WEB EDITION GEBRUIKERSHANDLEIDING
BESTE VOLVO-BEZITTER, DANK U DAT U GEKOZEN HEBT VOOR VOLVO! Wij hopen dat u jarenlang rijplezier van uw Volvo zult hebben. Bij het ontwerp hebben veiligheid en comfort van u en uw passagiers vooropgestaan. Een Volvo is een van de veiligste auto’s ter wereld. Uw Volvo is ook ontworpen om aan alle geldende veiligheidsvoorschriften en milieueisen te voldoen.
Inhoud 01 Inleiding Bedieningsinformatie................................ Gebruikershandleiding lezen..................... Digitale gebruikershandleiding in auto...... Vastlegging van gegevens........................ Accessoires en extra uitrusting................. Informatie op internet................................ Volvo ID..................................................... Milieubeleid van Volvo Car Corporation... Milieu-aspecten van het instructieboekje. Gelaagd glas.................................
Inhoud 03 Instrumenten, schakelaars en bediening Instrumenten en bediening, auto met stuur links - overzicht................................ Instrumenten en bediening, auto met stuur rechts - overzicht............................. Instrumentenpaneel.................................. Instrumentenpaneel, analoog - overzicht. Instrumentenpaneel, digitaal - overzicht... Eco guide & Power guide*........................ Instrumentenpaneel - betekenis controlesymbolen..............................................
Inhoud 04 Klimaat Algemene informatie over de klimaatregeling...................................................... Werkelijke temperatuur........................... Sensoren - klimaat.................................. Luchtkwaliteit.......................................... Luchtkwaliteit - interieurfilter................... Luchtkwaliteit - Clean Zone Interior Package (CZIP)*............................................ Luchtkwaliteit - IAQS*............................. Luchtkwaliteit - materialen.......
Inhoud 06 Sloten en alarm Transpondersleutel................................. 160 Transpondersleutel - verlies ................... 160 Transpondersleutel - personalisering*.... 161 Vergrendelen/ontgrendelen - indicatie.... 162 Elektronische startblokkering.................. 163 Op afstand bediende startblokkering met opsporingssysteem*............................... 163 Transpondersleutel - functies................. 164 Transpondersleutel - bereik....................
Inhoud 07 Rijhulp Actief chassis - FOUR-C*....................... Elektronische stabiliteitsregeling (ESC) algemeen................................................ Elektronische stabiliteitsregeling (ESC) bediening................................................ Elektronische stabiliteitsregeling (ESC) symbolen en meldingen.......................... Verkeersbordinformatie (RSI)*................. Verkeersbordenherkenning (RSI)* bediening................................................
Inhoud 08 Starten en rijden Park Assist* - storingsindicatie............... Park Assist* - sensoren schoonmaken... Parkeerhulpcamera*................................ Parkeerhulpcamera - instellingen........... Park Assist-camera - beperkingen......... BLIS*....................................................... BLIS* - bediening.................................... BLIS - symbolen en meldingen............... Stuurkrachtinstelling*.............................. Typegoedkeuring - radarsysteem...........
Inhoud 09 Wielen en banden Voorbereidingen bij lange reizen............. Rijden tijdens de winter........................... Tankvulklep - openen/sluiten.................. Tankvulklep - handmatig openen........... Brandstof tanken.................................... Brandstof - gebruik................................. Brandstof - benzine................................ Brandstof - diesel.................................... Katalysatoren.......................................... Brandstof - bio-ethanol E85.
Inhoud 10 Onderhoud en service Bandenspanningscontrolesysteem (TPMS)* - adviezen................................. 332 Bandenspanningscontrolesysteem (TPMS)* - runflat-banden*....................... 333 Bandenspanningscontrolesysteem (TPMS)* - bij een lage bandenspanning.. 333 Bandenspanningscontrolesysteem (TM)* 334 Noodreparatieset voor banden*.............. 336 Noodreparatieset voor banden* - positie 336 Noodreparatieset voor banden* - overzicht.........................................................
Inhoud 11 Specificaties Poetsen en in de was zetten................... Water- en vuilafstotende laag................. Roestwering............................................ Interieur reinigen..................................... Lakschade............................................... 396 397 398 398 399 Type-aanduidingen................................. Maten...................................................... Gewichten............................................... Trekgewicht en kogeldruk..........
Inhoud 11
INLEIDING
01 Inleiding Bedieningsinformatie Gebruikershandleiding lezen Uw auto is voorzien van een beeldscherm waarop u informatie kunt vinden over de werking van uw auto1. Een goede manier om vertrouwd te raken met uw nieuwe auto is om de gebruikershandleiding te lezen, idealiter voordat u uw eerste rit maakt.
01 Inleiding 01 || ting) en bepaalde accessoires (ingebouwde extra uitrusting) beschreven. De uitrusting die in de gebruikershandleiding wordt beschreven is niet op alle auto’s aanwezig – welke uitrusting aanwezig is hangt af van de verschillende behoeften op de diverse markten en de landelijke en/of regionale weten regelgeving. Neem bij twijfel over de standaarduitrusting of opties/accessoires contact op met een Volvodealer.
01 Inleiding Gevaar voor materiële schade Informatie voerd, staan genummerd in de gebruikershandleiding. 01 Wanneer er een reeks afbeeldingen bij een stapsgewijze instructie bestaat, zijn de verschillende stappen van de instructie op dezelfde manier genummerd als de bijbehorende afbeeldingen. Witte ISO-symbolen en een witte tekst/ afbeelding in een zwart of blauw waarschuwings- en tekstveld.
01 Inleiding 01 || Opsommingslijsten Digitale gebruikershandleiding in auto Bij opsommingen in de gebruikershandleiding wordt gebruik gemaakt van een opsommingslijst. De gebruikershandleiding is weer te geven op het beeldscherm in de auto2. De informatie is doorzoekbaar en de navigatie tussen de verschillende hoofdstukken verloopt eenvoudig. Bijvoorbeeld: • • Koelvloeistof Motorolie Gerelateerde informatie Gerelateerde informatie verwijst naar andere artikelen met aanverwante informatie.
01 Inleiding Zoeken 3. Om over te schakelen op de invoer van cijfers of speciale tekens of om te zoeken, draait u aan TUNE, totdat een van de opties (zie verklaring in volgende tabel) in de lijst voor het wisselen van invoerstand (2) verschijnt en druk vervolgens op OK/ MENU. 123/AB C Met OK/MENU kunt u wisselen tussen cijfers en letters. MEER Met OK/MENU kunt u overschakelen op de invoer van speciale tekens. OK Voer de zoekopdracht uit.
01 Inleiding 01 || Tekst invoeren met numeriek toetsenbord Categorieën De artikelen van de gebruikershandleiding zijn geordend naar hoofdcategorieën en ondercategorieën. Hetzelfde artikel ligt mogelijk in meerdere categorieën zodat het gemakkelijker te vinden is. kel te openen. Druk op EXIT om terug te gaan naar de vorige weergave. In een artikel navigeren Draai aan TUNE om door de categorieboom te navigeren en druk op OK/MENU om een ) of artikel (aancategorie (aangeduid met geduid met ) te openen.
01 Inleiding Draai aan TUNE om de links door te nemen of een artikel omhoog of omlaag te schuiven. Als het beeldscherm naar het begin/eind van een artikel is geschoven, zijn de opties Home en Favoriet bereikbaar door een stap omhoog/omlaag te gaan. Druk op OK/MENU om de keuze/gemarkeerde link te activeren. Druk op EXIT om terug te gaan naar de vorige weergave.
01 Inleiding 01 Accessoires en extra uitrusting Informatie op internet Een verkeerde aansluiting en montage van accessoires en extra uitrusting kan een nadelige invloed hebben op de werking van de elektronische systemen van de auto. Op www.volvocars.com vindt u meer informatie over uw auto. Bepaalde accessoires werken alleen, wanneer de bijbehorende software in de computersystemen van de auto wordt geladen.
01 Inleiding Volvo ID Volvo ID is uw persoonlijke ID die u toegang biedt tot diverse diensten4. Voorbeeld van diensten: • My Volvo - Uw persoonlijke website voor u en uw auto. • Auto met internetaansluiting* - bepaalde functies en diensten vereisen dat u uw auto hebt geregistreerd op een persoonlijke Volvo ID, bijvoorbeeld om een adres van een kaartdienst op internet rechtstreeks naar uw auto te kunnen sturen.
01 Inleiding 01 Milieubeleid van Volvo Car Corporation een fabriek die zeer schoon is en efficiënt met hulpbronnen omgaat. Uw Volvo voldoet aan strenge internationale milieueisen en is bovendien geproduceerd in Zorg voor het milieu is een van de kernwaarden van Volvo Car Corporation die van invloed zijn op alle activiteiten. We zijn ervan overtuigd dat onze klanten onze zorg voor het milieu delen.
01 Inleiding Een geavanceerd luchtreinigingssysteem, IAQS* (Interior Air Quality System), zorgt ervoor dat de lucht die de passagiersruimte binnenkomt schoner is dan de lucht buiten in het verkeer. Het systeem bestaat uit een elektronische sensor en een koolstoffilter. De binnenkomende lucht wordt continu gecontroleerd en als het gehalte aan bepaalde schadelijke gassen zoals koolmonoxide te hoog oploopt, wordt de luchtinlaat gesloten.
01 Inleiding 01 Milieu-aspecten van het instructieboekje De papiervezels waarvan deze publicatie gemaakt is afkomstig zijn uit FSC®-gecertificeerde bossen of andere gecontroleerde bronnen. Het Forest Stewardship Council®-symbool geeft aan dat de papiervezels waarvan een gebruikershandleiding in drukvorm gemaakt is afkomstig zijn uit FSC®-gecertificeerde bossen of andere gecontroleerde bronnen. Gerelateerde informatie • 24 Milieubeleid van Volvo Car Corporation (p.
VEILIGHEID
02 Veiligheid Algemeen over veiligheidsgordels 02 Remmen kan ernstige gevolgen hebben als de veiligheidsgordel niet wordt gedragen. Let er daarom op dat alle passagiers hun veiligheidsgordel tijdens het rijden om hebben. Waar u op moet letten • Gebruik geen klemmen of andere accessoires waardoor u de veiligheidsgordel niet strak langs uw lichaam kunt trekken. • De veiligheidsgordel mag niet gedraaid zitten.
02 Veiligheid Veiligheidsgordel - om doen Veiligheidsgordel - losmaken Doe de veiligheidsgordel (p. 26) om voordat u gaat rijden. Maak de veiligheidsgordel (p. 26) pas los als de auto stilstaat. Rol de gordel langzaam af en maak deze vast door de borglip in de gordelsluiting te steken. Een duidelijke ‘klik’ geeft aan dat de gordel vastzit. Druk op de rode knop van de gordelsluiting en laat het oprolmechanisme de gordel naar binnen trekken.
02 Veiligheid Veiligheidsgordel - zwangerschap 02 Wanneer u zwanger bent, is het belangrijk de veiligheidsgordel (p. 26) altijd op de juiste manier te dragen. (wat inhoudt dat ze met gemak bij het stuur en de pedalen moeten kunnen komen). Streef ernaar de afstand tussen de buik en het stuur zo groot mogelijk te maken. Gerelateerde informatie Veiligheidsgordel - om doen (p. 27) Veiligheidsgordel - losmaken (p.
02 Veiligheid verschijnt er een melding op het instrumentenpaneel. De melding verdwijnt automatisch na ca. 30 seconden rijden, maar kan ook handmatig worden verwijderd door op de knop OK op de richtingaanwijzerhendel (p. 109) te drukken. • Waarschuwen dat iemand op de achterbank de veiligheidsgordel heeft losgenomen. Er wordt gewaarschuwd met een melding op het instrumentenpaneel in combinatie met een geluidssignaal en een waarschuwingslampje.
02 Veiligheid WAARSCHUWING Als het waarschuwingslampje voor het airbagsysteem blijft branden of tijdens het rijden korte tijd oplicht, betekent dit dat het airbagsysteem niet naar behoren werkt. Het symbool kan ook duiden op een storing in de gordelspanners, het SIPS- en het IC-systeem of op een andere storing in het systeem. Volvo adviseert u zo spoedig mogelijk contact op te nemen met een erkende Volvo-werkplaats.
02 Veiligheid Het SRS bestaat uit airbags en sensoren. Bij een voldoende krachtige aanrijding reageren de sensoren, waarna één of meer airbags worden opgeblazen en warm worden. De airbags vangen de klap van de aanrijding op voor de inzittende. Daarmee vangen de SIPSairbags de klap van de aanrijding op voor de inzittende, waarna de airbags weer leeglopen. Daarbij treedt er rookvorming in de auto op. Dit is volkomen normaal.
02 Veiligheid Passagiersairbag 02 Uw auto heeft behalve de veiligheidsgordel (p. 26) aan de passagierszijde ook een airbag (p. 30). De airbag zit opgevouwen in een ruimte boven het dashboardkastje. Het paneel is voorzien van het opschrift AIRBAG. Positie van de passagiersairbag in een auto met het stuur rechts.
02 Veiligheid WAARSCHUWING De veiligheidsgordel en airbag werken samen. Als de gordel niet of verkeerd wordt gebruikt, kan dit bij een botsing van invloed zijn op het effect van de airbag. Schakelaar - PACOS* De passagiersairbag (SRS) voorin is te deactiveren, (p. 33) met een schakelaar als de auto is uitgerust met PACOS (Passenger Airbag Cut Off Switch).
02 Veiligheid || de voorstoel zitten, maar kinderen in een kinderzitje of op een kussen beslist niet. 02 De airbag is gedeactiveerd. Met de schakelaar in deze stand kunnen kinderen in een kinderzitje of op een kussen aan de passagierszijde op de voorstoel zitten, maar passagiers groter dan 1,40 m beslist niet. WAARSCHUWING N.B. WAARSCHUWING Wanneer de transpondersleutel in sleutelstand II (p. 78) staat, brandt ca. 6 seconden lang het waarschuwingssymbool (p.
02 Veiligheid WAARSCHUWING Laat geen passagier op de passagiersstoel plaatsnemen als het waarschuwingssymbool(p. 29) voor het airbagsysteem op het instrumentenpaneel oplicht, terwijl de melding op de plafondconsole aangeeft dat de airbag aan die kant gedeactiveerd is. Dit duidt op een ernstige storing. Bezoek zo spoedig mogelijk een werkplaats. Volvo adviseert u daarvoor contact op te nemen met een erkende Volvo-werkplaats.
02 Veiligheid || WAARSCHUWING • 02 • Volvo adviseert u de reparatie uitsluitend door een erkende Volvo-werkplaats te laten uitvoeren. Een verkeerde ingreep in het SIPS-systeem kan tot een onjuiste werking leiden met ernstig letsel als gevolg. Plaats geen voorwerpen in het gebied tussen de buitenzijde van de stoel en het portierpaneel, aangezien dit gebied door de zijairbag kan worden beïnvloed. • Volvo adviseert om uitsluitend door Volvo goedgekeurde overtrekbekleding te gebruiken.
02 Veiligheid WAARSCHUWING Hang of bevestig nooit zware voorwerpen aan de plafondhandgrepen. De haak is alleen bedoeld voor niet al te zware kledingstukken (en niet voor harde voorwerpen zoals paraplu’s). Schroef of bevestig geen onderdelen op de plafondbekleding, portierstijlen of de zijpanelen van de auto. Ze kunnen daarbij hun beschermende werking verliezen. Volvo adviseert u uitsluitend originele Volvo-onderdelen, bestemd voor montage op deze plaatsen, te gebruiken.
02 Veiligheid || en de materiaaleigenschappen van dat voertuig. WAARSCHUWING 02 Het WHIPS-systeem vormt een aanvulling op de veiligheidsgordel. Gebruik de veiligheidsgordel altijd. Eigenschappen van de stoel Bij activering van het WHIPS-systeem klappen de rugleuningen van de voorstoelen naar achteren, zodat de zithouding van de bestuurder en de passagier op de voorstoelen verandert. Zo wordt de kans op zogeheten whiplash-letsel beperkt. WHIPS - kinderzitje WHIPS - zithouding Het WHIPS-systeem (p.
02 Veiligheid WAARSCHUWING Plaats dozen e.d. niet zodanig, dat deze vastgeklemd zitten tussen het zitkussen van de achterbank en de rugleuning van de voorstoel. Denk eraan dat u de werking van het WHIPS-systeem niet hindert. WAARSCHUWING Als de stoel aan grote krachten heeft blootgestaan zoals bij een botsing van achteren, moet het WHIPS-systeem worden gecontroleerd. Volvo adviseert om dit door een erkende Volvo-werkplaats te laten controleren.
02 Veiligheid e.d. zijn van invloed op de wijze van activering van de verschillende veiligheidssystemen in de auto. Wanneer de airbags (p. 30) werden opgeblazen, adviseert Volvo u het volgende: 02 • Laat de auto wegslepen. Volvo adviseert u hem te laten wegslepen naar een erkende Volvo-werkplaats. Rijd niet met opgeblazen airbags. • Volvo adviseert u het vervangen van de onderdelen van de veiligheidssystemen in de auto over te laten aan een erkende Volvo-werkplaats.
02 Veiligheid Gerelateerde informatie • • Safety mode - startpoging (p. 41) Safety mode - auto verrijden (p. 42) Safety mode - startpoging Als de auto in de Safety mode (p. 40) staat, is een startpoging mogelijk als alles in orde lijkt te zijn en u gecontroleerd hebt dat er geen sprake is van brandstoflekkage. 02 Controleer eerst of er geen brandstof uit de auto is gelopen. Er mag evenmin een brandstofgeur waarneembaar zijn. De gevarendriehoek op het digitale instrumentenpaneel.
02 Veiligheid || WAARSCHUWING Probeer in geen geval de auto opnieuw te starten, als u een brandstofgeur waarneemt terwijl de melding Veiligheidsstand Zie instructieboek getoond wordt. Verlaat de auto onmiddellijk. 02 WAARSCHUWING De auto mag niet worden weggesleept zolang deze in de Safety mode staat. De auto moet worden weggesleept. Volvo adviseert u hem te laten wegslepen naar een erkende Volvo-werkplaats. Gerelateerde informatie • Safety mode - auto verrijden (p.
02 Veiligheid N.B. Bij vragen over de montage van kinderveiligheidsproducten neemt u voor duidelijke aanwijzingen contact op met de producent. 02 Kinderslot De achterportieren en de achterportierruiten* zijn handmatig (p. 181) of elektronisch te blokkeren (p. 182)*, zodat ze niet meer van de binnenzijde te openen zijn. Gerelateerde informatie • • • Kinderzitje - positie (p. 49) Kinderzitje - ISOFIX (p. 50) Kinderzitje - bovenste bevestigingspunten (p.
02 Veiligheid Kinderzitje 02 N.B. Kinderen moeten comfortabel en veilig kunnen zitten. Zorg dat u het kinderzitje op de juiste wijze gebruikt. Bij gebruik van kinderveiligheidsproducten is het belangrijk om de meegeleverde montagehandleiding te lezen. WAARSCHUWING G020739 Zet de bevestigingsbanden van het kinderzitje niet vast aan de hendel waarmee u de voorstoel in de lengterichting verstelt of aan de veren, rails of balken onder de stoel. Scherpe randen kunnen de bevestigingsbanden beschadigen.
02 Veiligheid Aanbevolen kinderzitjes2 Gewicht Voorstoel (met gedeactiveerde airbag) Groep 0 Groep 0+ (L) Volvo-babyzitje (Volvo Infant Seat) – achterstevoren gemonteerd kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel. Volvo-babyzitje (Volvo Infant Seat) – achterstevoren gemonteerd kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel.
02 Veiligheid || 02 Gewicht Voorstoel (met gedeactiveerde airbag) Buitenste zitplaats achterbank Groep 1 Achterstevoren gemonteerd/omkeerbaar Volvo-kinderzitje (Volvo Convertible Child Seat) – achterstevoren gemonteerd kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel en bevestigingsband. Achterstevoren gemonteerd/omkeerbaar Volvokinderzitje (Volvo Convertible Child Seat) – achterstevoren gemonteerd kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel en bevestigingsband.
02 Veiligheid Gewicht Voorstoel (met gedeactiveerde airbag) Buitenste zitplaats achterbank Groep 2 Achterstevoren gemonteerd/omkeerbaar Volvo-kinderzitje (Volvo Convertible Child Seat) – achterstevoren gemonteerd kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel en bevestigingsband. Achterstevoren gemonteerd/omkeerbaar Volvokinderzitje (Volvo Convertible Child Seat) – achterstevoren gemonteerd kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel en bevestigingsband.
02 Veiligheid || 02 Gewicht Voorstoel (met gedeactiveerde airbag) Buitenste zitplaats achterbank Middelste zitplaats achterbank Groep 2/3 Volvo-comfortkussen met rugleuning (Volvo Booster Seat with backrest). Volvo-comfortkussen met rugleuning (Volvo Booster Seat with backrest). Typegoedkeuring: E1 04301169 Typegoedkeuring: E1 04301169 Volvo-comfortkussen met rugleuning (Volvo Booster Seat with backrest).
02 Veiligheid Kinderzitje - positie WAARSCHUWING Plaats kinderzitjes/zittingverhogers (p. 44) altijd op de achterbank als de airbag aan de passagierszijde geactiveerd (p. 33) is. Als de airbag wordt opgeblazen, kan een kind op de passagiersstoel ernstig letsel oplopen. Vervoer kinderen nooit in een kinderzitje of op een comfortkussen voorin, wanneer de airbag aan die kant geactiveerd is. Laat nooit iemand voor de passagiersstoel zitten of staan.
02 Veiligheid Kinderzitje - ISOFIX 02 ISOFIX is een bevestigingssysteem voor kinderzitjes (p. 44), gebaseerd op een internationale standaard. Gerelateerde informatie • • • ISOFIX - afmetingscategorieën (p. 50) ISOFIX - soorten kinderzitjes (p. 52) Algemeen over kinderveiligheid (p. 42) ISOFIX - afmetingscategorieën Voor kinderzitjes met een ISOFIX (p. 50)bevestigingssysteem zijn er afmetingscategorieën om gebruikers te helpen bij het kiezen van het juiste type kinderzitje (p. 52).
02 Veiligheid WAARSCHUWING Zet het kind nooit op de passagiersplaats als de auto met een geactiveerde airbag is uitgerust. 02 N.B. Als een ISOFIX-kinderzitje geen afmetingscategorie heeft, moet het automodel op de voertuiglijst van het kinderzitje staan. N.B. Volvo adviseert u contact op te nemen met een Volvo-werkplaats over de ISOFIX-kinderzitjes die Volvo aanbeveelt.
02 Veiligheid ISOFIX - soorten kinderzitjes Kinderzitjes kunnen net als auto’s verschillende afmetingen hebben. Kinderzitjes passen 02 Type kinderzitje Babyzitje, overdwars Babyzitje, achterstevoren daardoor niet op alle zitplaatsen van de verschillende modellen. Gewicht max. 10 kg max. 10 kg Afmetingscategorie Zitplaatsen voor montage ISOFIX-kinderzitje Voorstoel Buitenste zitplaats achterbank F X X G X X E X OK (IL) Babyzitje, achterstevoren max.
02 Veiligheid Type kinderzitje Kinderzitje, in rijrichting Gewicht 9–18 kg Afmetingscategorie B Zitplaatsen voor montage ISOFIX-kinderzitje Voorstoel Buitenste zitplaats achterbank X OKA 02 (IUF) B1 X OKA (IUF) A X OKA (IUF) X: De ISOFIX-stand leent zich niet voor ISOFIX-kinderzitjes in deze gewichts- en/of afmetingscategorie. IL: Geschikt voor specifieke ISOFIX-kinderzitjes.
02 Veiligheid Kinderzitje - bovenste bevestigingspunten 02 De auto is uitgerust met bovenste bevestigingspunten voor bepaalde kinderzitjes (p. 44). Deze bevestigingspunten zitten in de hoedenplank en zijn afgedekt met kunststof dekplaatjes. Klap de kunststof dekplaatjes opzij om bij de bevestigingspunten te komen. Zie de aanwijzingen van de fabrikant van het kinderzitje voor gedetailleerde informatie over de manier waarop u het zitje aan de bovenste bevestigingspunten vastzet.
