VOLVO S80 Instructieboekje Web Edition
BESTE VOLVO-BEZITTER, DANK U DAT U GEKOZEN HEBT VOOR VOLVO! Wij hopen dat u jarenlang rijplezier van uw Volvo zult hebben. Bij het ontwerp hebben veiligheid en comfort van u en uw passagiers vooropgestaan. Een Volvo is een van de veiligste auto’s ter wereld. Uw Volvo is ook ontworpen om aan alle geldende veiligheidsvoorschriften en milieueisen te voldoen.
Inhoud 00 01 02 4 00 Inleiding 01 Veiligheid Belangrijke informatie................................. 8 Volvo en het milieu.................................... 11 Veiligheidsgordels .................................... Airbags...................................................... Airbag activeren/deactiveren*................... SIPS-airbags (zij-airbags) ........................ Opblaasgordijnen (IC-systeem) ............... WHIPS ......................................................
Inhoud 03 04 05 03 Bestuurdersmilieu 04 Comfort en rijplezier Instrumenten, schakelaars en bediening. . 64 Instrumenten, schakelaars en bediening Executive .................................................. 72 Sleutelstanden.......................................... 73 Stoelen en achterbank.............................. 75 Voorstoelen - Executive............................ 79 Stuurwiel................................................... 81 Verlichting.................................................
Inhoud 06 07 08 06 Wielen en banden Algemene informatie .............................. Wielen verwisselen ................................. Bandenspanning .................................... Gevarendriehoek en EHBO-set*............. Provisorische bandenreparatie (TMK)* . . 6 07 Onderhoud en service 244 249 252 253 254 * Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. Motorruimte............................................ Gloeilampen............................................
Inhoud 09 09 Alfabetisch register Alfabetisch register.................................
Inleiding Belangrijke informatie Instructieboekje lezen Inleiding Een goede manier om vertrouwd te raken met uw nieuwe auto is om het instructieboekje te lezen, idealiter voordat u uw eerste rit maakt. Zo maakt u kennis met nieuwe functies, krijgt u tips hoe u het beste in verschillende situaties met de auto kunt omgaan en leert u hoe u optimaal gebruik kunt maken van alle mogelijkheden die uw auto biedt. Besteed ook aandacht aan de veiligheidsinstructies in het boekje.
Inleiding Belangrijke informatie G031590 Zwarte ISO-symbolen in een oranje waarschuwingsveld, witte tekst/afbeelding in een zwart tekstveld. Worden gebruikt om te attenderen op een risico dat, bij het negeren van de waarschuwing, kan resulteren in ernstig letsel met mogelijk dodelijke afloop. Informatie Witte ISO-symbolen en een witte tekst/afbeelding in een zwart of blauw waarschuwings- en tekstveld.
Inleiding Belangrijke informatie Procedurelijsten Opsommingslijsten Accessoires en extra uitrusting Procedures met handelingen die in een bepaalde volgorde moeten worden uitgevoerd, staan genummerd in het instructieboekje. Bij opsommingen in het instructieboekje wordt gebruik gemaakt van een opsommingslijst. Wanneer er een reeks afbeeldingen bij een stapsgewijze instructie bestaat, zijn de verschillende stappen van de instructie op dezelfde manier genummerd als de bijbehorende afbeeldingen.
Inleiding Volvo en het milieu G000000 Milieubeleid van Volvo Car Corporation Zorg voor het milieu is een van de kernwaarden van Volvo Car Corporation die van invloed zijn op alle activiteiten. We zijn ervan overtuigd dat onze klanten onze zorg voor het milieu delen. Uw Volvo voldoet aan strenge internationale milieueisen en is bovendien geproduceerd in een fabriek die zeer schoon is en efficiënt met hulpbronnen omgaat.
Inleiding Volvo en het milieu Het systeem bestaat uit een elektronische sensor en een koolstoffilter. De binnenkomende lucht wordt continu gecontroleerd en als het gehalte aan bepaalde schadelijke gassen zoals koolmonoxide te hoog oploopt, wordt de luchtinlaat gesloten. Iets dergelijks kan zich voordoen in bijvoorbeeld druk verkeer, files of tunnels. Het koolstoffilter zorgt ervoor dat stikstofoxiden, laaghangend ozon en koolwaterstoffen niet binnendringen.
Inleiding Volvo en het milieu wordt daarom verzocht contact op te nemen met een dealer voor de locatie van een gecertificeerd/erkend recyclingsbedrijf. Milieu-aspecten van het instructieboekje Het FSC-symbool geeft aan dat de papiervezels waarvan deze publicatie gemaakt is afkomstig zijn uit FSC-gecertificeerde bossen of andere gecontroleerde bronnen.
Veiligheidsgordels .................................................................................. Airbags.................................................................................................... Airbag activeren/deactiveren*................................................................. SIPS-airbags (zij-airbags) ....................................................................... Opblaasgordijnen (IC-systeem) ............................................................. WHIPS ..........
VEILIGHEID
01 Veiligheid Veiligheidsgordels 01 Algemene informatie Op de achterbank passen de borglippen van de veiligheidsgordel alleen in de bijbehorende sluitingen1. Veiligheidsgordel losmaken Druk op de rode knop van de gordelsluiting en laat het oprolmechanisme de gordel naar binnen trekken. Als de gordel niet volledig wordt opgerold, moet u de gordel handmatig zo ver terugrollen dat deze niet langer slap hangt.
01 Veiligheid Veiligheidsgordels Veiligheidsgordel en zwangerschap onder controle hebben (wat inhoudt dat ze met gemak bij het stuur en de pedalen moeten kunnen komen). Streef ernaar de afstand tussen de buik en het stuur zo groot mogelijk te maken. Breng nooit zelf wijzigingen aan de veiligheidsgordels aan en probeer ze nooit zelf te repareren. Volvo adviseert u daarvoor contact op te nemen met een erkende Volvowerkplaats.
01 Veiligheid 01 Veiligheidsgordels Achterbank Bepaalde markten De functie van de gordelwaarschuwing voor de achterbank is tweeledig: Er gaat een waarschuwingslampje branden en er worden geluidssignalen afgegeven wanneer de bestuurder en een eventuele voorpassagier de gordel niet dragen. Op lage snelheden klinkt de eerste 6 seconden lang een geluidssignaal. • Aangeven welke veiligheidsgordels van de achterbank er worden gebruikt.
01 Veiligheid Airbags Het waarschuwingssymbool op het instrumentenpaneel gaat branden, wanneer u de transpondersleutel in sleutelstand II of III zet. Het symbool dooft na ca. 6 seconden, wanneer de regelmodule heeft vastgesteld dat het airbagsysteem geen storingen vertoont. WAARSCHUWING Airbagsysteem Behalve het brandende waarschuwingssymbool verschijnt er, in die gevallen waarin dat nodig is, een melding op het informatiedisplay.
01 Veiligheid 01 Airbags bags worden opgeblazen. Daarbij worden de airbags warm. Om de klap op te vangen loopt de airbag leeg wanneer de inzittende de airbag raakt. Daarbij treedt er rookvorming in de auto op. Dit is volkomen normaal. Het totale verloop, van het opblazen tot het leeglopen van de airbag, neemt enkele tienden van een seconde in beslag. WAARSCHUWING Volvo adviseert u voor reparatie contact op te nemen met een erkende Volvo-werkplaats.
01 Veiligheid Airbags Airbag aan de passagierszijde Uw auto heeft behalve de veiligheidsgordel aan de passagierszijde ook een airbag in het stuurwiel. Deze zit opgevouwen in een ruimte boven het dashboardkastje. Het paneel is voorzien van het opschrift AIRBAG. WAARSCHUWING Om de kans op letsel bij het opblazen van de airbags te beperken, moeten de passagiers zo rechtop mogelijk zitten met hun voeten op de vloer en hun rug tegen de rugleuning. De veiligheidsgordel moet goed vastzitten.
01 Veiligheid 01 Airbag activeren/deactiveren* PACOS deactiveren met sleutel* Algemene informatie De passagiersairbag (SRS) voorin kan gedeactiveerd worden met een schakelaar als de auto is uitgerust met PACOS (Passenger Airbag Cut Off Switch). Zie de tekst onder het kopje Activeren/deactiveren voor informatie over activering/deactivering.
01 Veiligheid Airbag activeren/deactiveren* WAARSCHUWING Geactiveerde airbag (passagiersstoel): Vervoer kinderen nooit in een kinderzitje of op een comfortkussen op de passagiersstoel als de airbag geactiveerd is. Laat evenmin personen die kleiner zijn dan 1,40 m op deze stoel plaatsnemen. Een tekstmelding en een brandend symbool op het plafondpaneel op de plafondconsole geven aan dat de airbag aan de passagierszijde gedeactiveerd is (zie voorgaande afbeelding). N.B.
01 Veiligheid SIPS-airbags (zij-airbags) WAARSCHUWING Volvo adviseert u reparatiewerk over te laten aan een erkende Volvo-werkplaats. Verkeerde ingrepen in het SIPSairbagsysteem kunnen aanleiding geven tot storingen in de werking met mogelijk ernstig lichamelijk letsel tot gevolg. • Plaats geen voorwerpen tussen de stoelen en de portierpanelen, omdat dit gebied binnen de actieradius van de SIPS-airbag ligt. • Volvo adviseert u alleen stoelhoezen te gebruiken die door Volvo zijn goedgekeurd.
01 Veiligheid SIPS-airbags (zij-airbags) 01 ding reageren de sensoren, die op hun beurt de gasgeneratoren activeren. De SIPS-airbags worden vervolgens opgeblazen tussen de inzittende en het portierpaneel. Daarmee vangen de SIPS-airbags de klap van de aanrijding op voor de inzittende, waarna de airbags weer leeglopen. De SIPS-airbag wordt normaal gesproken alleen opgeblazen aan de kant van de aanrijding.
01 Veiligheid 01 Opblaasgordijnen (IC-systeem) Eigenschappen WAARSCHUWING Hang of bevestig nooit zware voorwerpen aan de plafondhandgrepen. De haak is alleen bedoeld voor niet al te zware kledingstukken (en niet voor harde voorwerpen zoals paraplu’s). Schroef of bevestig geen onderdelen op de plafondbekleding, portierstijlen of de zijpanelen van de auto. Ze kunnen daarbij hun beschermende werking verliezen.
01 Veiligheid WHIPS Bescherming tegen whiplash-letsel, WHIPS Het WHIPS-systeem (Whiplash Protection System) bestaat uit energieabsorberende rugleuningen en speciaal voor het systeem ontwikkelde hoofdsteunen voor de beide voorstoelen. Het systeem wordt geactiveerd bij een aanrijding van achteren, afhankelijk van de hoek waaronder en de snelheid waarmee het achteropkomende voertuig de auto raakt en de materiaaleigenschappen van dat voertuig.
01 Veiligheid 01 WHIPS WAARSCHUWING Plaats geen koffer of iets dergelijks tussen het zitgedeelte van de achterbank en de rugleuning van de voorstoelen. Let erop dat u de werking van het WHIPS-systeem niet beïnvloedt. WAARSCHUWING Als de stoel heeft blootgestaan aan grote krachten zoals bij een aanrijding van achteren, moet u het WHIPS-systeem laten controleren. Volvo adviseert u het te laten controleren door een erkende Volvo-werkplaats.
01 Veiligheid Activering van de veiligheidssystemen Activering van de veiligheidssystemen Systeem Activering Gordelspanners voorstoelen Bij een frontale botsing en/of aanrijding in de zij en/of van achteren Gordelspanners achterbank A Bij een frontale botsing. Airbags (SRS) Bij een frontale botsing.
01 Veiligheid 01 Safety mode Rijden na een aanrijding G021062 Als alles normaal lijkt en u hebt vastgesteld dat er geen brandstof lekt, kunt u proberen de motor te starten. Als de auto betrokken is geweest bij een aanrijding, kan de melding Safety mode Zie instructieb. op het informatiedisplay verschijnen. Dit betekent dat de functionaliteit van de auto is verminderd.
01 Veiligheid Kinderen en veiligheid Kinderen moeten comfortabel en veilig kunnen zitten Volvo adviseert u kinderen zo lang mogelijk te vervoeren in een achterstevoren gemonteerd kinderzitje (in ieder geval tot een leeftijd van 3– 4 jaar) en daarna tot een leeftijd van 10 jaar op/ in een comfortkussen of een kinderzitje dat in de rijrichting geplaatst is.
01 Veiligheid 01 Kinderen en veiligheid blazen, kan een kind op de passagiersstoel ernstig letsel oplopen. WAARSCHUWING Zet nooit een kind in een kinderzitje op de passagiersstoel als de airbag (SRS) is geactiveerd. Personen kleiner dan 1,40 m mogen nooit op de passagiersstoel voorin plaatsnemen, als de airbag (SRS) geactiveerd is. Het niet opvolgen van de bovenstaande aanbevelingen kan levensgevaarlijke situaties opleveren.
01 Veiligheid Kinderen en veiligheid 01 Aanbevolen kinderzitjes2 Gewicht Voorstoel (met gedeactiveerde airbag) Buitenste zitplaats achterbank Groep 0 Volvo-babyzitje (Volvo Infant Seat) achterstevoren gemonteerd kinderzitje bevestigd met ISOFIX-systeem. Volvo-babyzitje (Volvo Infant Seat) achterstevoren gemonteerd kinderzitje bevestigd met ISOFIX-systeem. Typegoedkeuring: E5 04301146. Typegoedkeuring: E5 04301146.
01 Veiligheid 01 Kinderen en veiligheid Gewicht Voorstoel (met gedeactiveerde airbag) Buitenste zitplaats achterbank Groep 1 Achterstevoren gemonteerd/omkeerbaar Volvo-kinderzitje (Volvo Convertible Child Seat) – achterstevoren gemonteerd kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel en bevestigingsband. Achterstevoren gemonteerd/omkeerbaar Volvo-kinderzitje (Volvo Convertible Child Seat) – achterstevoren gemonteerd kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel en bevestigingsband.
01 Veiligheid Kinderen en veiligheid Gewicht Voorstoel (met gedeactiveerde airbag) Buitenste zitplaats achterbank Middelste zitplaats achterbank Groep 2 Achterstevoren gemonteerd/omkeerbaar Volvo-kinderzitje (Volvo Convertible Child Seat) – achterstevoren gemonteerd kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel en bevestigingsband Achterstevoren gemonteerd/omkeerbaar Volvo-kinderzitje (Volvo Convertible Child Seat) – achterstevoren gemonteerd kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel en bevestigingsba
01 Veiligheid 01 Kinderen en veiligheid Kinderslot achterportieren De bedieningsknoppen voor de ruiten in de achterportieren en de openingshandgrepen op de achterportieren zijn te blokkeren, zodat de achterportieren en de zijruiten niet meer van de binnenzijde kunnen worden geopend. Voor meer informatie, zie pagina 57. ISOFIX-bevestigingssysteem voor veiligheidszitjes Duw het zitgedeelte van de zitplaats omlaag om bij de bevestigingspunten te komen. N.B.
01 Veiligheid 01 37
Transpondersleutel/sleutelblad............................................................... Privacy locking*....................................................................................... Batterij vervangen transpondersleutel/PCC*.......................................... Keyless drive*.......................................................................................... Vergrendelen/ontgrendelen.................................................................... Kinderslot....................
SLOTEN EN ALARM
02 Sloten en alarm Transpondersleutel/sleutelblad Algemene informatie 02 Bij de auto worden 2 transpondersleutels of PCC’s (Personal Car Communicator geleverd. U gebruikt ze om de auto te starten en deze te vergrendelen en ontgrendelen. U kunt extra transpondersleutels bestellen. Er zijn maximaal 6 transpondersleutels voor één en dezelfde auto te programmeren en te gebruiken. PCC’s kennen meer functies dan een transpondersleutel in standaarduitvoering.
02 Sloten en alarm Transpondersleutel/sleutelblad De onderstaande foutmeldingen op het informatiedisplay van het instrumentenpaneel houden verband met de elektronische startblokkering: Melding Betekenis Melding Betekenis Sleutelfout Opnieuw insteken Storing tijdens het uitlezen van de transpondersleutel tijdens het starten – Sleutel uitnemen, opnieuw aanbrengen en een nieuwe startpoging doen.
02 Sloten en alarm Transpondersleutel/sleutelblad Functies Bij lang indrukken (ten minste 4 seconden) worden alle zijruiten tegelijkertijd geopend. 02 Transpondersleutel. G021079 G021078 De gelijktijdige ontgrendeling van alle portieren is dusdanig te wijzigen dat bij eenmaal indrukken van de knop eerst het bestuurdersportier ontgrendeld wordt en bij de tweede maal indrukken – één en ander binnen 10 seconden – de resterende portieren te ontgrendelen. PCC*, Personal Car Communicator.
02 Sloten en alarm Transpondersleutel/sleutelblad zers, de interieurverlichting en de claxon geactiveerd. Specifieke functies, PCC* N.B. Als bij herhaaldelijk gebruik van de informatietoets – op verschillende tijdstippen en verschillende plaatsen – blijkt dat geen van de controlelampjes gaat branden (en dat evenmin na 7 seconden alsook nadat de controlelampjes op de PCC om de beurt oplichtten), dient u contact op te nemen met een werkplaats – geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
02 Sloten en alarm Transpondersleutel/sleutelblad 02 De beide rode controlelampjes lichten beurtelings rood op: het alarm is minder dan 5 minuten geleden afgegaan. Bereik PCC Het bereik van de PCC voor vergrendeling, ontgrendeling en bediening van het kofferdeksel is ca. 20 m rond de auto, voor de overige functies geldt een maximumbereik van ca. 100 m. Als de auto niet reageert bij bediening van een toets – probeer het dan op minder grote afstand opnieuw. N.B.
02 Sloten en alarm Transpondersleutel/sleutelblad Sleutelblad aanbrengen Plaats het sleutelblad voorzichtig terug in de transpondersleutel. 02 1. Houd de transpondersleutel met de gleuf omhoog en laat het sleutelblad in de gleuf zakken. 2. Duw voorzichtig tegen het sleutelblad. U hoort een klikgeluid wanneer het sleutelblad goed vastzit.
