VOLVO S80 Instructieboekje Web Edition
BESTE VOLVO-BEZITTER, DANK U DAT U GEKOZEN HEBT VOOR VOLVO! Wij hopen dat u jarenlang rijplezier van uw Volvo zult hebben. Bij het ontwerp hebben veiligheid en comfort van u en uw passagiers vooropgestaan. Een Volvo is een van de veiligste auto’s ter wereld. Uw Volvo is ook ontworpen om aan alle geldende veiligheidsvoorschriften en milieueisen te voldoen.
Inhoud 00 01 02 2 00 Inleiding 01 Veiligheid Belangrijke informatie................................. 6 Volvo en het milieu.................................... 11 Veiligheidsgordels .................................... Airbags...................................................... Airbag activeren/deactiveren*................... SIPS-airbags (zij-airbags) ........................ Opblaasgordijnen (IC-systeem) ............... WHIPS ......................................................
Inhoud 03 04 05 03 Bestuurdersmilieu 04 Comfort en rijplezier 05 Infotainment Instrumenten, schakelaars en bediening. . 68 Instrumenten, schakelaars en bediening Executive .................................................. 77 Volvo Sensus ........................................... 78 Sleutelstanden.......................................... 79 Stoelen en achterbank.............................. 81 Voorstoelen - Executive............................ 86 Stuurwiel..........................................
Inhoud 06 07 08 06 Tijdens het rijden Rijadviezen.............................................. Tanken.................................................... Brandstof................................................ Lading vervoeren.................................... Kofferbak ............................................... Rijden met een aanhanger...................... Slepen en bergen....................................
Inhoud 09 10 09 Specificaties Type-aanduidingen................................. Maten en gewichten................................ Motorspecificaties................................... Motorolie................................................. Vloeistoffen en smeermiddelen............... Brandstof................................................ Wielen en banden, maten en spanning .. Elektrisch systeem.................................. Typegoedkeuring.................................... Displaysymbolen..
Inleiding Belangrijke informatie Instructieboekje lezen Inleiding Een goede manier om vertrouwd te raken met uw nieuwe auto is om het instructieboekje te lezen, idealiter voordat u uw eerste rit maakt. Zo maakt u kennis met nieuwe functies, krijgt u tips hoe u het beste in verschillende situaties met de auto kunt omgaan en leert u hoe u optimaal gebruik kunt maken van alle mogelijkheden die uw auto biedt. Besteed ook aandacht aan de veiligheidsinstructies in het boekje.
Inleiding Belangrijke informatie G031590 Zwarte ISO-symbolen in een oranje waarschuwingsveld, witte tekst/afbeelding in een zwart tekstveld. Worden gebruikt om te attenderen op een risico dat, bij het negeren van de waarschuwing, kan resulteren in ernstig letsel met mogelijk dodelijke afloop. Informatie Witte ISO-symbolen en een witte tekst/afbeelding in een zwart of blauw waarschuwings- en tekstveld.
Inleiding Belangrijke informatie Procedurelijsten Opsommingslijsten Procedures met handelingen die in een bepaalde volgorde moeten worden uitgevoerd, staan genummerd in het instructieboekje. Bij opsommingen in het instructieboekje wordt gebruik gemaakt van een opsommingslijst. • Koelvloeistof • Motorolie Als voor de instructies bij een reeks afbeeldingen de onderlinge volgorde niet relevant is, worden de instructies voorafgegaan door letters. een hoofdstuk wordt voortgezet op de volgende pagina.
Inleiding Belangrijke informatie Volvo. Volvo ziet erop toe dat de gegevens, die in verband met reparatie en onderhoud worden doorgegeven aan Volvo, zorgvuldig worden opgeslagen en gehanteerd en dat ze in overeenstemming met de geldende wetgeving worden gebruikt. Neem voor meer informatie contact op met een Volvo-dealer. Accessoires en extra uitrusting Een verkeerde aansluiting en montage van accessoires kan een nadelige invloed hebben op de werking van de elektronische systemen van de auto.
Inleiding Belangrijke informatie WAARSCHUWING Als u de instructies in dit boekje niet opvolgt, is het gevaar voor oogletsel groot! • • • 10 Kijk nooit van een afstand van 100 mm of minder in de lasersensor (waaruit uiteenlopende, onzichtbare laserstralen komen) met vergrotende optiek zoals een vergrootglas, microscoop, objectief of soortgelijke optische instrumenten.
Inleiding Volvo en het milieu G000000 Milieubeleid van Volvo Car Corporation Milieuzorg is een van de kernwaarden van Volvo Car Corporation die van invloed zijn op alle activiteiten. We zijn ervan overtuigd dat onze klanten onze zorg voor het milieu delen. Uw Volvo voldoet aan strenge internationale milieueisen en is bovendien geproduceerd in een fabriek die zeer schoon is en efficiënt met hulpbronnen omgaat.
Inleiding Volvo en het milieu Het systeem bestaat uit een elektronische sensor en een koolstoffilter. De binnenkomende lucht wordt continu gecontroleerd en als het gehalte aan bepaalde schadelijke gassen zoals koolmonoxide te hoog oploopt, wordt de luchtinlaat gesloten. Iets dergelijks kan zich voordoen in bijvoorbeeld druk verkeer, files of tunnels. Het koolstoffilter zorgt ervoor dat stikstofoxiden, laaghangend ozon en koolwaterstoffen niet binnendringen.
Inleiding Volvo en het milieu 13
Veiligheidsgordels .................................................................................. Airbags.................................................................................................... Airbag activeren/deactiveren*................................................................. SIPS-airbags (zij-airbags) ....................................................................... Opblaasgordijnen (IC-systeem) ............................................................. WHIPS ..........
VEILIGHEID
01 Veiligheid Veiligheidsgordels 01 Algemene informatie Op de achterbank passen de borglippen van de veiligheidsgordel alleen in de bijbehorende sluitingen1. Veiligheidsgordel losmaken Druk op de rode knop van de gordelsluiting en laat het oprolmechanisme de gordel naar binnen trekken. Als de gordel niet volledig wordt opgerold, moet u de gordel handmatig zo ver terugrollen dat deze niet langer slap hangt.
01 Veiligheid Veiligheidsgordels Veiligheidsgordel en zwangerschap onder controle hebben (wat inhoudt dat ze met gemak bij het stuur en de pedalen moeten kunnen komen). Streef ernaar de afstand tussen de buik en het stuur zo groot mogelijk te maken. Breng nooit zelf wijzigingen aan de veiligheidsgordels aan en probeer ze nooit zelf te repareren. Volvo adviseert u daarvoor contact op te nemen met een erkende Volvowerkplaats.
01 Veiligheid 01 Veiligheidsgordels Achterbank Bepaalde markten De functie van de gordelwaarschuwing voor de achterbank is tweeledig: Er gaat een waarschuwingslampje branden en er worden geluidssignalen afgegeven wanneer de bestuurder en een eventuele voorpassagier de gordel niet dragen. Op lage snelheden klinkt de eerste 6 seconden lang een geluidssignaal. • Aangeven welke veiligheidsgordels van de achterbank er worden gebruikt.
01 Veiligheid Airbags Het waarschuwingssymbool op het instrumentenpaneel gaat branden, wanneer u de transpondersleutel in sleutelstand II of III zet. Het symbool dooft na ca. 6 seconden, wanneer de regelmodule heeft vastgesteld dat het airbagsysteem geen storingen vertoont. WAARSCHUWING Airbagsysteem Behalve het brandende waarschuwingssymbool verschijnt er, in die gevallen waarin dat nodig is, een melding op het informatiedisplay.
01 Veiligheid 01 Airbags bags worden opgeblazen. Daarbij worden de airbags warm. Om de klap op te vangen loopt de airbag leeg wanneer de inzittende de airbag raakt. Daarbij treedt er rookvorming in de auto op. Dit is volkomen normaal. Het totale verloop, van het opblazen tot het leeglopen van de airbag, neemt enkele tienden van een seconde in beslag. WAARSCHUWING Volvo adviseert u voor reparatie contact op te nemen met een erkende Volvo-werkplaats.
01 Veiligheid Airbags Airbag aan de passagierszijde Uw auto heeft behalve de veiligheidsgordel aan de passagierszijde ook een airbag in het stuurwiel. Deze zit opgevouwen in een ruimte boven het dashboardkastje. Het paneel is voorzien van het opschrift AIRBAG. WAARSCHUWING Om de kans op letsel bij het opblazen van de airbags te beperken, moeten de passagiers zo rechtop mogelijk zitten met hun voeten op de vloer en hun rug tegen de rugleuning. De veiligheidsgordel moet goed vastzitten.
01 Veiligheid 01 Airbag activeren/deactiveren* PACOS deactiveren met sleutel* Algemene informatie De passagiersairbag (SRS) voorin kan gedeactiveerd worden met een schakelaar als de auto is uitgerust met PACOS (Passenger Airbag Cut Off Switch). Zie de tekst onder het kopje Activeren/deactiveren voor informatie over activering/deactivering.
01 Veiligheid Airbag activeren/deactiveren* WAARSCHUWING 01 Berichten Geactiveerde airbag (passagiersstoel): Vervoer kinderen nooit in een kinderzitje of op een comfortkussen op de passagiersstoel, wanneer de airbag aan die kant geactiveerd is. Laat evenmin personen die kleiner zijn dan 1,40 m op deze stoel plaatsnemen. 2 Het niet opvolgen van de bovenstaande aanbevelingen kan levensgevaarlijke situaties opleveren.
01 Veiligheid SIPS-airbags (zij-airbags) 01 SIPS-airbag WAARSCHUWING Volvo adviseert u reparatiewerk over te laten aan een erkende Volvo-werkplaats. Verkeerde ingrepen in het SIPSairbagsysteem kunnen aanleiding geven tot storingen in de werking met mogelijk ernstig lichamelijk letsel tot gevolg. • Plaats geen voorwerpen tussen de stoelen en de portierpanelen, omdat dit gebied binnen de actieradius van de SIPS-airbag ligt.
01 Veiligheid SIPS-airbags (zij-airbags) 01 ding reageren de sensoren, die op hun beurt de gasgeneratoren activeren. De SIPS-airbags worden vervolgens opgeblazen tussen de inzittende en het portierpaneel. Daarmee vangen de SIPS-airbags de klap van de aanrijding op voor de inzittende, waarna de airbags weer leeglopen. De SIPS-airbag wordt normaal gesproken alleen opgeblazen aan de kant van de aanrijding.
01 Veiligheid 01 Opblaasgordijnen (IC-systeem) Eigenschappen WAARSCHUWING Hang of bevestig nooit zware voorwerpen aan de plafondhandgrepen. De haak is alleen bedoeld voor niet al te zware kledingstukken (en niet voor harde voorwerpen zoals paraplu’s). Schroef of bevestig geen onderdelen op de plafondbekleding, portierstijlen of de zijpanelen van de auto. Ze kunnen daarbij hun beschermende werking verliezen.
01 Veiligheid WHIPS Bescherming tegen whiplash-letsel, WHIPS Het WHIPS-systeem (Whiplash Protection System) bestaat uit energieabsorberende rugleuningen en speciaal voor het systeem ontwikkelde hoofdsteunen voor de beide voorstoelen. Het systeem wordt geactiveerd bij een aanrijding van achteren, afhankelijk van de hoek waaronder en de snelheid waarmee het achteropkomende voertuig de auto raakt en de materiaaleigenschappen van dat voertuig.
01 Veiligheid 01 WHIPS WAARSCHUWING Plaats geen koffer of iets dergelijks tussen het zitgedeelte van de achterbank en de rugleuning van de voorstoelen. Let erop dat u de werking van het WHIPS-systeem niet beïnvloedt. WAARSCHUWING Als de stoel heeft blootgestaan aan grote krachten zoals bij een aanrijding van achteren, moet u het WHIPS-systeem laten controleren. Volvo adviseert u het te laten controleren door een erkende Volvo-werkplaats.
01 Veiligheid Activering van de veiligheidssystemen Activering van de veiligheidssystemen Systeem Activering Gordelspanners voorstoelen Bij een frontale botsing en/of aanrijding in de zij en/of van achteren Gordelspanners achterbank A Bij een frontale botsing Airbags (SRS) Bij een frontale botsing.
01 Veiligheid 01 Safety mode Rijden na een aanrijding Als alles normaal lijkt en u hebt vastgesteld dat er geen brandstof lekt, kunt u proberen de motor te starten. Neem de transpondersleutel uit en open het bestuurdersportier. Als er vervolgens een melding verschijnt dat het contact ingeschakeld is, dient u op de startknop te drukken. Sluit het portier vervolgens en plaats de transpondersleutel terug. De elektronica van de auto probeert nu te resetten naar de normale stand.
01 Veiligheid Kinderen en veiligheid Kinderen moeten comfortabel en veilig kunnen zitten Volvo adviseert u kinderen zo lang mogelijk te vervoeren in een achterstevoren gemonteerd kinderzitje (in ieder geval tot een leeftijd van 3–4 jaar) en daarna tot een leeftijd van 10 jaar op/in een comfortkussen of een kinderzitje dat in de rijrichting geplaatst is.
01 Veiligheid 01 Kinderen en veiligheid blazen, kan een kind op de passagiersstoel ernstig letsel oplopen. WAARSCHUWING Zet nooit een kind in een kinderzitje op de passagiersstoel als de airbag (SRS) is geactiveerd. Personen kleiner dan 1,40 m mogen nooit op de passagiersstoel voorin plaatsnemen, als de airbag (SRS) geactiveerd is. Het niet opvolgen van de bovenstaande aanbevelingen kan levensgevaarlijke situaties opleveren.
01 Veiligheid Kinderen en veiligheid Aanbevolen Gewicht 01 kinderzitjes2 Voorstoel (met gedeactiveerde airbag) Groep 0 Buitenste zitplaats achterbank Middelste zitplaats achterbank Volvo-babyzitje (Volvo Infant Seat) achterstevoren gemonteerd kinderzitje bevestigd met ISOFIX-systeem. max. 10 kg Groep 0+ Typegoedkeuring: E1 04301146 max. 13 kg (L) Volvo-babyzitje (Volvo Infant Seat) – achterstevoren gemonteerd kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel.
01 Veiligheid 01 Kinderen en veiligheid Gewicht Voorstoel (met gedeactiveerde airbag) Buitenste zitplaats achterbank Groep 1 Achterstevoren gemonteerd/omkeerbaar Volvo-kinderzitje (Volvo Convertible Child Seat) – achterstevoren gemonteerd kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel en bevestigingsband. Achterstevoren gemonteerd/omkeerbaar Volvo-kinderzitje (Volvo Convertible Child Seat) – achterstevoren gemonteerd kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel en bevestigingsband.
01 Veiligheid Kinderen en veiligheid Gewicht Voorstoel (met gedeactiveerde airbag) Buitenste zitplaats achterbank Groep 2 Achterstevoren gemonteerd/omkeerbaar Volvo-kinderzitje (Volvo Convertible Child Seat) – achterstevoren gemonteerd kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel en bevestigingsband Achterstevoren gemonteerd/omkeerbaar Volvo-kinderzitje (Volvo Convertible Child Seat) – achterstevoren gemonteerd kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel en bevestigingsband Typegoedkeuring: E5 04192 T
01 Veiligheid 01 Kinderen en veiligheid Gewicht Voorstoel (met gedeactiveerde airbag) Buitenste zitplaats achterbank Middelste zitplaats achterbank Groep 2/3 Kinderzitje met of zonder rugleuning (Booster Cushion with and without backrest). Kinderzitje met of zonder rugleuning (Booster Cushion with and without backrest). Kinderzitje met of zonder rugleuning (Booster Cushion with and without backrest).
01 Veiligheid Kinderen en veiligheid Kinderslot achterportieren De bedieningsknoppen voor de ruiten in de achterportieren en de openingshandgrepen op de achterportieren zijn te blokkeren, zodat de achterportieren en de zijruiten niet meer van de binnenzijde kunnen worden geopend. Voor meer informatie, zie pagina 62. ISOFIX-bevestigingssysteem voor kinderzitjes Duw het zitgedeelte van de zitplaats omlaag om bij de bevestigingspunten te komen.
01 Veiligheid 01 Kinderen en veiligheid N.B. Volvo adviseert u contact op te nemen met een Volvo-werkplaats over de ISOFIX-kinderzitjes die Volvo aanbeveelt. Verschillende soorten ISOFIX-kinderzitjes Type kinderzitje Babyzitje, overdwars Babyzitje, achterstevoren Gewicht Afmetingscategorie Zitplaatsen voor montage ISOFIX-kinderzitje Voorstoel Buitenste zitplaats achterbank max. 10 kg F X X (tot 9 maanden) G X X max. 10 kg E X OK (tot 9 maanden) Babyzitje, achterstevoren max.
01 Veiligheid Kinderen en veiligheid Type kinderzitje Kinderzitje, achterstevoren Gewicht Afmetingscategorie 9–18 kg (9–36 maanden) D 01 Zitplaatsen voor montage ISOFIX-kinderzitje Voorstoel Buitenste zitplaats achterbank X OK (IL) C X OK (IL) Kinderzitje, in rijrichting 9–18 kg B X (9–36 maanden) OKA (IUF) B1 X OKA (IUF) A X OKA (IUF) X: De ISOFIX-stand leent zich niet voor ISOFIX-kinderzitjes in deze gewichts- en/of afmetingscategorie.
01 Veiligheid 01 Kinderen en veiligheid Bovenste bevestigingspunten voor kinderzitjes Zie de aanwijzingen van de fabrikant van het kinderzitje voor gedetailleerde informatie over de manier waarop u het zitje aan de bovenste bevestigingspunten vastzet. WAARSCHUWING De bevestigingsband van het kinderzitje altijd door de opening in de ene poot van de hoofdsteun halen, alvorens de band aan het bevestigingspunt vast te zetten. De auto is uitgerust met bovenste bevestigingspunten voor kinderzitjes.
01 Veiligheid 01 41
Transpondersleutel/sleutelblad............................................................... Privacy locking*....................................................................................... Batterij vervangen transpondersleutel/PCC*.......................................... Keyless drive*.......................................................................................... Vergrendelen/ontgrendelen.................................................................... Kinderslot....................
SLOTEN EN ALARM
02 Sloten en alarm Transpondersleutel/sleutelblad Algemene informatie 02 Bij de auto worden 2 transpondersleutels of PCC’s (Personal Car Communicator geleverd. U gebruikt ze om de auto te starten en deze te vergrendelen en ontgrendelen. U kunt extra transpondersleutels bestellen. Er zijn maximaal 6 transpondersleutels voor één en dezelfde auto te programmeren en te gebruiken. PCC’s kennen meer functies dan een transpondersleutel in standaarduitvoering.
02 Sloten en alarm Transpondersleutel/sleutelblad Elektronische startblokkering Elke transpondersleutel heeft zijn eigen, unieke code. U kunt alleen in de auto rijden, wanneer u een transpondersleutel met de juiste code gebruikt. Melding Betekenis Melding Betekenis Plaats sleutel Storing tijdens het uitlezen van de transpondersleutel tijdens het starten. Sleutel uit het contactslot trekken, er weer in drukken en een nieuwe startpoging doen.
02 Sloten en alarm Transpondersleutel/sleutelblad Functies Ontgrendelen – Ontgrendelt de portieren en het kofferdeksel en deactiveert het alarm. 02 Transpondersleutel, standaardversie. Vergrendelen G021079 G021078 Bij lang indrukken (ten minste 4 seconden) worden alle zijruiten tegelijkertijd geopend. Transpondersleutel met PCC* - Personal Car Communicator.
02 Sloten en alarm Transpondersleutel/sleutelblad Als u de toets ten minste 3 seconden lang ingedrukt houdt of tweemaal achtereen binnen 3 seconden indrukt, worden de richtingaanwijzers, de interieurverlichting en de claxon geactiveerd. Unieke PCC-functies* Als u gedurende dit tijdsbestek op een van de andere toetsen drukt, wordt de uitlezing beëindigd. N.B. G021080 U kunt deze functie met dezelfde toets weer uitschakelen, als de functie minimaal 5 seconden actief geweest is.
02 Sloten en alarm Transpondersleutel/sleutelblad Als de auto niet reageert bij bediening van een toets – probeer het dan op minder grote afstand opnieuw. 02 N.B. Er kunnen storingen optreden in de functie van de informatietoets door radiogolven in de lucht, omringende gebouwen, topografische omstandigheden e.d. Buiten bereik PCC Continu groen licht: de auto is vergrendeld. Continu oranje licht: de auto is ontgrendeld. Continu rood licht: het alarm is afgegaan na vergrendeling van de auto.
02 Sloten en alarm Transpondersleutel/sleutelblad Portier ontgrendelen met sleutelblad Sleutelblad verwijderen Als de centrale vergrendeling niet op de transpondersleutel reageert (omdat de batterijen bijvoorbeeld leeg zijn), kunt u het bestuurdersportier op de volgende manier ontgrendelen en openen: 02 G021082 1. Ontgrendel het bestuurdersportier met het sleutelblad in de slotcilinder van de portierhandgreep. Haal de veerbelaste pal opzij. Trek tegelijkertijd het sleutelblad naar achteren.
02 Sloten en alarm Privacy locking* De functie Privacy locking is bestemd voor als u de auto afgeeft voor een onderhoudsbeurt of als u hem bij een hotel of iets dergelijks laat parkeren. Het dashboardkastje is dan vergrendeld en het kofferdekselslot is niet via de centrale vergrendeling te openen – het kofferdeksel is niet meer te bedienen met de knoppen op de voorportieren of die op de transpondersleutel.
02 Sloten en alarm Privacy locking* N.B. Plaats het sleutelblad niet in de transpondersleutel terug, maar houd het bij u en bewaar het goed. 02 • Houd voor het deactiveren de omgekeerde volgorde aan. Om alleen het dashboardkastje te vergrendelen, zie pagina 58. * Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
02 Sloten en alarm Batterij vervangen transpondersleutel/PCC* Accu vervangen 02 Batterij vervangen Let erop hoe de batterij(en) aan de binnenzijde van de afdekking vastzit(ten). Let daarop op de pluszijde + en de minzijde –. Vervang de batterijen, als: • het informatiesymbool oplicht en Afst.bediening batterij raakt leeg. Vervang de batterij. op het display staat Transpondersleutel (1 batterij) en/of 1. Werk de batterij voorzichtig los. • de sloten herhaalde malen achtereen niet 2.
02 Sloten en alarm Batterij vervangen transpondersleutel/PCC* 3. Duw voorzichtig tegen het sleutelblad. U hoort een klikgeluid wanneer het sleutelblad goed vastzit. 02 BELANGRIJK Zorg dat de oude batterij(en) wordt/worden afgevoerd op een milieuontlastende manier. * Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
02 Sloten en alarm Keyless drive* 02 Vergrendelings- en startsysteem zonder sleutel (alleen PCC1) van maximaal 1,5 m rond de portierhandgrepen of het kofferdeksel bevinden. Dit betekent dat u de PCC bij u moet dragen om een portier te vergrendelen of ontgrendelen. Wanneer u aan de ene kant van de auto staat, is het niet mogelijk om met de PCC een portier aan de andere kant te vergrendelen of ontgrendelen.
02 Sloten en alarm Keyless drive* Vergrendelen Ontgrendelen Er wordt ontgrendeld wanneer iemand een portierhandgreep beetpakt of op het met rubber beklede drukplaatje van het kofferdeksel drukt – open het portier of het kofferdeksel op de normale manier. Ontgrendelen met sleutelblad den verwijderd – ook dit vindt plaats met het sleutelblad: 1. Duw het sleutelblad ca. 1 cm recht omhoog in de opening aan de onderkant van de portierhandgreep/afdekking – niet wrikken.
02 Sloten en alarm Keyless drive* 02 tenspiegels de stand in die ligt opgeslagen in de PCC van degene die het bestuurdersportier opent. Locatie antennes WAARSCHUWING Dragers van een pacemaker dienen minstens 22 cm afstand te houden tot de antennes van het Keyless drive-systeem. Dit om eventuele storingen in de pacemaker als gevolg van het Keyless drive-systeem uit te sluiten.
