VOLVO S80 Instructieboekje WEB EDITION Kdakd 8Vg 8dgedgVi^dc IE &%.)* 9jiX] ! 6I %.'%! Eg^ciZY ^c HlZYZc! <iZWdg\ '%%.! 8deng^\]i '%%%"'%%.
BESTE VOLVO-BEZITTER, DANK U DAT U GEKOZEN HEBT VOOR VOLVO! Wij hopen dat u jarenlang rijplezier van uw Volvo zult hebben. Bij het ontwerp hebben veiligheid en comfort van u en uw passagiers vooropgestaan. Een Volvo is een van de veiligste auto’s ter wereld. Uw Volvo is ook ontworpen om aan alle geldende veiligheidsvoorschriften en milieueisen te voldoen.
Inhoud 00 01 02 2 00 Inleiding 01 Veiligheid Belangrijke informatie................................. 6 Volvo en het milieu...................................... 9 Veiligheidsgordels .................................... Airbagsysteem (SRS)................................ Airbag activeren/deactiveren*................... SIPS-airbags (zij-airbags) ........................ Opblaasgordijnen (IC-systeem) ............... WHIPS ......................................................
Inhoud 03 04 05 03 Bestuurdersmilieu 04 Comfort en rijplezier Instrumenten, schakelaars en bediening. . 62 Instrumenten, schakelaars en bediening Executive .................................................. 71 Sleutelstanden.......................................... 72 Stoelen en achterbank.............................. 74 Voorstoelen - Executive............................ 78 Stuurwiel................................................... 80 Verlichting.................................................
Inhoud 06 07 08 06 Onderhoud en service Motorruimte............................................ Gloeilampen............................................ Wisserbladen en ruitensproeiervloeistof. Accu........................................................ Zekeringen.............................................. Wielen en banden................................... Verzorging............................................... 4 07 Specificaties 236 243 250 252 255 264 278 Type-aanduidingen....................
Inhoud 5
Inleiding Belangrijke informatie Instructieboekje lezen Inleiding Een goede manier om vertrouwd te raken met uw nieuwe auto is om het instructieboekje te lezen, idealiter voordat u uw eerste rit maakt. Zo maakt u kennis met nieuwe functies, krijgt u tips hoe u het beste in verschillende situaties met de auto kunt omgaan en leert u hoe u optimaal gebruik kunt maken van alle mogelijkheden die uw auto biedt. Besteed ook aandacht aan de veiligheidsinstructies in het boekje.
Inleiding Belangrijke informatie Gevaar voor lichamelijk letsel Gevaar voor materiële schade Informatie Zwarte ISO-symbolen in een oranje waarschuwingsveld, witte tekst/afbeelding in een zwart tekstveld. Worden gebruikt om te attenderen op een risico dat, bij het negeren van de waarschuwing, kan resulteren in ernstig letsel met mogelijk dodelijke afloop. Witte ISO-symbolen en een witte tekst/afbeelding in een zwart of blauw waarschuwings- en tekstveld.
Inleiding Belangrijke informatie Wanneer er een reeks afbeeldingen bij een stapsgewijze instructie bestaat, zijn de verschillende stappen van de instructie op dezelfde manier genummerd als de bijbehorende afbeeldingen. • • Als voor de instructies bij een reeks afbeeldingen de onderlinge volgorde niet relevant is, worden de instructies voorafgegaan door letters. een hoofdstuk wordt voortgezet op de volgende pagina. Er komen genummerde en ongenummerde pijlen voor.
Inleiding Volvo en het milieu G000000 Milieubeleid van Volvo Car Corporation Zorg voor het milieu is een van de kernwaarden van Volvo Car Corporation die van invloed zijn op alle activiteiten. We zijn ervan overtuigd dat onze klanten onze zorg voor het milieu delen. Uw Volvo voldoet aan strenge internationale milieueisen en is bovendien geproduceerd in een fabriek die zeer schoon is en efficiënt met hulpbronnen omgaat.
Inleiding Volvo en het milieu Het systeem bestaat uit een elektronische sensor en een koolstoffilter. De binnenkomende lucht wordt continu gecontroleerd en als het gehalte aan bepaalde schadelijke gassen zoals koolmonoxide te hoog oploopt, wordt de luchtinlaat gesloten. Iets dergelijks kan zich voordoen in bijvoorbeeld druk verkeer, files of tunnels. Het koolstoffilter zorgt ervoor dat stikstofoxiden, laaghangend ozon en koolwaterstoffen niet binnendringen.
Inleiding Volvo en het milieu • • Onderhoud uw auto regelmatig. Bij hoge snelheden neemt het verbruik aanzienlijk toe vanwege de grotere luchtweerstand. Bij een verdubbeling van de snelheid neemt de luchtweerstand met een factor vier toe. Door deze tips op te volgen kan het brandstofverbruik worden verlaagd zonder dat dit van invloed is op de reistijd of op het rijplezier. U ontziet uw auto, bespaart geld en gebruikt minder van de hulpbronnen op aarde.
12 * Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 14 17 20 22 24 25 27 28 29 G020871 Veiligheidsgordels .................................................................................. Airbagsysteem (SRS).............................................................................. Airbag activeren/deactiveren*................................................................. SIPS-airbags (zij-airbags) .......................................................................
VEILIGHEID 01
01 Veiligheid 01 Veiligheidsgordels Algemene informatie Op de achterbank passen de borglippen van de veiligheidsgordel alleen in de bijbehorende sluitingen*. Veiligheidsgordel losmaken Druk op de rode knop van de sluiting en laat het oprolmechanisme de veiligheidsgordel naar binnen trekken. Als de veiligheidsgordel niet volledig wordt opgerold, moet u de gordel handmatig zo ver terugrollen dat deze niet langer slap hangt.
01 Veiligheid Veiligheidsgordels Veiligheidsgordel en zwangerschap onder controle hebben (wat inhoudt dat ze met gemak bij het stuur en de pedalen moeten kunnen komen). Streef ernaar de afstand tussen de buik en het stuur zo groot mogelijk te maken. Achterbank De functie van de gordelwaarschuwing voor de achterbank is tweeledig: • Aangeven welke veiligheidsgordels van de achterbank er worden gebruikt.
01 Veiligheid 01 Veiligheidsgordels Bepaalde markten Er gaat een waarschuwingslampje branden en er worden geluidssignalen afgegeven wanneer de bestuurder en een eventuele voorpassagier de gordel niet dragen. Op lage snelheden klinkt de eerste 6 seconden lang een geluidssignaal. Gordelspanners Alle veiligheidsgordels zijn uitgerust met gordelspanners. Dit is een mechanisme dat bij een voldoende krachtige aanrijding de veiligheidsgordel rond het lichaam spant.
01 Veiligheid Airbagsysteem (SRS) Waarschuwingssymbool op instrumentenpaneel Het airbagsysteem wordt continu gecontroleerd door de regelmodule. Het waarschuwingssymbool op het instrumentenpaneel gaat branden, wanneer u de transpondersleutel in stand II of III zet. Het symbool dooft na ca. 6 seconden, wanneer de regelmodule heeft vastgesteld dat het airbagsysteem geen storingen vertoont.
01 Veiligheid 01 Airbagsysteem (SRS) bags worden opgeblazen. Daarbij worden de airbags warm. Om de klap op te vangen loopt de airbag leeg wanneer de inzittende de airbag raakt. Daarbij treedt er rookvorming in de auto op. Dit is volkomen normaal. Het totale verloop, van het opblazen tot het leeglopen van de airbag, neemt enkele tienden van een seconde in beslag. WAARSCHUWING Het is dan ook mogelijk dat er bij ongelukken slechts één (of geen enkele) van de airbags wordt opgeblazen.
01 Veiligheid Airbagsysteem (SRS) Supplemental Restraint System) in het stuurwiel. De airbag zit opgevouwen in het midden van het stuurwiel. Het stuurwiel is voorzien van het opschrift SRS AIRBAG. giersairbag die ligt opgevouwen in een ruimte boven het dashboardkastje. Het paneel is voorzien van het opschrift SRS AIRBAG. WAARSCHUWING WAARSCHUWING De veiligheidsgordel en de airbag werken samen.
01 Veiligheid Airbag activeren/deactiveren* PACOS deactiveren met sleutel Algemene informatie De passagiersairbag (SRS) voorin kan gedeactiveerd worden met een schakelaar als de auto is uitgerust met PACOS (Passenger Airbag Cut Off Switch). Zie de tekst onder het kopje Activeren/deactiveren voor informatie over activering/deactivering.
01 Veiligheid Airbag activeren/deactiveren* WAARSCHUWING Geactiveerde airbag (passagiersstoel): Vervoer kinderen nooit in een kinderzitje of op een comfortkussen op de passagiersstoel als de airbag geactiveerd is. Laat evenmin personen die kleiner zijn dan 1,40 m op deze stoel plaatsnemen. Een tekstmelding en een brandend symbool op het plafondpaneel op de plafondconsole geven aan dat de airbag aan de passagierszijde gedeactiveerd is (zie voorgaande afbeelding). N.B.
01 Veiligheid SIPS-airbags (zij-airbags) WAARSCHUWING Volvo adviseert u reparatiewerk over te laten aan een erkende Volvo-werkplaats. Verkeerde ingrepen in het SIPSairbagsysteem kunnen aanleiding geven tot storingen in de werking met mogelijk ernstig lichamelijk letsel tot gevolg. • Plaats geen voorwerpen tussen de stoelen en de portierpanelen, omdat dit gebied binnen de actieradius van de SIPS-airbag ligt. • Volvo adviseert u alleen stoelhoezen te gebruiken die door Volvo zijn goedgekeurd.
01 Veiligheid SIPS-airbags (zij-airbags) 01 ding reageren de sensoren, die op hun beurt de gasgeneratoren activeren. De SIPS-airbags worden vervolgens opgeblazen tussen de inzittende en het portierpaneel. Daarmee vangen de SIPS-airbags de klap van de aanrijding op voor de inzittende, waarna de airbags weer leeglopen. De SIPS-airbag wordt normaal gesproken alleen opgeblazen aan de kant van de aanrijding. G032254 Sticker, SIPS-airbag SIPS-airbagsticker op de portierstijl.
01 Veiligheid 01 Opblaasgordijnen (IC-systeem) Eigenschappen WAARSCHUWING Hang of bevestig nooit zware voorwerpen aan de plafondhandgrepen. De haak is alleen bedoeld voor niet al te zware kledingstukken (en niet voor harde voorwerpen zoals paraplu’s). Schroef of bevestig geen onderdelen op de plafondbekleding, portierstijlen of de zijpanelen van de auto. Ze kunnen daarbij hun beschermende werking verliezen.
01 Veiligheid WHIPS Bescherming tegen whiplash-letsel, WHIPS Het WHIPS-systeem (Whiplash Protection System) bestaat uit energieabsorberende rugleuningen en speciaal voor het systeem ontwikkelde hoofdsteunen voor de beide voorstoelen. Het systeem wordt geactiveerd bij een aanrijding van achteren, afhankelijk van de hoek waaronder en de snelheid waarmee het achteropkomende voertuig de auto raakt en de materiaaleigenschappen van dat voertuig.
01 Veiligheid 01 WHIPS WAARSCHUWING Plaats geen koffer of iets dergelijks tussen het zitgedeelte van de achterbank en de rugleuning van de voorstoelen. Let erop dat u de werking van het WHIPS-systeem niet beïnvloedt. WAARSCHUWING Als de stoel heeft blootgestaan aan grote krachten zoals bij een aanrijding van achteren, moet u het WHIPS-systeem laten controleren. Volvo adviseert u het te laten controleren door een erkende Volvo-werkplaats.
01 Veiligheid Activering van de veiligheidssystemen Volvo-werkplaats. Rijd niet met opgeblazen airbags. Activering van de veiligheidssystemen Systeem Activering Gordelspanners voorstoelen Bij een frontale botsing en/of aanrijding in de zij en/of van achteren Gordelspanners achterbank Bij een frontale botsing. Airbags (SRS) Bij een frontale botsing.
01 Veiligheid 01 Safety mode Beperkte functionaliteit G021062 Als alles normaal lijkt en u hebt vastgesteld dat er geen brandstof lekt, kunt u proberen de motor te starten. Als de auto betrokken is geweest bij een aanrijding, kan de melding Safety mode Zie instructieb. op het informatiedisplay verschijnen. Dit betekent dat de functionaliteit van de auto is verminderd.
01 Veiligheid Kinderen en veiligheid Kinderen moeten comfortabel en veilig kunnen zitten De plaats van het kind in de auto en de vereiste uitrusting zijn afhankelijk van het gewicht en de lengte van het kind (voor meer informatie, zie pagina 31). N.B. 01 N.B. Neem voor duidelijker instructies voor de bevestiging van kinderveiligheidsproducten contact op met de producent.
01 Veiligheid 01 Kinderen en veiligheid WAARSCHUWING Vervoer kinderen nooit in een kinderzitje of op een comfortkussen op de passagiersstoel als de passagiersairbag (SRS) geactiveerd is. Personen kleiner dan 1,40 m mogen nooit op de passagiersstoel plaatsnemen, als de passagiersairbag (SRS) geactiveerd is. Het niet opvolgen van de bovenstaande aanbevelingen kan levensgevaarlijke situaties opleveren voor het kind.
01 Veiligheid Kinderen en veiligheid 01 Aanbevolen kinderzitjes2 Gewicht/Leeftijd Voorstoel Buitenste zitplaats achterbank Middelste zitplaats achterbank Groep 0 Volvo-kinderzitje – achterstevoren gemonteerd kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel en bevestigingsband. Volvo-kinderzitje – achterstevoren gemonteerd kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel, bevestigingsband en steun.
01 Veiligheid 01 Kinderen en veiligheid Gewicht/Leeftijd Voorstoel Buitenste zitplaats achterbank Middelste zitplaats achterbank Groep 1 Volvo-kinderzitje – achterstevoren gemonteerd kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel en bevestigingsband. Volvo-kinderzitje – achterstevoren gemonteerd kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel, bevestigingsband en steun. Volvo-kinderzitje – achterstevoren gemonteerd kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel, bevestigingsband en steun.
01 Veiligheid Kinderen en veiligheid Gewicht/Leeftijd Voorstoel Buitenste zitplaats achterbank Middelste zitplaats achterbank Groep 2/3 Volvo-comfortkussen – met of zonder rugleuning. Volvo-comfortkussen – met of zonder rugleuning. Volvo-comfortkussen – met of zonder rugleuning.
01 Veiligheid 01 Kinderen en veiligheid Klap het bovenste gedeelte weer op. Als een geïntegreerd kinderzitje aan grote krachten heeft blootgestaan zoals tijdens een aanrijding, moet u het geïntegreerde kinderzitje in zijn geheel vervangen. Ook als het geïntegreerde kinderzitje er intact uitziet, kunnen er toch beschermende eigenschappen verloren zijn gegaan. Het geïntegreerde kinderzitje moet ook worden vervangen als het erg versleten is. Klap het bovenste gedeelte omlaag.
01 Veiligheid Kinderen en veiligheid ISOFIX-bevestigingssysteem voor veiligheidszitjes Houd u altijd aan de montage-instructies van de fabrikant, wanneer u een kinderzitje/babyzitje aan de ISOFIX-bevestigingspunten vastzet. N.B. Zorg dat de beide delen van het geïntegreerde kinderzitje met de klittenband zijn vastgezet, voordat u het zitje opklapt.
01 Veiligheid 01 Kinderen en veiligheid De bovenste bevestigingspunten zijn voornamelijk bestemd om een in de rijrichting gemonteerd kinderzitje aan te bevestigen. Volvo adviseert u kleine kinderen zo lang mogelijk in achterstevoren gemonteerde kinderzitjes te vervoeren. Zie de aanwijzingen van de fabrikant van het kinderzitje voor gedetailleerde informatie over de manier waarop u het zitje aan de bovenste bevestigingspunten vastzet.
01 Veiligheid 01 37
Transpondersleutel/sleutelblad............................................................... Privacy locking*....................................................................................... Batterij vervangen transpondersleutel/PCC*.......................................... Keyless drive*.......................................................................................... Vergrendelen/ontgrendelen.................................................................... Kinderslot....................
SLOTEN EN ALARM 02
02 Sloten en alarm Transpondersleutel/sleutelblad 02 Algemene informatie Voor Privacy locking, zie pagina 46. Bij de auto worden twee transpondersleutels of twee PCC’s (Personal Car Communicator geleverd. U gebruikt ze om de auto te starten en deze te vergrendelen en ontgrendelen. Het sleutelblad wordt ook gebruik om PACOS* te deactiveren/activeren, zie pagina 20. U kunt extra transpondersleutels bestellen.
02 Sloten en alarm Transpondersleutel/sleutelblad Melding Betekenis Elektronische startblokkering Sleutelfout Opnieuw insteken Storing bij het uitlezen van de transpondersleutel tijdens het starten. Probeer de auto opnieuw te starten. Autosleutel niet gevonden Geldt alleen voor de functie Keyless drive van de PCC. Fout bij het uitlezen van de PCC tijdens de start. Probeer de auto opnieuw te starten. Elke transpondersleutel heeft zijn eigen, unieke code.
02 Sloten en alarm Transpondersleutel/sleutelblad De ontgrendelingsfunctie kan dusdanig gewijzigd worden dat bij eenmaal indrukken van de toets niet meer alle portieren tegelijk worden ontgrendeld, maar alleen het bestuurdersportier. Bij een tweede keer indrukken (binnen 10 seconden) worden de overige portieren ontgrendeld. G021079 02 PCC* (Personal Car Communicator). Informatie Functietoetsen Vergrendelen – Vergrendelt de portieren en het kofferdeksel en activeert het alarm.