INSTRUMENTEN, SCHAKELAARS EN BEDIENING
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Instrumenten en bediening, auto met stuur links - overzicht In het overzicht staat waar de displays en bedieningen van de auto zitten.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Overzicht auto’s met het stuur links 03 }} 57
03 Instrumenten, schakelaars en bediening || 03 58 Functie Zie Functie Zie Functie Zie Menu- en meldingsfuncties, richtingaanwijzers, groot licht/ dimlicht, boordcomputer (p. 109), (p. 112), (p. 93), (p. 88) en (p. 123). Openingshandgreep portier – Stoelverstelling* (p. 80). Bedieningspaneel (p. 267). Bedieningsknoppen verlichting, ontgrendeling tankvulklep en kofferdeksel (p. 84), (p. 296) en (p. 179). Handmatig schakelen bij automatische versnellingsbak* (p. 177), (p. 182), (p.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Instrumenten en bediening, auto met stuur rechts - overzicht In het overzicht staat waar de displays en bedieningen van de auto zitten.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening || Overzicht auto’s met het stuur rechts 03 60
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Functie Zie Functie Zie Functie Zie Alarmlichten (p. 92). Beeldscherm voor infotainment en weergave van menu’s (p. 112) en Sensus Infotainmentsupplement. Bedieningsknoppen verlichting, ontgrendeling tankvulklep en kofferdeksel (p. 84), (p. 296) en (p. 179). Versnellingspook/ keuzehendel (p. 266), (p. 267) of (p. 271). – Bedieningspaneel voor klimaatregeling (p. 132). START/STOP ENGINE-knop (p. 258).
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Instrumentenpaneel Op het informatiedisplay van het instrumentenpaneel wordt informatie weergegeven over bepaalde functies van de auto en meldingen. 03 • Instrumentenpaneel, analoog - overzicht (p. 62) • Instrumentenpaneel, digitaal - overzicht (p. 63) • Instrumentenpaneel - betekenis controlesymbolen (p. 67) • Instrumentenpaneel - betekenis waarschuwingssymbolen (p.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Toerenteller. De meter geeft het motortoerental in duizenden omwentelingen per minuut aan. Schakelindicator2/Schakelindicator3. Zie ook Schakelindicator* (p. 267), Automatische versnellingsbak - Geartronic* (p. 267) of Automatische versnellingsbak - Powershift* (p. 271).
03 Instrumenten, schakelaars en bediening || Meters en wijzers Voor het digitale instrumentenpaneel zijn verschillende thema’s te kiezen. De mogelijke thema’s zijn: ‘Elegance’, ‘Eco’ en ‘Performance’. autosleutelgeheugen*, zie Transpondersleutel - personalisering* (p. 161). Schakelindicator6/Schakelindicator7. Zie ook Schakelindicator* (p. 267), Automatische versnellingsbak - Geartronic* (p. 267) of Automatische versnellingsbak - Powershift* (p. 271).
03 Instrumenten, schakelaars en bediening matie (p. 123) en Brandstof tanken (p. 297). Eco guide. Zie ook Eco guide & Power guide* (p. 66). Snelheidsmeter Toerenteller. De meter geeft het motortoerental in duizenden omwentelingen per minuut aan. Schakelindicator6/Schakelindicator7. Zie ook Schakelindicator* (p. 267),Automatische versnellingsbak - Geartronic* (p. 267) of Automatische versnellingsbak - Powershift* (p. 271). ring5, gaat het oranje controlesymbool voor een laag brandstofpeil branden.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening || 03 Functietest Eco guide & Power guide* Actuele waarde Alle controle- en waarschuwingssymbolen, behalve de symbolen in het midden van het informatiedisplay, gaan branden in sleutelstand II of bij het starten van de motor. Alle symbolen moeten weer uitgaan als de motor is aangeslagen, behalve het symbool voor de parkeerrem. Dit gaat pas uit, als de auto van de parkeerrem wordt gehaald.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Instrumentenpaneel - betekenis controlesymbolen Laag peil in brandstoftank Controlesymbolen Groot licht aan Betekenis Storing in ABL Benut vermogen Uitlaatgasreinigingssysteem Storing in ABS Beschikbaar motorvermogen De kleinere wijzer bovenaan toont het beschikbare motorvermogen9. Hoe groter de uitslag op de schaal, hoe meer vermogen er beschikbaar is in de actuele versnelling. Benut vermogen De grotere wijzer onderaan toont het benutte motorvermogen9.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening || Uitlaatgasreinigingssysteem Bij een storing in het uitlaatgasreinigingssysteem kan na een motorstart het symbool gaan branden. Rijd voor een controle naar een werkplaats. Volvo adviseert dat u daarvoor een erkende Volvo-werkplaats bezoekt. Storing in ABS 03 Voorgloeifunctie motor (diesel) Als het symbool brandt, is het systeem defect. Het normale remsysteem van de auto werkt dan nog wel, zij het zonder ABS-regeling.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Waarschuwing, portieren niet gesloten Als een van de portieren niet goed dichtstaat, gaat het informatie- of waarschuwingssymbool branden en verschijnt er een verklarende afbeelding op het informatiedisplay. Breng de auto zo spoedig mogelijk tot stilstand en sluit het portier dat openstaat. Als de auto met een snelheid van maximaal 7 km/h rijdt, gaat het informatiesymbool branden.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening || Gordelwaarschuwing Het symbool knippert als de bestuurder of de voorpassagier geen veiligheidsgordel draagt of als iemand op de achterbank de gordel heeft losgenomen. Dynamo laadt niet bij 03 Het symbool gaat tijdens het rijden branden, als er sprake is van een storing in het elektrisch systeem. Bezoek een werkplaats. Volvo adviseert dat u daarvoor een erkende Volvowerkplaats bezoekt.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Waarschuwing, portieren niet gesloten Buitentemperatuur Dagtellers Als een van de portieren niet goed dichtstaat, gaat het informatie- of waarschuwingssymbool branden en verschijnt er een verklarende afbeelding op het informatiedisplay. Breng de auto zo spoedig mogelijk tot stilstand en sluit het portier dat openstaat. Het buitentemperatuurmeterdisplay is zichtbaar op het instrumentenpaneel. Het dagtellerdisplay is zichtbaar op het instrumentenpaneel.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening || Gerelateerde informatie • Instrumentenpaneel (p. 62) Klok Instrumentenpaneel - licenties Het klokdisplay is zichtbaar op het instrumentenpaneel. Een licentie is een overeenkomst die toestemming verleent om bepaalde handelingen te verrichten of het recht om gebruik te maken van een product waar een andere rechtspersoon octrooi of eigendomsrechten op heeft, onder de voorwaarden vervat in de overeenkomst.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening upon written request. Please contact your nearest Volvo Dealer. MIT License: http: http://opensource.org/ licenses/mit-license.html The offer is valid for a period of at least three (3) years from the date of the distribution of this product by VCC / or for as long as VCC offers spare parts or customer support. • Portions of this product uses software copyrighted © 2007 The FreeType Project (www.freetype.org). All rights reserved.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening || Waarschuwingssymbolen op instrumentenpaneel Symbool 03 Betekenis Zie Lage oliedruk (p. 69) Parkeerrem ingeschakeld (p. 69), (p. 289) Parkeerrem ingeschakeld, alternatief symbool (p. 69) Airbags (SRS) 74 Controlesymbolen op instrumentenpaneel (p. 29), (p. 69) Gordelwaarschuwing (p. 26), (p. 69) Dynamo laadt niet bij (p. 69) Storing in remsysteem (p. 69), (p. 286) Waarschuwing, Safety mode (p. 29), (p. 40), (p. 69), (p.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Symbool – Betekenis Zie Adaptieve cruisecontrol*; afstandswaarschuwing* (Distance Alert) (p. 201), (p. 211) Radarsensor* (p. 209), (p. 213), (p. 230) – – Voorruitsensor*, Camerasensor*, Lasersensor* (p. 89), (p. 220), (p. 230), (p. 234), (p. 238) Auto Brake*; afstandswaarschuwing* (Distance Alert); City SafetyTM; Collision Warning* (p. 213), (p. 220), (p. 230) ABL* (p. 91) Driver Alert System*; Tijd voor pauze (p.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening || Symbool – 03 Volvo Sensus Betekenis Zie Oliepeil meten (p. 357) – – Betekenis Zie Gordelwaarschuwing (p. 28) Airbag passagiersstoel, geactiveerd (p. 33) Airbag passagiersstoel, gedeactiveerd (p. 33) Gerelateerde informatie • Instrumentenpaneel - betekenis controlesymbolen (p. 67) • Instrumentenpaneel - betekenis waarschuwingssymbolen (p. 69) • Meldingen - functies (p. 112) * Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Overzicht Sleutelstanden Met de transpondersleutel is het elektrische systeem van de auto in verschillende standen te zetten om het gebruik van verschillende functies/systemen mogelijk te maken, zie Sleutelstanden - functies in verschillende standen (p. 78). Auto met internetaansluiting *, zie desbetreffend supplement (Sensus Infotainment). Klimaatregeling (p. 126).
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Sleutelstanden - functies in verschillende standen 03 Om bij uitgeschakelde motor het gebruik van een beperkt aantal functies mogelijk te maken is het elektrische systeem van de auto met de transpondersleutel in 3 verschillende standen te zetten: 0, I en II. In deze gebruikershandleiding worden deze standen in algemene zin aangeduid als ‘sleutelstanden’. De volgende tabel geeft aan welke functies beschikbaar zijn in de verschillende sleutelstanden.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening • Sleutelstand I - Met de transpondersleutel volledig in het contactslot14 geduwd druk kort op START/STOP ENGINE. • Sleutelstand II - Met de transpondersleutel volledig in het contactslot14 geduwd druk lang15 op START/STOP ENGINE. • Terug naar sleutelstand 0 - Om terug te gaan naar sleutelstand 0 vanuit stand II en I - druk kort op START/STOP ENGINE. Voorstoelen Voor optimaal zitcomfort hebben de voorstoelen verschillende instelmogelijkheden.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening || De rugleuning van de passagiersstoel kan worden omgeklapt om ruimte te maken voor lange lading. Zet de stoel zo ver mogelijk naar achteren en omlaag. Zet de rugleuning rechtop. Trek de pallen aan de achterzijde van de rugleuning omhoog tijdens het omklappen. 03 Voorstoelen - elektrisch bediend* Voor optimaal zitcomfort hebben de voorstoelen verschillende instelmogelijkheden. De elektrisch bediende stoel kan naar voren/ achteren en omhoog/omlaag worden gezet.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Instelling vastleggen Geheugenknop bestuurders worden opgeslagen, zie Transpondersleutel - personalisering* (p. 161). Geheugenknop Noodstop Geheugenknop Als de stoel per ongeluk in beweging komt, kunt u op een van de verstellingsknoppen of geheugenknoppen van de stoel drukken om de stoel tot stilstand te brengen. Knop voor vastlegging van de instelling 1. Stel de stoel en de buitenspiegels in. 2. Houd de knop M ingedrukt, terwijl u knop 1, 2 of 3 indrukt.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening || Het ruggedeelte bestaat uit twee delen. De delen zijn elk apart of tegelijk naar voren te klappen. 1. Trek aan de handgreep/handgrepen. 03 2. Klap het ruggedeelte naar voren toe om. Zet de middelste hoofdsteun helemaal omlaag als u het brede ruggedeelte wilt omklappen. terkant van het hoofd komt te zitten. Trek de hoofdsteun zo ver omhoog als nodig is.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Stuurwiel Het stuurwiel heeft meerdere verstellingsmogelijkheden en bedieningselementen voor de claxon, cruisecontrol en het menu-, het audioen het telefoonsysteem. Instellen 3. Duw de hendel vervolgens terug om het stuurwiel in de nieuwe stand te blokkeren. Als dit moeite kost, kunt u lichtjes op het stuurwiel drukken en tegelijkertijd de hendel terugduwen. WAARSCHUWING matische versnellingsbak - Geartronic* (p.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Elektrische stuurverwarming* Het stuurwiel is elektrisch te verwarmen. Functie 03 De positie van de knop kan variëren afhankelijk van de overige gekozen uitrusting en de markt.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Overzicht bedieningspaneel verlichting Standen draaiknop Stand Betekenis DagrijlichtA wanneer het elektrische systeem van de auto in sleutelstand II staat of als de motor draait. Grootlichtsignalering mogelijk. Overzicht bedieningspaneel verlichting.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening || Stand Stadslichten vóór en achterlichten Betekenis U schakelt de stadslichten vóór en achterlichten in met de verlichtingsdraaiknop. Grootlichtsignalering mogelijk. A 03 Aangebracht in of onder de voorbumper. Volvo adviseert u de stand te gebruiken zolang de verkeerssituatie of de weersgesteldheid niet ongunstig is voor Automatisch groot licht*.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Dagrijlicht Wanneer de verlichtingsdraaiknop in stand staat en het elektrische systeem van de auto in sleutelstand II of als de motor loopt, wordt bij daglicht automatisch het dagrijlicht ingeschakeld. Dagrijlicht DRL Verlichtingsdraaiknop in stand AUTO. Met de verlichtingsdraaiknop in stand wordt het dagrijlicht (Daytime Running Lights - DRL) automatisch ingeschakeld bij autoritten overdag.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Groot licht/dimlicht Wanneer de verlichtingsdraaiknop in stand staat en het elektrische systeem van de auto in sleutelstand II of als de motor loopt, wordt in slechte lichtomstandigheden automatisch het dimlicht ingeschakeld. 03 Met de verlichtingsdraaiknop in de stand brandt altijd het dimlicht, wanneer de motor loopt of als de sleutelstand II actief is. schemeren of bij donker weer.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Automatisch groot licht* Wanneer AHB geactiveerd is, brandt het symbool op het informatiedisplay van het instrumentenpaneel wit. Automatisch groot licht ontdekt de koplampen van een tegenligger of de achterlichten van een voorligger en schakelt dan over van groot licht naar dimlicht. De verlichting gaat terug naar groot licht als het invallende licht ophoudt. Als het groot licht ontstoken is, brandt het symbool blauw.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening || Handmatige bediening N.B. Houd de voorruit in het gebied vóór de camerasensor vrij van ijs, sneeuw, condens en vuil. 03 Plak of monteer niets op de voorruit vóór de camerasensor, aangezien één of meer camera’s voor het systeem hierdoor slechter of niet meer werken. WAARSCHUWING BELANGRIJK AHB is een systeem dat u helpt om in ongunstige omstandigheden de optimale verlichting te kiezen.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Actieve xenonkoplampen* Actieve xenon-koplampen zorgen voor optimale verlichting in bochten en op kruisingen om op die manier de veiligheid te verhogen. Actieve xenon-koplampen ABL Lichtbundel bij gedeactiveerde (links) en geactiveerde (rechts) functie.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening || wordt het mistachterlicht automatisch uitgeschakeld. N.B. De voorschriften voor het gebruik van een mistachterlicht verschillen per land. 03 Gerelateerde informatie • Bedieningspaneel verlichting (p. 84) Remlichten Alarmlichten De remlichten gaan automatisch branden wanneer u remt. De alarmlichten waarschuwen medeweggebruikers doordat alle richtingaanwijzers gelijktijdig knipperen, wanneer deze functie actief is.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening rijdt, worden ze automatisch uitgeschakeld. U kunt ook op de knop voor de alarmlichten drukken. Gerelateerde informatie • • Richtingaanwijzer (p. 93) Bedrijfsrem - noodremlichten en automatische alarmlichten (p. 287) Richtingaanwijzer De richtingaanwijzers van de auto zijn te bedienen met de linker stuurhendel. De richtingaanwijzers knipperen driemaal of blijven knipperen, afhankelijk van hoe ver u de hendel omhoog- of omlaaghaalt.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Interieurverlichting Plafondverlichting voorin Verlichting make-upspiegel De interieurverlichting is te activeren/deactiveren met de knoppen van de bedieningspanelen aan het plafond voor- en achterin. De leeslampjes voorin worden in- en uitgeschakeld met een druk op de bijbehorende knoppen op de plafondconsole. De verlichting van de make-upspiegel (p. 153), wordt bij het openen en sluiten van het spiegelklepje in- en uitgeschakeld.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening De interieurverlichting gaat aan en blijft twee minuten lang branden, wanneer een van de portieren openstaat. Als u een bepaalde verlichtingsfunctie handmatig inschakelt, zal deze na twee minuten automatisch worden uitgeschakeld. Sfeerverlichting* Wanneer de reguliere interieurverlichting is uitgegaan en de motor draait, branden er enkele leds, onder meer een bij de plafondverlichting voor een zwakke sfeerverlichting tijdens de rit.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Koplampen - lichtbundel aanpassen Actieve xenonkoplampen* lichtbundel van de koplampen te worden ingesteld op de aangepaste stand (zie voorgaande afbeelding). Om verblinding van tegenliggers te voorkomen kunt u de lichtbundel van de koplampen aanpassen voor links- en rechtsrijdend verkeer.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Koplampen afplakken 1. Trek de mallen A en B over voor een auto met het stuur links of de mallen C en D voor een auto met het stuur rechts, zie het latere gedeelte ‘Mallen voor halogeenkoplampen’. De mallen zijn getekend op een schaal van 1:2.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening || 03 Bovenste regel: auto met stuur links, mallen A en B. Onderste regel: auto met stuur rechts, mallen C en D.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Mallen voor halogeenkoplampen 03 99
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Wissers en -sproeiers Intervalstand Regensensor* De ruitenwisser en -sproeier reinigen de voorruit en achterruit. De koplampen worden met hogedruksproeiers gereinigd. Met het duimwiel kunt u het aantal wisslagen per eenheid van tijd instellen wanneer u de intervalstand hebt geselecteerd. De regensensor registreert de hoeveelheid regen op de voorruit en schakelt automatisch de ruitenwissers op de voorruit in.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening De regensensor wordt automatisch gedeactiveerd, wanneer u de transpondersleutel uit het contactslot neemt of vijf minuten nadat u de motor hebt afgezet. BELANGRIJK In een automatische wasstraat kunnen de ruitenwissers van de voorruit starten en beschadigd raken. Schakel de regensensor uit terwijl de auto loopt of de transpondersleutel in stand I of II staat. Het symbool op het instrumentenpaneel en het lampje in de knop doven.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening || WAARSCHUWING Controleer of kinderen of andere passagiers niet bekneld raken als de ramen worden gesloten, ook als de transpondersleutel wordt gebruikt. WAARSCHUWING 03 Als er kinderen in de auto aanwezig zijn, moet altijd de stroom naar de elektrisch bedienbare ruiten worden onderbroken door te kiezen voor sleutelstand 0 en vervolgens de transpondersleutel mee te nemen uit de auto.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening WAARSCHUWING Resetten is nodig om de beveiliging tegen overbelasting te laten werken. Zonnescherm* Achterruit De beide achterportieren zijn voorzien van geïntegreerde zonneschermen. In de achterruitconsole is een zonnescherm ingebouwd. Achterportier 03 – Haak met bijbehorende vergrendeling 1. Trek het zonnescherm omhoog en haak het vast aan de haak boven aan de ruitopening. Trek het zonnescherm omhoog en bevestig het met de twee haken aan de plafondclips.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Buitenspiegels WAARSCHUWING Stel de stand van de buitenspiegels bij met het hendeltje op het bedieningspaneel van het bestuurdersportier. Beide spiegels zijn groothoekig voor een optimaal zicht. Voorwerpen kunnen verder weg lijken dan ze in werkelijkheid zijn.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Elektrisch inklapbare buitenspiegels* U kunt de buitenspiegels inklappen bij het parkeren en als u op smalle wegen rijdt: 1. Druk de knoppen L en R gelijktijdig in (sleutelstand minimaal I). 2. Laat ze na ca. 1 seconde los. De spiegels stoppen automatisch, als ze volledig zijn ingeklapt. Ruiten en buitenspiegels - elektrische verwarming De elektrische verwarming dient om de vooren achteruit en de buitenspiegels te ontwasemen en te ontdooien.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Achteruitkijkspiegel Autodimfunctie* Kompas* De achteruitkijkspiegel is te dimmen met een knopje aan de onderkant van de spiegel. Ook is het mogelijk dat de autodimfunctie van de achteruitkijkspiegel actief is. Als het licht dat van achteren in de spiegel valt te fel is, wordt de achteruitkijkspiegel automatisch gedimd. Bij een spiegel met autodimfunctie ontbreekt het hendeltje voor handmatig dimmen.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening 7. Auto’s met elektrische voorruitverwarming*: Als bij activering van de elektrische voorruitverwarming het teken C op het display verschijnt, kalibreer dan volgens punt 6 hierboven met de elektrische voorruitverwarming ingeschakeld, zie Voorruit ontwasemen en ontdooien (p. 137). knopje aan de onderzijde van de achteruitkijkspiegel indrukken. Kalibreren Om de juiste kompasrichting aan te geven moet het kompas soms worden gekalibreerd.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Schuifdak* Openen Het schuifdak is te bedienen met de knoppen aan het plafond. Trek de bedieningsknop naar achteren in de stand voor automatisch openen en laat de knop vervolgens los om het schuifdak zo ver mogelijk open te schuiven. Het binnenste zonnescherm is handmatig te sluiten. Bij het schuifdak hoort een windscherm. 03 De bedieningsknoppen voor het schuifdak zitten aan het plafond.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Sluiten met transpondersleutel of knop voor centrale vergrendeling greep vast en schuif het scherm naar voren om het te sluiten. Beveiliging tegen overbelasting Het schuifdak is voorzien van een beveiliging tegen overbelasting die wordt geactiveerd, als het schuifdak door een obstakel wordt gehinderd. Het schuifdak komt dan tot stilstand en keert vervolgens automatisch terug naar de laatst gebruikte, geopende stand.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening || Menu-overzicht - instrumentenpaneel Boordcomp reset Welke menu’s er op het informatiedisplay van het instrumentenpaneel verschijnen hangt af van de sleutelstand (p. 78). Gerelateerde informatie Voor sommige van de onderstaande menuopties dient de auto te zijn uitgerust met de bijbehorende functie en software. Analoog instrumentenpaneel 03 Digit. snlhd. Verwarming* Display (digitaal instrumentenpaneel) en bedieningsknoppen voor menufuncties.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Meldingen Wanneer er een waarschuwings-, informatieof controlesymbool oplicht, verschijnt er tevens een aanvullende melding op het informatiedisplay. Melding Betekenis Stop auto z.s.m.A Breng de auto tot stilstand en zet de motor af. Grote kans op schade – bezoek een werkplaatsB. Zet motor afA Breng de auto tot stilstand en zet de motor af. Grote kans op schade – bezoek een werkplaatsB.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening || Gerelateerde informatie • • Meldingen - functies (p. 112) Menufuncties - instrumentenpaneel (p. 109) 03 Meldingen - functies MY CAR Met de linker stuurhendel kunt u door de meldingen (p. 111) bladeren die op het informatiedisplay van het instrumentenpaneel verschijnen en deze bevestigen. MY CAR is een menugroep voor hantering van tal van autofuncties, zoals City Safety™, sloten en alarm, automatische ventilatorsnelheid, klokinstelling e.d.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening is afhankelijk van de gekozen uitrusting en de desbetreffende markt. MY CAR - opent het menusysteem MY CAR. OK/MENU - knop op de middenconsole indrukken of het duimwiel op het stuurwiel om de gemarkeerde menu-optie te kiezen/aan te vinken of de gekozen functie in het geheugen op te slaan. Menu-opties en zoekpaden Voor een beschrijving van de menu-opties en zoekpaden in MY CAR, zie het Sensus Infotainment-supplement.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening 03 Boordcomputer Groepsmenu’s De boordcomputer van de auto kan tijdens het rijden informatie registreren, berekenen en tonen. De boordcomputer heeft twee verschillende groepsmenu’s: De functies en het uiterlijk van de boordcomputer verschillen afhankelijk van de vraag of het instrumentenpaneel er een van het analoge of digitale type is: • Boordcomputer - analoog instrumentenpaneel (p. 115) • Boordcomputer - digitaal instrumentenpaneel (p.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Boordcomputer - analoog instrumentenpaneel De menu’s van de boordcomputer volgens elkaar op in een eindeloze lus. Een van opties bestaat erin dat het boordcomputerdisplay dooft – dit geeft tevens het begin/eind van de lus aan. Functies Doe het volgende om functies te openen en regelen/aanpassen: 1. Om er zeker van te zijn dat geen van de bedieningselementen zich midden in een procedure bevindt, moet u ze eerst ‘resetten’ met twee keer drukken op RESET. 2.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening || 03 Functies Informatie Digit. snlhd. Geeft de rijsnelheid digitaal weer in het midden van het instrumentenpaneel: • • • • km/h mph Open een functie met OK, kies een optie met het duimwiel, bevestig met OK en verlaat de functie met ENTER. Geen aanduiding Verwarming* • • DIRECTE START • - Timer 2 - voert naar het menu voor selectie van het tijdstip.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening A Functies Informatie OliepeilA Voor meer informatie, zie Motorolie - controleren en bijvullen (p. 357). Meldingen (##) Voor meer informatie, zie Meldingen - functies (p. 112). Bepaalde motoren. Rubrieken U kunt een van de rubrieken in de volgende tabel uitkiezen voor constante weergave op het instrumentenpaneel. Doe het volgende om een keuze te maken: 1.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening || Resetten - Dagtellers en Gemiddelde snelheid Met de actuele boordcomputerrubriek – T1 en tot afst, T2 en tot afst of Gem. snelh. – op het instrumentenpaneel: • 03 RESET lang indrukken - gekozen rubriek wordt op nul gesteld. U moet iedere rubriek apart op nul stellen. Gerelateerde informatie • • • 118 Boordcomputer (p. 114) Boordcomputer - aanvullende informatie (p. 123) Boordcomputer - rijstatistiek* (p.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Boordcomputer - digitaal instrumentenpaneel De menu’s van de boordcomputer volgens elkaar op in een eindeloze lus. Een van opties bestaat erin dat alle drie de boordcomputerdisplays doven – dit geeft tevens het begin/ eind van de lus aan. Functies Doe het volgende om functies te openen en regelen/aanpassen: 1. Om er zeker van te zijn dat geen van de bedieningselementen zich midden in een procedure bevindt, moet u ze eerst ‘resetten’ met twee keer drukken op RESET.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening || Functies Informatie Boordcomp reset NB Bij deze functie worden de beide dagtellers T1 en T2 niet op nul gesteld - zie tabel in het volgende gedeelte ‘Rubrieken’ en het gedeelte ‘Op nul stellen - Snelheid/Verbruik gemiddeld’ voor informatie hierover. • • 03 Gemiddeld Gemiddelde snelheid Meldingen Voor meer informatie, zie Meldingen - functies (p. 112). Thema's Hier kiest u het uiterlijk van het instrumentenpaneel (p. 62).
