanalen programmeren (Groep leren) Navigeren in kanaalgroepenlijst (Ensemble) Digitale radio* (DAB) - subkanaal (p. 402) Radiokanalen programmeren (Groep leren) voor digitale radio (DAB). Navigeren in kanaalgroepenlijst (Ensemble) voor digitale radio (DAB). Wanneer de auto een nieuw zendgebied binnenrijdt dient het systeem mogelijk de gelegenheid te krijgen om de te ontvangen kanaalgroepen te programmeren.
11 Audio en media DAB naar DAB link ‘DAB naar DAB link’ houdt in dat de DABradio van een kanaal dat slecht of helemaal niet te ontvangen is kan overschakelen op hetzelfde kanaal in een andere kanaalgroep met een betere ontvangst. 11 Bij het veranderen van kanaalgroep kan enige vertraging in de geluidsweergave optreden. Vanaf het moment dat het huidige kanaal verdwijnt en het nieuwe kanaal toegankelijk wordt kan het geluid dan ook enige tijd stilvallen.
11 Audio en media Digitale radio* (DAB) - resetten Mediaspeler Met deze kunt u alle fabrieksinstellingen voor DAB herstellen. De mediaspeler kan geluids- en videobestanden op CD/DVD* (p. 404) en extern aangesloten geluidsbronnen weergeven via de AUX-/USB* (p. 407)-ingang of geluidsbestanden draadloos ‘streamen’ (p. 411) op externe eenheden met Bluetooth®. Met behulp van bepaalde mediaspelers kunt u tv (p. 435)* kijken en communiceren met een mobiele telefoon (p. 416)* via Bluetooth®.
11 Audio en media 11 Cd/Dvd* Vooruit-/achteruitspoelen De mediaspeler kan voorbespeelde en zelfgebrande cd’s/dvd’s18 afspelen. U kunt audio- en videobestanden voor- en achteruitspoelen.19 De mediaspeler ondersteunt de volgende soorten discs en bestanden en kan deze met andere woorden afspelen: / ingedrukt om audioHoud de knop of videobestanden vooruit/achteruit te spoelen. • • Voor audiobestanden geldt één snelheid, terwijl videobestanden op meerdere snelheden voor- en achteruit te spoelen zijn.
11 Audio en media Afspelen en navigeren bij DVD Video Navigeren in eigen menu DVD Video Video21 Tijdens het afspelen van een DVD verschijnt er mogelijk een discmenu op het display. Via het discmenu hebt u toegang tot extra functies en instellingen om bijvoorbeeld ondertitels, geluidstracks, scènes te kiezen. Wisselen van hoofdstuk is ook mogelijk door / op de middenconte drukken op sole of op de toetsenset* op het stuurwiel.
11 Audio en media Camerahoek bij het afspelen van DVD Video Met deze functie kunt u, op voorwaarde dat de DVD Video dit ondersteunt, aangeven vanuit welke camerapositie een bepaalde scène moet worden weergegeven22. 11 Ga in de stand DISC naar Diskmenu Geavanceerde instellingen Hoek. Gerelateerde informatie • Audiosysteem en media - systeem bedienen (p. 384) • Afspelen en navigeren bij DVD Video (p.
11 Audio en media Mediaspeler - compatibele bestandsformaten Compatibele bestandsformaten via USB-aansluiting Externe geluidsbron via AUX/USB*ingang De mediaspeler kan tal van bestandstypen afspelen en is compatibel met de formaten in de volgende tabellen. Het systeem biedt ondersteuning voor de audio- en videoformaten in de onderstaande tabel bij weergave via de USB-aansluiting. Op de geluidsinstallatie kan een externe geluidsbron, bijvoorbeeld een iPod® of mp3speler, worden aangesloten.
11 Audio en media || apparaat aangesloten is op de USB-aansluiting. USB-geheugen 11 Om het gebruik van een USB-geheugen te vereenvoudigen is het beter alleen muziekbestanden in het geheugen op te slaan. Het inlezen duurt aanzienlijk langer, wanneer er behalve compatibele muziekbestanden nog andere bestanden op het opslagmedium staan. N.B. Het systeem biedt ondersteuning voor draagbare media die werken met USB 2.
11 Audio en media Externe geluidsbron via AUX/USB*ingang aansluiten Via een van de aansluitingen in de middenconsole is het mogelijk een externe geluidsbron (zoals een iPod® of mp3-speler) aan te sluiten op het audiosysteem. De tekst USB wordt gelezen verschijnt op het display, terwijl het systeem de bestanden op het opslagmedium inleest. Afhankelijk van de bestandsstructuur en het aantal bestanden kan het enige tijd duren voordat alles ingelezen is. N.B.
11 Audio en media || 11 wordt automatisch van map gewisseld28, wanneer alle bestanden in een de actuele map afgespeeld zijn. Het systeem registreert automatisch of er een eenheid met alleen audiobestanden of alleen videobestanden op de USB-aansluiting wordt aangesloten, past de instellingen aan en speelt de bestanden vervolgens af.
11 Audio en media Geluidssterkte instellen voor externe geluidsbron Met deze functie kunt u het volume instellen voor een externe geluidsbron. Als het volume te hoog of te laag staat, kan de geluidskwaliteit achteruitgaan. Gerelateerde informatie • Audio en media - geavanceerde audioinstellingen (p. 389) • Audio en media - menufuncties (p. 386) Media Bluetooth®* De mediaspeler (p.
11 Audio en media || Wanneer er een mobiele telefoon is aangesloten op de auto, kunt u tevens bepaalde mobieltelefoonfuncties op afstand bedienen, Bluetooth®-handsfreesysteem (p. 416). Wissel tussen de hoofdbronnen TEL en MEDIA om de functies van de desbetreffende bronnen te gebruiken. N.B. 11 Bluetooth®-mediaspelers moeten ondersteuning bieden voor de profielen Audio/ Video Remote Control Profile (AVRCP) en Advanced Audio Distribution Profile (A2DP). De speler dient AVRCP versie 1.3 en A2DP 1.