02 Sloten en alarm Transpondersleutel/sleutelblad Specifieke functies, PCC* N.B. G021080 Als bij herhaaldelijk gebruik van de informatietoets – op verschillende tijdstippen en verschillende plaatsen – blijkt dat geen van de controlelampjes gaat branden (en dat evenmin na 7 seconden alsook nadat de controlelampjes op de PCC om de beurt oplichtten), dient u contact op te nemen met een werkplaats – geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
02 Sloten en alarm Transpondersleutel/sleutelblad N.B. Als geen van de controlelampjes brandt bij het indrukken van de informatietoets, is het mogelijk dat er storingen optreden in de communicatie tussen de PCC en de auto door radiogolven in de lucht, omringende gebouwen, topografische omstandigheden e.d.
02 Sloten en alarm Transpondersleutel/sleutelblad Portier ontgrendelen met sleutelblad Als de centrale vergrendeling niet op de transpondersleutel reageert (omdat de batterijen bijvoorbeeld leeg zijn), kunt u het bestuurdersportier op de volgende manier ontgrendelen en openen: 02 N.B. Wanneer u het bestuurdersportier met het sleutelblad ontgrendelt en vervolgens opent, gaat het alarm af. 1. Ontgrendel het bestuurdersportier met het sleutelblad in het slot van de portierhandgreep. 2.
02 Sloten en alarm Privacy locking* Privacy locking als u hem bij een hotel of iets dergelijks laat parkeren. Het dashboardkastje is dan vergrendeld en het kofferdeksel is niet via de centrale vergrendeling te openen (zodat het niet meer met de knoppen op de voorportieren of die op de transpondersleutel te bedienen is). Het kofferdeksel is dan niet meer met de knoppen op de voorportieren of die op de transpondersleutel te bedienen.
02 Sloten en alarm Batterij vervangen transpondersleutel/PCC* Accu vervangen Batterij vervangen Let erop hoe de batterij(en) aan de binnenzijde van de afdekking vastzit(ten). Let daarop op de pluszijde + en de minzijde –.
02 Sloten en alarm Batterij vervangen transpondersleutel/PCC* 02 3. Duw voorzichtig tegen het sleutelblad. U hoort een klikgeluid wanneer het sleutelblad goed vastzit. BELANGRIJK Zorg dat de oude batterij(en) wordt/worden afgevoerd op een milieuontlastende manier. 48 * Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
02 Sloten en alarm Keyless drive* Keyless drive (alleen PCC) Vergrendelings- en startsysteem zonder sleutel dat u de PCC bij u moet dragen om een portier te vergrendelen of ontgrendelen. Wanneer u aan de ene kant van de auto staat, is het niet mogelijk om met de PCC een portier aan de andere kant te vergrendelen of ontgrendelen. G020577 De rode cirkels op de nevenstaande afbeelding geven het dekkingsgebied van de systeemantennes aan.
02 Sloten en alarm Keyless drive* Bij ontgrendelen met het sleutelblad gaat het alarm af. Voor het deactiveren, zie pagina 58. Vergrendel de portieren en het kofferdeksel door op de vergrendelingsknop op een van de portierhandgrepen aan de buitenkant te drukken. Sleutelgeheugen, bestuurdersstoel en buitenspiegels Alle portieren inclusief het kofferdeksel moeten zijn gesloten, voordat u de auto kunt vergrendelen. De auto wordt anders niet vergrendeld.
02 Sloten en alarm Keyless drive* WAARSCHUWING Dragers van een pacemaker dienen minstens 22 cm afstand te houden tot de antennes van het Keyless drive-systeem. Dit om eventuele storingen in de pacemaker als gevolg van het Keyless drive-systeem uit te sluiten. 02 * Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
02 Sloten en alarm Vergrendelen/ontgrendelen Van de buitenzijde 02 Van de binnenzijde Met de transpondersleutel kunt u alle portieren en het kofferdeksel gelijktijdig vergrendelen/ ontgrendelen. Bij vergrendeling zijn de vergrendelingsknoppen op de portieren en de openingshandgrepen aan de binnenzijde niet meer te bedienen: dit is de zogeheten Safelock-functie*, zie pagina 54. Vergrendelen Druk nadat u de voorportieren hebt gesloten op .
02 Sloten en alarm Vergrendelen/ontgrendelen Kofferdeksel Dashboardkastje De portieren blijven vergrendeld en beveiligd. U kunt het kofferdeksel op twee verschillende manieren openen: 02 Eenmaal indrukken – het kofferdeksel wordt ontgrendeld maar blijft dichtstaan. Met rubber beklede drukplaatje onder buitenhandgreep licht indrukken en de klep openen.
02 Sloten en alarm Vergrendelen/ontgrendelen Safelock-functie* Van de binnenzijde ontgrendelen Bij activering van de zogeheten Safelock-functie zijn de portieren niet meer van de binnenzijde te openen, als ze eenmaal vergrendeld zijn. 02 Met de transpondersleutel activeert u de Safelock-functie die 10 seconden na vergrendeling van de portieren in werking treedt. Als de toets op de transpondersleutel waarmee u het kofferdeksel opent niet werkt, kunt u het kofferdeksel ontgrendelen met het sleutelblad.
02 Sloten en alarm Vergrendelen/ontgrendelen MENU Als u de Safelock-functie wilt uitschakelen EXIT ± Als u de portieren van de buitenzijde wilt vergrendelen terwijl er iemand in de auto achterblijft, kunt u de Safelock-functie tijdelijk uitschakelen. Dat gaat als volgt: 1. Open het menusysteem en ga naar Instellingen van de auto (voor een gedetailleerde beschrijving van het menusysteem, zie pagina 122). 2. Kies Verlaagde guard. 3. Kies Eenmalig inschakelen.
02 Sloten en alarm Kinderslot De bedieningscilinders van het kinderslot zitten achter op de korte kant van de achterportieren, zodat ze alleen bereikbaar zijn wanneer de portieren openstaan. ± Gebruik het sleutelblad om de bedieningscilinder te verdraaien en zo het kinderslot in of uit te schakelen. Het portier kan niet van de binnenzijde worden geopend. Het portier kan van de binnenzijde worden geopend. N.B. Op auto’s met het elektrische kinderslot zit geen handmatig kinderslot.
02 Sloten en alarm Alarm* Algemene informatie Het alarm gaat af, als: • een portier, de motorkap of het kofferdeksel wordt geopend; • een verkeerde transpondersleutel wordt gebruikt of als het contactslot wordt gemanipuleerd; • er beweging in de passagiersruimte wordt waargenomen (als er een bewegingsmelder* aanwezig is) • de auto wordt opgetakeld of weggesleept (op auto’s met een niveausensor*) • een kabel van de startaccu wordt losgekoppeld • iemand de sirene probeert los te koppelen.
02 Sloten en alarm Alarm* 02 Geactiveerd alarm uitschakelen Transpondersleutel defect ± Als de transpondersleutel defect is, kunt u het alarm uitschakelen en de auto als volgt starten: Druk op de ontgrendelingstoets op de transpondersleutel of steek de transpondersleutel in het contactslot. Overige alarmfuncties Automatische herinschakeling van het alarm De functie voorkomt dat u de auto verlaat zonder het alarm in te schakelen.
02 Sloten en alarm Alarm* 2. Kies Verlaagde guard. 3. Kies Eenmalig inschakelen: > Op het display van het instrumentenpaneel verschijnt de melding Beveil. verlaagd Zie instructieb. en de bewegingsmelders en niveausensoren worden uitgeschakeld bij vergrendeling van de auto. Kies Vraag bij uitgang. > Iedere keer dat u de motor afzet, verschijnt op het display van het audiosysteem de melding ENTER om guard te verm. totdat motor is gestart totdat motor is gestart. EXIT voor annuleren.
HomeLink *.......................................................................................... 117 60 * Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. G020912 Instrumenten, schakelaars en bediening................................................ 62 Instrumenten, schakelaars en bediening - Executive ............................ 71 Sleutelstanden........................................................................................ 72 Stoelen en achterbank...................................
BESTUURDERSMILIEU 03
03 Bestuurdersmilieu Instrumenten, schakelaars en bediening Instrumentenoverzicht 03 Auto met stuur links.
03 Bestuurdersmilieu Instrumenten, schakelaars en bediening Functie Pagina Functie Pagina Menu- en meldingsfuncties, richtingaanwijzers, groot licht/dimlicht, boordcomputer 81, 85, 125, 159 Versnellingspook/keuzehendel 106 163 Cruisecontrol 164, 166 Bedieningsknoppen actieve chassisregeling (FOUR-C)* Claxon, airbag 18, 80 Wissers en -sproeiers 91, 92 Instrumentenpaneel 65, 69 Stuurwielafstelling 80 Menu-, audio- en telefoonfuncties 122, 140, 201 Parkeerrem* 114 Ontgrendeling motorkap
03 Bestuurdersmilieu Instrumenten, schakelaars en bediening 03 Auto met stuur rechts.
03 Bestuurdersmilieu Instrumenten, schakelaars en bediening Functie Pagina Functie Pagina Alarmlichten 84 Stoelinstelling* 74 Contactslot 72 Ontgrendeling motorkap 236 Knop START/STOP 101 Parkeerrem 114 Cruisecontrol 164, 166 Stuurwielafstelling 80 Instrumentenpaneel 65, 69 Claxon, airbag 18, 80 81, 85, 125, 159 Menu-, audio- en telefoonfuncties 122, 140, 201 Menu- en meldingsfuncties, richtingaanwijzers, groot licht/dimlicht, boordcomputer 163 Wissers en -sproeiers 91, 92 Bed
03 Bestuurdersmilieu Instrumenten, schakelaars en bediening Meters Controle-, informatie- en waarschuwingssymbolen 5 seconden alle symbolen uit behalve het symbool voor storingen in het uitlaatgasreinigingssysteem en dat voor een lage oliedruk. Controle- en informatiesymbolen Symbool 03 Betekenis Storing in ABL Uitlaatgasreinigingssysteem Storing in ABS Meters op het instrumentenpaneel. Snelheidsmeter Brandstofmeter. Zie ook boordcomputer, pagina 159, en tanken, pagina 216. Toerenteller.
03 Bestuurdersmilieu Instrumenten, schakelaars en bediening Symbool Betekenis Richtingaanwijzers links Richtingaanwijzers rechts Storing in ABL Het symbool brandt, als er een storing is opgetreden in het ABL-systeem (Active Bending Lights). Uitlaatgasreinigingssysteem Bij een storing in het uitlaatgasreinigingssysteem kan het lampje gaan branden. Rijd voor een controle naar een werkplaats. Volvo adviseert dat u daarvoor een erkende Volvo-werkplaats bezoekt.
03 Bestuurdersmilieu Instrumenten, schakelaars en bediening Symbool Betekenis Storing in remsysteem Waarschuwing 03 A Bij bepaalde motortypes is het lampje voor een lage oliedruk niet in gebruik. Er verschijnt in plaats daarvan een displaymelding, zie pagina 237 en 238. Lage oliedruk Als het symbool tijdens het rijden oplicht, is de druk van de motorolie te laag. Zet de motor onmiddellijk af en controleer het motoroliepeil. Vul zo nodig olie bij.
03 Bestuurdersmilieu Instrumenten, schakelaars en bediening WAARSCHUWING Als de waarschuwingssymbolen voor het remsysteem en ABS tegelijkertijd branden, bestaat het gevaar dat de achtertrein bij krachtig remmen gaat slippen. Waarschuwing Het rode waarschuwingssymbool gaat branden, wanneer er een storing is geregistreerd die van invloed kan zijn op de veiligheid en/of de rijeigenschappen van de auto. Er verschijnt tegelijkertijd een verklarende melding op het informatiedisplay.
03 Bestuurdersmilieu Instrumenten, schakelaars en bediening Klok 03 Klok en instelknop. Knop om de klok in te stellen. Informatiedisplay voor de tijdaanduiding. Draai de knop rechts- of linksom om de tijd in te stellen. De ingestelde tijd verschijnt op het informatiedisplay. Bij de weergave van een melding kan de tijdsaanduiding korte tijd worden vervangen door een symbool, zie pagina 125.
03 Bestuurdersmilieu Instrumenten, schakelaars en bediening - Executive de knop los wanneer de klok de juiste tijd aangeeft. Analoge klok • Druk eenmaal op de knop van uw keuze, waarna de wijzers vooruit- of achteruitdraaien (in stapjes van ca. 10 seconden). G029076 03 Analoge klok. Knop om de wijzers terug te draaien. Knop om de wijzers vooruit te draaien. De analoge klok zit in het dashboard, boven het dashboardkastje.
03 Bestuurdersmilieu Sleutelstanden Transpondersleutel aanbrengen en verwijderen BELANGRIJK Vreemde voorwerpen in het contactslot kunnen tot functiestoringen leiden of schade aan het slot toebrengen. De transpondersleutel niet verkeerd om insteken – pak de sleutel beet aan het uiteinde met het afneembare sleutelblad. zie pagina 44. 03 G021126 Sleutel verwijderen Contactsleutel met naar binnen getrokken transpondersleutel. N.B. Voor auto’s met Keyless drive-functie*, zie pagina 49.
03 Bestuurdersmilieu Sleutelstanden Stand Functie 0 Kilometerteller, klok en temperatuurmeter worden verlicht. Het stuurslot is opgeheven. Het audiosysteem is te gebruiken. I Schuifdak*, elektrisch bedienbare zijruiten, 12 V-aansluitingen in passagiersruimte, RTI*, telefoon*, interieurventilator, ECC en ruitenwissers zijn te gebruiken. II De koplampen worden ontstoken. Waarschuwings-/controlelampjes branden 5 seconden lang.
03 Bestuurdersmilieu Stoelen en achterbank Voorstoelen WAARSCHUWING Stel de stand van de bestuurdersstoel in voordat u gaat rijden. Doe dit nooit tijdens het rijden. Controleer of de stoel in zijn stand vergrendeld staat. 03 Rugleuning voorstoel omklappen* Trek de pallen aan de achterzijde van de rugleuning omhoog tijdens het omklappen. 4. Duw de stoel zo ver naar voren dat de hoofdsteun onder het dashboardkastje “vast” komt te zitten. Houd voor het rechtop zetten de omgekeerde volgorde aan.
03 Bestuurdersmilieu Stoelen en achterbank Elektrisch bedienbare stoel* Voorbereidingen Tot enige tijd nadat u het portier met de transpondersleutel hebt ontgrendeld blijft het mogelijk de stoel te verstellen, ook al steekt er geen sleutel in het contactslot. U verstelt de stoel normaal gesproken in sleutelstand I. Wanneer de motor loopt, is dat altijd mogelijk. Stoel met geheugenfunctie* 2. Houd de knop voor vastlegging van de instelling ingedrukt, terwijl u op de geheugenknop van uw keuze drukt.
03 Bestuurdersmilieu Stoelen en achterbank de bestuurdersstoel en de buitenspiegels de in het sleutelgeheugen vastgelegde standen in. N.B. 03 De bestuurdersstoel en de buitenspiegels worden niet verzet, als ze al in de opgeslagen stand staan. U kunt de standen in het sleutelgeheugen ook activeren door (terwijl het bestuurdersportier openstaat) de ontgrendelingsknop op de transpondersleutel te bedienen. U kunt het sleutelgeheugen activeren/deactiveren onder Autosleutelgeheugen Pos. stoelen en spiegels.
03 Bestuurdersmilieu Stoelen en achterbank Middelste hoofdsteun achterbank Buitenste hoofdsteunen achterbank omklappen* WAARSCHUWING De hoofdsteunen moeten na het rechtop zetten vergrendeld staan. G021136 03 Stem de hoofdsteun in de hoogte af op de lengte van de passagier. Zorg dat de bovenkant van de hoofdsteun halverwege de achterkant van het hoofd komt te zitten. Trek de hoofdsteun zo ver omhoog als nodig is.
03 Bestuurdersmilieu Voorstoelen - Executive Voorstoelen type Comfort Massagefunctie Lendensteun instellen Stoel naar voren/achteren zetten. Bedieningspaneel voor massagefunctie en lendensteun. Knop voor activering massagefunctie. Harde massage Zachte massage Elk van beide voorstoelen is voorzien van een rugleuning met massagefunctie. De massagefunctie maakt gebruik van luchtkussens die voor een harde of zachte massage zorgen.
03 Bestuurdersmilieu Voorstoelen - Executive Stoel naar voren/achteren zetten G030137 03 De passagiersstoel is verder naar voren of achteren te zetten. De stoel komt zolang u de voorof achterkant van de knop ingedrukt houdt steeds verder naar voren of achteren (zie bovenstaande afbeelding). De hellingshoek van de rugleuning wordt niet gewijzigd.
03 Bestuurdersmilieu Stuurwiel Instellen WAARSCHUWING Claxon Stel het stuurwiel af voordat u gaat rijden en controleer of het in de gekozen stand vergrendeld staat. Bij auto’s met snelheidsafhankelijke stuurbekrachtiging* is de kracht die nodig is om het stuur te verdraaien in te stellen (zie pagina 163). G021138 03 Toetsensets* Stuurwiel afstellen. Claxon. Ontgrendelingshendel, stuurwielafstelling Druk op het midden van het stuurwiel om te claxonneren.
03 Bestuurdersmilieu Verlichting Bedieningspaneel verlichting De displayverlichting wordt bij donker automatisch gedimd. De gevoeligheidsgraad van deze functie is in te stellen met het duimwiel. Groot licht/dimlicht Ook de sterkte waarmee het instrumentenpaneel verlicht wordt stelt u in met het duimwiel. Overzicht bedieningspaneel verlichting.