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Rubrieken U kunt een van de rubriekcombinaties in de volgende tabel uitkiezen voor constante weergave op het instrumentenpaneel. Doe het volgende om een keuze te maken: 1. Om er zeker van te zijn dat geen van de bedieningselementen zich midden in een procedure bevindt, moet u ze eerst ‘resetten’ met twee keer drukken op RESET. 03 2. Draai aan het duimwiel - de te kiezen rubriekcombinaties worden in een lus weergegeven.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening || • RESET lang indrukken - gekozen dagteller wordt op nul gesteld. Op nul stellen - Snelheid/Verbruik gemiddeld 1. Kies de functie Boordcomp reset en activeer deze met OK. 03 2. Kies een van de volgende opties met het duimwiel en activeer deze met OK: • • • l/100 km km/h Allebei resetten 3. Sluit af met RESET. Gerelateerde informatie 122 • Boordcomputer - aanvullende informatie (p. 123) • Boordcomputer - rijstatistiek* (p.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Boordcomputer - aanvullende informatie Hier volgt aanvullende informatie over enkele functies. Gemiddeld Het gemiddelde brandstofverbruik sinds de laatste maal dat de waarde op nul gesteld werd. N.B. Er is een bepaalde afwijking mogelijk, als er een verwarming op brandstof* is gebruikt. Gemiddelde snelheid De gemiddelde snelheid voor de afgelegde afstand sinds de laatste nulstelling van de waarde.
03 Instrumenten, schakelaars en bediening Boordcomputer - rijstatistiek* Bediening Er wordt informatie vastgelegd over het gemiddelde brandstofverbruik en de gemiddelde snelheid tijdens eerdere ritten. Deze informatie is weer te geven op het beeldscherm in de vorm van een staafdiagram. Er zijn verschillende instellingen mogelijk in het menusysteem MY CAR, zie MY CAR (p. 112) – ga naar Verbruiksinfo. Functie 03 Met de optie ‘Resetten als motor min.
KLIMAAT
04 Klimaat Algemene informatie over de klimaatregeling De auto is voorzien van elektronische klimaatregeling (p. 132). De klimaatregeling zorgt ervoor dat de lucht in het interieur gekoeld, verwarmd of van vocht ontdaan wordt. N.B. Airconditioning (AC) (p. 136) uitschakelen, maar voor optimaal klimaatcomfort in de passagiersruimte en om te voorkomen dat de ruiten beslaan dient u de airconditioning altijd te laten aanstaan.
04 Klimaat Werkelijke temperatuur Sensoren - klimaat Luchtkwaliteit De ingestelde interieurtemperatuur komt overeen met de gevoelstemperatuur op basis van de heersende omstandigheden in en rond de auto wat de buitentemperatuur, de luchtsnelheid, de luchtvochtigheidsgraad, de ingestraalde warmte enz. betreft. De klimaatregeling beschikt over enkele sensoren om de temperatuur (p. 127) in de auto te regelen.
04 Klimaat Luchtkwaliteit - interieurfilter Alle lucht die de passagiersruimte binnenkomt wordt gereinigd door een filter. Vervang het filter regelmatig. Raadpleeg het Serviceprogramma van Volvo voor het aanbevolen vervangingsinterval. In zeer sterk verontreinigde gebieden moet u het filter mogelijk vaker vervangen.
04 Klimaat Luchtkwaliteit - IAQS* Het Interior Air Quality System (IAQS) ontdoet de binnenkomende lucht van gassen en stofdeeltjes om zo hinderlijke geurtjes en verontreinigingen in de passagiersruimte te beperken. Als de Air Quality Sensor een verhoogde concentratie van verontreinigingen in de buitenlucht meet, wordt de luchtinlaat afgesloten waarna de lucht in de passagiersruimte wordt gerecirculeerd. Het systeem is te activeren/deactiveren in het menusysteem MY CAR.
04 Klimaat Luchtverdeling passagiersruimte Via de middenconsole is het mogelijk de basisinstellingen voor zes van de klimaatregelingsfuncties te activeren/deactiveren of wijzigen. De binnenkomende lucht wordt verdeeld over uiteenlopende blaasmonden verspreid over het interieur. • Ventilatorstand bij automatische klimaatregeling (p. 135). • • Recirculatietimer (p. 138). • • • Automatische achterruitverwarming (p. 105). Interior Air Quality System * (p. 129).
04 Klimaat Luchtverdeling G021368 Blaasmonden in portierstijlen Dicht Luchtverdeling - ontwaseming voorruit Open Luchtverdeling - blaasmond dashboard Luchtstroom naar links of rechts Luchtverdeling - ventilatie vloer Luchtstroom omhoog of omlaag Richt de blaasmonden bij koud weer op de achterste zijruiten om deze te ontwasemen. Richt de blaasmonden, bij warm weer, naar binnen toe voor een behaaglijke temperatuur achter in de auto. N.B.
04 Klimaat Elektronische klimaatregeling, ECC ECC (Electronic Climate Control) handhaaft de temperatuur die in het interieur wordt gekozen en kan voor de bestuurders- en passagierszijde apart worden ingesteld. Met de autofunctie worden temperatuur, airconditioning, ventilatorsnelheid, recirculatie en luchtverdeling automatisch geregeld. 04 Temperatuurregeling (p. 136), links Elektrische voorstoelverwarming (p. 133), linkerkant1 Elektrische voorruitverwarming* en maximale ontwaseming (p.
04 Klimaat Elektrisch verwarmde voorstoelen* • De verwarming van de voorstoelen heeft drie standen om het zitcomfort voor bestuurder en voorpassagier bij kou te verhogen. Laagste verwarmingsstand - er brandt één oranje veld op het beeldscherm. • Verwarming uitschakelen - geen van de velden brandt. WAARSCHUWING Elektrisch verwarmde achterbank* De verwarming voor de buitenste plaatsen van de achterbank heeft drie standen om het comfort voor passagiers te verhogen als het koud is.
04 Klimaat || WAARSCHUWING Een elektrisch verwarmde stoel mag niet worden gebruikt door personen die niet goed kunnen voelen dat de temperatuur toeneemt of die om een andere reden moeilijkheden hebben om de elektrisch verwarmde stoel te bedienen. Er kunnen dan namelijk brandwonden ontstaan. Gerelateerde informatie 04 • Algemene informatie over de klimaatregeling (p. 126) • Elektrisch verwarmde voorstoelen* (p. 133) Geventileerde voorstoelen* Voor de positie van de knop, zie afbeelding (p. 132).
04 Klimaat BELANGRIJK Het is niet mogelijk de stoelventilatie in te schakelen bij een interieurtemperatuur lager dan 5 °C. Dit om te voorkomen dat de passagier op de bewuste stoel te sterk wordt afgekoeld. Ventilator Automatische regeling Houd de ventilator altijd geactiveerd om te voorkomen dat de ruiten beslaan. De autofunctie regelt automatisch temperatuur (p. 136), airconditioning (p. 136), ventilatorsnelheid (p. 135), recirculatie (p. 138) en luchtverdeling (p. 130). N.B.
04 Klimaat Temperatuurregeling passagiersruimte Bij het starten van de motor wordt de laatst verrichte temperatuurinstelling hervat. N.B. Het is niet mogelijk om het opwarmen/ afkoelen te versnellen door een hogere/ lagere temperatuur te kiezen dan die eigenlijk gewenst is. 04 De actuele temperatuur voor beide zones staat aangegeven op het display van de middenconsole. Met deze knop kunt u de temperatuur aan de bestuurders- en passagierszijde onafhankelijk van elkaar instellen.
04 Klimaat Voorruit ontwasemen en ontdooien U kunt de elektrische voorruitverwarming* en de maximale ontwaseming gebruiken om de vooruit en zijruiten snel te ontwasemen en ontdooien. Voor auto’s zonder elektrische voorruitverwarming: • Er stroomt lucht naar de ruiten - op het beeldscherm brandt het symbool (2). • Functie uitschakelen - geen van de symbolen brandt. Voor auto’s met elektrische voorruitverwarming: Het beeldscherm van de middenconsole geeft de gekozen instelling aan.
04 Klimaat Luchtverdeling - recirculatie Kies voor recirculatie als u vieze luchtjes, uitlaatgassen en dergelijke buiten wilt houden. Er komt met andere woorden geen lucht van buiten de auto in, wanneer deze functie actief is. Wanneer de recirculatie actief is, brandt het oranje lampje in de knop. 04 BELANGRIJK Als de lucht in de auto te lang recirculeert, beslaat mogelijk de binnenzijde van de ruiten.
04 Klimaat Luchtverdeling - tabel Met drie knoppen kiest u de gewenste luchtverdeling (p. 130). Luchtverdeling Toepassing Lucht naar de ruiten. Er komt een bepaalde hoeveelheid lucht uit de blaasmonden. De lucht wordt niet gerecirculeerd. De airconditioning is altijd ingeschakeld. om snel te ontdooien en te ontwasemen. Lucht naar de voorruit, via de blaasmond voor ontwaseming, en de zijruiten. Er komt een bepaalde hoeveelheid lucht uit de blaasmonden.
04 Klimaat || Luchtverdeling Toepassing Lucht naar de vloer en de ruiten. Er komt een bepaalde hoeveelheid lucht uit de blaasmonden in het dashboard. om een comfortabel klimaat en een goede ontwaseming te verkrijgen bij koud weer. Lucht naar de vloer en uit de blaasmonden in het dashboard. bij zonnig weer en matige buitentemperaturen. Lucht naar de vloer. Er komt een bepaalde hoeveelheid lucht uit de blaasmonden in het dashboard en op de ruiten. om warme of koude lucht naar de vloer te sturen.
04 Klimaat Motor- en interieurverwarming* Tanken Met preconditioning bereidt de verwarming de motor en het interieur voor om de slijtage en het stroomverbruik tijdens de rit te beperken. ming automatisch uitgeschakeld en verschijnt er een melding op het informatiedisplay. Bevestig deze melding door op de knop OK op de richtingaanwijzerhendel (p. 109) te drukken. De verwarming is direct (p. 142) in te schakelen of vertraagd met een timerfunctie (p. 143).
04 Klimaat Motor- en interieurverwarming* direct inschakelen Directe start via transpondersleutel* De motor- en interieurverwarming zijn direct in te schakelen. Directe start is mogelijk via: • • • 04 het informatiedisplay een transpondersleutel* een mobiele telefoon*. De verwarmingsstatus verschijnt ook op de boordcomputer. Bij directe inschakeling van de motor- en interieurverwarming (p. 141) blijft de verwarming 50 minuten lang draaien.
04 Klimaat Motor- en interieurverwarming* direct uitschakelen Motor- en interieurverwarming* timers 4. Druk kort op OK zodat de uuraanduiding gaat branden. De motor- en interieurverwarming is direct uit te schakelen via het informatiedisplay. De timers van de motor- en interieurverwarming (p. 141) zijn gekoppeld aan de klok van de auto. 5. Stel de gewenste uuraanduiding in met het duimwiel. 1. Druk op de knop OK om het menu te openen. 2. Ga met het duimwiel naar Verwarming en maak een keuze met OK. 3.
04 Klimaat || Uitschakelen U kunt de timergestuurde verwarming uitschakelen voordat de timer dat doet. Ga als volgt te werk: 1. Druk op de knop OK om het menu te openen. 2. Ga met het duimwiel naar Verwarming en maak een keuze met OK. > Als een timer ingesteld maar niet actief is, staat er een kloksymbool naast de ingestelde tijd. 04 3. Kies een van de beide timers met het duimwiel en bevestig uw keuze met OK. 4.
04 Klimaat Motor- en interieurverwarming* meldingen Symbolen en displaymeldingen ten aan zien van de motor- en interieurverwarming (p. 141) verschillen afhankelijk van de vraag of het om een analoog of digitaal instrumentenpaneel (p. 62) gaat. Wanneer een van de timers geactiveerd is, brandt het symbool voor een geactiveerde timer op het display met de ingestelde tijd ernaast. Symbool voor een geactiveerde timer op een analoog instrumentenpaneel.
04 Klimaat || Symbool 04 146 Melding Betekenis Brandstofkachel gestopt Brandstofpeil laag De verwarming kan niet worden geactiveerd door een te laag brandstofpeil – dit om het mogelijk te maken de motor te starten en nog ca. 50 km te rijden. Brandstofkachel Service vereist Verwarming defect. Neem voor reparatie contact op met een werkplaats. Volvo adviseert u contact op te nemen met een erkende Volvo-werkplaats. Een displaymelding verdwijnt automatisch na enige tijd.
04 Klimaat Extra verwarming* Extra verwarming op brandstof* In landen met een koud is wellicht een extra verwarming vereist om de motor op bedrijfstemperatuur te brengen en een behaaglijke temperatuur in de passagiersruimte te realiseren. De auto is uitgerust met een extra verwarming (p. 147) op stroom (p. 148) of op brandstof. Op auto’s met een dieselmotor is een extra verwarming op brandstof (p. 147) gemonteerd.
04 Klimaat Extra verwarming op stroom* De auto is uitgerust met een extra verwarming (p. 147) op brandstof (p. 147). De verwarming is niet handmatig te regelen, maar wordt nadat de motor is aangeslagen automatisch geactiveerd bij buitentemperaturen lager dan 14 °C en wordt gedeactiveerd wanneer de ingestelde interieurtemperatuur is bereikt. Gerelateerde informatie • Motor- en interieurverwarming* (p. 141) 04 148 * Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
LAAD- EN OPBERGMOGELIJKHEDEN
05 Laad- en opbergmogelijkheden Opbergmogelijkheden Overzicht van opbergmogelijkheden in passagiersruimte 05 150
05 Laad- en opbergmogelijkheden Opbergvak in portierpaneel Opbergzak* aan de voorkant van de voorstoelzittingen Parkeerkaarthouder Dashboardkastje (p. 152) Opbergvak Opbergvakken, bekerhouder (p. 152) Bekerhouder* in armsteun, achterbank Opbergvak WAARSCHUWING Bewaar losse voorwerpen, zoals een mobiele telefoon, camera, afstandsbediening voor extra uitrusting e.d., in het dashboardkastje of andere opbergruimten. Bij krachtig afremmen of een botsing kunnen deze anders inzittenden verwonden.
05 Laad- en opbergmogelijkheden Middenconsole Middenconsole - aansteker en asbak* Dashboardkastje De middenconsole zit tussen de voorstoelen. In bekerhouder onder de middenarmsteun zit een uitneembare asbak. De aansteker zit in de 12V-aansluiting (p. 153) voor de voorpassagiers. Het dashboardkastje zit aan de passagierszijde. De asbak in de middenconsole (p. 152) is te verwijderen door deze recht omhoog te tillen. U activeert de aansteker door de knop in te drukken.
05 Laad- en opbergmogelijkheden Inlegmatten* Make-upspiegel Middenconsole - 12V-aansluiting De inlegmatten vangen bijvoorbeeld vuil en natte sneeuw op. Volvo biedt inlegmatten die speciaal vervaardigd zijn. De make-upspiegel zit aan de achterkant van de zonneklep. De elektrische aansluitingen (12 V) vindt u naast de bekerhouder1 en achter in de middenconsole. WAARSCHUWING Gerelateerde informatie • Interieur reinigen (p.
05 Laad- en opbergmogelijkheden || U kunt de elektrische aansluiting voor verschillende accessoires gebruiken die op een spanning van 12 V werken, zoals beeldschermen, mediaspelers of mobiele telefoons. De transpondersleutel moet ten minste in sleutelstand I (p. 78) staan, anders geeft de aansluiting geen stroom. BELANGRIJK U kunt maximaal 10 A (120 W) via de aansluiting afnemen bij gebruik van één aansluiting tegelijk.
05 Laad- en opbergmogelijkheden • • Plaats de last in het midden. • Dek scherpe randen met iets zachts af om de bekleding te beschermen. • Zet alle bagage met riemen of bevestigingsbanden aan de verankeringsogen vast. WAARSCHUWING Breng zware voorwerpen zo laag mogelijk aan. Plaats geen zware voorwerpen op neergeklapte ruggedeelten. Zorg dat u de bagage altijd goed verankert. Bij krachtig remmen kan de bagage namelijk gaan schuiven en inzittenden verwonden.
05 Laad- en opbergmogelijkheden Lading vervoeren - doorsteekluik Klap het rechter ruggedeelte naar voren toe om. U kunt het luikje in het ruggedeelte openen om lange en smalle voorwerpen te vervoeren. Ontgrendel het luikje in het ruggedeelte van de achterbank door de grendel omhoog te duwen en duw tegelijkertijd het luikje naar voren toe open. Zet het ruggedeelte weer rechtop met het luikje open. Maak gebruik van de veiligheidsgordel om de lading vast te zetten.
05 Laad- en opbergmogelijkheden Verankeringsogen WAARSCHUWING verankeringsogen3 De inklapbare in de kofferbak gebruikt u om bagagebanden aan vast te zetten. Harde, scherpe en/of zware voorwerpen die liggen of uitsteken kunnen bij krachtig afremmen letsel veroorzaken. Zet grote en zware voorwerpen altijd met de veiligheidsgordel of een spanband vast.
05 Laad- en opbergmogelijkheden 12V-aansluiting kofferbak* U kunt de elektrische aansluiting voor verschillende accessoires gebruiken die op een spanning van 12 V werken, zoals beeldschermen, mediaspelers of mobiele telefoons. 05 Open het klepje naar boven toe om bij de elektrische aansluiting te komen. • Via de aansluiting is ook stroom af te nemen, wanneer de transpondersleutel niet in het contactslot steekt. BELANGRIJK Max. 10 A (120 W). N.B.
SLOTEN EN ALARM
06 Sloten en alarm Transpondersleutel U gebruikt de transpondersleutel voor onder meer vergrendelen/ontgrendelen en het starten van de motor. Er zijn twee transpondersleutelvarianten: een transpondersleutel in basisuitvoering en een transpondersleutel met PCC (Personal Car Communicator)*. Functies Vergrendelen/ ontgrendelen en afneembaar sleutelblad 06 A B BasisA X met PCCB Er zijn meer transpondersleutels bij te stellen, maar alleen in de varianten die bij de auto geleverd werden.
06 Sloten en alarm Transpondersleutel - personalisering* Dankzij het sleutelgeheugen van de transpondersleutel (p. 160) zijn bepaalde instellingen van de auto te personaliseren. Het sleutelgeheugen is te gebruiken voor de elektrische bedienbare* bestuurdersstoel. Instellingen voor de buitenspiegels (p. 104), bestuurdersstoel, stuurbekrachtiging (p. 250) alsook de thema-, contrast- en kleurinstellingen (p.
06 Sloten en alarm || pen 1–3, zie Voorstoelen - elektrisch bediend* (p. 80). • Zet de stoel en de buitenspiegels handmatig in de juiste stand, zie Voorstoelen elektrisch bediend* (p. 80) en Buitenspiegels (p. 104). Instellingen herstellen Wanneer automatische hervergrendeling van de auto plaatsvindt omdat deze 30 minuten onvergrendeld heeft gestaan, wordt het sleutelgeheugen gedeactiveerd en in plaats daarvan een standaardbestuurdersprofiel gehanteerd.
06 Sloten en alarm Elektronische startblokkering De elektronische startblokkering is een antidiefstalsysteem dat voorkomt dat onbevoegden de auto kunnen starten. Elke transpondersleutel (p. 160) heeft zijn eigen, unieke code. U kunt de auto alleen starten, wanneer u een transpondersleutel met de juiste code gebruikt.
06 Sloten en alarm Transpondersleutel - functies Bij lang indrukken worden alle zijruiten tegelijkertijd geopend. Voor meer informatie, zie Doorluchtfunctie (p. 178). De transpondersleutel in basisuitvoering heeft functies voor bijvoorbeeld vergrendeling en ontgrendeling van de portieren.
06 Sloten en alarm deze functie na ca. 3 minuten automatisch uitgeschakeld. Gerelateerde informatie • • Transpondersleutel (p. 160) • Vergrendelen/ontgrendelen - vanaf de buitenkant (p. 176) Transpondersleutel met PCC* - unieke functies (p. 166) Transpondersleutel - bereik De functies van de transpondersleutel (in basisuitvoering) zijn tot op ca. 20 meter afstand van de auto te gebruiken. Gerelateerde informatie • • Transpondersleutel (p. 160) Transpondersleutel - functies (p.
06 Sloten en alarm Transpondersleutel met PCC* unieke functies Een transpondersleutel met PCC heeft extra functies ten opzichte van een transpondersleutel in basisuitvoering (p. 160) in de vorm van een informatieknop en controlelampjes. Gebruik van de informatietoets – Druk op de informatietoets . > Ca. 7 seconden lang lichten de controlesymbolen op de transpondersleutel om de beurt op. Dit geeft aan dat er informatie over de auto wordt uitgelezen.
06 Sloten en alarm Transpondersleutel met PCC* - bereik N.B. Een transpondersleutel met PCC (Personal Car Communicator) heeft voor vergrendeling en ontgrendeling van de portieren en het kofferdeksel een bereik van ca. 20 meter en ca. 100 meter voor de overige functies.
06 Sloten en alarm Afneembaar sleutelblad - verwijderen/ aanbrengen Het verwijderen/aanbrengen van het afneembare sleutelblad (p. 167) gaat als volgt: Sleutelblad verwijderen Gerelateerde informatie • Afneembaar sleutelblad - portier ontgrendelen (p. 168) • Kinderslot - handmatige activering (p. 181) • Passagiersairbag - activering/deactivering* (p. 33) Afneembaar sleutelblad - portier ontgrendelen Het afneembare sleutelblad (p.
06 Sloten en alarm • • Transpondersleutel (p. 160) Transpondersleutel - batterij vervangen (p. 170) Privacy locking* Privacy locking is bestemd voor als u de auto afgeeft voor een onderhoudsbeurt of als u hem bij een hotel of iets dergelijks laat parkeren. Het dashboardkastje is dan vergrendeld en het kofferdekselslot is niet via de centrale vergrendeling te openen - het kofferdeksel is niet meer te bedienen met de knoppen op de voorportieren of die op de transpondersleutel (p. 160).
06 Sloten en alarm || Activeren/deactiveren N.B. Plaats het sleutelblad niet terug op de transpondersleutel, maar berg het goed op. • Houd voor het deactiveren de omgekeerde volgorde aan. Om alleen het dashboardkastje te vergrendelen, zie Vergrendelen/ontgrendelen - dashboardkastje (p. 178). Transpondersleutel - batterij vervangen U moet de batterij5 in de transpondersleutel mogelijk vervangen.