11 Audio en media foon en een media-eenheid en u kunt van eenheid wisselen (p. 415). U kunt tevens gebruik maken van de telefoon, terwijl u via ‘streaming audio’-bestanden beluistert. Gerelateerde informatie • Audiosysteem en media - systeem bedienen (p. 384) • • Media Bluetooth®* (p. 411) Bluetooth®-handsfreesysteem (p. 416) Bluetooth®*-eenheid registreren Bluetooth®-eenheden U kunt twee tegelijk hebben aangesloten. Bijvoorbeeld een telefoon en een media-eenheid en u kunt van eenheid wisselen.
11 Audio en media || 2. Druk op OK/MENU en volg de aanwijzingen op het display in de auto. > De externe eenheid is daarmee aangesloten op de auto en kan via de auto worden bediend. 11 Als de aansluiting is mislukt, drukt u twee keer op EXIT en sluit u aan volgens Alternatief 2. Alternatief 2 - Auto zoeken met het Bluetooth®-systeem van de externe eenheid 1. Maak de auto identificeerbaar/zichtbaar via Bluetooth®.
11 Audio en media Andere Bluetooth®*-eenheid kiezen Als er meerdere aangesloten eenheden in de auto aanwezig zijn, kunt u van eenheid wisselen. De eenheid moet eerst gekoppeld (p. 415) zijn aan de auto. Andere media-eenheid kiezen 1. Controleer of de externe eenheid identificeerbaar/zichtbaar is via Bluetooth® (zie de gebruiksaanwijzing bij de externe eenheid). 2. Druk op MEDIA, kies Bluetooth en daarna Ander apparaat. > De auto zoekt naar eerder aangesloten eenheden.
11 Audio en media || N.B. Ook als de mobiele telefoon handmatig wordt losgekoppeld, kunnen bepaalde mobiele telefoons automatisch opnieuw verbinding maken met de laatst aangesloten handsfree-eenheid, bijvoorbeeld bij het starten van een nieuw gesprek. 11 Gerelateerde informatie • Audiosysteem en media - systeem bedienen (p. 384) • Bluetooth®*-eenheid aansluiten en loskoppelen (p. 412) • • Media Bluetooth®* (p. 411) Bluetooth®-handsfreesysteem (p.
11 Audio en media Activeren Bij kort indrukken van TEL activeert/zoekt u de laatst aangesloten telefoon. Als er al een telefoon is aangesloten, verschijnt er bij het indrukken van TEL een snelmenu met de meest gebruikelijke menu-opties voor de telegeeft aan dat er foon. Het symbool telefoon is aangesloten. • Bluetooth®-handsfreesysteem - audioinstellingen (p. 419) • Bluetooth®*-handsfreesysteem overzicht Informatie Bluetooth®-versie (p. 419) Systeemoverzicht voor het Bluetooth®*-handsfreesysteem.
11 Audio en media Gespreksfuncties Gesprekslijsten Gespreksfuncties en aanverwante functies. De gesprekslijsten worden bij iedere nieuwe aansluiting naar het handsfree-systeem gekopieerd en worden vervolgens tijdens de aansluiting bijgehouden. Draai in de normaalweergave TUNE linksom om de gesprekslijst voor Alle gesprekken te zien. • Audiosysteem en media - systeem bedienen (p. 384) • Stembediening* mobiele telefoon - contactpersoon bellen (p.
11 Audio en media Bluetooth®-handsfreesysteem audio-instellingen Het is mogelijk het telefoongespreksvolume, het volume van het audiosysteem, het beltoonvolume aan te passen en van beltoon te veranderen. Belsignalen In de telefoonstand kunt u een van de ingebouwde beltonen van het handsfree-systeem kiezen onder Telefoonmenu Telefooninstellingen Geluiden en volume Beltonen Belsignaal 1 enz. Tel.-gespreksvol. N.B. Het gespreksvolume is alleen tijdens een gesprek te wijzigen.
11 Audio en media Telefoonboek N.B. Er zijn twee telefoonboeken. Deze worden in de auto samengevoegd en als één gemeenschappelijk telefoonboek in de auto getoond. • 11 • Bij wijzigingen van een post in het telefoonboek van de mobiele telefoon vanuit het telefoonsysteem in de auto, wordt er een nieuwe post in het telefoonboek van de auto aangemaakt. De wijziging wordt met andere woorden niet opgeslagen in de mobiele telefoon. In de auto ziet u vervolgens dubbele posten, met verschillende icoontjes.
11 Audio en media Telefoonboek - contactpersonen snel zoeken Draai in de normaalweergave TUNE rechtsom voor een lijst met contactpersonen. Draai aan TUNE om een contactpersoon te kiezen en druk op OK/MENU om te bellen. Onder de naam van de contactpersoon staat het telefoonnummer dat als standaardnummer is gekozen. Als rechts van de contactpersoon het symbool > staat, zijn er meerdere telefoonnummers van de contactpersoon opgeslagen. Druk op OK/MENU om de nummers weer te geven.
11 Audio en media || Toets Functie +0pw Telefoonboek - contactpersonen zoeken Contactgegevens zoeken in telefoonboek. #* Gerelateerde informatie 11 • Audiosysteem en media - systeem bedienen (p. 384) • • Bluetooth®-handsfreesysteem (p. 416) • • 422 Telefoonboek (p. 420) • Telefoonboek - nieuw contactpersoon (p. 423) • • • • Telefoonboek - sneltoets (p. 425) 36 1. Draai aan36 TUNE tot de gewenste letter verschijnt en druk ter bevestiging op OK/ MENU.
11 Audio en media 123/ABC Met OK/MENU kunt u wisselen tussen cijfers en letters. Gerelateerde informatie • Overige Met OK/MENU kunt u overschakelen op de invoer van speciale tekens. Audiosysteem en media - systeem bedienen (p. 384) • • • Bluetooth®-handsfreesysteem (p. 416) • Telefoonboek - contactpersonen snel zoeken (p. 421) • Telefoonboek - nieuw contactpersoon (p. 423) Opent het telefoonboek (3).