03 Bestuurdersmilieu Verlichting Stand Betekenis Automatisch*/uitgeschakeld dimlicht. Alleen grootlichtsignalen. Stadslichten vóór en achterlichten 03 Automatisch dimlicht. In deze stand werken het groot licht en de grootlichtsignalen. N.B. Het groot licht is alleen te activeren in stand . Grootlichtsignalen Trek de stuurhendel voorzichtig tot in de stand voor grootlichtsignalen naar het stuurwiel toe. Het groot licht brandt totdat u de hendel loslaat.
03 Bestuurdersmilieu Verlichting Display Betekenis Koplampfout Service vereist Het systeem is defect. Bezoek een werkplaats als de melding niet verdwijnt. Volvo adviseert dat u contact opneemt met een erkende Volvo-werkplaats. De functie is uitsluitend actief bij schemer of donker en dan alleen als de auto rijdt. functie4 U kunt de deactiveren/activeren onder Instellingen van de auto Lichtinstellingen Actieve koplampen. Voor een beschrijving van het menusysteem, zie pagina 122.
03 Bestuurdersmilieu Verlichting Mistlampen voorzijde* Mistachterlicht N.B. De regels voor het gebruik van het mistachterlicht verschillen van land tot land. Alarmlichten Knop voor mistlampen voorzijde. Knop voor mistachterlicht. De mistlampen vóór zijn in te schakelen in combinatie met het groot licht/dimlicht of de stadslichten/parkeerlichten vóór en de achterlichten.
03 Bestuurdersmilieu Verlichting automatisch uitgeschakeld. U kunt ook op de knop voor de alarmlichten drukken. Richtingaanwijzers/knipperlichten Alle verlichting in het interieur kan handmatig in- en uitgeschakeld worden binnen 30 minuten nadat: De hendel blijft in deze stand staan en kan handmatig in de uitgangspositie teruggezet worden of veert automatisch terug bij het terugdraaien van het stuurwiel.
03 Bestuurdersmilieu Verlichting 03 Instapverlichting • De instapverlichting (alsmede de interieurverlichting) worden in- en uitgeschakeld bij het openen c.q. sluiten van een portier. u de auto met de afstandsbediening ontgrendelt, zie pagina 41 of 45; • u de motor hebt afgezet en de transpondersleutel in stand 0 staat.
03 Bestuurdersmilieu Verlichting Lichtbundel aanpassen de juiste lichtbundel wordt ook de berm beter verlicht. Dual xenon- en actieve dual xenonkoplampen* Het land waarin de auto werd afgeleverd bepaalt of de uitgangspositie de juiste is voor links- of rechtsrijdend verkeer. Voorbeeld 1 Om met een in Nederland geleverde auto in Engeland te kunnen rijden dient de lichtbundel van de koplampen te worden ingesteld op de aangepaste stand (zie voorgaande afbeelding).
03 Bestuurdersmilieu Verlichting 03 • A = LHD Right (auto met het stuur links, rechter koplampglas) • B = LHD Left (auto met het stuur links, linker koplampglas) • C = RHD Right (auto met het stuur rechts, rechter koplampglas) • D = RHD Left (auto met het stuur rechts, linker koplampglas) 2. Breng de mallen over op een stuk zelfklevend en watervast materiaal en knip ze uit. 3. Neem de designstreep op de koplampglazen als uitgangspunt, zie stippellijn op pagina 89.
03 Bestuurdersmilieu Verlichting Positie van de mallen G033954 03 Bovenste regel: afgeplakte gebieden bij een auto met stuur links, mallen A en B. Onderste regel: afgeplakte gebieden bij een auto met het stuur rechts, mallen C en D.
03 Bestuurdersmilieu Verlichting Mallen voor halogeenkoplampen G021155 03 90
03 Bestuurdersmilieu Wissers en -sproeiers Ruitenwissers1 Intervalstand Met het duimwiel kunt u het aantal wisslagen per eenheid van tijd instellen wanneer u de intervalstand hebt geselecteerd. Ononderbroken wissen De wissers bewegen op normale snelheid. De wissers bewegen op hoge snelheid. BELANGRIJK Ruitenwissers en -sproeiers. Regensensor aan/uit Duimwiel gevoeligheid regensensor/snelheid ruitenwissers Ruitenwissers uitgeschakeld Haal de hendel naar stand 0 om de ruitenwissers uit te schakelen.
03 Bestuurdersmilieu Wissers en -sproeiers De regensensor wordt automatisch uitgeschakeld, wanneer u de sleutel uit het contactslot neemt of vijf minuten nadat u de auto van het contact hebt gezet. BELANGRIJK 03 De ruitenwissers op de voorruit kunnen in een automatische wasstraat spontaan inschakelen en daarbij beschadigd raken. Schakel de regensensor uit terwijl de motor loopt of als de transpondersleutel in stand I of II staat. Het symbool op het instrumentenpaneel en dat in de knop doven.
03 Bestuurdersmilieu Ruiten en spiegels Algemene informatie Warmtereflecterende voorruit* Elektrisch bedienbare ruiten Gelaagd glas Het glas is verstevigd voor een verbeterde inbraakbeveiliging en geluidsisolatie van het interieur. De voorruit en de zijruiten zijn gemaakt van gelaagd glas*. 03 De voorste zijruiten zijn voorzien van een speciale laag die bij hevige regenval voor een beter zicht zorgt. Voor het onderhoud, zie pagina 279.
03 Bestuurdersmilieu Ruiten en spiegels WAARSCHUWING Zorg er bij het sluiten van de zijruiten voor dat kinderen of andere inzittenden niet met hun handen bekneld raken. Dit geldt ook als u gebruik maakt van de transpondersleutel. 03 WAARSCHUWING Als er kinderen in de auto zitten: let er bij het verlaten van de auto op dat u de stroomtoevoer naar de elektrisch bedienbare zijruiten verbreekt door de transpondersleutel uit te nemen. G018517 Bediening Bedieningsknoppen elektrisch bedienbare zijruiten.
03 Bestuurdersmilieu Ruiten en spiegels 2. Laat de knop korte tijd los. 3. Trek de voorkant van de knop opnieuw een seconde omhoog. 2. Vergrendel het zonnescherm door de vergrendeling omhoog te klappen. Ook bij gebruik van het zonnescherm kan de zijruit worden geopend en gesloten. WAARSCHUWING De spiegels zijn groothoekig voor optimaal zicht. Voorwerpen kunnen verder weg lijken dan ze in werkelijkheid zijn.
03 Bestuurdersmilieu Ruiten en spiegels 03 spiegels. Voor een beschrijving van het menusysteem, zie pagina 122. neutrale stand worden teruggezet zodat het elektrisch in- en uitklappen weer correct werkt. Buitenspiegel kantelen bij parkeren1 1. Klap de spiegels in met de knoppen L en R. De buitenspiegels kunnen omlaaggekanteld worden, zodat de bestuurder bijvoorbeeld tijdens het parkeren de kant van de weg te kan zien. ± Schakel de achteruitversnelling in en druk op de knop L of R.
03 Bestuurdersmilieu Ruiten en spiegels U kunt voor automatische ontwaseming kiezen onder Klimaatinstellingen Aut. defroster achterr.. Kies vervolgens uit Aan of Uit. Voor een beschrijving van het menusysteem, zie pagina 122. Achteruitkijkspiegel 2. Deactiveer de dimfunctie door het hendeltje naar de voorruit toe te duwen. Autodimfunctie* Als het licht dat van achteren in de spiegel valt te fel is, wordt de achteruitkijkspiegel automatisch gedimd.
03 Bestuurdersmilieu Kompas* Bediening Kalibreren Zone kiezen Het kompas moet soms voor de nauwkeurigheid worden gekalibreerd. Als kalibratie nodig is, verschijnt C op het display van de spiegel. 1. Breng de auto tot stilstand op een groot en open terrein waar geen stalen constructies of hoogspanningsdraden zijn. 03 Achteruitkijkspiegel met kompas. 98 N.B. Voor optimale kalibratie dient u alle elektrische apparatuur (klimaatregeling, ontwaseming e.d.) uit te schakelen en de portieren dicht te houden.
03 Bestuurdersmilieu Elektrisch bedienbaar schuifdak* Algemene informatie De bedieningsknoppen voor het schuifdak zitten aan het plafond. Het schuifdak is aan de achterkant open te kantelen of horizontaal open te schuiven. Het schuifdak is alleen te openen in sleutelstand I of II. Horizontaal openschuiven knop vervolgens los om het schuifdak zo ver mogelijk open te schuiven. U kunt het schuifdak handmatig openen door de bedieningsknop achteruit naar het weerstandspunt voor handmatig openen te trekken.
03 Bestuurdersmilieu Elektrisch bedienbaar schuifdak* Sluiten met transpondersleutel of knop voor centrale vergrendeling van het schuifdak. Pak de handgreep vast en schuif het scherm naar voren om het te sluiten. Beveiliging tegen overbelasting Het schuifdak is voorzien van een beveiliging tegen overbelasting die wordt geactiveerd, als het schuifdak door een obstakel wordt gehinderd. Het schuifdak komt dan tot stilstand en keert vervolgens automatisch terug naar de laatst gebruikte, geopende stand.
03 Bestuurdersmilieu Motor starten Benzine- en dieselmotoren 3. Druk op de knop START/STOP ENGINE en laat deze vervolgens los. N.B. G021126 Bij auto’s met een dieselmotor van het type 2.0D slaat de motor mogelijk met enige vertraging aan, wanneer de melding Voorgloeifunctie motor actief op het display staat. Contactslot met naar binnen getrokken transpondersleutel en START/STOP ENGINE-knop.
03 Bestuurdersmilieu Motor starten N.B. De motor kan alleen worden gestart, als een van de transpondersleutels met Keyless drive*-functie in de passagiersruimte of in de bagageruimte is. 03 Motor afzetten Om de motor af te zetten – druk op START/ STOP ENGINE. Als de auto een automatische versnellingsbak heeft en de keuzehendel niet in stand P staat of als de auto rijdt – druk tweemaal op de knop of houdt de knop ingedrukt totdat de motor afslaat.
03 Bestuurdersmilieu Motor starten, FlexiFuel Algemene informatie over het starten van een FlexiFuel-motor Motorverwarming* De motor wordt op dezelfde manier gestart als een benzinemotor. WAARSCHUWING De motorverwarming werkt op een hoge spanning. Laat controle- en reparatiewerkzaamheden aan een elektrische motorverwarming en de elektrische aansluitingen ervan uitvoeren door een werkplaats – geadviseerd wordt een erkende Volvowerkplaats.
03 Bestuurdersmilieu Motor starten, FlexiFuel Brandstofadaptatie 03 Wanneer u de brandstoftank hebt volgegoten met benzine nadat u op bio-ethanol (E 85) hebt gereden (om omgekeerd), kan de motor enige tijd ietwat onregelmatig lopen. Het is daarom belangrijk dat de motor de gelegenheid krijgt tot aanpassing (adaptatie) aan het nieuwe brandstofmengsel. Een dergelijke adaptatie gaat automatisch van start, wanneer u korte tijd op gelijkmatige snelheid in de auto rijdt.
03 Bestuurdersmilieu Motor starten, hulpaccu Starten met hulpaccu 4. Sluit de ene klem van de rode startkabel aan op de pluspool van de hulpaccu . 5. Haal de clips op de voorste dekplaat van de uitgeputte accu los en verwijder de dekplaat (zie pagina 253). 6. Sluit de andere klem van de rode startkabel van de uitgeputte aan op de pluspool accu. 7. Sluit de ene klem van de zwarte startkabel van de hulpaccu. aan op de minpool 10. Start de motor van de auto met de lege accu.
03 Bestuurdersmilieu Versnellingsbakken Handbak, vijfversnellingsbak Handbak, zesversnellingsbak Blokkering achteruitversnelling, vijfversnellingsbak • Trap het koppelingspedaal tijdens het schakelen altijd zo ver mogelijk in. • Haal uw voet na het schakelen weer van het koppelingspedaal af! • Houd u aan het aangegeven schakelpatroon. Om het brandstofverbruik zo laag mogelijk te houden, moet u zoveel mogelijk gebruik maken van hoge versnellingen.
03 Bestuurdersmilieu Versnellingsbakken Automatische versnellingsbak Geartronic Blokkering achteruitversnelling, zesversnellingsbak BELANGRIJK De auto moet stilstaan wanneer u de hendel in stand P zet. Achteruitrijstand (R) De auto moet stilstaan wanneer u de hendel in stand R zet. 03 G021350 G021349 Neutrale stand (N) In deze stand kunt u de motor starten en er is geen versnelling ingeschakeld. Zet de parkeerrem aan, wanneer de auto stilstaat en de keuzehendel in stand N staat.
03 Bestuurdersmilieu Versnellingsbakken 6” afhankelijk van de ingeschakelde versnelling, zie pagina 65. 03 Duw de hendel naar voren naar de + (plus) om een hogere versnelling in te schakelen en laat de hendel weer los. De hendel veert terug naar de neutrale stand M. Trek de hendel naar achteren naar de – (min) om een lagere versnelling in te schakelen en laat de hendel weer los. Handmatig schakelen M kan op elk moment tijdens het rijden geactiveerd worden.
03 Bestuurdersmilieu Versnellingsbakken er niets. De auto blijft in de oorspronkelijke versnelling rijden. Bij kickdown kan de auto afhankelijk van het motortoerental één of meer versnellingen terugschakelen. Om schade aan de motor te voorkomen schakelt de auto op wanneer de motor het maximumtoerental heeft bereikt.
03 Bestuurdersmilieu Versnellingsbakken Displaymelding en maatregel In bepaalde situaties kan er een bepaalde melding op het display verschijnen in combinatie met een brandend lampje. 03 Symbool A Display Rijeigenschappen Maatregel Oververh versnb zet auto stil Problemen om snelheid constant te houden bij hetzelfde toerental. Versnellingsbak oververhit. Houd de auto stil met het rempedaal.A Oververh versnb Stop auto z.s.m. Auto rijdt met hevige schokkerige bewegingen vooruit.
03 Bestuurdersmilieu Vierwielaandrijving, AWD (All Wheel Drive)* De vierwielaandrijving is altijd ingeschakeld 03 Bij vierwielaandrijving worden alle vier de wielen van de auto tegelijk aangedreven. Het motorkoppel wordt automatisch over de voor- en achterwielen verdeeld. Een elektronisch gestuurd koppelingssysteem verdeelt het vermogen over het wielpaar dat op dat moment de beste grip op het wegdek heeft. Dit om optimale wegligging te verkrijgen en wielspin te voorkomen.
03 Bestuurdersmilieu Bedrijfsrem Algemene informatie De auto is uitgerust met twee remkringen. Als een van de remkringen defect raakt, betekent dit dat de remmen pas later worden aangesproken zodat u het rempedaal dieper moet intrappen voor dezelfde remmende werking. 03 De druk die u uitoefent op het rempedaal wordt versterkt door de rembekrachtiging. WAARSCHUWING De rembekrachtiging werkt alleen, als de motor loopt. baar, waardoor het bijvoorbeeld makkelijker is om obstakels te ontwijken.
03 Bestuurdersmilieu Bedrijfsrem WAARSCHUWING Als en tegelijkertijd branden, kan er een storing in het remsysteem zijn opgetreden. Als het remvloeistofpeil in dat geval in orde is, moet u de auto voorzichtig naar de dichtstbijzijnde werkplaats rijden om het remsysteem te laten controleren – geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats. 03 Als de remvloeistof onder het MIN-streepje van het reservoir staat, mag u niet verder rijden voordat u remvloeistof hebt bijgevuld.
03 Bestuurdersmilieu Parkeerrem Elektrische parkeerrem loslaat of het gaspedaal bedient, wordt de parkeerrem gelost. Parkeerrem aanzetten De elektrische parkeerrem heeft dezelfde toepassingsgebieden als het parkeerrempedaal zoals bij het wegrijden op een helling. N.B. Tijdens een noodstop bij snelheden hoger dan 10 km/h klinkt er gedurende de hele remmanoeuvre een geluidssignaal. Functie Wanneer de parkeerrem wordt geactiveerd, hoort u een zwak elektromotorgeluid.
03 Bestuurdersmilieu Parkeerrem Auto met handgeschakelde versnellingsbak 2. Steek de transpondersleutel in het contactslot. Handmatig lossen 3. Trap het rempedaal stevig in. 1. Steek de transpondersleutel in het contactslot. 4. Trek aan de handgreep. 2. Trap het rempedaal stevig in. 1. Doe de veiligheidsgordel om. 3. Trek aan de handgreep. N.B. De parkeerrem is ook handmatig te lossen door het koppelingspedaal te bedienen in plaats van het rempedaal.
03 Bestuurdersmilieu Parkeerrem Parkeerrem Service vereist - Er is een storing opgetreden. Bezoek een werkplaats als de storing aanhoudt – geadviseerd wordt een Volvo-werkplaats. Berichten Als u de auto moet parkeren voordat de storing kon worden verholpen, dient u de wielen net als bij het parkeren op een helling van de trottoirband/berm af te draaien en de versnellingspook in de 1e versnelling (handbak) te zetten en de keuzehendel in stand P (automaat).
03 Bestuurdersmilieu HomeLink * Algemene informatie N.B. HomeLink is dusdanig geconstrueerd dat het niet werkt als de auto van de buitenzijde vergrendeld is. Let erop dat u de originele afstandsbedieningen wel goed bewaart voor eventuele programmering in een later stadium (zoals bij de aankoop van een nieuwe auto). Wis de programmering van de knoppen wanneer u de auto verkoopt.