06 Sloten en alarm N.B. Keer de transpondersleutel met de knoppen naar boven om te voorkomen dat de batterijen eruit vallen als deze wordt geopend. Batterijtype Gebruik batterijen met de aanduiding CR2430, 3 V (één in een transpondersleutel in basisuitvoering, twee in een transpondersleutel met PCC). N.B. BELANGRIJK Volvo adviseert u om batterijen voor de transpondersleutel/PCC te gebruiken die voldoen aan UN Manual of Test and Criteria, Part III, sub-section 38.3.
06 Sloten en alarm Keyless Drive* Auto’s uitgerust met Keyless Drive zijn voorzien van een start- en vergrendelingssysteem dat zonder sleutels werkt. Met het Keyless Drive start- en vergrendelingssysteem is de auto te starten, vergrendelen en ontgrendelen zonder dat de transpondersleutel (p. 160)6 daarvoor in het contactslot hoeft te zitten. U hoeft de transpondersleutel alleen bij u te dragen in bijvoorbeeld een binnenzak.
06 Sloten en alarm Keyless Drive* - veilig gebruik van de transpondersleutel Keyless Drive* - storingen in de functie van de transpondersleutel Pas goed op alle transpondersleutels van de auto. De Keyless-functies (p. 172) kunnen gestoord worden door elektromagnetische velden en afschermingen. Als u een van de transpondersleutels8 in de auto vergeet, wordt het Keyless-systeem bijvoorbeeld bij het vergrendelen van de auto gedeactiveerd. Onbevoegden kunnen de portieren er dan niet meer mee openen.
06 Sloten en alarm || N.B. Op auto's met een automatische versnellingsbak moet de keuzehendel in de Pstand staan. Anders kan de auto niet worden vergrendeld of op alarm worden gezet. Gerelateerde informatie • • Keyless Drive* (p. 172) Alarmindicatie (p. 183) Er wordt ontgrendeld wanneer iemand een portierhandgreep beetpakt of op het met rubber beklede drukplaatje van het kofferdeksel drukt – open het portier of het kofferdeksel op de normale manier.
06 Sloten en alarm Keyless Drive* vergrendelingsinstellingen 1. Duw het sleutelblad ca. 1 cm recht omhoog in de opening aan de onderkant van de portierhandgreep/afdekking – niet wrikken. > De kunststof afdekking komt automatisch los, wanneer u het blad recht omhoog de opening induwt. De vergrendelingsinstellingen voor auto’s met het Keyless Drive-systeem zijn aan te passen door in het menusysteem MY CAR aan te geven welke portieren er ontgrendeld moeten worden. 2.
06 Sloten en alarm || WAARSCHUWING Personen met een pacemaker mogen niet dichter dan 22 cm bij de antennes van het Keyless-systeem komen. Hierdoor voorkomt u storingen tussen de pacemaker en het Keyless-systeem. Gerelateerde informatie • Keyless Drive* (p. 172) Vergrendelen/ontgrendelen - vanaf de buitenkant Met de transpondersleutel (p. 160) is vergrendeling/ontgrendeling van de buitenkant mogelijk.
06 Sloten en alarm Vergrendelen/ontgrendelen - van de binnenzijde • Alle portieren en het kofferdeksel worden tegelijkertijd vergrendeld of ontgrendeld met de knop van het bestuurdersportier en het passagiersportier* voor centrale vergrendeling. Bij lang indrukken worden ook alle zijruiten* tegelijkertijd geopend (zie ook Doorluchtfunctie (p. 178)). • Centrale vergrendeling Bij het indrukken van de knop voor cen.
06 Sloten en alarm Doorluchtfunctie Bij warm weer kunt u de doorluchtfunctie gebruiken om alle zijruiten tegelijk korte tijd te openen en weer te sluiten en op die manier snel voor frisse lucht in de auto te zorgen. Vergrendelen/ontgrendelen dashboardkastje Het dashboardkastje (p. 152) valt alleen te vergrendelen/ontgrendelen met het afneembare sleutelblad van de transpondersleutel. Voor informatie over het sleutelblad, zie Afneembaar sleutelblad - verwijderen/ aanbrengen (p. 168).
06 Sloten en alarm Vergrendelen/ontgrendelen kofferdeksel Het kofferdeksel is op meerdere manieren te openen, vergrendelen en ontgrendelen. Ontgrendelen met transpondersleutel drukplaatje onder de buitenhandgreep en open het deksel. N.B. Als het kofferdeksel niet binnen twee minuten na ontgrendeling wordt geopend, wordt het kofferdeksel weer vergrendeld en het alarm opnieuw geactiveerd.
06 Sloten en alarm || Van de binnenzijde ontgrendelen Safelock-functie* Tijdelijk deactiveren Bij activering van de Safelock-functie worden alle vergrendelknoppen en openingshandgrepen mechanisch losgekoppeld, wat het openen van de portieren van zowel de binnen- als de buitenzijde onmogelijk maakt. Met de transpondersleutel (p. 160) activeert u de Safelock-functie die ca. tien seconden na vergrendeling van de portieren in werking treedt. N.B.
06 Sloten en alarm N.B. • Let erop dat het alarm wordt geactiveerd bij vergrendeling van de auto. • Als een van de portieren van de binnenzijde wordt geopend, gaat het alarm af. Kinderslot - handmatige activering N.B. Het kinderslot voorkomt dat kinderen een achterportier vanaf de binnenzijde kunnen openen. Kinderslot activeren/deactiveren • De vergrendelbus van een portier dient alleen om het desbetreffende portier te vergrendelen – dus niet beide achterportieren.
06 Sloten en alarm Kinderslot - elektrische activering* Het elektrisch geactiveerde kinderslot voorkomt dat kinderen achter in de auto de achterportieren of de achterste zijruiten kunnen openen. Activeren Het kinderslot is in alle sleutelstanden (p. 77) anders dan 0 te activeren/deactiveren en dat binnen 2 minuten na het afzetten van de motor, op voorwaarde dat er geen portier wordt geopend. Doe het volgende om het kinderslot te activeren: 2.
06 Sloten en alarm N.B. De bewegingsmelders laten het alarm afgaan bij bewegingen in de passagiersruimte – ook eventuele luchtstromen worden geregistreerd. Het alarm kan dan ook afgaan, als u de auto met een ruit of schuifdak open laat staan of als u de interieurverwarming gebruikt. Om dat te voorkomen: Sluit bij het verlaten van de auto alle ruiten en het schuifdak.
06 Sloten en alarm Alarmsysteem - automatische herinschakeling Alarmsysteem - transpondersleutel defect De automatische herinschakeling van het alarm voorkomt dat u de auto verlaat zonder het alarmsysteem (p. 182) uit te schakelen. Als u het alarm (p. 182) niet kunt uitschakelen met de transpondersleutel (als bijvoorbeeld de batterij (p.
06 Sloten en alarm Beperkt alarmniveau Een beperkt alarmniveau houdt in dat de bewegingsmelders en niveausensoren tijdelijk worden uitgeschakeld. Om te voorkomen dat het alarmsysteem (p. 182) onbedoeld afgaat als u bijvoorbeeld een hond in een vergrendelde auto achterlaat of een autotrein of veerverbinding gebruikt, dienen de bewegingsmelder en de niveausensoren tijdelijk te worden gedeactiveerd.
RIJHULP
07 Rijhulp Actief chassis - FOUR-C* Bediening Het actieve chassissysteem FOUR-C (Continously Controlled Chassis Concept) stemt de eigenschappen van de schokdempers af op de gewenste rijeigenschappen van de auto. U hebt de keuze uit drie standen: Comfort, Sport en Advanced. De stabiliteitsregeling ESC ((Electronic Stability Control)) helpt u voorkomen dat de wielen doorslippen en verbetert de tractie van de auto.
07 Rijhulp || Antispinregeling Deze regeling voorkomt dat de aangedreven wielen tijdens het optrekken doorslippen. Tractieregeling Deze regeling is actief op lage snelheden en brengt de aandrijfkracht van een slippend aandrijfwiel over op een aandrijfwiel dat niet slipt. Gerelateerde informatie • Elektronische stabiliteitsregeling (ESC) bediening (p. 188) • Elektronische stabiliteitsregeling (ESC) symbolen en meldingen (p.
07 Rijhulp Elektronische stabiliteitsregeling (ESC) - symbolen en meldingen Tabel Symbool Melding Betekenis ESC Tijdelijk UIT Wegens een te hoge temperatuur van de remschijven gelden er tijdelijk beperkingen voor het ESC-systeem. Het systeem wordt automatisch opnieuw ingeschakeld, wanneer de remmen voldoende zijn afgekoeld. ESC Service vereist Het ESC-systeem is defect. • • Breng de auto zo spoedig mogelijk tot stilstand, zet de motor af en start deze opnieuw.
07 Rijhulp || Symbool Melding Betekenis Knippert. Het ESC-systeem grijpt in. Brandt continu. De Sport-stand is geactiveerd. NB In deze stand is het ESC niet helemaal uitgeschakeld – er gelden bepaalde beperkingen. Gerelateerde informatie 07 190 • Elektronische stabiliteitsregeling (ESC) algemeen (p. 187) • Elektronische stabiliteitsregeling (ESC) bediening (p.
07 Rijhulp Verkeersbordinformatie (RSI)* WAARSCHUWING Het verkeersbordinformatiesysteem (RSI – Road Sign Information) helpt u onthouden welke snelheidsborden u gepasseerd bent. RSI werkt niet in alle situaties, maar is uitsluitend bedoeld als een aanvullend hulpmiddel. Als bestuurder bent u er altijd verantwoordelijk voor dat u de auto op een veilige manier bestuurt en dat u zich aan de geldende verkeersregels en voorschriften houdt.
07 Rijhulp || Einde snelheidsbeperking of snelweg Aanvullende borden Wanneer het RSI een bord registreert dat het einde van een snelheidsbeperking aangeeft (of andere snelheidsgerelateerde informatie zoals het einde van een snelweg), verschijnt het desbetreffende verkeersbord ca. 10 seconden lang op het instrumentenpaneel: Het snelheidsbord dat aan dit type aanvullend bord is gekoppeld, verschijnt alleen als u de richtingaanwijzer gebruikt.
07 Rijhulp Instelling in MY CAR Speed Alert De beschikbare opties voor het RSI vindt u in het menusysteem MY CAR, zie MY CAR (p. 112). Het verkeersbordinformatiesysteem (RSI – Road Sign Information) helpt u onthouden welke snelheidsborden u gepasseerd bent. Het systeem heeft de volgende beperkingen. Road Sign Information Aan/Uit Het is mogelijk de weergave van snelheidssymbolen op het instrumentenpaneel te deactiveren. U kunt het systeem activeren/ deactiveren in het menusysteem MY CAR.
07 Rijhulp Cruisecontrol* WAARSCHUWING De cruisecontrol (CC – Cruise Control) helpt u een gelijkmatige snelheid te houden, wat zorgt voor een comfortabeler rijervaring op lange ritten op snelwegen en lange, rechte hoofdwegen met een gelijkmatige verkeersstroom. De bestuurder dient altijd rekening te houden met de verkeersomstandigheden en in te grijpen, wanneer de cruisecontrol geen passende snelheid en/of afstand aanhoudt.
07 Rijhulp Om aan te passen met +/- 5 km/h: • Kort indrukken - elke keer drukken komt overeen met +/- 5 km/h. Snelheidsbegrenzer* tijdelijk deactiveren en stand-bystand Om aan te passen met +/- 1 km/h: Het systeem is tijdelijk te activeren en in de stand-bystand te zetten. • Tijdelijk deactiveren – stand-bystand Houd de knop ingedrukt en laat deze weer los, wanneer op het instrumentenpaneel een markering bij de gewenste snelheid verschijnt.
07 Rijhulp Cruisecontrol* - ingestelde snelheid hervatten De cruisecontrol (CC – Cruise Control) helpt u een gelijkmatige snelheid aan te houden. Hier volgt een beschrijving van hoe u het systeem uitschakelt. Na tijdelijke deactivering en de stand-bystand (p. 195) kunt u de eerder ingestelde snelheid hervatten. De cruisecontrol wordt uitgeschakeld met de stuurtoets (1) of bij het afzetten van de motor: de ingestelde/opgeslagen snelheid wordt daarbij gewist waarna deze niet meer te her.
07 Rijhulp WAARSCHUWING De bestuurder dient altijd rekening te houden met de verkeersomstandigheden en in te grijpen, wanneer de adaptieve cruisecontrol geen passende snelheid of afstand aanhoudt. De adaptieve cruisecontrol leent zich niet voor alle verkeers-, weers- en wegomstandigheden. Neem alle hoofdstukken over de adaptieve cruisecontrol in de gebruikershandleiding door voor informatie over de systeembeperkingen die u moet kennen alvorens het systeem te gebruiken.
07 Rijhulp || WAARSCHUWING De adaptieve cruisecontrol is geen systeem dat botsingen voorkomt. Grijp zelf in zodra u merkt dat het systeem een voorligger niet registreert. De adaptieve cruisecontrol reageert niet op voetgangers of dieren noch op kleinere voertuigen, zoals fietsen of motorfietsen e.d. Tegenliggers, langzaam rijdende en stilstaande voertuigen of vaste obstakels worden eveneens genegeerd.
07 Rijhulp (p. 221) en een geluidssignaal op attent gemaakt dat u onmiddellijk moet ingrijpen. • Adaptieve cruisecontrol* - een ander voertuig inhalen (p. 203) Adaptieve cruisecontrol* - overzicht N.B. Bij felle zon of bij gebruik van een zonnebril kan het waarschuwingslampje moeilijk te zien zijn. WAARSCHUWING De adaptieve cruise control waarschuwt alleen voor door de radarsensor gedetecteerde voertuigen - het kan daarom voorkomen dat een waarschuwing vertraagd of helemaal niet wordt weergegeven.
07 Rijhulp || Gerelateerde informatie • • • Adaptieve cruisecontrol - ACC* (p. 196) Adaptieve cruisecontrol* - functie (p. 197) Adaptieve cruisecontrol* - symbolen en meldingen (p. 209) Adaptieve cruisecontrol* - snelheid regelen Om de ACC aan te zetten: • Druk op de stuurtoets – op het instrumentenpaneel (8) gaat een vergelijkbaar WIT symbool branden om aan te geven dat de adaptieve cruisecontrol stand-by (p. 202) staat. Om de ACC te activeren: • Druk bij de gewenste snelheid op de of .
07 Rijhulp Wanneer u tijdelijk gas geeft via het gaspedaal zoals bij een inhaalmanoeuvre, blijft de instelling ongewijzigd – de auto hervat de laatst opgeslagen snelheid zodra u het gaspedaal loslaat. N.B. Als u een knop van de adaptieve cruisecontrol meerdere minuten ingedrukt houdt, wordt de cruisecontrol geblokkeerd en uitgeschakeld. Om de cruisecontrol dan weer te kunnen activeren moet u de auto tot stilstand brengen en de motor opnieuw starten.
07 Rijhulp Adaptieve cruisecontrol* - tijdelijke deactivering en stand-by De adaptieve cruisecontrol is tijdelijk te deactiveren en stand-by te zetten. Tijdelijke deactivering/stand-bystand Om de adaptieve cruisecontrol tijdelijk uit te schakelen en stand-by te zetten: • Druk op de stuurtoets Dit symbool en de markering van de opslagen snelheid verkleuren dan van GROEN naar WIT.
07 Rijhulp Adaptieve cruisecontrol* - een ander voertuig inhalen Adaptieve cruisecontrol* uitschakelen Als u achter een voorligger rijdt en u met de richtingaanwijzer8 aangeeft te willen inhalen, helpt de cruisecontrol door de auto kort te versnellen ten opzichte van de voorligger. Bij kort indrukken van de stuurtoets zet u de adaptieve cruisecontrol stand-by (p. 202). Bij nogmaals kort indrukken vindt uitschakeling plaats: de ingestelde/opgeslagen snelheid wordt daarbij gewist waarna deze niet .
07 Rijhulp || Groter snelheidsinterval > De adaptieve cruisecontrol zal dan de voorligger opnieuw volgen. N.B. Om de adaptieve cruisecontrol te kunnen activeren moet u het bestuurdersportier hebben gesloten en de veiligheidsgordel hebben omgedaan. Met een automatische versnellingsbak kan de adaptieve cruisecontrol een voorligger volgen in het interval 0–200 km/h. N.B. N.B.
07 Rijhulp De File-assistent los in de volgende gevallen de remmen en zet de adaptieve cruisecontrol stand-by: • • • • u bedient het rempedaal u zet de parkeerrem aan u zet de keuzehendel in stand P, N of R u de adaptieve cruisecontrol stand-by zet.
07 Rijhulp Radarsensor De radarsensor dient om personenauto’s of grotere voertuigen te registreren die in dezelfde richting als u en in dezelfde rijstrook rijden.
07 Rijhulp WAARSCHUWING WAARSCHUWING De bestuurder dient altijd rekening te houden met de verkeersomstandigheden en in te grijpen, wanneer de adaptieve cruisecontrol geen passende snelheid of afstand aanhoudt. De adaptieve cruisecontrol is geen systeem dat botsingen voorkomt. Grijp zelf in zodra u merkt dat het systeem een voorligger niet registreert. De adaptieve cruisecontrol reageert niet op voetgangers of dieren noch op kleinere voertuigen, zoals fietsen of motorfietsen e.d.
07 Rijhulp Adaptieve cruisecontrol* - storingen opsporen en verhelpen Als op het instrumentenpaneel de melding Radar afgedekt Zie instructieboekje ver- Deze melding geeft aan dat de Afstandswaarschuwing (p. 211) of Collision Warning met Auto Brak (p. 221) evenmin werken. Maatregel Het radaroppervlak van de grille is vuil of bedekt met sneeuw of ijs. Ontdoe het radaroppervlak van de grille van vuil, sneeuw en ijs. De radarsignalen worden gehinderd door hevige regen- of sneeuwval.
07 Rijhulp Adaptieve cruisecontrol* - symbolen en meldingen ziet u een paar voorbeelden - volg in die gevallen het gegeven advies op: Soms kan de adaptieve cruisecontrol een symbool en/of een melding weergeven. Hier Symbool Melding Betekenis Het symbool is GROEN De auto houdt de opgeslagen snelheid aan. Het symbool is WIT De adaptieve cruisecontrol staat stand-by. De standaard cruisecontrol is handmatig gekozen.
07 Rijhulp || Symbool Melding Betekenis Adaptieve cruise control Service vereist De adaptieve cruisecontrol werkt niet. Remmen om stil te blijven staan + geluidssignaal De auto staat stil en de cruisecontrol lost de rem, zodat de parkeerrem verder kan remmen en de auto stil kan houden. Door een storing in de parkeerrem zal de auto echter spoedig in beweging komen. (Alleen auto met file-assistent) Onder 30 km/h Voorligger vereist • • Gerelateerde informatie Adaptieve cruisecontrol - ACC* (p.
07 Rijhulp Afstandswaarschuwing* De afstandswaarschuwing (Distance Alert) waarschuwt u, als het tijdsverschil ten opzichte van de voorligger te klein wordt. Distance Alert is actief bij snelheden hoger dan 30 km/h en reageert uitsluitend op voorliggers die in dezelfde richting als u rijden. Voor voertuigen die langzaam in tegengestelde richting rijden of stilstaan wordt geen afstandsinformatie gegeven. N.B. De afstandswaarschuwing is uitgeschakeld, zolang de adaptieve cruisecontrol actief is.
07 Rijhulp || Hetzelfde symbool verschijnt ook wanneer de Adaptieve cruisecontrol (p. 197) geactiveerd is. N.B. Hoe hoger de snelheid, hoe langer de volgafstand in meters voor een bepaalde volgtijd. De ingestelde volgtijd wordt ook gebruikt door de adaptieve cruisecontrol (p. 197). Houd alleen een volgtijd aan die niet in strijd is met de geldende verkeersregels. Gerelateerde informatie • Afstandswaarschuwing* - beperkingen (p. 212) • Afstandswaarschuwing* - symbolen en meldingen (p.
07 Rijhulp Afstandswaarschuwing* - symbolen en meldingen duceerde werking op grond van de systeembeperkingen. Er kunnen symbolen en meldingen op het instrumentenpaneel verschijnen bij een gere- SymboolA Melding Betekenis Radar afgedekt Zie instructieboekje De afstandswaarschuwing werkt tijdelijk niet. De radarsensor kan geen andere voertuigen registreren. Bijvoorbeeld wanneer deze wordt gehinderd door hevige regenval of als sneeuwmodder of andere verontreinigingen de radarsensor afdekken.
07 Rijhulp City Safety™ BELANGRIJK City Safety™ is een hulpmiddel om u te helpen een botsing te voorkomen tijdens filerijden e.d., waarbij plotselinge wijzigingen in het verkeer vóór u gekoppeld aan onoplettendheid tot bijna-ongelukken kunnen leiden. Onderhoud en vervanging van onderdelen in City Safety™ mogen uitsluitend door een werkplaats worden uitgevoerd - geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
07 Rijhulp Wanneer het systeem ingrijpt en remt, verschijnt op het instrumentenpaneel de tekstmelding dat het systeem actief is/was. N.B. Als City Safety™ remt, gaan de remlichten branden. City Safety™ - bediening City Safety™ is een hulpmiddel om u te helpen een botsing te voorkomen tijdens filerijden e.d., waarbij plotselinge wijzigingen in het verkeer vóór u gekoppeld aan onoplettendheid tot bijna-ongelukken kunnen leiden.
07 Rijhulp || WAARSCHUWING De lasersensor geeft ook laserlicht af, wanneer u City Safety™ handmatig uitgeschakeld hebt. Gerelateerde informatie • • • • • City Safety™ - functie (p. 214) • MY CAR (p. 112) City Safety™ (p. 214) City Safety™ - beperkingen (p. 216) City Safety™ - lasersensor (p. 218) City Safety™ - symbolen en meldingen (p. 220) City Safety™ - beperkingen De City Safety™-sensor is erop gebouwd om auto’s en andere voertuigen vóór u te ontdekken, zowel overdag als ’s nachts.
07 Rijhulp N.B. • Houd de voorruit in het gebied vóór de lasersensor vrij van sneeuw, ijs, condens en vuil (zie de afbeelding met de sensorpositie (p. 214)). • Plak of bevestig geen zaken op de voorruit vóór de lasersensor. • Haal sneeuw en ijs van de motorkap – de laag sneeuw en ijs mag niet dikker zijn dan 5 cm. Oorzaak BELANGRIJK Maatregel Het voorruitoppervlak vóór de lasersensor is vuil of bedekt met sneeuw of ijs. Ontdoe het voorruitoppervlak vóór de lasersensor van vuil, sneeuw en ijs.
07 Rijhulp City Safety™ - lasersensor Het City Safety™-systeem maakt gebruik van een sensor die laserlicht uitzendt (zie afbeelding (p. 214) voor de locatie van de sensor). Neem contact op met een gekwalificeerde werkplaats als de lasersensor een storing vertoont of nagekeken moet worden – geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats. Het is daarom essentieel dat u de aangegeven instructies opvolgt bij het hanteren van de lasersensor.
07 Rijhulp • Koppel de connector van de lasersensor los voordat u deze van de voorruit demonteert. • Zorg dat de lasersensor op de voorruit gemonteerd is alvorens de connector aan te sluiten. • De lasersensor zendt laserlicht uit wanneer de transpondersleutel in sleutelstand II (p. 78) staat, ook al is de motor afgezet. Gerelateerde informatie • • • • • City Safety™ (p. 214) City Safety™ - beperkingen (p. 216) City Safety™ - functie (p. 214) City Safety™ - bediening (p.
07 Rijhulp City Safety™ - symbolen en meldingen Terwijl City Safety™ (p. 214) automatisch remt, kunnen een of meer symbolen op het Symbool instrumentenpaneel gaan branden in combinatie met een tekstmelding. Meldingen kunt u van het display halen door de OK-knop op de richtingaanwijzerhendel kort in te drukken. Melding Betekenis/Maatregel Automatisch remmen door City Safety City Safety™ remt op dit moment of remde eerder automatisch.
07 Rijhulp Collision Warning*15 ‘Collision Warning met Auto Brake en fietsersen voetgangersdetectie’ is een hulpmiddel dat bedoeld is om u te waarschuwen, wanneer het gevaar bestaat dat u op een voetganger of achter op een (stilstaande of rijdende) fietser of voorligger botst. ‘Collision Warning met Auto Brake en fietsers- en voetgangersdetectie’ wordt geactiveerd in situaties waar u eigenlijk al veel eerder had moeten remmen, zodat het systeem niet altijd uitkomst biedt.