02 Sloten en alarm Privacy locking* De functie Privacy locking is bestemd voor als u de auto afgeeft voor een onderhoudsbeurt of als u hem bij een hotel of iets dergelijks laat parkeren. Het dashboardkastje is dan vergrendeld en het kofferdekselslot is niet via de centrale vergrendeling te openen – het kofferdeksel is niet meer te bedienen met de knoppen op de voorportieren of die op de transpondersleutel.
02 Sloten en alarm Privacy locking* N.B. Plaats het sleutelblad niet in de transpondersleutel terug, maar houd het bij u en bewaar het goed. 02 • Houd voor het deactiveren de omgekeerde volgorde aan. Om alleen het dashboardkastje te vergrendelen, zie pagina 54. * Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
02 Sloten en alarm Batterij vervangen transpondersleutel/PCC* Accu vervangen 02 Batterij vervangen Let erop hoe de batterij(en) aan de binnenzijde van de afdekking vastzit(ten). Let daarop op de pluszijde + en de minzijde –. Vervang de batterijen, als: • het informatiesymbool oplicht en Vervang batterij autosleutel op het display staat Transpondersleutel (1 batterij) en/of 1. Werk de batterij voorzichtig los.
02 Sloten en alarm Batterij vervangen transpondersleutel/PCC* 3. Duw voorzichtig tegen het sleutelblad. U hoort een klikgeluid wanneer het sleutelblad goed vastzit. 02 BELANGRIJK Zorg dat de oude batterij(en) wordt/worden afgevoerd op een milieuontlastende manier. * Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
02 Sloten en alarm Keyless drive* 02 Vergrendelings- en startsysteem zonder sleutel (alleen PCC1) van maximaal 1,5 m rond de portierhandgrepen of het kofferdeksel bevinden. Dit betekent dat u de PCC bij u moet dragen om een portier te vergrendelen of ontgrendelen. Wanneer u aan de ene kant van de auto staat, is het niet mogelijk om met de PCC een portier aan de andere kant te vergrendelen of ontgrendelen.
02 Sloten en alarm Keyless drive* Vergrendelen Ontgrendelen Er wordt ontgrendeld wanneer iemand een portierhandgreep beetpakt of op het met rubber beklede drukplaatje van het kofferdeksel drukt – open het portier of het kofferdeksel op de normale manier. Ontgrendelen met sleutelblad > De kunststof afdekking komt automatisch los, wanneer u het blad recht omhoog de opening induwt. 02 2. Steek het sleutelblad in de slotcilinder en ontgrendel het portier. 3.
02 Sloten en alarm Keyless drive* maar persoon B met PCC B zal gaan rijden, zijn de instellingen als volgt te wijzigen: 02 Locatie antennes WAARSCHUWING Dragers van een pacemaker dienen minstens 22 cm afstand te houden tot de antennes van het Keyless drive-systeem. Dit om eventuele storingen in de pacemaker als gevolg van het Keyless drive-systeem uit te sluiten. • Staand naast het bestuurdersportier of zittend achter het stuur drukt persoon B op de ontgrendelingstoets van zijn PCC, zie pagina 42.
02 Sloten en alarm Vergrendelen/ontgrendelen Van de buitenzijde Met de transpondersleutel kunt u alle portieren en het kofferdeksel gelijktijdig vergrendelen/ ontgrendelen. Het is mogelijk een andere ontgrendelingsvolgorde te kiezen, zie Ontgrendelen met transpondersleutel 42. Van de binnenzijde Centrale vergrendeling Als u geen van de portieren noch het kofferdeksel binnen 2 minuten na ontgrendeling van de buitenzijde met de transpondersleutel opent, worden alle sloten automatisch weer vergrendeld.
02 Sloten en alarm Vergrendelen/ontgrendelen 02 vergrendelen Portieren autom. op slot. (Voor een beschrijving van het menusysteem, zie pagina 128.) • Houd voor het ontgrendelen de omge- De portieren blijven vergrendeld en beveiligd. keerde volgorde aan. Voor meer informatie over Privacy locking, zie pagina 46.
02 Sloten en alarm Vergrendelen/ontgrendelen N.B. • • Wanneer de klep met tweemaal indrukken werd ontgrendeld is automatische hervergrendeling niet mogelijk omdat de klep openstaat – u dient de klap handmatig te sluiten. Na het sluiten is de klep onvergrendeld en niet opgenomen in het alarmsysteem – met de vergrendeltoets op de transpondersleutel kunt u de klep opnieuw vergrendelen en opnemen in het alarmsysteem.
02 Sloten en alarm Vergrendelen/ontgrendelen N.B. 02 Als er binnen deze vertragingsperiode een van de portieren wordt geopend, wordt de functie geannuleerd en het alarm uitgeschakeld. Bij Safelock is de auto alleen met de transpondersleutel te ontgrendelen. Het bestuurdersportier is ook te ontgrendelen met het afneembare sleutelblad. Tijdelijk deactiveren > De volgende keer dat u de motor start, wordt het systeem gereset waarna op het display van het instrumentenpaneel de melding Beveil.
02 Sloten en alarm Kinderslot Handmatig kinderslot op achterportieren N.B. Het kinderslot voorkomt dat kinderen een achterportier vanaf de binnenzijde openen. • De vergrendelbus van een portier dient alleen om het desbetreffende portier te vergrendelen – dus niet beide achterportieren. • Op auto’s met een elektrisch kinderslot zit geen handmatig kinderslot. 02 Druk op de bijbehorende knop van het bedieningspaneel op het bestuurdersportier.
02 Sloten en alarm Alarm* Algemene informatie 02 Een geactiveerd alarmsysteem gaat af als: • een portier, de motorkap of het kofferdeksel wordt geopend • er beweging in de passagiersruimte wordt waargenomen (als er een bewegingsmelder* aanwezig is) • de auto wordt opgetakeld of weggesleept (op auto’s met een niveausensor*) • een kabel van de startaccu wordt losgekoppeld • de sirene wordt losgekoppeld.
02 Sloten en alarm Alarm* Geactiveerd alarm uitschakelen Transpondersleutel defect Als u het alarm niet kunt uitschakelen met de transpondersleutel (als bijv. de batterij van de sleutel leeg is), kunt u als volgt het alarmsysteem van de auto deactiveren en de motor starten: Druk op de ontgrendelingstoets op de transpondersleutel of steek de transpondersleutel in het contactslot.
02 Sloten en alarm Alarm* Alarmsensoren op motorkap testen 02 1. Ga in de auto zitten en deactiveer de bewegingsmelder, zie het onderdeel Beperkt alarmniveau. 2. Activeer het alarm, zie pagina 58. Blijf in de auto zitten en vergrendel de portieren met de toets op de transpondersleutel. 3. Wacht 15 seconden. 4. Ontgrendel de motorkap met de handgreep onder het dashboard. > Er klinkt een sirene en alle richtingaanwijzers knipperen. 5.
02 Sloten en alarm 02 61
Instrumenten, schakelaars en bediening................................................ 64 Instrumenten, schakelaars en bediening - Executive ............................ 72 Sleutelstanden........................................................................................ 73 Stoelen en achterbank............................................................................ 75 Voorstoelen - Executive.......................................................................... 79 Stuurwiel......................
BESTUURDERSMILIEU
03 Bestuurdersmilieu Instrumenten, schakelaars en bediening Instrumentenoverzicht 03 Auto met stuur links.
03 Bestuurdersmilieu Instrumenten, schakelaars en bediening Functie Pagina Functie Pagina Menu- en meldingsfuncties, richtingaanwijzers, groot licht/dimlicht, boordcomputer 82, 85, 132, 166 Versnellingspook/keuzehendel 111 170 Cruisecontrol 171, 173 Bedieningsknoppen actieve chassisregeling (FOUR-C)* Claxon, airbag 20, 81 Wissers en -sproeiers 92, 93 Instrumentenpaneel 67, 71 Stuurwielafstelling 81 Menu-, audio- en telefoonfuncties 128, 147, 208 Parkeerrem 120 Ontgrendeling motorkap
03 Bestuurdersmilieu Instrumenten, schakelaars en bediening 03 Auto met stuur rechts.
03 Bestuurdersmilieu Instrumenten, schakelaars en bediening Functie Pagina Functie Pagina Alarmlichten 85 Parkeerrem 120 Contactslot 73 Stuurwielafstelling 81 Knop START/STOP 106 Cruisecontrol 171, 173 Menu- en meldingsfuncties, richtingaanwijzers, groot licht/dimlicht, boordcomputer 82, 85, 132, 166 Instrumentenpaneel 67, 71 20, 81 Bedieningsknoppen actieve chassisregeling (FOUR-C)* 170 Claxon, airbag Menu-, audio- en telefoonfuncties 128, 147, 208 Versnellingspook/keuzehendel 111
03 Bestuurdersmilieu Instrumenten, schakelaars en bediening Meters Controle-, informatie- en waarschuwingssymbolen 5 seconden alle symbolen uit behalve het symbool voor storingen in het uitlaatgasreinigingssysteem en dat voor een lage oliedruk. Controle- en informatiesymbolen Symbool 03 Betekenis Storing in ABL Uitlaatgasreinigingssysteem Storing in ABS Meters op het instrumentenpaneel. Snelheidsmeter Brandstofmeter. Zie ook boordcomputer (pagina 166) en tanken (pagina 225). Toerenteller.
03 Bestuurdersmilieu Instrumenten, schakelaars en bediening Symbool Betekenis Richtingaanwijzers links Mistachterlicht aan Dit symbool brandt wanneer u het mistachterlicht hebt ingeschakeld. Er is slechts één mistachterlicht - dat zit aan de bestuurderszijde. Stabiliteitssysteem Richtingaanwijzers rechts Storing in ABL Het symbool brandt, als er een storing is opgetreden in het ABL-systeem (Active Bending Lights).
03 Bestuurdersmilieu Instrumenten, schakelaars en bediening Symbool Betekenis Storing in remsysteem Waarschuwing 03 A Bij bepaalde motortypes is het symbool voor een lage oliedruk niet in gebruik. Er verschijnt in plaats daarvan een displaymelding (zie pagina 261 en 262). Gordelwaarschuwing Het symbool brandt als de bestuurder of de voorpassagier geen veiligheidsgordel draagt of als iemand op de achterbank de gordel heeft losgenomen.
03 Bestuurdersmilieu Instrumenten, schakelaars en bediening die van invloed kan zijn op de veiligheid en/of de rijeigenschappen van de auto. Er verschijnt tegelijkertijd een verklarende melding op het informatiedisplay. Het waarschuwingssymbool blijft branden totdat de storing is verholpen, maar de melding kunt u verwijderen met de knop READ, zie pagina 132. Het waarschuwingssymbool kan ook gaan branden in combinatie met andere symbolen.
03 Bestuurdersmilieu Instrumenten, schakelaars en bediening - Executive de knop los wanneer de klok de juiste tijd aangeeft. Analoge klok • Druk eenmaal op de knop van uw keuze, waarna de wijzers vooruit- of achteruitdraaien (in stapjes van ca. 10 seconden). G029076 03 Analoge klok. Knop om de wijzers terug te draaien. Knop om de wijzers vooruit te draaien. De analoge klok zit in het dashboard, boven het dashboardkastje.
03 Bestuurdersmilieu Sleutelstanden Transpondersleutel aanbrengen en verwijderen BELANGRIJK Vreemde voorwerpen in het contactslot kunnen tot functiestoringen leiden of schade aan het slot toebrengen. G021126 De transpondersleutel niet verkeerd om insteken – pak de sleutel beet aan het uiteinde met het afneembare sleutelblad. zie pagina 44. Contactsleutel met naar binnen getrokken transpondersleutel. N.B. Voor auto’s met Keyless drive-functie*, zie pagina 50.
03 Bestuurdersmilieu Sleutelstanden Stand 03 Functie 0 Kilometerteller, klok en temperatuurmeter worden verlicht. Het stuurslot is opgeheven. Het audiosysteem is te gebruiken. I Schuifdak*, elektrisch bedienbare zijruiten, 12V-aansluitingen in passagiersruimte, RTI*, telefoon*, interieurventilator, ECC en ruitenwissers zijn te gebruiken. II De koplampen worden ontstoken. Waarschuwings-/controlelampjes branden 5 seconden lang.
03 Bestuurdersmilieu Stoelen en achterbank Voorstoelen WAARSCHUWING De stand van de bestuurdersstoel instellen voordat u gaat rijden en nooit tijdens het rijden. Controleer of de stoel vergrendeld staat om letsel te voorkomen bij hard afremmen of een aanrijding. Rugleuning voorstoel omklappen Trek de pallen aan de achterzijde van de rugleuning omhoog tijdens het omklappen. 4. Duw de stoel zo ver naar voren dat de hoofdsteun onder het dashboardkastje “vast” komt te zitten.
03 Bestuurdersmilieu Stoelen en achterbank Elektrisch bedienbare stoel* 03 Voorbereidingen 1. Stel de stoel en de buitenspiegels in. Tot enige tijd nadat u het portier met de transpondersleutel hebt ontgrendeld blijft het mogelijk de stoel te verstellen, ook al steekt er geen sleutel in het contactslot. U verstelt de stoel normaal gesproken in sleutelstand I. Wanneer de motor loopt, is dat altijd mogelijk. 2.
03 Bestuurdersmilieu Stoelen en achterbank Een volgende keer dat de auto met dezelfde transpondersleutel wordt ontgrendeld, nemen de bestuurdersstoel en de buitenspiegels automatisch de in het sleutelgeheugen vastgelegde standen in. N.B. De bestuurdersstoel en de buitenspiegels worden niet verzet, als ze al in de opgeslagen stand staan. U kunt de standen in het sleutelgeheugen ook activeren door (terwijl het bestuurdersportier openstaat) de ontgrendelingsknop op de transpondersleutel te bedienen.
03 Bestuurdersmilieu Stoelen en achterbank Middelste hoofdsteun achterbank Buitenste hoofdsteunen achterbank elektrisch omklappen* 03 Stem de hoofdsteun in de hoogte af op de lengte van de passagier. Zorg dat de bovenkant van de hoofdsteun halverwege de achterkant van het hoofd komt te zitten. Trek de hoofdsteun zo ver omhoog als nodig is. Als u de hoofdsteun lager wilt zetten, moet u de pal achter de linker poot indrukken terwijl u de hoofdsteun omlaagduwt. 1.
03 Bestuurdersmilieu Voorstoelen - Executive Voorstoelen type Comfort Massagefunctie Lendensteun instellen Stoel naar voren/achteren zetten. Knop voor activering massagefunctie. Harde massage Bedieningspaneel voor massagefunctie en lendensteun. Zachte massage Elk van beide voorstoelen is voorzien van een rugleuning met massagefunctie. De massagefunctie maakt gebruik van luchtkussens die voor een harde of zachte massage zorgen.
03 Bestuurdersmilieu Voorstoelen - Executive Stoel naar voren/achteren zetten G030137 03 Op de bovenstaande afbeelding staat een auto met het stuur links. De passagiersstoel is verder naar voren of achteren te zetten. De stoel komt zolang u de voorof achterkant van de knop ingedrukt houdt steeds verder naar voren of achteren (zie bovenstaande afbeelding). De hellingshoek van de rugleuning wordt niet gewijzigd.
03 Bestuurdersmilieu Stuurwiel Instellen WAARSCHUWING Claxon Stel het stuurwiel af voordat u gaat rijden en controleer of het in de gekozen stand vergrendeld staat. G021138 Bij auto’s met snelheidsafhankelijke stuurbekrachtiging* is de vereiste stuurkracht in te stellen, zie pagina 170. 03 Toetsensets* Stuurwiel afstellen. Claxon. Ontgrendelingshendel, stuurwielafstelling Druk op het midden van het stuurwiel om te claxonneren.
03 Bestuurdersmilieu Verlichting Bedieningspaneel verlichting De displayverlichting wordt bij donker automatisch gedimd. De gevoeligheidsgraad van deze functie is in te stellen met het duimwiel. Groot licht/dimlicht Ook de sterkte waarmee het instrumentenpaneel verlicht wordt stelt u in met het duimwiel. Koplamphoogteregeling Overzicht bedieningspaneel verlichting.
03 Bestuurdersmilieu Verlichting Stand Betekenis AutomatischA/uitgeschakeld dimlicht. Alleen grootlichtsignalen. Stadslichten vóór en achterlichten Dimlicht. In deze stand werken het groot licht en de grootlichtsignalen. A Geldt voor bepaalde markten. N.B. Het groot licht is alleen te activeren in stand . Grootlichtsignalen Trek de stuurhendel voorzichtig tot in de stand voor grootlichtsignalen naar het stuurwiel toe. Het groot licht brandt totdat u de hendel loslaat.
03 Bestuurdersmilieu Verlichting Betekenis Koplampfout Service vereist Het systeem is defect. Bezoek een werkplaats als de melding niet verdwijnt. Volvo adviseert u contact op te nemen met een erkende Volvo-werkplaats. De functie is uitsluitend actief bij schemer of donker en dan alleen als de auto rijdt. U kunt de functie4 deactiveren/activeren onder Instellingen van de auto Lichtinstellingen Actieve koplampen. Voor een beschrijving van het menusysteem, zie pagina 128.
03 Bestuurdersmilieu Verlichting Het mistachterlicht dooft automatisch bij het afzetten van de motor. N.B. De regels voor het gebruik van de mistlampen vóór verschillen van land tot land. N.B. De regels voor het gebruik van het mistachterlicht verschillen van land tot land. Mistachterlicht stand is gekomen, blijven de alarmlichten knipperen. Wanneer u weer wegrijdt, worden ze automatisch uitgeschakeld. U kunt ook op de knop voor de alarmlichten drukken.
03 Bestuurdersmilieu Verlichting Plafondverlichting voorin De leeslampjes voorin worden in- en uitgeschakeld met een druk op de bijbehorende knoppen op de plafondconsole. Plafondverlichting achterin G021149 03 Verlichting in interieur Haal de stuurhendel omhoog of omlaag naar de eerste stand en laat de hendel vervolgens los. De richtingaanwijzers lichten driemaal op. U kunt de functie activeren/ deactiveren onder Instellingen van de auto Lichtinstellingen Knipperl. aan, 3 x knipp..