03 Bestuurdersmilieu HomeLink * deur, het toegangshek e.d. moet vervolgens geactiveerd worden bij het indrukken van de bijbehorende HomeLinkknop. in de “inleerstand” staat en klaar is voor programmering. 2. Leg de originele afstandsbediening op 5–30 cm afstand van HomeLink. Houd het controlelampje in de gaten. De juiste afstand tussen de originele afstandsbediening en HomeLink hangt af van de programmering van het te bedienen systeem. Er zijn mogelijk meerdere pogingen op verschillende afstand nodig.
03 Bestuurdersmilieu HomeLink * begint te knipperen. Laat beide knoppen weer los, wanneer het lampje dat langzaam knipperde sneller gaat knipperen. Een snel knipperend lampje geeft aan dat de programmering gelukt is. buurt van de antennevoet op de ontvanger). Raadpleeg als u de knop niet kunt vinden, de gebruiksaanwijzing van de leverancier of neem contact op met de leverancier via internet: www.homelink.com. 4.
120 * Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie. 122 128 136 139 140 154 159 161 163 164 166 173 176 182 185 188 191 196 200 201 206 G020908 Menu- en meldingsfuncties................................................................... Klimaatregeling..................................................................................... Motor- en interieurverwarming op brandstof*....................................... Extra verwarming op brandstof*.................................................
COMFORT EN RIJPLEZIER 04
04 Comfort en rijplezier Menu- en meldingsfuncties Middenconsole Sommige functies regelt u via het menusysteem vanaf de middenconsole of via de toetsenset op het stuurwiel. Welke functies dat zijn leest u in de verschillende onderdelen. Het actuele menuniveau staat rechts bovenaan op het display van de middenconsole. EXIT – stap terugdoen binnen het menusysteem. Bij lang indrukken verlaat u het menusysteem.
04 Comfort en rijplezier Menu- en meldingsfuncties openen, wanneer deze geluidsbron actief is, zie pagina 141. De volgende menu-opties maken deel uit van Hoofdmenu: Autosleutelgeheugen Pos. stoelen en spiegels* Instellingen van de auto Informatie Klimaatinstellingen Autom. blower afstellen Hoofdmenu DAB*3 Timer recirculatie Hoofdmenu CD Aut. defroster achterr. Reset klimaatinst.
04 Comfort en rijplezier Menu- en meldingsfuncties Hoofdmenu USB USB-instellingen Nieuws TP (verkeersinformatie) Telefooninstellingen Berichten Lezen Nieuw bericht schrijven Berichtinstellingen Nummer-informatie Geluiden en volume Bericht wissen Nieuws Telefoonboek synchr. Hoofdmenu geïntegreerde telefoon Oproepregister Gespreksopties Verzend mijn nummer Wisselgesprek Laatste 10 gemiste opr. Automatisch antwoord Audio-instellingen2 Laatste 10 ink. opr. Autom.
04 Comfort en rijplezier Menu- en meldingsfuncties Instrumentenpaneel eerst bevestigen met de knop READ voordat u de menu’s kunt bekijken. Melding Menu-overzicht6 Actieradius Gemiddeld Momentaan Gem. snelheid G021364 Lane departure warning 04 Bandenspanning Kalibratie* Actuele snelheid Informatiedisplay en bedieningstoetsen voor menufuncties. READ – meldingenlijst openen en meldingen bevestigen. Duimwiel – menu-opties doorbladeren. RESET – geactiveerde functie op nul stellen.
04 Comfort en rijplezier Menu- en meldingsfuncties N.B. 04 126 Melding Betekenis Melding Betekenis Als er een waarschuwingsmelding verschijnt bij gebruik van de boordcomputer, moet u de melding lezen (druk op de knop READ) voordat u de eerdere activiteit kunt hervatten. Service vereist Volvo adviseert u de auto zo spoedig mogelijk te laten controleren door een erkende Volvo-werkplaats. Tijd voor periodiek onderhoud Melding Betekenis Zie instructieb. Lees het instructieboekje. Stop auto z.s.m.
04 Comfort en rijplezier Menu- en meldingsfuncties Melding Betekenis Melding Betekenis Versn.olie Verversen Volvo adviseert u de auto zo spoedig mogelijk te laten controleren door een erkende Volvo-werkplaats. Versn.bak heet Stop auto z.s.m. Versnellingsbak beperkte werking De versnellingsbak werkt niet op maximale capaciteit. Rijd voorzichtig totdat de melding verdwijntA. Kritieke storing. Breng de auto zo spoedig mogelijk tot stilstand.
04 Comfort en rijplezier Klimaatregeling Algemene informatie Airconditioning De auto is voorzien van elektronische klimaatregeling (ECC). De klimaatregeling zorgt ervoor dat de lucht in het interieur gekoeld, verwarmd of van vocht ontdaan wordt. N.B. 04 U kunt de airconditioning uitschakelen. Voor optimaal klimaatcomfort in de passagiersruimte en om te voorkomen dat de ruiten beslaan, dient u de airconditioning echter altijd te laten aanstaan.
04 Comfort en rijplezier Klimaatregeling op te nemen met een erkende Volvo-werkplaats. N.B. Koudemiddel De airconditioning maakt gebruik van het koudemiddel R134a, zie pagina 296. Het bevat geen chloor, waardoor het koudemiddel onschadelijk is voor de ozonlaag. Laat het bijvullen/vervangen van koudemiddel over een gecertificeerde werkplaats. Volvo adviseert u contact op te nemen met een erkende Volvowerkplaats. Bij auto’s met CZIP dient het IAQS-filter om de 15.
04 Comfort en rijplezier Klimaatregeling Bij gebruik van RESET via het display worden de standaardinstellingen hervat voor alle functies van de klimaatregeling. Blaasmonden in dashboard Blaasmonden in portierstijlen G021366 G021367 04 De binnenkomende lucht wordt verdeeld over 20 blaasmonden verspreid over het interieur. In de stand AUTO vindt de luchtverdeling geheel automatisch plaats. De luchtverdeling valt zo nodig handmatig bij te regelen, zie pagina 135.
04 Comfort en rijplezier Klimaatregeling Klimaatregeling Elektronische klimaatregeling, ECC Max. ontwaseming Het ventilatiesysteem is te activeren, wanneer de motor loopt. Er zijn drie comfortniveaus met elk hun eigen koel- en droogeffect: Recirculatie/Interior Air Quality System • Comfortniveau III: eenmaal indrukken van de knop levert het maximale vermogen op – alle drie de lampjes branden. • Comfortniveau II: tweemaal indrukken van de knop levert het lagere vermogen op – twee lampjes branden.
04 Comfort en rijplezier Klimaatregeling Ventilator Draai aan de knop om de ventilatorsnelheid te verhogen of te verlagen. De ventilatorsnelheid wordt automatisch geregeld, als u AUTO selecteert. De eerder ingestelde ventilatorsnelheid wordt dan gene- Driemaal op de knop drukken levert het laagste verwarmingsniveau op – een van de lampjes brandt. U stelt de verwarming van de achterbank op dezelfde manier in als die van de voorstoelen.
04 Comfort en rijplezier Klimaatregeling U kunt de ventilatorsnelheid in de automatische stand instellen onder Klimaatinstellingen Autom. blower afstellen. Kies uit Laag, Normaal of Hoog: AC – Airconditioning AAN/UIT Wanneer het lampje bij ON brandt, wordt de airconditioning automatisch geregeld. De binnenkomende lucht wordt dan automatisch afgekoeld en van vocht ontdaan. • Laag - Automatische ventilatorregeling. Geringe luchtstroom geniet de prioriteit.
04 Comfort en rijplezier Klimaatregeling Timer recirculatie. Voor een beschrijving van het menusysteem, zie pagina 122. Recirculatie/Interior Air Quality Sensor activeren Selecteer een van de drie functies door verschillende malen op de knop te drukken. N.B. Wanneer u de ontwaseming selecteert, wordt de recirculatie altijd uitgeschakeld.
04 Comfort en rijplezier Klimaatregeling Luchtverdelingstabel Luchtverdeling Toepassing Luchtverdeling Toepassing Lucht naar de ruiten. Er komt een bepaalde hoeveelheid lucht uit de blaasmonden. De lucht wordt niet gerecirculeerd. De airconditioning is altijd ingeschakeld. om snel te ontdooien en te ontwasemen. Lucht naar de vloer en de ruiten. Er komt een bepaalde hoeveelheid lucht uit de blaasmonden in het dashboard. om een comfortabel klimaat en een goede ontwaseming te verkrijgen bij koud weer.
04 Comfort en rijplezier Motor- en interieurverwarming op brandstof* Verwarming op brandstof Algemene informatie over de standverwarming Tanken Accu en brandstof Als de accu onvoldoende opgeladen is of als het brandstofpeil te laag is, wordt de standverwarming automatisch uitgeschakeld en er verschijnt een melding op het display. Bevestig deze melding door op de knop READ op de richtingaanwijzerhendel te drukken, zie pagina 137.
04 Comfort en rijplezier Motor- en interieurverwarming op brandstof* G021364 G025102 Display Betekenis Brandstofkachel AAN De verwarming is ingeschakeld en werkt. Timer ingesteld Brandstofkachel De verwarming start op de ingestelde tijd voor de verwarming tijdens het uitnemen van de transpondersleutel. Verwarming stop Accuspann. laag De verwarming werd uitgeschakeld om te zorgen dat er voldoende stroom is om de motor te starten.
04 Comfort en rijplezier Motor- en interieurverwarming op brandstof* Meteen inschakelen/uitschakelen 1. Gebruik het duimwiel om naar Directe start Standverw. te gaan. 2. Druk op RESET om te kiezen uit AAN en UIT. 04 N.B. De timers zijn alleen te programmeren met de transpondersleutel in slotstand I, zie pagina 72. AAN: De standverwarming is handmatig of via de timerfunctie ingeschakeld. 1. Gebruik het duimwiel om naar Timer standkach 1 te gaan. UIT: De standverwarming is uitgeschakeld. 2.
04 Comfort en rijplezier Extra verwarming op brandstof* Extra verwarming (diesel) N.B. Bij gebruik van de extra verwarming is het volkomen normaal dat er rook uit de rechter wielkast komt. Automatische stand of uitschakelen G021364 Bij korte ritten kan de extra verwarming desgewenst worden uitgeschakeld. Knop READ Duimwiel Knop RESET Bij koud weer moet de extra verwarming van dieselmodellen wellicht worden ingeschakeld om de motor en de passagiersruimte voldoende te verwarmen. 1.
04 Comfort en rijplezier Audiosysteem Algemene informatie Het audiosysteem is te verkrijgen met verschillende opties en in drie basisuitvoeringen: • • • Performance High Performance Als het audiosysteem aanstaat wanneer u de motor afzet, wordt het de volgende keer dat u de motor start automatisch ingeschakeld. Toetsenset op stuurwiel* Overzicht Premium Sound Bij het inschakelen van het audiosysteem geeft het display de uitvoering aan.
04 Comfort en rijplezier Audiosysteem Achterste bedieningspaneel met hoofdtelefoonaansluiting Voor de beste geluidsweergave adviseren wij u een hoofdtelefoon te gebruiken met een impedantie van 16–32 ohm en een gevoeligheid van 102 dB of meer. matig gedeactiveerd, wanneer u MODE lang indrukt of automatisch bij het uitschakelen van het contact. Audiofuncties Vooruit-/achteruitspoelen en zoeken Kort op (2) drukken om een track op een cd of een van de voorkeurzenders te selecteren.
04 Comfort en rijplezier Audiosysteem van de auto. U hebt de keuze uit drie compensatieniveaus: laag, medium en hoog. Kies een niveau onder Audio-instellingen Autom. volumeregeling. Geluidssterkte externe geluidsbron Een mp3-speler zonder USB-kabel kan op de AUX-ingang worden aangesloten, zie pagina 143. N.B. 04 De geluidskwaliteit kan verslechteren, als de speler wordt opgeladen terwijl het audiosysteem in stand AUX staat. Laad de speler daarom niet tijdens het beluisteren op via de 12 V-aansluiting.
04 Comfort en rijplezier Audiosysteem Optimale geluidsweergave AUX, USB en iPod Het audiosysteem is gekalibreerd voor optimale geluidsweergave met behulp van digitale signaalverwerking. Algemene informatie 2. Sluit uw iPod, mp3-speler of USBgeheugen aan op de USB-aansluiting* in het opbergvak van de middenconsole (zie voorgaande afbeelding).
04 Comfort en rijplezier Audiosysteem N.B. Het systeem biedt ondersteuning van muziekbestanden in de muziekformaten mp3, wma en wav. Er zijn echter varianten van deze muziekformaten die niet door het systeem worden ondersteund. Het systeem biedt verder ondersteuning voor de meeste iPod-modellen die in 2005 of later gemaakt zijn. iPod Shuffle wordt echter niet ondersteund.
04 Comfort en rijplezier Audiosysteem wordt vervolgens automatisch afgespeeld. Steek anders een cd in de invoeropening en druk op CD. Cd aanbrengen (cd-wisselaar) 1. Kies een lege sleuf met de cijfertoetsen / van de navigatietoets (4). 1–6 of Op het display staat aangegeven welke sleuf leeg is. De melding Disc plaatsen geeft aan dat u een volgende cd kunt aanbrengen. De cd-wisselaar biedt plaats aan zes cd’s. 2. Steek een cd in de invoeropening van de cd-wisselaar. Disc uitwerpen U hebt ca.
04 Comfort en rijplezier Audiosysteem Willekeurige afspeelvolgorde Bij activering van deze functie speelt de speler de tracks/muziekbestanden in willekeurige volgorde af. U kunt de willekeurig gekozen tracks/muziekbestanden op de cd op de gebruikelijke manier doorbladeren. N.B. 04 Bij gebruik van de linker of rechter pijl wordt alleen een nieuwe willekeurige track op de afgespeelde cd geselecteerd.
04 Comfort en rijplezier Audiosysteem 2. Druk op / van de navigatietoets. Handmatig zenders zoeken 1. Kies een frequentieband met FM of AM. 2. Draai aan TUNING. Preset U kunt per frequentieband 10 voorkeurzenders vastleggen. De FM-band heeft 2 geheugenbanken met voorkeurzenders: FM1 en FM2. U kiest een voorkeurzender met de voorkeurtoetsen. De voorkeurzenders kunnen handmatig of automatisch worden vastgelegd. Voorkeurzenders handmatig vastleggen 1. Stem af op een zender. 2.
04 Comfort en rijplezier Audiosysteem 04 opnieuw weer op het volume dat u daarvoor had ingesteld. stemd verkeersinformatie kan doorgeven, op het display. staat er De programmafuncties alarm (ALARM!), verkeersinformatie (TP (verkeersinformatie)), nieuws (Nieuws) en programmatype (PTY (programmatype)) worden in volgorde van belangrijkheid weergegeven, waarbij geldt dat alarm de hoogste prioriteit geniet en de programmatypes de laagste.
04 Comfort en rijplezier Audiosysteem Als de radio een uitzending van een van de gekozen programmatypes vindt, verschijnt >| om te zoeken op het display. ± van de navigatietoets om verDruk op der te zoeken naar een andere uitzending van een van de gekozen programmatypes. Programmatype weergeven Het is mogelijk het programmatype van de zender die u op dat moment beluistert op het display weer te geven. ± Activeer/deactiveer deze functie in de stand FM onder FM-instellingen PTY PTY weergeven N.B.
04 Comfort en rijplezier Audiosysteem Rockmuziek programmatype is gekozen. Als u het volume tijdens de onderbreking bijregelt, wordt het nieuwe volume opgeslagen voor een volgende onderbreking. Melodie 1.5.1 TP-zender Licht klassiek 1.5.2 Nieuwszender Klassiek 1.5.3 AF Overige muziek 1.5.4 EON Hoofdmenu FM Het weer Uit Economie Plaatselijk Voor kinderen Afstand 1.1 Nieuws 1.2 TP (verkeersinformatie) 1.3 Radiotekst 1.4 PTY (programmatype) 1.4.
04 Comfort en rijplezier Audiosysteem Service en Ensemble • Voor onderhoud - Kanaal, radiokanaal (het systeem biedt alleen ondersteuning voor geluidsdiensten). • Ensemble - Een groep radiokanalen die op dezelfde frequentie zenden. Radiokanalen programmeren (Groep leren) Wanneer de auto een nieuw zendgebied binnenrijdt is het mogelijk het systeem de gelegenheid te geven de te ontvangen kanaalgroepen te programmeren.
04 Comfort en rijplezier Audiosysteem 04 DAB-PTY (programmatype) DAB PTY selecteert een specifiek type radio- Bij het beluisteren van een subkanaal verschijnt de subkanaalnaam programma. Er bestaan 29 verschillende programmatypes voor verschillende soorten programmacategorieën. Wanneer u een bepaald programmatype hebt gekozen, navigeert u alleen binnen de kanalen die programma’s van het gekozen type uitzenden. 2. Ensemble - Voegt de naam van de kanaalgroep toe aan de kanaalnaam.
04 Comfort en rijplezier Audiosysteem 4.11. 5. Popmuziek 6. DAB-instellingen 4.12 Rockmuziek 4.13. Rustige muziek 6.1. 6.1.1. Groepsnaam 4.14. Licht klassiek 6.1.2. Groepsnaam en PTY 4.15. Klassieke muziek 6.1.3. Basis 4.16. Overige muziek 6.2. DAB naar DAB link 4.17. Het weer 6.3. FM-verkeer 4.18. Economie 6.4. DAB-band selecteren 4.19 Kinderprogramma’s 6.4.1. Band III 4.20. Feitelijk 6.4.2. LBand 4.21. Religie 6.4.3. LBand & Band III 4.22. Doe mee! 4.23.