02 Sloten en alarm Vergrendelen/ontgrendelen Van de buitenzijde Met de transpondersleutel kunt u alle portieren en het kofferdeksel gelijktijdig vergrendelen/ ontgrendelen. Het is mogelijk een andere ontgrendelingsvolgorde te kiezen, zie ‘Ontgrendelen met transpondersleutel’ 46. Om de ontgrendelingsprocedure te kunnen activeren moet het bestuurdersportier dichtstaan – als een van de overige portieren of het kofferdeksel openstaat, wordt dit pas na het sluiten vergrendeld en inbegrepen in het alarmsysteem.
02 Sloten en alarm Vergrendelen/ontgrendelen Bij lang indrukken (ten minste 4 seconden) worden alle zijruiten* tegelijkertijd geopend. 02 • Trek eenmaal aan de openingshandgreep en laat deze vervolgens los – het portier is ontgrendeld. Wanneer u nogmaals aan de handgreep trekt wordt het portier geopend. Auto-instellingen Slotinstellingen Automatische vergrendeling. Voor een beschrijving van het menusysteem, zie pagina 149. Dashboardkastje Neem het sleutelblad uit.
02 Sloten en alarm Vergrendelen/ontgrendelen mede de sensoren in de opening van het kofferdeksel worden buiten werking gesteld. De portieren blijven vergrendeld en beveiligd. N.B. • Wanneer de klep met tweemaal indrukken werd ontgrendeld is automatische hervergrendeling niet mogelijk omdat de klep openstaat – u dient de klap handmatig te sluiten.
02 Sloten en alarm Vergrendelen/ontgrendelen Van de binnenzijde ontgrendelen 02 Met de transpondersleutel activeert u de Safelock-functie die ca. 10 seconden na vergrendeling van de portieren in werking treedt. Tijdelijk deactiveren N.B. Als er binnen deze vertragingsperiode een van de portieren wordt geopend, wordt de functie geannuleerd en het alarm gedeactiveerd.
02 Sloten en alarm Vergrendelen/ontgrendelen van het alarmsysteem opnieuw ingeschakeld. tailleerde beschrijving van het menusysteem (zie pagina 149)). 2. Kies Eén keer activeren. > Op het display van het instrumentenpaneel verschijnt de melding Beveil. verlaagd Zie instructieb. en de Safelock-functie wordt uitgeschakeld bij vergrendeling van de auto. of – Kies Vragen bij uitstappen.
02 Sloten en alarm Kinderslot 02 Handmatig kinderslot op achterportieren Het kinderslot voorkomt dat kinderen een achterportier vanaf de binnenzijde openen. N.B. • Doe het volgende om het kinderslot te activeren: De vergrendelbus van een portier dient alleen om het desbetreffende portier te vergrendelen – dus niet beide achterportieren. 1. Start de motor of kies een slotstand anders dan 0. • Op auto’s met een elektrisch kinderslot zit geen handmatig kinderslot.
02 Sloten en alarm Alarm* Algemene informatie Een geactiveerd alarmsysteem gaat af als: • een portier, de motorkap of het kofferdeksel wordt geopend • er beweging in de passagiersruimte wordt waargenomen (als er een bewegingsmelder* aanwezig is) • de auto wordt opgetakeld of weggesleept (op auto’s met een niveausensor*) • een kabel van de startaccu wordt losgekoppeld • de sirene wordt losgekoppeld. Als er een storing in het alarmsysteem is opgetreden, verschijnt er een melding op het informatiedisplay.
02 Sloten en alarm Alarm* 02 Geactiveerd alarm uitschakelen Beperkt alarmniveau – Om te voorkomen dat het alarm afgaat – wanneer er bijv. een hond in een vergrendelde auto wordt achtergelaten of bij gebruik van een autotrein of een veerverbinding – dient u de bewegingsmelder en de niveausensoren tijdelijk uit te schakelen. Druk op de ontgrendelingstoets op de transpondersleutel of steek de transpondersleutel in het contactslot.
02 Sloten en alarm 02 65
Instrumenten, schakelaars en bediening................................................ 68 Instrumenten, schakelaars en bediening - Executive ............................ 77 Volvo Sensus ......................................................................................... 78 Sleutelstanden........................................................................................ 79 Stoelen en achterbank............................................................................ 81 Voorstoelen - Executive...
BESTUURDERSMILIEU
03 Bestuurdersmilieu Instrumenten, schakelaars en bediening Instrumentenoverzicht 03 Auto met stuur links.
03 Bestuurdersmilieu Instrumenten, schakelaars en bediening Functie Pagina Functie Pagina Menu- en meldingsfuncties, richtingaanwijzers, groot licht/dimlicht, boordcomputer 89, 92, 146, 173 Bedieningspaneel voor klimaatregeling 157 Versnellingspook/keuzehendel 120 Cruisecontrol 178, 180 177 Claxon, airbag 20, 88 Bedieningsknoppen actieve chassisregeling (FOUR-C)* Instrumentenpaneel 71, 75 Wissers en -sproeiers 99, 100 Menu-, audio- en telefoonfuncties 149, 237, 267, 290 Stuurwielafstel
03 Bestuurdersmilieu Instrumenten, schakelaars en bediening 03 Auto met stuur rechts.
03 Bestuurdersmilieu Instrumenten, schakelaars en bediening Functie Pagina Functie Pagina Alarmlichten 92 Ontgrendeling motorkap 336 Knop START/STOP ENGINE 114 Parkeerrem 136 Stuurwielafstelling 88 Contactslot 79 Cruisecontrol 178, 180 Instrumentenpaneel 71, 75 Menu- en meldingsfuncties, richtingaanwijzers, groot licht/dimlicht, boordcomputer 89, 92, 146, 173 Claxon, airbag 20, 88 177 Menu-, audio- en telefoonfuncties 149, 237, 267, 290 Bedieningsknoppen actieve chassisregeling (F
03 Bestuurdersmilieu Instrumenten, schakelaars en bediening Meters Controle-, informatie- en waarschuwingssymbolen Als de motor niet aanslaat of als de functietest wordt uitgevoerd in sleutelstand II, gaan na 5 seconden alle symbolen uit behalve het symbool voor storingen in het uitlaatgasreinigingssysteem en dat voor een lage oliedruk. Controle- en informatiesymbolen 03 Symbool Betekenis Storing in ABL Uitlaatgasreinigingssysteem Meters op het instrumentenpaneel. Snelheidsmeter Brandstofmeter.
03 Bestuurdersmilieu Instrumenten, schakelaars en bediening Symbool Betekenis 2. Start de motor opnieuw. Laag peil in brandstoftank Informatie, lees displaymelding 3. Als het symbool blijft branden, rijd dan naar een werkplaats om het ABS te laten controleren. Volvo adviseert dat u daarvoor een erkende Volvo-werkplaats bezoekt. Wanneer het symbool gaat branden is het brandstofpeil te laag. Tank dan zo spoedig mogelijk.
03 Bestuurdersmilieu Instrumenten, schakelaars en bediening Controle- en waarschuwingssymbolen Symbool Betekenis Parkeerrem aangezet Lage oliedrukA 03 dat u daarvoor een erkende Volvo-werkplaats bezoekt. Parkeerrem aangezet Het symbool brandt continu, wanneer u de parkeerrem hebt aangezet. Het symbool knippert tijdens het aanzetten en gaat daarna continu branden. Airbags (SRS) Een knipperend symbool houdt in dat er een storing is opgetreden. Lees de melding op het informatiedisplay.
03 Bestuurdersmilieu Instrumenten, schakelaars en bediening WAARSCHUWING Als de remvloeistof onder het MIN-streepje van het reservoir staat, mag u niet verder rijden voordat u remvloeistof hebt bijgevuld. Laat de oorzaak van het remvloeistofverlies controleren door een werkplaats. Volvo adviseert dat u daarvoor contact opneemt met een erkende Volvo-werkplaats. Actie: Dagtellers 1. Stop zo spoedig mogelijk. Rijd niet verder met de auto. 2. Lees de informatie op het informatiedisplay.
03 Bestuurdersmilieu Instrumenten, schakelaars en bediening Klok worden ingesteld in de menugroep MY CAR, voor meer informatie zie pagina 149. Met de menu-optie Instellingen Systeemopties Tijdopmaak kiest u uit een 24- of 12-uursaanduiding (AM/PM). 03 Klok en instelknop. Display voor de tijdaanduiding. Knop om de klok in te stellen. Draai de knop rechts- of linksom om de klok in te stellen. Draai de knop eerst tot aan de aanslag en vervolgens nog eens ca.
03 Bestuurdersmilieu Instrumenten, schakelaars en bediening - Executive Analoge klok de knop los wanneer de klok de juiste tijd aangeeft. • Druk eenmaal op de knop van uw keuze, waarna de wijzers vooruit- of achteruitdraaien (in stapjes van ca. 10 seconden). 03 Analoge klok. Knop om de wijzers terug te draaien. Knop om de wijzers vooruit te draaien. De analoge klok zit in het dashboard, boven het dashboardkastje.
03 Bestuurdersmilieu Volvo Sensus Algemene informatie 03 Met de knoppen en bedieningselementen op de middenconsole en het rechter toetsenblok* op het stuurwiel kunt u functies activeren en deactiveren en tal van instellingen verrichten. Bedieningspaneel op middenconsole Navigatie* - NAV, zie desbetreffend instructieboekje (Road and Traffic Information System - RTI). Infotainment (RADIO, MEDIA, TEL*), zie pagina 234. Instellingen van de auto - MY CAR, zie pagina 149.
03 Bestuurdersmilieu Sleutelstanden Transpondersleutel aanbrengen en verwijderen BELANGRIJK Vreemde voorwerpen in het contactslot kunnen tot functiestoringen leiden of schade aan het slot toebrengen. Nivea u 0 De transpondersleutel niet verkeerd om insteken – pak de sleutel beet aan het uiteinde met het afneembare sleutelblad. zie pagina 48. N.B. Bij auto's met Keyless*-functie hoeft de sleutel niet in het contactslot te worden geplaatst, maar kan deze bijvoorbeeld in de zak worden bewaard.
03 Bestuurdersmilieu Sleutelstanden Nivea u II Functies De koplampen worden ontstoken. Waarschuwings-/controlelampjes branden 5 seconden lang. 03 Diverse andere systemen worden geactiveerd. Elektrische verwarming in zittingen en achterruit kan echter pas na starten van de motor worden geactiveerd. Deze sleutelstand verbruikt veel stroom vanuit de startaccu en moet daarom worden vermeden! N.B.
03 Bestuurdersmilieu Stoelen en achterbank Voorstoelen WAARSCHUWING De stand van de bestuurdersstoel instellen voordat u gaat rijden en nooit tijdens het rijden. Controleer of de stoel vergrendeld staat om letsel te voorkomen bij hard afremmen of een aanrijding. Rugleuning voorstoel omklappen Trek de pallen aan de achterzijde van de rugleuning omhoog tijdens het omklappen. 4. Duw de stoel zo ver naar voren dat de hoofdsteun onder het dashboardkastje “vast” komt te zitten.
03 Bestuurdersmilieu Stoelen en achterbank Elektrisch bedienbare stoel* 03 Voorbereidingen 1. Stel de stoel en de buitenspiegels in. Tot enige tijd nadat u het portier met de transpondersleutel hebt ontgrendeld blijft het mogelijk de stoel te verstellen, ook al steekt er geen sleutel in het contactslot. U verstelt de stoel normaal gesproken in sleutelstand I. Wanneer de motor loopt, is dat altijd mogelijk. 2.
03 Bestuurdersmilieu Stoelen en achterbank Een volgende keer dat de auto met dezelfde transpondersleutel wordt ontgrendeld, nemen de bestuurdersstoel en de buitenspiegels automatisch de in het sleutelgeheugen vastgelegde standen in. N.B. De bestuurdersstoel en de buitenspiegels worden niet verzet, als ze al in de opgeslagen stand staan. U kunt de standen in het sleutelgeheugen ook activeren door (terwijl het bestuurdersportier openstaat) de ontgrendelingsknop op de transpondersleutel te bedienen.
03 Bestuurdersmilieu Stoelen en achterbank Middelste hoofdsteun achterbank Buitenste hoofdsteunen achterbank elektrisch omklappen* 03 Het ruggedeelte bestaat uit twee delen. De delen zijn elk apart of tegelijk naar voren te klappen. 1. Trek aan de handgreep/handgrepen. Zet omgeklapte hoofdsteunen eerst rechtop. 2. Klap het ruggedeelte naar voren toe om. Zet de middelste hoofdsteun helemaal omlaag als u het brede ruggedeelte wilt omklappen.
03 Bestuurdersmilieu Stoelen en achterbank WAARSCHUWING De hoofdsteunen moeten na het rechtop zetten vergrendeld staan.
03 Bestuurdersmilieu Voorstoelen - Executive Voorstoelen type Comfort Massagefunctie Lendensteun instellen Stoel naar voren/achteren zetten. Knop voor activering massagefunctie. Harde massage Bedieningspaneel voor massagefunctie en lendensteun. Zachte massage Elk van beide voorstoelen is voorzien van een rugleuning met massagefunctie. De massagefunctie maakt gebruik van luchtkussens die voor een harde of zachte massage zorgen.
03 Bestuurdersmilieu Voorstoelen - Executive Stoel naar voren/achteren zetten G030137 03 Op de bovenstaande afbeelding staat een auto met het stuur links. De passagiersstoel is verder naar voren of achteren te zetten. De stoel komt zolang u de voorof achterkant van de knop ingedrukt houdt steeds verder naar voren of achteren (zie bovenstaande afbeelding). De hellingshoek van de rugleuning wordt niet gewijzigd.
03 Bestuurdersmilieu Stuurwiel Instellen WAARSCHUWING Claxon Stel het stuurwiel af voordat u gaat rijden en controleer of het in de gekozen stand vergrendeld staat. Bij auto’s met snelheidsafhankelijke stuurbekrachtiging* is de vereiste stuurkracht in te stellen, zie pagina 177. G021138 03 Toetsensets* Stuurwiel afstellen. Claxon. Ontgrendelingshendel, stuurwielafstelling Druk op het midden van het stuurwiel om te claxonneren.
03 Bestuurdersmilieu Verlichting Bedieningspaneel verlichting De displayverlichting wordt bij donker automatisch gedimd. De gevoeligheidsgraad van deze functie is in te stellen met het duimwiel. Groot licht/dimlicht Ook de sterkte waarmee het instrumentenpaneel verlicht wordt stelt u in met het duimwiel. G021141 Koplamphoogteregeling Overzicht bedieningspaneel verlichting.
03 Bestuurdersmilieu Verlichting Stand Betekenis Automatisch dimlicht. In deze stand werken het groot licht en de grootlichtsignalenA/Uitgeschakeld dimlicht. 03 Stadslichten vóór en achterlichten Dimlicht. In deze stand werken het groot licht en de grootlichtsignalen. A Geldt voor bepaalde markten. Grootlichtsignalen In stand is het dimlicht altijd automatisch ingeschakeld wanneer de motor loopt of als de transpondersleutel in stand II staat.
03 Bestuurdersmilieu Verlichting Betekenis Koplampfout Service vereist Het systeem is defect. Bezoek een werkplaats als de melding niet verdwijnt. Volvo adviseert u contact op te nemen met een erkende Volvo-werkplaats. De functie is uitsluitend actief bij schemer of donker en dan alleen als de auto rijdt. U kunt de functie4 deactiveren/activeren in het menusysteem MY CAR onder My S80 Act. bochtverlichting of onder Instellingen Auto-instellingen Lichtinstellingen Act. bochtverlichting.
03 Bestuurdersmilieu Verlichting Druk op de knop voor in- en uitschakeling. Het lampje in de knop brandt, wanneer de mistlampen aan de voorzijde branden. Het mistachterlicht dooft automatisch bij het afzetten van de motor. N.B. 03 op het instrumentenpaneel en het lampje in de knop branden, wanneer het mistachterlicht ingeschakeld is. De regels voor het gebruik van de mistlampen vóór verschillen van land tot land. N.B. De regels voor het gebruik van het mistachterlicht verschillen van land tot land.
03 Bestuurdersmilieu Verlichting Verlichting in interieur Haal de stuurhendel omhoog of omlaag naar de eerste stand en laat de hendel vervolgens los. De richtingaanwijzers lichten driemaal op. U kunt de functie activeren/ deactiveren in het menusysteem MY CAR onder Instellingen Autoinstellingen Lichtinstellingen Drie maal richtingaanwijzer. Voor een beschrijving van het menusysteem, zie pagina 150.
03 Bestuurdersmilieu Verlichting Make-upspiegel De verlichting van de make-upspiegel, zie pagina 226, wordt bij het openen en sluiten van het klepje in- en uitgeschakeld. Automatische verlichting 03 Met de knop voor de interieurverlichting kunt u drie verlichtingsstanden selecteren: • Uit – rechterkant ingedrukt, automatische interieurverlichting gedeactiveerd. • Neutrale stand – automatische verlichting geactiveerd. • Aan – linkerkant ingedrukt, interieurverlichting brandt.
03 Bestuurdersmilieu Verlichting beschrijving van het menusysteem, zie pagina 150. Om verblinding van tegenliggers te voorkomen kunt u de lichtbundel van de koplampen aanpassen voor links- en rechtsrijdend verkeer. Bij de juiste lichtbundel wordt ook de berm beter verlicht. Lichtbundel aanpassen Actieve xenonkoplampen* Het land waarin de auto werd afgeleverd bepaalt of de uitgangspositie de juiste is voor links- of rechtsrijdend verkeer.
03 Bestuurdersmilieu Verlichting • A = LHD Right (auto met het stuur links, rechter koplampglas) • B = LHD Left (auto met het stuur links, linker koplampglas) • C = RHD Right (auto met het stuur rechts, rechter koplampglas) 03 • D = RHD Left (auto met het stuur rechts, linker koplampglas) 2. Breng de mallen over op een stuk zelfklevend en watervast materiaal en knip ze uit. 3. Neem de designstreep op de koplampglazen als uitgangspunt, zie stippellijn op pagina 97.
03 Bestuurdersmilieu Verlichting Positie van de mallen G033954 03 Bovenste regel: auto met stuur links, mallen A en B. Onderste regel: auto met stuur rechts, mallen C en D.
03 Bestuurdersmilieu Verlichting Mallen voor halogeenkoplampen 03 98
03 Bestuurdersmilieu Wissers en -sproeiers Ruitenwissers1 Intervalstand Regensensor* Met het duimwiel kunt u het aantal wisslagen per eenheid van tijd instellen wanneer u de intervalstand hebt geselecteerd. De regensensor registreert de hoeveelheid regen op de voorruit en schakelt automatisch de ruitenwissers op de voorruit in. De gevoeligheid van de regensensor is in te stellen met het duimwiel. Ononderbroken wissen De wissers bewegen op normale snelheid. De wissers bewegen op hoge snelheid.
03 Bestuurdersmilieu Wissers en -sproeiers Deactiveren Koplamp- en ruitensproeiers Deactiveer de regensensor met een druk op de of haal de hendel omlaag naar een knop ander wisprogramma. 03 De regensensor wordt automatisch gedeactiveerd, wanneer u de transpondersleutel uit het contactslot neemt of vijf minuten nadat u de motor hebt afgezet. BELANGRIJK De ruitenwissers op de voorruit kunnen in een automatische wasstraat spontaan inschakelen en daarbij beschadigd raken.
03 Bestuurdersmilieu Ruiten en spiegels Algemene informatie Warmtereflecterende voorruit* Gelaagd glas Het glas is verstevigd voor een verbeterde inbraakbeveiliging en geluidsisolatie van het interieur. De voorruit en de zijruiten zijn gemaakt van gelaagd glas*. op dat deel van de voorruit waar geen warmtereflecterende film is aangebracht (zie gemarkeerd veld op bovenstaande afbeelding).
03 Bestuurdersmilieu Ruiten en spiegels WAARSCHUWING Bediening Zorg er bij het sluiten van de zijruiten voor dat kinderen of andere inzittenden niet met hun handen bekneld raken. Dit geldt ook als u gebruik maakt van de transpondersleutel. 03 De ruiten komen tot stilstand en worden geopend, als ze tijdens het sluiten in hun beweging worden gehinderd. Wanneer sluiten onmogelijk is door bijvoorbeeld ijsvorming, kan de beveiliging tegen overbelasting worden opgeheven.
03 Bestuurdersmilieu Ruiten en spiegels Bediening met transpondersleutel en centrale vergrendeling Om de elektrisch bedienbare zijruiten vanaf de buitenzijde te bedienen met de transpondersleutel of vanaf de binnenzijde met de centrale vergrendeling, zie pagina 46 en 57 Zonneschermen* Achterruit Achterportier 03 Resetten Als de accu losgekoppeld is geweest, werkt de automatische openingsfunctie pas weer naar behoren wanneer u deze hebt gereset. 1.
03 Bestuurdersmilieu Ruiten en spiegels Buitenspiegels De stand van de buitenspiegels en de bestuurdersstoel worden vastgelegd, wanneer u de auto met de transpondersleutel vergrendelt. Een volgende keer dat de auto met dezelfde transpondersleutel wordt ontgrendeld en het bestuurdersportier wordt geopend, nemen de buitenspiegels en de bestuurdersstoel de vastgelegde standen in. 03 Bedieningsknoppen buitenspiegels. Instellen 1.
03 Bestuurdersmilieu Ruiten en spiegels In neutrale stand terugzetten Spiegels die uit positie zijn geraakt door invloeden van buitenaf, moeten eerst elektrisch in de neutrale stand worden teruggezet zodat het elektrisch in- en uitklappen weer correct werkt: 1. Klap de spiegels in met de knoppen L en R. 2. Klap de spiegels weer uit met de knoppen L en R.
03 Bestuurdersmilieu Ruiten en spiegels Handmatige dimfunctie 03 Fel licht van achteren kan hinderlijke reflecties in de achteruitkijkspiegel veroorzaken en u verblinden. Zet de spiegel met het hendeltje in de dimstand, wanneer u de verlichting van het achteropkomende verkeer als hinderlijk ervaart: 1. Activeer de dimfunctie door het hendeltje naar u toe te halen. 2. Deactiveer de dimfunctie door het hendeltje naar de voorruit toe te duwen.
03 Bestuurdersmilieu Kompas* Bediening Kalibreren Zone kiezen Het kompas moet soms voor de nauwkeurigheid worden gekalibreerd. Als kalibratie nodig is, verschijnt C op het display van de spiegel. 1. Breng de auto tot stilstand op een groot en open terrein waar geen stalen constructies of hoogspanningsdraden zijn. 03 2. Start de motor. Achteruitkijkspiegel met kompas.
03 Bestuurdersmilieu Elektrisch bedienbaar schuifdak* Algemene informatie De bedieningsknoppen voor het schuifdak zitten aan het plafond. Het schuifdak is aan de achterkant open te kantelen of horizontaal open te schuiven. Het schuifdak is alleen te openen in sleutelstand I of II. 03 Horizontaal openschuiven knop vervolgens los om het schuifdak zo ver mogelijk open te schuiven. U kunt het schuifdak handmatig openen door de bedieningsknop achteruit naar het weerstandspunt voor handmatig openen te trekken.
03 Bestuurdersmilieu Elektrisch bedienbaar schuifdak* Sluiten met transpondersleutel of knop voor centrale vergrendeling van het schuifdak. Pak de handgreep vast en schuif het scherm naar voren om het te sluiten. Beveiliging tegen overbelasting G021345 Het schuifdak is voorzien van een beveiliging tegen overbelasting die wordt geactiveerd, als het schuifdak door een obstakel wordt gehinderd.
03 Bestuurdersmilieu Alcoguard* Algemene informatie over het alcoholslot 03 Functies Batterij Het alcoholslot voorkomt dat bestuurders die onder invloed zijn in de auto kunnen rijden. Voordat de motor kan worden gestart, moet u een blaastest afgeven om vast te stellen dat u niet onder de invloed van alcohol bent. Het alcoholslot wordt gekalibreerd ten opzichte van de grenswaarde voor verkeersdeelname die in uw land geldt.
03 Bestuurdersmilieu Alcoguard* 1. Wanneer het controlelampje (6) groen oplicht, is de blaasunit klaar voor gebruik. Resultaat van de blaastest 2. Neem de blaasunit uit de houder. Als de blaasunit zich buiten de auto bevindt tijdens het ontgrendelen, dan dient u de unit eerst te activeren met de schakelaar (2). 3. Klap het mondstuk (1) omhoog, haal diep adem en blaas gelijkmatig totdat er ca. 5 seconden later een “klikgeluid” klinkt.