03 Bestuurdersmilieu Verlichting Make-upspiegel De verlichting van de make-upspiegel, zie pagina 206, wordt bij het openen en sluiten van het klepje in- en uitgeschakeld. Automatische verlichting Met de knop voor de interieurverlichting kunt u drie verlichtingsstanden selecteren: • Uit – rechterkant ingedrukt, automatische interieurverlichting gedeactiveerd. • Neutrale stand – automatische verlichting geactiveerd. • Aan – linkerkant ingedrukt, interieurverlichting brandt.
03 Bestuurdersmilieu Verlichting Lichtbundel aanpassen de juiste lichtbundel wordt ook de berm beter verlicht. Xenonkoplampen* 03 Om met een in Nederland geleverde auto in Groot-Brittannië te kunnen rijden dient de lichtbundel van de koplampen te worden ingesteld op de aangepaste stand (zie voorgaande afbeelding).
03 Bestuurdersmilieu Verlichting • C = RHD Right (auto met het stuur rechts, rechter koplampglas) • D = RHD Left (auto met het stuur rechts, linker koplampglas) 2. Breng de mallen over op een stuk zelfklevend en watervast materiaal en knip ze uit. 03 3. Neem de designstreep op de koplampglazen als uitgangspunt, zie stippellijn op pagina 90.
03 Bestuurdersmilieu Verlichting Positie van de mallen G033954 03 Bovenste regel: afgeplakte gebieden bij een auto met stuur links, mallen A en B. Onderste regel: afgeplakte gebieden bij een auto met het stuur rechts, mallen C en D.
03 Bestuurdersmilieu Verlichting Mallen voor halogeenkoplampen G021155 03 91
03 Bestuurdersmilieu Wissers en -sproeiers Ruitenwissers1 Intervalstand Regensensor* Met het duimwiel kunt u het aantal wisslagen per eenheid van tijd instellen wanneer u de intervalstand hebt geselecteerd. De regensensor registreert de hoeveelheid regen op de voorruit en schakelt automatisch de ruitenwissers op de voorruit in. De gevoeligheid van de regensensor is in te stellen met het duimwiel. Ononderbroken wissen 03 De wissers bewegen op normale snelheid. De wissers bewegen op hoge snelheid.
03 Bestuurdersmilieu Wissers en -sproeiers Deactiveren Koplamp- en ruitensproeiers koplampen alleen iedere vijfde keer dat u de voorruitsproeiers activeert gesproeid. Schakel de regensensor uit met een druk op de of haal de hendel omlaag naar een knop ander wisprogramma. De regensensor wordt automatisch uitgeschakeld, wanneer u de transpondersleutel uit het contactslot neemt of vijf minuten nadat u de motor hebt afgezet.
03 Bestuurdersmilieu Ruiten en spiegels Algemene informatie Warmtereflecterende voorruit* Gelaagd glas 03 Het glas is verstevigd voor een verbeterde inbraakbeveiliging en geluidsisolatie van het interieur. De voorruit en de zijruiten zijn gemaakt van gelaagd glas*. op dat deel van de voorruit waar geen warmtereflecterende film is aangebracht (zie gemarkeerd veld op bovenstaande afbeelding). Elektrisch bedienbare ruiten Water- en vuilafstotende laag* Veld waar geen IR-film is aangebracht.
03 Bestuurdersmilieu Ruiten en spiegels WAARSCHUWING Zorg er bij het sluiten van de zijruiten voor dat kinderen of andere inzittenden niet met hun handen bekneld raken. Dit geldt ook als u gebruik maakt van de transpondersleutel. WAARSCHUWING Als er kinderen in de auto zitten: let er bij het verlaten van de auto op dat u de stroomtoevoer naar de elektrisch bedienbare zijruiten verbreekt door de transpondersleutel uit te nemen. G018517 Bediening Bedieningsknoppen elektrisch bedienbare zijruiten.
03 Bestuurdersmilieu Ruiten en spiegels WAARSCHUWING De beveiliging tegen overbelasting werkt alleen als de automatische openingsfunctie voor zijruiten gereset is. 03 Ook bij gebruik van het zonnescherm kan de zijruit worden geopend en gesloten. Buitenspiegels Achterruit Zonneschermen* G018518 Achterportier Bedieningsknoppen buitenspiegels. Instellen In de achterruitconsole is een zonnescherm ingebouwd.
03 Bestuurdersmilieu Ruiten en spiegels Elektrisch inklapbare buitenspiegels* Buitenspiegel kantelen bij parkeren1 U kunt de buitenspiegels inklappen bij het parkeren en als u op smalle wegen rijdt: De buitenspiegels kunnen omlaaggekanteld worden, zodat u bijvoorbeeld tijdens het parkeren de kant van de weg te kan zien. 1. Druk de knoppen L en R tegelijkertijd in (de transpondersleutel moet minimaal in sleutelstand I staan). 2. Laat ze na ca. 1 seconde los.
03 Bestuurdersmilieu Ruiten en spiegels “Approach”-verlichting en “Follow Me Home”-verlichting De lampjes op de buitenspiegels gaan branden, als u de “Approach”-verlichting of de “Follow Me Home”-verlichting selecteert, zie pagina 87. 03 Elektrische achterruit- en buitenspiegelverwarming de verwarming na enige tijd automatisch uitgeschakeld. Vervolgens wordt de verwarming automatisch in- en uitgeschakeld zolang de buitentemperatuur onder +7 °C is.
03 Bestuurdersmilieu Kompas* Bediening Kalibreren Zone kiezen Het kompas moet soms voor de nauwkeurigheid worden gekalibreerd. Als kalibratie nodig is, verschijnt C op het display van de spiegel. 1. Breng de auto tot stilstand op een groot en open terrein waar geen stalen constructies of hoogspanningsdraden zijn. 03 2. Start de motor. Achteruitkijkspiegel met kompas.
03 Bestuurdersmilieu Elektrisch bedienbaar schuifdak* Algemene informatie De bedieningsknoppen voor het schuifdak zitten aan het plafond. Het schuifdak is aan de achterkant open te kantelen of horizontaal open te schuiven. Het schuifdak is alleen te openen in sleutelstand I of II. 03 Horizontaal openschuiven knop vervolgens los om het schuifdak zo ver mogelijk open te schuiven. U kunt het schuifdak handmatig openen door de bedieningsknop achteruit naar het weerstandspunt voor handmatig openen te trekken.
03 Bestuurdersmilieu Elektrisch bedienbaar schuifdak* Sluiten met transpondersleutel of knop voor centrale vergrendeling van het schuifdak. Pak de handgreep vast en schuif het scherm naar voren om het te sluiten. Beveiliging tegen overbelasting G021345 Het schuifdak is voorzien van een beveiliging tegen overbelasting die wordt geactiveerd, als het schuifdak door een obstakel wordt gehinderd.
03 Bestuurdersmilieu Alcoguard* Algemene informatie over het alcoholslot 03 Functies Batterij Het alcoholslot voorkomt dat bestuurders die onder invloed zijn in de auto kunnen rijden. Voordat de motor kan worden gestart, moet u een blaastest afgeven om vast te stellen dat u niet onder de invloed van alcohol bent. Het alcoholslot wordt gekalibreerd ten opzichte van de grenswaarde voor verkeersdeelname die in uw land geldt.
03 Bestuurdersmilieu Alcoguard* 1. Wanneer het controlelampje (6) groen oplicht, is de blaasunit klaar voor gebruik. Resultaat van de blaastest 2. Neem de blaasunit uit de houder. Als de blaasunit zich buiten de auto bevindt tijdens het ontgrendelen, dan dient u de unit eerst te activeren met de schakelaar (2). 3. Klap het mondstuk (1) omhoog, haal diep adem en blaas gelijkmatig totdat er ca. 5 seconden later een “klikgeluid” klinkt.
03 Bestuurdersmilieu Alcoguard* wijze gestart worden – de motor is dan alleen te starten via de bypass-functie, zie pagina 104, gedeelte over Noodsituatie. 03 De melding is te verwijderen met een druk op de zendtoets (3). De melding verdwijnt anders spontaan na ca. 2 minuten maar verschijnt iedere keer dat de motor gestart wordt opnieuw – alleen bij herkalibratie in een werkplaats1 verdwijnt de melding permanent.
03 Bestuurdersmilieu Alcoguard* Symbolen en displayteksten Naast de eerder beschreven meldingen kan ook het volgende op het display van het instrumentenpaneel verschijnen: 1 Displaymelding Betekenis/Maatregel Alcoguard Blaas zachter U blies te hard – blaas minder hard. Displaymelding Betekenis/Maatregel Alcoguard Blaas harder Alcoguard Herstart mogelijk Motor stond minder dan 30 minuten af – motor kan worden gestart zonder nieuwe blaastest. U blies niet hard genoeg – blaas harder.
03 Bestuurdersmilieu Motor starten Benzine- en dieselmotoren 2. Houd het koppelingspedaal volledig ingedrukt1. (Bij auto’s met automatische versnellingsbak – bedien het rempedaal.) 3. Druk op de knop START/STOP ENGINE en laat deze vervolgens los. 03 G021126 N.B. Contactslot met naar binnen getrokken transpondersleutel en START/STOP ENGINE-knop. BELANGRIJK De transpondersleutel niet verkeerd om insteken – pak de sleutel beet aan het uiteinde met het afneembare sleutelblad. zie pagina 44.
03 Bestuurdersmilieu Motor starten Motor afzetten Om de motor af te zetten – druk op START/ STOP ENGINE. Als de auto een automatische versnellingsbak heeft en de keuzehendel niet in stand P staat of als de auto rijdt – druk tweemaal op de knop of houdt de knop ingedrukt totdat de motor afslaat. 03 Stuurslotfout Het stuurslot wordt opgeheven, wanneer u de START/STOP ENGINE-knop indrukt met de transpondersleutel in het contactslot geduwd.
03 Bestuurdersmilieu Motor starten, FlexiFuel Algemene informatie over het starten van een FlexiFuel-motor Motorverwarming* De motor wordt op dezelfde manier gestart als een benzinemotor. Maak daarom tijdens de wintermaanden zoveel mogelijk gebruik van de motorverwarming. WAARSCHUWING 03 De motorverwarming werkt op een hoge spanning.
03 Bestuurdersmilieu Motor starten, FlexiFuel Brandstofadaptatie Wanneer u de brandstoftank hebt volgegoten met benzine nadat u op bio-ethanol (E 85) hebt gereden (om omgekeerd), kan de motor enige tijd ietwat onregelmatig lopen. Het is daarom belangrijk dat de motor de gelegenheid krijgt tot aanpassing (adaptatie) aan het nieuwe brandstofmengsel. 03 Een dergelijke adaptatie gaat automatisch van start, wanneer u korte tijd op gelijkmatige snelheid in de auto rijdt.
03 Bestuurdersmilieu Motor starten, hulpaccu Starten met hulpaccu 4. Sluit de ene klem van de rode startkabel aan op de pluspool van de hulpaccu . 5. Haal de clips op de voorste dekplaat van de uitgeputte accu los en verwijder de dekplaat, zie pagina 277. 6. Sluit de andere klem van de rode startkabel van de uitgeputte aan op de pluspool accu. 03 7. Sluit de ene klem van de zwarte kabel aan van de hulpaccu. op de minpool 10. Start de motor van de auto met de lege accu.
03 Bestuurdersmilieu Versnellingsbakken Handgeschakelde versnellingsbak Blokkering achteruitversnelling Schakelstanden De blokkering van de achteruitversnelling beperkt het risico dat u tijdens het vooruitrijden op normale snelheid onbedoeld de achteruitversnelling inschakelt. Parkeerstand (P) • Begin vanuit de neutraalstand N en schakel alleen de achteruitversnelling R in, wanneer de auto stilstaat.
03 Bestuurdersmilieu Versnellingsbakken 03 voordat u de keuzehendel vanuit stand D in stand R zet. als de bestuurder langzamer gaat rijden dan wat voor de gekozen versnelling gepast is. De sportstand kan op elk moment tijdens het rijden ingeschakeld worden. Geartronic, handmatig schakelen (+/–) Om de automatische rijstand te hervatten: Geartronic, winterstand Met de automatische versnellingsbak Geartronic kunt u ook handmatig schakelen.
03 Bestuurdersmilieu Versnellingsbakken Wanneer u het gaspedaal uit de kickdownstand loslaat, schakelt de versnellingsbak automatisch op. Mechanische keuzehendelblokkering Parkeerstand (P) Stilstaande auto met draaiende motor: Houd uw voet op het rempedaal terwijl u de keuzehendel verzet. Gebruik de kickdown om zo snel mogelijk te accelereren zoals bij het inhalen.
03 Bestuurdersmilieu Versnellingsbakken Automatische schakelblokkering deactiveren Automatische versnellingsbak Powershift*2 HSA HSA (Hill Start Assist) zorgt ervoor dat de remdruk enkele seconden lang op peil blijft als u uw voet van het rempedaal naar het gaspedaal verplaatst voordat u wegrijdt of achteruitrijdt op een oplopende helling. 03 De tijdelijke remwerking wordt na enige seconden opgeheven of eerder bij het bedienen van het gaspedaal.
03 Bestuurdersmilieu Versnellingsbakken Oververhitting tijdens langzaam fileverkeer is te voorkomen door in etappes te rijden: Sta stil en wacht met uw voet op het rempedaal totdat de afstand tot uw voorliggers lang genoeg is om een stukje verder vooruit te rijden, rem en wacht weer enige tijd met uw voet op het rempedaal. Symbool A BELANGRIJK Bedien de bedrijfsrem om de auto stil te houden op oplopende hellingen – maak geen gebruik van het gaspedaal. De versnellingsbak kan dan oververhit raken.
03 Bestuurdersmilieu Versnellingsbakken voorkomen dat de koppeling defect raakt – de auto wordt dan niet meer aangedreven totdat de versnellingsbaktemperatuur tot een aanvaardbaar niveau is gedaald. 03 Voor andere displaymeldingen en de voorgestelde maatregelen bij auto’s met een automatische versnellingsbak, zie pagina 132. Na uitvoering van de maatregel verdwijnt de displaymelding automatisch. U kunt de melding ook eerder doen verdwijnen met een druk op de knop READ van de richtingaanwijzerhendel.
03 Bestuurdersmilieu Vierwielaandrijving, AWD (All Wheel Drive)* De vierwielaandrijving is altijd ingeschakeld 03 Bij vierwielaandrijving worden alle vier de wielen van de auto tegelijk aangedreven. Het motorkoppel wordt automatisch over de voor- en achterwielen verdeeld. Een elektronisch gestuurd koppelingssysteem verdeelt het vermogen over het wielpaar dat op dat moment de beste grip op het wegdek heeft. Dit om optimale wegligging te verkrijgen en wielspin te voorkomen.
03 Bestuurdersmilieu Bedrijfsrem Algemene informatie De auto is uitgerust met twee remkringen. Als een van de remkringen defect raakt, betekent dit dat de remmen pas later worden aangesproken zodat u het rempedaal dieper moet intrappen voor dezelfde remmende werking. 03 De druk die u uitoefent op het rempedaal wordt versterkt door de rembekrachtiging. WAARSCHUWING De rembekrachtiging werkt alleen, als de motor loopt.
03 Bestuurdersmilieu Bedrijfsrem Symbolen op instrumentenpaneel Symbool Betekenis Brandt continu – controleer het remvloeistofpeil. Vul remvloeistof bij als het peil te laag ligt en controleer tevens de oorzaak van het remvloeistofverlies. 03 Brandt 2 seconden lang continu bij het starten van de motor – er is de laatste keer dat de motor liep een storing in het ABS opgetreden. WAARSCHUWING Als en tegelijkertijd branden, kan er een storing in het remsysteem zijn opgetreden.
03 Bestuurdersmilieu Parkeerrem Elektrische parkeerrem Parkeerrem aanzetten loslaat of het gaspedaal bedient, wordt de parkeerrem gelost. Functie 03 Wanneer de parkeerrem wordt geactiveerd, hoort u een zwak elektromotorgeluid. Het geluid is tevens waarneembaar bij een automatische functiecontrole van de parkeerrem. Als de auto stilstaat wanneer u de parkeerrem aanzet, werkt de rem alleen op de achterwielen. Als u de parkeerrem tijdens het rijden aanzet, wordt de normale bedrijfsrem geactiveerd.
03 Bestuurdersmilieu Parkeerrem Parkeerrem lossen Auto met automatische versnellingsbak pende helling achteruitrolt, wanneer de parkeerrem automatisch wordt gelost. U kunt dit voorkomen door bij het wegrijden de handgreep ingedrukt te houden. Laat de handgreep weer los zodra de koppeling aangrijpt. Handmatig lossen Auto met Keyless drive-functie 1. Steek de transpondersleutel in het contactslot.
03 Bestuurdersmilieu Parkeerrem Berichten Parkeerrem Service vereist - Er is een storing opgetreden. Bezoek een werkplaats als de storing aanhoudt – geadviseerd wordt een Volvo-werkplaats. Als u de auto moet parkeren voordat de storing kon worden verholpen, dient u de wielen net als bij het parkeren op een helling van de trottoirband/berm af te draaien en de versnellingspook in de 1e versnelling (handbak) te zetten en de keuzehendel in stand P (automaat).
03 Bestuurdersmilieu HomeLink * Algemene informatie N.B. HomeLink is dusdanig geconstrueerd dat het niet werkt als de auto van de buitenzijde vergrendeld is. Let erop dat u de originele afstandsbedieningen wel goed bewaart voor eventuele programmering in een later stadium (zoals bij de aankoop van een nieuwe auto). Wis de programmering van de knoppen wanneer u de auto verkoopt.
03 Bestuurdersmilieu HomeLink * in de “inleerstand” staat en klaar is voor programmering. 2. Leg de originele afstandsbediening op 5–30 cm afstand van HomeLink. Houd het controlelampje in de gaten. De juiste afstand tussen de originele afstandsbediening en HomeLink hangt af van de programmering van het te bedienen systeem. Er zijn mogelijk meerdere pogingen op verschillende afstand nodig. Laat de afstandsbediening bij iedere poging ca.
03 Bestuurdersmilieu HomeLink * begint te knipperen. Laat beide knoppen weer los, wanneer het lampje dat langzaam knipperde sneller gaat knipperen. Een snel knipperend lampje geeft aan dat de programmering gelukt is. buurt van de antennevoet op de ontvanger). Raadpleeg als u de knop niet kunt vinden, de gebruiksaanwijzing van de leverancier of neem contact op met de leverancier via internet: www.homelink.com. 4.