07 Rijhulp Collision Warning* - functie 1 – Collision Warning Eerst wordt u gewaarschuwd voor een dreigende aanrijding. Collision Warning kan voetgangers, fietsers of voertuigen voor uw auto registreren die stilstaan of zich in dezelfde richting als u bewegen. Bij gevaar voor een aanrijding met een voetganger, fietser of voertuig, wordt uw aandacht getrokken met een rood knipperend waarschuwingssymbool (1) en een akoestisch signaal. Functie-overzicht17.
07 Rijhulp WAARSCHUWING Collision Warning werkt niet in alle rijsituaties, verkeers-, weers- en wegomstandigheden. Collision Warning reageert niet op naderende tegenliggers of fietsers noch op dieren. Collision Warning* - detectie van fietsers Er wordt alleen gewaarschuwd wanneer het risico van een botsing groot is. In het onderdeel “Functie” en “Beperkingen” wordt geïnformeerd over de beperkingen die u als bestuurder moet kennen, voordat u de Collision Warning met Auto Brake gebruikt.
07 Rijhulp || zichtbaar en goedgekeurd20 is en op minstens 70 cm boven het wegdek zit. • • WAARSCHUWING Collision Warning met Auto Brake en voetgangers- en fietserdetectie is een hulpmiddel. Het systeem kan fietsers alleen recht van achteren ontdekken en alleen als deze zich in dezelfde richting als uw auto bewegen – niet schuin van achteren of van opzij.
07 Rijhulp • Een voetganger is alleen te ontdekken wanneer deze helemaal zichtbaar is en een lengte heeft van minimaal 80 cm. • Bij zonsondergang en -opgang kan de camerasensor voetgangers minder goed registreren – vergelijkbaar met het menselijke oog.
07 Rijhulp || MY CAR (p. 112) - kies daar Lang, Normaal of Kort. De waarschuwingsafstand is bepalend voor de gevoeligheid van het systeem. Bij de waarschuwingsafstand Lang wordt eerder gewaarschuwd. Ga altijd uit van de instelling Lang, maar als deze instelling te vaak tot waarschuwingen leidt (wat in bepaalde situaties als hinderlijk kan worden ervaren) kunt u overgaan op de waarschuwingsafstand Normaal.
07 Rijhulp Collision Warning* - beperkingen Het systeem heeft bepaalde beperkingen – zo is het systeem pas actief bij snelheden van ca. 4 km/h en hoger. In de felle zon en bij lichtschitteringen alsook het gebruik van een zonnebril is het op de voorruit geprojecteerde waarschuwingslampje voor de Collision Warning (zie (1) op de afbeelding (p. 222)) soms moeilijk te ontdekken. Dat is ook mogelijk als u niet recht vooruit kijkt. Houd de waarschuwingszoemer daarom altijd ingeschakeld.
07 Rijhulp || Met geactiveerde achteruitversnelling is de Collision Warning met Auto Brake tijdelijk gedeactiveerd. Collision Warning met Auto Brake wordt niet geactiveerd op lage snelheden (onder 4 km/h), wat betekent dat het systeem niet ingrijpt in situaties waarbij uw auto een voorligger uiterst langzaam nadert zoals tijdens het parkeren. In situaties waarin u actief en bewust rijgedrag laat zien, wordt Collision Warning minder actief.
07 Rijhulp Dit houdt bovendien in dat niet alleen Collision Warning met Auto Brake maar ook de functies Automatische dimfunctie groot licht/ dimlicht, Road Sign Information, Driver Alert Control en Lane Departure Warning niet voor de volle 100 % zullen werken. In de volgende tabel staan mogelijke oorzaken van het verschijnen van de melding en passende maatregelen. Oorzaak Maatregel Het voorruitoppervlak vóór de camera is vuil of bedekt met sneeuw of ijs.
07 Rijhulp Collision Warning* - symbolen en meldingen del dat bedoeld is om u te waarschuwen, wanneer het gevaar bestaat dat u op een voetganger of achter op een (stilstaande of rijdende) fietser of voorligger botst. ‘Collision Warning met Auto Brake en voetgangers- en fietsersdetectie’ is een hulpmid- SymboolA Melding Betekenis Collision warning system UIT Collision Warning is uitgeschakeld. Verschijnt bij het starten van de motor. De melding dooft automatisch na ca.
07 Rijhulp SymboolA Melding Betekenis Radar afgedekt Zie instructieboekje Collision Warning met Auto Brake werkt tijdelijk niet. De radarsensor kan geen andere voertuigen registreren. Bijvoorbeeld wanneer deze wordt gehinderd door hevige regenval of als sneeuwmodder of andere verontreinigingen de radarsensor afdekken. Lees meer over de beperkingen van de radarsensor (p. 206). CWS-systeem Service vereist A Collision Warning met Auto Brake werkt niet of gedeeltelijk.
07 Rijhulp Driver Alert System*30 Driver Alert System is bestemd om u te helpen als de auto op een ongecontroleerde manier wordt bestuurd of op het punt staat de rijstrookmarkering te overschrijden. Gerelateerde informatie • • Driver Alert System bestaat uit verschillende functies die tegelijk of apart in te schakelen zijn: • • Driver Alert Control - DAC (p. 233). Driver Alert Control (DAC)* (p. 232) Rijbaanassistent (LDW)* (p.
07 Rijhulp dat geval wordt er dan ook niet gewaarschuwd. Het is daarom van groot belang dat u bij opkomende vermoeidheid de auto op een geschikte plek parkeert om een pauze in te lassen, ongeacht de vraag of DAC nu wel of niet heeft gewaarschuwd. N.B. De functie mag niet worden gebruikt om de rijtijd te verlengen. Plan altijd regelmatig pauzes in en zorg ervoor dat u bent uitgerust. Beperkingen Soms kan het systeem ten onrechte waarschuwen voor ongecontroleerde stuurbewegingen.
07 Rijhulp Driver Alert Control (DAC)* - symbolen en meldingen mentenpaneel of op het beeldscherm van de middenconsole laten verschijnen. Het DAC (p. 232) kan in uiteenlopende situaties symbolen en meldingen op het instru- Hier volgen enkele voorbeelden: SymboolA Melding Betekenis Driver Alert Tijd voor pauze De auto vertoont zwalkend rijgedrag – u wordt gewaarschuwd met een zoemersignaal en een displaymelding. Voorruitsensoren afgedekt Zie instructieboek De camerasensor werkt tijdelijk niet.
07 Rijhulp Rijbaanassistent (LDW)* N.B. De Rijbaanassistent is een van de functies van Driver Alert System – wordt ook wel LDW (Lane Departure Warning) genoemd. Iedere keer dat de wielen een markering passeren wordt u slechts eenmaal gewaarschuwd. U wordt dan ook niet meer gewaarschuwd, wanneer u met één wiel aan weerszijden zijden van de rijstrookmarkering blijft rijden.
07 Rijhulp || Anders is de functiestatus bij het afzetten van de motor bepalend. • Hogere gevoeligheid – Verhoogde gevoeligheid, zodat er eerder wordt gewaarschuwd en minder beperkingen gelden. Rijbaanassistent (LDW) - bediening LDW wordt in verschillende situaties gecompleteerd met duidelijke grafische voorstellingen op het instrumentenpaneel. Hier volgen enkele voorbeelden: Gerelateerde informatie • • Rijbaanassistent (LDW)* (p. 235) Rijbaanassistent (LDW) - beperkingen (p.
07 Rijhulp Rijbaanassistent (LDW) - beperkingen De camerasensor van de rijbaanassistent heeft beperkingen, net als het menselijk oog. Lees meer over de beperkingen van de camerasensor (p. 228). N.B. In de volgende situaties waarschuwt het LDW echter niet: • • • • • Bij gebruik van de richtingaanwijzers Bij bediening van het rempedaal35 Bij snelle bediening van het gaspedaal35 Bij snelle stuurbewegingen35 Bij dusdanig scherpe bochten dat de auto overhelt.
07 Rijhulp Rijbaanassistent (LDW) - symbolen en meldingen In situaties waar het LDW-systeem niet wordt geactiveerd kan er een symbool op het instru- SymboolA mentenpaneel verschijnen in combinatie met een verklarende melding – volg in dat geval het gegeven advies op. Melding Betekenis Lane Departure Warning AAN/ Lane Departure Warning UIT De functie is ingeschakeld/uitgeschakeld. Voorbeelden van meldingen: Verschijnt bij inschakeling/uitschakeling. De melding verdwijnt automatisch na ca. 5 seconden.
07 Rijhulp Parkeerhulp* Parkeerhulp is bedoeld als hulpmiddel tijdens het parkeren. Geluidssignalen en symbolen op het display van de middenconsole geven de afstand aan tot een waargenomen obstakel. Het parkeerhulpvolume is tijdens de weergave van geluidssignalen bij te stellen met de VOL-knop op de middenconsole of in het menusysteem (p. 112) MY CAR van de auto. Gerelateerde informatie • Park Assist* - sensoren schoonmaken (p. 242) • • • • • Park Assist* - functie (p.
07 Rijhulp || Op het display van de middenconsole verschijnt een schematische weergave van de onderlinge posities van de auto en een eventueel obstakel. BELANGRIJK Voorwerpen zoals kettingen, smalle glanzende palen of lage obstakels kunnen ‘afgeschaduwd’ worden en worden in dat geval tijdelijk niet geregistreerd door de sensoren – het onderbroken geluidssignaal kan dan plotseling wegvallen in plaats van over te gaan in het verwachte ononderbroken geluidssignaal.
07 Rijhulp N.B. Bij het achteruitrijden met een aanhanger achter de auto of een fietsdrager op de trekhaak – zonder een originele aanhangerkabel van Volvo – moet u de Park Assist mogelijk handmatig uitschakelen om te voorkomen dat de sensoren erop reageren. Gerelateerde informatie • • • • Parkeerhulp* (p. 239) N.B. Park Assist is bedoeld als hulpmiddel tijdens het parkeren. Geluidssignalen en symbolen op het display van de middenconsole geven de afstand aan tot een waargenomen obstakel.
07 Rijhulp Park Assist* - sensoren schoonmaken Park Assist is bedoeld als hulpmiddel tijdens het parkeren. Geluidssignalen en symbolen op het display van de middenconsole geven de afstand aan tot een waargenomen obstakel. Park Assist is bedoeld als hulpmiddel tijdens het parkeren. Geluidssignalen en symbolen op het display van de middenconsole geven de afstand aan tot een waargenomen obstakel.
07 Rijhulp Parkeerhulpcamera* Functie en bediening De parkeerhulpcamera is een ondersteunend systeem dat geactiveerd wordt bij inschakeling van de achteruitversnelling. De cameraweergave verschijnt op het display van de middenconsole. N.B. Als er een trekhaak met het elektrische systeem van de auto is geconfigureerd, wordt de uitsteeklengte van de trekhaak bij het meten van de parkeerruimte meegerekend.
07 Rijhulp || Hulplijnen Voorbeeld van hoe hulplijnen voor de bestuurder getoond worden. De lijnen op het scherm worden geprojecteerd als stonden ze op de grond achter de auto. De lijnen zijn bovendien afhankelijk van de stuuruitslag, zodat u ook tijdens het draaien kunt zien welke baan de auto zal nemen. 07 244 N.B. • Bij het achteruitrijden met een aanhanger/caravan geven de lijnen op het scherm de baan van de auto aan – niet die van de aanhanger/caravan.
07 Rijhulp Auto’s met parkeerhulpsensoren achter* Gerelateerde informatie • • • Parkeerhulpcamera - instellingen (p. 245) Park Assist-camera - beperkingen (p. 246) Parkeerhulp* (p. 239) Parkeerhulpcamera - instellingen Uitgeschakelde camera activeren Als de camera uitgeschakeld is bij het inschakelen van de achteruitversnelling, is de camera als volgt te activeren: De afstand wordt aangegeven met gekleurde velden (4 st., voor elke sensor één). Als de auto tevens uitgerust is met Parkeerhulp (p.
07 Rijhulp || - op het beeldscherm wordt een menu geopend met verschillende alternatieven. Park Assist-camera - beperkingen N.B. 2. Scrol naar de gewenste optie met TUNE. 3. Markeer de optie van uw keuze door op OK/MENU te drukken en verlaat het menu met EXIT. Overig Als er meerdere camera’s* op de auto gemonteerd zijn, kunt u de op het beeldscherm weer te geven camerabeelden kiezen: • Druk op CAM of draai aan TUNE. Gerelateerde informatie • • Parkeerhulpcamera* (p. 243) Parkeerhulp* (p.
07 Rijhulp Overzicht lenzen schoonmaken met een zachte doek of een vochtige spons. Maak de lenzen voorzichtig schoon om krassen te voorkomen. BELANGRIJK De lenzen zijn elektrisch verwarmd om ze van sneeuw en ijs te kunnen ontdoen. Veeg zo nodig sneeuw van de lenzen af. G021426 Gerelateerde informatie • • BLIS* - bediening (p.
07 Rijhulp || bedienen via het menusysteem (p. 112) MY CAR van de auto. Het lampje in de knop dooft, wanneer het BLIS gedeactiveerd wordt. Er verschijnt bovendien een melding op het instrumentenpaneel. Bij het heractiveren van BLIS brandt het lampje in de knop, verschijnt er een nieuwe displaymelding en lichten de controlelampjes op de portieren driemaal op. Druk op de OKknop om de displaymelding te laten verdwijnen.
07 Rijhulp BLIS - symbolen en meldingen N.B. In situaties waarbij het BLIS (Blind Spot Information System) (p. 246) uitblijven of worden onderbroken, kan er een symbool op het instrumentenpaneel verschijnen in combinatie met een verklarende melding. Neem een eventueel advies in acht. Als het BLIS-controlelampje zo nu en dan gaat branden terwijl er geen ander voertuig in de dode hoek aanwezig is, betekent dit niet dat er een storing is opgetreden in het systeem.
07 Rijhulp || Melding Betekenis BLIS Beperkte werking Beperkte gegevensoverdracht tussen de camera van het BLIS en het elektrische systeem van de auto. De camera wordt automatisch gereset, wanneer de gegevensoverdracht tussen de camera van het BLIS en het elektrische systeem van de auto weer normaal wordt. BLIS UIT BLIS-systeem uitgeschakeld. Meldingen kunt u van het display halen door de OK-knop op de richtingaanwijzerhendel kort in te drukken.
07 Rijhulp Gerelateerde informatie • Radarsensor (p.
STARTEN EN RIJDEN
08 Starten en rijden Alcoholslot* Het alcoholslot voorkomt dat bestuurders die onder invloed zijn in de auto kunnen rijden. Voordat de motor kan worden gestart, moet u een blaastest afgeven om vast te stellen dat u niet onder de invloed van alcohol bent. Het alcoholslot wordt gekalibreerd ten opzichte van de grenswaarde voor verkeersdeelname die in uw land geldt.
08 Starten en rijden Alcoholslot* - opslag Bewaar de blaasunit in zijn houder. Verwijder de blaasunit door de unit licht in de houder te drukken en los te laten, waarna de unit opveert en uit de houder kan worden genomen. Blaasunit bewaren en laadstation. • Plaats de blaasunit terug in de houder tot de unit vastklikt. • Bewaar de blaasunit in de houder. Dat biedt de beste bescherming en garandeert dat de batterijen steeds volledig opgeladen zijn.
08 Starten en rijden dens het ontgrendelen, dan moet u de unit eerst activeren met de schakelaar (2). Resultaat van de blaastest 3. Klap het mondstuk (1) omhoog, haal diep adem en blaas gelijkmatig totdat er ca. 5 seconden later een ‘klikgeluid’ klinkt. Het resultaat is een van de alternatieven in de volgende tabel Resultaat van de blaastest. 4.
08 Starten en rijden Alcoholslot* - waar u op moet letten Voor een goede werking en een zo nauwkeurig mogelijk meetresultaat: • Ca. 5 minuten voor de blaastest niet eten of drinken. • De voorruit niet te lang sproeien – de alcohol in de sproeiervloeistof kan een verkeerd meetresultaat opleveren. Van bestuurder wisselen Om bij het wisselen van bestuurder een nieuwe blaastest te kunnen doen moet u de schakelaar (2) en de zendertoets (3) gelijktijdig ca. 3 seconden lang ingedrukt houden.
08 Starten en rijden • Houd de knop OK op de linker stuurhendel en de knop voor de alarmknipperlichten ca. 5 seconden lang ingedrukt. Op het instrumentenpaneel verschijnt eerst Bypass actief Wacht 1 minuut en daarna Alcoguard Bypass actief. Vervolgens kunt u de motor starten. Deze functie is meerdere malen te activeren. De foutmelding die verschijnt tijdens het rijden is echter alleen te wissen in een werkplaats1.
08 Starten en rijden Motor starten De motor is te starten en uit te schakelen met behulp van de transpondersleutel en de START/STOP ENGINE-knop. 1. Plaats de transpondersleutel in het contactslot en duw deze tot aan de aanslag naar binnen. Let erop dat u bij een auto met alcoholslot* eerst een goedgekeurde blaastest moet afgeven, voordat de motor kan worden gestart. Voor meer informatie over Alcoholslot, zie Alcoholslot* (p. 253). 2. Houd het koppelingspedaal volledig ingedrukt2.
08 Starten en rijden N.B. Om de motor te kunnen starten moet een van de transpondersleutels met Keyless Drive in de passagiers- of bagageruimte aanwezig zijn. WAARSCHUWING Haal nooit de transpondersleutel uit de auto tijdens rijden of slepen. Motor afzetten Stuurslotfout U zet de motor af met de knop START/STOP ENGINE. Het stuurslot bemoeilijkt de besturing zoals bij gebruik van de auto door onbevoegden.
08 Starten en rijden Afstandsstart (ERS)* N.B. Afstandsstart (ERS – Engine Remote Start) houdt in dat u de motor van de auto op afstand kunt starten om de passagiersruimte voor aanvang van de rit te verwarmen/koelen. ERS is te activeren via de transpondersleutel en/of via Volvo On Call*. Houd rekening met lokale/nationale regelgeving/voorschriften voor stationair rijden.
08 Starten en rijden 1. Druk kort op de knop (2) van de sleutel. Actieve functies 2. Druk vervolgens lang – minimaal 2 seconden – op de knop (3). Bij een op afstand gestarte motor zijn de volgende functies actief: Bij het afzetten van een via ERS gestarte motor lichten de richtingaanwijzers 3 seconden lang op. Als aan de voorwaarden voor ERS is voldaan, vindt bovendien het volgende plaats: • • • • • 1. De richtingaanwijzers lichten snel enkele malen achtereen op. 2. De motor start. 3.
08 Starten en rijden Afstandsstart (ERS) - symbolen en meldingen In situaties waarbij ERS uitblijft of wordt onderbroken, verschijnt er een symbool op het instrumentenpaneel in combinatie met een verklarende tekstmelding. Melding Betekenis Melding Betekenis Geen starten op afstand Accuspanning laag ERS is niet ingeschakeld vanwege een geringe accuspanning. U laadt de accu op door de motor te starten.
08 Starten en rijden Melding Betekenis Geen starten op afstand Koelvloeistofpeil laag ERS is onderbroken vanwege een foutmelding voor het koelsysteem. Starten op afstand uit Motorkap open ERS is onderbroken, omdat de motorkap openstaat. Starten op afstand uit Accuspanning laag ERS onderbroken, omdat de accuspanning te gering is. Starten op afstand uit Brandstofpeil laag ERS onderbroken, omdat het brandstofpeil te gering is. A Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
08 Starten en rijden || Bij startproblemen Wanneer de motor niet bij de eerste startpoging aanslaat: • Doe nog enkele startpogingen met behulp van de knop START/STOP ENGINE. • Controleer of de motorverwarming aanstond en laat deze zo nodig de eerder genoemde perioden aanstaan. BELANGRIJK Als de motor ondanks herhaalde startpogingen niet aanslaat, wordt geadviseerd contact op te nemen met een erkende Volvo-werkplaats.
08 Starten en rijden 4. Bevestig de ene klem van de rode startkabel aan de pluspool (1) van de hulpaccu. BELANGRIJK Wees voorzichtig bij het aansluiten van de startkabels om kortsluiting met andere onderdelen in de motorruimte te voorkomen. 5. Haal de clips op de voorste dekplaat van de uitgeputte accu los en verwijder de dekplaat, zie Startaccu - vervangen (p. 377). 6. Bevestig de andere klem van de rode startkabel aan de pluspool (2) van de auto. 7.
08 Starten en rijden Versnellingsbakken Handgeschakelde versnellingsbak Blokkering achteruitversnelling Er zijn twee hoofdgroepen versnellingsbakken. Handgeschakelde en automatische versnellingsbakken. De versnellingsbak heeft tot taak de overbrengingsverhouding af te stemmen op de gewenste snelheid en vermogensbehoefte. De blokkering van de achteruitversnelling beperkt het risico dat u tijdens het vooruitrijden op normale snelheid onbedoeld de achteruitversnelling inschakelt.
08 Starten en rijden Schakelindicator* Automatische versnellingsbak De schakelindicator geeft aan, wanneer u het beste kunt opschakelen of terugschakelen. Automatische versnellingsbak Geartronic* De versnellingsbak Geartronic heeft twee schakelstanden - Automatisch en Handmatig. Belangrijk voor een milieubewuste rijstijl is het kiezen van de juiste versnelling en tijdig schakelen.
08 Starten en rijden || Parkeerstand - P Neutraalstand - N Selecteer stand P, wanneer u de motor start of de auto parkeert. In deze stand kunt u de motor starten en er is geen versnelling ingeschakeld. Zet de parkeerrem aan, wanneer de auto stilstaat en de keuzehendel in stand N staat. Om de keuzehendel uit stand P te kunnen halen, moet u het rempedaal bedienen terwijl de transpondersleutel in stand I of II staat. In stand P is de versnellingsbak mechanisch geblokkeerd.
08 Starten en rijden Om met de stuurpaddles te kunnen schakelen moet u ze wel eerst activeren. U doet dat door een van de paddles in de richting van het stuurwiel te halen – het teken ‘D’ op het instrumentenpaneel verandert dan in een cijfer dat de ingeschakelde versnelling aangeeft. Om vervolgens te schakelen: • Haal een van de paddles naar achteren – in de richting van het stuurwiel – en laat deze weer los.
08 Starten en rijden || (plus) te duwen – op het display verandert de 1 in een 3. 3. Laat het rempedaal los en geef voorzichtig gas. Bij activering van de ‘winterstand’ van de versnellingsbak rijdt de auto met een lager motortoerental en minder kracht op de aandrijfwielen weg. Kickdown Als u het gaspedaal volledig intrapt (tot voorbij de normale volgasstand), schakelt de versnellingsbak automatisch terug naar een lagere versnelling. Dit is de zogeheten kickdown.
08 Starten en rijden Automatische versnellingsbak Powershift* De automatische Powershift-versnellingsbak brengt de aandrijfkracht van de motor middels dubbele mechanische lamellenkoppelingen over op de aandrijfwielen. Dit in tegenstelling tot de Geartronic-versnellingsbak die hiervoor een conventionele hydraulische koppelomvormer gebruikt. snelling inschakelt in plaats van de 3e met Geartronic.
08 Starten en rijden || Symbool A Melding Rijeigenschappen Maatregel Versnellingsbak heet Zet auto stil Problemen om snelheid constant te houden bij hetzelfde toerental. Versnellingsbak oververhit. Houd de auto stil met het rempedaal.A Versnellingsbak heet Stop auto z.s.m. Laat motor lopen Auto rijdt met hevige schokkerige bewegingen vooruit. Versnellingsbak oververhit. Parkeer de auto zo spoedig mogelijk.A Koeling versnell.
08 Starten en rijden Keuzehendelblokkering Automatische keuzehendelblokkering De keuzehendelblokkering is verkrijgbaar in twee uitvoeringen: een mechanische en een automatische. De automatische versnellingsbak kent enkele bijzondere beveiligingsfuncties: Mechanische keuzehendelblokkering Stilstaande auto met draaiende motor: Automatische schakelblokkering deactiveren Parkeerstand (P) • Houd uw voet op het rempedaal terwijl u de keuzehendel verzet.
08 Starten en rijden || Gerelateerde informatie • Automatische versnellingsbak Geartronic* (p. 267) • Automatische versnellingsbak Powershift* (p. 271) Hellingrem (HSA)*12 Vierwielaandrijving - AWD* U hoeft het rempedaal niet te bedienen wanneer u wegrijdt of achteruit een helling oprijdt - het HSA-systeem (Hill Start Assist) voorkomt dat de auto achteruitrolt. Bij vierwielaandrijving is de grip op het wegdek optimaal.