03 Bestuurdersmilieu Alcoguard* wijze gestart worden – de motor is dan alleen te starten via de bypass-functie, zie pagina 112, gedeelte over Noodsituatie. 03 De melding is te verwijderen met een druk op de zendtoets (3). De melding verdwijnt anders spontaan na ca. 2 minuten maar verschijnt iedere keer dat de motor gestart wordt opnieuw – alleen bij herkalibratie in een werkplaats1 verdwijnt de melding permanent. op de blaasunit en wacht totdat het controlelampje (6) groen oplicht. de noodfunctie.
03 Bestuurdersmilieu Alcoguard* Symbolen en displaymeldingen Benevens de eerder beschreven meldingen kan ook het volgende op het display van het instrumentenpaneel verschijnen: 1 Displaymelding Betekenis/Maatregel Alcoguard Blaas zachter U blies te hard – blaas minder hard. Displaymelding Betekenis/Maatregel Alcoguard Blaas harder Alcoguard Herstart mogelijk Motor stond minder dan 30 minuten af – motor kan worden gestart zonder nieuwe blaastest. U blies niet hard genoeg – blaas harder.
03 Bestuurdersmilieu Motor starten Benzine- en dieselmotoren 2. Houd het koppelingspedaal volledig ingedrukt1. (Bij auto’s met automatische versnellingsbak – bedien het rempedaal.) 3. Druk op de knop START/STOP ENGINE en laat deze vervolgens los. N.B. 03 Bij auto’s met een dieselmotor slaat de motor mogelijk met enige vertraging aan, wanneer de melding Voorgloeifunctie motor actief op het display staat. Contactslot met transpondersleutel uitgetrokken/ ingeduwd en knop START/STOP ENGINE.
03 Bestuurdersmilieu Motor starten WAARSCHUWING Haal nooit de transpondersleutel uit de auto tijdens rijden of slepen. Motor afzetten Om de motor af te zetten: 03 • Druk op START/STOP ENGINE – de motor slaat af. • Als de auto een automatische versnellingsbak heeft en de keuzehendel niet in stand P staat of als de auto rijdt – druk tweemaal op de knop of houd de knop START/STOP ENGINE ingedrukt totdat de motor afslaat.
03 Bestuurdersmilieu Motor starten, FlexiFuel Algemene informatie over het starten van een FlexiFuel-motor Motorverwarming* zoveel mogelijk gebruik van de motorverwarming. De motor wordt op dezelfde manier gestart als een benzinemotor. 03 WAARSCHUWING De motorverwarming werkt op een hoge spanning. Laat controle- en reparatiewerkzaamheden aan een elektrische motorverwarming en de elektrische aansluitingen ervan uitvoeren door een werkplaats – geadviseerd wordt een erkende Volvowerkplaats.
03 Bestuurdersmilieu Motor starten, FlexiFuel Brandstofadaptatie FlexiFuel-motoren kunnen op zowel loodvrije benzine (95 RON) als op bio-ethanol (E85) rijden. Beide brandstofsoorten worden in de gemeenschappelijke brandstoftank bijgevuld, wat betekent dat alle mogelijke mengverhoudingen tussen de beide brandstofsoorten zijn toegestaan. 03 Wanneer u de brandstoftank hebt volgegoten met benzine nadat u op bio-ethanol (E 85) hebt gereden (om omgekeerd), kan de motor enige tijd ietwat onregelmatig lopen.
03 Bestuurdersmilieu Motor starten, hulpaccu Starten met hulpaccu 4. Bevestig de ene klem van de rode startkabel aan de pluspool (1) van de hulpaccu. BELANGRIJK Wees voorzichtig bij het aansluiten van de startkabels om kortsluiting met andere onderdelen in de motorruimte te voorkomen. 03 5. Haal de clips op de voorste dekplaat van de uitgeputte accu los en verwijder de dekplaat, zie pagina 353. Als de startaccu uitgeput is, kunt u de auto starten met stroom van een hulpaccu.
03 Bestuurdersmilieu Motor starten, hulpaccu WAARSCHUWING • De startaccu kan het zeer explosieve knalgas produceren. Eén enkele vonk, veroorzaakt door een onjuiste aansluiting van een startkabel, kan volstaan om de accu tot ontploffing te brengen. • De startaccu bevat tevens zwavelzuur dat ernstige chemische brandwonden kan veroorzaken. • Als u accuzuur in uw ogen krijgt of op uw huid of kleren morst, moet u onmiddellijk met grote hoeveelheden water spoelen.
03 Bestuurdersmilieu Versnellingsbakken Handgeschakelde versnellingsbak fende schakelpatroon dat in de pookknop geslagen is. Automatische versnellingsbak Geartronic* • Trap het koppelingspedaal tijdens het schakelen altijd zo ver mogelijk in. • Haal uw voet na het schakelen weer van het koppelingspedaal af. 03 WAARSCHUWING Schakelpatroon vijfversnellingsbak. Maak er een gewoonte van om bij het parkeren op een helling altijd de parkeerrem aan te zetten.
03 Bestuurdersmilieu Versnellingsbakken BELANGRIJK De auto moet stilstaan wanneer u de hendel in stand P zet. WAARSCHUWING Maak er een gewoonte van om bij het parkeren op een helling altijd de parkeerrem aan te zetten – stand P bij een automaat is niet voldoende om de auto in alle situaties stil te houden. Achteruitrijstand (R) Geartronic - Handmatig schakelen (+/–) Met de automatische versnellingsbak Geartronic kunt u ook handmatig schakelen.
03 Bestuurdersmilieu Versnellingsbakken Beveiligingsfunctie Om bij gladheid gemakkelijker weg te kunnen komen is het soms beter handmatig de 3e versnelling in te schakelen. Om overtoeren van de motor te voorkomen, is het stuurprogramma van de versnellingsbak voorzien van een terugschakelblokkering waardoor de zogeheten kickdown niet mogelijk is. 1. Bedien het rempedaal en haal de keuzehendel vanuit stand D naar stand +/– – het symbool D op het display van het instrumentenpaneel verandert in een 1. 2.
03 Bestuurdersmilieu Versnellingsbakken Elektrische schakelblokkering, Shiftlock parkeerstand (P) Om de keuzehendel uit stand P te kunnen halen, moet u het rempedaal bedienen terwijl de transpondersleutel in stand II staat, zie pagina 79. Schakelblokkering, vrijstand (N) Als de keuzehendel in stand N staat en de auto heeft minstens 3 seconden stilgestaan (of de motor nu loopt of niet), is de keuzehendel geblokkeerd.
03 Bestuurdersmilieu Versnellingsbakken De tijdelijke remwerking wordt na enige seconden opgeheven of eerder bij het bedienen van het gaspedaal. Waar u op moet letten 03 De dubbele koppeling van de versnellingsbak is voorzien van een beveiliging tegen overbelasting die geactiveerd wordt, als de versnellingsbak te warm wordt – bijvoorbeeld als u de auto te lang met het gaspedaal stilhoudt op een oplopende helling.
03 Bestuurdersmilieu Versnellingsbakken De tabel schetst drie gevallen van oververhitting van de versnellingsbak met verschillende ernstigheidsgraad. De elektronica waarschuwt de bestuurder niet alleen met een displaymelding maar ook middels tijdelijke veranderingen in het rijgedrag. Volg in het voorkomende geval de aanwijzingen op het informatiedisplay. Na uitvoering van de maatregel verdwijnt de displaymelding automatisch.
03 Bestuurdersmilieu Eco Start/Stop DRIVe* Stiller en schoner Algemene informatie over Start/Stop Functie en bediening 03 Milieuzorg vormt een van de kernwaarden van Volvo Car Corporation en geeft richting aan al onze activiteiten. Dit resulteerde in de DRIVeuitvoeringen: een concept bestaande in een synergetisch geheel van uiteenlopende energiebesparende functies met als doel het brandstofverbruik te verlagen en daarmee ook de uitlaatgasemissie te beperken.
03 Bestuurdersmilieu Eco Start/Stop DRIVe* N.B. Voorwaarden Na een reguliere sleutelstart en na iedere auto-stop van de motor, dient de auto eerst een snelheid van 5 km/h te hebben bereikt voordat het automatische Start/Stop-systeem opnieuw geactiveerd kan worden – bovendien moet aan andere voorwaarden zijn voldaan (zie daarvoor onder “Auto-stop motor werkt niet”). Alle normale autosystemen waaronder verlichting, radio e.d.
03 Bestuurdersmilieu Eco Start/Stop DRIVe* Starten met hulpaccu HSA Het rempedaal kan ook bij opgaande hellingen worden losgelaten om de motor automatisch te starten. De functie HSA zorgt ervoor dat de auto niet naar achteren rolt. 03 HSA (Hill Start Assist) houdt in dat de druk in het remsysteem tijdelijk aanwezig blijft terwijl de voet van het rempedaal naar het gaspedaal wordt bewogen voordat er wordt weggereden met een automatisch afgeslagen motor.
03 Bestuurdersmilieu Eco Start/Stop DRIVe* Voorwaarden M/AA Voorwaarden de omstandigheden in de passagiersruimte afwijken van de ingestelde waarden – wat te merken is aan het hoge toerental van de interieurventilator. er achteruit wordt gereden met de auto. A de startaccu een temperatuur onder het vriespunt of boven ca. 55 °C heeft. als de weg erg steil is. A de atmosferische luchtdruk onder het niveau voor ca. 1500 boven zeeniveau ligt. De actuele luchtdruk varieert al naargelang het weertype.
03 Bestuurdersmilieu Eco Start/Stop DRIVe* WAARSCHUWING Open de motorkap niet als de motor automatisch afgeslagen is. De motor kan plotseling automatisch starten. Voer eerst een normale motoruitschakeling uit met de START/STOP ENGINE-knop voordat u de motorkap omhoog doet. 03 1. Bedien het koppelingspedaal nogmaals – de motor wordt automatisch gestart nadat u de schakelhendel in de neutrale stand hebt gezet. Daarvoor verschijnt op het informatiedisplay de melding Zet versnelling in vrij.
03 Bestuurdersmilieu Eco Start/Stop DRIVe* Symbool AUTOSTOP AUTOSTOP M/AA melding Informatie/maatregel Auto Start-Stop AAN Blijft ca. 5 seconden branden na activering van Start/Stop. Auto Start-Stop UIT Blijft ca. 5 seconden branden na deactivering van Start/ Stop. Auto Start-Stop Service vereist Start/Stop werkt niet. Neem contact op met een werkplaats – geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats. Motormanagement Start/Stop werkt tijdelijk niet.
03 Bestuurdersmilieu Eco Start/Stop DRIVe* Symbool 03 A Informatie/maatregel Bedien rempedaal om te starten Motor klaar voor automatische start – wacht op bediening van het rempedaal. M Rem en ontkoppel om te starten Motor klaar voor automatische start – wacht op bediening van het koppelings- of rempedaal. M Zet versnelling in vrij Er is geschakeld zonder te ontkoppelen – bedien het koppelingspedaal om de schakelhendel in de neutrale stand te zetten.
03 Bestuurdersmilieu Vierwielaandrijving, AWD (All Wheel Drive)* De vierwielaandrijving is altijd ingeschakeld 03 Bij vierwielaandrijving worden alle vier de wielen van de auto tegelijk aangedreven. Het motorkoppel wordt automatisch over de voor- en achterwielen verdeeld. Een elektronisch gestuurd koppelingssysteem verdeelt het vermogen over het wielpaar dat op dat moment de beste grip op het wegdek heeft. Dit om optimale wegligging te verkrijgen en wielspin te voorkomen.
03 Bestuurdersmilieu Bedrijfsrem Algemene informatie De auto is uitgerust met twee remkringen. Als een van de remkringen defect raakt, betekent dit dat de remmen pas later worden aangesproken zodat u het rempedaal dieper moet intrappen voor dezelfde remmende werking. 03 De druk die u uitoefent op het rempedaal wordt versterkt door de rembekrachtiging. WAARSCHUWING De rembekrachtiging werkt alleen, als de motor loopt.
03 Bestuurdersmilieu Bedrijfsrem Symbolen op instrumentenpaneel Symbool Betekenis Brandt continu – controleer het remvloeistofpeil. Vul remvloeistof bij als het peil te laag ligt en controleer tevens de oorzaak van het remvloeistofverlies. 03 Brandt 2 seconden lang continu bij het starten van de motor – er is de laatste keer dat de motor liep een storing in het ABS opgetreden. WAARSCHUWING Als en tegelijkertijd branden, kan er een storing in het remsysteem zijn opgetreden.
03 Bestuurdersmilieu Parkeerrem Algemene informatie hulpaccu aan, als de accuspanning te laag is, zie pagina 118. Parkeerrem aanzetten In noodgevallen kunt u de parkeerrem ook tijdens het rijden aanzetten door de handgreep ingedrukt te houden. Wanneer u de handgreep loslaat of het gaspedaal bedient, wordt de parkeerrem gelost. N.B. 03 Tijdens een noodstop bij snelheden hoger dan 10 km/h klinkt er gedurende de hele remmanoeuvre een geluidssignaal.
03 Bestuurdersmilieu Parkeerrem Parkeerrem lossen N.B. De parkeerrem is ook handmatig te lossen door het koppelingspedaal te bedienen in plaats van het rempedaal. Volvo adviseert u echter het rempedaal te gebruiken. Automatisch lossen 1. Start de motor. 2. Schakel de 1 versnelling of de achteruitrijversnelling in. Handgreep parkeerrem – lossen. Auto met handgeschakelde versnellingsbak 3. Laat de koppeling opkomen en geef gas. > De parkeerrem wordt gelost en het lampje op het instrumentenpaneel dooft.
03 Bestuurdersmilieu Parkeerrem Remblokken vervangen Laat de remblokken op de achterwielen vervangen in een werkplaats met het oog op de constructie van de elektrische parkeerrem – geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats. Symbolen en meldingen op display 03 Symbool Melding Betekenis/Maatregel "Melding" Lees de melding op het informatiedisplay. Een knipperend symbool houdt in dat de parkeerrem wordt aangezet. Als het symbool in een andere situatie gaat knipperen, is er sprake van een storing.
03 Bestuurdersmilieu Parkeerrem Symbool Melding Betekenis/Maatregel Parkeerrem niet aangezet Door een storing kan de parkeerrem niet worden aangezet – probeer of u de rem kunt lossen en aanzetten. Als de storing ook na enkele pogingen aanhoudt: Bezoek een werkplaats – geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats. 03 Dezelfde melding verschijnt ook op auto’s met een handbak, wanneer er langzaam wordt gereden met het portier open.
03 Bestuurdersmilieu HomeLink * Algemene informatie N.B. HomeLink is dusdanig geconstrueerd dat het niet werkt als de auto van de buitenzijde vergrendeld is. Let erop dat u de originele afstandsbedieningen wel goed bewaart voor eventuele programmering in een later stadium (zoals bij de aankoop van een nieuwe auto). 03 Wis de programmering van de knoppen wanneer u de auto verkoopt.
03 Bestuurdersmilieu HomeLink * in de “inleerstand” staat en klaar is voor programmering. 2. Leg de originele afstandsbediening op 5–30 cm afstand van HomeLink. Houd het controlelampje in de gaten. De juiste afstand tussen de originele afstandsbediening en HomeLink hangt af van de programmering van het te bedienen systeem. Er zijn mogelijk meerdere pogingen op verschillende afstand nodig. Laat de afstandsbediening bij iedere poging ca.
03 Bestuurdersmilieu HomeLink * 03 begint te knipperen. Laat beide knoppen weer los, wanneer het lampje dat langzaam knipperde sneller gaat knipperen. Een snel knipperend lampje geeft aan dat de programmering gelukt is. buurt van de antennevoet op de ontvanger). Raadpleeg als u de knop niet kunt vinden, de gebruiksaanwijzing van de leverancier of neem contact op met de leverancier via internet: www.homelink.com. 4.
03 Bestuurdersmilieu 03 143
Menu- en meldingsfuncties................................................................... Menugroep MY CAR............................................................................. Klimaatregeling..................................................................................... Motor- en interieurverwarming op brandstof*....................................... Extra verwarming*................................................................................. Boordcomputer.............................
COMFORT EN RIJPLEZIER
04 Comfort en rijplezier Menu- en meldingsfuncties Instrumentenpaneel eerst bevestigen met de knop READ voordat u de menu’s kunt bekijken. Melding Menu-overzicht Voor sommige van de onderstaande menuopties dient de auto te zijn uitgerust met de bijbehorende functie en software. ---- km actieradius --.- l/100km gemiddeld --.- l/100km momentaan 04 --- km/h gem. snelheid Informatiedisplay en bedieningselementen voor menufuncties. 146 Melding op informatiedisplay. Motoroliepeil Een ogenblik...
04 Comfort en rijplezier Menu- en meldingsfuncties N.B. Als er een waarschuwingsmelding verschijnt bij gebruik van de boordcomputer, moet u de melding lezen (druk op de knop READ) voordat u de eerdere activiteit kunt hervatten. Melding Betekenis Stop auto z.s.m.A Breng de auto tot stilstand en zet de motor af. Grote kans op schade – bezoek een werkplaatsB. Zet motor afA Breng de auto tot stilstand en zet de motor af. Grote kans op schade – bezoek een werkplaatsB.
04 Comfort en rijplezier Menu- en meldingsfuncties 04 A B C 148 Melding Betekenis Tijdelijk UITA De bijbehorende functie is tijdelijk uitgeschakeld en wordt na enige tijd rijden of de volgende keer dat u de motor start automatisch opnieuw ingeschakeld. Accuspann. laag Spaarstand Het audiosysteem is uitgeschakeld om stroom te besparen. Laad de accu bij. Deel van een melding, verschijnt samen met gegevens over de locatie van de storing. Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
04 Comfort en rijplezier Menugroep MY CAR Algemene informatie over MY CAR In deze menugroep zijn tal van de autofuncties te regelen, zoals het instellen van de klok, de buitenspiegels en de Bediening Bedieningselementen op middenconsole sloten. gemaakte keuze. Hoe ‘ver’ de cursor verspringt hangt af van menuniveau waarop de cursor zich bevindt bij bediening van EXIT, wordt de cursor. Ook kort en lang indrukken leveren verschillende resultaten op.
04 Comfort en rijplezier Menugroep MY CAR Toetsenset* op stuurwiel Instellingen Auto-instellingen Slotinstellingen Deuren open Bestuurdersdeur: dan alle. Hier volgt een voorbeeld van de wijze waarop u een functie kunt opzoeken en aanpassen met de toetsenset op de middenconsole: 1. Druk op de knop MY CAR op de middenconsole. 04 De toetsenset kan per markt verschillen. 2. Ga naar het gewenste menu, bijv. Instellingen, met het duimwiel (1) en druk vervolgens op het duimwiel – er wordt een submenu geopend.
04 Comfort en rijplezier Menugroep MY CAR My S80 Bestuurdersondersteunende systemen Uit: Leeg vakje. • Kies Aan/Uit met OK en verlaat het menu vervolgens met EXIT. Auto-instellingen Sleutelgeheugen Aan p. 82 en 104 Uit 04 MY CAR My S80 Op het beeldscherm staan alle bestuurdersondersteunende systemen aangegeven - u kunt ze hiervandaan activeren of deactiveren. My DRIVe* Hier vindt u onder meer een beschrijving van de opzet van Volvo’sDRIVe-concept.
04 Comfort en rijplezier Menugroep MY CAR Slotinstellingen Automatische vergrendeling p. 46, 56 en 58 Aan Instellingen zijspiegel p. 104 Spiegels inklappen Tijdsduur '' Follow me home '' verlichting Linkerspiegel hellen 30 sec. Rechterspiegel hellen 60 sec. Uit Lichtinstellingen Deuren open Lichtsignaal deurvergrendeling Alle deuren 04 Bestuurdersdeur: dan alle Instappen zonder sleutelgebruik Uit Deuren aan één kant Uit p. 93 Actieve bochtverlichting p.
04 Comfort en rijplezier Menugroep MY CAR p. 177 Stuurkracht Lane Departure Warning Laag p. 210 Afstandswaarschuwing Lane Departure Warning Midden Aan Aan Hoog Uit Uit Driver Alert Aan bij starten Auto instellingen resetten Uit Uit Systeemopties Hogere gevoeligheid Aan Rij-assistentiesystemen Botswaarschuwing p. 199 p. 175 DSTC Aan Aan Uit Uit Waarschuwingsafstand 04 p. 76 Tijd Uit Botswaarschuwing p.
04 Comfort en rijplezier Menugroep MY CAR Screensaver Afstands-/ verbruikseenheid Aan MPG (UK) Uit MPG (US) Bij selectie van deze optie wordt de schermweergave automatisch vervangen door een leeg scherm, wanneer u enige tijd geen schermfunctie gebruikt. 04 p. 149 De actuele schermweergave verschijnt echter weer, wanneer u gebruik maakt van een van de knoppen of bedieningselementen van het beeldscherm, . Taal Geeft de taal voor de menuteksten aan.
04 Comfort en rijplezier Menugroep MY CAR Lijst van spraakcommando's Telefooncommando's Telefoon Telefoon kies contact Telefoon kies nummer Navigatiecommando's Navigatie Navigatie herhaal spraakbegeleiding Navigatie ga naar adres Algemene commando's Help Annuleer Spraakintroductie Bluetooth-aansluiting. Voor meer (gedetailleerde) informatie, zie pagina 267.
04 Comfort en rijplezier Menugroep MY CAR Klimaatinstellingen Volume mededelingen • Er verschijnt een volumere- Autom. ventilatorinstellingen geling op het scherm – doe in dat geval het volgende: Hoog Laag 2. Met OK kunt u bij wijze van proef een stukje beluisteren. Timer voor hercirculatie 3. Met EXIT kunt u de instelling opslaan en het menu verlaten. Aan p. 44 VIN-nummer p. 376 DivX® VOD-code p. 253 Bluetooth-softwareversie in auto p. 260 Kaart- en softwareversie* Aut.
04 Comfort en rijplezier Klimaatregeling Algemene informatie Klimaatregeling De auto is voorzien van elektronische klimaatregeling. De klimaatregeling zorgt ervoor dat de lucht in het interieur gekoeld, verwarmd of van vocht ontdaan wordt. N.B. U kunt de airconditioning (AC) uitschakelen, maar voor optimaal klimaatcomfort in de passagiersruimte en om te voorkomen dat de ruiten beslaan dient u de airconditioning altijd te laten aanstaan. Positie van de sensoren board.
04 Comfort en rijplezier Klimaatregeling Storingen opsporen en verhelpen Wendt u zich tot een werkplaats die gecertificeerd is om storingen in de klimaatregeling op te sporen en te verhelpen. Volvo adviseert u contact op te nemen met een erkende Volvowerkplaats. N.B. Er bestaan twee verschillende soorten interieurfilters. Let erop dat u het juiste filter aanbrengt. Clean Zone Interior Package (CZIP)* Koudemiddel 04 De airconditioning maakt gebruik van een koudemiddel.
04 Comfort en rijplezier Klimaatregeling • Ventilatorfunctie in automatische stand*, zie pagina 164. • De door de timer geregelde recirculatie van de lucht in de passagiersruimte, zie pagina 165. De binnenkomende lucht wordt verdeeld over uiteenlopende blaasmonden verspreid over het interieur. Blaasmonden in portierstijlen In de stand AUTO* vindt de luchtverdeling geheel automatisch plaats. • Automatische verwarming van de achterruit, zie pagina 105.
04 Comfort en rijplezier Klimaatregeling Elektronische klimaatregeling, ECC* 04 Temperatuurregeling, linkerzijde Elektrisch verwarmde voorstoel, links2 Max.
04 Comfort en rijplezier Klimaatregeling Elektronische temperatuurregeling, ETC 04 Ventilator Elektrisch verwarmde voorstoel, rechts Elektrisch verwarmde voorstoel, links Temperatuurregeling AC – Airconditioning aan/uit Max.
04 Comfort en rijplezier Klimaatregeling Gebruik bedieningselementen Elektrisch verwarmde stoelen/ achterbank* Voorstoelen Driemaal op de knop drukken levert het laagste verwarmingsniveau op – op het beeldscherm brandt één oranje lampje. Eenmaal op de knop drukken levert het maximale verwarmingsniveau op – alle drie de lampjes branden. De vierde maal dat u op de knop drukt wordt de verwarming uitgeschakeld – geen van de lampjes brandt.