Menu- en meldingsfuncties................................................................... Klimaatregeling..................................................................................... Motor- en interieurverwarming op brandstof*....................................... Extra verwarming*................................................................................. Audiosysteem.......................................................................................
COMFORT EN RIJPLEZIER
04 Comfort en rijplezier Menu- en meldingsfuncties 04 Bediening MENU – menusysteem openen Paden Niet alle autofuncties hebben aparte functietoetsen zodat instellen/activeren/deactiveren via een menusysteem verloopt. EXIT – stap terugdoen binnen het menusysteem. Bij lang indrukken verlaat u het menusysteem. Navigatie in deze menu’s vindt plaats met enkele van de knoppen op de middenconsole of met de toetsenset rechts op het stuurwiel.
04 Comfort en rijplezier Menu- en meldingsfuncties kort in te drukken of deze eenmaal lang in te drukken. U kunt de navigatietoetsen gebruiken in de plaats van ENTER en EXIT bij het navigeren binnen het menusysteem. De pijl naar rechts komt in dat geval overeen met ENTER en de pijl naar links met EXIT. De menu-opties zijn genummerd zodat u ze ook rechtstreeks kunt selecteren met de nummertoetsen (alleen 1–9).
04 Comfort en rijplezier Menu- en meldingsfuncties Map4 Enkele Cd-instellingen Nummer-informatie* Nieuws TP (verkeersinformatie) TP (verkeersinformatie) Audio-instellingen2 Nummer-informatie Laatste 10 gemiste opr. Laatste 10 ink. opr. Laatste 10 gekozen nummers Nummer-informatie Kopiëren van mob. tel. 130 wijzigen7 Nieuws Telefoon TP (verkeersinformatie) Telefoon aansluiten8 Alleen bij systemen die audiobestanden in de formaten mp3 en wma kunnen afspelen.
04 Comfort en rijplezier Menu- en meldingsfuncties Telefoon verwijderen Telefoonboek Telefoon wijzigen9 Van mob. tel.
04 Comfort en rijplezier Menu- en meldingsfuncties Instrumentenpaneel eerst bevestigen met de knop READ voordat u de menu’s kunt bekijken. Melding Menu-overzicht Voor sommige van de onderstaande menuopties dient de auto te zijn uitgerust met de bijbehorende functie en software. Actieradius Gemiddeld Momentaan 04 Gem. snelheid Informatiedisplay en bedieningselementen voor menufuncties. Melding op informatiedisplay.
04 Comfort en rijplezier Menu- en meldingsfuncties N.B. Melding Betekenis Melding Betekenis Als er een waarschuwingsmelding verschijnt bij gebruik van de boordcomputer, moet u de melding lezen (druk op de knop READ) voordat u de eerdere activiteit kunt hervatten. Service vereistA Volvo adviseert u de auto zo spoedig mogelijk te laten controleren door een erkende Volvo-werkplaats. Tijd voor periodiek onderhoud Melding Betekenis Zie instructieb.A Lees het instructieboekje. Stop auto z.s.m.
04 Comfort en rijplezier Menu- en meldingsfuncties Melding Betekenis Melding Betekenis Versn.olie Verversen Volvo adviseert u de auto zo spoedig mogelijk te laten controleren door een erkende Volvo-werkplaats. Versn.bak heet Stop auto z.s.m. Versnellingsbak beperkte werking De versnellingsbak werkt niet op maximale capaciteit. Rijd voorzichtig totdat de melding verdwijntB. Kritieke storing. Breng de auto zo spoedig mogelijk tot stilstand.
04 Comfort en rijplezier Klimaatregeling Algemene informatie Airconditioning De auto is voorzien van elektronische klimaatregeling (ECC). De klimaatregeling zorgt ervoor dat de lucht in het interieur gekoeld, verwarmd of van vocht ontdaan wordt. N.B. U kunt de airconditioning (AC) uitschakelen, maar voor optimaal klimaatcomfort in de passagiersruimte en om te voorkomen dat de ruiten beslaan dient u de airconditioning altijd te laten aanstaan. Positie van de sensoren board.
04 Comfort en rijplezier Klimaatregeling contact op te nemen met een erkende Volvowerkplaats. N.B. Er bestaan twee verschillende soorten interieurfilters. Let erop dat u het juiste filter aanbrengt. Koudemiddel 04 De airconditioning maakt gebruik van het koudemiddel R134a, zie pagina 305. Het bevat geen chloor, waardoor het koudemiddel onschadelijk voor de ozonlaag is. Laat het bijvullen/vervangen van koudemiddel over een gecertificeerde werkplaats.
04 Comfort en rijplezier Klimaatregeling • Ventilatorfunctie in automatische stand, De luchtverdeling valt zo nodig handmatig bij te regelen, zie pagina 142. zie pagina 139. • De door de timer geregelde recirculatie van de lucht in de passagiersruimte, zie pagina 141. Blaasmonden in portierstijlen Blaasmonden in dashboard • Automatische verwarming van de achterruit, zie pagina 98.
04 Comfort en rijplezier Klimaatregeling Klimaatregeling Elektronische klimaatregeling, ECC Max. ontwaseming Het ventilatiesysteem is te activeren, wanneer de motor loopt. Er zijn drie comfortniveaus met elk hun eigen koel- en droogeffect: Recirculatie/Interior Air Quality System • Comfortniveau III: eenmaal indrukken van Elektrische achterruit- en buitenspiegelverwarming, zie pagina 98. Temperatuurregeling, linkerzijde de knop levert het maximale vermogen op – alle drie de lampjes branden.
04 Comfort en rijplezier Klimaatregeling Draai aan de knop om de ventilatorsnelheid te verhogen of te verlagen. De ventilatorsnelheid wordt automatisch geregeld, als u AUTO selecteert. De eerder ingestelde ventilatorsnelheid wordt dan genegeerd. N.B. Als de ventilator volledig uitgeschakeld is, start de airconditioning niet wat kans op beslagen ruiten kan geven.
04 Comfort en rijplezier Klimaatregeling Auto Temperatuurregeling De functie regelt automatisch de temperatuur, de airconditioning, de ventilatorsnelheid, de recirculatie en de luchtverdeling. 04 Als u een of meer handmatige functies selecteert, worden de overige functies nog steeds automatisch geregeld. Wanneer u op de knop AUTO drukt, vindt activering van de Air Quality Sensor plaats waarbij alle handmatige instellingen worden opgeheven. Op het display verschijnt AUTO KLIMAAT.
04 Comfort en rijplezier Klimaatregeling Recirculatie/Interior Air Quality System Recirculatie Wanneer de recirculatie actief is, brandt het oranje lampje rechts in de knop. U kunt deze functie inschakelen als u vieze lucht, uitlaatgassen en dergelijke buiten wilt houden. De lucht in de passagiersruimte wordt dan gerecirculeerd. Er komt met andere woorden geen lucht van buiten de auto in, wanneer deze functie actief is. N.B.
04 Comfort en rijplezier Klimaatregeling Luchtverdelingstabel 04 142 Luchtverdeling Toepassing Luchtverdeling Toepassing Lucht naar de ruiten. Er komt een bepaalde hoeveelheid lucht uit de blaasmonden. De lucht wordt niet gerecirculeerd. De airconditioning is altijd ingeschakeld. om snel te ontdooien en te ontwasemen. Lucht naar de vloer en de ruiten. Er komt een bepaalde hoeveelheid lucht uit de blaasmonden in het dashboard.
04 Comfort en rijplezier Motor- en interieurverwarming op brandstof* Verwarming op brandstof Tanken Als de accu onvoldoende opgeladen is of als het brandstofpeil te laag is, wordt de standverwarming automatisch uitgeschakeld en er verschijnt een melding op het display. Bevestig deze melding door op de knop READ op de richtingaanwijzerhendel te drukken, zie pagina 144.
04 Comfort en rijplezier Motor- en interieurverwarming op brandstof* G025102 04 Display Betekenis Brandstofkachel AAN De verwarming is ingeschakeld en werkt. Timer ingesteld Brandstofkachel Verwarmingstimer geactiveerd bij uitnemen transpondersleutel en verlaten van de auto – motor en passagiersruimte warm op ingesteld tijdstip.
04 Comfort en rijplezier Motor- en interieurverwarming op brandstof* Meteen inschakelen/uitschakelen 1. Gebruik het duimwiel om naar Directe start Standverw. te gaan. 2. Druk op RESET om te kiezen uit AAN en UIT. AAN: De standverwarming is handmatig of via de timerfunctie ingeschakeld. UIT: De standverwarming is uitgeschakeld. Bij directe start van de standverwarming zal deze 50 minuten lang geactiveerd blijven.
04 Comfort en rijplezier Extra verwarming* Algemene informatie over de extra verwarming Interieurverwarming* Als de extra verwarming wordt uitgebreid met een timerfunctie, kan deze dienstdoen als interieurverwarming op brandstof, zie pagina 143. In landen met een koud klimaat1 is wellicht een extra verwarming vereist om de motor op bedrijfstemperatuur te brengen en een behaaglijke temperatuur in de passagiersruimte te realiseren.
04 Comfort en rijplezier Audiosysteem Algemene informatie Het audiosysteem is te verkrijgen met verschillende opties en in drie basisuitvoeringen: • Performance • High Performance • Premium Sound Als het audiosysteem aanstaat wanneer u de motor afzet, wordt het de volgende keer dat u de motor start automatisch ingeschakeld. Toetsenset op stuurwiel* Overzicht Bij het inschakelen van het audiosysteem geeft het display de uitvoering aan.
04 Comfort en rijplezier Audiosysteem Achterste bedieningspaneel met hoofdtelefoonaansluiting* Voor de beste geluidsweergave adviseren wij u een hoofdtelefoon te gebruiken met een impedantie van 16–32 ohm en een gevoeligheid van 102 dB of meer. matig gedeactiveerd, wanneer u MODE lang indrukt of automatisch bij het uitschakelen van het contact. Audiofuncties Vooruit-/achteruitspoelen en zoeken Kort op (2) drukken om een track op een cd of een van de voorkeurzenders te selecteren.
04 Comfort en rijplezier Audiosysteem van de auto. U hebt de keuze uit drie compensatieniveaus: laag, medium en hoog. Kies een niveau onder Audio-instellingen Autom. volumeregeling. Geluidssterkte externe geluidsbron Een mp3-speler zonder USB-kabel kan op de AUX-ingang worden aangesloten, zie pagina 150. N.B. De geluidskwaliteit kan verslechteren, als de speler wordt opgeladen terwijl het audiosysteem in stand AUX staat. Laad de speler daarom niet tijdens het beluisteren op via de 12V-aansluiting.
04 Comfort en rijplezier Audiosysteem Voor ieder automodel wordt het audiosysteem tijdens de kalibratie perfect afgestemd op de luidsprekers, de versterker, de akoestiek in de auto, de positie van de luisteraar e.d. AUX, USB3 en externe geluidsbron Selecteer de aansluiting met de toets MODE: Algemene informatie 1. Als u USB kiest, verschijnt Apparaat aansl. op het display. 2.
04 Comfort en rijplezier Audiosysteem N.B. Het systeem biedt ondersteuning van muziekbestanden in de muziekformaten mp3, wma en wav. Er zijn echter muziekformaten die niet door het systeem worden ondersteund. Het systeem biedt verder ondersteuning voor de meeste iPodmodellen die in 2005 of later gemaakt zijn. iPod Shuffle wordt echter niet ondersteund.
04 Comfort en rijplezier Audiosysteem Cd-functies drukt. Steek anders een cd in de invoeropening en druk op CD. Weergave starten (cd-wisselaar*) Middenconsole, bedieningstoetsen voor cd-functies.
04 Comfort en rijplezier Audiosysteem audiosysteem. Muziekbestanden worden aanen mappen met geduid met het symbool . Met een druk op ENTER gaat het afspelen van de muziekbestanden van start. Wanneer een bepaald muziekbestand helemaal afgespeeld is, worden de overige bestanden in dezelfde map afgespeeld. Nadat alle bestanden in een bepaalde map zijn afgespeeld, wordt er automatisch van map gewisseld.
04 Comfort en rijplezier Audiosysteem Radiofuncties 2. Druk op / van de navigatietoets. Handmatig zenders zoeken 1. Kies een frequentieband met FM of AM. 2. Draai aan TUNING. Voorkeuren U kunt per frequentieband 10 voorkeurzenders vastleggen. De FM-band heeft 2 geheugenbanken met voorkeurzenders: FM1 en FM2. U kiest een voorkeurzender met de sneltoetsen. 04 Middenconsole, bedieningselementen voor radiofuncties.
04 Comfort en rijplezier Audiosysteem RDS-functies RDS (Radio Data System) verbindt FM-zenders in een netwerk met elkaar. Een FM-zender in een dergelijk netwerk verstuurt bepaalde informatie, zodat een RDS-radio onder meer de volgende mogelijkheden biedt: • Automatisch overschakelen op een beter doorkomende zender als de ontvangst in een bepaald gebied slecht is. • Zoeken op programmatype zoals zenders die verkeersinformatie of nieuws doorgeven.
04 Comfort en rijplezier Audiosysteem Ga naar FM-instellingen Geav. radioinstellingen Nieuwszender om wijzigingen aan te brengen. Programmatype, PTY 04 Met de functie PTY is het mogelijk verschillende programmatypes te kiezen zoals popmuziek en klassieke muziek. Het symbool PTY geeft aan dat de functie actief is.
04 Comfort en rijplezier Audiosysteem voor uitzendingen van een bepaald programmatype. Activeer/deactiveer de functie in de stand FM door een van de alternatieven te kiezen onder FM-instellingen Geav. radioinstellingen EON: • Plaatselijk – Alleen onderbreking wanneer de zendmast van de radiozender dichtbij is. tijdens de onderbreking bijregelt, wordt het nieuwe volume opgeslagen voor een volgende onderbreking.
04 Comfort en rijplezier Audiosysteem 1.5 Geav. radio-instellingen 1.5.1 TP-zender 1.5.2 Nieuwszender 1.5.3 AF 1.5.4 EON Uit Plaatselijk Afstand 04 1.5.5 Regionaal 1.5.6 Reset alle FM-inst. Digitale radio (DAB)* Algemene informatie DAB (Digital Audio Broadcasting) is een systeem voor digitale overdracht van radiosignalen. N.B. Dit systeem biedt geen ondersteuning voor DAB+.
04 Comfort en rijplezier Audiosysteem De scanfunctie is ook te kiezen in de stand DAB-PTY. Dan worden alleen kanalen van het gekozen programmatype weergegeven. Beëindig de scanfunctie door nogmaals op de SCAN te drukken of druk op EXIT. Subkanaal Secundaire componenten worden vaak aangeduid als subkanalen. Dergelijke componenten zijn van tijdelijke aard en kunnen bijvoorbeeld uit vertalingen van het hoofdprogramma bestaan.
04 Comfort en rijplezier Audiosysteem N.B. De DAB-functie van het audiosysteem biedt geen ondersteuning voor alle mogelijkheden van de DAB-standaard. 160 Rustige muziek 4.14. Licht klassiek 4.15. Klassieke muziek 4.16. Overige muziek 4.17. Het weer Hoofdmenu DAB 4.18. Economie 1. Selecteer groep 4.19. Kinderprogramma’s 2. Selecteer dienst 4.20. Feitelijk 3. Selecteer subkanaal 4.21. Religie 4. DAB PTY 4.22. Doe mee ! 4.1. DAP PTY uit 4.23. Reizen 4.2. Nieuws 4.24.
04 Comfort en rijplezier RSE-systeem (Rear Seat Entertainment) met twee beeldschermen* Algemene informatie Het RSE-systeem kan gelijktijdig met het infotainmentsysteem gebruikt worden. Ook als de achterpassagiers gebruik maken van de dvd-speler, de RSE-AUX-ingang of tv1 kijken en daarbij de koptelefoon dragen, kunnen de bestuurder en een eventuele voorpassagier de radio of cd-speler blijven beluisteren. Tv-overzicht Druk op - instelling en kies TV I DVD I AUX MEDIA MENU.
04 Comfort en rijplezier RSE-systeem (Rear Seat Entertainment) met twee beeldschermen* Taal Bijv. Engels Taal waarin de tvmenu’s staan aangegeven Beeldformaat Audio 16:9 4:3 Automatisch 04 Modus (beeldschermstand) De originele taal van een tv-programma kan worden gewijzigd als het programma met meerdere taalkanalen wordt uitgezonden. Audio - 1, bijv. ENG.
04 Comfort en rijplezier RSE-systeem (Rear Seat Entertainment) met twee beeldschermen* 4. Steek de module in de digitale tv-ontvanger. Zorg dat u de module op de juiste manier aanbrengt. > Het systeem registreert automatisch dat het nieuwe informatie ontvangt. 5. Gebruik de zoekfunctie om de nieuwe kanalen te vinden die u kunt bekijken (zie onder “Tv-kanalen met smartcard” verderop). Tv-kanalen met smartcard Gebruik de zoekfunctie om de kanalen te vinden die u met de smartcard kunt bekijken. 1.
04 Comfort en rijplezier RSE-systeem (Rear Seat Entertainment) met twee beeldschermen* Zelfgebrande cd’s/dvd’s zijn te beluisteren. Aansluiten op AUX-ingang RSE-systeem Systeem Formaten die door het systeem worden ondersteund. De afspeelbaarheid en de geluidskwaliteit zijn echter afhankelijk van het bronbestand, het gehanteerde formaat en de kwaliteit van de gebruikte cd/dvd. 04 De ingang dient om randapparatuur te kunnen aansluiten.
04 Comfort en rijplezier RSE-systeem (Rear Seat Entertainment) met twee beeldschermen* 2. Verwijder beide batterijen en leg de nieuwe batterijen op de aangegeven manier in het batterijvakje. DVX(R) REGISTRATION PREFERENCES TV TYPE AUDIO 3. Breng het dekseltje aan en draai het boutje vast. N.B. Als het systeem te heet is of als de accuspanning te laag is, geeft een melding op het scherm dat aan.
04 Comfort en rijplezier Boordcomputer Algemene informatie Functies N.B. Als er een waarschuwingsmelding verschijnt tijdens het gebruik van de boordcomputer, dient u deze melding eerst te bevestigen voordat u de boordcomputer weer kunt activeren. Bevestig de waarschuwingsmelding door te drukken op READ. 04 Informatiedisplay en bedieningstoetsen.