11 Audio en media || 1. Druk, wanneer de regel Naam gemarkeerd staat, op OK/MENU om de invoerstand te openen (bovenstaande afbeelding). 11 2. Draai aan37 TUNE tot de gewenste letter verschijnt en druk ter bevestiging op OK/ MENU. Ook de cijfer- en lettertoetsen van het bedieningspaneel op de middenconsole zijn te gebruiken. 3. Ga verder met de volgende letter enz. In het invoerveld (2) op het display staat de ingevoerde naam.
11 Audio en media Telefoonboek - sneltoets Telefoonboek - vCard ontvangen Telefoonboek - geheugenstatus Als sneltoets opslaan om een nummer of contactpersoon eenvoudig te kunnen bellen. Ontvang elektronische visitekaartjes (vCard) voor het telefoonboek van de auto. Zie de geheugenstatus van het telefoonboek. In de telefoonstand kunt u snelnummers opslaan onder Telefoonmenu Telefoonboek Verkort kiezen.
11 Audio en media Telefoonboek - wissen Het ingebouwde telefoonboek (p. 420) wissen. Het is mogelijk het telefoonboek van de auto te wissen; u doet dat in de telefoonstand onder Telefoonmenu Telefoonboek Telefoonboek wissen . 11 N.B. • • Telefoonboek - vCard ontvangen (p. 425) Stembediening* mobiele telefoon Telefoonboek - geheugenstatus (p.
11 Audio en media WAARSCHUWING Als bestuurder bent u er altijd verantwoordelijk voor dat u de auto op een veilige manier bestuurt en de geldende verkeersregels in acht neemt. De stembedieningsfunctie biedt u de mogelijkheid om bepaalde functies van een mobiele telefoon met Bluetooth®-aansluiting of van Volvo’s navigatiesysteem met uw stem te bedienen, zonder daarvoor uw handen van het stuur te hoeven nemen.
11 Audio en media || Gerelateerde informatie 11 • Audiosysteem en media - systeem bedienen (p. 384) • Bluetooth®*-handsfreesysteem - overzicht (p. 417) • Bluetooth®*-eenheid aansluiten en loskoppelen (p. 412) • Taalkeuze voor stembediening* mobiele telefoon (p. 428) • Hulpfuncties voor stembediening* mobiele telefoon (p. 428) • Stembediening* mobiele telefoon gebruikersinstelling en stemvolume (p. 429) • Spraakherkenning* mobiele telefoon stemcommando’s (p.
11 Audio en media • Druk op de knop voor stembediening (p. 384) en zeg ‘Steminstructies’. • Activeer de instructiefunctie in het menusysteem MY CAR onder Instellingen Spraakinstellingen Spraakintroductie. Voor een beschrijving van het menusysteem, zie MY CAR (p. 106). De instructie is opgesplitst in 3 lessen, die in totaal zo’n 5 minuten duren. De functie start met de eerste les. Om een les over te slaan en naar de volgende te gaan, kunt u op de knop voor stembediening drukken en ‘Volgende’ zeggen.
11 Audio en media Spraakherkenning* mobiele telefoon stemcommando’s Het is mogelijk om de mobiele telefoon met vooraf gedefinieerde stemcommando’s met de stem te bedienen. 11 U start een dialoog met stemcommando’s door te drukken op de knop voor spraakherkenning (p. 426). Zodra een dialoog gestart is, verschijnen veelvoorkomende commando’s op het display. Grijs gearceerde teksten of teksten tussen haakjes maken geen deel uit van het stemcommando.
11 Audio en media Stembediening* mobiele telefoon nummer bellen U kunt als volgt een telefoonnummer aangeven via de stembediening van de mobiele telefoon. De functie begrijpt de cijfers 0 (nul) tot en met 9 (negen). Het nummer is aan te geven door de cijfers van het nummer elk afzonderlijk uit te spreken, in groepjes te verdelen of in één keer achter elkaar te noemen. Getallen groter dan 9 (negen) kan de functie niet hanteren. Zo kunt u 10 (tien) of 11 (elf) niet gebruiken.
11 Audio en media Stembediening* mobiele telefoon contactpersoon bellen U kunt de stembediening gebruiken om een contactpersoon te bellen. Met het onderstaande dialoog kunt u de geprogrammeerde contactpersonen in uw mobiele telefoon bellen. 11 Gebruiker start de dialoog door het zeggen van: Telefoon > bel contact • Audiosysteem en media - systeem bedienen (p. 384) • Spraakherkenning* mobiele telefoon stemcommando’s (p.
11 Audio en media Opslaan als favoriet Afspelen en navigeren bij cd’s/dvd’s* Weergave onderbreken (pauzeren) Sla veelgebruikte functies op onder favorieten. De functie is eenvoudig te starten met een druk op de knop FAV. Voor elementaire afspeel- en navigatiefuncties, zie Audiosysteem en media - systeem bedienen (p. 384). Hier volgt een gedetailleerde beschrijving. Als het volume wordt uitgedraaid of MUTE wordt ingedrukt, pauzeert de mediaspeler.
11 Audio en media 11 • Afspelen en navigeren bij DVD Video (p. 405) • • Vooruit-/achteruitspoelen (p. 404) Afspelen en navigeren bij zelfgebrande schijven met audio-/ videobestanden Tracks of audiobestanden scannen (p. 435) Afspelen en navigeren bij zelfgebrande schijven met audio-/videobestanden40. • Willekeurige afspeelvolgorde tracks of audiobestanden (p. 404) • Mediaspeler - compatibele bestandsformaten (p. 407) N.B. Videoweergave is uitsluitend mogelijk wanneer de auto stilstaat.
11 Audio en media • • Vooruit-/achteruitspoelen (p. 404) Tracks of audiobestanden scannen TV - instelling* Tracks of audiobestanden scannen (p. 435) • Willekeurige afspeelvolgorde tracks of audiobestanden (p. 404) Bij activering van deze functie worden van elk(e) track/audiobestand42 de eerste tien seconden weergegeven. • Mediaspeler - compatibele bestandsformaten (p. 407) Tv-weergave is uitsluitend mogelijk wanneer de auto stilstaat. Wanneer de auto sneller rijdt dan ca.