04 Comfort en rijplezier Klimaatregeling Geventileerde voorstoelen vormen alleen een optie bij auto’s met ECC. Het ventilatiesysteem bestaat uit ventilatoren in de zittingen en de rugleuningen die lucht door de bekleding heen aanzuigen. Naarmate de lucht in het interieur kouder is, neemt het koelingseffect toe. De ventilatie wordt geregeld door de klimaatregeling op basis van de temperatuur van de stoel, de ingestraalde warmte en de buitentemperatuur.
04 Comfort en rijplezier Klimaatregeling U kunt de ventilatorsnelheid in de automatische stand instellen in het menusysteem MY CAR onder Instellingen Klimaatinstellingen Autom. ventilatorinstellingen. Kies uit Laag, Normaal of Hoog : Luchtverdeling • Laag - Automatische ventilatorregeling. Geringe luchtstroom geniet de prioriteit. • Normaal - Automatische ventilatorregeling.
04 Comfort en rijplezier Klimaatregeling N.B. Let erop dat de passagiersruimte niet sneller warm of koud wordt, wanneer u een hogere of lagere temperatuur kiest dan de gewenste.
04 Comfort en rijplezier Klimaatregeling lucht in de passagiersruimte wordt gerecirculeerd. U kunt de functie activeren/deactiveren in het menusysteem MY CAR onder Instellingen Klimaatinstellingen Luchtkwaliteitssysteem. Voor een beschrijving van het menusysteem, zie pagina 150. N.B. 04 Voor optimale kwaliteit van de lucht in de passagiersruimte dient u de Air Quality Sensor ingeschakeld te houden. Bij koud weer gelden er beperkingen voor de recirculatiefunctie om te voorkomen dat de ruiten beslaan.
04 Comfort en rijplezier Klimaatregeling Luchtverdelingstabel Luchtverdeling Toepassing Luchtverdeling Toepassing Lucht naar de ruiten. Er komt een bepaalde hoeveelheid lucht uit de blaasmonden. De lucht wordt niet gerecirculeerd. De airconditioning is altijd ingeschakeld. om snel te ontdooien en te ontwasemen. Lucht naar de vloer en de ruiten. Er komt een bepaalde hoeveelheid lucht uit de blaasmonden in het dashboard. om een comfortabel klimaat en een goede ontwaseming te verkrijgen bij koud weer.
04 Comfort en rijplezier Motor- en interieurverwarming op brandstof* Verwarming op brandstof Tanken Als de accu onvoldoende opgeladen is of als het brandstofpeil te laag is, wordt de standverwarming automatisch uitgeschakeld en er verschijnt een melding op het display. Bevestig deze melding door op de knop READ op de richtingaanwijzerhendel te drukken, zie pagina 169.
04 Comfort en rijplezier Motor- en interieurverwarming op brandstof* N.B. Symbool Duimwiel G025102 Knop READ Symbolen en displaymeldingen Wanneer u de instellingen van een van de timers of Directe start activeert, gaat het informatiesymbool op het instrumentenpaneel branden en op het informatiedisplay verschijnen een verklarende melding plus een ander brandend symbool. In de onderstaande tabel staan de voorkomende symbolen en displaymeldingen.
04 Comfort en rijplezier Motor- en interieurverwarming op brandstof* Een displaymelding verdwijnt automatisch na enige tijd. U kunt een melding ook eerder doen verdwijnen met een druk op de knop READ van de richtingaanwijzerhendel. Meteen inschakelen/uitschakelen 1. Gebruik het duimwiel om naar Directe start Standverw. te gaan. 04 2. Druk op RESET om te kiezen uit AAN en UIT. AAN: De standverwarming is handmatig of via de timerfunctie ingeschakeld.
04 Comfort en rijplezier Motor- en interieurverwarming op brandstof* N.B. Als u de klok van de auto bijstelt, worden eventuele timerinstellingen gewist. 04 * Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
04 Comfort en rijplezier Extra verwarming* Algemene informatie over de extra verwarming Interieurverwarming* Als de extra verwarming wordt uitgebreid met een timerfunctie, kan deze dienstdoen als interieurverwarming op brandstof, zie pagina 168. In landen met een koud klimaat1 is wellicht een extra verwarming vereist om de motor op bedrijfstemperatuur te brengen en een behaaglijke temperatuur in de passagiersruimte te realiseren.
04 Comfort en rijplezier Boordcomputer Algemene informatie Functies N.B. Als er een waarschuwingsmelding verschijnt tijdens het gebruik van de boordcomputer, dient u deze melding eerst te bevestigen voordat u de boordcomputer weer kunt activeren. Bevestig de waarschuwingsmelding door te drukken op READ. Informatiedisplay en bedieningstoetsen. READ – bevestigen. Duimwiel – menu’s en opties binnen de cruisecontrol-lijst doorbladeren. RESET – op nul stellen.
04 Comfort en rijplezier Boordcomputer Op nul stellen 1. Selecteer --- km/h gem. snelheid of --.l/100km gemiddeld. 2. Houd RESET ca. 1 seconde ingedrukt om de waarde voor de gekozen functie op nul te stellen. Als u RESET ten minste 3 seconden lang ingedrukt houdt, stelt u de gemiddelde snelheid en het gemiddelde brandstofverbruik gelijktijdig op nul. 04 Actuele snelheid*1 Bij een snelheidsmeter met een kilometerschaal wordt overgeschakeld op weergave van de actuele snelheid in mph (miles per hour).
04 Comfort en rijplezier Stabiliteits- en tractieregelsysteem, DSTC Algemene informatie over DSTC De stabiliteits- en tractieregeling DSTC (Dynamic Stability & Traction Control) helpt de bestuurder voorkomen dat de wielen doorslippen en verbetert de tractie van de auto. Tijdens het afremmen kunnen de ingrepen van het systeem waarneembaar zijn in de vorm van pulserende geluiden. Tijdens het gas geven kan de auto langzamer optrekken dan u verwacht.
04 Comfort en rijplezier Stabiliteits- en tractieregelsysteem, DSTC Symbolen en meldingen op display Symbool Melding Betekenis DSTC Tijdelijk UIT Wegens een te hoge temperatuur van de remschijven gelden er tijdelijk beperkingen voor het DSTCsysteem. Het systeem wordt automatisch opnieuw ingeschakeld, wanneer de remmen voldoende zijn afgekoeld. DSTC Service vereist Het DSTC-systeem is defect. • Breng de auto zo spoedig mogelijk tot stilstand, zet de motor af en start deze opnieuw.
04 Comfort en rijplezier Rijeigenschappen aanpassen Actieve chassisregeling, Four-C* Bediening Het actieve chassissysteem FOUR-C (Continously Controlled Chassis Concept) stemt de eigenschappen van de schokdempers af op de gewenste rijeigenschappen van de auto. U hebt de keuze uit drie standen: Comfort, Sport en Advanced. en stuurgevoeligheid. Open het menusysteem MY CAR en ga naar Instellingen Autoinstellingen Stuurkracht en kies uit Laag, Midden of Hoog.
04 Comfort en rijplezier Cruisecontrol* Bediening De cruisecontrol is vervolgens te activeren met of , waarna de actuele snelheid in het geheugen opgeslagen wordt – de melding (---) km/h op het display maakt plaats voor de gekozen snelheid, bijv. 100 km/h. N.B. Bij snelheden lager dan 30 km/h is het niet mogelijk de cruisecontrol in te schakelen. 04 Snelheid wijzigen Toetsenset op stuurwiel en display. Cruisecontrol – Aan/Uit. De stand-bystand wordt beëindigd en de ingestelde snelheid wordt hervat.
04 Comfort en rijplezier Cruisecontrol* N.B. Wanneer u de ingestelde snelheid hebt hervat met kan er een duidelijke snelheidsverhoging optreden. Uitschakelen De cruisecontrol wordt uitgeschakeld bij of bij het afzetten gebruik van de stuurtoets van de motor – de ingestelde snelheid wordt uit het geheugen verwijderd en valt niet langer te hervatten met de toets . 04 * Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
04 Comfort en rijplezier Adaptieve cruisecontrol* Algemene informatie over ACC1 De adaptieve cruisecontrol (ACC – Adaptive Cruise Control) helpt u om een veilige afstand tot voorliggers te houden. De adaptieve cruisecontrol biedt u een comfortabeler rijervaring op lange ritten op snelwegen en lange, rechte hoofdwegen met een gelijkmatige verkeersstroom. 04 U stelt de gewenste snelheid en het tijdsverschil ten opzichte van de voorligger.
04 Comfort en rijplezier Adaptieve cruisecontrol* WAARSCHUWING De adaptieve cruisecontrol is geen systeem dat botsingen voorkomt. Grijp zelf in zodra u merkt dat het systeem een voorligger niet registreert. De adaptieve cruisecontrol reageert niet op voetgangers of dieren noch op kleinere voertuigen, zoals fietsen of motorfietsen e.d. Tegenliggers, langzaam rijdende en stilstaande voertuigen of vaste obstakels worden eveneens genegeerd.
04 Comfort en rijplezier Adaptieve cruisecontrol* WAARSCHUWING Bediening Schakel de cruisecontrol in met een druk op de – het symbool gaat branden stuurtoets op het display. De haakjes (6) bij (---) geven aan dat de cruisecontrol stand-by staat. De adaptieve cruisecontrol waarschuwt alleen voor de voertuigen die de radarsensor heeft geregistreerd. Het is dan ook mogelijk dat een waarschuwing uitblijft of pas na enige vertraging wordt gegeven.
04 Comfort en rijplezier Adaptieve cruisecontrol* N.B. Als een van de toetsen van de cruisecontrol langer dan ca. 1 minuut ingedrukt wordt, wordt de cruisecontrol uitgeschakeld. Om de cruisecontrol in dat geval te resetten moet u de motor afzetten. In bepaalde situaties is het niet mogelijk de adaptieve cruisecontrol te activeren. Op het display staat dan ACC niet beschikbaar, zie pagina 188.
04 Comfort en rijplezier Adaptieve cruisecontrol* tieregeling (DSTC). Als een van dergelijke systeem uitvalt, wordt de cruisecontrol automatisch uitgeschakeld. Bij automatische deactivering klinkt een waarschuwingssignaal en op het display verschijnt de melding ACC gedeactiveerd. U moet in dat geval zelf ingrijpen om de snelheid en afstand ten opzichte van de voorligger aan te passen. 04 Automatische deactivering is mogelijk, wanneer: • het toerental van de motor te laag/hoog N.B.
04 Comfort en rijplezier Adaptieve cruisecontrol* cruisecontrol stand-by gezet. U dient de cruisecontrol vervolgens op een van de volgende manieren opnieuw te activeren: • Druk op de stuurtoets Van doelvoertuig veranderen Automatische stand-bystand bij wijziging van doelvoertuig De cruisecontrol wordt uitgeschakeld en stand-by gezet: .
04 Comfort en rijplezier Adaptieve cruisecontrol* Dit vindt plaats, als: • u het bestuurdersportier opent of de veiligheidsgordel losmaakt • U het DSTC uit de Normal-stand haalt en in de Sport-stand zet • de cruisecontrol de auto al meer dan 2 minuten lang stil heeft gehouden • de motor wordt afgezet • de remmen oververhit zijn geraakt.
04 Comfort en rijplezier Adaptieve cruisecontrol* • als de snelheid van de voorligger te veel afwijkt van die van uw eigen auto. Voorbeeldsituaties waarin de cruisecontrol niet optimaal werkt De radarsensor heeft een beperkt bereik. In bepaalde gevallen wordt een voertuig niet ontdekt of later dan verwacht. Soms kan de radarsensor een voertuig op korte afstand pas laat registreren, bijvoorbeeld als een inhalend voertuig invoegt tussen u en uw voorligger.
04 Comfort en rijplezier Adaptieve cruisecontrol* Oorzaak Maatregel Het radaroppervlak van de grille is vuil of bedekt met sneeuw of ijs. Ontdoe het radaroppervlak van de grille van vuil, sneeuw en ijs. De radarsignalen worden gehinderd door hevige regen- of sneeuwval. Valt niets aan te doen. Bij hevige neerslag werkt de radar soms niet. De radarsignalen worden gehinderd door opspattend water en opdwarrelende sneeuw van het wegdek. Valt niets aan te doen.
04 Comfort en rijplezier Adaptieve cruisecontrol* Symbool Melding Betekenis ACC niet beschikbaar De adaptieve cruisecontrol kan niet worden ingeschakeld. Dit kan onder meer gebeuren wanneer: • de remmen een hoge temperatuur hebben • de radarsensor wordt gehinderd door natte sneeuw of regen. Radar afgedekt Zie instructieb. De adaptieve cruisecontrol werkt tijdelijk niet. • De radarsensor kan geen andere voertuigen registreren.
04 Comfort en rijplezier Afstandswaarschuwing* Algemene informatie1 De afstandswaarschuwing (Distance Alert) is een functie die u inlicht over de volgtijd ten opzichte van de voorligger. Distance Alert is actief bij snelheden hoger dan 30 km/h en reageert uitsluitend op voorliggers die in dezelfde richting als u rijden. Voor voertuigen die langzaam in tegengestelde richting rijden of stilstaan wordt geen afstandsinformatie gegeven. N.B.
04 Comfort en rijplezier Afstandswaarschuwing* Volgtijd instellen Bedieningselementen en display voor volgtijd. Volgtijd – Verlengen/verkorten. Voor verlengen omhoogduwen, voor verkorten omlaagduwen. Volgtijd3 – Aan (tijdens aanpassing). Volgtijd3 – Aan (ná aanpassing). 3 U kunt verschillende volgtijden ten opzichte van voorliggers kiezen en deze worden op het display als 1–5 horizontale streepjes weergegeven – hoe meer streepjes, des te langer de volgtijd. Eén streepje komt overeen met ca.
04 Comfort en rijplezier Afstandswaarschuwing* In slechte weersomstandigheden en op slingerende wegen heeft de radarsensor soms moeite om voorliggers te registreren. N.B. In de felle zon en bij lichtschitteringen of grote variaties in de lichtsterkte alsook het gebruik van een zonnebril is het op de voorruit geprojecteerde waarschuwingslampje soms moeilijk waar te nemen. Ook voorliggers met geringe afmetingen (zoals motorfietsen) zijn soms moeilijk te ontdekken.
04 Comfort en rijplezier Afstandswaarschuwing* Symbool Melding Betekenis Radar afgedekt Zie instructieb. De afstandswaarschuwing werkt tijdelijk niet. De radarsensor kan geen andere voertuigen registreren. Bijvoorbeeld wanneer deze wordt gehinderd door hevige regenval of als sneeuwmodder of andere verontreinigingen de radarsensor afdekken. Voor meer informatie over de beperkingen van de radarsensor, zie pagina 186.
04 Comfort en rijplezier City Safety™ Algemene informatie City Safety™ is een hulpmiddel om u te helpen een botsing te voorkomen tijdens filerijden e.d., waarbij plotselinge wijzigingen in het verkeer vóór u gekoppeld aan onoplettendheid tot bijna-ongelukken kunnen leiden. 04 De functie die actief is bij een snelheid tot 30 km/h helpt u door automatisch te remmen, wanneer het gevaar voor een botsing met een voorligger reëel is en u zelf niet snel genoeg remt en/of uitwijkt.
04 Comfort en rijplezier City Safety™ Bij een snelheidsverschil van meer dan 15 km/h tussen de voertuigen kan City Safety™ een botsing niet geheel op eigen kracht voorkomen – voor het maximale remvermogen dient u zelf het rempedaal te bedienen. In dat geval is het ook bij snelheidsverschillen groter dan 15 km/h mogelijk een botsing te voorkomen. Wanneer het systeem ingrijpt en remt, verschijnt op het display van het instrumentenpaneel de melding dat het systeem actief is/was.
04 Comfort en rijplezier City Safety™ City Safety™ wordt niet geactiveerd op lage snelheden (onder 4 km/h), wat betekent dat het systeem niet ingrijpt in situaties waarbij u een voorligger uiterst langzaam nadert zoals tijdens het parkeren. De commando’s die u zelf geeft hebben altijd voorrang, wat betekent dat City Safety™ niet ingrijpt in situaties waarbij u duidelijke commando’s geeft via stuurwiel, rem- of gaspedaal, zelfs al is een botsing onvermijdelijk.
04 Comfort en rijplezier City Safety™ BELANGRIJK Als het voorruitoppervlak vóór een van beide “ogen” barsten, krassen of steenslagschade vertoont van 0,5 × 3,0 mm (of groter), neem dan contact op met een erkende werkplaats om de voorruit te laten repareren of vervangen (zie de afbeelding met de positie van de sensor op pagina 194) – geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats. Als u niets doet, presteert City Safety™ mogelijk minder goed.
04 Comfort en rijplezier City Safety™ Symbool Melding Betekenis/Maatregel Autom. remmen door City Safety City Safety™ remt op dit moment of remde eerder automatisch. Voorruitsensoren afgedekt De lasersensor werkt tijdelijk niet doordat deze door iets gehinderd wordt. • Verwijder het voorwerp dat de sensoren hindert en/of maak het voorruitoppervlak vóór de sensoren schoon. 04 Voor meer informatie over de beperkingen van de lasersensoren, zie pagina 195.
04 Comfort en rijplezier Collision Warning met Auto Brake en voetgangersbescherming.* Algemene informatie1 Collision Warning met Auto Brake en voetgangersdetectie is een hulpmiddel dat bestemd is om u te waarschuwen wanneer het gevaar bestaat dat u op een voetganger of een (stilstaande of rijdende) voorligger botst. Collision Warning kent drie hulpfuncties. • Collision Warning – Waarschuwt voor een naderende botsing. • Brake Support – Helpt u om efficiënt te remmen in een kritieke situatie.
04 Comfort en rijplezier Collision Warning met Auto Brake en voetgangersbescherming.* Functie Brake Support Bediening Als het gevaar voor een botsing na de Collision Warning verder toeneemt, treedt de Brake Support in werking. De Brake Support treft de nodige voorbereidingen voor een snelle remmanoeuvre waarna de remmen licht worden aangezet. Dit is te merken aan een lichte schok. Via een menusysteem van MY CAR op het beeldscherm van de middenconsole zijn eventuele instellingen te verrichten.
04 Comfort en rijplezier Collision Warning met Auto Brake en voetgangersbescherming.* Waarschuwingssignalen activeren/ deactiveren Als bij het starten van de motor blijkt dat u ervoor gekozen hebt het systeem in te schakelen, wordt het waarschuwingslampje automatisch geactiveerd. De waarschuwingszoemer is apart te activeren/deactiveren via de opties Aan en Uit in het menusysteem MY CAR onder Instellingen Auto-instellingen Rijassistentiesystemen Signaaltoon bij botsgevaar.
04 Comfort en rijplezier Collision Warning met Auto Brake en voetgangersbescherming.* N.B. Het visuele waarschuwingssignaal kan korte tijd buiten werking worden gesteld, wanneer de temperatuur in het interieur bijvoorbeeld door de felle zon te hoog is opgelopen. Als dit gebeurt, wordt er een waarschuwingszoemer afgegeven ook al hebt u deze uitgeschakeld via het menusysteem.
04 Comfort en rijplezier Collision Warning met Auto Brake en voetgangersbescherming.* N.B. Voetgangersdetectie • Een voetganger is alleen te ontdekken wanneer deze helemaal zichtbaar is en een lengte heeft van minimaal 80 cm. Houd de voorruit vóór de camerasensor vrij van sneeuw, ijs, condens en vuil.
04 Comfort en rijplezier Collision Warning met Auto Brake en voetgangersbescherming.* dit dat de camerasensor afgedekt is en geen voetgangers, voertuigen of rijstrookmarkeringen vóór de auto kan ontdekken. Dit betekent ook dat er beperkingen gelden voor de functies Collision Warning met Auto Brake, Lane Departure Warning en Driver Alert Control. In de volgende tabel staan mogelijke oorzaken van het verschijnen van de melding en passende maatregelen.
04 Comfort en rijplezier Collision Warning met Auto Brake en voetgangersbescherming.* Symbolen en meldingen op display Symbool Melding Betekenis CWS-systeem UIT Collision Warning is uitgeschakeld. Verschijnt bij het starten van de motor. De melding dooft automatisch na ca. 5 seconden of eerder wanneer u op de toets READ drukt. CWS-systeem niet beschikbaar Het is niet mogelijk Collision Warning te activeren. Remassistent geactiveerd De Auto Brake was actief.
04 Comfort en rijplezier Collision Warning met Auto Brake en voetgangersbescherming.* Symbool 04 206 Melding Betekenis Radar afgedekt Zie instructieb. Collision Warning met Auto Brake werkt tijdelijk niet. CWS-systeem Service vereist Collision Warning met Auto Brake werkt niet of gedeeltelijk. De radarsensor kan geen andere voertuigen registreren. Bijvoorbeeld wanneer deze wordt gehinderd door hevige regenval of als sneeuwmodder of andere verontreinigingen de radarsensor afdekken.
04 Comfort en rijplezier Driver Alert System – DAC* Algemene informatie over Driver Alert System1 Driver Alert System is bestemd om u te helpen als de auto op een ongecontroleerde manier wordt bestuurd of op het punt staat de rijstrookmarkering te overschrijden.
04 Comfort en rijplezier Driver Alert System – DAC* Beperkingen Soms kan het systeem ten onrechte waarschuwen voor ongecontroleerde stuurbewegingen. Dit kan bijvoorbeeld gebeuren bij: • gebruik van de functie LDW. • zijdelingse rukwinden. • spoorvorming in het wegdek. Bediening 04 Via het menusysteem op het beeldscherm van de middenconsole zijn bepaalde instellingen te verrichten. Voor informatie over het gebruik van het menusysteem, zie pagina 149.
04 Comfort en rijplezier Driver Alert System – DAC* Symbolen en meldingen op display Symbool Melding Betekenis Driver Alert UIT De functie is uitgeschakeld. Driver Alert stand-by <65km/h De functie is stand-by gezet omdat de rijsnelheid onder 65 km/h ligt. Driver Alert niet beschikbaar De weg is niet voorzien van duidelijke markeringsstrepen of de camerasensor werkt tijdelijk niet. Voor meer informatie over de beperkingen van de camerasensor, zie pagina 202.
04 Comfort en rijplezier Driver Alert System – (LDW)* Algemene informatie over Lane Departure Warning (LDW1) Bediening en functie Als de camera de rijstrookmarkeringen op het wegdek niet langer registreert verschijnt op het display de melding Lane Depart Warn niet beschikbaar. Als de rijsnelheid tot onder de 60 km/h daalt, neemt de functie de stand-bystand weer in en verschijnt op het display de melding Lane Depart Warn stand-by <65km/h.
04 Comfort en rijplezier Driver Alert System – (LDW)* N.B. Iedere keer dat de wielen een markeringsstreep passeren wordt er slechts eenmaal gewaarschuwd. Er wordt dan ook niet meer gewaarschuwd, wanneer u met één wiel aan weerszijden zijden van de rijstrookmarkering blijft rijden. Symbolen en meldingen op display Symbool Melding Betekenis Lane departure warning AAN/Lane departure warning UIT De functie is ingeschakeld/uitgeschakeld. 04 Verschijnt bij inschakeling/uitschakeling.
04 Comfort en rijplezier Driver Alert System – (LDW)* Symbool Melding Betekenis Voorruitsensoren afgedekt De camerasensor werkt tijdelijk niet. Verschijnt bijvoorbeeld bij sneeuw, ijs of vuil op de voorruit. • Maak het voorruitoppervlak vóór de camerasensor schoon. Voor meer informatie over de beperkingen van de camerasensor, zie pagina 202. Driver Alert Sys Service vereist Het systeem is defect. • Bezoek een werkplaats als de melding niet verdwijnt – geadviseerd wordt een erkende Volvowerkplaats.
04 Comfort en rijplezier Park Assist* Algemene informatie Functie Park Assist is bedoeld als hulpmiddel tijdens het parkeren. Geluidssignalen en symbolen op het beeldscherm van de middenconsole geven de afstand aan tot een waargenomen obstakel. Het Park Assist-volume is tijdens de weergave van geluidssignalen bij te stellen met de draaiknop VOL op de middenconsole of in het menusysteem MY CAR van de auto – zie pagina 149.