08 Starten en rijden De vierwielaandrijving verhoogt de rijveiligheid tijdens regen- en sneeuwval en bij ijzel. Start/Stop* Auto’s met een bepaalde combinatie van motor en versnellingsbak zijn voorzien van een Start/Stop-systeem dat in werking treedt, als de auto bijvoorbeeld stilstaat in een file of wacht voor een stoplicht. De motor wordt dan tijdelijk afgezet en start automatisch als er moet worden doorgereden.
08 Starten en rijden Start/Stop* - functie en bediening Voorwaarden Het Start/Stop-systeem wordt automatisch geactiveerd, wanneer u de motor met een sleutel start. Het Start/Stop-systeem wordt automatisch geactiveerd, wanneer u de motor met een sleutel start. U wordt op het systeem gewezen doordat op het instrumentenpaneel het desbetreffende symbool gaat branden en het lampje in de Aan/Uit-knop oplicht.
08 Starten en rijden Start/Stop-systeem deactiveren In bepaalde situaties is het mogelijk beter om het automatische Start/Stop-systeem tijdelijk uit te schakelen – dit is mogelijk met een druk op deze knop. Bij een uitgeschakeld systeem gaan het Start/Stop-symbool op het instrumentenpaneel en het lampje van de Aan-/Uit-knop uit. Het Start/Stop-systeem blijft gedeactiveerd, totdat het opnieuw geactiveerd wordt met de knop of de volgende keer dat de motor wordt gestart met de sleutel.
08 Starten en rijden || 08 278 Voorwaarden M/AA Voorwaarden de auto achteruitrijdt. M+A A de temperatuur van de startaccu onder het vriespunt ligt of te hoog is. M+A de file-assistent van de adaptieve cruisecontrol geactiveerd is. de keuzehendel in de S-standC of ‘+/-’ staat. A u grotere stuurbewegingen maakt. M+A het roetfilter van het uitlaatsysteem verzadigd is – pas na een automatische regeneratie (zie Roetfilter dieselmotor (DPF) (p.
08 Starten en rijden M/AA • Start/Stop* - automatische motorstart werkt niet (p. 279) De gordelsluiting van de bestuurder is geopend met de keuzehendel in stand D of N. A • Start/Stop* - automatische motorstart werkt niet Start/Stop* - automatische motorafslag werkt niet (p. 277) • De automatische motorstart werkt niet altijd na automatische motorafslag. StuurbewegingenB. A Start/Stop* - onvrijwillige motorstop bij handgeschakelde versnellingsbak (p.
08 Starten en rijden • Start/Stop* - automatische motorstart (p. 278) • Start/Stop* - onvrijwillige motorstop bij handgeschakelde versnellingsbak Start/Stop* - automatische motorafslag werkt niet (p. 277) • Doe als volgt als de automatische motorstart mislukt en de motor uitvalt: Start/Stop* - onvrijwillige motorstop bij handgeschakelde versnellingsbak (p. 280) 1. Bedien het koppelingspedaal opnieuw – de motor start automatisch. • Start/Stop* - symbolen en meldingen (p.
08 Starten en rijden • Start/Stop* - symbolen en meldingen (p. 282) • Accu - Start/Stop (p. 378) 08 * Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
08 Starten en rijden Start/Stop* - symbolen en meldingen Displaymelding Het Start/Stop-systeem kan tekstmeldingen op het instrumentenpaneel weergeven. Het Start/Stop-systeem kan in bepaalde situaties aanleiding geven tot tekstmeldingen op het instrumentenpaneel en een brandend controle- Symbool Melding Informatie/maatregel M/AA Auto Start/Stop Service vereist Start/Stop werkt niet. Neem contact op met een werkplaats – geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
08 Starten en rijden Symbool A Melding Informatie/maatregel Kies stand P of N om te starten Start/Stop is gedeactiveerd. Zet de keuzehendel in stand N of P en voer een normale motorstart uit met de START/STOP ENGINE-knop. A Druk op startknop De motor zal niet automatisch starten. Voer een normale motorstart uit met de START/ STOP ENGINE-knop en de keuzehendel in P of N. A M/AA M = handbak, A = automaatbak.
08 Starten en rijden ECO* N.B. ECO13 is een uniek en innovatief Volvo-systeem dat bij auto’s met een automatische versnellingsbak het brandstofverbruik met tot wel 5 % kan beperken, afhankelijk van de rijstijl van de bestuurder. Met het systeem kunt u actiever milieubewust rijden.
08 Starten en rijden Ook een combinatie van Eco Coast en een tijdelijk uitgeschakeld ECO-systeem kan samen tot een lager verbruik leiden. Dus: • Actieve Eco Coast: Lang uitrollen zonder motorremmen = Laag verbruik en • Uitgeschakeld ECO-systeem: Kort uitrollen met motorremmen = Minimaal verbruik. N.B. Voor een optimaal laag brandstofverbruik moet Eco Coast gecombineerd met kort uitrollen gewoonlijk worden vermeden. • op steile aflopende hellingen – zodat u op de motor kunt afremmen.
08 Starten en rijden Rempedaal Remschijven schoonmaken Het rempedaal wordt gebruikt om de snelheid van de auto tijdens rijden te verlagen. Vuil en water op de remschijven kunnen ertoe leiden dat de aanspreekduur van de remmen wordt verlengd. Daarom wordt u geadviseerd de remschijven schoon te maken door tijdens het rijden korte tijd licht te remmen, wanneer u op natte wegen rijdt, de auto net hebt gewassen of op het punt staat deze langdurig te parkeren. De auto is uitgerust met twee remcircuits.
08 Starten en rijden Gerelateerde informatie • • Parkeerrem (p. 289) Bedrijfsrem - noodremlichten en automatische alarmlichten (p. 287) • Bedrijfsrem - remkrachtverhoging bij noodstops (p. 288) • Bedrijfsrem - antiblokkeerremsysteem (p. 287) Bedrijfsrem antiblokkeerremsysteem Bedrijfsrem - noodremlichten en automatische alarmlichten Het antiblokkeerremsysteem, ABS Anti-lock Braking System voorkomt dat de wielen blokkeren tijdens het remmen.
08 Starten en rijden Bedrijfsrem - remkrachtverhoging bij noodstops De remkrachtverhoging bij noodstops (EBA, Emergency Brake Assist) helpt de remkracht verhogen om op die manier de remweg te verkorten. Het EBA registreert de wijze waarop u het rempedaal bedient en verhoogt zo nodig de remkracht. De remkracht kan worden verhoogd tot aan het niveau waarbij het ABS ingrijpt. De EBA-regeling wordt uitgeschakeld wanneer u de druk op het rempedaal verlaagt. N.B.
08 Starten en rijden Parkeerrem Parkeerrem aanzetten De parkeerrem houdt de auto stil, als er niemand op de bestuurdersstoel zit, door twee wielen mechanisch te blokkeren/vergrendelen. drukt te houden. Bij het loslaten van de handgreep wordt de rem uitgeschakeld. N.B. Tijdens een noodstop bij snelheden hoger dan 10 km/h klinkt er gedurende de hele remmanoeuvre een geluidssignaal. Functie Wanneer de elektrische parkeerrem wordt geactiveerd, hoort u een zwak elektromotorgeluid.
08 Starten en rijden || Parkeerrem lossen N.B. De parkeerrem is ook handmatig uit te schakelen door het koppelingspedaal te bedienen in plaats van het rempedaal. Volvo adviseert u echter het rempedaal te gebruiken. Automatisch lossen 1. Start de motor. 2. Schakel de 1 versnelling of de achteruitrijversnelling in. 3. Trap het rempedaal stevig in. 4. Zet de keuzehendel in stand D of R en geef gas. > De parkeerrem wordt uitgeschakeld en het symbool op het instrumentenpaneel dooft. N.B.
08 Starten en rijden constructie van de elektrische parkeerrem – geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats. Symbool Symbolen en meldingen Voor informatie over het weergeven en wissen van displaymeldingen op het instrumentenpaneel, zie Meldingen - functies (p. 112). Melding Betekenis/Maatregel ‘Melding’ • Lees de melding op het instrumentenpaneel. Een knipperend symbool houdt in dat de parkeerrem wordt aangezet. Als het symbool in een andere situatie gaat knipperen, is er sprake van een storing.
08 Starten en rijden || Symbool Melding Parkeerrem niet bekrachtigd Betekenis/Maatregel Door een storing kan de parkeerrem niet worden ingeschakeld: • Probeer of u de rem kunt uit- en inschakelen. Als de storing ook na enkele pogingen aanhoudt: • Bezoek een werkplaats – geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats. Dezelfde melding verschijnt ook op auto’s met een handbak, wanneer er langzaam wordt gereden met het portier open.
08 Starten en rijden Doorwaaddiepte BELANGRIJK Wanneer u zich met de auto door een ondiepe waterpartij begeeft, spreken we van waden. Waden dient met de nodige voorzichtigheid te gebeuren. Als er water in het luchtfilter komt, kan er motorschade ontstaan. Bij een diepte groter dan 25 cm kan er water in de transmissie komen. Het smerende vermogen van de oliën neemt dan af, waardoor de levensduur van deze systemen korter wordt.
08 Starten en rijden • • Versnellingsbak heet Rijd langzamer of Versnellingsbak heet Stop auto z.s.m. Wachten op afkoelen verschijnt. Neem het gegeven advies in acht en verlaag de snelheid of breng de auto zo spoedig mogelijk tot stilstand om de versnellingsbak te laten afkoelen door de motor enkele minuten stationair te laten draaien. Bij oververhitting kan de airconditioning zichzelf tijdelijk uitschakelen.
08 Starten en rijden – Laad de startaccu dan op door de motor te starten en deze minstens 15 minuten te laten lopen - de startaccu wordt beter opgeladen tijdens het rijden dan bij stilstand met een stationair lopende motor. Voorbereidingen bij lange reizen Rijden tijdens de winter Bij lange reizen is het goed om de volgende punten te doorlopen: Bij rijden in de winter is het belangrijk om bepaalde controles uit te voeren, zodat u zeker weet dat u veilig met de auto kunt rijden.
08 Starten en rijden || • • Controleer de algehele conditie en de ladingstoestand van de startaccu. De startaccu wordt zwaarder belast bij koud weer en ook de accucapaciteit neemt af bij vorst. Tankvulklep - openen/sluiten Tankvulklep - handmatig openen De tankvulklep is als volgt te openen/sluiten: De tankvulklep kan handmatig worden geopend, als openen met de schakelaar in de passagiersruimte niet mogelijk is. Tankvulklep openen/sluiten Giet sproeiervloeistof (p.
08 Starten en rijden Brandstof tanken N.B. Waar u tijdens het tanken op moet letten. Een overvolle tank kan bij warm weer overstromen. Tankdop open-/dichtdraaien Bijvullen met jerrycan15 Gebruik voor het bijvullen met een jerrycan de trechter die onder het vloerluik in de kofferbak ligt. Let erop dat u de buis van de trechter goed in de vulpijp steekt. De vulpijp is voorzien van een te openen afdekking. U moet de buis van de trechter langs de afdekking naar binnen steken, voordat u kunt bijvullen.
08 Starten en rijden || WAARSCHUWING Op de grond gemorste brandstof kan vlam vatten. Schakel de verwarming op brandstof uit voordat u gaat tanken. Heb nooit een ingeschakelde mobiele telefoon bij u als u staat te tanken. Door het belsignaal kan er vonkvorming ontstaan waardoor de benzinedampen ontsteken en dat kan tot brand en letsel leiden.
08 Starten en rijden • BELANGRIJK • Gebruik alleen loodvrije benzine om schade aan de katalysator tegen te gaan. • • Er is brandstof toegestaan die tot 10 volumeprocent ethanol bevat. • Het gebruik van brandstof met metaaladditieven is niet toegestaan. • Gebruik geen toevoegingen die niet door Volvo zijn aanbevolen. BELANGRIJK • Er is brandstof toegestaan die tot 10 volumeprocent ethanol bevat. • Het gebruik van EN 228 E10-benzine (max. 10 volumeprocent ethanol) is toegestaan.
08 Starten en rijden || BELANGRIJK De dieselolie: • moet voldoen aan de norm EN 590 en/of SS 155435; • moet een zwavelgehalte hebben van maximaal 10 mg/kg; • mag maximaal 7 vol% FAME (Fatty Acid Methyl Ester) bevatten. BELANGRIJK Maak geen gebruik van de volgende dieselolie-achtige brandstoffen: • • • • speciale toevoegingen (dopes) Op grond van zijn constructie moet het brandstofsysteem mogelijk eerst ontlucht worden om een dieselmotor na bijtanken opnieuw te kunnen starten.
08 Starten en rijden Katalysatoren De katalysatoren hebben tot taak de uitlaatgassen te reinigen. Ze zijn dicht bij de motor in het uitlaatsysteem gemonteerd om snel op temperatuur te komen. De katalysatoren bestaan uit een monoliet (keramiek of metaal) met kanalen. De wanden van de kanalen zijn bekleed met platina/ rodium/palladium. Deze edelmetalen hebben een katalytische werking, d.w.z. ze versnellen een chemische reactie zonder dat ze daar zelf actief aan deelnemen.
08 Starten en rijden || BELANGRIJK Zorg dat de jerrycan met brandstof goed vastgezet is en dat de dop goed dichtgedraaid is. WAARSCHUWING Ethanol is gevoelig voor vonkvorming en er kunnen explosieve dampen in de jerrycan ontstaan, als u deze met ethanol vult. Gerelateerde informatie • • Brandstof - gebruik (p. 297) Zuinig rijden (p. 303) Roetfilter dieselmotor (DPF) Dieselmodellen zijn uitgerust met een roetfilter, waardoor een nog efficiëntere uitlaatgasreiniging mogelijk is. temperatuur is gekomen.
08 Starten en rijden • • Brandstofverbruik en CO2-uitstoot (p. 420) Brandstoftank - inhoud (p. 419) Zuinig rijden • Zuinig rijden houdt in dat u anticiperend en rustig rijdt, en uw rijstijl en snelheid afstemt op de verkeerssituatie. De bandenkeuze is mogelijk van invloed op het brandstofverbruik – informeer bij uw dealer naar passende banden. • Neem geen spullen in de auto mee die u niet gebruikt – hoe groter de belading, hoe hoger het verbruik.
08 Starten en rijden || Gerelateerde informatie • • • Brandstof - gebruik (p. 297) Brandstofverbruik en CO2-uitstoot (p. 420) Brandstoftank - inhoud (p. 419) Rijden met een aanhanger* Bij het rijden met een aanhanger moet u op enkele belangrijke dingen letten, zoals de trekhaak, de aanhanger en hoe u de lading op de aanhanger aanbrengt. Het laadvermogen is afhankelijk van het rijklaar gewicht van de auto.
08 Starten en rijden Richtingaanwijzers en remlichten op aanhanger N.B. De vermelde maximaal toegestane aanhangergewichten zijn door Volvo toegestaan. Nationale voertuigvoorschriften kunnen het aanhangergewicht en de snelheid verder beperken. De trekhaken kunnen zijn gecertificeerd voor hogere trekgewichten dan wat de auto mag trekken.
08 Starten en rijden Rijden met een aanhanger* automatische versnellingsbak BELANGRIJK Zie tevens de specifieke informatie over langzaam rijden met een aanhanger voor auto’s met een automatische versnellingsbak van het type Powershift, zie Automatische versnellingsbak - Powershift* (p. 271). Wanneer u bij warm weer een aanhanger sleept in heuvelachtig terrein, bestaat er mogelijk gevaar voor oververhitting. • Een automatische versnellingsbak kiest altijd de juiste versnelling voor het motortoerental.
08 Starten en rijden • Rijden met een aanhanger* (p. 304) Afneembare trekhaak* - opbergen Afneembare trekhaak* - specificaties Bewaar de afneembare trekhaak in de bagageruimte. Specificaties voor een afneembare trekhaak. Specificaties G021485 Gerelateerde informatie Opbergruimte trekhaak. BELANGRIJK Neem na gebruik altijd de trekhaak los en berg deze op de daarvoor bestemde plaats op, goed vastgezet met de bijbehorende riem. Gerelateerde informatie • Afneembare trekhaak* - specificaties (p.
08 Starten en rijden || • Rijden met een aanhanger* (p. 304) Afneembare trekhaak* - monteren/ demonteren U kunt de afneembare trekhaak als volgt monteren/demonteren: 08 308 A 1127 B 87 C 855 D 428 E 112 F 360 G Langsligger H Middelpunt kogel Gerelateerde informatie • Afneembare trekhaak* - monteren/ demonteren (p. 308) • Afneembare trekhaak* - opbergen (p. 307) * Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
Het controlevenster moet rood van kleur zijn. Het controlevenster moet groen van kleur zijn. G021494 G021490 G021488 08 Starten en rijden Controleer of de trekhaak vastzit door deze stevig omhoog, omlaag en naar achteren te bewegen. WAARSCHUWING Breng de trekhaak aan en duw deze naar binnen totdat u een klik hoort. G000000 G021489 Als de trekhaak niet goed zit, moet u deze verwijderen en opnieuw monteren zoals eerder werd beschreven. Draai de sleutel linksom naar de vergrendelde stand.
08 Starten en rijden G021495 || Veiligheidskabel. WAARSCHUWING Controleer of de veiligheidskabel van de aanhanger in de juiste bevestiging vastzit. Druk de vergrendelingsknop in en totdat u een klik draai deze linksom hoort. Draai de vergrendelingsknop volledig omlaag totdat deze niet verder kan. Houd de knop in deze stand vast terwijl u de trekhaak schuin naar achteren toe omhoogtrekt. WAARSCHUWING Steek de sleutel in het slot en draai deze rechtsom in de ontgrendelde stand.
08 Starten en rijden Gerelateerde informatie • • • Afneembare trekhaak* - opbergen (p. 307) Afneembare trekhaak* - specificaties (p. 307) Rijden met een aanhanger* (p. 304) Slepen WAARSCHUWING Bij het slepen wordt de auto met behulp van een sleepkabel voortgetrokken door een ander voertuig. Kijk voordat u met slepen begint wat de wettelijk voorgeschreven maximumsnelheid voor slepen is. 1.
08 Starten en rijden || BELANGRIJK • • BELANGRIJK Vermijd slepen. Sleep de auto niet met een hogere snelheid dan 80 km/h en niet verder dan 80 km. • Sleep de auto altijd zo dat de wielen in de rijrichting draaien. Automatische versnellingsbak Powershift Modellen met Powershift-versnellingsbak mogen niet worden gesleept. Als de auto toch moet worden gesleept, dan dient dit over een zo kort mogelijke afstand en op zeer lage snelheid te gebeuren.
08 Starten en rijden De afdekking op het bevestigingspunt voor het sleepoog bestaat in twee versies die op verschillende manieren moeten worden geopend: • • U opent de versie met een uitsparing door een muntstuk of iets dergelijks in de uitsparing aan te brengen en de afdekking los te werken. Klap de afdekking daarna helemaal los en verwijder deze. kan de auto beschadigd raken wanneer men deze met een sleepoog op het bergingsvoertuig probeert te trekken.
08 Starten en rijden || BELANGRIJK Berg de auto altijd zo dat de wielen in de rijrichting draaien. • Voor auto’s met vierwielaandrijving (AWD) gelden, bij het bergen met een geheven vooras, zowel een maximale snelheid van 70 km/h als een maximale afstand van 50 km. Gerelateerde informatie • 08 314 Slepen (p.
WIELEN EN BANDEN
09 Wielen en banden 09 Banden - onderhoud Nieuwe banden De banden hebben o.a. tot taak om grip tegen de ondergrond te hebben, trillingen te dempen en het wiel tegen slijtage te beschermen. Rijeigenschappen Banden zijn van grote invloed op de rijeigenschappen van de auto. Zowel het type, de maat, de bandenspanning als de snelheidsklasse zijn belangrijk voor het rijgedrag van de auto.
09 Wielen en banden • • • • • Banden - maten (p. 320) Banden - snelheidsklassen (p. 321) Banden - lastindex (p. 321) Banden - draairichting (p. 317) Banden - slijtage-indicator (p. 318) Banden - draairichting Bij banden met een speciaal profiel dat alleen goed werkt wanneer de banden in een bepaalde richting draaien, staat deze richting aangegeven met een pijl op de zijkant van de band. N.B. 09 Let erop dat u hetzelfde type, dezelfde maat en ook hetzelfde merk voor beide wielparen hebt.
09 Wielen en banden 09 • Banden - slijtage-indicator Een slijtage-indicator toont de status van het loopvlak van de band. Banden - onderhoud (p. 316) Banden - bandenspanning Banden kunnen een verschillende bandenspanning hebben en dat wordt gemeten in de eenheid bar. Bandenspanning controleren Controleer iedere maand de bandenspanning. G021829 Dit geldt eveneens voor het reservewiel. Slijtage-indicator. Slijtage-indicatoren zijn smalle ophogingen die dwars op het profiel van de band staan.
09 Wielen en banden • Bandenspanning bij gebruik van de aanbevolen bandenmaat • • • • • Bandenspanningssticker ECO-bandenspanning1 Bandenspanning compact reservewiel (Temporary Spare) Banden - lastindex (p. 321) 09 Banden - onderhoud (p. 316) Banden - slijtage-indicator (p. 318) • • • Controleer de bandenspanning bij koude banden. Met koude banden wordt bedoeld dat de banden dezelfde temperatuur hebben als de buitentemperatuur.
09 Wielen en banden 09 Wiel- en velgmaten Banden - maten Wiel- en velgmaten worden aangeduid zoals in de onderstaande tabel. De wielen (velgen) en banden van de auto hebben een bepaalde maat, zie het voorbeeld in de onderstaande tabel. De auto is voorzien van een typegoedkeuring voor de uitvoering waarin deze werd aangeleverd. Dat betekent dat niet alle wiel- (velg-) en bandcombinaties goedgekeurd zijn. Wielen (velgen) zijn voorzien van een maataanduiding, bijvoorbeeld: 7Jx16x50.
09 Wielen en banden Banden - lastindex Banden - snelheidsklassen De lastindex geeft het vermogen van een band aan om een bepaalde last te dragen. Elke band is bestand tegen een bepaalde max. snelheid en behoort daardoor tot een bepaalde snelheidsklasse (SS - Speed Symbol). Iedere band heeft een bepaald draagvermogen, wat wordt aangeduid met de lastindex (LI). Het gewicht van de auto bepaalt het draagvermogen van de banden. De minimaal toelaatbare index staat in de lastindextabel.
09 Wielen en banden 09 Wielbouten Winterbanden Sneeuwkettingen gebruiken De wielen zitten op de naaf vast met wielbouten die in verschillende uitvoeringen verkrijgbaar zijn. Winterbanden zijn banden die aan de winterse toestand van de weg zijn aangepast. Het gebruik van sneeuwkettingen is alleen toegestaan op de voorwielen (geldt ook voor modellen met voorwielaandrijving). Rijd nooit sneller dan 50 km/h met sneeuwkettingen.
09 Wielen en banden Wielen verwisselen - wielen verwijderen De wielen van de auto kunnen worden verwisseld door bijvoorbeeld winterwielen/winterbanden. Reservewiel* Een compact reservewiel (Temporary Spare) is alleen bestemd voor tijdelijk gebruik en dient dan ook zo spoedig mogelijk door een normaal wiel te worden vervangen. Het rijgedrag van de auto kan zich wijzigen bij het gebruik van een compact reservewiel. Het compacte reservewiel is kleiner dan een normaal wiel.
09 Wielen en banden 09 || 4. Auto’s met stalen velgen hebben afneembare wieldoppen. Haak het demontagegereedschap in dat geval vast de volledige wieldoppen om ze vervolgens los te trekken. De wieldoppen zijn ook met de hand in één snelle beweging los te trekken. 5. Schroef het sleepoog tot aan de aanslag in de wielsleutel* vast, zoals hieronder afgebeeld. Demontagegereedschap voor kunststof boutafdekkingen. 3. Plaats wielblokken voor en achter de wielen die op de grond blijven staan.
09 Wielen en banden WAARSCHUWING WAARSCHUWING Leg nooit iets tussen de krik en de ondergrond en evenmin tussen de krik en het kriksteunpunt van de auto. Kruip nooit onder de auto als deze op een krik staat. Gerelateerde informatie • • • • Wielen verwisselen - monteren (p. 325) 09 Aanbrengen 1. Reinig de contactvlakken tussen het wiel en de naaf. 2. Breng het wiel aan. Haal de wielbouten stevig aan. 3. Breng de auto zo ver omlaag dat het wiel niet meer ongehinderd kan draaien. Krik* (p.