11 Audio en media || N.B. Tv-weergave is uitsluitend mogelijk wanneer de auto stilstaat. Wanneer de auto sneller rijdt dan ca. 6 km/h, verschijnt er geen beeld en staat Geen visuele media tijdens het rijden op het beeldscherm. Het geluid wordt echter wel weergegeven. Het beeld komt terug wanneer de auto tot stilstand is gekomen. 11 N.B. De ontvangst hangt niet alleen af van de signaalsterkte maar ook van de signaalkwaliteit.
11 Audio en media Tv*-kanalen zoeken/Voorkeurslijst Wanneer u op tv-kanalen zoekt, worden alle beschikbare kanalen in een voorkeurslijst opgeslagen. 1. Druk in stand TV op OK/MENU. 2. Draai aan TUNE totdat u TV-menu bereikt en druk op OK/MENU. 3. Draai aan TUNE totdat u Land kiezen bereikt en druk op OK/MENU. > Als er eerder een of meer landen werden geselecteerd, dan verschijnen deze in een lijst. 4. Draai aan TUNE totdat u Andere landen bereikt of een van de eerder gekozen landen. Druk op OK/MENU.
11 Audio en media || een nieuwe zoekopdracht om een nieuwe voorkeurslijst op te slaan. 1. Druk in stand TV op OK/MENU. 2. Draai aan TUNE totdat u TV-menu bereikt en druk op OK/MENU. 11 3. Draai aan TUNE totdat u Autostore bereikt en druk op OK/MENU. > Er wordt automatisch gezocht naar de beschikbare tv-kanalen. Deze zoekopdracht duurt even. Tijdens het zoeken wordt het beeld weergegeven van alle kanalen die zijn gevonden en als voorkeurskanaal worden vastgelegd.
11 Audio en media Teletekst* Ontvangst van tv* - kanaalwegval Afstandsbediening* U kunt als volgt teletekst bekijken: Als de signalen van het bekeken tv-kanaal wegvalt, bevriest het beeld. Wanneer er opnieuw signalen binnenkomen, is er weer bewegend beeld. De afstandsbediening is te gebruiken voor alle functies van het audio- en mediasysteem. De knoppen op de afstandsbediening hebben dezelfde functies als de knoppen op de middenconsole of de stuurtoetsen. Ga als volgt te werk: 1.
11 Audio en media || F. Richt de afstandsbediening vervolgens op de IR-ontvanger, die rechts van de knop (p. 384) INFO op de middenconsole zit. WAARSCHUWING Bewaar losse voorwerpen, zoals een mobiele telefoon, camera, afstandsbediening voor extra uitrusting e.d., in het dashboardkastje of andere opbergruimten. Bij krachtig afremmen of een botsing kunnen deze anders inzittenden verwonden. 11 N.B.
11 Audio en media Toets Functie Omhoog/omlaag Naar rechts/links Keuze bevestigen of menusysteem voor gekozen bron openen Volume verlagen Volume verhogen 0–9 Voorkeurskanalen kiezen, cijfers/letters invoeren Gerelateerde informatie • Audiosysteem en media - systeem bedienen (p. 384) • Afstandsbediening* (p. 439) Afstandsbediening* - batterij vervangen Hoe u de batterijen in de afstandsbediening voor het audio- en mediasysteem vervangt N.B.
11 Audio en media || N.B. Lege batterijen moet u op een milieuvriendelijke manier inzamelen. Gerelateerde informatie • Afstandsbediening* (p. 439) 11 Audio en media - menu-overzicht Menu-overzicht - AM Overzicht van mogelijke opties en instellingen voor het audio- en mediasysteem. Overzicht van mogelijke opties en instellingen voor AM-radio. RADIO • • • Hoofdmenu AM Zie pagina Menu-overzicht - FM (p. 443) Presets weergeven (p. 394) Menu-overzicht - digitale radio (DAB)* (p.
11 Audio en media Gerelateerde informatie • • Audio en media - menu-overzicht (p. 442) Audio en media - menufuncties (p. 386) Menu-overzicht - FM Alle FM-instellingen resetten Overzicht van mogelijke opties en instellingen voor FM-radio. Hoofdmenu FM1/FM2 Zie pagina TP (p. 396) Radiotekst tonen (p. 399) Presets tonen Zie voetnoot Audio-instellingen Klankpodium Equalizer (p. 394) (p. 400) Nieuws-instellingen (p.
11 Audio en media Menu-overzicht - digitale radio (DAB)* Alle DAB-instellingen resetten Overzicht van mogelijke opties en instellingen voor DAB-radio*. 11 Hoofdmenu DAB1*/DAB2* Zie pagina Ensemble programmeren (p. 401) PTY-filter (p. 397) PTY-filter uitschakelen Audio-instellingen Klankpodium Presets tonen (p. 394) Equalizer Volumecompensatie Alle audio-instellingen resetten Zie voetnoot A (p. 400) Subkanalen PTY-tekst weergeven 444 A B C Geavanceerde instellingen DAB-band (p.
11 Audio en media Volumecompensatie Alle audio-instellingen resetten A B C (p. 390) (p. 389) Menu-overzicht - CD Audio Menu-overzicht - DVD Video Overzicht van mogelijke opties en instellingen voor CD Audio. Overzicht van mogelijke opties en instellingen voor DVD Video44. Geldt alleen voor High Performance Multimedia en Premium Sound Multimedia. Geldt alleen voor Premium Sound Multimedia. Geldt niet voor Performance. Gerelateerde informatie • • Audio en media - menu-overzicht (p.
11 Audio en media || Volumecompensatie Alle audio-instellingen resetten (p. 389) Gerelateerde informatie • • Audio en media - menu-overzicht (p. 442) Audio en media - menufuncties (p. 386) Menu-overzicht - iPod Overzicht van mogelijke opties en instellingen voor iPod®45. Geldt alleen voor High Performance Multimedia en Premium Sound Multimedia. A 11 (p. 390) Pop-upmenuA*video en tv* Druk op OK/MENU terwijl u een videobestand afspeelt of tv* kijkt om het pop-upmenu te openen.