04 Comfort en rijplezier Park Assist* Bij een afstand tot 30 cm bestaat het geluidssignaal uit een ononderbroken toon en is de sensorsector die het dichtst bij de auto ligt geheel gevuld. Als er zowel voor als achter de auto obstakels binnen deze afstand zijn waargenomen, komen de geluidssignalen beurtelings uit de luidsprekers aan linker- en rechterzijde. Park Assist aan de achterzijde N.B.
04 Comfort en rijplezier Park Assist* N.B. Sensoren schoonmaken N.B. Park Assist aan de voorzijde wordt gedeactiveerd, wanneer u de parkeerrem zet of de keuzehendel in stand P zet bij een auto met automatische versnellingsbak. Vuil, sneeuw en ijs op de sensoren kunnen ten onrechte aanleiding geven tot waarschuwingssignalen. BELANGRIJK Bij auto’s met verstralers erop letten dat de lampen de sensoren niet blokkeren en voor obstakels worden gehouden.
04 Comfort en rijplezier Park Assist-camera* Algemene informatie automatisch over om de cameraweergave te tonen. De Park Assist-camera is een hulpsysteem dat automatisch geactiveerd wordt bij het inschakelen van de achteruitversnelling (de functie is te wijzigen in het instellingenmenu, zie pagina 149). De cameraweergave verschijnt op het beeldscherm van de middenconsole.
04 Comfort en rijplezier Park Assist-camera* Hulplijnen Camerapositie bij de openingshandgreep. Lichtomstandigheden De cameraweergave wordt automatisch aangepast aan de heersende lichtomstandigheden. Dit kan ertoe leiden dat de beeldweergave ietwat kan variëren wat lichtsterkte en kwaliteit betreft. Slechte lichtomstandigheden leveren mogelijk een iets slechtere beeldkwaliteit op. N.B. Voorbeeld van hoe hulplijnen voor de bestuurder getoond worden.
04 Comfort en rijplezier Park Assist-camera* Grenslijnen per reiken zolang er geen obstakel in de weg staat. Auto’s met Park Assist-sensoren achter* Kleur Afstand (meter) Oranje 1,5– Oranje 0,3–1,5 Rood 0–0,3 Instellingen Druk op OK/MENU wanneer een cameraweergave getoond wordt. Voer de gewenste instellingen uit. 04 Overig Lijnen van het systeem. • De standaardinstelling is dat de camera wordt geactiveerd bij het inschakelen van de achteruitversnelling.
04 Comfort en rijplezier Park Assist-camera* Beperkingen N.B. Fietsdragers of andere accessoires achter op de auto kunnen het blikveld van de camera blokkeren. Let erop dat ook als het geblokkeerde gebied er op het scherm relatief klein uitziet, het werkelijke, verborgen gebied dusdanig groot kan zijn dat obstakels pas worden geregistreerd wanneer u er bijna bovenop zit. 04 Waar u op moet letten • Houd de cameralens vrij van vuil, sneeuw en ijs.
04 Comfort en rijplezier BLIS* – Blind Spot Information System Algemene informatie over BLIS WAARSCHUWING Het systeem vormt een aanvulling op – geen vervanging voor – een veilige rijstijl en het gebruik van de buitenspiegels. De bestuurder moet altijd oplettend en verantwoord blijven rijden. De bestuurder is er altijd verantwoordelijk voor dat er op een veilige manier van rijstrook wordt gewisseld.
04 Comfort en rijplezier BLIS* – Blind Spot Information System Activeren/deactiveren Het lampje in de knop dooft, wanneer het BLIS gedeactiveerd wordt. Er verschijnt bovendien een displaymelding op het instrumentenpaneel. Bij het heractiveren van BLIS brandt het lampje in de knop, verschijnt er een nieuwe displaymelding en lichten de controlelampjes in de portieren 3 keer op. Druk op de knop READ om de displaymelding te laten verdwijnen. (Voor een beschrijving van de meldingsfuncties, zie pagina 146).
04 Comfort en rijplezier BLIS* – Blind Spot Information System WAARSCHUWING Het systeem reageert niet op fietsers en bromfietsers. De BLIS-camera’s kennen ongeveer dezelfde beperkingen als het menselijk oog. Dit houdt in dat ze bijvoorbeeld minder goed “zien” bij hevige sneeuwval, fel tegenlicht of dichte mist. 04 Schoonmaken BLIS werkt alleen optimaal, als de lenzen van de BLIS-camera’s schoon zijn. U kunt de lenzen schoonmaken met een zachte doek of een vochtige spons.
04 Comfort en rijplezier BLIS* – Blind Spot Information System Beperkingen Soms kan het controlelampje voor BLIS oplichten zonder dat u voertuigen in de dode hoeken kunt waarnemen. N.B. Als het BLIS-controlelampje zo nu en dan gaat branden terwijl er geen ander voertuig in de dode hoek aanwezig is, betekent dit niet dat er een storing is opgetreden in het systeem. Eigen schaduwen op grote, lichtgekleurde en gladde oppervlakken zoals geluidsschermen of betonnen wegen.
04 Comfort en rijplezier Interieurcomfort Opbergmogelijkheden 04 224
04 Comfort en rijplezier Interieurcomfort Opbergvak in portierpaneel Middenconsole Dashboardkastje Opbergzak* aan de voorkant van de voorstoelzittingen Parkeerkaarthouder Dashboardkastje Opbergvak Kledinghaak Opbergvakken, bekerhouder 04 Bekerhouder* in armsteun, achterbank Opbergvak Kledinghaak De kledinghaak is alleen bestemd voor niet al te zware kledingsstukken. WAARSCHUWING Bewaar losse voorwerpen, zoals mobiele telefoon, camera, afstandsbediening voor extra uitrusting e.d.
04 Comfort en rijplezier Interieurcomfort Make-upspiegel 12V-aansluiting mediaspelers of mobiele telefoons. De transpondersleutel moet ten minste in sleutelstand I staan, anders geeft de aansluiting geen stroom, zie pagina 79. BELANGRIJK G021438 04 Make-upspiegel met verlichting. G021439 U kunt maximaal 10 A (120 W) via de aansluiting afnemen bij gebruik van één aansluiting tegelijk. Bij gelijktijdig gebruik van de beide aansluitingen geldt een waarde van 7,5 A (90 W) per aansluiting.
04 Comfort en rijplezier Interieurcomfort N.B. Extra uitrusting en accessoires – zoals beeldschermen, mediaspelers en mobiele telefoons – die zijn aangesloten op een van de 12V-aansluitingen in de passagiersruimte worden mogelijk geactiveerd door de klimaatregeling, ook al is de transpondersleutel uitgenomen of de auto vergrendeld, als bijvoorbeeld de standverwarming ingesteld is om op een bepaalde tijd in te schakelen.
04 Comfort en rijplezier Interieurcomfort – Executive Achter de middenarmsteun van de achterbank zit een koelbox. De box werkt wanneer de motor loopt of wanneer de transpondersleutel in stand II staat. WAARSCHUWING Draai de flessen goed dicht voordat u ze in het koelbox bewaart en zorg dat het deurtje dicht blijft tijdens het rijden. N.B. Voor de optimale werking van de koelbox is een ongehinderde luchtcirculatie vereist.
04 Comfort en rijplezier 04 229
Algemene informatie over infotainment................................................ Beknopte bedieningsinstructies............................................................ Algemene infotainmentfuncties............................................................. Radio..................................................................................................... Mediaspeler..........................................................................................
INFOTAINMENT
05 Infotainment Algemene informatie over infotainment Algemene informatie Het infotainmentsysteem in uw auto is verkrijgbaar in vier uitvoeringen: Performance • • • • • • • 05 5"-beeldscherm TFT Toetsenset* op stuurwiel zonder duimwiel AM/FM-radio Cd AUX-ingang 6 luidsprekers 4x20W-versterker High Performance • • • • • • • • 5"-beeldscherm TFT Toetsenset* op stuurwiel met duimwiel AM/FM-radio AUX- en USB-ingang (voor iPod bijv.
05 Infotainment Algemene informatie over infotainment Wanneer de transpondersleutel niet in het contactslot steekt, is het infotainment 15 minuten achtereen te gebruiken door op de knop Aan/ Uit te drukken. Bij het starten van de motor wordt het infotainmentsysteem tijdelijk uitgeschakeld en weer ingeschakeld wanneer de motor is gestart. N.B. Vermijd gebruik van het Infotainment-systeem als de motor uit is, omdat hiermee de accu wordt belast.
05 Infotainment Beknopte bedieningsinstructies Overzicht infotainment Installatie bedienen contacten* door te bladeren of de opties op het beeldscherm (bijv. FM1, Disk) door te nemen. Brontoetsen AUX- en USB1-ingangen voor externe geluidsbronnen (bijv. iPod) 05 Toetsenset* op stuurwiel Bedieningspaneel in middenconsole Beeldscherm. Het beeldscherm is verkrijgbaar in twee maten: 5" (Performance en High Performance) en 7" (High Performance Multimedia en Premium Sound Multimedia).
05 Infotainment Beknopte bedieningsinstructies Basisfuncties infotainment Middenconsole met bedieningselementen voor basisfuncties. SOUND – Menu voor audio-instellingen (lage tonen, hoge tonen e.d.) openen. Voor meer informatie, zie pagina 239. VOL – Omdraaien om het volume te verhogen of te verlagen. – Bij kort indrukken wordt de installatie ingeschakeld en bij lang indrukken vindt uitschakeling plaats.
05 Infotainment Beknopte bedieningsinstructies Moederweergave wiel en druk op het duimwiel om uw keuze te bevestigen. • Draai aan het duimwiel totdat een van de opties (2) op het beeldscherm verschijnt (bijv. FM1) en druk op het duimwiel om uw keuze te bevestigen. Dit voert u naar de gewenste bron (bijv. RADIO/FM1). Lang indrukken van EXIT voert u terug. Voorbeeld van menuweergave (Bluetooth-handsfree). 05 NAV – Volvo’s navigatiesysteem (RTI)* Voorbeeld van moederweergave (radio). Bronnen (bijv.
05 Infotainment Beknopte bedieningsinstructies Toetsenset* op stuurwiel Toetsenset met duimwiel De toetsenset is verkrijgbaar in verschillende uitvoeringen afhankelijk van de extra’s en het uitrustingsniveau van de auto. gebruik van MENU) openen, een optie in het menusysteem bevestigen (OK) of een telefoongesprek aannemen.
05 Infotainment Beknopte bedieningsinstructies ingevoerde tekens wissen. Lang indrukken om naar het hoogste menuniveau (de moederweergave) te gaan, zie pagina 236. Vooruit-/achteruitspoelen en zoeken Bij het indrukken van (2) bladert u de tracks door of zoekt u de eerstvolgende beschikbare radiozender. Duimwiel – Eraan draaien om een stap omhoog/omlaag te doen binnen het menusysteem.
05 Infotainment Algemene infotainmentfuncties FAV - favoriet opslaan • • • • iPod* INFO - aanvullende informatie tonen Bluetooth* AUX TV - instelling* Het is tevens mogelijk een favoriet te kiezen en op te slaan voor TEL*, MY CAR, CAM* en NAV*. Favorieten zijn eveneens te kiezen en op te slaan onder MY CAR. Voor meer informatie over het menusysteem MY CAR, zie pagina 149.
05 Infotainment Algemene infotainmentfuncties Druk opnieuw meerdere malen op SOUND of OK/MENU om de overige alternatieven te bereiken: • Surround1 – Is Aan/Uit te zetten. Wanneer u voor Aan hebt gekozen, hanteert het systeem de instelling voor optimale geluidsweergave. Normaal is dat DPLII en in dat op het beeldscherm. geval verschijnt Als de opname werd gemaakt met Dolby Digital-techniek, vindt de weergave plaats met deze instelling en verschijnt op het beeldscherm.
05 Infotainment Algemene infotainmentfuncties 1. Druk op de toets MEDIA, draai aan TUNE totdat u AUX bereikt en wacht enkele seconden voordat u op OK/MENU drukt. 2. Druk op OK/MENU en draai vervolgens aan TUNE totdat u AUX-ingangsvolume bereikt. Bevestig uw keuze met OK/ MENU. volumeknop, de radio-ontvangst en de rijsnelheid.
05 Infotainment Radio Radiofuncties, algemeen N.B. Als de auto is uitgerust met een toetsenset* op het stuurwiel en/of een afstandsbediening*, kunt u deze meestal gebruiken in plaats van de toetsen op de middenconsole. Voor een beschrijving van de toetsenset op het stuurwiel, zie zie pagina 237. Voor een beschrijving van de afstandsbediening, zie pagina 265. Menufuncties 1. Kies de gewenste frequentieband (FM1 of FM2). Sneltoetsen (0–9) Radio AM/FM 3.
05 Infotainment Radio N.B. • De lijst vermeldt alleen de frequenties van de zenders waarop u hebt afgestemd en vormt dan ook geen complete lijst met alle beschikbare radiofrequenties op de frequentieband van uw keuze. • Als de zender waarop u hebt afgestemd een zwak signaal heeft, kan de radio de zenderlijst mogelijk niet bijwerken. Druk (terwijl de in dat geval op de toets zenderlijst op het beeldscherm staat) om over te schakelen op handmatig zoeken en zelf een frequentie in te stellen.
05 Infotainment Radio 1. Stem af op een zender (zie “Zenders zoeken”, pagina 242). 2. Houd een van de sneltoetsen enkele seconden ingedrukt. Het geluid verdwijnt zolang maar keert terug wanneer de zender opgeslagen is. De sneltoets is vervolgens te gebruiken. U kunt een lijst met voorkeurzenders tonen2 op het beeldscherm. De functie is in stand FM/AM te activeren/deactiveren onder FM-menu Presets tonen of AM-menu Presets weergeven.
05 Infotainment Radio Verkeersinformatie, TP Bij activering van deze functie wordt de weergave van de actieve geluidsbron onderbroken voor een uitzending met verkeersinformatie via het RDS-netwerk van de zender waarop is afgestemd. Het symbool TP geeft aan dat de functie actief is. Als de zender waarop u hebt afgestemd verkeersinformatie kan doorgeven, wordt dat aangegeven met een fel verlicht TP op het beeldscherm. TP is anders grijs van kleur.
05 Infotainment Radio Er verschijnt een indicatie op het beeldscherm wanneer PTY geactiveerd is. U deactiveert de PTY-functie in stand FM onder FM-menu Geavanceerde instellingen PTY-instellingen Verkeersinfo van andere zenders ontvangen. De gekozen programmatypes (PTY) worden niet gereset. Resetten en verwijderen van PTY is mogelijk onder FM-menu Geavanceerde instellingen PTY-instellingen PTY kiezen Alles wissen.
05 Infotainment Radio Digitale radio (DAB)* Algemene informatie DAB (Digital Audio Broadcasting) is een systeem voor digitale overdracht van radiosignalen. N.B. Dit systeem biedt geen ondersteuning voor DAB+. N.B. Er is niet overal dekking voor DAB. Als er geen dekking is, verschijnt de melding Geen ontvangst op het beeldscherm. Service en Ensemble • Service – Kanaal, radiokanaal (het systeem biedt alleen ondersteuning voor geluidsdiensten).
05 Infotainment Radio Programmatype (PTY) Met de functie programmatype kunt u verschillende soorten radioprogramma’s kiezen. Er bestaan verschillende programmatypes voor uiteenlopende soorten programmacategorieën. Wanneer u een bepaald programmatype hebt gekozen, navigeert u uitsluitend binnen de kanalen die programma’s van het gekozen type uitzenden. U kiest een programmatype in stand DAB onder DAB-menu PTY-filter . Verlaat deze stand als volgt: – 05 Druk op EXIT.
05 Infotainment Radio Frequentieband DAB is in staat op twee5 frequentiebanden uit te zenden: • Band III – bestrijkt gebieden buiten de grote steden • LBand - Voornamelijk in de grote steden Wanneer u alleen voor Band III kiest, verloopt het programmeren van kanalen sneller dan als u voor zowel Band III als LBand hebt gekozen. Het is echter niet zeker dat alle kanaalgroepen ook daadwerkelijk worden gevonden. De gekozen frequentieband is niet van invloed op de opgeslagen voorkeuren.
05 Infotainment Mediaspeler CD/DVD1-functies De mediaspeler ondersteunt de volgende soorten discs en bestanden en kan deze met andere woorden afspelen: • Voorbespeelde cd-discs (CD Audio). • Zelfgebrande cd’s met audio- en/of videobestanden1. • Voorbespeelde video-dvd’s1. • Zelfgebrande dvd’s1 met audio- en/of videobestanden. Voor meer informatie over de ondersteunde formaten, zie pagina 253. Bedieningspaneel op middenconsole.
05 Infotainment Mediaspeler Afspelen en navigeren Audio-cd’s Draai aan TUNE om de speellijst van de disc te bekijken en door de lijst te navigeren. Met OK/ MENU wordt de trackkeuze bevestigd en de weergave gestart. Druk op EXIT om te annuleren en de speellijst te verlaten. Lang indrukken van EXIT voert u naar het hoofdniveau van de speellijst. Wisselen van disctrack is ook mogelijk door te / op de middenconsole of drukken op op de toetsenset* op het stuurwiel.
05 Infotainment Mediaspeler medium weer en voor iedere track verschijnen de tracktitel, de uitvoerende artiest en het album. Als de audio-cd geen treffer in de database oplevert, wordt de cd-tekst op de cd zelf gebruikt. Als er geen cd-tekst op de disc staat, verschijnen alleen track 1, track 2 etc. 2. Draai aan TUNE totdat Willekeurige weergave verschijnt Afspelen 3. Druk op OK/MENU om de functie te activeren/deactiveren.
05 Infotainment Mediaspeler Navigeren in eigen menu video-dvd hoofdstukken. Druk op OK/MENU om uw keuze te activeren en terug te keren naar de uitgangspositie. Met EXIT annuleert u uw keuze en keert u terug naar de uitgangspositie (zonder een keuze te maken). Wisselen van hoofdstuk is ook mogelijk door te drukken op / op de middenconsole of op de toetsenset* op het stuurwiel. Geavanceerde instellingen6 Hoek Met de bedieningselementen op de middenconsole kunt u navigeren in het eigen menu van de video-dvd.
05 Infotainment Mediaspeler N.B. Dubbelzijdige schijven van het zogeheten dual format-type (DVD Plus, CD-DVD) zijn dikker dan normale cd’s. Het is dan ook niet zeker of dergelijke schijven kunnen worden afgespeeld en storingen zijn mogelijk. Als een cd een mix van mp3- en CD-DAbestanden bevat, worden alle mp3-tracks genegeerd. AudioformatenA CD-Audio, mp3, wma AudioformatenB CD-Audio, mp3, wma, aac, m4a VideoformatenC CD-Video, DVD-Video, divx, avi, asf 05 A B C 254 Geldt voor Performance.
05 Infotainment Externe geluidsbron via AUX/USB*-ingang AUX, USB1 en externe geluidsbron sluiten zonder dat de kabels bekneld komen te zitten. Algemene informatie N.B. Als de auto is uitgerust met een toetsenset* op het stuurwiel en/of een afstandsbediening*, kunt u deze meestal gebruiken in plaats van de toetsen op de middenconsole. Voor een beschrijving van de toetsenset op het stuurwiel, zie zie pagina 237. Voor een beschrijving van de afstandsbediening, zie pagina 265.
05 Infotainment Externe geluidsbron via AUX/USB*-ingang Menufuncties U regelt de menufuncties van MEDIA vanaf de middenconsole of via de toetsenset* op het stuurwiel. Voor algemene informatie over menufuncties en menusystemen, zie pagina 290. Afspelen en navigeren3 05 Draai aan TUNE om de speellijst/mapstructuur te openen en door de lijst/structuur te navigeren. Met OK/MENU wordt de gekozen submap bevestigd of de weergave van het gekozen audio-/videobestand gestart.
05 Infotainment Externe geluidsbron via AUX/USB*-ingang N.B. Het systeem biedt ondersteuning voor draagbare media die werken met USB 2.0 en het bestandssysteem FAT32 en kan 1000 mappen aan met maximaal 254 submappen/bestanden in elke map. Een uitzondering daarop vormt het hoogste niveau, dat tot 1000 submappen/bestanden kan bevatten. USB Removable device/Mass Storage Device te staan. iPod Een iPod wordt middels de aansluitkabel bijgeladen en gevoed door de USB-aansluiting*. N.B.
05 Infotainment Media Bluetooth* Streaming audio Algemene informatie De mediaspeler in de auto is uitgerust met Bluetooth1 en kan draadloos “streaming audio”-bestanden afspelen op externe eenheden met Bluetooth zoals mobiele telefoons en laptops. Navigatie en regeling van het geluid zijn in dat geval te verrichten via de toetsen op de middenconsole of via de toetsenset* op het stuurwiel. Bij sommige externe eenheden is het ook mogelijk op de eenheid zelf van track te wisselen.
05 Infotainment Media Bluetooth* N.B. Als de auto is uitgerust met een toetsenset* op het stuurwiel en/of een afstandsbediening*, kunt u deze meestal gebruiken in plaats van de toetsen op de middenconsole. Voor een beschrijving van de toetsenset op het stuurwiel, zie zie pagina 237. Voor een beschrijving van de afstandsbediening, zie pagina 265. Menufuncties U regelt de menufuncties van MEDIA vanaf de middenconsole of via de toetsenset* op het stuurwiel.
05 Infotainment Media Bluetooth* > Na enige tijd verschijnt de naam van de externe eenheid op het beeldscherm. Als er meerdere externe eenheden gekoppeld zijn, verschijnen ook deze. 5. Kies de aan te sluiten eenheid door te draaien aan TUNE en bevestig uw keuze met OK/MENU. > De externe eenheid wordt vervolgens aangesloten. Wissel van audiobestand door te drukken op / op de middenconsole of door gebruik te maken van de toetsenset* op het stuurwiel. 05 Aangesloten eenheid verwijderen 1.
05 Infotainment TV - instelling* TV - instelling* Algemene informatie N.B. Dit systeem ondersteunt alleen tv-signalen in die landen die in mpeg2-formaat uitzenden volgens de DVB-T-standaard. Het systeem biedt geen ondersteuning voor tv-signalen in mpeg-4-formaat of analoge tv-signalen. N.B. Tv-weergave is uitsluitend mogelijk wanneer de auto stilstaat. Wanneer de auto sneller rijdt dan ca. 6 km/h, verschijnt er geen beeld en staat Geen visuele media tijdens het rijden op het beeldscherm.
05 Infotainment TV - instelling* N.B. Als de auto is uitgerust met een toetsenset* op het stuurwiel en/of een afstandsbediening*, kunt u deze meestal gebruiken in plaats van de toetsen op de middenconsole. Voor een beschrijving van de toetsenset op het stuurwiel, zie zie pagina 237. Voor een beschrijving van de afstandsbediening, zie pagina 265. Menufuncties 05 U regelt de menufuncties van MEDIA vanaf de middenconsole of via de toetsenset* op het stuurwiel.
05 Infotainment TV - instelling* dracht duurt even. Tijdens het zoeken wordt het beeld weergegeven van alle gevonden en als voorkeur vastgelegde kanalen. Er verschijnt een melding wanneer de zoekopdracht afgerond is en het beeld verschijnt dat bij het gekozen kanaal hoort. Daarmee is een voorkeurslijst (max. 30 voorkeuren) aangemaakt en beschikbaar. Om van kanaal te veranderen, zie pagina 262. 1. Draai aan TUNE totdat u het te verplaatsen kanaal in de lijst bereikt en bevestig uw keuze met OK/MENU.
05 Infotainment TV - instelling* 1. Druk op de toets diening. op de afstandsbe- 2. Typ het paginanummer (3 cijfers) in met de cijfertoetsen (0–9) om een pagina te kiezen. > De pagina verschijnt automatisch. Voer een ander paginanummer in of druk op de / op de afstandsbediening om toetsen van pagina te veranderen. Keer terug naar het tv-beeld met EXIT of bedien de toets op de afstandsbediening. 05 Teletekst is ook te bedienen met de gekleurde knoppen op de afstandsbediening.