04 Comfort en rijplezier Boordcomputer 2. Houd RESET ca. 1 seconde ingedrukt om de waarde voor de gekozen functie op nul te stellen. Als u RESET ten minste 3 seconden lang ingedrukt houdt, stelt u de gemiddelde snelheid en het gemiddelde brandstofverbruik gelijktijdig op nul. Actuele snelheid*1 Bij een snelheidsmeter met een kilometerschaal wordt de actuele snelheid weergegeven in km/h. Bij een snelheidsmeter met een milesschaal wordt de actuele snelheid weergegeven in mph. 1 04 Alleen bepaalde markten.
04 Comfort en rijplezier Stabiliteits- en tractieregelsysteem, DSTC Algemene informatie over DSTC Het stabiliteits- en tractieregelsysteem DSTC (Dynamic Stability and Traction Control) helpt de bestuurder voorkomen dat de wielen doorslippen en verbetert de tractie van de auto. Tijdens het afremmen kunnen de ingrepen van het systeem waarneembaar zijn in de vorm van pulserende geluiden. Tijdens het gas geven kan de auto langzamer optrekken dan u verwacht. 04 Antislipregeling Bediening 2.
04 Comfort en rijplezier Stabiliteits- en tractieregelsysteem, DSTC Symbolen op instrumentenpaneel Als de symbolen en gelijktijdig verschijnen – lees de melding op het informatiedisplay. Als alleen het symbool dat het volgende: oplicht, betekent • Een knipperend symbool geeft aan dat het systeem op dat moment ingrijpt. • Een symbool dat 2 seconden lang continu blijft branden, duidt op de systeemtest tijdens het starten van de motor.
04 Comfort en rijplezier Rijeigenschappen aanpassen Actieve chassisregeling (Four-C)* Bediening Het actieve chassissysteem FOUR-C (Continously Controlled Chassis Concept) stemt de eigenschappen van de schokdempers af op de gewenste rijeigenschappen van de auto. U hebt de keuze uit drie standen: Comfort, Sport en Advanced. Voor een beschrijving van het menusysteem, zie pagina 129. Dit menu is niet te openen wanneer de auto rijdt.
04 Comfort en rijplezier Cruisecontrol* Bediening De cruisecontrol is vervolgens te activeren met of , waarna de actuele snelheid in het geheugen opgeslagen wordt – de melding (---) km/h op het display maakt plaats voor de gekozen snelheid, bijv. 100 km/h. N.B. G021411 Bij snelheden lager dan 30 km/h is het niet mogelijk de cruisecontrol in te schakelen. Toetsenset op stuurwiel en display. Cruisecontrol – Aan/Uit. De stand-bystand wordt beëindigd en de ingestelde snelheid wordt hervat.
04 Comfort en rijplezier Cruisecontrol* N.B. Wanneer u de ingestelde snelheid hebt hervat met kan er een duidelijke snelheidsverhoging optreden. Uitschakelen 04 172 De cruisecontrol wordt uitgeschakeld bij gebruik van de stuurtoets CRUISE of bij het afzetten van de motor – de ingestelde snelheid wordt uit het geheugen verwijderd en valt niet langer te hervatten met de toets . * Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
04 Comfort en rijplezier Adaptieve cruisecontrol* WAARSCHUWING De bestuurder dient altijd rekening te houden met de verkeersomstandigheden en in te grijpen, wanneer de adaptieve cruisecontrol geen passende snelheid of afstand aanhoudt. U stelt de gewenste snelheid en het tijdsverschil ten opzichte van de voorligger. Wanneer de radarsensor een voorligger registreert die langzamer rijdt dan u, wordt uw snelheid automatisch aangepast. Wanneer de weg voor u weer vrij is, hervat de auto de ingestelde snelheid.
04 Comfort en rijplezier Adaptieve cruisecontrol* WAARSCHUWING De adaptieve cruisecontrol is geen systeem dat botsingen voorkomt. Grijp zelf in zodra u merkt dat het systeem een voorligger niet registreert. 04 De adaptieve cruisecontrol reageert niet op voetgangers of dieren noch op kleinere voertuigen, zoals fietsen of motorfietsen e.d. Tegenliggers, langzaam rijdende en stilstaande voertuigen of vaste obstakels worden eveneens genegeerd.
04 Comfort en rijplezier Adaptieve cruisecontrol* Steile wegen en/of zware belading Let erop dat de adaptieve cruisecontrol in eerste instantie bestemd is voor gebruik tijdens ritten op vlakke weggedeelten. De cruisecontrol heeft mogelijk moeite om de juiste volgafstand ten opzichte van voorliggers aan te houden bij ritten op steile wegen, bij vervoer van zware belading of met een aanhanger/caravan achter de auto – blijf dan extra alert en rem zo nodig zelf. Bediening Activeren en snelheid aanpassen.
04 Comfort en rijplezier Adaptieve cruisecontrol* U kunt de volgtijd verlengen met de stuurtoets en verkorten met . Bij lage snelheden (en korte tijden) vergroot de adaptieve cruisecontrol de volgtijd iets. Om voorliggers soepel en comfortabel te kunnen blijven volgen staat de adaptieve cruisecontrol in bepaalde situaties aanzienlijke variaties in de volgtijd toe. 04 Let erop dat een korte volgtijd u bij plotselinge wijzigingen in de verkeersstroom minder tijd geeft om te reageren en in te grijpen.
04 Comfort en rijplezier Adaptieve cruisecontrol* • de remmen een hoge temperatuur hebben • de radarsensor wordt gehinderd door natte sneeuw of hevige regenval (de radargolven worden geblokkeerd). Ingestelde snelheid hervatten Een cruisecontrol in stand-bystand is opnieuw – te activeren bij een druk op de stuurtoets in dat geval wordt de laatst opgeslagen snelheid hervat. N.B. Wanneer u de ingestelde snelheid hebt hervat met kan er een duidelijke snelheidsverhoging optreden.
04 Comfort en rijplezier Adaptieve cruisecontrol* • als de snelheid van de voorligger te veel Ook kleine voertuigen, zoals motorfietsen of voertuigen die niet in het midden van de rijstrook rijden, kunnen onopgemerkt blijven. afwijkt van die van uw eigen auto. Voorbeeldsituaties waarin de cruisecontrol niet optimaal werkt In bochten kan de radarsensor op het verkeerde voertuig reageren of een eerder opgemerkt voertuig uit het zicht verliezen. De radarsensor heeft een beperkt bereik.
04 Comfort en rijplezier Adaptieve cruisecontrol* Oorzaak Maatregel Het radaroppervlak van de grille is vuil of bedekt met sneeuw of ijs. Ontdoe het radaroppervlak van de grille van vuil, sneeuw en ijs. De radarsignalen worden gehinderd door hevige regen- of sneeuwval. Valt niets aan te doen. Bij hevige neerslag werkt de radar soms niet. De radarsignalen worden gehinderd door opspattend water en opdwarrelende sneeuw van het wegdek. Valt niets aan te doen.
04 Comfort en rijplezier Adaptieve cruisecontrol* Symbool Melding Betekenis ACC niet beschikbaar De adaptieve cruisecontrol kan niet worden ingeschakeld. Dit kan onder meer gebeuren wanneer: • de remmen een hoge temperatuur hebben • de radarsensor wordt gehinderd door natte sneeuw of regen. Radar afgedekt Zie instructieb. De adaptieve cruisecontrol werkt tijdelijk niet. • De radarsensor kan geen andere voertuigen registreren.
04 Comfort en rijplezier Afstandscontrole* Algemene informatie WAARSCHUWING De afstandscontrole (Distance Alert) is een functie die u inlicht over de volgtijd ten opzichte van de voorligger. De afstandscontrole is actief bij snelheden hoger dan 30 km/h en reageert uitsluitend op voorliggers die in dezelfde richting als u rijden. Voor voertuigen die langzaam in tegengestelde richting rijden of stilstaan wordt geen afstandsinformatie gegeven.
04 Comfort en rijplezier Afstandscontrole* U kunt verschillende volgtijden ten opzichte van voorliggers kiezen en deze worden op het display als 1–5 horizontale streepjes weergegeven – hoe meer streepjes, des te langer de volgtijd. Eén streepje komt overeen met ca. 1 seconde ten opzichte van de voorligger en 5 streepjes met ca. 2,5 seconden. 04 N.B. Hoe hoger de snelheid, hoe langer de volgafstand in meters voor een bepaalde volgtijd.
04 Comfort en rijplezier Afstandscontrole* Symbool Melding Betekenis Radar afgedekt. De afstandscontrole werkt tijdelijk niet. Zie instructieb. De radarsensor kan geen andere voertuigen registreren wanneer deze wordt gehinderd door bijvoorbeeld hevige regenval of als sneeuwmodder of andere verontreinigingen de radarsensor afdekken. Voor meer informatie over de beperkingen van de radarsensor, zie pagina 177.
04 Comfort en rijplezier Collision Warning with Auto Brake* Het CWAB (Collision Warning with Auto Brake) is een hulpmiddel dat bestemd is om u te waarschuwen wanneer het gevaar bestaat dat u op een (stilstaande of rijdende) voorligger botst. Collision Warning kent drie hulpfuncties. • Collision Warning – Waarschuwt voor een naderende botsing. 04 • Brake Support – Helpt u om efficiënt te remmen in een kritieke situatie. • Auto Brake – Remt de auto automatisch af als een botsing onvermijdelijk is.
04 Comfort en rijplezier Collision Warning with Auto Brake* Support in werking. De Brake Support treft de nodige voorbereidingen voor een snelle remmanoeuvre waarna de remmen licht worden aangezet. Dit is te merken aan een lichte schok. Als u het rempedaal met een bepaalde snelheid bedient, wordt het maximale remvermogen geleverd ook al trapt u het pedaal niet zo ver in.
04 Comfort en rijplezier Collision Warning with Auto Brake* N.B. Ook als u de waarschuwingsafstand hebt ingesteld op Lang, kunnen de waarschuwingen voor uw gevoel soms laat worden afgegeven (bijvoorbeeld als het snelheidsverschil groot is of als uw voorligger sterk afremt). Instellingen controleren 04 U kunt de actuele instellingen controleren op het display van de middenconsole. Open het menu en ga naar Instellingen van de auto Inst. botswaarschuwing, zie pagina 129.
04 Comfort en rijplezier Collision Warning with Auto Brake* wordt afgeremd wegens een rijdende voorligger, wordt de snelheid begrensd tot dezelfde snelheid als die van de voorligger. Bij een auto met een handgeschakelde versnellingsbak slaat de motor af wanneer Auto Brake de auto tot stilstand heeft gebracht, tenzij u daarvoor het koppelingspedaal weet te bedienen.
04 Comfort en rijplezier Collision Warning with Auto Brake* Symbolen en meldingen op display Symbool Melding Betekenis CWS-systeem UIT Collision Warning is uitgeschakeld. Verschijnt bij het starten van de motor. De melding dooft automatisch na ca. 5 seconden of eerder wanneer u op de toets READ drukt. CWS-systeem niet beschikbaar 04 Het is niet mogelijk Collision Warning te activeren. Verschijnt wanneer u de functie toch probeert te activeren. De melding dooft automatisch na ca.
04 Comfort en rijplezier Collision Warning with Auto Brake* Symbool Melding Betekenis Radar afgedekt Zie instructieb. Collision Warning with Auto Brake werkt tijdelijk niet. De radarsensor kan geen andere voertuigen registreren. Bijvoorbeeld wanneer deze wordt gehinderd door hevige regenval of als sneeuwmodder of andere verontreinigingen de radarsensor afdekken. Voor meer informatie over de beperkingen van de radarsensor, zie pagina 177.
04 Comfort en rijplezier Driver Alert System – DAC* Algemene informatie over Driver Alert System Driver Alert System is bestemd om u te helpen als de auto op een ongecontroleerde manier wordt bestuurd of op het punt staat de rijstrookmarkering te overschrijden.
04 Comfort en rijplezier Driver Alert System – DAC* Beperkingen Soms kan het systeem ten onrechte waarschuwen voor ongecontroleerde stuurbewegingen. Dit kan bijvoorbeeld gebeuren bij: • gebruik van de functie LDW. • zijdelingse rukwinden. • spoorvorming in het wegdek. Bediening Via het menusysteem op het display van de middenconsole zijn bepaalde instellingen te verrichten. Voor informatie over het gebruik van het menusysteem, zie pagina 128.
04 Comfort en rijplezier Driver Alert System – DAC* Symbolen en meldingen op display Symbool Melding Betekenis Driver Alert UIT De functie is niet ingeschakeld. Driver Alert niet beschikbaar De weg is niet voorzien van duidelijke markeringsstrepen of de camerasensor werkt tijdelijk niet. Voor meer informatie over de beperkingen van de camerasensor, zie pagina 187. Driver Alert De functie analyseert uw rijstijl.
04 Comfort en rijplezier Driver Alert System – (LDW)* Algemene informatie over Lane Departure Warning (LDW) Bediening en functie Als de camera de rijstrookmarkeringen op het wegdek niet langer registreert of als de rijsnelheid tot onder de 60 km/h daalt, neemt de functie de stand-bystand weer in en verschijnt opnieuw de melding Lane Depart Warn niet beschikbaar. Als de auto zonder duidelijke reden de linker of rechter rijstrookmarkering overschrijdt wordt u gewaarschuwd met een zoemersignaal.
04 Comfort en rijplezier Driver Alert System – (LDW)* Symbolen en meldingen op display Symbool Melding Betekenis Lane departure warning AAN/UIT De functie is ingeschakeld/uitgeschakeld. Verschijnt bij inschakeling/uitschakeling. De melding verdwijnt automatisch na 5 seconden. Lane Depart Warn niet beschikbaar De snelheid is lager dan 60 km/h, de weg is niet voorzien van duidelijke markeringsstrepen of de camerasensor werkt tijdelijk niet.
04 Comfort en rijplezier Driver Alert System – (LDW)* Persoonlijke instellingen Gebruik het menusysteem van het display op de middenconsole om naar Instellingen van de auto Lane departure warning te gaan, zie pagina 129. Kies uit de opties: Aan bij starten – Wanneer u voor deze optie kiest, staat de functie iedere keer dat u de motor staat stand-by. Anders is de functiestatus bij het afzetten van de motor bepalend.
04 Comfort en rijplezier Park Assist* Algemene informatie Functie Park Assist is bedoeld als hulpmiddel tijdens het parkeren. Geluidssignalen en symbolen op het display van de middenconsole geven de afstand aan tot een waargenomen obstakel. 1 Active 2 Park Assist is verkrijgbaar in twee varianten: Active • Park Assist aan de achterzijde • Park Assist aan de voor- en achterzijde.
04 Comfort en rijplezier Park Assist* Bij een afstand tot 30 cm bestaat het geluidssignaal uit een ononderbroken toon en is het balkje van de gemarkeerde sensor geheel gevuld (zie afbeelding (2)). Als er zowel voor als achter de auto obstakels binnen deze afstand zijn waargenomen, komen de geluidssignalen beurtelings uit de luidsprekers aan linker- en rechterzijde. N.B.
04 Comfort en rijplezier Park Assist* N.B. Sensoren schoonmaken N.B. Park Assist aan de voorzijde wordt gedeactiveerd, wanneer u de parkeerrem zet of de keuzehendel in stand P zet bij een auto met automatische versnellingsbak. Vuil, sneeuw en ijs op de sensoren kunnen ten onrechte aanleiding geven tot waarschuwingssignalen. BELANGRIJK 04 Bij auto’s met verstralers erop letten dat de lampen de sensoren niet blokkeren en voor obstakels worden gehouden.
04 Comfort en rijplezier BLIS* – Blind Spot Information System Algemene informatie over BLIS WAARSCHUWING G021426 Het systeem vormt een aanvulling op – geen vervanging voor – een veilige rijstijl en het gebruik van de buitenspiegels. De bestuurder moet altijd oplettend en verantwoord blijven rijden. De bestuurder is er altijd verantwoordelijk voor dat er op een veilige manier van rijstrook wordt gewisseld.
04 Comfort en rijplezier BLIS* – Blind Spot Information System Activeren/deactiveren nen. (Voor een beschrijving van de meldingsfuncties, zie pagina 132.) Wanneer BLIS werkt Het systeem werkt alleen bij snelheden hoger dan 10 km/h. Inhalen Het systeem reageert als: • het snelheidsverschil tussen u en het inge04 haalde voertuig kleiner is dan 10 km/h • het snelheidsverschil tussen u en het inhaKnop voor activering/deactivering. BLIS wordt bij het starten van de motor automatisch geactiveerd.
04 Comfort en rijplezier BLIS* – Blind Spot Information System Displaymeldingen Melding Betekenis BLIS AAN BLIS-systeem geactiveerd. BLIS Service vereist BLIS werkt niet – neem contact op met een werkplaats. BLIS-camera afgedekt De BLIS-camera is bedekt met vuil, sneeuw of ijs – maak de lenzen schoon. Melding Betekenis BLIS Beperkte functie Beperkte gegevensoverdracht tussen de camera van het BLIS en het elektrische systeem van de auto.
04 Comfort en rijplezier BLIS* – Blind Spot Information System 04 Eigen schaduwen op grote, lichtgekleurde en gladde oppervlakken zoals geluidsschermen of betonnen wegen. Laag staande zon in de camera. 202 * Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
04 Comfort en rijplezier BLIS* – Blind Spot Information System 04 * Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
04 Comfort en rijplezier Interieurcomfort Opbergmogelijkheden 04 204
04 Comfort en rijplezier Interieurcomfort Opbergvak in portierpaneel Middenconsole Opbergzak* aan de voorkant van de voorstoelzittingen is, veert de knop automatisch uit. Haal de aansteker uit de opening en gebruik het roodgloeiende deel om bijvoorbeeld een sigaret mee aan te steken.
04 Comfort en rijplezier Interieurcomfort Vloermatten* 12V-aansluiting foon of koelbox. De transpondersleutel moet ten minste in sleutelstand I staan, anders geeft de aansluiting geen stroom, zie pagina 73. Volvo biedt vloermatten die speciaal vervaardigd zijn. BELANGRIJK WAARSCHUWING U kunt maximaal 10 A (120 W) via de aansluiting afnemen bij gebruik van één aansluiting tegelijk. Bij gelijktijdig gebruik van de beide aansluitingen geldt een waarde van 7,5 A (90 W) per aansluiting.