09 Wielen en banden 09 || N.B. • Plaats na het oppompen van een band altijd het ventieldopje terug om schade aan het ventiel door grind, vuil e.d. te voorkomen. • Gebruik alleen kunststof dopjes. Metalen ventieldopjes kunnen roesten en zijn moeilijk los te draaien. N.B. De ventieluitsparing in de wieldop bij het monteren aanbrengen over het ventiel in de velg. N.B.
09 Wielen en banden Gereedschap Krik* In de auto is onder meer een sleepoog, krik* en een wielsleutel* aanwezig. Er wordt een krik gebruikt om de auto op te nemen, bijvoorbeeld bij het verwisselen van banden. 09 Gebruik de originele krik alleen voor het verwisselen van het reservewiel. Houd de schroef van de krik altijd goed ingevet. Gereedschap, terugplaatsen De gevarendriehoek is met twee clips aan de binnenkant van het kofferdeksel bevestigd.
09 Wielen en banden 09 || BELANGRIJK Bewaar gereedschap en krik* op de daarvoor bestemde plaats in de bagageruimte wanneer u ze niet nodig hebt. EHBO-set* Bandenspanningscontrolesysteem*3 De EHBO-set bevat materiaal voor het verlenen van eerste hulp. Het bandenspanningscontrolesysteem waarschuwt u, wanneer de bandenspanning in één of meer banden te laag is. Op bepaalde markten is een bandenspanningscontrolesysteem wettelijk verplicht. Gerelateerde informatie • • Gevarendriehoek (p.
09 Wielen en banden • Bandenspanningscontrolesysteem (TPMS)* - bij een lage bandenspanning (p. 333) • Bandenspanningscontrolesysteem (TPMS)* - activeren/deactiveren (p. 332) • Bandenspanningscontrolesysteem (TPMS)* - adviezen (p. 332) • Bandenspanningscontrolesysteem (TPMS)* - runflat-banden* (p. 333) Bandenspanningscontrolesysteem (TPMS)*10 - algemeen Het bandenspanningscontrolesysteem TPMS (Tyre Pressure Monitoring System)* waarschuwt u, wanneer de spanning in één of meer banden te laag is.
09 Wielen en banden 09 || Gerelateerde informatie • • Bandenspanningscontrolesysteem (TPMS)* - aanpassen (herkalibreren) (p. 330) Bandenspanningscontrolesysteem (TPMS)* - bij een lage bandenspanning (p. 333) • Bandenspanningscontrolesysteem (TPMS)* - activeren/deactiveren (p. 332) • Bandenspanningscontrolesysteem (TPMS)* - adviezen (p. 332) • Bandenspanningscontrolesysteem (TPMS)* - runflat-banden* (p.
09 Wielen en banden Bandenspanningscontrolesysteem (TPMS)*18 - status Het bandenspanningscontrolesysteem TPMS (Tyre Pressure Monitoring System)* waarschuwt u, wanneer de spanning in één of meer banden te laag is. Status systeem en banden De status van het systeem en de banden zijn te controleren, zie MY CAR (p. 112). 1. Kies het menusysteem MY CAR om de menu’s voor bandenspanningscontrole te openen. 2. Kies Bandenspanning.
09 Wielen en banden 09 Bandenspanningscontrolesysteem (TPMS)*19 - activeren/deactiveren Bandenspanningscontrolesysteem (TPMS)*22 - adviezen Het bandenspanningscontrolesysteem TPMS (Tyre Pressure Monitoring System)* waarschuwt u, wanneer de spanning in één of meer banden te laag is. Het bandenspanningscontrolesysteem TPMS (Tyre Pressure Monitoring System)* waarschuwt u, wanneer de spanning in één of meer banden te laag is. N.B.
09 Wielen en banden Bandenspanningscontrolesysteem (TPMS)*24 - runflat-banden* WAARSCHUWING Laat de montage van SST-banden over aan de vakman. Als er zogeheten runflat-banden (SST-banden, Self Supporting run flat Tires)* op de auto zitten, hebt u ook TPMS (p. 328). Gebruik SST-banden alleen in combinatie met TPMS. Dergelijke banden zijn voorzien van een speciaal verstevigde zijwand, zodat u ook als de lucht geheel of gedeeltelijk uit de band ontsnapt is, enige tijd kunt blijven rijden.
09 Wielen en banden 09 Bandenspanningscontrolesysteem (TM)*29 Het TM (Tyre Monitor)-systeem bepaalt aan de hand van de draaisnelheid van de banden of de bandenspanning in orde is. Bij een te geringe spanning verandert de diameter en daarmee ook de draaisnelheid van de band. Aan de hand van onderlinge vergelijkingen kan het systeem vaststellen of de spanning in een of meer banden te gering is.
09 Wielen en banden aan het ventiel door grind, vuil e.d. te voorkomen. • Gebruik alleen kunststof dopjes. Metalen ventieldopjes kunnen roesten en zijn moeilijk los te draaien. Status systeem en banden De status van het systeem en de banden zijn te controleren, zie MY CAR (p. 112). 1. Kies het menusysteem MY CAR om de menu’s voor bandenspanningscontrole te openen. 2. Kies Bandmonitoring.
09 Wielen en banden 09 Noodreparatieset voor banden* BELANGRIJK U gebruikt de noodreparatieset voor banden (TMK - Temporary Mobility Kit) om tijdelijk een gat te dichten en om de bandenspanning (p. 424) te controleren en aan te passen. De noodreparatieset voor banden (p. 337) bestaat uit een compressor en een bus met afdichtmiddel. Het afdichtmiddel dient om noodreparaties uit te voeren.
09 Wielen en banden BELANGRIJK Als de compressor voor bandenreparatie is aangesloten op een van de beide aansluitingen (p. 153) in de tunnelconsole, mag er op de andere aansluiting geen stroomverbruiker zijn aangesloten. Noodreparatieset voor banden* overzicht U gebruikt de noodreparatieset voor banden (TMK - Temporary Mobility Kit) om tijdelijk een gat te dichten en om de bandenspanning (p. 424) te controleren en aan te passen. Gerelateerde informatie • Noodreparatieset voor banden* - positie (p.
09 Wielen en banden 09 Noodreparatieset voor banden* bediening U gebruikt de noodreparatieset voor banden (TMK - Temporary Mobility Kit) om tijdelijk een gat te dichten en om de bandenspanning (p. 424) te controleren en aan te passen. Noodreparatieset voor banden 1. Verwijder de sticker met de toegestane maximumsnelheid (die aan de ene kant van de compressor zit) en bevestig deze op het stuurwiel. WAARSCHUWING Rijd nooit sneller dan 80 km/h, nadat u de noodreparatieset hebt gebruikt.
09 Wielen en banden 7. Zet de knop in stand I. WAARSCHUWING Ga nooit naast de band staan terwijl de compressor aan het pompen is. Bij barsten, oneffenheden en dergelijke dient u de compressor onmiddellijk uit te schakelen. Beëindig in dat geval de rit. Het wordt dan geadviseerd een erkende bandenwerkplaats te bezoeken. 9. Schakel de compressor uit om de bandenspanning van de manometer af te lezen. De bandenspanning dient minimaal 1,8 bar en maximaal 3,5 bar te bedragen.
09 Wielen en banden 09 || WAARSCHUWING Draai de bus niet los, aangezien deze een blokkering heeft om lekkage te voorkomen. er de beschadigde band te laten vervangen/ repareren. Geef aan het werkplaatspersoneel door dat er afdichtmiddel in de band zit. WAARSCHUWING De snelheid mag niet hoger dan 80 km/h zijn nadat de provisorische bandenreparatie is gebruikt. Volvo adviseert u om een erkende Volvo-werkplaats te bezoeken voor een inspectie van de gerepareerde band (maximaal 200 km rijden).
09 Wielen en banden BELANGRIJK Kans op oververhitting. De compressor mag niet langer dan 10 minuten werken. 5. Pomp de band op tot de spanning die staat aangegeven in de bandenspanningstabel, zie Banden - goedgekeurde bandenspanning (p. 424). Laat lucht uit de band ontsnappen, als de bandenspanning te hoog is. De verpakking (bus) in de noodreparatieset voor banden (p. 337) bevat afdichtmiddel en is te vervangen. Vervang de bus voordat de houdbaarheidsdatum verstreken is.
09 Wielen en banden 09 Typegoedkeuring bandenspanningscontrolesysteem (TPMS) De typegoedkeuring voor de sensoren van het bandenspanningscontrolesysteem - TPMS 342 * Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. (Tyre Pressure Monitoring System)* staat in de tabel.
09 Wielen en banden Land/regio 09 Brazilië Oekraïne }} 343
09 Wielen en banden 09 || Land/regio Israël 344
09 Wielen en banden Verklaring van overeenstemming (Declaration of Conformity) 09 Land/regio Landen binnen de EU: Exportland: Duitsland Producent: Continental Automotive GmbH Type uitrusting: TPMS-eenheid Tsjechië: Continental tímto prohlašuje, že tento Radio Transmitter je ve shodě se základními požadavky a dalšími příslušnými ustanoveními směrnice 1999/5/ES.
09 Wielen en banden 09 346 || Land/regio Denemarken: Undertegnede Continental erklærer herved, at følgende udstyr Radio Transmitter overholder de væsentlige krav og øvrige relevante krav i direktiv 1999/5/EF. Duitsland: Hiermit erklärt Continental, dass sich das Gerät Radio Transmitter in Übereinstimmung mit den grundlegenden Anforderungen und den übrigen einschlägigen Bestimmungen der Richtlinie 1999/5/EG befindet.
09 Wielen en banden 09 Land/regio Hongarije: Alulírott, Continental nyilatkozom, hogy a Radio Transmitter megfelel a vonatkozó alapvetõ követelményeknek és az 1999/5/EC irányelv egyéb elõírásainak. Polen: Niniejszym Continental oświadcza, że Radio Transmitter jest zgodny z zasadniczymi wymogami oraz pozostałymi stosownymi postanowieniami Dyrektywy 1999/5/EC. Portugal: Continental declara que este Radio Transmitter está conforme com os requisitos essenciais e outras disposições da Directiva 1999/5/CE.
ONDERHOUD EN SERVICE
10 Onderhoud en service Serviceprogramma van Volvo Om de verkeersveiligheid, bedrijfszekerheid en betrouwbaarheid van de auto op een hoog peil te houden, dient u de voorschriften van het Serviceprogramma van Volvo op te volgen zoals die omschreven staan in het Service- en garantieboekje van Volvo. Volvo adviseert u om service- en onderhoudswerkzaamheden over te laten aan een erkende Volvo-werkplaats.
10 Onderhoud en service || Dienst gebruiken 10 Alle menu’s en instellingen zijn vanuit de normaalweergave in MY CAR te bereiken door OK/MENU in te drukken gevolgd door Service & reparatie. Wanneer het tijd is voor service en in sommige gevallen ook wanneer de auto aan reparatie toe is, wordt dat aangegeven via een melding op het instrumentenpaneel (p. 62) en via een pop-upmenu op het beeldscherm. Het servicelampje en de servicemelding op het instrumentenpaneel doven.
10 Onderhoud en service Navigatiesysteem gebruiken1, 2 Geef uw werkplaats als bestemming of deelbestemming aan voor het navigatiesysteem. – – Kies Service & reparatie Dealerinformatie Eén bestemming inst.. Kies Service & reparatie Dealerinformatie Toevoegen als tussenbestemming. • • • • • • Servicebehoefte. Functiestatus. Vloeistofpeilen. Kilometerstand (afstand). Identificatienummer van de auto (VIN3). 10 Softwareversie van de auto. Gerelateerde informatie • Volvo ID (p.
10 Onderhoud en service Auto opnemen 10 Bij het opnemen van de auto is het belangrijk dat u de krik of de dragerarmen onder de voorziene steunpunten in het onderstel van de auto aanbrengt. N.B. Volvo adviseert u alleen de krik te gebruiken die bij de auto hoort. Volg bij gebruik van een andere krik dan door Volvo geadviseerd de aanwijzingen die bij deze krik werden geleverd.
10 Onderhoud en service 10 Kriksteunpunten (pijlen) voor de krik van de auto en de hefpunten (rood gemarkeerd). Als u de auto aan de voorkant heft met een garagekrik, moet u de krik onder een van de vier hefpunten zetten die verder naar binnen onder de auto zitten. Als u de auto aan de achterkant heft met een garagekrik, moet u de krik onder een van de hefpunten zetten. Let erop dat u de garagekrik dusdanig aanbrengt, dat de auto er niet van af kan glijden.
10 Onderhoud en service Motorkap - openen en sluiten 10 De motorkap is te openen, wanneer u de handgreep bij de pedalen naar achteren hebt getrokken en de pal bij de grille naar links hebt gehaald. WAARSCHUWING Controleer of de motorkap bij sluiten goed vergrendelt. Gerelateerde informatie • • Motorruimte - overzicht Het overzicht toont de normale controlepunten. Motorruimte 4-cil. 2.0 l4 Motorruimte - controle (p. 356) Motorruimte - overzicht (p.
10 Onderhoud en service Vulopening voor sproeiervloeistof Vulopening voor sproeiervloeistof Motorruimte, behalve 4-cil. 2.0 l5 Luchtfilter Luchtfilter WAARSCHUWING WAARSCHUWING Raak bougies of bobine niet aan, wanneer het elektrische systeem van de auto in sleutelstand II staat of als de motor warm is. De spanning en het vermogen van het ontstekingssysteem zijn zeer hoog. De spanning in het ontstekingssysteem is levensgevaarlijk.
10 Onderhoud en service 10 Motorruimte - controle Motorolie - algemeen Bepaalde oliën en vloeistoffen dienen regelmatig gecontroleerd te worden. Om de aanbevolen service-intervallen aan te kunnen houden dient u een goedgekeurde motoroliesoort te gebruiken.
10 Onderhoud en service het waarschuwingssymbool voor een lage oliedruk op het instrumentenpaneel. Bij varianten met een olieniveausensor wordt u geïnformeerd via een waarschuwingssymbool op het instrumentenpaneel en met displayteksten. Bepaalde varianten zijn voorzien van allebei. Neem voor meer informatie contact op met een erkende Volvo-werkplaats.
10 Onderhoud en service || Peil meten en zo nodig corrigeren 10 1. Zorg dat de auto op een vlakke ondergrond geparkeerd staat. Het is belangrijk dat u na het afzetten van de motor ten minste 5 minuten wacht, zodat de olie weer kan teruglopen in het oliecarter. 2. Trek de peilstok tevoorschijn en veeg deze schoon. WAARSCHUWING Mors geen olie op de hete uitlaatspruitstukken, aangezien er dan brand kan ontstaat. Motor met elektronische oliepeilsensor, 4-cil. 2.0 l8 3. Steek de peilstok weer naar binnen.
10 Onderhoud en service BELANGRIJK Vul bij een melding dat het oliepeil gering alleen de aangegeven hoeveelheid olie bij, bijvoorbeeld 0,5 liter. 2. Draai het duimwiel op de linker stuurhendel naar stand Oliepeil. > Vervolgens verschijnt informatie over het motoroliepeil. WAARSCHUWING 10 Voor meer informatie over de menufuncties, zie Menufuncties - instrumentenpaneel (p. 109). N.B. Na het bijvullen of aftappen van olie duurt het even voordat het systeem wijzigingen in het oliepeil kan waarnemen.
10 Onderhoud en service || BELANGRIJK Vul bij het verschijnen van de melding Oliepeil laag 0,5 liter bijvullen slechts 0,5 liter bij. 10 N.B. Melding en grafische voorstelling op display. Het linker display toont een digitaal instrumentenpaneel en het rechter een analoog. Melding Motoroliepeil Wanneer de motor afgezet is, kunt u het duimwiel gebruiken om het oliepeil te laten controleren door de elektronische oliepeilsensor, zie Menufuncties - instrumentenpaneel (p. 109).
10 Onderhoud en service Gerelateerde informatie • Motorolie - algemeen (p. 356) Koelvloeistof - peil De koelvloeistof koelt de verbrandingsmotor af tot de juiste bedrijfstemperatuur. De warmte die de motor overdraagt op de koelvloeistof kan worden benut voor verwarming van de passagiersruimte. De koelvloeistof moet tussen het MIN- en MAX-streepje op het expansiereservoir staan. Peil controleren en bijvullen WAARSCHUWING De koelvloeistof kan zeer heet zijn.
10 Onderhoud en service BELANGRIJK • 10 • Gebruik altijd een koelvloeistof met roestwerende eigenschappen volgens de aanbevelingen van Volvo. • Let erop dat het koelvloeistofmengsel altijd voor 50 % uit water en voor 50 % uit koelvloeistof bestaat. • • • 362 Hoge concentraties chloor, chloriden en andere zoutverbindingen kunnen aanleiding geven tot corrosie in het koelsysteem. Leng de koelvloeistof aan met leidingwater van goede kwaliteit.
10 Onderhoud en service Stuurbekrachtigingsvloeistof - peil De stuurbekrachtigingsvloeistof moet tussen de MIN- en MAX-streepjes op het reservoir staan. Verversing van de vloeistof is niet nodig. N.B. Ook als er een storing optreedt in de stuurbekrachtiging of als de stroom wegvalt en u de auto moet laten wegslepen, blijft de auto bestuurbaar. Klimaatregeling - storingen opsporen en verhelpen Service en reparatie aan het aircosysteem mogen uitsluitend door een erkende werkplaats worden uitgevoerd.
10 Onderhoud en service Lamp vervangen - algemeen 10 Het is mogelijk de gloeilampen te vervangen. Wend u voor vervanging van led- en xenonlampen tot een werkplaats. De gloeilampen zijn gespecificeerd (p. 371).
10 Onderhoud en service Lamp vervangen - koplampen Gerelateerde informatie Alle gloeilampen in het koplamphuis zijn te vervangen door eerst het complete koplamphuis via de motorruimte los te nemen en te verwijderen. • • Lamp vervangen - algemeen (p. 364) • Lampen - specificaties (p. 371) Lampen verwisselen - afdekkap groot-/ dimlichtlampen (p.
10 Onderhoud en service Lampen verwisselen - afdekkap groot-/dimlichtlampen 10 Lamp vervangen - dimlicht De groot-/dimlichtlampen zijn bereikbaar door de grotere afdekkap van de koplamp los te maken. Gerelateerde informatie • De lamp van het dimlicht zit achter de grote afdekking in het koplamphuis. N.B. G021745 Geldt voor auto’s met halogeenkoplampen. 1. Open de borgklem door deze omhoog/ naar buiten te duwen. 1. Neem de koplamp (p. 365) los. 2.
10 Onderhoud en service Lamp vervangen - groot licht De lamp van het groot licht zit achter de grote afdekking in het koplamphuis. Plaats de onderdelen in omgekeerde volgorde terug. Gerelateerde informatie • N.B. N.B. 10 G021748 Geldt voor auto’s met xenonkoplampen*. G021747 Geldt voor auto’s met halogeenkoplampen. Lampen - specificaties (p. 371) Lamp vervangen - verstraler De verstralerlamp zit achter de grote afdekking in het koplamphuis. 1. Neem de koplamp (p. 365) los. 2.
10 Onderhoud en service || Gerelateerde informatie • Lampen vervangen richtingaanwijzers voorzijde Plaats de onderdelen in omgekeerde volgorde terug. De richtingaanwijzerlamp zit achter de kleine afdekking in het koplamphuis. G021750 10 Lampen - specificaties (p. 371) 1. Neem de koplamp (p. 365) los. 2. Verwijder de kleine, ronde afdekking. 3. Trek aan de lamphouder om de gloeilamp tevoorschijn te halen. 4. Trek de kapotte gloeilamp los en breng de nieuwe aan.
10 Onderhoud en service Lamp vervangen - verlichting achter Gerelateerde informatie De lampen in het achterlamphuis zijn via de kofferbak te vervangen. Lamp vervangen - positie lampen achterzijde (p. 369) • Lampen - specificaties (p. 371) Lamp vervangen - positie lampen achterzijde Het overzicht geeft de positie aan van de lampen aan achterzijde. 10 G021754 Achterlamphuis • Alle gloeilampen in het achterlamphuis (behalve de leds) zijn via de kofferbak te vervangen. Remlicht (led) 1.
10 Onderhoud en service || 10 Lamp vervangen kentekenplaatverlichting Lamp vervangen - verlichting in kofferbak De kentekenplaatverlichting zit onder de handgreep van het kofferdeksel. De kofferbakverlichting zit aan weerszijden van de kofferdekselopening. Lamphouder achterlamphuis Mistlichten (p. 369) Richtingaanwijzer (p. 369) Gerelateerde informatie • • Lamp vervangen - algemeen (p. 364) Lampen - specificaties (p. 371) 1. Draai de boutjes los met een schroevendraaier. 2.
10 Onderhoud en service Lamp vervangen - verlichting makeupspiegel De lampjes voor de verlichting van de makeupspiegel zitten achter de lensjes. Lampglas verwijderen 1. Steek een schroevendraaier achter het lampglas om de borgnokjes aan de rand voorzichtig los te werken. 2. Klik het lampglas los. 3. Trek met een puntbektang de gloeilamp recht naar buiten toe opzij en vervang deze. Let er echter op dat u niet te hard knijpt met de tang. Het lampglas kan anders kapotgaan. Lampglas bevestigen 1.
10 Onderhoud en service || 10 Verlichting WA Type Achteruitrijlicht 21 P21W LL Mistachterlicht 21 P21W LL A Watt Wisserbladen Om de wisserbladen van de voorruit te kunnen vervangen moeten deze eerst in de servicestand worden gezet. Servicestand Gerelateerde informatie • • Lamp vervangen - algemeen (p. 364) • Lamp vervangen - verlichting makeupspiegel (p. 371) 2. Druk opnieuw kort op de START/STOP ENGINE-knop om het elektrische systeem van de auto in de sleutelstand 0 te zetten.
10 Onderhoud en service Klap de wisserarm omhoog als deze in de servicestand staat. Druk op de knop die op de wisserbladhouder zit en trek het wisserblad evenwijdig aan de wisserarm los. Duw het nieuwe wisserblad zo ver naar binnen dat u een klik hoort. N.B. De wisserbladen hebben een verschillende lengte. Het blad aan de bestuurderskant is langer dan dat aan de passagierskant. 10 Schoonmaken Voor het schoonmaken van de wisserbladen en de voorruit, zie Wasstraat (p. 395).
10 Onderhoud en service Sproeiervloeistof - bijvullen 10 BELANGRIJK Om de koplampen en ruiten schoon te houden wordt sproeiervloeistof gebruikt. Gebruik tijdens de wintermaanden sproeiervloeistof met antivries. Gebruik in de winter sproeiervloeistof met antivries, zodat de vloeistof niet vastvriest in pomp, reservoir en slangen. Voor de hoeveelheden, zie Sproeiervloeistof kwaliteit en hoeveelheid (p. 418). Gerelateerde informatie • Wisserbladen (p.
10 Onderhoud en service BELANGRIJK Bij vervanging van de startaccu of hulpaccu, bij een auto met Start/Stop-systeem, moet u een accu van het juiste type monteren; EFB14 bij een auto met een handgeschakelde versnellingsbak en AGM15 bij een auto met een automatische versnellingsbak. Bij vervangen van een hulpaccu moet u een accu van het type AGM monteren.
10 Onderhoud en service || N.B. Hoe vaker de accu ontladen raakt, des te minder lang gaat de accu mee. De levensduur van de accu wordt bepaald door uiteenlopende factoren, waaronder de rijomstandigheden en het klimaat. De accu verliest na verloop van tijd aan startcapaciteit en moet daarom bijgeladen worden, als er langere tijd achtereen niet of slechts korte afstanden met de auto wordt gereden. Ook bij strenge vorst neemt de startcapaciteit af.
10 Onderhoud en service Startaccu - vervangen Neem de achterste afdekking los door deze een kwartslag te verdraaien en vervolgens op te tillen. De startaccu van de auto is zonder hulp van een werkplaats te vervangen. De startaccu is een traditionele 12V-accu. WAARSCHUWING Demonteren 10 De plus- en minkabels in de juiste volgorde loskoppelen en/of aansluiten.