04 Comfort en rijplezier RSE-systeem (Rear Seat Entertainment) met twee beeldschermen* Algemene informatie Het RSE-systeem kan gelijktijdig met het infotainmentsysteem gebruikt worden. Ook als de achterpassagiers gebruik maken van de dvd-speler, de RSE-AUX-ingang of tv1 kijken en daarbij de koptelefoon dragen, kunnen de bestuurder en een eventuele voorpassagier de radio of cd-speler blijven beluisteren. Tv-overzicht Druk op - instelling en kies TV I DVD I AUX MEDIA MENU.
04 Comfort en rijplezier RSE-systeem (Rear Seat Entertainment) met twee beeldschermen* Bijv. Engels Taal waarin de tvmenu’s staan aangegeven Beeldformaat Audio 16:9 4:3 Automatisch Modus (beeldschermstand) Audio - 1, bijv. ENG. Audiomodus Links Stereo AC3 Rechts Links Tijd banner De weergaveduur van de menu’s is in te stellen op 8–40 seconden. Systeeminstellingen audiomodus Druk op MEDIA MENU Systeeminstellingen Audiomodus.
04 Comfort en rijplezier RSE-systeem (Rear Seat Entertainment) met twee beeldschermen* 4. Steek de module in de digitale tv-ontvanger. Zorg dat u de module op de juiste manier aanbrengt. > Het systeem registreert automatisch dat het nieuwe informatie ontvangt. 5. Gebruik de zoekfunctie om de nieuwe kanalen te vinden die u kunt bekijken (zie onder “Tv-kanalen met smartcard” verderop). 04 Tv-kanalen met smartcard Gebruik de zoekfunctie om de kanalen te vinden die u met de smartcard kunt bekijken. 1.
04 Comfort en rijplezier RSE-systeem (Rear Seat Entertainment) met twee beeldschermen* Zelfgebrande cd’s/dvd’s zijn te beluisteren. Aansluiten op AUX-ingang RSE-systeem Systeem Formaten die door het systeem worden ondersteund. De afspeelbaarheid en de geluidskwaliteit zijn echter afhankelijk van het bronbestand, het gehanteerde formaat en de kwaliteit van de gebruikte cd/dvd. De ingang dient om randapparatuur te kunnen aansluiten.
04 Comfort en rijplezier RSE-systeem (Rear Seat Entertainment) met twee beeldschermen* 2. Verwijder beide batterijen en leg de nieuwe batterijen op de aangegeven manier in het batterijvakje. DVX(R) REGISTRATION PREFERENCES TV TYPE AUDIO 04 3. Breng het dekseltje aan en draai het boutje vast.
04 Comfort en rijplezier Boordcomputer Functies Algemene informatie N.B. G021364 Als er een waarschuwingsmelding verschijnt terwijl de boordcomputer in gebruik is, moet u deze melding eerst bevestigen om naar de boordcomputerfunctie terug te keren. U bevestigt door op READ te drukken. Informatiedisplay en bedieningstoetsen. READ - bevestigen Duimwiel – menu’s en opties binnen de cruisecontrol-lijst doorbladeren.
04 Comfort en rijplezier Boordcomputer N.B. Er kunnen iets afwijkende waarden verschijnen, als u van rijstijl verandert. Op nul stellen 1. Selecteer Gem. snelheid of Gemiddeld. 04 2. Houd RESET ca. 1 seconde ingedrukt om de waarde voor de gekozen functie op nul te stellen. Als u RESET ten minste 3 seconden lang ingedrukt houdt, stelt u de gemiddelde snelheid en het gemiddelde brandstofverbruik gelijktijdig op nul.
04 Comfort en rijplezier Stabiliteits- en tractieregelsysteem, DSTC Algemene informatie over DSTC Het stabiliteits- en tractieregelsysteem, DSTC (Dynamic Stability and Traction Control) helpt de bestuurder voorkomen dat de wielen doorslippen en verbetert de tractie van de auto. Tijdens het afremmen kunnen de ingrepen van het systeem waarneembaar zijn in de vorm van pulserende geluiden. Tijdens het gas geven kan de auto langzamer optrekken dan u verwacht. Antislipregeling Bediening 2.
04 Comfort en rijplezier Stabiliteits- en tractieregelsysteem, DSTC Symbolen op instrumentenpaneel Lees de melding op het informatiedisplay, als de symbolen en gelijktijdig oplichten. Als alleen het symbool dat het volgende: 04 162 oplicht, betekent • Een knipperend symbool geeft aan dat het systeem op dat moment ingrijpt. • Een symbool dat 2 seconden brandt geeft aan dat de systeemtest bij het starten van de motor loopt.
04 Comfort en rijplezier Rijeigenschappen aanpassen Actief chassis (FOUR-C)* Bediening Het actieve chassissysteem FOUR-C (Continously Controlled Chassis Concept) stemt de eigenschappen van de schokdempers af op de gewenste rijeigenschappen van de auto. U hebt de keuze uit drie standen: Comfort, Sport en Advanced. vinden dat bij u past qua weggevoel en stuurgevoeligheid. Ga naar Instellingen van de auto Stuurkrachtniveau in het menusysteem. Voor een beschrijving van het menusysteem, zie pagina 122.
04 Comfort en rijplezier Cruisecontrol* Bediening De cruisecontrol is vervolgens te activeren met of de , waarna de actuele snelheid de wordt vastgezet en als ingestelde snelheid dient. De displaytekens (---) km/h veranderen in de ingestelde snelheid, bijvoorbeeld 100 km/h. N.B. Bij snelheden lager dan 30 km/h is het niet mogelijk de cruisecontrol in te schakelen. G021411 04 Display en bedieningstoetsen.
04 Comfort en rijplezier Cruisecontrol* op . Het systeem hervat dan de eerder ingestelde snelheid. N.B. Wanneer u de ingestelde snelheid hebt hervat met kan er een duidelijke snelheidsverhoging optreden. 04 * Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
04 Comfort en rijplezier Adaptieve cruisecontrol* Algemene informatie Functie WAARSCHUWING De adaptieve cruisecontrol (Adaptive Cruise Control, ACC) vormt een hulpmiddel om u te ontlasten bij lange ritten op rechte weggedeelten met een gelijkmatige verkeersstroom zoals op snelwegen en provinciale wegen. De adaptieve cruisecontrol is geen systeem dat botsingen voorkomt. Grijp zelf in zodra u merkt dat het systeem een voertuig voor u niet registreert.
04 Comfort en rijplezier Adaptieve cruisecontrol* De adaptieve cruisecontrol streeft ernaar de afstand tot het voertuig dat voor u op dezelfde rijstrook rijdt op een bepaalde tijdswaarde te houden. Als de radarsensor geen voertuig voor u registreert, wordt alleen de ingestelde snelheid aangehouden. Dit gebeurt ook als de snelheid van de voorligger de ingestelde snelheid van de adaptieve cruisecontrol overschrijdt. De adaptieve cruisecontrol streeft ernaar de snelheid zo weinig mogelijk aan te passen.
04 Comfort en rijplezier Adaptieve cruisecontrol* licht op en de tekens (---) verschijnen om aan te geven dat de cruisecontrol stand-by staat. De cruisecontrol is vervolgens te activeren met of de , waarna de actuele snelheid de wordt vastgezet en als ingestelde snelheid dient. De displaytekens (---) veranderen in de ingestelde snelheid, bijvoorbeeld 100. Wanneer de radarsensor een voorligger registreert, verschijnt links op het display een autosymbool.
04 Comfort en rijplezier Adaptieve cruisecontrol* haakjes op het display bijvoorbeeld (100). U kunt de ingestelde snelheid en volgtijd hervat. ten met een druk op Wanneer de adaptieve cruisecontrol actief is, wordt de ingestelde snelheid iedere keer dat u drukt in stapjes van 1 km/h verhoogd. op N.B. Wanneer u de ingestelde snelheid hebt hervat met kan er een duidelijke snelheidsverhoging optreden.
04 Comfort en rijplezier Adaptieve cruisecontrol* Ook kleine voertuigen, zoals motorfietsen of voertuigen die niet in het midden van de rijstrook rijden, kunnen onopgemerkt blijven. In bochten kan de radarsensor op het verkeerde voertuig reageren of een eerder opgemerkt voertuig uit het zicht verliezen. Storingen opsporen en verhelpen Als op het display de melding Radar afgedekt Zie instructieb.
04 Comfort en rijplezier Adaptieve cruisecontrol* Oorzaak Maatregel Het radaroppervlak van de grille is vuil of bedekt met sneeuw of ijs. Ontdoe het radaroppervlak van de grille van vuil, sneeuw en ijs. De radarsignalen worden gehinderd door hevige regen- of sneeuwval. Valt niets aan te doen. Bij hevige neerslag werkt de radar soms niet. De radarsignalen worden gehinderd door opspattend water en opdwarrelende sneeuw van het wegdek. Valt niets aan te doen.
04 Comfort en rijplezier Adaptieve cruisecontrol* Symbool Melding Betekenis ACC De adaptieve cruisecontrol kan niet worden ingeschakeld. Niet beschikbaar Dit kan onder meer gebeuren wanneer: • • de remmen een hoge temperatuur hebben de radarsensor wordt gehinderd door natte sneeuw of regen. Radar afgedekt De adaptieve cruisecontrol werkt tijdelijk niet. Zie instructieb.
04 Comfort en rijplezier Afstandscontrole Algemene informatie De afstandscontrole (Distance Alert) is een functie die de volgtijd ten opzichte van de voorligger aangeeft. Een deel van het op de voorruit geprojecteerde rode waarschuwingslampje brandt continu, als de afstand tot de voorligger kleiner wordt dan de ingestelde volgtijd. N.B. Zolang de adaptieve cruisecontrol wordt gebruikt staat de afstandscontrole uit. instelt. U kunt de volgtijd verlengen met .
04 Comfort en rijplezier Afstandscontrole Tijdens het instellen van de volgtijd verschijnt het bijbehorende aantal horizontale streepjes op het display. Deze streepjes verdwijnen na enkele seconden, waarna een verkleinde uitvoering ervan rechts op het display verschijnt. Hetzelfde symbool verschijnt ook wanneer de adaptieve cruisecontrole geactiveerd is. 04 N.B. Hoe hoger de snelheid, hoe langer de volgafstand in meters voor een bepaalde volgtijd.
04 Comfort en rijplezier Afstandscontrole Symbool Melding Betekenis Radar afgedekt. De afstandscontrole werkt tijdelijk niet. Zie instructieb. De radarsensor kan geen andere voertuigen registreren wanneer deze wordt gehinderd door bijvoorbeeld hevige regenval of als sneeuwmodder of andere verontreinigingen de radarsensor afdekken.
04 Comfort en rijplezier Collision Warning met Auto Brake* De Collision Warning met Auto Brake is een hulpmiddel dat bestemd is om u te waarschuwen wanneer het gevaar bestaat dat u op een (stilstaande of rijdende) voorligger botst. De Collision Warning kent drie hulpfuncties. • Collision Warning waarschuwt voor een naderende botsing. • Brake Support helpt u om efficiënt te remmen in een kritieke situatie. • Auto Brake remt de auto automatisch af als een botsing onvermijdelijk is.
04 Comfort en rijplezier Collision Warning met Auto Brake* Brake Support Als het gevaar voor een botsing na de Collision Warning verder toeneemt, treedt de Brake Support in werking. De Brake Support treft de nodige voorbereidingen voor een snelle remmanoeuvre waarna de remmen licht worden aangezet. Dit is te merken aan een lichte schok. Als u het rempedaal met een bepaalde snelheid bedient, wordt het maximale remvermogen geleverd ook al trapt u het pedaal niet zo ver in.
04 Comfort en rijplezier Collision Warning met Auto Brake* N.B. Ook als u de waarschuwingsafstand hebt ingesteld op Lang, kunnen de waarschuwingen voor uw gevoel soms laat worden afgegeven (bijvoorbeeld als het snelheidsverschil groot is of als uw voorligger sterk afremt). Instellingen controleren 04 U kunt de actuele instellingen controleren op het display van de middenconsole. Open het menu en ga naar Instellingen van de auto Inst. botswaarschuwing, zie pagina 122.
04 Comfort en rijplezier Collision Warning met Auto Brake* De camerasensor kent ongeveer dezelfde beperkingen als het menselijk oog. Dit houdt in dat de sensor minder goed “ziet” bij hevige regen- of sneeuwval en in dichte mist. In dergelijke omstandigheden kunnen functies die gebruik maken van de camera grote beperkingen ondervinden of helemaal uitgeschakeld worden.
04 Comfort en rijplezier Collision Warning met Auto Brake* Symbolen en meldingen op display Symbool Melding Betekenis CWS-systeem UIT De Collision Warning is uitgeschakeld. Verschijnt bij het starten van de motor. De melding dooft automatisch na ca. 5 seconden of eerder wanneer u op de toets READ drukt. CWS-systeem niet beschikbaar 04 Het is niet mogelijk de Collision Warning te activeren. Verschijnt wanneer u de functie toch probeert te activeren. De melding dooft automatisch na ca.
04 Comfort en rijplezier Collision Warning met Auto Brake* Symbool Melding Betekenis Radar afgedekt Zie instructieb. De Collision Warning en de Auto Brake werken tijdelijk niet. De radarsensor kan geen andere voertuigen registreren wanneer deze wordt gehinderd door bijvoorbeeld hevige regenval of als sneeuwmodder of andere verontreinigingen de radarsensor afdekken. Voor meer informatie over de beperkingen van de radarsensor, zie pagina 169.
04 Comfort en rijplezier Driver Alert System – DAC* Inleiding Driver Alert System is bestemd om u te helpen als de auto op een ongecontroleerde manier wordt bestuurd of op het punt staat de rijstrookmarkering te overschrijden. Algemene informatie over Driver Alert Control (DAC) Driver Alert System bestaat uit twee hulpfuncties die allebei tegelijk of ieder apart in te schakelen zijn: Driver Alert Control (DAC) Lane Departure Warning (LDW), zie pagina 185.
04 Comfort en rijplezier Driver Alert System – DAC* Bediening Via het menusysteem op het display van de middenconsole zijn bepaalde instellingen te verrichten. Voor informatie over het gebruik van het menusysteem, zie pagina 122. De actuele status valt te controleren op het boordcomputerdisplay met behulp van de linker stuurhendel. Duimwiel. Draai aan het duimwiel totdat D river Alert op het display verschijnt. Op de tweede regel staan de opties Uit, Niet beschikbaar of Niveaumarkering. Knop READ.
04 Comfort en rijplezier Driver Alert System – DAC* Symbolen en meldingen op display Symbool Melding Betekenis Driver Alert UIT De functie is niet ingeschakeld. Driver Alert niet beschikbaar De snelheid is lager dan 60 km/h, de weg is niet voorzien van duidelijke markeringsstrepen of de camerasensor werkt tijdelijk niet. Voor meer informatie over de beperkingen van de camerasensor, zie pagina 178. Driver Alert De functie analyseert uw rijstijl.
04 Comfort en rijplezier Driver Alert System – (LDW)* Algemene informatie over Lane Departure Warning (LDW) Bediening en functie Als de camera de rijstrookmarkeringen op het wegdek niet langer registreert of als de rijsnelheid tot onder de 60 km/h daalt, neemt de functie de stand-bystand weer in en verschijnt opnieuw de melding Lane Depart Warn niet beschikbaar. Als de auto zonder duidelijke reden de linker of rechter rijstrookmarkering overschrijdt wordt u gewaarschuwd met een zoemersignaal.
04 Comfort en rijplezier Driver Alert System – (LDW)* Symbolen en meldingen op display Symbool Melding Betekenis Lane departure warning AAN/UIT De functie is ingeschakeld/uitgeschakeld. Verschijnt bij inschakeling/uitschakeling. De melding verdwijnt automatisch na 5 seconden. 04 Lane Depart Warn beschikbaar De functie tast de rijstrookmarkeringen af.
04 Comfort en rijplezier Driver Alert System – (LDW)* Persoonlijke instellingen Gebruik het menusysteem van het display op de middenconsole om Instellingen van de auto Lane departure warning op te zoeken, zie pagina 122. Kies de gewenste optie: Aan bij starten: Wanneer u voor deze optie kiest, staat de functie iedere keer dat u de motor staat stand-by. Anders is de functiestatus bij het afzetten van de motor bepalend.
04 Comfort en rijplezier Park Assist* Algemene informatie Functie Park Assist is bedoeld als hulpmiddel tijdens het parkeren. Geluidssignalen en symbolen op het audiodisplay geven de afstand aan tot een waargenomen obstakel. signalen elkaar op. Wanneer u ondertussen naar het audiosysteem luistert, wordt het volume daarvan tijdelijk verlaagd. 1 Park Assist is verkrijgbaar in twee varianten: • • 04 Active Park Assist aan de achterzijde 2 Park Assist aan de voor- en achterzijde.
04 Comfort en rijplezier Park Assist* Bij een afstand tot 30 cm bestaat het geluidssignaal uit een ononderbroken toon en verschijnt een markeringsbalkje van maximale lengte (zie afbeelding (2)). Als er zowel voor als achter de auto obstakels binnen deze afstand zijn waargenomen, komen de geluidssignalen beurtelings uit de luidsprekers aan linker- en rechterzijde. Park Assist aan de achterzijde de trekhaak moet u het systeem uitschakelen – anders reageren de sensoren op de aanhanger of fietsdrager. N.B.
04 Comfort en rijplezier Park Assist* BELANGRIJK In bepaalde omstandigheden kan de parkeerhulp ten onrechte waarschuwingssignalen afgeven. Dit komt door externe geluidsbronnen met ultrasone geluidssignalen van dezelfde frequentie als de sensoren van het systeem. G021425 04 Voorbeelden van dergelijke geluidsbronnen zijn onder meer claxons, natte banden op asfaltwegen, luchtdrukremmen en uitlaten van motorfietsen e.d. Positie van de achterste sensoren.