11 Audio en media Menu-overzicht - USB Equalizer Overzicht van mogelijke opties en instellingen voor USB46. Hoofdmenu USBA Zie pagina Afspelen (p. 409) Zie voetnoot C Volumecompensatie Alle audio-instellingen resetten Pause Stop (p. 409) Willekeurig (p. 404) Map herhalen (p. 409) USB-apparaat kiezen (p. 407) Volgende titel (p. 409) Volgende audiotrack (p. 409) Scan (p. 435) Audio-instellingen (p. 389) Klankpodium (p. 390) (p. 390) A B C (p. 390) (p.
11 Audio en media || Volumecompensatie Alle audio-instellingen resetten 11 A B C (p. 390) (p. 389) Menu-overzicht - AUX Overzicht van mogelijke opties en instellingen voor AUX. Geldt niet voor Performance. Geldt alleen voor Premium Sound Multimedia. Geldt niet voor Performance. Zie pagina AUX-ingangsvolume (p. 411) Hoofdmenu Bluetooth®handsfreeA (Telefoonmenu) Zie pagina Audio-instellingen (p. 389) Bellijst (p. 418) Audio en media - menu-overzicht (p.
11 Audio en media Verkorte nummers vCard ontvangen Geheugenstatus Telefoonboek wissen (p. 425) Automatisch opnemen (p. 425) Voicemailnummer (p. 425) (p. 426) Telefoon wijzigen (p. 415) Bluetooth-apparaat verwijderen (p. 416) Telefoon uit A (p. 418) Menu-overzicht - tv Overzicht van mogelijke opties en instellingen voor tv*. (p. 418) (p. 415) Geldt niet voor Performance. Gerelateerde informatie • • Hoofdmenu TV* Zie pagina Land kiezen (p. 437) Presets sorteren (p. 437) Autostore (p.
11 Audio en media || Pop-upmenuA*video en tv* Druk op OK/MENU terwijl u een videobestand afspeelt of tv* kijkt om het pop-upmenu te openen. 11 Zie pagina Beeldinstellingen (p. 406) Bronmenu (p. 386) Zie voetnoot B DVD-hoofdmenu Zie voetnoot DVD-hoofdmenuC A B C (p. 405) C (p. 405) Geldt alleen bij het weergeven van videobestanden en het kijken van tv.
SPECIFICATIES
12 Specificaties Type-aanduidingen Positie van stickers en plaatjes 12 452 Type-aanduiding, chassisnummer e.d. (voertuigspecifieke informatie) staan aangegeven op een sticker in de auto.
12 Specificaties Wanneer u contact opneemt met uw erkende Volvo-werkplaats of vervangende onderdelen of accessoires wilt bestellen, kan het handig zijn om de type-aanduiding, het chassisnummer en het motornummer bij de hand te hebben. Type-aanduiding, chassisnummer, maximaal toelaatbaar gewicht, kleurcodes voor lak en bekleding en typegoedkeuringsnummer. Bij het openen van het rechter achterportier is de sticker zichtbaar. Sticker voor A/C-systeem. Sticker voor standverwarming. N.B.
12 Specificaties Maten In de tabel ziet u de maten van de auto wat de lengte, hoogte e.d. betreft. 12 Maten mm A Wielbasis 2647 B Lengte 4369 C 454 Laadlengte, vloer, achterbank neergeklapt D Laadlengte, vloer E Hoogte F Laadhoogte 1508 G H Maten mm Spoorbreedte vooras 1546A Spoorbreedte achteras Maten mm J Breedte 1802 1551B K Breedte incl. buitenspiegels 2041 1559C L Breedte incl.
12 Specificaties Gewichten Het maximale totaalgewicht staat aangegeven op een sticker in de auto. Bij het rijklaar gewicht zijn het gewicht van de bestuurder, dat van de brandstoftank die voor 90 % gevuld is en dat van de resterende oliën/vloeistoffen inbegrepen. Het gewicht van de passagiers en de gemonteerde accessoires alsmede de kogeldruk (p. 456) (bij gebruik van een aanhanger) zijn van invloed op het laadvermogen en zijn niet inbegrepen bij het rijklaar gewicht.
12 Specificaties Trekgewicht en kogeldruk Het trekgewicht en de kogeldruk voor het rijden met een aanhanger staan in de tabellen. Max. gewicht geremde aanhanger 12 A 456 Motor MotorcodeA Versnellingsbak Max. gewicht geremde aanhanger (kg) Max.
12 Specificaties Max. gewicht ongeremde aanhanger Motor MotorcodeA Versnellingsbak Max. gewicht ongeremde aanhanger (kg) Max.
12 Specificaties Motorspecificaties N.B. De motorspecificaties (vermogen enz.) voor de verschillende motoralternatieven staan in de tabel. 12 Niet alle motoren zijn verkrijgbaar op alle markten.
12 Specificaties Motorolie - ongunstige rijomstandigheden BELANGRIJK Om aan de vereisten voor de gespecificeerde service-intervallen te voldoen worden alle motoren in de fabriek gevuld met een speciaal aangepaste, synthetische motorolie. De oliesoort werd met grote zorg geselecteerd lettend op de levensduur van de motor, de startgewilligheid, het brandstofverbruik en de milieu-impact. In ongunstige rijomstandigheden kunnen de olietemperatuur en het olieverbruik abnormaal toenemen.
12 Specificaties Motorolie - kwaliteit en hoeveelheid De geadviseerde motoroliekwaliteit en de hoeveelheid voor de verschillende motoralternatieven staan in de tabel. Volvo adviseert: 12 Motor MotorcodeA Oliekwaliteit Hoeveelheid, incl. oliefilter (liter) T2 B4164T4 In de fabriek bijgevulde en gecertificeerde olie: Oliekwaliteit WSS-M2C925-A ca. 4,1 T3 B4164T3 alternatief tijdens servicebeurt: ca. 4,1 T4 B4164T Oliekwaliteit: ACEA A5/B5 Viscositeit: SAE 5W-30 ca.