05 Infotainment Afstandsbediening* Afstandsbediening* De afstandsbediening is te gebruiken voor alle functies van het infotainmentsysteem. De toetsen op de afstandsbediening hebben dezelfde functies als de overeenkomstige toetsen op de middenconsole of de toetsenset* op het stuurwiel. Druk bij gebruik van de afstandsbediening de knop op de afstandsbediening in stand F. Richt de afstandsbediening vervolgens op de IR-ontvanger, die rechts van de knop INFO (zie pagina 239) op de middenconsole zit.
05 Infotainment Afstandsbediening* Toets Functie Toets Stoppen Informatie over actueel programma, nummer etc. Tevens te gebruiken als er meer informatie beschikbaar is dan op het beeldscherm kan worden weergegeven. Vooruitbladeren/-spoelen, van track/nummer wisselen.
05 Infotainment Bluetooth-handsfree* Algemene informatie bestuurderszijde. U kunt de mobiele telefoon via de knoppen op de telefoon bedienen of de telefoon nu aangesloten is of niet. Telefoonfuncties, overzicht bedieningselementen N.B. Niet alle mobiele telefoons zijn volledig compatibel met de handsfree-functie van het audiosysteem. Volvo adviseert u contact op te nemen met een erkende Volvowerkplaats of www.volvocars.com te bezoeken voor informatie over compatibele telefoons. Systeemoverzicht.
05 Infotainment Bluetooth-handsfree* omhoog in het menusysteem en actieve functie annuleren. N.B. Als de auto is uitgerust met een toetsenset* op het stuurwiel en/of een afstandsbediening*, kunt u deze meestal gebruiken in plaats van de toetsen op de middenconsole. Voor een beschrijving van de toetsenset op het stuurwiel, zie zie pagina 237. Voor een beschrijving van de afstandsbediening, zie pagina 265.
05 Infotainment Bluetooth-handsfree* 5. Voer een willekeurige pincode in via de toetsenset van de mobiele telefoon, als er om de pincode wordt gevraagd. Voer vervolgens dezelfde pincode in via de toetsenset in de auto. 6. Kies voor aansluiting op My Volvo Car vanaf de mobiele telefoon. De mobiele telefoon wordt vervolgens gekoppeld (geregistreerd) en automatisch aangesloten op het audiosysteem. Voor meer informatie over het koppelen van mobiele telefoons, zie pagina 271.
05 Infotainment Bluetooth-handsfree* • Mute – Microfoon van het audiosysteem uitschakelen. • Mobiele telefoon - Gesprek doorschakelen naar de mobiele telefoon. Bij sommige mobiele telefoons wordt de koppeling verbroken. Dit is volkomen normaal. Het handsfree-systeem vraagt vervolgens of u opnieuw wilt koppelen. • Nummer kiezen - mogelijkheid om een tweede gesprek te starten met behulp van de cijfertoetsen (het eerste gesprek wordt daarbij stand-by gezet).
05 Infotainment Bluetooth-handsfree* N.B. Voor bepaalde mobiele telefoons geldt dat de belsignalen van de aangesloten mobiele telefoon niet worden uitgeschakeld bij gebruik van de geïntegreerde signalen van het handsfree-systeem. Ga om de beltonen3 van de aangesloten telefoon te gebruiken in de telefoonstand naar Telefoonmenu Telefooninstellingen Geluiden en volume Beltonen GSMringtone. Meer informatie over koppelen en aansluiten Er kunnen maximaal tien mobiele telefoons worden gekoppeld (geregistreerd).
05 Infotainment Bluetooth-handsfree* N.B. Bij wijzigingen van een post in het telefoonboek van de mobiele telefoon vanuit het telefoonsysteem in de auto, wordt er een nieuwe post in het telefoonboek van de auto aangemaakt. De wijziging wordt met andere woorden niet opgeslagen in de mobiele telefoon. In de auto ziet u vervolgens dubbele posten, met verschillende icoontjes.
05 Infotainment Bluetooth-handsfree* Contactpersonen zoeken N.B. Bij de uitvoering High Performance ontbreekt het tekstwiel, zodat u TUNE niet kunt gebruiken voor de invoer van tekens maar aangewezen bent op de cijfer- en lettertoetsen op het bedieningspaneel van de middenconsole. aan4 Contactpersonen zoeken met het tekstwiel. Tekenlijst Invoerstand wijzigen (zie onderstaande tabel) Telefoonboek Ga om een contactpersoon te zoeken of te bewerken in de telefoonstand naar Telefoonmenu Telefoonboek Zoeken.
05 Infotainment Bluetooth-handsfree* Nieuw contact N.B. Bij de uitvoering High Performance ontbreekt het tekstwiel, zodat u TUNE niet kunt gebruiken voor de invoer van tekens maar aangewezen bent op de cijfer- en lettertoetsen op het bedieningspaneel van de middenconsole. 1. Druk, wanneer de regel Naam gemarkeerd staat, op OK/MENU om de invoerstand te openen (bovenstaande afbeelding). Letters invoeren voor nieuwe contactpersoon.
05 Infotainment Bluetooth-handsfree* Met OK/MENU kunt u wisselen tussen hoofdletters en kleine letters. Druk op OK/MENU, de cursor gaat naar het invoerveld (2) boven aan het beeldscherm. U kunt de cursor vervolgens met TUNE naar de gewenste positie verplaatsen om bijv. nieuwe letters in te voegen of letters te wissen met EXIT. Ga om nieuwe letters te kunnen invoegen eerst terug naar de invoerstand door te drukken op OK/MENU.
05 Infotainment Spraakherkenning* mobiele telefoon Inleiding De spraakherkenningsfunctie1 van het infotainmentsysteem biedt u de mogelijkheid om bepaalde functies van een mobiele telefoon met Bluetooth-aansluiting of van Volvo’s navigatiesysteem, RTI (Road and Traffic Information System) met uw stem te bedienen. N.B. • 05 • 1 276 In dit gedeelte staat aangegeven hoe u gesproken commando’s kunt gebruiken om een mobiele telefoon met Bluetooth-aansluiting te bedienen.
05 Infotainment Spraakherkenning* mobiele telefoon commando’s op het beeldscherm van de middenconsole. Beknopte bedieningsinstructies Let op het volgende bij het gebruik van de spraakherkenningsfunctie: • Spreek bij het geven van commando’s na de toon, met normale stem in een normaal tempo. • Wacht met spreken, totdat het systeem klaar is met antwoorden (zolang het systeem antwoordt, werkt de spraakherkenning namelijk niet). • Houd portieren, zijruiten en schuifdak* dicht. Toetsenset op stuurwiel.
05 Infotainment Spraakherkenning* mobiele telefoon De instructie is opgesplitst in 3 lessen, die in totaal zo’n 5 minuten duren. De functie start met de eerste les. Om een les over te slaan en naar de volgende te gaan, kunt u op de knop voor spraakherkenning drukken en “Volgende” zeggen. U kunt teruggaan naar de vorige les door “Vorige” te zeggen. Beëindig de instructie door de knop voor spraakherkenning lang in te drukken. Stemtraining 05 U krijgt tot vijftien zinnen te zien die u moet inspreken.
05 Infotainment Spraakherkenning* mobiele telefoon Systeemreactie Contactpersoon bellen Nummer? Met het onderstaande dialoog kunt u de geprogrammeerde contactpersonen in uw mobiele telefoon bellen. Gebruikersreactie Noem de cijfers (eenheden zoals zes-achtzeven enz.) van het telefoonnummer. Als u meerdere cijfers noemt en vervolgens pauzeert, zal het systeem ze herhalen en vervolgens “Doorgaan” zeggen. Noem de rest van de cijfers. Sluit wanneer u klaar bent het commando af door “Bel” te zeggen.
05 Infotainment RSE - Rear Seat Entertainment system* Overzicht 05 Beeldscherm Algemene informatie Hoofdtelefoonaansluiting Het RSE-systeem is een entertainmentsysteem voor de achterpassagiers waarmee het mogelijk is video te bekijken, muziek af te spelen, radio te luisteren, tv* te kijken of andere randapparatuur (zoals een gameconsole) aan te sluiten.
05 Infotainment RSE - Rear Seat Entertainment system* (voor, rechtsachter of linksachter) weer te geven of af te spelen. Het is niet mogelijk om video op een USB-medium af te spelen, terwijl er een cd- of dvd-disc wordt afgespeeld. BELANGRIJK Zorg er bij het inladen van bagage en grote voorwerpen in de auto voor dat er voldoende afstand tot de beeldschermen in de hoofdsteunen wordt gehouden om te voorkomen dat de beeldschermen krassen of beschadigingen oplopen.
05 Infotainment RSE - Rear Seat Entertainment system* 05 Bij het RSE-systeem horen twee draadloze hoofdtelefoons. 1. Draai het boutje los en haal het dekseltje van het batterijvakje. De draadloze hoofdtelefoons worden geactiveerd met de Aan/Uit-knop (2), waarna een controlelampje (4) gaat branden. Kies uit CH.A (kanaal A) of CH.B (kanaal B) met de knop (1). Pas het volume aan met de volumeknop (3). 2. Verwijder beide batterijen en leg de nieuwe batterijen op de aangegeven manier in het batterijvakje.
05 Infotainment RSE - Rear Seat Entertainment system* 3. Sluit de voedingskabel aan op de elektrische aansluiting als de apparatuur op 12 V werkt. Volg altijd de aansluitinstructies bij de gebruikte randapparatuur. Rechts achter aan de middenconsole zit een uitsparing voor kabels, zodat u de klep kunt sluiten zonder dat de kabels bekneld komen te zitten.
05 Infotainment RSE - Rear Seat Entertainment system* wacht wordt de optie automatisch geaccepteerd. 2. Draai aan TUNE om te kiezen uit het beeldscherm links of rechts of allebei en bevestig uw keuze met OK/MENU. 3. Draai aan TUNE om te kiezen uit RADIO, MEDIA (of RSE-instell.). Druk ter bevestiging op OK/MENU. 4. Draai aan TUNE totdat u de gewenste bron hebt bereikt (bijvoorbeeld Disk) en bevestig uw keuze met OK/MENU. De gekozen bron start automatisch (bijvoorbeeld als er een disc in de mediaspeler zit).
05 Infotainment RSE - Rear Seat Entertainment system* Schermformaat U hebt de keuze uit de schermformaten Normaal, Zoom en Passend voor scherm. Normaal - Het beeld wordt op normale grootte weergegeven (doorgaans op 4:3- of 16:9-formaat). Zoom - Het hele beeldscherm wordt gebruikt, maar bepaalde delen van het beeld worden weggeknipt. Passend voor scherm - Het hele beeldscherm wordt gebruikt, maar de beeldverhoudingen zijn mogelijk iets verstoord.
05 Infotainment RSE - Rear Seat Entertainment system* N.B. Het systeem biedt alleen ondersteuning voor één iPod-gebruiker tegelijk in de navigatiestand (speellijst). Voor meer informatie over mediaspelers, USB/ AUX en Media Bluetooth, zie pagina 250, 255 en 258. 1. Schakel de draadloze hoofdtelefoon(s) in (kies CH.A voor het linker beeldscherm of CH.B voor het rechter beeldscherm). 05 2.
05 Infotainment RSE - Rear Seat Entertainment system* de eerstvolgende zender met een hogere/ lagere frequentie afstemt. Voor meer informatie over de radio, zie pagina 242. Tv kijken* Via de mediaspeler in de auto kunt u tv kijken. 1. Schakel de draadloze hoofdtelefoon(s) in (kies CH.A voor het linker beeldscherm of CH.B voor het rechter beeldscherm). 2.
05 Infotainment RSE - Rear Seat Entertainment system* Bronmenu6 Cd-audio-menu RSE Display uit DVD-menu7 Diskmenu Disk-instellingen resetten Willekeurige weergave USB-menu RSE RSE-menu’s beeldschermen achterin Modus Dag/Nacht Druk op op de afstandsbediening nadat u een bron (bijvoorbeeld Disk) hebt gekozen om de RSE-menu’s voor de beeldschermen achterin te openen.
05 Infotainment RSE - Rear Seat Entertainment system* Modus Dag/Nacht Tv-instellingen resetten Display uit AUX-instellingen resetten iPod-menu RSE iPod-menu Willekeurig Modus Dag/Nacht Display uit iPod-instellingen resetten Bluetooth-menu RSE Bluetooth-menu 05 Willekeurig Modus Dag/Nacht Display uit Bluetooth-instellingen resetten Tv-menu RSE* TV-menu Land kiezen Autostore Scan Modus Dag/Nacht Display uit * Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
05 Infotainment Menufuncties infotainment Navigeren in de menu’s De functies van het infotainmentsysteem zijn via de systeemmenu’s te regelen. Elke bron binnen het infotainmentsysteem (bijv. RADIO, MEDIA) heeft zijn eigen menu’s. Om menu’s te openen en een functie te activeren moet eerst een bron (bijv. RADIO/FM1) worden gekozen. Druk vervolgens op OK/MENU om het menu van de gekozen bron te openen. Bedieningselementen op middenconsole 1. Kies een bron door te drukken op een van de toetsen (bijv.
05 Infotainment Menufuncties infotainment Audio-instellingen 2 Klankpodium3 Equalizer4 Volumecompensatie Alle audio-instellingen resetten Alle FM-instellingen resetten Audio-instellingen Menu’s MEDIA Hoofdmenu CD Audio Diskmenu Hoofdmenu DAB1*/DAB2* DAB-menu Ensemble programmeren Willekeurige weergave Scan Audio-instellingen 5 PTY-filter PTY-filter uitschakelen Hoofdmenu FM1/FM2 FM-menu 5 Hoofdmenu CD/DVD1 Data Diskmenu Radiotekst tonen TP Presets Radiotekst tonen Scan Presets tonen1 Geavan
05 Infotainment Menufuncties infotainment Hoofdmenu DVD1 Video Hoofdmenu USB4 Diskmenu USB-menu Hoofdmenu AUX DVD-menu Afspelen/Pause Play/pause/verder Stop Stop Willekeurig Ondertitels Map herhalen Taal van audiospoor kiezen USB-apparaat kiezen Hoofdmenu TV* Geavanceerde instellingen Volgende titel TV-menu AUX-menu AUX-ingangsvolume Audio-instellingen 5 Hoek Volgende audiotrack Land kiezen DivX® VOD-code Scan Presets sorteren Audio-instellingen 5 Autostore Audio-instellingen 5
05 Infotainment Menufuncties infotainment Bronmenu7 Telefoon wijzigen DVD-hoofdmenu8 Bluetooth-apparaat verwijderen DVD-hoofdmenu8 Telefooninstellingen Herkenbaar Menu’s TEL Geluiden en volume Hoofdmenu Bluetooth-handsfree4 Telefoonboek downloaden Telefoonmenu Bluetooth-softwareversie in auto Bellijst Alle gesprekken Gemiste oproepen Beantwoorde gesprekken Gekozen nummers Bel-opties Automatisch opnemen Voicemailnummer Telefoon uit 05 Gespreksduur Telefoonboek Zoeken Nieuw contact Verkorte nu
Rijadviezen............................................................................................ Tanken.................................................................................................. Brandstof.............................................................................................. Lading vervoeren.................................................................................. Kofferbak ..........................................................................................
TIJDENS HET RIJDEN
06 Tijdens het rijden Rijadviezen Algemene informatie Zuinig rijden Zuinig rijden houdt in dat u anticiperend en rustig rijdt, en uw rijstijl en snelheid afstemt op de verkeerssituatie. • Rijd in de hoogst mogelijke versnelling, afhankelijk van de verkeerssituatie en de weggesteldheid – lagere toeren leveren een lager brandstofverbruik op. • Rijd niet met open zijruiten. • Vermijd onnodig snel optrekken en krachtig remmen.
06 Tijdens het rijden Rijadviezen mogelijk tot stilstand en laat de motor enkele minuten stationair lopen zodat deze kan afkoelen. Geopend kofferdeksel WAARSCHUWING • Als de displaymelding Motortemp. hoog • • • Zet motor af of Koelvl.peil laag Zet motor af verschijnt, dient u nadat de auto tot stilstand is gekomen ook de motor af te zetten.
06 Tijdens het rijden Rijadviezen tegen vorst is het zaak geen verschillende soorten glycol met elkaar te mengen. • Houd de tank altijd goed gevuld om condens in de brandstoftank tegen te gaan. N.B. In sommige landen is het gebruik van winterbanden verplicht. Banden met spikes zijn niet in alle landen toegestaan. • De viscositeit van de motorolie is belangrijk.
06 Tijdens het rijden Tanken Tanken Tankvulklep handmatig openen Tankdop open-/dichtdraaien G024631 Tankvulklep openen/sluiten Open de tankvulklep met de knop op het verlichtingspaneel – bij het loslaten van de knop springt de klep open. De pijl van het symbool op het informatiedisplay geeft de kant van de auto aan waar de tankdop zit. • Sluit de klep door deze dusdanig in te druk- De tankvulklep kan handmatig worden geopend, als openen met de schakelaar in de passagiersruimte niet mogelijk is. 1.
06 Tijdens het rijden Brandstof Algemene informatie over brandstof Gebruik geen brandstof met een slechtere kwaliteit dan Volvo adviseert, omdat dit een nadelige invloed kan hebben op het motorvermogen en het brandstofverbruik. WAARSCHUWING Zorg altijd dat u geen brandstofdampen inademt of brandstofspatten in de ogen krijgt. Bij brandstof in de ogen eventuele contactlenzen uitnemen en de ogen ten minste 15 minuten lang spoelen met een ruime hoeveelheid schoon water en medische hulp inroepen.
06 Tijdens het rijden Brandstof Benzine Bio-ethanol (E 85) Benzine dient te voldoen aan de norm NENEN 228. De meeste motoren kunnen op benzine met een octaangetal van 95 en 98 RON lopen. 91 RON mag alleen in uitzonderlijke gevallen worden gebruikt. Breng geen wijzigingen aan in het brandstofsysteem of de onderdelen daarvan en vervang ze evenmin door componenten die niet speciaal geconstrueerd zijn voor gebruik in combinatie met bio-ethanol. • 95 RON is te gebruiken in normale rijomstandigheden.
06 Tijdens het rijden Brandstof BELANGRIJK Het is alleen toegestaan brandstof te gebruiken die voldoet aan de Europese norm voor dieselolie. Het zwavelgehalte mag maximaal 50 ppm zijn. BELANGRIJK Maak geen gebruik van de volgende dieselolie-achtige brandstoffen: • • • • speciale toevoegingen (dopes) scheepsolie stookolie FAME1 (Fatty Acid Methyl Ester) of plantaardige olie.
06 Tijdens het rijden Brandstof De regeneratie van het filter vindt automatisch plaats en duurt normaal 10–20 minuten. Bij een lage gemiddelde snelheid kan dit iets langer duren. Gedurende de regeneratie kan het brandstofverbruik iets stijgen. Regeneratie bij koud weer Als u bij koud weer vaak korte afstanden rijdt, komt de motor niet voldoende op temperatuur. Dit betekent dat het roetfilter niet geregenereerd en niet geleegd wordt. Wanneer het filter voor ca.
06 Tijdens het rijden Lading vervoeren Algemene informatie over vervoer van lading • Dek scherpe randen met iets zachts af om Het laadvermogen is afhankelijk van het rijklaar gewicht van de auto. Het laadvermogen dient te worden verminderd met de som van het gewicht van eventuele inzittenden en dat van gemonteerde accessoires. Voor gedetailleerde informatie over de gewichten, zie pagina 379.
06 Tijdens het rijden Lading vervoeren • Controleer regelmatig of de lastdragers en de lading goed vastzitten. Zet de lading stevig vast met sjorbanden. Ruggedeelte achterbank omklappen Houder voor boodschappentassen* Voor het omklappen van de ruggedeelten van de achterbank, zie pagina 83. • Verdeel het gewicht van de lading gelijkmatig over de lastdragers. Leg de zwaarste voorwerpen onderop.
06 Tijdens het rijden Lading vervoeren 12V-aansluiting* Open het klepje naar boven toe om bij de elektrische aansluiting te komen. • Via de aansluiting is ook stroom af te nemen, wanneer de transpondersleutel niet in het contactslot steekt. 06 N.B. Denk eraan dat als de elektrische aansluiting word gebruikt als de motor uit is, de startaccu van de auto kan ontladen. 306 * Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
06 Tijdens het rijden Kofferbak Doorsteekluik Luikje verwijderen U kunt het luikje in het ruggedeelte openen om lange en smalle voorwerpen te vervoeren. Open het luikje nadat u het hebt ontgrendeld, met het ruggedeelte omgeklapt, ca. 30 graden en trek het luikje recht omhoog. Luikje aanbrengen Plaats het luikje terug in de groeven achter de bekleding en sluit het luikje. Klap het rechter ruggedeelte naar voren toe om.
06 Tijdens het rijden Rijden met een aanhanger Algemene informatie Het laadvermogen is afhankelijk van het rijklaar gewicht van de auto. Het laadvermogen dient te worden verminderd met de som van het gewicht van eventuele inzittenden en dat van gemonteerde accessoires, zoals een trekhaak. Voor gedetailleerde informatie over de gewichten, zie pagina 379. Als de trekhaak door Volvo is gemonteerd, wordt de auto compleet aangeleverd met de benodigde randuitrusting voor het gebruik van een aanhanger.
06 Tijdens het rijden Rijden met een aanhanger N.B. De aangegeven maximaal toelaatbare aanhangergewichten zijn door Volvo bepaald. Let erop dat er op grond van de wetgeving voor motorvoertuigen in uw land verdere beperkingen van het aanhangergewicht en de snelheid kunnen gelden. Het is bovendien mogelijk dat de trekhaak gespecificeerd is voor hogere gewichten dan het maximaal toelaatbare aanhangergewicht van de auto. WAARSCHUWING Houd u aan de opgegeven aanbevelingen voor het aanhangergewicht.
06 Tijdens het rijden Rijden met een aanhanger Trekhaak Afneembare trekhaak opbergen Specificaties Als de auto is uitgerust met een afneembare trekhaak, dienen de montagevoorschriften voor het bevestigen van het afneembare gedeelte zorgvuldig te worden opgevolgd, zie pagina 311. WAARSCHUWING 06 • Volg de montage-instructies nauwkeurig op. • Zorg dat het afneembare gedeelte met de sleutel vergrendeld is voordat u begint te rijden. • Controleer of het controlevenster groen van kleur is.
06 Tijdens het rijden Rijden met een aanhanger 1 1127 2 93 3 855 4 428 5 112 6 360 7 Langsligger 8 Middelpunt kogel G021488 Het controlevenster moet rood van kleur zijn. G021489 Afmetingen, bevestigingspunten (mm) Verwijder de afdekking door de pal in te drukken en de afdekking vervolgens recht naar achteren te trekken . G021487 G021484 G018928 Trekhaak bevestigen 06 Breng de trekhaak aan en duw deze naar binnen totdat u een klik hoort.
06 Tijdens het rijden Het controlevenster moet groen van kleur zijn. Controleer of de trekhaak vastzit door deze stevig omhoog, omlaag en naar achteren te bewegen. WAARSCHUWING 06 G000000 Als de trekhaak niet goed zit, moet u deze verwijderen en opnieuw monteren zoals eerder werd beschreven. Draai de sleutel linksom naar de vergrendelde stand. Neem de sleutel uit het slot. BELANGRIJK G021495 G021494 G021490 Rijden met een aanhanger Veiligheidskabel.
06 Tijdens het rijden Rijden met een aanhanger WAARSCHUWING Zet de trekhaak goed vast, wanneer u deze in de auto bewaart, zie pagina 310. G018929 Druk de vergrendelingsknop in en draai totdat u een klik hoort. deze linksom Duw de afdekking er zo ver op dat deze vastklikt. 06 Draai de vergrendelingsknop volledig omlaag totdat deze niet verder kan. Houd de knop in deze stand vast terwijl u de trekhaak schuin naar achteren toe omhoogtrekt.
06 Tijdens het rijden Slepen en bergen Slepen WAARSCHUWING Kijk voordat u met slepen begint wat de wettelijk voorgeschreven maximumsnelheid voor slepen is. 1. Ontgrendel het stuurslot door de transpondersleutel in het contactslot te plaatsen en de START/STOP ENGINE-knop lang in te drukken. Sleutelstand II wordt geactiveerd, zie pagina 79 voor meer informatie over sleutelstanden. 2. Laat de transpondersleutel tijdens het slepen in het contactslot zitten. 3.