04 Comfort en rijplezier BLIS* – Blind Spot Information System WAARSCHUWING G021426 Het systeem vormt een aanvulling op – geen vervanging voor – een veilige rijstijl en het gebruik van de buitenspiegels. De bestuurder moet altijd oplettend en verantwoord blijven rijden. De bestuurder is er altijd verantwoordelijk voor dat er op een veilige manier van rijstrook wordt gewisseld. BLIS-camera U kunt het systeem tijdelijk uitschakelen met een druk op de knop BLIS, zie pagina 192.
04 Comfort en rijplezier BLIS* – Blind Spot Information System Activeren/deactiveren nen. Voor meer informatie over de meldingsfuncties, zie pagina 125. Wanneer BLIS werkt Het systeem werkt alleen bij snelheden hoger dan 10 km/h. Inhalen Het systeem reageert als: 04 Knop voor activering/deactivering. BLIS wordt bij het starten van de motor automatisch geactiveerd. De controlelampjes op de portierpanelen lichten driemaal op bij het activeren van BLIS.
04 Comfort en rijplezier BLIS* – Blind Spot Information System Schoonmaken BLIS werkt alleen optimaal, als de lenzen van de BLIS-camera’s schoon zijn. U kunt de lenzen schoonmaken met een zachte doek of een vochtige spons. Maak de lenzen voorzichtig schoon om krassen te voorkomen. Melding Betekenis BLIS Beperkte functie De BLIS-camera wordt gehinderd door bijvoorbeeld mist of fel zonlicht recht in de camera. BELANGRIJK De camera herstelt zichzelf zodra de omstandigheden weer normaal zijn.
04 Comfort en rijplezier BLIS* – Blind Spot Information System Laag staande zon in de camera. 04 194 * Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
04 Comfort en rijplezier BLIS* – Blind Spot Information System 04 * Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
04 Comfort en rijplezier Interieurcomfort Opbergmogelijkheden 04 196
04 Comfort en rijplezier Interieurcomfort Opbergvak in portierpaneel Middenconsole Opbergzak* aan de voorkant van de voorstoelzittingen Parkeerkaarthouder Dashboardkastje Opbergvakken, bekerhouder U activeert de aansteker door de knop in te drukken. Wanneer de aansteker heet genoeg is, veert de knop automatisch uit. Haal de aansteker uit de opening en gebruik het roodgloeiende deel om bijvoorbeeld een sigaret mee aan te steken.
04 Comfort en rijplezier Interieurcomfort 12 V-aansluiting Vloermatten* foon of koelbox. U kunt maximaal 10 A via de aansluiting afnemen. De transpondersleutel moet ten minste in sleutelstand I staan, anders geeft de aansluiting geen stroom, zie pagina 72. Volvo biedt vloermatten die speciaal vervaardigd zijn.
04 Comfort en rijplezier Interieurcomfort N.B. Let erop dat u de aansluiting niet gebruikt wanneer de motor is afgezet, omdat anders het risico bestaat dat de accu uitgeput raakt.
04 Comfort en rijplezier Interieurcomfort – Executive Achter de middenarmsteun van de achterbank zit een koelbox. De box werkt wanneer de motor loopt of wanneer de transpondersleutel in stand II staat. WAARSCHUWING Draai de flessen goed dicht voordat u ze in het koelbox bewaart en zorg dat het deurtje dicht blijft tijdens het rijden. N.B. Voor de optimale werking van de koelbox is een ongehinderde luchtcirculatie vereist.
04 Comfort en rijplezier Bluetooth handsfree* Algemene informatie N.B. Niet alle mobiele telefoons zijn volledig compatibel met de handsfree-functie van het audiosysteem. Volvo adviseert u contact op te nemen met een erkende Volvowerkplaats of www.volvocars.com te bezoeken voor informatie over compatibele telefoons. Telefoonfuncties, overzicht bedieningstoetsen EXIT - Telefoongesprekken beëindigen/ weigeren, ingevoerde tekens wissen, actieve functie annuleren.
04 Comfort en rijplezier Bluetooth handsfree* dan niet eerder aangesloten was. Als het de eerste keer is dat u de mobiele telefoon aansluit, dan moet u de onderstaande instructies volgen: Alternatief 1 – via het menusysteem van de auto 04 1. Maak de mobiele telefoon identificeerbaar/ zichtbaar via BluetoothTM (zie daarvoor de gebruiksaanwijzing bij de mobiele telefoon of www.volvocars.com). 2. Activeer de handsfree-functie met PHONE. > De menu-optie Telefoon toevoegen verschijnt op het display.
04 Comfort en rijplezier Bluetooth handsfree* Wanneer de mobiele telefoon is losgekoppeld, kunt u een eventueel lopend gesprek voortzetten via de ingebouwde microfoon en luidspreker van de mobiele telefoon. N.B. Bij sommige mobiele telefoons moet u om over te schakelen van de handsfree op de handset eerst ter bevestiging op het toetsenblok van de mobiel drukken. Gespreksfuncties Inkomend gesprek U neemt een gesprek aan met ENTER, ook al staat het audiosysteem in bijvoorbeeld de stand CD of FM.
04 Comfort en rijplezier Bluetooth handsfree* Telefooninstellingen Geluiden en volume Belsignalen Belsignaal 1, 2, 3 enz. N.B. Ook bij gebruik van een van de ingebouwde beltonen van het handsfree-systeem, zijn de beltonen van de aangesloten mobiele telefoon nog altijd hoorbaar. 04 Ga om de beltonen2 van de aangesloten telefoon te gebruiken naar Telefooninstellingen Geluiden en volume Belsignalen Gebruik signaal mob. tel..
04 Comfort en rijplezier Bluetooth handsfree* Contacten zoeken U kunt het eenvoudigst naar bepaalde gegevens in het telefoonboek zoeken door de knoppen 2–9 lang in te drukken. Het telefoonboek wordt dan doorzocht op posten die beginnen met de eerste letter van de ingedrukte toets. Het telefoonboek is eveneens te bereiken met / van de navigatietoets of met / van de toetsenset op het stuurwiel. U een zoekopdracht tevens starten vanuit het zoekmenu van het telefoonboek onder Telefoonboek Zoeken: 1.
04 Comfort en rijplezier Geïntegreerde telefoon* Algemene informatie Beknopte bedieningsinstructies Simkaart Het telefoonsysteem is alleen te gebruiken in combinatie met een geldige simkaart (Subscriber Identity Module). Voor het aanbrengen ervan, zie pagina 209. Ook zonder een simkaart is het mogelijk het alarmnummer te bellen. als het menu CD op het display staat. Om gebruik te maken van de telefoonmenu’s en te bellen dient u kort op PHONE te drukken.
04 Comfort en rijplezier Geïntegreerde telefoon* Beëindig een gesprek met EXIT of leg de handset op. Weiger een gesprek met EXIT. Automatisch antwoord Tijdens lopende gesprekken Ruggespraakstand Druk tijdens een gesprek op MENU of op ENTER om het gespreksmenu te openen. Bij gebruik van de ruggespraakstand wordt de microfoon gedeactiveerd, zie pagina 206. Zie pagina 203. Bellen Wisselgesprek 1. Zet het lopende gesprek in de wacht onder Wacht.
04 Comfort en rijplezier Geïntegreerde telefoon* Beltoonvolume. Stel bij met navigatietoets. / van de Telefoonboek Contactgegevens kunnen op de simkaart of in het telefoongeheugen worden vastgelegd. Contacten vastleggen in telefoonboek 1. Druk op MENU en ga naar Telefoonboek Nieuwe contactpersoon. 04 2. Voer een naam in en druk op ENTER. Zie onder voor informatie over het invoeren van tekst. 3. Voer een nummer in en druk op ENTER. 4. Ga naar SIM-kaart of Telefoongeheugen en druk op ENTER.
04 Comfort en rijplezier Geïntegreerde telefoon* bewaard met de ingekomen, uitgaande en gemiste oproepen. U kunt de uitgaande gesprekken ook bekijken door te drukken op ENTER. De telefoonnummers op de lijsten zijn vast te leggen in het telefoonboek. Gespreksduur De gespreksduur wordt vastgelegd onder Oproepregister Gespreksduur. ± Reset de waarden onder Oproepregister Gespreksduur Reset timers.
04 Comfort en rijplezier Geïntegreerde telefoon* Zorg dat de telefoon gedeactiveerd is. Trek de simkaarthouder uit het dashboardkastje tevoorschijn. Plaats de simkaart met het laag metaal in de simkaarthouder en breng omhoog de behuizing van de simkaarthouder aan. Plaats de simkaarthouder terug. 04 210 * Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
04 Comfort en rijplezier 04 211
Rijadviezen............................................................................................ Tanken.................................................................................................. Brandstof.............................................................................................. Lading vervoeren.................................................................................. Kofferbak ..........................................................................................
TIJDENS HET RIJDEN 05
05 Tijdens het rijden Rijadviezen Algemene informatie Zuinig rijden werking in orde is. Bij water en vuil op de remblokken kunnen er vertragingen in de remwerking optreden. Zuinig en milieubewust rijden houdt in dat u anticiperend en rustig rijdt, en uw rijstijl en snelheid afstemt op de verkeerssituatie (Voor meer tips om het milieu te sparen, zie pagina 9). Maak de aansluitingen voor de elektrische motorverwarming en de aanhangerkoppeling schoon na ritten in water en modder.
05 Tijdens het rijden Rijadviezen WAARSCHUWING Rijd niet met een geopend kofferdeksel. Er kunnen giftige uitlaatgassen via de kofferbak de passagiersruimte in worden gezogen. Accu niet overmatig belasten De elektrische functies van de auto belasten de accu in verschillende mate. Laat het contactslot niet te lang achtereen in stand II staan, wanneer u de motor hebt afgezet. Gebruik liever stand I, omdat er op die manier minder stroom wordt afgenomen.
05 Tijdens het rijden Tanken Tankvulklep handmatig openen WARNING! ACHTUNG! AVERTISSEMENT! G021395 Tankvulklep openen/sluiten Tankdop open-/dichtdraaien 05 Open de tankvulklep met de knop op het verlichtingspaneel. De vulklep zit in het rechter achterspatbord, zoals de pijl in het symbool op het informatiedisplay al aangeeft. Sluit de klep door deze dusdanig in te drukken dat u een klik hoort. Bij hoge buitentemperaturen kan er een bepaalde mate van overdruk in de brandstoftank ontstaan.
05 Tijdens het rijden Brandstof Algemene informatie over brandstof Gebruik geen brandstof met een slechtere kwaliteit dan Volvo adviseert, omdat dit een nadelige invloed kan hebben op het motorvermogen en het brandstofverbruik. WAARSCHUWING Zorg altijd dat u geen brandstofdampen inademt of brandstofspatten in de ogen krijgt.
05 Tijdens het rijden Brandstof De katalysatoren bestaan uit een monoliet (keramiek of metaal) met kanalen. De wanden van de kanalen zijn bekleed met platina/ rodium/palladium. Deze edelmetalen hebben een katalytische werking, d.w.z. ze versnellen een chemische reactie zonder dat ze daar zelf actief aan deelnemen.
05 Tijdens het rijden Brandstof BELANGRIJK Maak geen gebruik van de volgende dieselolie-achtige brandstoffen: • • • • 5. Om de motor te starten: Bedien rem- en/of koppelingspedaal en druk nogmaals op de START-knop. speciale toevoegingen (dopes) scheepsolie stookolie RME 1 (koolzaadmethylester) of plantaardige olie.
05 Tijdens het rijden Brandstof Gebruik bij koud weer de standverwarming* zodat de motor sneller op bedrijfstemperatuur komt. BELANGRIJK Als het filter helemaal met roetdeeltjes gevuld is, vertoont de motor soms startproblemen. Het filter is dan onbruikbaar geworden. Het is in dat geval mogelijk dat u het filter moet vervangen. Brandstofverbruik en uitstoot van kooldioxide 05 Het gebruik van extra accessoires kan de verbruikscijfers beïnvloeden, omdat de accessoires het gewicht van de auto verhogen.
05 Tijdens het rijden Lading vervoeren Algemene informatie Het laadvermogen is afhankelijk van het rijklaar gewicht van de auto. Het laadvermogen dient te worden verminderd met de som van het gewicht van eventuele inzittenden en dat van gemonteerde accessoires. Voor gedetailleerde informatie over de gewichten, zie pagina 288. WAARSCHUWING Afhankelijk van de belading van de auto en het zwaartepunt van de lading treden er wijzigingen in de rijeigenschappen op.
05 Tijdens het rijden Kofferbak Houder voor boodschappentassen Doorsteekluik G021463 U kunt het luikje in het ruggedeelte openen om lange en smalle voorwerpen te vervoeren. 05 Met de houder voor boodschappentassen kunt u draagtassen vastzetten om te voorkomen dat ze omvallen en hun inhoud over de vloer van de kofferbak verspreiden. 1. Open het luik dat deel uitmaakt van de vloer in de kofferbak. 2. Zet de boodschappentassen met de spanband vast. Klap het rechter ruggedeelte naar voren toe om.
05 Tijdens het rijden Kofferbak WAARSCHUWING Zet de motor af en trek de parkeerrem aan bij het in- en uitladen. Het gevaar is anders aanwezig dat u met de bagage tegen de versnellingspook/keuzehendel aankomt en de auto daarmee in beweging zet. Luik achter geïntegreerd kinderzitje Het luik zit niet met scharnieren in het ruggedeelte vast, maar is in zijn geheel te verwijderen. Luikje verwijderen Open het luikje nadat u het hebt ontgrendeld, met het ruggedeelte omgeklapt, ca.
05 Tijdens het rijden Gevarendriehoek* De gevarendriehoek is met twee clips aan de binnenkant van het kofferdeksel bevestigd. Haal de houder met de gevarendriehoek los door de twee kliksluitingen naar buiten te trekken. Neem de gevarendriehoek uit de houder, klap de driehoek uit en bevestig de twee losse zijden aan elkaar. Klap de steunpoten van de gevarendriehoek uit. Volg de geldende bepalingen voor het gebruik van een gevarendriehoek.
05 Tijdens het rijden Rijden met een aanhanger Het laadvermogen is afhankelijk van het rijklaar gewicht van de auto. Het laadvermogen dient te worden verminderd met de som van het gewicht van eventuele inzittenden en dat van gemonteerde accessoires, zoals een trekhaak. Voor gedetailleerde informatie over de gewichten, zie pagina 288. Als de trekhaak door Volvo is gemonteerd, wordt de auto compleet aangeleverd met de benodigde randuitrusting voor het gebruik van een aanhanger.
05 Tijdens het rijden Rijden met een aanhanger Als een van de remlichten op de aanhanger defect is, dan verschijnt de tekst Lampfout Rem- licht aanhanger. Automatische versnellingsbak Op een helling parkeren 1. Activeer de parkeerrem. 2. Zet de keuzehendel in stand P. Op een helling wegrijden Aanhangergewichten WAARSCHUWING Let erop dat er op grond van de wetgeving voor motorvoertuigen in uw land verdere beperkingen van het aanhangergewicht en de snelheid kunnen gelden.
05 Tijdens het rijden Rijden met een aanhanger G021484 Specificaties G021485 Kogelsegment opbergen Afmetingen, bevestigingspunten (mm) Opbergruimte kogelsegment. BELANGRIJK G021483 Neem na gebruik altijd het kogelsegment los en berg het op de daarvoor bestemde plaats op, goed vastgezet met de bijbehorende riem.
05 Tijdens het rijden Rijden met een aanhanger Verwijder de afdekking door de pal in te en de afdekking vervolgens drukken . recht naar achteren te trekken Het controlevenster moet rood van kleur zijn. G021490 G021488 G018928 Kogelsegment aanbrengen Het controlevenster moet groen van kleur zijn. G021487 Controleer of het mechanisme in de ontgrendelde stand staat door de sleutel rechtsom te draaien. 228 Breng het kogelsegment aan en duw het naar binnen totdat u een klik hoort.
05 Tijdens het rijden Controleer of het kogelsegment vastzit door het stevig omhoog, omlaag en naar achteren te bewegen. WAARSCHUWING Als het kogelsegment niet goed zit, moet u het verwijderen en het opnieuw monteren zoals eerder werd beschreven. BELANGRIJK G021495 G021494 Rijden met een aanhanger Veiligheidskabel. Druk de vergrendelingsknop in en draai totdat u een klik hoort.
05 Tijdens het rijden Rijden met een aanhanger WAARSCHUWING G018929 Zet het losse kogelsegment goed vast, wanneer u het in de auto bewaart (zie pagina 227). 05 230 Duw de afdekking er zo ver op dat deze vastklikt.
05 Tijdens het rijden Slepen en bergen Slepen WAARSCHUWING Controleer voordat u de auto gaat slepen wat de toegestane maximumsnelheid is voor slepen. Het stuurslot blijft in de stand staan die gold bij het verbreken van de spanning. Het stuurslot moet worden opgeheven, voordat u de auto sleept. De transpondersleutel moet in sleutelstand II staan. Neem de transpondersleutel nooit tijdens het rijden uit het contactslot, ook niet als de auto gesleept wordt. 1.
05 Tijdens het rijden Slepen en bergen Bergen den is dat de motor niet kan worden gestart, zie pagina 105. BELANGRIJK BELANGRIJK Let erop dat u de auto altijd dusdanig wegsleept dat de wielen in de rijrichting draaien. G021501 De katalysator kan beschadigd raken als u de auto probeert aan te slepen. Sleepoog Gebruik het sleepoog als de auto over de weg moet worden versleept. U bevestigt het sleepoog in de opening aan de rechterzijde van de voor- of achterbumper.