04 Comfort en rijplezier Interieurcomfort – Executive WAARSCHUWING Draai de flessen goed dicht voordat u ze in het koelbox bewaart en zorg dat het deurtje dicht blijft tijdens het rijden. N.B. Bij auto’s met een koelkast dient u de achterbank iets naar voren toe te klappen, voordat u de kofferbakmat kunt verwijderen. Klap de ruggedeelten om door aan de handgrepen te trekken (zie pagina 77). G021859 G021857 Achter de middenarmsteun van de achterbank zit een koelbox.
04 Comfort en rijplezier Bluetooth handsfree* Algemene informatie N.B. Niet alle mobiele telefoons zijn volledig compatibel met de handsfree-functie van het audiosysteem. Volvo adviseert u contact op te nemen met een erkende Volvowerkplaats of www.volvocars.com te bezoeken voor informatie over compatibele telefoons.
04 Comfort en rijplezier Bluetooth handsfree* symbool geeft aan dat de handsfreefunctie actief is. Wanneer u PHONE lang indrukt, deactiveert u de handsfree-functie en koppelt u een aangesloten telefoon los. Mobiele telefoon aansluiten Hoe u een mobiele telefoon aansluit hangt af van de vraag of dezelfde mobiele telefoon al dan niet eerder aangesloten was.
04 Comfort en rijplezier Bluetooth handsfree* functie wordt eveneens gedeactiveerd bij het afzetten van de motor of het openen van een portier1. Wanneer de mobiele telefoon is losgekoppeld, kunt u een eventueel lopend gesprek voortzetten via de ingebouwde microfoon en luidspreker van de mobiele telefoon. Menu tijdens gesprek Audio-instellingen Druk tijdens een gesprek op MENU of op ENTER om toegang te krijgen tot de volgende functies: Tel.-gespreksvol.
04 Comfort en rijplezier Bluetooth handsfree* Belsignalen Automatische aansluiting U kunt een van de ingebouwde beltonen van de handsfree-functie kiezen onder Telefooninstellingen Geluiden en volume Belsignalen Belsignaal 1 enz. Wanneer de handsfree-functie actief is en de laatst aangesloten mobiele telefoon binnen het bereik ligt, wordt deze telefoon automatisch opnieuw aangesloten. Terwijl het audiosysteem op zoek is naar de laatst aangesloten telefoon staat de naam van deze telefoon op het display.
04 Comfort en rijplezier Bluetooth handsfree* N.B. Als de mobiele telefoon geen ondersteuning biedt voor het kopiëren van het telefoonboek, verschijnt na afloop van het kopiëren de melding Lijst is leeg. Spraakherkenning U kunt gebruik maken van de spraakherkenningsfunctie (voice tags) van de mobiele telefoon door ENTER ingedrukt te houden. N.B. Als het telefoonboek de contactgegevens bevat van de persoon die belt, verschijnen deze op het display.
04 Comfort en rijplezier Bluetooth handsfree* Toets Functie MNO6ÑÖÒØ PQRS7ß TUV8ÜÙ WXYZ9 04 Kort indrukken om twee tekens op dezelfde toets na elkaar in te voeren. +0@*#&$£/% Wisselen tussen hoofdletters en kleine letters * Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
04 Comfort en rijplezier Geïntegreerde telefoon* Algemene informatie Beknopte bedieningsinstructies Simkaart Het telefoonsysteem is alleen te gebruiken in combinatie met een geldige simkaart (Subscriber Identity Module). Voor het aanbrengen ervan, zie pagina 217. Ook zonder een simkaart is het mogelijk het alarmnummer te bellen. N.B. 04 Systeemoverzicht. Microfoon De geïntegreerde telefoon kan geen simkaart van het type 3G lezen. Een gecombineerde simkaart voor 3G én gsm werkt echter wel.
04 Comfort en rijplezier Geïntegreerde telefoon* Inkomend gesprek Tijdens lopende gesprekken Ruggespraakstand Druk op ENTER voor handsfree bellen of neem de handset* op. Als de handset* bij een inkomend gesprek niet op de houder ligt, dient u het gesprek aan te nemen met ENTER. Druk tijdens een gesprek op MENU of op ENTER om het gespreksmenu te openen. Bij gebruik van de ruggespraakstand wordt de microfoon gedeactiveerd, zie pagina 214. Bellen Beëindig een gesprek met EXIT of leg de handset* op.
04 Comfort en rijplezier Geïntegreerde telefoon* Beltoonvolume. Stel bij met navigatietoets. / van de Telefoonboek Contactgegevens kunnen op de simkaart of in het telefoongeheugen worden vastgelegd. Contactpersonen vastleggen in telefoonboek 04 3. De inhoud van het bericht verschijnt op het display. Wanneer u nogmaals op ENTER drukt, verschijnen meer opties.
04 Comfort en rijplezier Geïntegreerde telefoon* bewaard met de ingekomen, uitgaande en gemiste oproepen. U kunt de uitgaande gesprekken ook bekijken door te drukken op ENTER. De telefoonnummers op de lijsten zijn vast te leggen in het telefoonboek. Gespreksduur De gespreksduur wordt vastgelegd onder Oproepregister Gespreksduur. Reset de waarden onder Oproepregister Gespreksduur Reset timers.
04 Comfort en rijplezier Geïntegreerde telefoon* Zorg dat de telefoon gedeactiveerd is. Trek de simkaarthouder uit het dashboardkastje tevoorschijn. Plaats de simkaart met het laag metaal omhoog in de simkaarthouder en breng de behuizing van de simkaarthouder aan. Plaats de simkaarthouder terug. 04 218 * Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
04 Comfort en rijplezier 04 219
Rijadviezen............................................................................................ Tanken.................................................................................................. Brandstof.............................................................................................. Lading vervoeren.................................................................................. Kofferbak ..........................................................................................
TIJDENS HET RIJDEN
05 Tijdens het rijden Rijadviezen Algemene informatie Zuinig rijden Zuinig rijden houdt in dat u anticiperend en rustig rijdt, en uw rijstijl en snelheid afstemt op de verkeerssituatie. • Rijd niet met open zijruiten. • Gebruik geen winterbanden buiten het winterseizoen. • Vermijd onnodig snel optrekken en krachtig remmen. • Bij een auto met motortype D5 in combinatie met een zestraps handbak geldt normaal de 2e versnelling als wegrijversnelling. Zie pagina 11 en 308 voor meer informatie en meer tips.
05 Tijdens het rijden Rijadviezen mogelijk tot stilstand en laat de motor enkele minuten stationair lopen zodat deze kan afkoelen. Geopend kofferdeksel WAARSCHUWING • Als de displaymelding Motortemp. hoog • • • Zet motor af of Koelvl.peil laag Zet motor af verschijnt, dient u nadat de auto tot stilstand is gekomen ook de motor af te zetten.
05 Tijdens het rijden Rijadviezen tegen vorst is het zaak geen verschillende soorten glycol met elkaar te mengen. • Houd de tank altijd goed gevuld om condens in de brandstoftank tegen te gaan. N.B. In sommige landen is het gebruik van winterbanden verplicht. Banden met spikes zijn niet in alle landen toegestaan. • De viscositeit van de motorolie is belangrijk.
05 Tijdens het rijden Tanken Tanken Tankvulklep handmatig openen Tankdop open-/dichtdraaien G024631 Tankvulklep openen/sluiten Open de tankvulklep met de knop op het verlichtingspaneel – bij het loslaten van de knop springt de klep open. De vulklep zit in het rechter achterspatbord, zoals de pijl bij het symbool op het informatiedisplay al aangeeft. Sluit de klep door deze dusdanig in te drukken dat u een klik hoort.
05 Tijdens het rijden Brandstof Algemene informatie over brandstof Gebruik geen brandstof met een slechtere kwaliteit dan Volvo adviseert, omdat dit een nadelige invloed kan hebben op het motorvermogen en het brandstofverbruik. WAARSCHUWING Zorg altijd dat u geen brandstofdampen inademt of brandstofspatten in de ogen krijgt. 05 Bij brandstof in de ogen eventuele contactlenzen uitnemen en de ogen ten minste 15 minuten lang spoelen met een ruime hoeveelheid schoon water en medische hulp inroepen.
05 Tijdens het rijden Brandstof Benzine Bio-ethanol (E 85) De benzine moet voldoen aan de norm NENEN 228. De meeste motoren lopen op benzine met een octaangetal van 95 en 98 RON. Gebruik benzine met een octaangetal van 91 RON alleen bij wijze van hoge uitzondering. Breng geen wijzigingen aan in het brandstofsysteem of de onderdelen daarvan en vervang ze evenmin door componenten die niet speciaal geconstrueerd zijn voor gebruik in combinatie met bio-ethanol.
05 Tijdens het rijden Brandstof BELANGRIJK Het is alleen toegestaan brandstof te gebruiken die voldoet aan de Europese norm voor dieselolie. Het zwavelgehalte mag maximaal 50 ppm zijn. BELANGRIJK 05 2. Druk op de START-knop zonder rem- en/ of koppelingspedaal te bedienen. • • • • speciale toevoegingen (dopes) 3. Wacht ca. 1 minuut. scheepsolie 4. Om de motor te starten: Bedien rem- en/of koppelingspedaal en druk nogmaals op de START-knop.
05 Tijdens het rijden Brandstof Wanneer het filter voor ca. 80 % met roetdeeltjes gevuld is, licht de oranje waarschuwingsdriehoek op het instrumentenpaneel op en verschijnt de melding Roetfilter vol Zie instructieb. op het display van het instrumentenpaneel. U start de regeneratie van het filter door met de auto op een secundaire weg of op een snelweg te rijden tot de motor voldoende op temperatuur is gekomen. Daarna rijdt u nog 20 minuten verder. N.B.
05 Tijdens het rijden Lading vervoeren Algemene informatie over vervoer van lading Het laadvermogen is afhankelijk van het rijklaar gewicht van de auto. Het laadvermogen dient te worden verminderd met de som van het gewicht van eventuele inzittenden en dat van gemonteerde accessoires. Voor gedetailleerde informatie over de gewichten, zie pagina 298. Het kofferdeksel is te openen met de knop op het verlichtingspaneel of met de transpondersleutel, zie pagina 54.
05 Tijdens het rijden Lading vervoeren • Controleer regelmatig of de lastdragers en Verankeringsogen Houder voor boodschappentassen* de lading goed vastzitten. Zet de lading stevig vast met sjorbanden. • Verdeel het gewicht van de lading gelijkmatig over de lastdragers. Leg de zwaarste voorwerpen onderop. • Naarmate u meer lading op het dak vervoert, vangt de auto meer wind en neemt het brandstofverbruik toe. • Rijd rustig.
05 Tijdens het rijden Lading vervoeren G021442 12V-aansluiting* 05 Open het klepje naar boven toe om bij de elektrische aansluiting te komen. Via de aansluiting is ook stroom af te nemen, wanneer de transpondersleutel niet in het contactslot steekt. N.B. Let erop dat u de aansluiting niet gebruikt wanneer de motor is afgezet, omdat anders het risico bestaat dat de accu uitgeput raakt. 232 * Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
05 Tijdens het rijden Kofferbak Doorsteekluik Luikje verwijderen U kunt het luikje in het ruggedeelte openen om lange en smalle voorwerpen te vervoeren. Open het luikje nadat u het hebt ontgrendeld, met het ruggedeelte omgeklapt, ca. 30 graden en trek het luikje recht omhoog. Luikje aanbrengen Plaats het luikje terug in de groeven achter de bekleding en sluit het luikje. Klap het rechter ruggedeelte naar voren toe om.
05 Tijdens het rijden Rijden met een aanhanger Algemene informatie Het laadvermogen is afhankelijk van het rijklaar gewicht van de auto. Het laadvermogen dient te worden verminderd met de som van het gewicht van eventuele inzittenden en dat van gemonteerde accessoires, zoals een trekhaak. Voor gedetailleerde informatie over de gewichten, zie pagina 298. Als de trekhaak door Volvo is gemonteerd, wordt de auto compleet aangeleverd met de benodigde randuitrusting voor het gebruik van een aanhanger.
05 Tijdens het rijden Rijden met een aanhanger N.B. De aangegeven maximaal toelaatbare aanhangergewichten zijn door Volvo bepaald. Let erop dat er op grond van de wetgeving voor motorvoertuigen in uw land verdere beperkingen van het aanhangergewicht en de snelheid kunnen gelden. Het is bovendien mogelijk dat de trekhaak gespecificeerd is voor hogere gewichten dan het maximaal toelaatbare aanhangergewicht van de auto. WAARSCHUWING Houd u aan de opgegeven aanbevelingen voor het aanhangergewicht.
05 Tijdens het rijden Rijden met een aanhanger Trekhaak Afneembare trekhaak opbergen Specificaties Als de auto is uitgerust met een afneembare trekhaak, dienen de montagevoorschriften voor het bevestigen van het afneembare gedeelte zorgvuldig te worden opgevolgd, zie pagina 237. WAARSCHUWING • Volg de montage-instructies nauwkeurig op. • Zorg dat het afneembare gedeelte met de sleutel vergrendeld is voordat u begint te rijden. • Controleer of het controlevenster groen van kleur is.
05 Tijdens het rijden Rijden met een aanhanger 1 1127 2 93 3 855 4 428 5 112 6 360 7 Langsligger 8 Middelpunt kogel G021488 Het controlevenster moet rood van kleur zijn. 05 G021489 Afmetingen, bevestigingspunten (mm) Verwijder de afdekking door de pal in te drukken en de afdekking vervolgens recht naar achteren te trekken . G021487 G021484 G018928 Trekhaak bevestigen Breng de trekhaak aan en duw deze naar binnen totdat u een klik hoort.
05 Tijdens het rijden Het controlevenster moet groen van kleur zijn. Controleer of de trekhaak vastzit door deze stevig omhoog, omlaag en naar achteren te bewegen. WAARSCHUWING 05 G000000 Als de trekhaak niet goed zit, moet u deze verwijderen en opnieuw monteren zoals eerder werd beschreven. Draai de sleutel linksom naar de vergrendelde stand. Neem de sleutel uit het slot. BELANGRIJK G021495 G021494 G021490 Rijden met een aanhanger Veiligheidskabel.
05 Tijdens het rijden Rijden met een aanhanger WAARSCHUWING Zet de trekhaak goed vast, wanneer u deze in de auto bewaart, zie pagina 236. G018929 Druk de vergrendelingsknop in en draai totdat u een klik hoort. deze linksom Duw de afdekking er zo ver op dat deze vastklikt. 05 Draai de vergrendelingsknop volledig omlaag totdat deze niet verder kan. Houd de knop in deze stand vast terwijl u de trekhaak schuin naar achteren toe omhoogtrekt.
05 Tijdens het rijden Slepen en bergen Slepen WAARSCHUWING Controleer voordat u de auto gaat slepen wat de toegestane maximumsnelheid is voor slepen. De rembekrachtiging en de stuurbekrachtiging werken niet wanneer de motor uitgeschakeld is. U moet ongeveer vijfmaal zo hard op het rempedaal trappen en de auto stuurt aanzienlijk zwaarder dan normaal. 1. Steek de transpondersleutel in het contactslot om het stuurslot op te heffen zodat de auto bestuurbaar wordt, zie pagina 73. 2.
05 Tijdens het rijden Slepen en bergen Sleepoog Het sleepoog dient te worden vastgeschroefd in een draadbus achter een afdekking in de bumper, voor of achter. Sleepoog bevestigen verschillende manieren moeten worden geopend: • U opent de versie met een uitsparing door een muntstuk of iets dergelijks in de uitsparing aan te brengen en de afdekking los te werken. Klap de afdekking daarna helemaal los en verwijder deze.
Algemene informatie ............................................................................ Wielen verwisselen ............................................................................... Bandenspanning .................................................................................. Gevarendriehoek en EHBO-set*........................................................... Provisorische bandenreparatie (TMK)* ................................................
WIELEN EN BANDEN
06 Wielen en banden Algemene informatie Rijeigenschappen Banden zijn van grote invloed op de rijeigenschappen van de auto. Zowel het type, de maat, de bandenspanning als de snelheidsklasse zijn belangrijk voor het rijgedrag van de auto. schappen van de auto af en kunnen de banden regen, sneeuw en drab minder goed afvoeren. Nieuwe banden Monteer de banden met het diepste profiel altijd op de achteras (om het gevaar voor slippen te verminderen). N.B.
06 Wielen en banden Algemene informatie De juiste bandenspanning levert een gelijkmatiger slijtage op, zie pagina 252. De rijstijl, de bandenspanning, het klimaat en de staat van de wegen zijn van invloed op de snelheid waarmee de banden verouderen en slijten. Om verschillen in profieldiepte te voorkomen en slijtpatronen tegen te gaan kunt u de wielen op de voor- en achteras onderling van plaats verwisselen. Voer de eerste wissel na ca. 5000 km uit en doe dat daarna om de 10.000 km opnieuw.
06 Wielen en banden Algemene informatie Gereedschap Plaats het blok schuimrubber en het reservewiel in omgekeerde volgorde terug. Let erop dat er op het bovenste blok schuimrubber een pijl staat. Deze pijl dient naar de voorkant van de auto wijzen. BELANGRIJK Bewaar gereedschap en krik* op de daarvoor bestemde plaats in de bagageruimte wanneer u ze niet nodig hebt. Onder de vloer in de bagageruimte vindt u het sleepoog van de auto, de krik* en de wielsleutel*.
06 Wielen en banden Algemene informatie Specificaties De auto is voorzien van een typegoedkeuring voor de uitvoering waarin deze werd aangeleverd. Dat betekent dat niet alle velg- en bandcombinaties goedgekeurd zijn. Voor de toegestane combinaties. zie pagina 310 Afmetingen wiel (velg) Wielen (velgen) zijn voorzien van een maataanduiding, bijvoorbeeld: 7Jx16x50.
06 Wielen en banden Algemene informatie WAARSCHUWING De auto moet worden uitgerust met banden die minimaal de gespecificeerde lastindex (LI) en snelheidsklasse (SS) hebben. Bij gebruik van banden met een te lage lastindex of snelheidsklasse kunnen de banden oververhit raken.