10 Onderhoud en service || Monteren Accu - Start/Stop Auto’s met Start/Stop-systeem hebben behalve de startaccu ook een hulpaccu. Een auto met Start/Stop-systeem is voorzien van twee 12V-accu’s – één extra krachtige startaccu en een hulpaccu die gebruikt wordt voor de startprocedure middels het Start/Stop-systeem. 10 1. Laat de accu in de accubak zakken. 2. Duw de accu naar binnen en gelijktijdig opzij totdat de accu tegen de achterkant van de accubak aankomt. 3.
10 Onderhoud en service Accu Start, 12 V KoudestartvermogenA - CCAB (A) Hulp, 12 V Start, 12 V Auto met stuur links: 720C 760D 120E Capaciteit (Ah) 170F Auto met stuur rechts: Auto met stuur links: 150×90×106E 278×175×190 150×90×130F Auto met stuur rechts: 150×90×106 Hulp, 12 V Auto met stuur links: 8E 70 10F Auto met stuur rechts: 120 Afmetingen , l×b×h (mm) BELANGRIJK Accu Bij vervanging van de startaccu of hulpaccu, bij een auto met Start/Stop-systeem, moet u een accu van het juiste type
10 Onderhoud en service || • 10 • Auto-start motor18 werkt zonder dat de bestuurder de koppeling bedient (handmatige versnellingsbak). De motor start automatisch zonder dat de bestuurder zijn voet van het rempedaal haalt (automatische versnellingsbak). Locatie accu’s BELANGRIJK N.B.
10 Onderhoud en service Elektrisch systeem Zekeringen - algemeen Het elektrische systeem is enkelpolig en gebruikt het chassis en het motorblok als geleiders. Om te voorkomen dat de elektrische systemen van de auto beschadigd raken door kortsluiting of overbelasting, worden alle verschillende elektrische functies en onderdelen door een aantal zekeringen beschermd. Op de auto zit een wisselstroomdynamo met spanningsregelaar.
10 Onderhoud en service || Kofferbak Koude zone motorruimte (alleen Start/ Stop) 10 Gerelateerde informatie • • • • • 382 Zekeringen - in motorruimte (p. 383) Zekeringen - onder dashboardkastje (p. 387) Zekeringen - in regeleenheid onder dashboardkastje (p. 389) Zekeringen - in kofferbak (p. 391) Zekeringen - in de koude zone van de motorruimte (p.
10 Onderhoud en service Zekeringen - in motorruimte De zekeringen in de motorruimte beveiligen o.a. de motor- en remfuncties.
10 Onderhoud en service || Algemene informatie over de zekeringen in de motorruimte 10 Functie A Functie A Hoofdzekering voor centrale elektronicamodule (ECM) onder dashboardkastjeA 50 Elektrische voorruitverwarming*, rechts 40 ABS-pomp 40 Hoofdzekering voor centrale elektronicamodule (ECM) onder dashboardkastje 50 ABS-ventielen 20 Hoofdzekering voor relais- en zekeringhouder in kofferbakA 60 Koplampsproeiers* 20 10 Hoofdzekering voor relais-/ zekeringhouder onder dashboardkastjeA 60 K
10 Onderhoud en service Functie A Functie A Functie A - - 10 - Relais sproeiers 5 20 Verstralers* 20 Motorregeleenheid (4-cil. 2.0 lB); bobines (5-, 6-cil. benzine); condensor (6-cil.) Claxon 15 10 Relaisspoel in hoofdrelais voor motormanagementsysteem; motorregeleenheid (4-cil. 2.0 lB, 5-, 6-cil.) 10 Motorregeleenheid (benzine behalve 4-cil. 2.0 lC) Magneetkoppeling A/C (5- en 6-cil.); kleppen (1,6 l, motor B4204T7, 5-cil., 6-cil.); motorregeleenheid (6-cil.); magneetkleppen (6-cil.
10 Onderhoud en service || 10 386 Functie A Functie A Koelvloeistofpomp (1,6 liter benzine Start/Stop) 10 Koelventilator (1,6 l, 4-cil. 2,0 l benzine, 5-cil. benzine) 60 Koelventilator (6-cil., 4-cil. 2,0 l diesel, 5-cil. diesel) 80 Stuurbekrachtiging 100 Koelvloeistofpomp (5-cil. benzine); verwarming carterventilatie (5-cil. benzine); oliepomp automatische versnellingsbak (5-cil. benzine Start/Stop) A Bobines (4-cil. 2.
10 Onderhoud en service Zekeringen - onder dashboardkastje De zekeringen onder het dashboardkastje beveiligen o.a. de infotainment- en stoelfuncties.
10 Onderhoud en service || 10 Functie A Functie A Elektrisch bediende stoel passagierszijde* 20 Stoelverwarming passagierszijde voorin 15 - - Stoelventilatie passagierszijde voorin* Regeleenheid infotainment of beeldschermA 5 Regeleenheid audio (versterker)*; digitale radio*; tv* 10 Stoelventilatie bestuurderszijde voorin* Regeleenheid audio of regeleenheid SensusA 15 Parkeerhulp*; parkeercamera* Telematica*; Bluetooth* 5 - - Schuifdak*; interieurverlichting plafond; klimaatregeling
10 Onderhoud en service Zekeringen - in regeleenheid onder dashboardkastje De zekeringen in de regeleenheid onder het dashboardkastje beveiligen o.a. de functies voor airbags en Collision Warning.
10 Onderhoud en service || 10 Functie A Brandstofpomp 20 Bewegingsmelder alarm*; bedieningspaneel klimaatregeling 5 Stuurslot 15 Sirene alarmsysteem*; diagnose-aansluiting OBDII 5 - - Airbags 10 Collision Warning* 5 Gaspedaalsensor; dimfunctie achteruitkijkspiegel*; achterbankverwarming* 7,5 Extra verwarming op stroom* 390 Regeleenheid Infotainment (Performance); audiosysteem (Performance) 15 Remlichten 5 Schuifdak* 20 Startblokkering 5 * Optie/accessoire, zie Inleiding voor me
10 Onderhoud en service Zekeringen - in kofferbak De zekeringen in de kofferbak beveiligen o.a. de elektrische parkeerrem. 10 Het kastje zit achter de bekleding aan de linkerzijde. Posities Functie A Elektrische parkeerrem links 30 Elektrische parkeerrem rechts 30 Elektrische achterruitverwarming 30 Trekhaakaansluiting 2* - 15 Functie A Functie A - - Trekhaakaansluiting 1* 40 - - - - - - - - - - Gerelateerde informatie • • Zekeringen - in motorruimte (p.
10 Onderhoud en service || 10 392 • Zekeringen - in regeleenheid onder dashboardkastje (p. 389) • Zekeringen - in de koude zone van de motorruimte (p.
10 Onderhoud en service Zekeringen - in de koude zone van de motorruimte De zekeringen in de koude zone van de motorruimte zitten in auto’s met de Start/ Stop-functie. 10 Positie van zekeringen voor het Start/Stop-systeem. • De zekeringen A1 en A2 zijn van het type ‘MEGA Fuse’ en mogen alleen door een werkplaats worden vervangen21. • De zekeringen 1–11 zijn van het type ‘MidiFuse’ en mogen alleen door een werkplaats worden vervangen21. • Zekeringen 12 is van het type ‘MiniFuse’.
10 Onderhoud en service || 10 394 Functie A Hoofdzekering voor centrale elektronicamodule (ECM) onder dashboardkastje 50 Hoofdzekering voor relais-/ zekeringhouder onder dashboardkastje 60 Hoofdzekering voor relais-/ zekeringhouder onder dashboardkastje 60 Hoofdzekering voor relais- en zekeringhouder in kofferbak 60 Interieurventilator 40 - - - - Startrelais 30 Interne diode 50 Hulpaccu 70 Centrale elektronicamodule (CEM) - referentiespanning hulpaccu; laadpunt hulpaccu 15 Gerelat
10 Onderhoud en service Wasstraat Was de auto zodra deze vuil geworden is. Zorg dat de auto op een spoelvloer met olieafscheider staat. Gebruik autoshampoo. Met de hand wassen • • • • • Verwijder vogelpoep zo spoedig mogelijk van de lak. Vogelpoep bevat namelijk stoffen die de lak aantasten en deze zeer snel doen verkleuren. U wordt geadviseerd een dergelijke verkleuring te laten herstellen door een erkende Volvo-werkplaats. Spoel het onderstel af.
10 Onderhoud en service || Remmen testen BELANGRIJK Waxen en polijsten op kunststof en rubber is niet toegestaan. WAARSCHUWING 10 Test de rem na het wassen altijd, ook de parkeerrem, zodat vocht en corrosie de remvoering niet aantasten en de remmen verslechteren. Bij gebruik van ontvettingsmiddel op kunststof en rubber mag u, als dat nodig is, slechts met lichte druk wrijven. Gebruik een zachte spons.
10 Onderhoud en service BELANGRIJK Waxen en polijsten op kunststof en rubber is niet toegestaan. Bij gebruik van ontvettingsmiddel op kunststof en rubber mag u, als dat nodig is, slechts met lichte druk wrijven. Gebruik een zachte spons. Door het polijsten van glimmende strips kan de glimmende oppervlaktelaag wegslijten of beschadigd raken. Gebruik geen poetsmiddel dat schuurmiddel bevat. BELANGRIJK Alleen lakbehandelingen uitvoeren die door Volvo geadviseerd worden.
10 Onderhoud en service 10 Roestwering Interieur reinigen Stoffen bekleding en plafondbekleding De auto heeft in de fabriek een uiterst grondige en complete roestwerende behandeling ondergaan. De carrosserie bestaat ten dele uit gegalvaniseerd plaatwerk. Het onderstel is voorzien van een slijtvaste bodembescherming. In de balken, holten en gesloten profielen werd een dunne, doordringende roestwerende vloeistof gespoten.
10 Onderhoud en service Interieuronderdelen van kunststof, metaal en hout WAARSCHUWING Gebruik voor alle zitplaatsen slechts één inlegmat tegelijk en controleer alvorens weg te rijden of de mat voor de bestuurdersstoel goed in de bevestigingsklemmen op de vloer vastzit om te voorkomen dat deze kan gaan glijden en achter of onder de pedalen blijft haken.
10 Onderhoud en service || 10 • grondlak (primer)22 - voor met kunststof beklede bumpers e.d. zijn er spuitbussen met speciale hechtprimer verkrijgbaar • basislak en heldere lak - verkrijgbaar in spuitbussen en als bijwerkpennen/-stiften23 • • Geringe lakschade herstellen zoals steenslagschade en krasjes 1. Plak een stuk afplaktape over het beschadigde gebied heen. Trek de tape weer van de lak af om eventuele lakresten te verwijderen. afplaktape fijn schuurlinnen22.
10 Onderhoud en service N.B. Als de steenslag niet tot het metalen oppervlak (blanke plaat) is doorgedrongen en er nog steeds een intacte laklaag aanwezig is, moet u de basislak en heldere lak direct aanbrengen nadat u het oppervlak hebt gereinigd. 10 Gerelateerde informatie • Roestwering (p.
SPECIFICATIES
11 Specificaties Type-aanduidingen Type-aanduiding, chassisnummer e.d. (voertuigspecifieke informatie) staan aangegeven op een sticker in de auto.
11 Specificaties || Positie van stickers en plaatjes 11 Wanneer u contact opneemt met uw erkende Volvo-werkplaats of vervangende onderdelen of accessoires wilt bestellen, kan het handig zijn om de type-aanduiding, het chassisnum- 404 mer en het motornummer bij de hand te hebben. Type-aanduiding, chassisnummer, maximaal toelaatbaar gewicht, kleurcode voor lakwerk en typegoedkeuringsnummer.
11 Specificaties het openen van het rechter achterportier zichtbaar. Sticker voor standverwarming. Motorcode en serienummer van de motor. Sticker voor motorolie. Type-aanduiding en serienummer van de versnellingsbak. 11 Handgeschakelde versnellingsbak Automatische versnellingsbak Identificatienummer van de auto (VIN, Vehicle Identification Number) De typegoedkeuring van de auto bevat meer informatie over de auto. N.B.
11 Specificaties Maten In de tabel ziet u de maten van de auto wat de lengte, hoogte e.d. betreft. 11 Maten 406 mm Maten A Wielbasis 2835 B Lengte 4854 C Laadlengte, vloer, achterbank neergeklapt 1927 D Laadlengte, vloer 1094 E Hoogte 1493 F Laadhoogte G Spoorbreedte vooras mm 1588A H Spoorbreedte achteras 1585A I Laadbreedte, vloer J Breedte 1130 1861 (1876C) A B C mm K Breedte incl. buitenspiegels 2106 L Breedte incl.
11 Specificaties Gewichten Het maximale totaalgewicht staat aangegeven op een sticker in de auto. Inbegrepen bij het rijklaar gewicht zijn het gewicht van de bestuurder, dat van de brandstoftank die voor 90 % gevuld is en dat van de resterende oliën/vloeistoffen. Het gewicht van de passagiers en de gemonteerde accessoires alsmede de kogeldruk (p. 408) (bij gebruik van een aanhanger) zijn van invloed op het laadvermogen en zijn niet inbegrepen bij het rijklaar gewicht.
11 Specificaties Trekgewicht en kogeldruk Het trekgewicht en de kogeldruk voor het rijden met een aanhanger staan in de tabellen. 11 408 Max. gewicht geremde aanhanger N.B. Voor aanhangers/caravans zwaarder dan 1800 kg wordt een trillingsdemper op de trekhaak geadviseerd.
11 Specificaties A B C Motor MotorcodeA Versnellingsbak Max. gewicht geremde aanhanger (kg) Max.
11 Specificaties || Gerelateerde informatie • • Gewichten (p. 407) Rijden met een aanhanger* (p. 304) 11 410 * Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
11 Specificaties Motorspecificaties De motorspecificaties (vermogen enz.) voor de verschillende motoralternatieven staan in de tabel. Motor MotorcodeA N.B. Niet alle motoren zijn verkrijgbaar op alle markten.
11 Specificaties Motorolie - ongunstige rijomstandigheden BELANGRIJK Om aan de vereisten voor de gespecificeerde service-intervallen te voldoen worden alle motoren in de fabriek gevuld met een speciaal aangepaste, synthetische motorolie. De oliesoort werd met grote zorg geselecteerd lettend op de levensduur van de motor, de startgewilligheid, het brandstofverbruik en de milieu-impact. In ongunstige rijomstandigheden kunnen de olietemperatuur en het olieverbruik abnormaal toenemen.
11 Specificaties Motorolie - kwaliteit en hoeveelheid De motoroliekwaliteit en de te hanteren hoeveelheden voor de verschillende motoralternatieven staan in de tabel. Volvo adviseert: 11 Motor MotorcodeA Oliekwaliteit Hoeveelheid, incl. oliefilter (liter) B6304T4 Oliekwaliteit: ACEA A5/B5 ca. 6,8 D4 D5204T3 Viscositeit: SAE 0W-30 ca. 5,9 D5 D5244T15B D2 D4162T T6 ca. 5,9 Oliekwaliteit: ACEA A5/B5 ca.
11 Specificaties || Motor MotorcodeA Oliekwaliteit Hoeveelheid, incl. oliefilter (liter) 11 A B T5 B4204T11 Castrol Edge Professional V 0W-20 of VCC RBS0-2AE 0W-20 T5 B4204T15 ca. 5,4 D4 D4204T5 ca. 5,2 Motorcode, onderdeel- en serienummer van de motor vindt u op de motor, zie Type-aanduidingen (p. 403). Automatische versnellingsbak. Gerelateerde informatie 414 • Motorolie - ongunstige rijomstandigheden (p. 412) • Motorolie - controleren en bijvullen (p. 357) ca.
11 Specificaties Koelvloeistof - kwaliteit en hoeveelheid MotorA In de tabel ziet u de aan te houden hoeveelheid koelvloeistof voor de verschillende motortypes. T5 B4204T11 Voorgeschreven kwaliteit: Door Volvo aanbevolen koelvloeistof aangelengd met 50 % water1, zie verpakking.
11 Specificaties Transmissieolie - kwaliteit en hoeveelheid De voorgeschreven transmissieolie en de hoeveelheid voor de verschillende versnellingsbakopties staan in de tabel. Handgeschakelde versnellingsbak Handgeschakelde versnellingsbak 11 MMT6 M66 A Hoeveelheid (liter) ca. 1,7 ca. 1,9 (ca. 1,45A) Voorgeschreven versnellingsbakolie BOT 350M3 Geldt voor motortype D4204T5. N.B. Voor de MPS6 gelden bepaalde olieverversingsintervallen.
11 Specificaties Automatische versnellingsbak TF-80SD TG-81SC A B Benzinemotoren Dieselmotoren Hoeveelheid (liter) ca. 7,0 ca. 6,6A ca. 7,5B Voorgeschreven versnellingsbakolie AW1 AW1 11 N.B. Voor de MPS6 gelden bepaalde olieverversingsintervallen. Bij de overige versnellingsbakken hoeft de versnellingsbakolie in normale rijomstandigheden niet ververst te worden. Onder ongunstige rijomstandigheden moet de olie mogelijk wel worden ververst.
11 Specificaties 11 Remvloeistof - kwaliteit en hoeveelheid Stuurbekrachtigingsvloeistof kwaliteit Sproeiervloeistof - kwaliteit en hoeveelheid Remvloeistof is de naam van het middel in een hydraulisch remsysteem, dat wordt gebruikt om druk over te brengen vanuit bijvoorbeeld een rempedaal via een hoofdremcilinder naar een of meerdere hulpcilinders die op hun beurt een mechanische rem bedienen.
11 Specificaties Brandstoftank - inhoud De inhoud van de brandstof voor de verschillende motoralternatieven staat in de tabel. Motor Hoeveelheid (liter) Voorgeschreven kwaliteit Benzinemotor ca. 70 Brandstof - benzine (p. 298) Dieselmotor ca. 70 Brandstof - diesel (p. 299) 11 Gerelateerde informatie • • Brandstof tanken (p. 297) Motorspecificaties (p.
11 Specificaties Brandstofverbruik en CO2-uitstoot Stadsverkeer Het brandstofverbruik voor een auto wordt gemeten in liter per 100 km en de CO2-uitstoot in gram per km. handgeschakelde versnellingsbak Snelwegrit Automatische versnellingsbak Uitleg Combinatierit N.B. gram/km 11 Als de gegevens over brandstofverbruik en emissie ontbreken, staan deze in het bijgeleverde supplement.
11 Specificaties S80 D2B (D4162T) 125 4,8 100 3,8 109 4,1 D4 (D5204T3) 135 5,1 102 3,9 114 4,3 D4C (D5204T3) 214 8,1 126 4,8 158 6,0 D4D (D5204T3) 162 6,1 115 4,3 132 5,0 D4E (D5204T3) 159 6,1 112 4,3 129 4,9 D4A (D4204T5) 117 4,5 97 3,7 104 4,0 D4B (D4204T5) 116 4,4 94 3,6 102 3,9 D4A (D4204T5) 138 5,4 106 4,0 117 4,5 D4B (D4204T5) 131 5,1 103 3,9 113 4,3 11 }} 421
11 Specificaties || S80 11 A B C D E 219 8,4 124 4,7 159 6,1 D5 AWD (D5244T15) 213 8,1 127 4,8 158 5,9 Geldt niet voor de variant met een geringe emissie. Geldt alleen voor de variant met een geringe emissie, maximale bandbreedte 225. Geldt voor een auto zonder Start/Stop. Geldt voor een auto met Start/Stop zonder bandenrestrictie. Geldt voor een auto met Start/Stop met bandenrestrictie, maximale bandbreedte 225.
11 Specificaties N.B. Bij extreme weersomstandigheden, gebruik van een aanhanger of ritten op grote hoogte kan, afhankelijk van de gebruikte brandstofkwaliteit, het prestatievermogen van de auto te wensen overlaten. Gerelateerde informatie • • Zuinig rijden (p. 303) 11 Gewichten (p.
11 Specificaties Banden - goedgekeurde bandenspanning De goedgekeurde bandenspanningen voor de verschillende motoralternatieven staan in de tabel. S80 11 Motor T6 D5 424 Bandenmaat N.B. Alle motoren, banden of combinaties daarvan zijn niet altijd beschikbaar op alle markten. Snelheid (km/h) Belading, 1–3 inzittenden Max.
11 Specificaties S80 Bandenmaat Motor T4 T5 D2 D4 Snelheid (km/h) Belading, 1–3 inzittenden Max. belading ECO-bandenspanningA Voor Achter Voor Achter Voor/achter (kPa)B (kPa) (kPa) (kPa) (kPa) 225/55 R 16 Tot 160 220 210 260 260 260 225/50 R 17 160 + 260 260 270 270 - Tot 160 230 210 260 260 260 160 + 270 270 290 290 - max.
12 Alfabetisch register A Aanbevolen kinderzitjes tabel...................................................... 44 Aanhanger............................................... 304 kabel................................................... 304 rijden met een aanhanger................... 304 Aanrijding................................................... 40 aanzuiging, uitlaatgassen, giftig.............. 294 ACC - Adaptieve cruisecontrol................ 196 12 Achterbank elektrische verwarming.......................
12 Alfabetisch register Bedrijfsrem...................................... 286, 287 B Banden band afdichten.................................... 336 bandenspanningscontrole... 328, 329, 331, 334 draairichting........................................ 317 onderhoud.......................................... 316 profieldiepte........................................ 322 slijtage-indicator................................. 318 spanning..................................... 318, 424 specificaties......................
12 Alfabetisch register D Dagrijlicht................................................... 87 Dagteller op nul stellen............ 117, 118, 121 Dagtellers................................................... 71 Dakbelasting, max. gewicht..................... 407 Dashboardkastje...................................... 152 vergrendelen....................................... 178 Diesel brandstofgebrek................................. 300 12 Dieselolie.................................................
12 Alfabetisch register Intervalfunctie wisser............................... 100 Gladde wegen.................................. 295, 296 Hoofdsteun inklappen.............................................. 82 middelste zitplaats achterbank....... 81, 82 Gladheid.................................................. 296 Houder voor boodschappentassen ........ 157 K Gewichten rijklaar gewicht.................................... 407 Glazen gelaagd/versterkt..................................
12 Alfabetisch register Klimaat algemene informatie........................... automatische regeling........................ persoonlijke instellingen..................... sensoren............................................. temperatuurregeling........................... werkelijke temperatuur....................... 126 135 130 127 136 127 Klimaatregeling reparatie.............................................. 363 Laag oliepeil............................................. 356 Make-upspiegel............
12 Alfabetisch register Motor oververhitting...................................... Start/Stop........................................... starten................................................. uitschakelen........................................ 304 275 258 259 Motor afzetten......................................... 259 Motor- en interieurverwarming directe start......................................... direct uitschakelen.............................. meldingen...........................................
12 Alfabetisch register Positie buitenspiegels herstellen............. 104 Remlichten................................................. 92 Rijden tijdens de winter........................... 295 Powermeter............................................... 66 Remmen.......................................... 286, 287 antiblokkeerremsysteem, ABS........... 287 noodremlichten..................................... 92 parkeerrem......................................... 289 remkrachtverhoging bij noodstops, EBA ...
12 Alfabetisch register S Sleutelloos startsysteem (keyless drive)........................ 172, 173, 174, 175, 258 Safelock-functie....................................... 180 deactiveren......................................... 180 tijdelijk deactiveren............................. 180 Sleutelstanden........................................... 77 Safety mode.............................................. 40 auto verrijden........................................ 42 startpoging..............................
12 Alfabetisch register Stuurbekrachtigingsvloeistof kwaliteit............................................... 418 T Stuurkracht, snelheidsafhankelijk............ 250 Tanken Bijvullen.............................................. Tankdop.............................................. tankklep.............................................. tankvulklep, handmatig openen......... Stuurkrachtniveau, zie Stuurkracht.......... 250 Stuurpaddle............................................... 83 Stuurslotfout.......
12 Alfabetisch register V Veiligheidsgordel....................................... Achterbank........................................... gordelspanner....................................... gordelwaarschuwing............................ losnemen.............................................. omdoen................................................. zwangerschap...................................... 26 28 29 28 27 27 28 Velg, maten.............................................. 320 Velgen Reinigen.............
12 Alfabetisch register W Waarschuwingsgeluid Collision Warning................................ 225 Waarschuwingslampje adaptieve cruisecontrol...................... 197 Collision Warning................................ 225 stabiliteits- en tractieregeling............. 187 12 Waarschuwingslampjes airbags (SRS)........................................ 69 dynamo laadt niet bij............................ 69 gordelwaarschuwing...................... 28, 69 Lage oliedruk........................................
TP 18321 (Dutch), AT 1448, MY15, Printed in Sweden, Göteborg 2014, Copyright © 2000-2014 Volvo Car Corporation