06 Tijdens het rijden Slepen en bergen BELANGRIJK Vermijd slepen. • • Een auto die op een gevaarlijke plek in het verkeer staat, mag echter over een korte afstand (tot 10 km) en op lage snelheid (tot 10 km/h) worden versleept. Berg de auto altijd zo dat de wielen in de rijrichting draaien. Sleepoog Het sleepoog dient te worden vastgeschroefd in een draadbus achter een afdekking in de bumper, voor of achter. Sleepoog bevestigen Schroef het sleepoog tot aan de flens naar binnen.
06 Tijdens het rijden Slepen en bergen BELANGRIJK Het sleepoog is alleen bedoeld voor het slepen over de weg en niet geschikt voor berging wanneer de auto bijvoorbeeld in een sloot is gereden of vast is komen te zitten. Roep professionele hulp in voor berging. N.B. Bij sommige auto’s met een afneembare trekhaak kunt u het sleepoog niet in de achterste bevestiging aanbrengen wanneer het kogelsegment gemonteerd is. Bevestig de sleepkabel in dat geval aan de trekhaak.
06 Tijdens het rijden 06 317
Algemene informatie ............................................................................ Wielen verwisselen ............................................................................... Bandenspanning .................................................................................. Gevarendriehoek en EHBO-set*........................................................... Provisorische bandenreparatie (TMK)* ................................................
WIELEN EN BANDEN
07 Wielen en banden Algemene informatie Rijeigenschappen Banden zijn van grote invloed op de rijeigenschappen van de auto. Zowel het type, de maat, de bandenspanning als de snelheidsklasse zijn belangrijk voor het rijgedrag van de auto. schappen van de auto af en kunnen de banden regen, sneeuw en drab minder goed afvoeren. Nieuwe banden Monteer de banden met het diepste profiel altijd op de achteras (om het gevaar voor slippen te verminderen). N.B.
07 Wielen en banden Algemene informatie De juiste bandenspanning levert een gelijkmatiger slijtage op, zie pagina 328. De rijstijl, de bandenspanning, het klimaat en de staat van de wegen zijn van invloed op de snelheid waarmee de banden verouderen en slijten. Om verschillen in profieldiepte te voorkomen en slijtpatronen tegen te gaan kunt u de wielen op de voor- en achteras onderling van plaats verwisselen. Voer de eerste wissel na ca. 5000 km uit en doe dat daarna om de 10.000 km opnieuw.
07 Wielen en banden Algemene informatie Gereedschap Winterbanden Gereedschap, terugplaatsen Volvo adviseert winterbanden met bepaalde afmetingen. De bandenmaat is afhankelijk van de motorvariant. Gebruik altijd het juiste type winterbanden op alle vier de wielen. N.B. G029336 Volvo adviseert u contact op te nemen met een erkende Volvo-werkplaats voor advies over de beste soort velgen en banden. Onder de vloer in de bagageruimte vindt u het sleepoog van de auto, de krik* en de wielsleutel*.
07 Wielen en banden Algemene informatie Sneeuwkettingen gebruiken 7 Velgbreedte in inch Het gebruik van sneeuwkettingen is alleen toegestaan op de voorwielen (geldt ook voor modellen met voorwielaandrijving). J Profiel velgrand 16 Rijd nooit sneller dan 50 km/h met sneeuwkettingen. Rijd evenmin op sneeuwvrije wegen, omdat zowel de sneeuwkettingen als de banden daardoor overmatig slijten.
07 Wielen en banden Algemene informatie De gesteldheid van het wegdek is bepalend voor de maximumsnelheid en niet de snelheidsklasse op de banden. N.B. De aangegeven snelheid in de tabel is de maximumsnelheid. Q 160 km/h (alleen voor winterbanden) T 190 km/h H 210 km/h V 240 km/h W 270 km/h Y 300 km/h WAARSCHUWING 07 324 De auto moet worden uitgerust met banden die minimaal de gespecificeerde lastindex (LI) en snelheidsklasse (SS) hebben.
07 Wielen en banden Wielen verwisselen Verwijderen Zet een gevarendriehoek zie pagina 329 op, als u een wiel langs een drukke weg moet verwisselen. Zorg ervoor dat de auto en de krik* op een stevige en horizontale ondergrond staan. 1. Haal de parkeerrem aan en schakel de achteruitversnelling in of zet de keuzehendel in stand P, als de auto een automatische versnellingsbak heeft. 3. Plaats wielblokken voor en achter de wielen die op de grond blijven staan.
07 Wielen en banden Wielen verwisselen omlaag dat de voet plat tegen de grond aankomt. 3. Breng de auto zo ver omlaag dat het wiel niet meer ongehinderd kan draaien. WAARSCHUWING Kruip nooit onder de auto als deze op de krik staat. Laat eventuele passagiers uit de auto stappen, voordat u de auto opkrikt. Parkeer de auto dusdanig dat de auto en liever nog een vangrail u en eventuele uitgestapte passagiers afschermen van het verkeer op de rijbaan.
07 Wielen en banden Wielen verwisselen BELANGRIJK Rijd nooit sneller dan 80 km/h bij gebruik van een compact reservewiel. BELANGRIJK Rijd nooit met meer dan één compact reservewiel (Temporary Spare) tegelijk. Het reservewiel ligt met de buitenkant omlaag in de ruimte voor het reservewiel. Dezelfde doorloopbout waarmee het blok schuimrubber vastzitten houdt ook het reservewiel in positie. Het blok schuimrubber bevat al het gereedschap. Reservewiel erbij nemen 1.
07 Wielen en banden Bandenspanning Bandenspanning Brandstofbesparing, ECObandenspanning Voor een zo laag mogelijk brandstofverbruik wordt geadviseerd de aangegeven bandenspanning (zowel bij maximale als lichte belading) aan te houden bij snelheden tot 160 km/h. Bandenspanning controleren G021830 Controleer iedere maand de bandenspanning.
07 Wielen en banden Gevarendriehoek en EHBO-set* Gevarendriehoek De gevarendriehoek is met twee clips aan de binnenkant van het kofferdeksel bevestigd. Haal de houder met de gevarendriehoek los door de twee kliksluitingen naar buiten te trekken. Neem de gevarendriehoek uit de houder, klap de driehoek uit en bevestig de twee losse zijden aan elkaar. Klap de steunpoten van de gevarendriehoek uit. Volg de geldende bepalingen voor het gebruik van een gevarendriehoek.
07 Wielen en banden Provisorische bandenreparatie (TMK)* Algemene informatie N.B. Overzicht De bandenreparatieset is uitsluitend bedoeld voor het afdichten van banden met een lek in het loopvlak. De bandenreparatieset leent zich minder goed voor banden met een gat in het zijvlak. Probeer geen banden met de provisorische bandenreparatieset af te dichten die grote groeven, scheuren en dergelijke vertonen.
07 Wielen en banden Provisorische bandenreparatie (TMK)* Lekke band repareren WAARSCHUWING Het afdichtmiddel kan aanleiding geven tot huidirritatie. Was bij huidcontact het getroffen gebied onmiddellijk schoon met water en zeep. 3. Controleer of de knop in stand 0 staat en neem de kabel en de luchtslang erbij. N.B. Voor het gebruik de verzegeling van de bus niet verbreken. Bij het indraaien van de bus wordt de verzegeling automatisch verbroken. 4.
07 Wielen en banden Provisorische bandenreparatie (TMK)* BELANGRIJK Er bestaat gevaar voor oververhitting. De compressor mag niet langer dan 10 minuten achtereen werken. 10. Schakel de compressor uit om de bandenspanning van de manometer af te lezen. De bandenspanning dient minimaal 1,8 bar en maximaal 3,5 bar te bedragen. (Laat eventueel lucht ontsnappen met het drukreduceerventiel, als de bandenspanning te hoog is.) WAARSCHUWING Als de bandenspanning lager is dan 1,8 bar, is het gat in de band te groot.
07 Wielen en banden Provisorische bandenreparatie (TMK)* Band oppompen De compressor is berekend op het oppompen van de originele banden die op de auto zitten. 1. De compressor moet uitstaan. Zorg dat de knop in stand 0 staat en neem de kabel en de luchtslang erbij. 2. Draai het ventieldopje van het wiel los en schroef de ventielaansluiting van de luchtslang zo ver mogelijk op het ventiel van de band. WAARSCHUWING Inademen van uitlaatgassen kan levensgevaarlijk zijn.
Motorruimte.......................................................................................... Gloeilampen.......................................................................................... Wisserbladen en ruitensproeiervloeistof............................................... Accu...................................................................................................... Zekeringen............................................................................................ Verzorging.
ONDERHOUD EN SERVICE
08 Onderhoud en service Motorruimte Algemene informatie Serviceprogramma van Volvo Om de verkeersveiligheid, bedrijfszekerheid en betrouwbaarheid van de auto op een hoog peil te houden, dient u de voorschriften van het Serviceprogramma van Volvo op te volgen zoals die omschreven staan in het Service- en garantieboekje van Volvo. Volvo adviseert u om service- en onderhoudswerkzaamheden over te laten aan een erkende Volvo-werkplaats.
08 Onderhoud en service Motorruimte Motorruimte, overzicht Vulopening voor ruitensproeiervloeistof Luchtfilter WAARSCHUWING G010951 De spanning en het vermogen van het ontstekingssysteem zijn zeer hoog. De spanning in het ontstekingssysteem is levensgevaarlijk. Houd de transpondersleutel altijd in stand 0 bij werkzaamheden in de motorruimte, zie pagina 79. Haal de borghaak naar links om de motorkap te openen. (De borghaak zit tussen de koplamp en de grille zoals afgebeeld.
08 Onderhoud en service Motorruimte Voor ritten onder ongunstige omstandigheden, zie pagina 384. BELANGRIJK Om aan de vereisten voor de gespecificeerde service-intervallen te voldoen worden alle motoren in de fabriek gevuld met een speciaal aangepaste, synthetische motorolie. De oliesoort werd met grote zorg geselecteerd lettend op de levensduur van de motor, de startgewilligheid, het brandstofverbruik en de milieu-impact.
08 Onderhoud en service Motorruimte ver onder staat, moet u wellicht meer bijvullen. Motor met elektronische oliepeilaanduiding3 6. Als u het peil daarna nogmaals wenst te controleren, moet u dat na enige tijd rijden doen. Herhaal vervolgens de stappen 1–4. G021737 WAARSCHUWING De olie moet tussen het MIN- en MAX-streepje staan. Peil meten en zo nodig corrigeren Vul nooit bij tot boven de MAX-aanduiding. De olie mag nooit boven MAX of onder MIN staan om motorschade tegen te gaan.
08 Onderhoud en service Motorruimte BELANGRIJK Vul bij het verschijnen van de melding Oliepeil laag 0,5 l bijvullen slechts 0,5 liter bij. 2. Draai het duimwiel op de linker stuurhendel naar stand Motoroliepeil Een ogenblik.... > Vervolgens verschijnt informatie over het motoroliepeil. N.B. Melding en grafische weergave op display. Het systeem detecteert het oliepeil alleen tijdens het rijden.
08 Onderhoud en service Motorruimte Koelvloeistof Voor de aan te houden hoeveelheden en de aanbevolen vloeistofkwaliteit, zie pagina 386. Peil controleren en bijvullen BELANGRIJK • Hoge concentraties chloor, chloriden en andere zoutverbindingen kunnen aanleiding geven tot corrosie in het koelsysteem. • Gebruik altijd een koelvloeistof met roestwerende eigenschappen volgens de aanbevelingen van Volvo.
08 Onderhoud en service Motorruimte Rem- en koppelingsvloeistof Bijvullen Stuurbekrachtigingsvloeistof Peil controleren De rem- en koppelingsvloeistof zitten in hetzelfde reservoir. De vloeistof moet tussen het MIN- en MAX-streepje staan die aan de buitenkant van het reservoir zichtbaar zijn. Controleer het peil regelmatig. Ververs de remvloeistof om de twee jaar of iedere tweede geplande servicebeurt. Voor de aan te houden hoeveelheden en de aanbevolen kwaliteit van de remvloeistof, zie pagina 386.
08 Onderhoud en service Gloeilampen Algemene informatie Alle gloeilampen van de auto zijn vermeld, zie pagina 349. Gloeilampen en andere lichtbronnen van een bijzonder type of lampen die alleen in een werkplaats te vervangen zijn te vinden in: BELANGRIJK WAARSCHUWING Raak het glas van de gloeilampen nooit met blote vingers aan. De vetten en oliën op uw vingers kunnen door de hitte verdampen. Dit zorgt voor aanslag op de reflector, waardoor deze al snel kapotgaat.
08 Onderhoud en service Gloeilampen 4. Til het koplamphuis naar buiten en leg het op een zachte ondergrond om krassen op de lens te voorkomen. Afdekking verwijderen Dimlicht, halogeen 5. Vervang de kapotte gloeilamp. Koplamphuis bevestigen G021745 2. Plaats het koplamphuis terug en breng de borgpennen aan. Controleer of u ze op de juiste manier hebt ingebracht. 3. Controleer de verlichting.
08 Onderhoud en service Gloeilampen G021749 G021747 Stadslichten vóór en achterlichten G021748 Verstralers, ABL-koplampen* Groot licht, halogeen 1. Haal het koplamphuis los. 1. Haal het koplamphuis los. 1. Haal het koplamphuis los. 2. Verwijder de afdekking, zie pagina 344 2. Verwijder de afdekking, zie pagina 344. 2. Verwijder de afdekking, zie pagina 344. 3. Haal de gloeilamp los door deze rechtsom te draaien en vervolgens recht naar buiten te trekken 3.
08 Onderhoud en service Gloeilampen Richtingaanwijzers/knipperlichten Sidemarker Plaats de onderdelen in omgekeerde volgorde terug. 2. Verwijder de kleine, ronde afdekking. 3. Trek aan de lamphouder om de gloeilamp tevoorschijn te halen. 4. Trek de kapotte gloeilamp los en breng de nieuwe aan. U kunt hem slechts op één manier terugplaatsen. 5. Breng de lampvoet in de lamphouder aan en duw de lamp aan totdat u een klik hoort. 6. Plaats de afdekking terug.
08 Onderhoud en service Gloeilampen 6. Plaats de gloeilamphouder terug. Zorg dat het opschrift TOP op de gloeilamphouder omhoogwijst. 5. Druk de lamphouder in positie en plaats het luikje terug. Mistachterlicht (een zijde) Achteruitrijlicht N.B. Achterlamphuis Als een foutmelding niet verdwijnt nadat de kapotte gloeilamp is vervangen, dan wordt u geadviseerd een erkende Volvo-werkplaats te bezoeken.
08 Onderhoud en service Gloeilampen Kentekenplaatverlichting Kofferbakverlichting Verlichting make-upspiegel 1. Draai de boutjes los met een schroevendraaier. 2. Haal voorzichtig het complete gloeilamphuis los en trek het naar buiten. 3. Vervang de gloeilamp. 4. Plaats het complete gloeilamphuis terug en draai de boutjes vast. G021758 G021756 Spiegelglas verwijderen 1. Steek een schroevendraaier achter het lamphuis en wrik deze iets heen en weer, zodat het lamphuis loskomt. 2. Vervang de gloeilamp.
08 Onderhoud en service Gloeilampen 2. Duw vervolgens de onderste drie nokjes vast. Specificatie gloeilampen Verlichting WA Type Dimlicht, halogeen 55 H7 LL Groot licht, halogeen 65 Verstralers, ABL 55 H7 LL Richtingaanwijzers voorzijde 21 H21W LL Stadslichten/ parkeerlichten vóór 5 Sidemarkers voor 5 W5W LL Mistlampen voorzijde 35 H8 Zijrichtingaanwijzers, buitenspiegels 5 WY5W LL Verlichting dashboardkastje 5 Lampvoet SV8.
08 Onderhoud en service Wisserbladen en ruitensproeiervloeistof Wisserbladen Servicestand Wisserbladen vervangen Haal de wisserarm van de ruit af. Druk op de knop die op de wisserbladhouder zit en trek het wisserblad evenwijdig aan de wisserarm los. Duw het nieuwe wisserblad zo ver naar binnen dat u een klik hoort. Controleer of het blad goed vastzit. 1. Zet de transpondersleutel in sleutelstand 0, zie pagina 79, maar laat de transpondersleutel in het contactslot zitten. 2. Duw de rechter stuurhendel ca.
08 Onderhoud en service Wisserbladen en ruitensproeiervloeistof BELANGRIJK Controleer de wisserbladen regelmatig. Bij achterstallig onderhoud gaan de wisserbladen minder lang mee. Vulopening voor ruitensproeiervloeistof De sproeiers van de voorruit en de koplampen staan in verbinding met hetzelfde vloeistofreservoir. BELANGRIJK Gebruik in de winter sproeiervloeistof met antivries, zodat de vloeistof niet vastvriest in pomp, reservoir en slangen. 08 Voor de hoeveelheden, zie pagina 386.
08 Onderhoud en service Accu Gebruik De rijomstandigheden, de rijstijl, het aantal startpogingen, de weersomstandigheden e.d. zijn van invloed op de levensduur en de werking van de accu. • Koppel de startaccu nooit los, terwijl de motor loopt. • Controleer of de kabels van de startaccu op de juiste manier zijn aangesloten en stevig vastzitten. WAARSCHUWING • • • 08 352 De startaccu kan het zeer explosieve knalgas produceren.
08 Onderhoud en service Accu Symbolen op de accu Vermijd vonken en open vuur. Draag een veiligheidsbril. Explosiegevaar. Zie voor meer informatie het instructieboekje dat bij de auto hoort. Startaccu vervangen Demonteren Om te beginnen: Neem de transpondersleutel uit het contactslot en wacht ten minste 5 minuten, voordat u een van de elektrische aansluitingen aanraakt – zo kan de informatie in het elektrische systeem van de auto worden opgeslagen in de verschillende regeleenheden.
08 Onderhoud en service Accu Haal de rubber strip los om de achterste afdekking bloot te leggen. Monteren Neem de achterste afdekking los door deze een kwartslag te verdraaien en vervolgens op te tillen. WAARSCHUWING De plus- en minkabels in de juiste volgorde loskoppelen en/of aansluiten. 1. Laat de accu in de accubak zakken. Koppel de zwarte minkabel los. Koppel de rode pluskabel los. Koppel de ontluchtingsslang van de accu los. Draai het boutje los waarmee de accuklem vastzit.
08 Onderhoud en service Accu Voor meer informatie over de startaccu van de auto - zie pagina 393 Accu Eco Start/Stop DRIVe* KoudestartvermogenA, CCA (A) 760 AfmetingenD, l×b×h (mm) 278×175×190 Capaciteit (Ah) 70 Een auto met Start/Stop-systeem is voorzien van twee 12V-accu’s – één extra krachtige startaccu en een hulpaccu die gebruikt wordt voor de startprocedure middels het Eco Start/Stop DRIVe-systeem. Voor meer informatie over Start/Stop - zie pagina 126.
08 Onderhoud en service Accu Locatie accu’s BELANGRIJK Bij het negeren van het volgende valt het Start/Stop-systeem mogelijk tijdelijk uit na aansluiting van een externe startaccu of acculader: • A: Auto met stuur links. B: Auto met stuur rechts. 1. Startaccu3. 2. Hulpaccu. De hulpaccu vergt doorgaans niet meer service dan de normale startaccu. Neem bij vragen of problemen contact op met een werkplaats geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
08 Onderhoud en service Zekeringen Algemene informatie Om te voorkomen dat de elektrische systemen van de auto beschadigd raken door kortsluiting of overbelasting, worden alle verschillende elektrische functies en onderdelen door een aantal zekeringen beschermd. Als een van de elektrische onderdelen of functies niet werkt, is het mogelijk dat de bijbehorende zekering overbelast werd en daardoor gesmolten is.
08 Onderhoud en service Zekeringen Motorruimte 08 358
08 Onderhoud en service Zekeringen Algemene informatie over de zekeringen in de motorruimte Functie A Functie A Aan de binnenkant van het deksel zit een speciale trekker waarmee u de zekeringen gemakkelijker kunt verwijderen en aanbrengen.
08 Onderhoud en service Zekeringen Functie A Functie A Functie A Motorregelmodule, transmissieregelmodule, airbags 10 15 Kleppen (1,6 l benzine), luchtmassameter (1,6 l benzine) 10 Elektrisch verwarmde sproeikoppen* 10 Compressor A/C (niet 5-cil. diesel), koelvloeistofpomp (5cil.diesel Start/Stop) 5 Relaisspoel relais vacuümpomp (5-cil. benzine) 5 Relaisspoel compressor A/C (niet 5-cil. diesel), relaisspoel relais koelvloeistofpomp (5-cil.
08 Onderhoud en service Zekeringen Functie A Functie A Lambdasondes (4-cil. benzine), lambdasonde (diesel), regelmodule radiateurafdekking (handgeschakelde 5-cil. 2,0 liter diesel) 10 Koelventilator (4-cil., 5-cil. benzine) 60 Koelventilator (6-cil. benzine, 5cil. diesel) 80 EVAP-klep (5-, 6-cil. benzine), lambdasondes (5-, 6-cil. benzine) 15 Elektrohydraulische stuurbekrachtiging 100 Koelvloeistofpomp (1.6 liter benzine Start/Stop) 10 Vacuümpomp (5-cil.
08 Onderhoud en service Zekeringen Onder dashboardkastje Posities Aan de binnenkant van het deksel zit een sticker met de positie van de verschillende zekeringen in zekeringhouder A. Houder A 08 Functie Hoofdzekering voor audioregelmodule*, hoofdzekering voor de zekeringen 16–20 - 362 A 40 Houder A Functie A - - - - Analoge klok* 5 - - 12V-aansluiting kofferbak*, koelkast* - * Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
08 Onderhoud en service Zekeringen Houder A Functie A Bedieningspaneel achterste passagiersportier links 20 Keyless* 20 Elektrisch bedienbare bestuurdersstoel* 20 Elektrisch bedienbare passagiersstoel* 20 Omklapbare hoofdsteunen* 15 Regelmodule Infotainment 5 Audioregelmodule* 10 Digitale radio*, tv* Audiosysteem 15 Telematica*, Bluetooth* 5 Rear Seat Entertainment (RSE)* 7,5 Houder A Functie A Schuifdak*, interieurverlichting plafond, klimaatsensor 5 12V-aansluiting middenconsol
08 Onderhoud en service Zekeringen Houder B Functie Stuurwieleenheid Centrale vergrendeling tankvulklep - A 7,5 10 - Ruitenwissers 15 Ontgrendelen kofferdeksel 10 - - Brandstofpomp 20 Bedieningspaneel klimaatregeling 5 Stuurslot 15 Sirene alarm*, diagnoseaansluiting OBDII 5 - - Airbags 10 Collision Warning 5 08 364 * Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
08 Onderhoud en service Zekeringen Kofferbak/bagageruimte Het kastje zit achter de bekleding aan de linkerzijde. Posities Functie A Elektrische parkeerrem links 30 Elektrische parkeerrem rechts 30 Elektrisch verwarmde achterruit 30 Trekhaakaansluiting 2* 15 Functie A Functie A - - - - - - - - - - Trekhaakaansluiting 1* - - - 40 08 `` * Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
08 Onderhoud en service Zekeringen Koude zone motorruimte – Start/Stop* Positie van de zekeringen voor het Start/Stop-systeem. • De zekeringen A1 en A2 zijn van het type “MEGA Fuse” en mogen alleen door een werkplaats worden vervangen2. • De zekeringen 1–11 zijn van het type “MidiFuse” en mogen alleen door een werkplaats worden vervangen2. • Zekeringen 12 is van het type “MiniFuse”. Voor meer informatie over Start/Stop - zie pagina 126. 08 2 366 Geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
08 Onderhoud en service Zekeringen Functie A Functie A Hoofdzekering voor centrale elektronicamodule (CEM) met zekeringhouder B onder dashboardkastje 50 Hulpaccu 70 Centrale elektronicamodule (CEM) (referentiespanning hulpaccu) 15 Hoofdzekering voor relais- en zekeringhouder in passagiersruimte met zekeringhouder A onder dashboardkastje 60 Hoofdzekering voor relais- en zekeringhouder in passagiersruimte met zekeringhouder A onder dashboardkastje 60 Hoofdzekering voor relais- en zekeringhouder
08 Onderhoud en service Verzorging Auto wassen BELANGRIJK Was de auto zodra deze vuil geworden is. Zorg dat de auto op een spoelvloer met olieafscheider staat. Gebruik autoshampoo. Vuile koplampen werken minder goed. Maak ze daarom regelmatig schoon, tijdens het tanken bijvoorbeeld. • Verwijder vogelpoep zo spoedig mogelijk van de lak. Vogelpoep bevat namelijk stoffen die de lak aantasten en deze zeer snel doen verkleuren.