05 Tijdens het rijden 05 233
234 236 243 250 252 255 264 278 G020922 Motorruimte.......................................................................................... Gloeilampen.......................................................................................... Wisserbladen en ruitensproeiervloeistof............................................... Accu...................................................................................................... Zekeringen.............................................................
ONDERHOUD EN SERVICE 06
06 Onderhoud en service Motorruimte Algemene informatie Serviceprogramma van Volvo Om de verkeersveiligheid, bedrijfszekerheid en betrouwbaarheid van de auto op een hoog peil te houden, dient u de voorschriften van het Serviceprogramma van Volvo op te volgen zoals die omschreven staan in het Service- en garantieboekje van Volvo. Volvo adviseert u om service- en onderhoudswerkzaamheden over te laten aan een erkende Volvo-werkplaats.
06 Onderhoud en service Motorruimte Motorruimte, overzicht Vulopening voor ruitensproeiervloeistof Luchtfilter WAARSCHUWING G010951 Het ontstekingssysteem werkt zeer hoge spanningen op. De spanning van het ontstekingssysteem is levensgevaarlijk. Zet de transpondersleutel daarom altijd in stand 0 bij werkzaamheden in de motorruimte (zie pagina 72). WAARSCHUWING Controleer bij het sluiten of de motorkap goed in het slot valt. Afhankelijk van het motortype kan de motorruimte er anders uitzien.
06 Onderhoud en service Motorruimte 06 Volvo hanteert uiteenlopende systemen om te waarschuwen voor een laag oliepeil of een lage oliedruk. Bij de modellen die zijn voorzien van een oliedruksensor wordt gebruik gemaakt van een waarschuwingslampje voor de oliedruk.
06 Onderhoud en service Motorruimte afzetten van de motor krijgt u een verkeerd resultaat. De peilstok geeft dan een te laag peil aan, omdat de olie geen tijd heeft gehad om terug te lopen naar het oliecarter. 2. Controleer het peil met de peilstok. De olie moet tussen het MIN- en MAX-streepje staan. 3. Als de olie dichter bij het MIN-streepje ligt, kunt u eerst 0,5 liter olie bijvullen. Vul bij totdat de olie dichter bij het MAX-streepje dan bij het MIN-streepje op de peilstok ligt.
06 Onderhoud en service Motorruimte 06 240 Melding Koelvloeistof Oliepeil laag Vul 1 l olie bij Vul motorolie bij, zie pagina 237, hoofdstuk “Motorruimte, overzicht”. Koelvloeistof controleren en bijvullen SERVICE VEREIST Verschijnt wanneer het systeem een storing geregistreerd heeft die verholpen moet worden, voordat de juiste peilaanduiding kan worden gegeven. Volg de aanwijzingen op de verpakking op.
06 Onderhoud en service Motorruimte Voor de aan te houden hoeveelheden en de aanbevolen vloeistofkwaliteit, zie pagina 296. Controleer de koelvloeistof regelmatig! De koelvloeistof moet tussen het MIN- en MAX-streepje op het expansiereservoir staan. Als u het reservoir niet goed gevuld houdt, kan de temperatuur in het systeem dusdanig hoog oplopen dat er gevaar voor motorschade ontstaat. WAARSCHUWING De koelvloeistof kan bijzonder heet zijn.
06 Onderhoud en service Motorruimte BELANGRIJK Houd bij een controle van het peil in het reservoir voor stuurbekrachtigingsvloeistof het gebied eromheen goed schoon. Controleer het peil bij iedere servicebeurt. U hoeft de vloeistof niet te verversen. De vloeistof moet tussen het MIN- en MAX-streepje staan. Voor de aanbevolen vloeistofkwaliteit en de aan te houden hoeveelheden, zie pagina 296. N.B.
06 Onderhoud en service Gloeilampen Algemene informatie Lamphuis voorzijde Koplamphuis verwijderen 1. Druk kort op de START-/STOP ENGINEknop en neem de transpondersleutel uit. Alle gloeilampen van de auto vermeld, zie pagina 249. Gloeilampen en puntverlichting van een bijzonder type of lampen die alleen in een werkplaats te vervangen zijn: Trek de borgpennen van het lamphuis omhoog. Interieurverlichting aan het plafond Leeslampjes Trek het lamphuis recht naar voren toe.
06 Onderhoud en service Gloeilampen 2. Plaats het lamphuis terug en breng de borgpennen aan. Controleer of u ze op de juiste manier hebt ingebracht. Dimlicht, halogeen Groot licht, halogeen 3. Controleer de verlichting. Het lamphuis moet zijn aangesloten en gemonteerd zijn, voordat u de verlichting inschakelt of de transpondersleutel in het contactslot steekt. G021745 Lees de tekst op zie pagina 243 door alvorens een gloeilamp te vervangen. 1. Open de borgklem door deze omhoog/ naar buiten te duwen. 2.
06 Onderhoud en service Gloeilampen G021750 G021748 Richtingaanwijzers/knipperlichten G021749 Stadslichten vóór en achterlichten Verstralers, xenon* 1. Haal het koplamphuis los. 1. Haal het koplamphuis los. 1. Haal het koplamphuis los. 2. Verwijder de afdekking, zie pagina 244. 2. Verwijder de afdekking, zie pagina 244. 2. Verwijder de kleine, ronde afdekking. 3. Haal de gloeilamp los door de houder omlaag te duwen. 3.
06 Onderhoud en service Gloeilampen Sidemarker Plaats de onderdelen in omgekeerde volgorde terug. 6. Plaats de lamphouder terug. Zorg dat het opschrift TOP op de lamphouder omhoogwijst. Mistlampen voorzijde G021754 Lees de tekst op zie pagina 243 door alvorens een gloeilamp te vervangen. G021753 G021751 Achterlamphuis, richtingaanwijzer 1. Haal het koplamphuis los. 2. Verwijder de kleine, ronde afdekking. 06 3. Trek aan de kabel om de lamphouder tevoorschijn te halen. 4.
06 Onderhoud en service Gloeilampen 5. Duw de lamphouder in positie en plaats het luikje terug. Plaats de onderdelen in omgekeerde volgorde terug. Kentekenplaatverlichting Remlicht Mistachterlicht (een zijde) Achteruitrijlicht N.B. G021756 Als een foutmelding niet verdwijnt nadat de kapotte gloeilamp is vervangen, dan wordt u geadviseerd een erkende Volvo-werkplaats te bezoeken.
06 Onderhoud en service Gloeilampen Instapverlichting Kofferbakverlichting Verlichting make-upspiegel G021759 G021758 G021757 Spiegelglas verwijderen Lees de tekst op zie pagina 243 door alvorens een gloeilamp te vervangen. 06 1. Steek een schroevendraaier achter de korte kant van de lens die naar de middenconsole wijst en verdraai de schroevendraaier iets, zodat de lens loskomt (geldt voor beide lampjes). 2. Draai voorzichtig totdat de lens loskomt. 3. Vervang de gloeilamp. 4.
06 Onderhoud en service Gloeilampen Spiegelglas aanbrengen 1. Duw de drie borgnokjes aan de bovenkant van het spiegelglas terug. 2. Duw vervolgens de onderste drie nokjes vast.
06 Onderhoud en service Wisserbladen en ruitensproeiervloeistof Wisserbladen Servicestand De wisserbladen dienen in de servicestand te staan om ze te kunnen vervangen, reinigen of optillen (om bijvoorbeeld ijs van de voorruit te krabben). G021763 1. Zet de transpondersleutel in stand 0, zie pagina 72, maar laat de transpondersleutel in het contactslot zitten. 2. Duw de rechter stuurhendel ca. 1 seconde lang omhoog. De ruitenwisserarmen gaan dan verticaal staan. N.B.
06 Onderhoud en service Wisserbladen en ruitensproeiervloeistof Vulopening voor ruitensproeiervloeistof De sproeiers van de voorruit en de koplampen staan in verbinding met hetzelfde vloeistofreservoir. BELANGRIJK 06 Gebruik tijdens de wintermaanden ruitensproeier-antivries in het reservoir om te voorkomen dat de vloeistof in de pomp, het reservoir en de slangen bevriest. Voor de hoeveelheden, zie pagina 296.
06 Onderhoud en service Accu Waarschuwingssymbolen op de accu Vermijd vonken en open vuur. Draag een veiligheidsbril. BELANGRIJK Gebruik nooit een snellader voor het opladen van de accu. WAARSCHUWING Explosiegevaar. Zie voor meer informatie het instructieboekje dat bij de auto hoort. N.B. Bewaar accu’s buiten het bereik van kinderen. Zamel oude accu’s op een milieuvriendelijke manier in, omdat ze lood bevatten. Gebruik 06 De accu bevat een bijtend zuur.
06 Onderhoud en service Accu N.B. Hoe vaker de accu ontladen raakt, des te minder lang gaat de accu mee. Vervangen Verwijderen De levensduur van de accu wordt bepaald door uiteenlopende factoren, waaronder de rijomstandigheden en het klimaat. De accu verliest na verloop van tijd aan startcapaciteit en moet daarom bijgeladen worden, als er langere tijd achtereen niet of slechts korte afstanden met de auto wordt gereden. Ook bij strenge vorst neemt de startcapaciteit af.
06 Onderhoud en service Accu WAARSCHUWING Zorg dat u de plus- en minkabels in de juiste volgorde loskoppelt en/of aansluit. 2. Duw de accu naar binnen en gelijktijdig opzij totdat de accu tegen de achterkant van de accubak aankomt. 3. Schroef de accu vast met het boutje in de steun. Koppel de zwarte minkabel los 5. Sluit de rode pluskabel aan. Koppel de rode pluskabel los 6. Sluit de zwarte minkabel aan. Koppel de ontluchtingsslang van de accu los 7. Duw de achterste afdekking vast (zie Verwijderen).
06 Onderhoud en service Zekeringen Algemene informatie Om te voorkomen dat de elektrische systemen van de auto beschadigd raken door kortsluiting of overbelasting, worden alle verschillende elektrische functies en onderdelen door een aantal zekeringen beschermd. Als een van de elektrische onderdelen of functies niet werkt, is het mogelijk dat de bijbehorende zekering overbelast werd en daardoor gesmolten is.
06 Onderhoud en service Zekeringen Motorruimte 06 256
06 Onderhoud en service Zekeringen Algemene informatie over de zekeringen in de motorruimte Functie A Functie A Aan de binnenkant van het deksel zit een speciale trekker waarmee u de zekeringen gemakkelijker kunt verwijderen en aanbrengen.
06 Onderhoud en service Zekeringen 06 Functie A Functie Schuifdak*, Plafondconsole/ECC* 5 Inspuitsysteem, luchtmassameter 5 Luchtmassameter (4-cil. diesel) 10 Koelventilator (4-/5-cil.), (4-cil. diesel) 60 Relais box motorruimte Verstralers* 20 10 Koelventilator (V8, 6-cil.
06 Onderhoud en service Zekeringen Onder dashboardkastje 1. Klap de interieurbekleding opzij die het zekeringenkastje afdekt. Functie A Functie A 2. Druk op de vergrendeling van het deksel en klap het naar boven toe open. ABS-regeling, elektrische parkeerrem 5 - - 3. Daarmee hebt u toegang gekregen tot de zekeringen.
06 Onderhoud en service Zekeringen Functie A Functie A Adaptieve cruisecontrol (ACC)* 10 Knop START/STOP 5 Schakelaar remlichten 5 - A Plafonverlichting, bedieningspaneel bestuurdersportier/elektr. bedienbare passagiersstoel* 7,5 Informatiedisplay 5 Elektr.
06 Onderhoud en service Zekeringen In middenconsole, Executive* Het zekeringenkastje zit achter het dekpaneel aan de passagierszijde. 06 N.B. Geadviseerd wordt de auto naar een erkende Volvo-werkplaats te brengen om zekeringen te laten vervangen. Functie A Analoge klok 5 `` * Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
06 Onderhoud en service Zekeringen G032920 Kofferbak Het kastje zit achter de bekleding aan de linkerzijde. 06 A Bedieningspaneel bestuurdersportier 25 Bedieningspaneel passagiersportier 25 Bedieningspaneel achterportier links 25 * Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
06 Onderhoud en service Zekeringen (wit) A Massagefunctie voorstoel*, verlichting armsteun*, koelkast* 7,5 Regelmodule FOUR-C* 15 Verwarming voorstoel bestuurderszijde* 15 Verwarming voorstoel passagierszijde* 15 Achterbankverwarming rechts* 15 Regelmodule AWD 10 Achterbankverwarming links* 15 - (blauw) RTI-display*, parkeerhulpcamera* A 10 - - - - - - Versterker audiosysteem* 25 AudiosysteemA 15 Telefoon, Bluetooth* 5 - - 06 - Elektrisch bedienbare passagiersstoel* 25 K
06 Onderhoud en service Wielen en banden Algemene informatie Banden zijn van grote invloed op de rijeigenschappen van de auto. Zowel het type, de maat, de bandenspanning als de snelheidsaanduiding zijn belangrijk voor het rijgedrag van de auto. Draairichting schappen van de auto af en kunnen de banden regen, sneeuw en drab minder goed afvoeren. Nieuwe banden N.B. Let erop dat de banden op beide assen van hetzelfde type zijn, dezelfde afmeting hebben en van hetzelfde merk zijn.
06 Onderhoud en service Wielen en banden De juiste bandenspanning levert een gelijkmatiger slijtage op, zie pagina 273. De rijstijl, de bandenspanning, het klimaat en de staat van de wegen zijn van invloed op de snelheid waarmee de banden verouderen en slijten. Om verschillen in profieldiepte te voorkomen en slijtpatronen tegen te gaan kunt u de wielen op de voor- en achteras onderling van plaats verwisselen. Voer de eerste wissel na ca. 5000 km uit en doe dat daarna om de 10.000 km opnieuw.
06 Onderhoud en service Wielen en banden Banden met “spikes” Winterbanden met “spikes” moeten de eerste 500–1000 km rustig worden ingereden, zodat de “spikes” hun positie in kunnen nemen. Zo gaan de banden en vooral de “spikes” langer mee. N.B. De wettelijke bepalingen voor het gebruik van banden met “spikes” verschillen van land tot land. snelsluitingen, omdat de ruimte tussen de schijfremmen en de wielen te gering is. Krik* Gebruik de originele krik alleen voor het verwisselen van banden.
06 Onderhoud en service Wielen en banden Dezelfde doorloopbout waarmee de blokken schuimrubber vastzitten houdt ook het reservewiel in positie. als deze tot in de juiste stand omlaaggedraaid wordt. Reservewiel erbij nemen Plaats het blok schuimrubber en het reservewiel in omgekeerde volgorde terug. 1. Pak vloer in de bagageruimte aan de achterzijde beet en klap deze naar voren toe omhoog. Let erop dat er op het bovenste blok schuimrubber een pijl staat.
06 Onderhoud en service Wielen en banden 7. Breng de auto zo ver omhoog dat het wiel van de grond komt. Verwijder de wielbouten en til het wiel eraf. N.B. Aanbrengen 1. Reinig de contactvlakken op het wiel, de naaf en de remschijf. 2. Breng het wiel aan. Breng de wielbouten aan. 3. Breng de auto zo ver omlaag dat het wiel niet meer ongehinderd kan draaien. 268 G022916 WAARSCHUWING 6. Er zitten twee kriksteunpunten aan weerszijden van de auto.
06 Onderhoud en service Wielen en banden Provisorische bandenreparatie* N.B. De bandenreparatieset is uitsluitend bedoeld voor het afdichten van banden met een lek in het loopvlak. G014340 De bandenreparatieset leent zich minder goed voor banden met een gat in het zijvlak. Probeer geen banden met de provisorische bandenreparatieset af te dichten die grote groeven, scheuren en dergelijke vertonen.
06 Onderhoud en service Wielen en banden Drukreduceerventiel 1. Open het deksel van de bandenreparatieset. Luchtslang 2. Haal de sticker met de toegestane maximumsnelheid uit de set en bevestig de sticker op het stuurwiel. Bus met afdichtmiddel Manometer WAARSCHUWING Lekke band repareren Het afdichtmiddel kan aanleiding geven tot huidirritatie. Was bij huidcontact het getroffen gebied onmiddellijk schoon met water en zeep. 3.
06 Onderhoud en service Wielen en banden BELANGRIJK Er bestaat gevaar voor oververhitting. De compressor mag niet langer dan 10 minuten achtereen werken. 9. Vul de band 7 minuten lang met afdichtmiddel. WAARSCHUWING Als de bandenspanning lager is dan 1,8 bar, is het gat in de band te groot. Beëindig in dat geval de rit. Het wordt dan geadviseerd een erkende bandenwerkplaats te bezoeken. 10. Schakel de compressor uit om de bandenspanning van de manometer af te lezen.
06 Onderhoud en service Wielen en banden pagina 274. Laat lucht uit de band ontsnappen, als de bandenspanning te hoog is. WAARSCHUWING Draai de bus niet los. De bus is voorzien van een pakking die lekkage tegengaat. 3. Schakel de compressor uit. Koppel de luchtslang en de kabel los. Plaats het ventieldopje terug. 4. Leg de bandenreparatieset terug in de kofferbak. N.B. 06 Vervang de bus met afdichtmiddel en de slang na gebruik.