12 Specificaties Motor MotorcodeA Oliekwaliteit Hoeveelheid, incl. oliefilter (liter) A D3 D5204T6 Oliekwaliteit: ACEA A5/B5 ca. 5,9 D4 D5204T4 Viscositeit: SAE 0W–30 ca. 5,9 T4 B5204T8 Oliekwaliteit: ACEA A5/B5 ca. 5,5 T5 B5204T9 Viscositeit: SAE 0W–30 ca. 5,5 T5 B5254T12 ca. 5,5 T5 B5254T14 ca. 5,5 12 Motorcode, onderdeel- en serienummer van de motor vindt u op de motor, zie Type-aanduidingen (p. 452). Gerelateerde informatie • Motorolie - ongunstige rijomstandigheden (p.
12 Specificaties Koelvloeistof - kwaliteit en hoeveelheid Gerelateerde informatie • In de tabel ziet u de aan te houden hoeveelheid koelvloeistof voor de verschillende motortypes. Voorgeschreven kwaliteit: Door Volvo aanbevolen koelvloeistof aangelengd met 50 % water1, zie verpakking.
12 Specificaties Transmissieolie - kwaliteit en hoeveelheid De voorgeschreven transmissieolie en de hoeveelheid voor de verschillende versnellingsbakopties staan in de tabel. Handgeschakelde versnellingsbak Handgeschakelde versnellingsbak Hoeveelheid (liter) B6 1,6 M66 1,9 Voorgeschreven versnellingsbakolie BOT 350M3 Automatische versnellingsbak Automatische versnellingsbak 12 Hoeveelheid (liter) Voorgeschreven versnellingsbakolie TF-80SD 7,0 AW1 MPS6 7,3 BOT 341 N.B.
12 Specificaties 12 Remvloeistof - kwaliteit en hoeveelheid Sproeiervloeistof - kwaliteit en hoeveelheid Remvloeistof is de naam van het middel in een hydraulisch remsysteem, dat wordt gebruikt om kracht over te brengen vanuit bijvoorbeeld een rempedaal via een hoofdremcilinder naar een of meerdere hulpcilinders die op hun beurt een mechanische rem beïnvloeden. De sproeiervloeistof wordt gebruikt om samen met de voor- en achterruitwisser (p.
12 Specificaties Brandstoftank - inhoud De inhoud van de brandstof voor de verschillende motoralternatieven staan in de tabel. Motor 4-cilinder benzine Hoeveelheid (liter) Voorgeschreven kwaliteit ca. 62 Benzine: Brandstof - benzine (p. 304) 4-cilinder diesel ca. 52 Dieselolie: Brandstof - diesel (p. 305) 5-cilinder diesel ca. 60 5-cilinder benzine Gerelateerde informatie • • Brandstof tanken (p. 303) 12 Motorspecificaties (p.
12 Specificaties Airconditioning, vloeistof hoeveelheid en kwaliteit De voorgeschreven kwaliteit en de hoeveelheden van de vloeistoffen in de airco-installatie staan in de tabel. Vloeistof Compressorolie Koudemiddel WAARSCHUWING 12 In de installatie voor airconditioning zit koudemiddel R134a onder druk. Service en reparatie aan het systeem mogen uitsluitend door een erkende werkplaats worden uitgevoerd. Gerelateerde informatie • 466 Klimaatregeling - storingen opsporen en verhelpen (p.
12 Specificaties Brandstofverbruik en CO2-uitstoot Het brandstofverbruik voor een auto wordt gemeten in liter per 100 km en de CO2-uitstoot in gram per km.
12 Specificaties || 12 468 T5A (B5254T12) 268 11,5 144 6,2 189 8,1 D2B (D4162T) 100 3,8 82 3,1 88 3,4 D2C (D4162T) 107 4,1 90 3,4 96 3,7 D2B (D4162T) 115 4,4 95 3,6 102 3,9 D2C (D4162T) 116 4,4 99 3,8 105 4,0 D3 (D5204T6) 139 5,3 100 3,8 114 4,3 D3A (D5204T6) 165 6,3 108 4,1 129 4,9 D3 (D5204T6) 179 6,9 112 4,3 136 5,2 D3A (D5204T6) 179 6,8 122 4,6 143 5,4 D4 (D5204T4) 139 5,3 100 3,8 114 4,3 D4A (D5204T4) 165 6,3 108 4,1 129 4,9
12 Specificaties A B C D4 (D5204T4) 179 6,9 112 4,3 136 5,2 D4A (D5204T4) 179 6,8 122 4,6 143 5,4 Geldt alleen voor een auto met 19"-wielen. Geldt alleen voor de variant met een geringe emissie. Geldt niet voor de variant met een geringe emissie.
12 Specificaties || Er zijn grote afwijkingen in het brandstofverbruik mogelijk bij een vergelijking met de EUrijcycli2 die gehanteerd worden bij certificering van de auto en waarop de verbruikscijfers in de tabel gebaseerd zijn. Bij gebruik van brandstof met een octaangetal van 91 RON neemt het brandstofverbruik toe, terwijl het motorvermogen lager wordt. N.B.
12 Specificaties Banden - goedgekeurde bandenspanning De goedgekeurde bandenspanningen voor de verschillende motoralternatieven staan in de tabel. Motor Bandenmaat Snelheid (km/h) 195/65 R15 T2 (B4164T4) 205/55 R16 T3 (B4164T3) 205/50 R17 T4 (B4164T) 225/45 R17 D2 (D4162T) 225/40 R18 Tot 160 Belading (1–3 inzittenden) Max.
12 Specificaties || Motor Bandenmaat Snelheid (km/h) T4 (B5204T8) 205/55 R16 T5 (B5204T9) 205/50 R17 T5 (B5254T12) 225/45 R17 T5 (B5254T14) D3 (D5204T6) D4 (D5204T4) 12 225/40 R18 235/35 R19 Compact reservewiel (Temporary Spare) A B C D N.B. Gerelateerde informatie 472 Banden - maten (p. 324) Banden - bandenspanning (p. 330) Type-aanduidingen (p. 452) Max.