06 Wielen en banden Wielen verwisselen 1. Haal de parkeerrem aan en schakel de achteruitversnelling in of zet de keuzehendel in stand P, als de auto een automatische versnellingsbak heeft. N.B. Volvo adviseert u alleen de krik te gebruiken* die bij de auto hoort, zoals aangegeven op de kriksticker. Op de sticker staat tevens de maximale hefcapaciteit bij de vermelde minimale hefhoogte. 2. Neem het reservewiel*, de krik* en de wielsleutel* erbij die onder de mat in de kofferbak liggen.
06 Wielen en banden Wielen verwisselen BELANGRIJK De ondergrond dient vast en egaal te zijn en niet te hellen. 8. Breng de auto zo ver omhoog dat het wiel van de grond komt. Verwijder de wielbouten en til het wiel eraf. Aanbrengen 1. Reinig de contactvlakken tussen het wiel en de naaf. 2. Breng het wiel aan. Haal de wielbouten stevig aan. 3. Breng de auto zo ver omlaag dat het wiel niet meer ongehinderd kan draaien. 4. Draai de wielbouten kruiselings vast.
06 Wielen en banden Wielen verwisselen Reservewiel erbij nemen 1. Pak vloer in de bagageruimte aan de achterzijde beet en klap deze naar voren toe omhoog. 2. Draai de bevestigingsbout los. 3. Til het blok schuimrubber met het gereedschap erin uit de auto. 4. Til het reservewiel uit de auto.
06 Wielen en banden Bandenspanning Bandenspanning Brandstofbesparing, ECObandenspanning Voor een zo laag mogelijk brandstofverbruik wordt geadviseerd de aangegeven bandenspanning (zowel bij maximale als lichte belading) aan te houden bij snelheden tot 160 km/h. Bandenspanning controleren G021830 Controleer iedere maand de bandenspanning.
06 Wielen en banden Gevarendriehoek en EHBO-set* Gevarendriehoek De gevarendriehoek is met twee clips aan de binnenkant van het kofferdeksel bevestigd. Haal de houder met de gevarendriehoek los door de twee kliksluitingen naar buiten te trekken. Neem de gevarendriehoek uit de houder, klap de driehoek uit en bevestig de twee losse zijden aan elkaar. Klap de steunpoten van de gevarendriehoek uit. Volg de geldende bepalingen voor het gebruik van een gevarendriehoek.
06 Wielen en banden Provisorische bandenreparatie (TMK)* Algemene informatie N.B. Overzicht De bandenreparatieset is uitsluitend bedoeld voor het afdichten van banden met een lek in het loopvlak. De bandenreparatieset leent zich minder goed voor banden met een gat in het zijvlak. Probeer geen banden met de provisorische bandenreparatieset af te dichten die grote groeven, scheuren en dergelijke vertonen.
06 Wielen en banden Provisorische bandenreparatie (TMK)* Lekke band repareren WAARSCHUWING Het afdichtmiddel kan aanleiding geven tot huidirritatie. Was bij huidcontact het getroffen gebied onmiddellijk schoon met water en zeep. 3. Controleer of de knop in stand 0 staat en neem de kabel en de luchtslang erbij. N.B. Voor het gebruik de verzegeling van de bus niet verbreken. Bij het indraaien van de bus wordt de verzegeling automatisch verbroken. 4.
06 Wielen en banden Provisorische bandenreparatie (TMK)* BELANGRIJK Er bestaat gevaar voor oververhitting. De compressor mag niet langer dan 10 minuten achtereen werken. 10. Schakel de compressor uit om de bandenspanning van de manometer af te lezen. De bandenspanning dient minimaal 1,8 bar en maximaal 3,5 bar te bedragen. (Laat eventueel lucht ontsnappen met het drukreduceerventiel, als de bandenspanning te hoog is.
06 Wielen en banden Provisorische bandenreparatie (TMK)* Band oppompen De compressor is berekend op het oppompen van de originele banden die op de auto zitten. 1. De compressor moet uitstaan. Zorg dat de knop in stand 0 staat en neem de kabel en de luchtslang erbij. 2. Draai het ventieldopje van het wiel los en schroef de ventielaansluiting van de luchtslang zo ver mogelijk op het ventiel van de band. WAARSCHUWING Inademen van uitlaatgassen kan levensgevaarlijk zijn.
Motorruimte.......................................................................................... Gloeilampen.......................................................................................... Wisserbladen en ruitensproeiervloeistof............................................... Accu...................................................................................................... Zekeringen............................................................................................ Verzorging.
ONDERHOUD EN SERVICE
07 Onderhoud en service Motorruimte Algemene informatie Serviceprogramma van Volvo Om de verkeersveiligheid, bedrijfszekerheid en betrouwbaarheid van de auto op een hoog peil te houden, dient u de voorschriften van het Serviceprogramma van Volvo op te volgen zoals die omschreven staan in het Service- en garantieboekje van Volvo. Volvo adviseert u om service- en onderhoudswerkzaamheden over te laten aan een erkende Volvo-werkplaats.
07 Onderhoud en service Motorruimte Motorruimte, overzicht Vulopening voor ruitensproeiervloeistof Luchtfilter WAARSCHUWING G010951 Het ontstekingssysteem werkt met zeer hoge spanning. De spanning in het ontstekingssysteem is levensgevaarlijk. Houd de transpondersleutel altijd in stand 0 bij werkzaamheden in de motorruimte, zie pagina 73. Haal de borghaak naar links om de motorkap te openen. (De borghaak zit tussen de koplamp en de grille zoals afgebeeld.
07 Onderhoud en service Motorruimte BELANGRIJK Om aan de vereisten voor de gespecificeerde service-intervallen te voldoen worden alle motoren in de fabriek gevuld met een speciaal aangepaste, synthetische motorolie. De oliesoort werd met grote zorg geselecteerd lettend op de levensduur van de motor, de startgewilligheid, het brandstofverbruik en de milieu-impact. een oliedruksensor wordt gebruik gemaakt van een waarschuwingslampje voor de oliedruk.
07 Onderhoud en service Motorruimte afzetten van de motor krijgt u een verkeerd resultaat. De peilstok geeft dan een te laag peil aan, omdat de olie geen tijd heeft gehad om terug te lopen naar het oliecarter. 2. Controleer het peil met de peilstok. De olie moet tussen het MIN- en MAX-streepje staan. 3. Als de olie dichter bij het MIN-streepje ligt, kunt u eerst 0,5 liter olie bijvullen. Vul bij totdat de olie dichter bij het MAX-streepje dan bij het MIN-streepje op de peilstok ligt.
07 Onderhoud en service Motorruimte Koelvloeistof Melding 07 264 Motoroliepeil OK In orde. Motoroliepeil Een ogenblik... Het systeem wordt opgestart, verschijnt ca. 2 seconden lang. Motoroliepeil Vul 1 l olie bij Motorolie bijvullen Motoroliepeil Service vereist Verschijnt wanneer het systeem een storing geregistreerd heeft die verholpen moet worden, voordat de juiste peilaanduiding kan worden gegeven. Koelvloeistof controleren en bijvullen Volg de aanwijzingen op de verpakking op.
07 Onderhoud en service Motorruimte Voor de aan te houden hoeveelheden en de aanbevolen vloeistofkwaliteit, zie pagina 305. Controleer de koelvloeistof regelmatig De koelvloeistof moet tussen het MIN- en MAX-streepje op het expansiereservoir staan. Als u het reservoir niet goed gevuld houdt, kan de temperatuur in het systeem dusdanig hoog oplopen dat er gevaar voor motorschade ontstaat. WAARSCHUWING De koelvloeistof kan bijzonder heet zijn.
07 Onderhoud en service Motorruimte BELANGRIJK Houd bij een controle het gebied rond het reservoir voor stuurbekrachtigingsvloeistof goed schoon. De dop niet losdraaien. Controleer het peil bij iedere servicebeurt. U hoeft de vloeistof niet te verversen. De vloeistof moet tussen het MIN- en MAX-streepje staan. Voor de aanbevolen vloeistofkwaliteit en de aan te houden hoeveelheden, zie pagina 305. N.B.
07 Onderhoud en service Gloeilampen Algemene informatie Koplampen Koplamphuis verwijderen 1. Druk kort op de knop START/STOP ENGINE. Alle gloeilampen van de auto vermeld, zie pagina 272. Gloeilampen en puntverlichting van een bijzonder type of lampen die alleen in een werkplaats te vervangen zijn: Trek de borgpennen van het koplamphuis naar buiten. Interieurverlichting aan het plafond Leeslampjes Trek het koplamphuis recht naar voren toe.
07 Onderhoud en service Gloeilampen 2. Plaats het koplamphuis terug en breng de borgpennen aan. Controleer of u ze op de juiste manier hebt ingebracht. Plaats de afdekking in omgekeerde volgorde terug. 3. Controleer de verlichting. Dimlicht, halogeen Groot licht, halogeen Het koplamphuis moet gemonteerd zijn en de connector correct aangesloten zijn, voordat u de verlichting inschakelt of de transpondersleutel in het contactslot steekt.
07 Onderhoud en service Gloeilampen G021750 G021748 Richtingaanwijzers/knipperlichten G021749 Stadslichten vóór en achterlichten Verstralers, xenon* 1. Haal het koplamphuis los. 1. Haal het koplamphuis los. 1. Haal het koplamphuis los. 2. Verwijder de afdekking, zie pagina 268. 2. Verwijder de afdekking, zie pagina 268. 2. Verwijder de kleine, ronde afdekking. 3. Haal de gloeilamp los door de houder omlaag te duwen. 3.
07 Onderhoud en service Gloeilampen Sidemarker Plaats de onderdelen in omgekeerde volgorde terug. 6. Plaats de gloeilamphouder terug. Zorg dat het opschrift TOP op de gloeilamphouder omhoogwijst. Mistlampen voorzijde G021754 Lees de tekst op zie pagina 267 door alvorens een gloeilamp te vervangen. G021753 G021751 Achterlamphuis 1. Haal het koplamphuis los. 2. Verwijder de kleine, ronde afdekking. 3. Trek aan de kabel om de lamphouder tevoorschijn te halen. 07 4.
07 Onderhoud en service Gloeilampen 5. Druk de lamphouder in positie en plaats het luikje terug. Kentekenplaatverlichting Mistachterlicht (een zijde) Achteruitrijlicht N.B. Als een foutmelding niet verdwijnt nadat de kapotte gloeilamp is vervangen, dan wordt u geadviseerd een erkende Volvo-werkplaats te bezoeken.
07 Onderhoud en service Gloeilampen Kofferbakverlichting Verlichting make-upspiegel Spiegelglas aanbrengen Spiegelglas verwijderen 1. Duw de drie borgnokjes aan de bovenkant van het spiegelglas terug. 2. Duw vervolgens de onderste drie nokjes vast. Specificatie gloeilampen W Type Verstralers, xenon, ABL 55 H7 Dimlicht, halogeen 55 H7 Groot licht, halogeen 65 H9 Remlichten 21 P21W Achteruitrijlicht 21 P21W Mistachterlicht 21 P21W Richtingaanwijzers voorzijde 21 H21W 3.
07 Onderhoud en service Gloeilampen Verlichting W Type Bagageruimte-, kentekenplaatverlichting 5 Buislampje SV8,5 Make-upspiegel 1,2 W2x4,6D Stadslichten/parkeerlichten voorzijde 5 W5W Sidemarkers voorzijde 5 W5W Verlichting dashboardkastje 5 Buislampje SV8,5 07 273
07 Onderhoud en service Wisserbladen en ruitensproeiervloeistof Wisserbladen Servicestand Wisserbladen vervangen Haal de wisserarm van de ruit af. Druk op de knop die op de wisserbladhouder zit en trek het wisserblad evenwijdig aan de wisserarm los. Duw het nieuwe wisserblad zo ver naar binnen dat u een klik hoort. Controleer of het blad goed vastzit. 1. Zet de transpondersleutel in sleutelstand 0, zie pagina 73, maar laat de transpondersleutel in het contactslot zitten. 07 2.
07 Onderhoud en service Wisserbladen en ruitensproeiervloeistof BELANGRIJK Voor de hoeveelheden, zie pagina 305. Controleer de wisserbladen regelmatig. Bij achterstallig onderhoud gaan de wisserbladen minder lang mee. Vulopening voor ruitensproeiervloeistof De sproeiers van de voorruit en de koplampen staan in verbinding met hetzelfde vloeistofreservoir.
07 Onderhoud en service Accu Waarschuwingssymbolen op de accu Vermijd vonken en open vuur. Draag een veiligheidsbril. BELANGRIJK Gebruik nooit een snellader voor het opladen van de accu. WAARSCHUWING Explosiegevaar. Zie voor meer informatie het instructieboekje dat bij de auto hoort. Bewaar accu’s buiten het bereik van kinderen. N.B. Zamel oude accu’s op een milieuvriendelijke manier in, omdat ze lood bevatten. Gebruik De accu bevat een bijtend zuur.
07 Onderhoud en service Accu N.B. Hoe vaker de accu ontladen raakt, des te minder lang gaat de accu mee. Vervangen Verwijderen De levensduur van de accu wordt bepaald door uiteenlopende factoren, waaronder de rijomstandigheden en het klimaat. De accu verliest na verloop van tijd aan startcapaciteit en moet daarom bijgeladen worden, als er langere tijd achtereen niet of slechts korte afstanden met de auto wordt gereden. Ook bij strenge vorst neemt de startcapaciteit af.
07 Onderhoud en service Accu WAARSCHUWING Zorg dat u de plus- en minkabels in de juiste volgorde loskoppelt en/of aansluit. 2. Duw de accu naar binnen en gelijktijdig opzij totdat de accu tegen de achterkant van de accubak aankomt. 3. Bevestig de accu met behulp van de accuklem. 4. Sluit de ontluchtingsslang aan. Koppel de zwarte minkabel los 6. Sluit de zwarte minkabel aan. Koppel de ontluchtingsslang van de accu los 7. Duw de achterste afdekking vast (zie Verwijderen).
07 Onderhoud en service Zekeringen Algemene informatie Om te voorkomen dat de elektrische systemen van de auto beschadigd raken door kortsluiting of overbelasting, worden alle verschillende elektrische functies en onderdelen door een aantal zekeringen beschermd. Als een van de elektrische onderdelen of functies niet werkt, is het mogelijk dat de bijbehorende zekering overbelast werd en daardoor gesmolten is.
07 Onderhoud en service Zekeringen Motorruimte 07 280
07 Onderhoud en service Zekeringen Algemene informatie over de zekeringen in de motorruimte Functie A Functie A Aan de binnenkant van het deksel zit een speciale trekker waarmee u de zekeringen gemakkelijker kunt verwijderen en aanbrengen.
07 Onderhoud en service Zekeringen 07 Functie A Functie A Functie A Verstralers* 20 Regelmodule motor, gasklep benzine 10 Waterpomp (V8) 10 Claxon 15 15 Vacuümpomp, carterventilatie (5-cil. turbo, 2.0 GTDI) 20 Regelmodule motor, gasklep diesel Regelmodule motor 10 Regelmodule automatische versnellingsbak* 15 Compressor AC 15 Relais sproeiers 5 Relais startmotor 30 Bobines 4-cil. benzine, regelmodule gloeiregeling 10 Bobines 5- en 6-cil. benzine 20 Bobines 8-cil.
07 Onderhoud en service Zekeringen Onder dashboardkastje Posities Hou der A Functie A Hoofdzekering regelmodule audio 40 Lagetonenluidspreker - - - - Hou der A Functie A - - - - - - 12V-aansluiting kofferbak 15 Bedieningspaneel bestuurdersportier 20 Hou der A Functie A Bedieningspaneel voorste passagiersportier 20 Bedieningspaneel achterste passagiersportier rechts 20 Bedieningspaneel achterste passagiersportier links 20 07 `` 283
07 Onderhoud en service Zekeringen Hou der A Functie A Keyless drive* 20 Elektrisch bedienbare bestuurdersstoel* 20 Elektrisch bedienbare passagiersstoel* 20 Omklapbare hoofdsteunen* 15 - 07 Functie A Stoelverwarming passagierszijde 15 Stoelverwarming bestuurderszijde 15 - - Functie A - - - - Interieurverlichting, elektrisch bedienbare voorstoel* 7,5 10 Informatiedisplay (DIM) 5 15 Adaptieve cruisecontrol (ACC)*, Collision Warning* 10 Zittingverwarming passagierszijde* rec
07 Onderhoud en service Zekeringen Hou der B Functie A Hou der B Functie A Brandstofpomp 20 Schuifdak* 20 Ontvanger transpondersleutel, alarm*, klimaatregeling 5 Startblokkering 5 Stuurslot 15 Alarm/OBDII 5 - - A Airbag 10 Collision Warning, radarsensor vooraan 5 Gaspedaal, elektrische motorverwarming (diesel), elektrisch verstelbare buitenspiegels*, achterbankverwarming* 7,5 Infotainment (ICM), cd & radioA 15 Remlichten 5 Uitgezonderd Premium of High Performance. N.B.
07 Onderhoud en service Zekeringen Kofferbak/bagageruimte Het kastje zit achter de bekleding aan de linkerzijde. Posities 07 286 Zekeringhouder achterin A Elektrische parkeerrem links 30 Elektrische parkeerrem rechts 30 Elektrisch verwarmde achterruit 30 Trekhaakaansluiting 2* 15 * Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
07 Onderhoud en service Verzorging Auto wassen BELANGRIJK Was de auto zodra deze vuil geworden is. Zorg dat de auto op een spoelvloer met olieafscheider staat. Gebruik autoshampoo. Vuile koplampen werken minder goed. Maak ze daarom regelmatig schoon, tijdens het tanken bijvoorbeeld. • Verwijder vogelpoep zo spoedig mogelijk van de lak. Vogelpoep bevat namelijk stoffen die de lak aantasten en deze zeer snel doen verkleuren.
07 Onderhoud en service Verzorging Remmen testen WAARSCHUWING Test na het wassen van de auto altijd de remmen (en dus ook de handrem) om te voorkomen dat vocht en corrosie de remblokken aantasten, waardoor de remwerking afneemt. Trap zo nu en dan lichtjes op het rempedaal, als u lange afstanden in de regen of sneeuwmodder aflegt. Door de wrijving worden de remblokken warm, zodat het vocht verdampt. Doe hetzelfde bij zeer vochtig of koud weer.