06 Onderhoud en service Wielen en banden De gesteldheid van het wegdek is bepalend voor de maximumsnelheid en niet de snelheidsaanduiding op de banden. Q 160 km/h (alleen voor winterbanden) T 190 km/h H 210 km/h V 240 km/h W 270 km/h Y 300 km/h Op de sticker voor op de portierstijl aan de bestuurderszijde (tussen voor- en achterportier) staat de juiste bandenspanning voor uw auto aangegeven bij verschillende belading en snelheid.
06 Onderhoud en service Wielen en banden Aanbevolen bandenspanning Variant Bandenmaat Snelheid Belading (1–3 inzittenden) (km/h) zonder TPMS Belading (1–3 inzittenden) Max. belasting ECO-bandenspanningA met TPMS 8-cil.
06 Onderhoud en service Wielen en banden Variant Bandenmaat Snelheid Belading (1–3 inzittenden) (km/h) zonder TPMS Belading (1–3 inzittenden) Max. belasting ECO-bandenspanningA met TPMS Voor (kPa)B Achter (kPa) Voor/ achter (kPa) Voor (kPa) Achter (kPa) Voor/achter (kPa) 5-cil.
06 Onderhoud en service Wielen en banden Variant Bandenmaat Snelheid Belading (1–3 inzittenden) (km/h) zonder TPMS Belading (1–3 inzittenden) Max. belasting ECO-bandenspanningA met TPMS Voor (kPa)B Achter (kPa) Voor/ achter (kPa) Voor (kPa) Achter (kPa) Voor/achter (kPa) 4-cil. diesel 225/55 R 16 Tot 160 220 210 220 260 260 260 5-cil. diesel, 225/50 R 17 160 + 260 260 260 270 270 - 175/163 pk 245/45 R 17 4-cil./5-cil.
06 Onderhoud en service Wielen en banden Een te lage bandenspanning heeft een negatieve inwerking op het brandstofverbruik, de levensduur van de banden en de rijeigenschappen van de auto. Wanneer u met een te lage bandenspanning rijdt, kunnen de banden oververhit en beschadigd raken. De bandenspanning is van invloed op het rijcomfort, de stuureigenschappen en de geproduceerde weggeluiden. N.B. Het is een natuurlijk gegeven dat de bandenspanning na verloop van tijd afneemt.
06 Onderhoud en service Verzorging Auto wassen BELANGRIJK Was de auto zodra deze vuil geworden is. Zorg dat de auto op een spoelvloer met olieafscheider staat. Gebruik autoshampoo. • 06 Vuile koplampen werken minder goed. Maak ze daarom regelmatig schoon, tijdens het tanken bijvoorbeeld. Verwijder vogelpoep zo spoedig mogelijk van de lak. Vogelpoep bevat namelijk stoffen die de lak aantasten en deze zeer snel doen verkleuren.
06 Onderhoud en service Verzorging Remmen testen WAARSCHUWING Test na het wassen van de auto altijd de remmen (en dus ook de handrem) om te voorkomen dat vocht en corrosie de remblokken aantasten, waardoor de remwerking afneemt. Trap zo nu en dan lichtjes op het rempedaal, als u lange afstanden in de regen of sneeuwmodder aflegt. Door de wrijving worden de remblokken warm, zodat het vocht verdampt. Doe hetzelfde bij zeer vochtig of koud weer.
06 Onderhoud en service Verzorging Om schade aan het glas te voorkomen dient u voor het verwijderen van ijs alleen een krabber van kunststof te gebruiken. De waterafstotende laag staat bloot aan natuurlijke slijtage. Om de waterafstotende eigenschappen te behouden, wordt geadviseerd de behandeling te vernieuwen met een nabehandelingsmiddel dat verkrijgbaar is bij een erkende Volvo-werkplaats. Gebruik het middel de eerste keer na drie jaar en daarna ieder jaar.
06 Onderhoud en service Verzorging BELANGRIJK Let erop dat de bekleding kan verkleuren bij contact met materialen die afgeven (nieuwe spijkerbroek, gekleurde suède kleding e.d.). Reinigingsvoorschriften voor leren bekleding 1. Breng een weinig van het leerreinigingsproduct op een vochtige spons aan en knijp erin om een dikke laag schuim te krijgen. 2. Behandel de vlek voorzichtig met cirkelende bewegingen. 3. Dep de vlek zorgvuldig met de spons. Laat de vlek in de spons trekken. Wrijf niet. 4.
06 Onderhoud en service Verzorging 4. Poets de herstelde lak na enkele dagen op. Gebruik daarvoor een zachte doek met een geringe hoeveelheid schuurpasta. Steenslagschade herstellen N.B. G021832 Als de steenslagplek niet tot op het blanke plaatwerk is doorgedrongen en er nog een intacte laklaag over is, volstaat het om na reiniging van het beschadigde gebied de ontbrekende lak aan te brengen. Vóór het herstel van lakschade moet u de auto schoonmaken en goed laten drogen.
06 Onderhoud en service 06 283
284 286 288 292 293 296 299 301 302 G000000 Type-aanduidingen............................................................................... Maten en gewichten.............................................................................. Motorspecificaties................................................................................. Motorolie............................................................................................... Vloeistoffen en smeermiddelen.....................................
SPECIFICATIES 07
07 Specificaties Type-aanduidingen Positie van stickers en plaatjes 07 286
07 Specificaties Type-aanduidingen Wanneer u contact opneemt met uw erkende Volvo-werkplaats of vervangende onderdelen of accessoires wilt bestellen, kan het handig zijn om de type-aanduiding, het chassisnummer en het motornummer bij de hand te hebben. Type-aanduiding, chassisnummer, maximaal toelaatbaar gewicht, kleurcodes voor lak en bekleding en typegoedkeuringsnummer. N.B. Het is mogelijk dat de stickers die in de instructieboek staan geen exacte kopieën zijn van de stickers die in de auto zitten.
07 Specificaties Maten en gewichten Maten Maten Maten mm A Wielbasis 2835 H Spoorbreedte achteras 1585 B Lengte 4851 I Laadbreedte, vloer 1130 C Laadlengte, vloer, achterbank neergeklapt 1927 J Breedte 1861 K Laadlengte, vloer 1094 Breedte incl.
07 Specificaties Maten en gewichten N.B. Het gedocumenteerde rijklaar gewicht geldt voor een auto in standaarduitvoering – d.w.z. een auto zonder extra uitrusting of accessoires. Dit betekent dat voor ieder accessoire dat wordt toegevoegd het laadvermogen van de auto met het gewicht van het desbetreffende accessoire moet worden verminderd. WAARSCHUWING Afhankelijk van de belading van de auto en het zwaartepunt van de lading treden er wijzigingen in de rijeigenschappen op. Max.
07 Specificaties Maten en gewichten Trekgewicht en kogeldruk Motor Versnellingsbak Max. gewicht geremde aanhanger (kg) Max. kogeldruk (kg) 2.0F Automaat, MPS6 1000 50 Alle Alle (behalve 2.0F met automaat, MPS6) 1200 50 2.0 Handbak, MTX75 1320 75 2.0F Handbak, MTX75 1320 75 2.5FT Handbak, M66 1600 75 2.5FT Automaat, TF-80SC 1800 90 2.5T Handbak, M66 1600 75 2.5T Automaat, TF-80SC 1800 90 3.
07 Specificaties Maten en gewichten Motor Versnellingsbak D5 Handbak, M66 Max. gewicht geremde aanhanger (kg) Max. kogeldruk (kg) 1600 75 2000 90 Handbak, M66 AWD D5 Automaat, TF-80SC Automaat, TF–80SC AWD Max. gewicht ongeremde aanhanger (kg) 750 Max. kogeldruk (kg) 50 N.B. Voor aanhangers zwaarder dan 1800 kg wordt geadviseerd een stabilisatorkoppeling te gebruiken.
07 Specificaties Motorspecificaties Motorspecificaties Model 07 A 292 Motor Vermogen (kW bij omw/ min) Vermogen (pk bij omw/ min) Motorkoppel (Nm bij omw/ min) Aantal cilinders Cilinderboring (mm) Slaglengte (mm) Slagvolume (liter) Compressieverhouding 2.0 B4204S3 107/6000 145/6000 190/4500 4 87 83,0 1,999 10,8:1 2.0F B4204S4 107/6000 145/6000 190/4500 4 87 83,0 1,999 10,8:1 2.5FT B5254T8A 147/4800 200/4800 300/1500–4500 5 83 93,2 2,521 9,0:1 2.
07 Specificaties Motorolie Ongunstige rijomstandigheden In ongunstige rijomstandigheden kunnen de olietemperatuur en het olieverbruik abnormaal toenemen. Controleer het oliepeil vaker bij lange ritten: • met een caravan of aanhanger achter de auto • • • in bergachtig gebied • doe dat ook bij korte ritten (over afstanden kleiner dan 10 km) bij lage temperaturen (onder 5°C).
07 Specificaties Motorolie Oliesticker G032078 Motortype Wanneer de nevenstaande sticker in de motorruimte zit, geldt het volgende. Voor informatie over de positie van de sticker, zie pagina 238. Oliekwaliteit: ACEA A5/B5 Viscositeit: SAE 0W-30 07 294 Bij te vullen hoeveelheid tussen MIN - MAX (liter) Hoeveelheid (liter)A 2.0 B4204S3 0,8 4,3 2.5FT B5254T8 1,3 5,5 2.5T B5254T6 1,3 5,5 3.2 B6324S 1,2 7,4 T6 B6304T2 1,2 7,4 V8 B8444S 1,1 7,0 2.
07 Specificaties Motorolie Motortype Bij te vullen hoeveelheid tussen MIN - MAX (liter) Hoeveelheid (liter)A B4204S4 0,8 4,3 2.0D D4204T 1,8 5,0 G032079 2.0F Wanneer de nevenstaande oliesticker in de motorruimte zit, geldt het volgende. Voor de positie, zie pagina 238. Oliekwaliteit: WSS-M2C913-B Viscositeit: SAE 5W-30 Bij ritten onder ongunstige omstandigheden ACEA A5/B5 SAE 0W-30 gebruiken.
07 Specificaties Vloeistoffen en smeermiddelen Overige vloeistoffen en smeermiddelen Motor Versnellingsbak Hoeveelheid (liter) Voorgeschreven versnellingsbakolie 2.0 benzine Handbak, MTX75 1,9 BOT 350M3 2.0 benzine Automaat, MPS6 5,5 BOT 341 2.0F FlexiFuel Handbak, MTX75 1,9 BOT 350M3 2.0F FlexiFuel Automaat, MPS6 5,5 BOT 341 2.5T benzine Handbak, M66 1,9 BOT 350M3 2.5T benzine Automaat, TF-80SC 5,5 BOT 341 2.5FT FlexiFuel Handbak, M66 1,9 BOT 350M3 2.
07 Specificaties Vloeistoffen en smeermiddelen Vloeistof Systeem Koelvloeistof Benzinemotor 2.0 7,5 Benzinemotor 2.0F 7,5 Benzinemotor 2.5FT 9,0 Benzinemotor 2.5T 9,0 Benzinemotor T6 8,9 Benzinemotor 3.2 8,9 Benzinemotor V8 10,2 Dieselmotor 2.0D 9,1 Dieselmotor D5/2.4D 12,6 Koudemiddel Airconditioning Hoeveelheid (liter) B Voorgeschreven kwaliteit Koelvloeistof met corrosiewerende dope aangelengd met waterA (zie verpakking).
07 Specificaties Vloeistoffen en smeermiddelen N.B. Onder normale rijomstandigheden hoeft u de versnellingsbakolie nooit te verversen. Onder ongunstige rijomstandigheden moet de olie mogelijk wel worden ververst, zie pagina 296.
07 Specificaties Brandstof CO2-uitstoot, brandstofverbruik en tankinhoud Model Motor Versnellingsbak Uitstoot van kooldioxide (CO2, in g/km) Verbruik (in liter/100 km) Tankinhoud (liter) 2.0 B4204S3 Handgeschakelde vijfversnellingsbak (MTX75) 199 8,3 ca. 70 2.0FA B4204S4 Handbak (MTX75) 199 8,3 ca. 70 2.0FA B4204S4 Automaat (MPS6) 203 8,5 ca. 70 2.5T B5254T10 Handbak (M66) 206 8,6 ca. 70 2.5T B5254T10 Automaat (TF-80SC) 229 9,6 ca. 70 2.
07 Specificaties Brandstof Model A Motor Versnellingsbak Tankinhoud (liter) D5244T10 Automaat (TF–80SC) AWD 194 7,3 ca. 70 2.4D D5244T14 Handbak (M66) 155 5,9 ca. 70 2.4D D5244T14 Automaat (TF-80SC) 174 6,6 ca. 70 FlexiFuel-modellen kunnen op een willekeurige soort loodvrije benzine (95 RON) of op bio-ethanol (E85) rijden of op een mengsel daarvan. De auto neemt 30–40 % meer bij gebruik van E85 vanwege de lagere energie-inhoud.
07 Specificaties Elektrisch systeem Elektrisch systeem worden gebruikt. De minpool is verbonden met het chassis. 12 V-systeem met wisselstroomdynamo en spanningsregelaar. Enkelpolig systeem waarbij het chassis en het motorblok als geleiders BELANGRIJK Let er bij het vervangen van de accu op, dat de nieuwe accu dezelfde koudestartcapaciteit en reservecapaciteit als de originele accu heeft (zie sticker op de accu).
07 Specificaties Typegoedkeuring Afstandsbedieningssysteem Land A, B, CY, CZ, D, DK, E, EST, F, FIN, GB, GR, H, I, IRL, L, LT, LV, M, NL, P, PL, S, SK, SLO IS, LI, N, CH HR ROK Hierbij verklaart Delphi dat het transpondersleutelsysteem in overeenstemming is met de essentiële eigenschappen en overige relevante bepalingen zoals beschreven in de EU-richtlijn 1999/5/ EG.
07 Specificaties 07 303
08 Alfabetisch register A Aanbevolen veiligheidzitjes, tabel.............. 31 Aanhanger............................................... 225 kabel................................................... 225 rijden met een aanhanger................... 225 Aanpassen, lichtbundel............................. 87 Aanrijding................................................... 28 Aanstekeropening.................................... 197 Adaptatie................................................. 104 Alarmlichten.........
08 Alfabetisch register Automatische versnellingsbak................. 107 handmatig schakelen (Geartronic)...... 107 slepen en bergen................................ 231 Benzinekwaliteit....................................... 217 Automatische wasstraten........................ 278 174 180 184 186 Auto wassen............................................ 278 AUX.......................................................... 140 AWD, vierwielaandrijving......................... 111 Bergen......................
08 Alfabetisch register Condens aan binnenkant lampglazen..... 278 Contactsleutels.......................................... 72 Controleren en bijvullen, koelvloeistof..... 240 Cruisecontrol........................................... 164 CZIP (Clear Zone Interior Package)......... 129 D DAB, menusysteem................................. 152 DAB-radio................................................ 150 Dagtellers................................................... 69 Dashboardkastje..........................
08 Alfabetisch register Gesprekken functies tijdens lopende gesprekken.............................................. 206, 207 gebruik........................................ 202, 206 inkomende.................................. 202, 206 telefoonvolume................................... 207 wissel-................................................. 207 Gevarendriehoek..................................... 224 HBS – Heart Beat Sensor.......................... 44 Hogedruksproeiers koplampen.................
08 Alfabetisch register positie in de auto.................................. 29 veiligheid............................................... 29 Kinderslot................................................... 56 Kogelsegment aanbrengen......................................... 228 verwijderen......................................... 229 Kinderzitje.................................................. 29 neerklappen.......................................... 33 opklappen.............................................
08 Alfabetisch register Mistlichten achter.................................................... 84 vóór....................................................... 84 Mistlichten, aan/uit.................................... 84 Mobiele telefoon aansluiten........................................... 204 handsfree............................................ 201 telefoon registreren............................. 201 Motor oververhitting...................................... 225 starten.................................
08 Alfabetisch register Relais- en zekeringenkastje, zie Zekeringen........................................................... 255 Rijeigenschappen aanpassen.................. 163 Rem- en koppelingsvloeistof................... 241 Roestwering............................................. 280 Remlichten................................................. 83 Roetfilter.................................................. 219 Remmen..................................................
08 Alfabetisch register Smeermiddelen........................................ 296 Starten met hulpaccu.............................. 105 Smeermiddelen, hoeveelheden............... 296 Steenslagplekken en krassen.................. 281 Spiegels achteruitkijk-......................................... buiten-.................................................. elektrische verwarming......................... elektrisch inklapbare............................. kompas.............................................
08 Alfabetisch register T Totaalgewicht.......................................... 288 Traction Control....................................... 161 Tanken..................................................... tankdop............................................... tanken................................................. tankvulklep, elektrisch openen........... tankvulklep, handmatig openen......... 216 216 216 216 216 Telefoon aan/uit................................................. aansluiten.............
08 Alfabetisch register gloeilampen, specificaties.................. 249 groot licht/dimlicht................................ 81 in interieur............................................. 85 instrumentenverlichting........................ 81 koplamphoogteverstelling.................... 81 mistachterlicht...................................... 84 mistlichten............................................ 84 stadslichten/parkeerlichten vóór en achterlichten.........................................
08 Alfabetisch register Wisselgesprek......................................... 207 Wisserbladen........................................... schoonmaken..................................... servicestand....................................... vervangen........................................... 250 250 250 250 Wissers en -sproeiers................................ 91 Z Zekeringen............................................... algemene informatie........................... houder in bagageruimte.............
Notities 315
Notities 316
Notities 317
Notities 318
Notities 319
Notities 320
VOLVO S80 Instructieboekje Kdakd 8Vg 8dgedgVi^dc IE &%.)* 9jiX] ! 6I %.'%! Eg^ciZY ^c HlZYZc! <iZWdg\ '%%.! 8deng^\]i '%%%"'%%.