12 Specificaties Elektrisch systeem Het elektrische systeem is enkelpolig en gebruikt het chassis en het motorblok als geleiders. Op de auto zit een wisselstroomdynamo met spanningsregelaar. De afmetingen, het type en de prestaties van de accu zijn afhankelijk van de uitrusting in de auto en de functie.
12 Specificaties Startaccu - specificatie De startaccu wordt gebruikt om de startmotor en andere elektrische uitrusting in de auto aan te drijven.
12 Specificaties Typegoedkeuring transpondersleutelsysteem De typegoedkeuring voor het transpondersleutelsysteem staat in de tabel. Land/regio China Land/ regio Vergrendelingssysteem standaard Land/regio EU, China Typegoedkeuring - radarsysteem De typegoedkeuring voor het radarsysteem staat in de tabel. Hongkong Singapore IDA: Infocomm Development Authority of Singapore.
12 Specificaties || Gerelateerde informatie • 12 476 Radarsensor (p.
12 Specificaties Typegoedkeuring - Bluetooth® De typegoedkeuring voor Bluetooth® staat in de tabel.
12 Specificaties || Verklaring van overeenstemming (Declaration of Conformity) Land/ regio Landen binnen de EU: Exportland: Japan Producent: Alpine Electronics Inc. Type uitrusting: Bluetooth®-eenheid Breng voor meer informatie een bezoek aan http://ec.europa.eu/enterprise/rtte/faq.
12 Specificaties Land/ regio Tsjechië: Alpine Electronics, Inc. tímto prohlašuje, že tento Bluetooth® Module je ve shodě se základními požadavky a dalšími příslušnými ustanoveními směrnice 1999/5/ES. Denemarken: Undertegnede Alpine Electronics, Inc. erklærer herved, at følgende udstyr Bluetooth® Module overholder de væsentlige krav og øvrige relevante krav i direktiv 1999/5/EF. Duitsland: Hiermit erklärt Alpine Electronics, Inc.
12 Specificaties || Land/ regio Nederland: Hierbij verklaart Alpine Electronics, Inc. dat het toestel Bluetooth® Module in overeenstemming is met de essentiële eisen en de andere relevante bepalingen van richtlijn 1999/5/EG. Malta: Hawnhekk, Alpine Electronics, Inc., jiddikjara li dan Bluetooth® Module jikkonforma mal-ħtiġijiet essenzjali u ma provvedimenti oħrajn relevanti li hemm fid-Dirrettiva 1999/5/EC. Hongarije: Alulírott, Alpine Electronics, Inc.
12 Specificaties Land/ regio China: 第十三条 进口和生产厂商在其产品的说明书或使用手册中,应刊印下述有关内容 1. 标明附件中所规定的技术指标和使用范围,说明所有控制 ■ 使用频率 2.4 - 2.4835 GHz ■ 等效全向辐射 ■ 最大 率(EIRP) 率谱密度 ■ 载频容限 天线增益 天线增益 10dBi 时 10dBi 时 ≤100 mW 或≤20 dBm ① ≤20 dBm / MHz(EIRP) ① 20 ppm ■ 杂散发射(辐射) • • • • • 调整及开关等使用方法 率(对应载波±2.5 倍信道带宽以外) 12 ≤-36 dBm / 100 kHz (30 - 1000 MHz) ≤-33 dBm / 100 kHz (2.4 - 2.4835 GHz) ≤-40 dBm / 1 MHz (3.4 - 3.53 GHz) ≤-40 dBm / 1 MHz (5.725 - 5.85 GHz) ≤-30 dBm / 1 MHz (其它 1 - 12.75 GHz) 2.
12 Specificaties || Land/ regio Taiwan: 低効率電波輻射性電機管理辧法第十条 第十二條 經型式認證合格之低功率射頻電機,非經許可,公司 商號或使用者均不得擅自 變更頻率 加大功率或變更原設計之特性及功能 第十四條 低功率射頻電機之使用不得影響飛航安全及干擾合法通信;經發現有干擾現象時, 應立即停用,並改善至無干擾時方得繼續使用 前項合法通信,指依電信法規定 作業之無線電通信 低功率射頻電機須忍受合法通信或工業 科學及醫療用電波 輻射性電機設備之 干擾 12 482
12 Specificaties Land/ regio Zuid-Korea: 제품 정보 Volvo Car Korea 신청자 코드: KCC-CMM-N25-IAM21L3, KCC-CMM-N25-IAM21L2 and KCC-CMM-N25-IAM21L1 제품 명: Bluetooth Audio Navigation Radio 모델 명: IAM2.1 산 날짜: March/2010 Alpine Electronics, Inc Made in Japan 12 고객 정보 Volvo Car Korea 볼보자동차코리아 서울시 용산구 한남 2 동 726-173 볼보빌딩 4 층 볼보자동차 고객센터 1588-1777 http://www.volvocars.
12 Specificaties || Land/ regio Verenigde Arabische Emiraten: Zuid-Afrika: 12 Jamaica: Approved for use in Jamaica SMA EI: IAM2.1 Thailand: This telecommunication equipment conforms to NTC technical requirement. Oman Gerelateerde informatie • • 484 Bluetooth®-handsfreesysteem (p. 416) Media Bluetooth®* (p. 411) * Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
12 Specificaties Licenties Sensus software This software uses parts of sources from clib2 and Prex Embedded Real-time OS Source (Copyright (c) 1982, 1986, 1991, 1993, 1994), and Quercus Robusta (Copyright (c) 1990, 1993), The Regents of the University of California. All or some portions are derived from material licensed to the University of California by American Telephone and Telegraph Co. or Unix System Laboratories, Inc. and are reproduced herein with the permission of UNIX System Laboratories, Inc.
12 Specificaties || This software is based in parts on the work of the FreeType Team. This software uses parts of SSLeay Library: Copyright (C) 1995-1998 Eric Young (eay@cryptsoft.com).