07 Onderhoud en service Verzorging Waterafstotende laag* Gebruik nooit producten zoals autowas, ontvetters e.d. op het glasoppervlak, omdat de waterafstotende laag daardoor beschadigd kan raken. Wees voorzichtig bij het schoonmaken om te voorkomen dat er krassen in het glasoppervlak ontstaan. Om schade aan het glas te voorkomen dient u voor het verwijderen van ijs alleen een krabber van kunststof te gebruiken. De waterafstotende laag staat bloot aan natuurlijke slijtage.
07 Onderhoud en service Verzorging gingsproduct waarmee u leren bekleding kunt schoonmaken en de beschermende laag kunt herstellen, mits u de instructies opvolgt. Na enig tijd in gebruikt te zijn geweest krijgt het leer zijn natuurlijke patina, afhankelijk van de oppervlaktestructuur. Een dergelijk patina maakt deel van het natuurlijke verouderingsproces van het leer en geeft aan dat het om een natuurproduct gaat.
07 Onderhoud en service Verzorging Matten en kofferbak Kleurcode Steenslagschade herstellen Haal de inlegmatten uit de auto om de vloerbekleding en de inlegmatten ieder apart schoon te kunnen maken. Gebruik een stofzuiger om vuil en stof te verwijderen. De lak vormt een belangrijk onderdeel van de roestwering van de auto en moet daarom regelmatig worden gecontroleerd. Om roestvorming te voorkomen moet u lakschade direct herstellen.
07 Onderhoud en service Verzorging 3. Krassen kunt u op dezelfde manier herstellen, maar dek ter bescherming de onbeschadigde lak rond de kras af. 4. Poets de herstelde lak na enkele dagen op. Gebruik daarvoor een zachte doek met een geringe hoeveelheid schuurpasta. N.B. Als de steenslagplek niet tot op het blanke plaatwerk is doorgedrongen en er nog een intacte laklaag over is, volstaat het om na reiniging van het beschadigde gebied de ontbrekende lak aan te brengen.
07 Onderhoud en service 07 293
Type-aanduidingen............................................................................... Maten en gewichten.............................................................................. Motorspecificaties................................................................................. Motorolie............................................................................................... Vloeistoffen en smeermiddelen............................................................. Brandstof.............
SPECIFICATIES
08 Specificaties Type-aanduidingen Positie van stickers en plaatjes 08 296
08 Specificaties Type-aanduidingen Wanneer u contact opneemt met uw erkende Volvo-werkplaats of vervangende onderdelen of accessoires wilt bestellen, kan het handig zijn om de type-aanduiding, het chassisnummer en het motornummer bij de hand te hebben. Type-aanduiding, chassisnummer, maximaal toelaatbaar gewicht, kleurcodes voor lak en bekleding en typegoedkeuringsnummer. Bij het openen van het rechter achtportier is de sticker zichtbaar. N.B.
08 Specificaties Maten en gewichten Maten Maten 08 298 mm Maten mm A Wielbasis 2835 H Spoorbreedte achteras 1585 B Lengte 4851 I Laadbreedte, vloer 1130 C Laadlengte, vloer, achterbank neergeklapt 1927 J Breedte 1861 K Laadlengte, vloer 1094 Breedte incl.
08 Specificaties Maten en gewichten N.B. Het gedocumenteerde rijklaar gewicht geldt voor een auto in standaarduitvoering – d.w.z. een auto zonder extra uitrusting of accessoires. Dit betekent dat voor ieder accessoire dat wordt toegevoegd het laadvermogen van de auto met het gewicht van het desbetreffende accessoire moet worden verminderd. WAARSCHUWING Afhankelijk van de belading van de auto en het zwaartepunt van de lading treden er wijzigingen in de rijeigenschappen op. Max.
08 Specificaties Maten en gewichten Trekgewicht en kogeldruk 08 Motor Versnellingsbak Max. gewicht geremde aanhanger (kg) Max. kogeldruk (kg) 2.0F Automaat, MPS6 1000 50 Alle Alle (behalve 2.0F met automaat, MPS6) 1200 50 2.0 Handbak, MTX75 1320 75 2.0F Handbak, MTX75 1320 75 2.5FT Handbak, M66 1600 75 2.5FT Automaat, TF-80SC 1800 90 2.5T Handbak, M66 1600 75 2.5T Automaat, TF-80SC 1800 90 3.
08 Specificaties Maten en gewichten Max. gewicht ongeremde aanhanger (kg) 750 Max. kogeldruk (kg) 50 N.B. Voor aanhangers/caravans zwaarder dan 1800 kg wordt een trillingsdemper op de trekhaak geadviseerd.
08 Specificaties Motorspecificaties Motorspecificaties A 08 302 Model Motorcode Vermogen (kW bij omw/ min) Vermogen (pk bij omw/ min) Motorkoppel (Nm bij omw/ min) Aantal cilinders Cilinderboring (mm) Slaglengte (mm) Slagvolume (liter) Compressieverhouding 2.0 B4204S3 107/6000 145/6000 190/4500 4 87 83,0 1,999 10,8:1 2.0F B4204S4 107/6000 145/6000 190/4500 4 87 83,0 1,999 10,8:1 2.5FT B5254T8A 147/4800 200/4800 300/1500–4500 5 83 93,2 2,521 9,0:1 2.
08 Specificaties Motorolie Ongunstige rijomstandigheden In ongunstige rijomstandigheden kunnen de olietemperatuur en het olieverbruik abnormaal toenemen. Hier volgen enkele voorbeelden van ongunstige rijomstandigheden. Controleer het oliepeil vaker bij lange ritten: • met een caravan of aanhanger achter de auto • in bergachtig gebied • op hoge snelheden • in temperaturen lager dan –30 °C of hoger dan +40 °C Het bovenstaande geldt ook tijdens kortere ritten bij lage temperaturen.
08 Specificaties Motorolie Motoroliekwaliteit Motortype Motorcode Bij te vullen hoeveelheid tussen MIN en MAX (liter) Hoeveelheid, incl. oliefilter (liter) A 08 304 2.5FT B5254T8A Oliekwaliteit: ACEA A5/B5 1,3 5,5 2.5FT B5254T11 Viscositeit: SAE 0W-30 1,3 5,5 2.5 B5254T10 1,3 5,5 3.2 B6324S5 1,2 6,8 T6 B6304T4 1,2 6,8 V8 B8444SA 1,1 7,0 D3 D5204T2 1,0 5,9 D5 D5244T10 1,0 5,9 2.0 B4204S3 Oliekwaliteit: ACEA A5/B5 0,8 4,3 2.
08 Specificaties Vloeistoffen en smeermiddelen Overige vloeistoffen en smeermiddelen Handgeschakelde versnellingsbak Hoeveelheid (liter) MMT6 1,7 MTX75 1,8 M66 1,9 Automatische versnellingsbak Voorgeschreven versnellingsbakolie BOT 350M3 Hoeveelheid (liter) MPS6 7,3 TF-80SC 7,0 Voorgeschreven versnellingsbakolie BOT 341 Vloeistof Systeem Hoeveelheid (liter) Koelvloeistof 2.0, 2.0F 7,8 2.0T, 2.5, 2.5FT, 3.
08 Specificaties Vloeistoffen en smeermiddelen A Vloeistof Systeem Brandstof Benzinemotor ca. 70 Benzine: zie pagina 227 Dieselmotor ca. 70 Dieselolie: zie pagina 227 De waterkwaliteit dient te voldoen aan de norm STD 1285,1. N.B. Onder normale rijomstandigheden hoeft u de versnellingsbakolie nooit te verversen. Onder ongunstige rijomstandigheden moet de olie mogelijk wel worden ververst, zie pagina 305.
08 Specificaties Brandstof CO2-uitstoot en brandstofverbruik A B C 2.0 273 11,4 156 6,5 199 8,3 2.0FA 273 11,4 156 6,5 199 8,3 2.0FA 271 11,5 164 6,9 203 8,5 2.0T 256 11,0 142 6,1 184 7,9 2.0T 265 11,4 152 6,5 193 8,3 2.5T 299 12,5 151 6,3 206 8,6 2.5T 338 14,2 165 6,9 229 9,6 2.5FTA 299 12,5 151 6,3 206 8,6 2.
08 Specificaties Brandstof A A 08 C 3,2 AWD 319 13,7 163 7,0 219 9,4 T6 AWD 337 14,5 170 7,3 231 9,9 V8 AWD 422 18,0 204 8,7 284 12,1 D3 185 7,1 112 4,3 139 5,3 D3 205 7,8 124 4,7 154 5,9 D5 178 6,7 116 4,4 139 5,3 D5 233 8,8 128 4,9 166 6,3 D5 AWD 254 9,6 145 5,5 184 7,0 FlexiFuel-modellen kunnen op een willekeurige soort loodvrije benzine (95 RON) of op bio-ethanol (E85) rijden of op een mengsel daarvan.
08 Specificaties Brandstof van belading van de auto zorgt voor een verhoging van het brandstofverbruik en de uitstoot van kooldioxide. Er zijn meerdere oorzaken aan te geven voor een verhoogd brandstofverbruik ten opzichte van de tabelwaarden. Daarbij valt te denken aan factoren als: • uw rijstijl. • de grotere rolweerstand als u kiest voor grotere wielen dan de standaardwielen op de basisuitvoering van het model. • de grotere luchtweerstand bij hogere snelheden.
08 Specificaties Wielen en banden, maten en spanning Goedgekeurde maten In bepaalde landen staan niet alle goedgekeurde maten aangegeven op het kentekenbewijs of andere autopapieren. In de onder- Motor FWD/ handb./ AWD autom. staande tabel staan alle goedgekeurde combinaties velg- en bandcombinaties alsook de minimaal toelaatbare lastindex (LI) en -snelheidsklasse (SS).
08 Specificaties Wielen en banden, maten en spanning Motor FWD/ handb./ AWD autom. LI SS 205/60R16 225/55R16 7Jx16x50 7Jx16x50 225/50R17 245/45R17 245/40R18 7Jx17x50 8Jx17x55 8Jx18x55 7,5Jx17x55 2.0T B4204T6 FWD handb./ autom. 92 V Ⴋ Ⴋ Ⴋ Ⴋ Ⴋ 2.0 B4204S3 FWD handb./ autom. 92 H Ⴋ Ⴋ Ⴋ Ⴋ Ⴋ 2.0F B4204S4 FWD handb./ autom. 92 H Ⴋ Ⴋ Ⴋ Ⴋ Ⴋ D2 D4164T FWD handb.
08 Specificaties Wielen en banden, maten en spanning Goedgekeurde bandenspanningswaarden Variant Bandenmaat Snelheid Belading, 1–3 inzittenden Max. belading (km/h) V8 225/50 R 17 245/45 R 17 245/40 R 18 ECO-bandenspanningA Voor Achter Voor Achter Voor/achter (kPa)B (kPa) (kPa) (kPa) (kPa) 0-160 240 220 260 260 260 160 + 300 300 310 310 - 0-160 220 210 260 260 260 160 + 280 280 300 300 - 0-160 240 220 260 260 260 160 + 270 270 290 290 - 3.
08 Specificaties Wielen en banden, maten en spanning Variant Bandenmaat Snelheid Belading, 1–3 inzittenden Max. belading (km/h) D5 ECO-bandenspanningA Voor Achter Voor Achter Voor/achter (kPa)B (kPa) (kPa) (kPa) (kPa) 225/55 R 16 0-160 220 210 260 260 260 225/50 R 17 160 + 260 260 270 270 - 0-160 230 210 260 260 260 160 + 260 260 270 270 - 245/45 R 17 245/40 R 18 2.0 225/55 R 16 0-160 220 210 260 260 260 2.0F 225/50 R 17 160 + 260 260 270 270 - 2.
08 Specificaties Elektrisch systeem Elektrisch systeem Op de auto zit een wisselstroomdynamo met spanningsregelaar. Het elektrische systeem is enkelpolig en gebruikt het chassis en het motorblok als geleiders. De accucapaciteit is afhankelijk van de uitrusting op de auto. BELANGRIJK Let er bij het vervangen van de accu op, dat de nieuwe accu dezelfde koudestartcapaciteit en reservecapaciteit als de originele accu heeft (zie sticker op de accu).
08 Specificaties Typegoedkeuring Afstandsbedieningssysteem Land A, B, CY, CZ, D, DK, E, EST, F, FIN, GB, GR, H, I, IRL, L, LT, LV, M, NL, P, PL, S, SK, SLO IS, LI, N, CH HR ROK Hierbij verklaart Delphi dat het gebruikte transpondersleutelsysteem in overeenstemming is met de essentiële eigenschappen en overige relevante bepalingen zoals beschreven in de EU-richtlijn 1999/5/ EG.
08 Specificaties Displaysymbolen Algemene informatie Er worden tal van verschillende displaysymbolen gebruikt in de auto. De symbolen zijn onderverdeeld in waarschuwings-, controleen informatiesymbolen. Hier volgt een overzicht van de meest voorkomende symbolen met hun betekenis en een verwijzing naar de pagina(’s) in het boek waar u meer informatie kunt vinden. Voor meer informatie over de symbolen en displaymeldingen, zie pagina 68, 69 en 132.
08 Specificaties Displaysymbolen Symbool Betekenis Pagina Richtingaanwijzers links 68 Richtingaanwijzers rechts 68 Symbool Overige informatiesymbolen op instrumentenpaneel Pagina Betekenis Pagina Adaptieve cruisecontrol*; afstandscontrole* (Distance Alert) 175, 181 ABL* 83 Adaptieve cruisecontrol*; afstandscontrole* (Distance Alert) 175, 181 Tankvulklep rechts 225 Accuspanning laag 144 175 Handrem 121 179, 188 Regensensor* 92 Driver Alert System* 191, 192 Driver Alert System*; L
08 Specificaties Displaysymbolen Informatiesymbolen op display middenconsole Symbool Informatiesymbolen op display plafondconsole Betekenis Pagina Audiobestanden Betekenis Pagina 152 Gordelwaarschuwing 17 Map op cd 152 Airbag passagiersstoel, geactiveerd 22, 23 Verkeersinformatie 155 208, 214 Airbag passagiersstoel, gedeactiveerd 23 Telefoon* BluetoothTM-handsfree* 209, 211 Parkeerhulp* 196 08 318 * Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
08 Specificaties 08 319
09 Alfabetisch register 09 A Aanbevolen veiligheidzitjes, tabel.............. 33 Aanhanger............................................... 234 kabel................................................... 234 rijden met een aanhanger................... 234 Alarmlichten............................................... 85 Adaptieve cruisecontrol........................... 173 radarsensor......................................... 177 Storingen opsporen............................ 178 Alcoholslot....................
09 Alfabetisch register 09 Automatische versnellingsbak................. aanhanger........................................... handmatig schakelen (Geartronic)...... slepen en bergen................................ 111 235 112 240 Automatische wasstraten........................ 287 Auto wassen............................................ 287 AUX.......................................................... 147 AWD, vierwielaandrijving......................... 117 B Banden bandenreparatie......................
09 Alfabetisch register 09 Collision Warning..................................... 184 radarsensor................................. 177, 184 Driver Alert Control.................................. 190 Collision Warning met Auto Brake*.......... 184 DSTC, zie ook Stabiliteitssysteem........... 168 Driver Alert System.................................. 190 Condens aan binnenkant lampglazen..... 287 Contactsleutels.......................................... 73 Elektrische verwarming achterruit..............
09 Alfabetisch register 09 Gelaagd glas.............................................. 94 Geluidssterkte beltoon, telefoon................................. 210 telefoon............................................... 210 telefoon/mediaspeler.......................... 210 H Informatie- en waarschuwingssymbolen... 68 Handgeschakelde versnellingsbak.......... 111 slepen en bergen................................ 240 Instructieboekje, milieulabel...................... 13 Handmatig schakelen (Geartronic).....
09 Alfabetisch register 09 Keyless drive...................................... 50, 106 Kinderen.................................................... kinderslot.............................................. kinderzitjes en SIPS-airbags................. positie in de auto.................................. veiligheid............................................... 31 36 24 31 31 Kinderslot................................................... 57 Kompas.....................................................
09 Alfabetisch register 09 Mistlichten achter.................................................... 85 vóór....................................................... 84 Mistlichten, aan/uit.................................... 84 Mobiele telefoon aansluiten........................................... 211 handsfree............................................ 208 telefoon registreren............................. 208 Motor oververhitting...................................... 234 starten..............................
09 Alfabetisch register 09 Relais- en zekeringenkastje, zie Zekeringen........................................................... 279 Rijeigenschappen aanpassen.................. 170 Rem- en koppelingsvloeistof................... 265 Roestwering............................................. 289 Remlichten................................................. 84 Roetfilter.................................................. 228 Remmen..................................................
09 Alfabetisch register 09 Smeermiddelen........................................ 305 Smeermiddelen, hoeveelheden............... 305 Spiegels achteruitkijk-......................................... buiten-.................................................. elektrische verwarming......................... elektrisch inklapbare............................. kompas................................................. 98 96 98 97 99 Spin Control.............................................
09 Alfabetisch register 09 tankvulklep, elektrisch openen........... 225 tankvulklep, handmatig openen......... 225 Telefoon aan/uit................................................. aansluiten........................................... bellen.................................................. beltoon................................................ berichten............................................. geïntegreerd, overzicht....................... gesprek beantwoorden....................... handsfree.......
09 Alfabetisch register 09 gloeilampen, specificaties.................. 272 groot licht/dimlicht................................ 82 in interieur............................................. 86 instrumentenverlichting........................ 82 koplamphoogteverstelling.................... 82 mistachterlicht...................................... 85 mistlichten............................................ 84 stadslichten/parkeerlichten vóór en achterlichten.........................................
09 Alfabetisch register 09 Wisserbladen........................................... schoonmaken..................................... servicestand....................................... vervangen........................................... 274 274 274 274 Wissers en -sproeiers................................ 92 Z Zekeringen............................................... algemene informatie........................... houder in bagageruimte..................... relais-/zekeringenkastje in motorruimte........
Kdakd 8Vg 8dgedgVi^dc IE &&,') 9jiX] ! 6I &%'%! Eg^ciZY ^c HlZYZc! <iZWdg\ '%&%! 8deng^\]i © '%%%"'%&% Kdakd 8Vg 8dgedgVi^dc