08 Onderhoud en service Verzorging Remmen testen WAARSCHUWING Test na het wassen van de auto altijd de remmen (en dus ook de handrem) om te voorkomen dat vocht en corrosie de remblokken aantasten, waardoor de remwerking afneemt. Trap zo nu en dan lichtjes op het rempedaal, als u lange afstanden in de regen of sneeuwmodder aflegt. Door de wrijving worden de remblokken warm, zodat het vocht verdampt. Doe hetzelfde bij zeer vochtig of koud weer.
08 Onderhoud en service Verzorging Waterafstotende laag* Gebruik nooit producten zoals autowas, ontvetters e.d. op het glasoppervlak, omdat de waterafstotende laag daardoor beschadigd kan raken. Wees voorzichtig bij het schoonmaken om te voorkomen dat er krassen in het glasoppervlak ontstaan. Om schade aan het glas te voorkomen dient u voor het verwijderen van ijs alleen een krabber van kunststof te gebruiken. De waterafstotende laag staat bloot aan natuurlijke slijtage.
08 Onderhoud en service Verzorging Behandeling van vlekken op leren bekleding De leren bekleding van Volvo is chroomvrij en is behandeld om de bekleding in oorspronkelijke staat te bewaren. Naarmate leren bekleding ouder wordt, krijgt het een fraai patina. Het leer wordt veredeld en bewerkt zodat het zijn natuurlijke eigenschappen houdt. Het leer is voorzien van een beschermende toplaag, maar om de goede eigenschappen en het fraaie uiterlijk te behouden is regelmatige verzorging van het leer vereist.
08 Onderhoud en service Verzorging Groep 3 (vuil, stof in droge vorm) Geringe lakschade herstellen 1. Gebruik een zachte borstel om het vuil te verwijderen. De lak vormt een belangrijk onderdeel van de roestwering van de auto en moet daarom regelmatig worden gecontroleerd. Om roestvorming te voorkomen moet u lakschade direct herstellen. De meest voorkomende soorten lakschade zijn bijvoorbeeld steenslagplekken, krassen en plekjes op de spatbordranden en portieren.
08 Onderhoud en service Verzorging fer aan. Breng de lak met een kwastje aan, wanneer de primer droog is. 3. Krassen kunt u op dezelfde manier herstellen, maar dek ter bescherming de onbeschadigde lak rond de kras af. 4. Poets de herstelde lak na enkele dagen op. Gebruik daarvoor een zachte doek met een geringe hoeveelheid schuurpasta. N.B.
Type-aanduidingen............................................................................... Maten en gewichten.............................................................................. Motorspecificaties................................................................................. Motorolie............................................................................................... Vloeistoffen en smeermiddelen............................................................. Brandstof.............
SPECIFICATIES
09 Specificaties 09 Type-aanduidingen Positie van stickers en plaatjes 376
09 Specificaties Type-aanduidingen Wanneer u contact opneemt met uw erkende Volvo-werkplaats of vervangende onderdelen of accessoires wilt bestellen, kan het handig zijn om de type-aanduiding, het chassisnummer en het motornummer bij de hand te hebben. Type-aanduiding, chassisnummer, maximaal toelaatbaar gewicht, kleurcodes voor lak en bekleding en typegoedkeuringsnummer. Bij het openen van het rechter achtportier is de sticker zichtbaar. 09 N.B.
09 Specificaties 09 Maten en gewichten Maten Maten A 378 Wielbasis mm Maten 2835 B Lengte 4851 C Laadlengte, vloer, achterbank neergeklapt 1927 D Laadlengte, vloer 1094 E Hoogte 1493 F Laadhoogte G Spoorbreedte vooras mm H Spoorbreedte achteras 1585A I Laadbreedte, vloer J Breedte 1130 1861 (1876C) A B C mm K Breedte incl. buitenspiegels 2106 L Breedte incl.
09 Specificaties Maten en gewichten Gewichten Inbegrepen bij het rijklaar gewicht zijn het gewicht van de bestuurder, dat van de brandstoftank die voor 90 % gevuld is en dat van de resterende oliën/vloeistoffen. Het gewicht van de passagiers en de gemonteerde accessoires alsmede de kogeldruk (bij gebruik van een aanhanger (zie tabel op pagina 380)) zijn van invloed op het laadvermogen en zijn niet inbegrepen bij het rijklaar gewicht. Toelaatbare maximumbelading = totaalgewicht – rijklaar gewicht. 09 N.B.
09 Specificaties 09 Maten en gewichten Trekgewicht en kogeldruk 1800 kg wordt een trillingsdemper op de trekhaak geadviseerd. N.B. Voor aanhangers/caravans zwaarder dan 380 Motor Versnellingsbak Max. gewicht geremde aanhanger (kg) Max. kogeldruk (kg) Alle 2.0TA Alle 1200 50 2.5TA Automaat, MPS6 1800 90 2.
09 Specificaties Maten en gewichten A B C D Motor Versnellingsbak Max. gewicht geremde aanhanger (kg) Max. kogeldruk (kg) DRIVe Handgeschakeld, MMT6 1300 75 D3 Handgeschakeld, M66 1600 75 D3 Automaat, TF-80SCC 1600 75 D3 Automaat, TF-80SDD 1600 75 D5 Handgeschakeld, M66 1600 75 D5 Automaat, TF-80SC 2000 90 D5 AWD Automaat, TF-80SC 2000 90 09 Bepaalde markten. DRIVe voor bepaalde markten. Zonder Start/Stop. Met Start/Stop. Max. gewicht ongeremde aanhanger (kg) 750 Max.
09 Specificaties 09 Motorspecificaties Motorspecificaties N.B. Niet alle motoren zijn verkrijgbaar op alle markten. MotorcodeA Vermogen (kW bij omw/min) Vermogen (pk bij omw/min) Motorkoppel (Nm bij omw/min) Aantal cilinders Cilinderboring (mm) Slaglengte (mm) Slagvolume (liter) Compressieverhouding 2.0TB B4204T6 149/6000 203/6000 300/1750– 4000 4 87,5 83,1 1,999 10,0:1 2.
09 Specificaties Motorspecificaties A B C D E Motor MotorcodeA Vermogen (kW bij omw/min) Vermogen (pk bij omw/min) Motorkoppel (Nm bij omw/min) Aantal cilinders Cilinderboring (mm) Slaglengte (mm) Slagvolume (liter) Compressieverhouding DRIVe D4162T 84/3600 115/3600 270/1750– 2500 4 75 88,3 1,560 16,0:1 D3 D5204T3 120/3500 163/3500 400/1500– 2750 5 81,0 77 1,984 16,5:1 D5 D5244T11D 158/4000 215/4000 420/1500– 3250 5 81,0 93,15 2,400 16,5:1 D5 D5244T15E 158/4000 2
09 Specificaties 09 Motorolie Ongunstige rijomstandigheden In ongunstige rijomstandigheden kunnen de olietemperatuur en het olieverbruik abnormaal toenemen. Hier volgen enkele voorbeelden van ongunstige rijomstandigheden. Controleer het oliepeil vaker bij lange ritten: • met een caravan of aanhanger achter de auto • in bergachtig gebied • op hoge snelheden • in temperaturen lager dan –30 °C of hoger dan +40 °C Het bovenstaande geldt ook tijdens kortere ritten bij lage temperaturen.
09 Specificaties Motorolie 09 Motoroliekwaliteit Motor Motorcode Aanbevolen oliekwaliteit Hoeveelheid, incl. oliefilter (liter) 2.5TA B5254T10 Oliekwaliteit: ACEA A5/B5 ca 5,5 3.2 B6324S5 Viscositeit: SAE 0W-30 ca 6,8 T6 B6304T4 ca 6,8 D3 D5204T3 ca 5,9 D5 D5244T11B ca 5,9 D5 D5244T15C ca 5,9 2.
09 Specificaties 09 Vloeistoffen en smeermiddelen Overige vloeistoffen en smeermiddelen Handgeschakelde versnellingsbak Hoeveelheid (liter) MMT6 1,7 M66 1,9 Voorgeschreven versnellingsbakolie BOT 350M3 Automatische versnellingsbak Voorgeschreven versnellingsbakolie MPS6 7,3 BOT 341 TF-80SC 7,0 AW1 TF-80SD 7,0 AW1 Vloeistof Systeem Koelvloeistof 2.0T, T5 10,5 2.5T, 3.
09 Specificaties Vloeistoffen en smeermiddelen Vloeistof Systeem Stuurbekrachtigingsvloeistof Stuurbekrachtiging Ruitensproeiervloeistof Auto’s met koplampsproeiers 6,5 Auto’s zonder koplampsproeiers 4,5 Brandstof A B C D Hoeveelheid (liter) - 09 Voorgeschreven kwaliteit WSS M2C204-A2 of een vergelijkbaar product. Door Volvo aanbevolen sproeiervloeistof, met antivries bij koud weer en onder het vriespunt. Benzinemotor ca. 70 Benzine: zie pagina 301 Dieselmotor ca.
09 Specificaties 09 Brandstof CO2-uitstoot en brandstofverbruik A 388 B C 2.5T 299 12,8 151 6,5 206 8,8 2.5T 339 14,5 166 7,1 229 9,8 T4FA - - - - - - T4FA - - - - - - T4B - - - - - - T4B - - - - - - T5 256 11,0 142 6,1 184 7,9 T5 265 11,4 152 6,5 193 8,3 3.2 305 13,1 153 6,6 208 8,9 3.
09 Specificaties Brandstof A A B C D B 09 C T6 AWD 337 14,5 170 7,3 231 9,9 DRIVe 140 5,3 106 4,0 119 4,5 D3 162 6,2 110 4,2 129 4,9 D3C 214 8,1 126 4,8 158 6,0 D3D 187 7,1 125 4,7 148 5,6 D5 160 6,1 111 4,2 129 4,9 D5 219 8,4 124 4,7 159 6,1 D5 AWD 224 8,6 134 5,1 167 6,4 FlexiFuel-motoren kunnen op zowel loodvrije benzine (95 RON) als op bio-ethanol (E85) rijden.
09 Specificaties Brandstof 09 C = combinatierit N.B. Als de gegevens over brandstofverbruik en emissie ontbreken, staan deze in het bijgeleverde supplement. • Uw rijstijl. • De grotere rolweerstand als u kiest voor grotere wielen dan de standaardwielen op de basisuitvoering van het model. • De grotere luchtweerstand bij hogere snelheden.
09 Specificaties Wielen en banden, maten en spanning 09 Goedgekeurde bandenspanningswaarden Motor Bandenmaat Snelheid Max.
09 Specificaties Wielen en banden, maten en spanning 09 Motor Bandenmaat Snelheid 225/55 R 16 T4F 225/50 R 17 2.0TC 245/45 R 17 2.5TC T5 205/60 R 16 DRIVe 245/40 R 18 Max. belading ECO-bandenspanningA Voor Achter Voor Achter Voor/achter (kPa)B (kPa) (kPa) (kPa) (kPa) 0–160 220 210 260 260 260 160 + 260 260 270 270 - 0–160 230 210 260 260 260 160 + 260 260 270 270 - max.
09 Specificaties Elektrisch systeem Elektrisch systeem Op de auto zit een wisselstroomdynamo met spanningsregelaar. Het elektrische systeem is enkelpolig en gebruikt het chassis en het motorblok als geleiders. De accucapaciteit is afhankelijk van de uitrusting op de auto. 09 BELANGRIJK Let er bij het vervangen van de accu op, dat de nieuwe accu dezelfde koudestartcapaciteit en reservecapaciteit als de originele accu heeft (zie sticker op de accu).
09 Specificaties 09 Typegoedkeuring Afstandsbedieningssysteem Land A, B, CY, CZ, D, DK, E, EST, F, FIN, GB, GR, H, I, IRL, L, LT, LV, M, NL, P, PL, S, SK, SLO IS, LI, N, CH HR 394 ROK Hierbij verklaart Delphi dat het gebruikte transpondersleutelsysteem in overeenstemming is met de essentiële eigenschappen en overige relevante bepalingen zoals beschreven in de EU-richtlijn 1999/5/EG.
09 Specificaties Typegoedkeuring 09 Bluetooth Verklaring van overeenstemming (Declaration of Conformity) Land Landen binnen de EU: Exportland: Japan Producent: Alpine Electronics Inc. Type uitrusting: Bluetooth-eenheid Breng voor meer informatie een bezoek aan http://ec.europa.eu/enterprise/rtte/faq.
09 Specificaties 09 Typegoedkeuring Land 396 Tsjechië: Alpine Electronics, Inc. tímto prohlašuje, že tento Bluetooth Module je ve shodě se základními požadavky a dalšími příslušnými ustanoveními směrnice 1999/5/ES. Denemarken: Undertegnede Alpine Electronics, Inc. erklærer herved, at følgende udstyr Bluetooth Module overholder de væsentlige krav og øvrige relevante krav i direktiv 1999/5/EF. Duitsland: Hiermit erklärt Alpine Electronics, Inc.
09 Specificaties Typegoedkeuring 09 Land Estland: Käesolevaga kinnitab Alpine Electronics, Inc. seadme Bluetooth Module vastavust direktiivi 1999/5/EÜ põhinõuetele ja nimetatud direktiivist tulenevatele teistele asjakohastele sätetele. GrootBrittannië: Hereby, Alpine Electronics, Inc., declares that this Bluetooth Module is in compliance with the essential requirements and other relevant provisions of Directive 1999/5/EC. Spanje: Por medio de la presente Alpine Electronics, Inc.
09 Specificaties 09 Typegoedkeuring Land 398 Hongarije: Alulírott, Alpine Electronics, Inc. nyilatkozom, hogy a Bluetooth Module megfelel a vonatkozó alapvetõ követelményeknek és az 1999/5/EC irányelv egyéb elõírásainak. Polen: Niniejszym Alpine Electronics, Inc. oświadcza, że Bluetooth Module jest zgodny z zasadniczymi wymogami oraz pozostałymi stosownymi postanowieniami Dyrektywy 1999/5/EC. Portugal: Alpine Electronics, Inc.
09 Specificaties Typegoedkeuring 09 Land China: कϝᴵǂ䖯ষ⫳ѻॖଚ݊ѻકⱘ䇈ᯢкՓ⫼ݠЁˈᑨߞॄϟ䗄᳝݇ݙᆍ˖ ᷛᯢ䰘ӊЁ᠔㾘ᅮⱘᡔᴃᣛᷛՓ⫼㣗ೈˈ䇈ᯢ᠔᳝ࠊǃ䇗ᭈঞᓔ݇ㄝՓ⫼ᮍ⊩˗ Ƶ Փ⫼乥⥛˖ *+] Ƶ ㄝᬜܼ䕤ᇘࡳ⥛ (,53 ˖㒓Ⲟ˘ G%L ᯊ˖싨 P: 싨 G%P ǂķ Ƶ ᳔ࡳ⥛䈅ᆚᑺ˖㒓Ⲟ˘ G%L ᯊ˖싨 G%P 0+] (,53 ķ Ƶ 䕑乥ᆍ䰤˖ SSP Ƶ ᴖᬷথᇘ 䕤ᇘ ࡳ⥛ ᇍᑨ䕑⊶f ֵס䘧ᏺᆑҹ ˖ • • • • • 싨 G%P N+] 0+] 싨 G%P N+] *+] 싨 G%P 0+] *+] 싨 G%P 0+] *+] 싨 G%P 0+] ݊ᅗ *+] ϡᕫ᪙㞾ᬍথᇘ乥⥛ǃࡴথᇘࡳ⥛ ࣙ
09 Specificaties 09 Typegoedkeuring Land Taiwan: ܅㧤ሽंᘿ୴ࢤሽᖲጥ䏺ऄรԼ㦕 รԼԲය ᆖীڤᎁᢞٽհפ܅୴᙮ሽᖲΔॺᆖױΔֆΕᇆࢨࠌ݁ृشլᖐ۞!᧢ޓ᙮ΕףՕפࢨ᧢ޓૠհࢤ֗פ౨Ζ รԼය פ܅୴᙮ሽᖲհࠌشլᐙଆڜ٤֗եឫٽऄຏॾΙᆖ࿇ڶեឫွழΔ!ᚨܛمೖشΔࠀޏ۟ྤեឫழֱᤉᥛࠌشΖছႈ ٽऄຏॾΔਐࠉሽॾऄࡳ!܂ᄐհྤᒵሽຏॾΖפ܅୴᙮ሽᖲႊٽ࠹ݴऄຏॾࢨՠᄐΕઝᖂ֗᠔᛭شሽं!ᘿ୴ࢤሽᖲໂհեឫΖ CCAB10LP0230T7 400
09 Specificaties Typegoedkeuring 09 Land ZuidKorea: 뇗빃 뇐ꚯ Volvo Car Korea 겛뙨녋 뤏麗 1 ,$0 9 뇗빃 ꑀ %OXHWRRWK $XGLR 1DYLJDWLRQ 5DGLR ꑣ鴳 ꑀ ,$0 ꩫ 驛뎗 0DUFK Alpine Electronics, Inc Made in Japan 際闘 뇐ꚯ Volvo Car Korea ꚷꚯ녋鶔뗣뤏ꍧ껿 끳겗 끤ꩫ霧 뼗驣 鶔 ꚷꚯꠇ黤 런 ꚷꚯ녋鶔뗣 際闘뫫 http://www.volvocars.
09 Specificaties 09 Typegoedkeuring Land Singapore: Verenigde Arabische Emiraten: Jordanië: The product that contains the Bluetooth module is approved with the following certification number. BT module certification number: TRC/LPD/2010/4. BT module name: IAM2.
09 Specificaties Typegoedkeuring 09 Land ZuidAfrika: Urugay: This product contains URSEC approved transmitter [module name and model name (IAM2.
09 Specificaties 09 Typegoedkeuring Land Jamaica: Approved for use in Jamaica SMA EI: IAM2.1 Thailand: This telecommunication equipment conforms to NTC technical requirement. Nigeria: Mexico: Waarschuwing "Este equipo opera a titulo secundario, consecuentemente, debe aceptar interferencias perjudiciales incluyendo equipos de la misma clase y puede no causar interferencias a sistemas operando a titulo primario.
09 Specificaties Typegoedkeuring 09 Land Botswana: Kroatië: 405
09 Specificaties 09 Displaysymbolen Algemene informatie Er worden tal van verschillende displaysymbolen gebruikt in de auto. De symbolen zijn onderverdeeld in waarschuwings-, controleen informatiesymbolen. Hier volgt een overzicht van de meest voorkomende symbolen met hun betekenis en een verwijzing naar de pagina(’s) in het boek waar u meer informatie kunt vinden. Voor meer informatie over de symbolen en displaymeldingen, zie pagina 72, 74 en 146.
09 Specificaties Displaysymbolen Betekenis Pagina Richtingaanwijzers links 72 Richtingaanwijzers rechts 72 DRIVe - Start/Stop* 72, 130 Symbool Overige informatiesymbolen op instrumentenpaneel Symbool Betekenis Pagina Adaptieve cruisecontrol* 178, 182, 188 Adaptieve cruisecontrol* 188 Adaptieve cruisecontrol*; afstandswaarschuwing* (Distance Alert) 188, 192 Adaptieve cruisecontrol*; afstandswaarschuwing* (Distance Alert) 188, 192 - Betekenis Pagina Adaptieve cruisecontrol* Betekenis
09 Specificaties 09 Displaysymbolen Symbool 408 Betekenis Pagina Driver Alert System* 208 Driver Alert System*; Lane Departure Warning* Informatiesymbolen op display plafondconsole Betekenis Pagina Gordelwaarschuwing 17 209, 211 Airbag passagiersstoel, geactiveerd 22, 23 Driver Alert System*; Lane Departure Warning* 211 Airbag passagiersstoel, gedeactiveerd 23 Driver Alert System*; Tijd voor pauze 209 * Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
09 Specificaties 09 409
10 Alfabetisch register A 10 A/V-AUX-ingang...................................... 282 Aanbevolen veiligheidzitjes, tabel.............. 33 Aanhanger............................................... 308 kabel................................................... 308 rijden met een aanhanger................... 308 Aanpassen, lichtbundel............................. 95 Aanrijding................................................... 30 Aanstekeropening....................................
10 Alfabetisch register Automatische versnellingsbak................. aanhanger........................................... handmatig schakelen (Geartronic)...... slepen en bergen................................ 120 309 121 314 Automatische wasstraten........................ 368 Auto wassen............................................ 368 AUX-ingang..................................... 234, 255 AWD, vierwielaandrijving......................... 133 B Banden bandenreparatie.................................
10 Alfabetisch register 10 C D E Camerasensor................................. 195, 202 DAB-radio................................................ 247 ECC, elektronische klimaatregeling......... 160 CD ........................................................... 250 Dagtellers................................................... 75 ECO-bandenspanning............................. 328 Chassisstanden....................................... 177 Dakbelasting, max. gewicht ....................
10 Alfabetisch register Entertainmentsysteem achterpassagiers 280 ETC, elektronische temperatuurregeling 161 Etiketten................................................... 376 Extra verwarming..................................... 172 Extra verwarming (diesel)......................... 172 F File-assistent............................................ 184 FlexiFuel................................................... 116 adaptatie.............................................
10 Alfabetisch register 10 In de was zetten....................................... 369 Intervalstand.............................................. 99 Klok, instellen............................................. 76 Informatiedisplays...................................... 71 iPod, aansluiting.................................... 255 Knipperlichten............................................ 92 Knippersignalen, PCC............................... 47 Informatie- en waarschuwingssymbolen...
10 Alfabetisch register lading op het dak................................ 304 verankeringsogen............................... 305 Meldingen op informatiedisplay............... 176 Lak kleurcode............................................ 372 schade en herstel............................... 372 Menu- en meldingsfuncties..................... 146 Lampen, zie Verlichting............................ 343 Lampjes................................................... 176 Lane Departure Warning....................
10 Alfabetisch register 10 O Park Assist............................................... 213 sensoren voor Park Assist.................. 215 DAB ................................................... 247 menusysteem .................................... 290 Olie, zie ook Motorolie............................. 384 Parkeerhulpcamera.................................. 216 Recirculatie.............................................. 165 Oliepeil laag.............................................
10 Alfabetisch register met een aanhanger............................. 308 met geopend kofferdeksel.................. 297 S Slepen...................................................... 314 sleepoog............................................. 315 Rijden met een aanhanger kogeldruk............................................ 379 trekgewicht......................................... 379 Safelock-functie......................................... 60 deactiveren...........................................
10 Alfabetisch register Stabiliteits- en tractieregelsysteem......... 175 10 Stabiliteitssysteem................................... 175 Stadslichten vóór en achterlichten............ 91 Standverwarming..................................... accu en brandstof............................... op een helling parkeren...................... tijd instellen......................................... 168 168 168 170 Startblokkering.......................................... 45 Starten met hulpaccu.....................
10 Alfabetisch register Temperatuur werkelijke temperatuur....................... 157 TV............................................................. 261 Temperatuurregeling............................... 164 Typegoedkeuring, transpondersleutelsysteem......................................................... 394 Theaterverlichting...................................... 94 Type-aanduidingen.................................. 376 Timer........................................................
10 Alfabetisch register 10 groot licht, halogeen........................... groot licht, xenonlamp........................ kentekenplaatverlichting..................... kofferbak............................................. make-upspiegel.................................. mistlampen vóór................................. richtingaanwijzer................................. sidemarker.......................................... stadslichten........................................
10 Alfabetisch register relais-/zekeringenkastje in motorruimte.................................................. 358 Start/Stop........................................... 366 vervangen........................................... 357 10 Zekeringenkastje..................................... 357 dashboardkastje................................. 362 Zekeringentabel zekeringen in motorruimte.................. 359 Zonnescherm........................................... 103 Zonnescherm, schuifdak.................
10 Alfabetisch register 10 422
Kdakd 8Vg 8dgedgVi^dc 51 %VUDI "5 1SJOUFE JO 4XFEFO (zUFCPSH $PQZSJHIU © 7PMWP $BS $PSQPSBUJPO