12 Specificaties registered trademarks of DivX, Inc. and are used under license. ABOUT DIVX VIDEO: DivX® is a digital video format created by DivX, Inc. This is an official DivX Certified device that plays DivX video. Visit www.divx.com for more information and software tools to convert your files into DivX video. Displaysymbolen ABOUT DIVX VIDEO-ON-DEMAND: This DivX Certified® device must be registered in order to play DivX Video-on-Demand (VOD) content.
12 Specificaties || Symbool 12 488 Betekenis Zie Mistachterlicht aan (p. 65), (p. 86) Stabiliteitsregeling, DSTC; Trailer Stability Assist* (p. 65), (p. 192), (p. 315) Stabiliteitsregeling, Sport-stand (p. 65), (p. 192) Voorgloeifunctie motor (diesel) (p. 65) Laag peil in brandstoftank (p. 65), (p. 146) Informatie, lees displaymelding (p. 65) Groot licht aan (p. 65), (p. 83) Richtingaanwijzers links (p. 65) Richtingaanwijzers rechts (p.
12 Specificaties Symbool Betekenis Zie Motor- en interieurverwarming* Geactiveerde timer* Geactiveerde timer* Betekenis Zie (p. 146) Driver Alert System*; Tijd voor pauze (p. 244), (p. 245) (p. 146) Schakelindicator, handgeschakelde versnellingsbak (p. 281) Automatische schakelstanden (p. 281) (p. 146) Symbool ABL* (p. 85) Geregistreerde snelheidsinformatie* (p. 194) Accuspanning laag (p. 146) Oliepeil meten (p. 346) Actieve parkeerhulp – PAP* (p. 260) Regensensor* (p.
13 Alfabetisch register Actieve xenonkoplampen.......................... 85 A Aanbevolen kinderzitjes tabel...................................................... 44 Aanhanger............................................... kabel................................................... pendelbeweging................................. rijden met een aanhanger................... 308 308 315 308 Aanrijding................................................... 38 ACC - Adaptieve cruisecontrol................
13 Alfabetisch register Audiosysteem.......................................... 383 functies............................................... 388 overzicht............................................. 384 Automatische hervergrendeling............... 178 Automatische schakelblokkering deactiveren........................................................ 286 Automatische versnellingsbak......... 281, 284 aanhanger........................................... 309 handmatige schakelstanden (Geartronic)................
13 Alfabetisch register Claxon........................................................ 79 Clean Zone Interior Package (CZIP)........ 130 CO2-uitstoot............................................. 467 Collision Warning............................. 231, 232 algemene beperkingen....................... 238 bediening............................................ 236 Radarsensor............................... 215, 224 voetgangersdetectie........................... 235 werking.........................................
13 Alfabetisch register Extra verwarming elektrisch.................................... 147, 148 op brandstof............................... 147, 148 Gesprek functies............................................... 416 inkomend............................................ 416 Gevarendriehoek..................................... 331 Hill Start Assist........................................ 287 Hoedenplank........................................... 161 Hogedruksproeiers koplampen.................
13 Alfabetisch register Instrumentenoverzicht auto met stuur links.............................. 54 auto met stuur rechts........................... 57 Instrumentenpaneel............................. 60, 61 Instrumentenverlichting, zie Verlichting..... 81 Interieurluchtfilter..................................... 130 Interieurverlichting automatische functie............................ 90 Interieurverlichting, zie Verlichting............. 89 Interieurverwarming.................................
13 Alfabetisch register Lampen, zie Verlichting............................ 351 Lasersensor............................................. 228 Meldingen informatiedisplay................................ 105 Lastindex................................................. 324 Meldingen BLIS....................................... 270 Leren bekleding, reinigingsvoorschriften. 378 Lichtsignalen, PCC.................................. 168 Meldingen en symbolen Adaptieve cruisecontrol......................
13 Alfabetisch register MY CAR 106, 107, 108, 110, 112, 113, 114, 115, 116 Ontgrendelen met sleutelblad................. 175 Partikelfilter.............................................. 306 Ontwaseming........................................... 139 PCC, Personal Car Communicator Actieradius.................................. 169, 173 functies............................................... 166 Op afstand bediende startblokkering...... 166 Opbergmogelijkheden passagiersruimte. 150 N Nieuwsuitzendingen..
13 Alfabetisch register Regensensor.............................................. 95 Richtingaanwijzers..................................... 88 Reinigen Automatische wasstraat..................... bekleding............................................ veiligheidsgordels............................... Velgen................................................. wasstraat............................................ Rijadviezen...............................................
13 Alfabetisch register Slijtage-indicator...................................... 322 Stadslichten vóór en achterlichten............ 81 Stuurslotfout............................................ 278 Slot kinder-.................................................. 42 Start/Stop................................................ 287 Functie en bediening.......................... 288 motorafslag werkt niet........................ 290 Stuurwiel....................................................
13 Alfabetisch register tankvulklep, handmatig openen......... 303 tankvulklep, vergrendeling.................. 182 Telefoon aansluiten........................................... bellen.................................................. gesprekken aannemen....................... handsfree............................................ inkomend gesprek.............................. spraakherkenning............................... telefoonboek....................................... telefoonboek, snelkoppeling.....
13 Alfabetisch register Vergrendeling handmatig vergrendelen..................... 178 ontgrendelen............................... 177, 179 vergrendelen....................................... 177 Vergrendelingsindicatie .................. 164, 165 Verkeersbordinformatie........................... 194 bediening............................................ 194 Beperkingen....................................... 196 Verkeersinformatie (TP) ........................... 396 13 Verlichting..........................
13 Alfabetisch register Lage oliedruk........................................ parkeerrem ingeschakeld..................... storing in remsysteem.......................... Waarschuwing...................................... 67 67 67 67 Servicestand....................................... 359 vervangen........................................... 359 Wissers en -sproeiers................................ 95 Waarschuwingssymbolen.............. 61, 63, 67 Warmtereflecterende voorruit....................
13 Alfabetisch register 13 502
Volvo Car Corporation TP 16775 (Dutch), AT 1348, Printed in Sweden, Göteborg 2013, Copyright © 2000-2013 Volvo Car Corporation