VOLVO S60 Instructieboekje Web Edition
BESTE VOLVO-BEZITTER, DANK U DAT U GEKOZEN HEBT VOOR VOLVO! Wij hopen dat u jarenlang rijplezier van uw Volvo zult hebben. Bij het ontwerp hebben veiligheid en comfort van u en uw passagiers vooropgestaan. Een Volvo is een van de veiligste auto’s ter wereld. Uw Volvo is ook ontworpen om aan alle geldende veiligheidsvoorschriften en milieueisen te voldoen.
Inhoud 00 01 02 4 00 Inleiding 01 Veiligheid Belangrijke informatie................................. 8 Volvo en het milieu.................................... 13 Veiligheidsgordels .................................... Airbags...................................................... Airbag activeren/deactiveren*................... SIPS-airbags (zij-airbags) ........................ Opblaasgordijnen (IC-systeem) ............... WHIPS ......................................................
Inhoud 03 04 05 03 Bestuurdersmilieu 04 Comfort en rijplezier Instrumenten, schakelaars en bediening. . 70 Sleutelstanden.......................................... 78 Stoelen en achterbank.............................. 80 Stuurwiel................................................... 84 Verlichting................................................. 85 Wissers en -sproeiers............................... 95 Ruiten en spiegels..................................... 97 Kompas*....................................
Inhoud 06 07 08 06 Tijdens het rijden Rijadviezen.............................................. Tanken.................................................... Brandstof................................................ Lading vervoeren.................................... Kofferbak ............................................... Rijden met een aanhanger...................... Slepen en bergen....................................
Inhoud 09 10 09 Specificaties Type-aanduidingen................................. Maten en gewichten................................ Motorspecificaties................................... Motorolie................................................. Vloeistoffen en smeermiddelen............... Brandstof................................................ Wielen en banden, maten en spanning .. Elektrisch systeem.................................. Typegoedkeuring.................................... Displaysymbolen..
Inleiding Belangrijke informatie Instructieboekje lezen Inleiding Een goede manier om vertrouwd te raken met uw nieuwe auto is om het instructieboekje te lezen, idealiter voordat u uw eerste rit maakt. Zo maakt u kennis met nieuwe functies, krijgt u tips hoe u het beste in verschillende situaties met de auto kunt omgaan en leert u hoe u optimaal gebruik kunt maken van alle mogelijkheden die uw auto biedt. Besteed ook aandacht aan de veiligheidsinstructies in het boekje.
Inleiding Belangrijke informatie G031590 Zwarte ISO-symbolen in een oranje waarschuwingsveld, witte tekst/afbeelding in een zwart tekstveld. Worden gebruikt om te attenderen op een risico dat, bij het negeren van de waarschuwing, kan resulteren in ernstig letsel met mogelijk dodelijke afloop. Informatie Witte ISO-symbolen en een witte tekst/afbeelding in een zwart of blauw waarschuwings- en tekstveld.
Inleiding Belangrijke informatie Procedurelijsten Opsommingslijsten Accessoires en extra uitrusting Procedures met handelingen die in een bepaalde volgorde moeten worden uitgevoerd, staan genummerd in het instructieboekje. Bij opsommingen in het instructieboekje wordt gebruik gemaakt van een opsommingslijst. Wanneer er een reeks afbeeldingen bij een stapsgewijze instructie bestaat, zijn de verschillende stappen van de instructie op dezelfde manier genummerd als de bijbehorende afbeeldingen.
Inleiding Belangrijke informatie Maximale pulsenergie WAARSCHUWING 2,64 μJ Maximaal gem. vermogen 45 mW Als u de instructies in dit boekje niet opvolgt, is het gevaar voor oogletsel groot! Pulsduur 33 ns • Divergentie (horizontaal × verticaal) 28° × 12° Kijk nooit van een afstand van 100 mm of minder in de lasersensor (waaruit uiteenlopende, onzichtbare laserstralen komen) met vergrotende optiek zoals een vergrootglas, microscoop, objectief of soortgelijke optische instrumenten.
Inleiding Belangrijke informatie • Koppel de connector van de lasersensor los voordat u deze van de voorruit demonteert. • Zorg dat de lasersensor op de voorruit gemonteerd is alvorens de connector aan te sluiten. • De lasersensor zendt laserlicht uit wanneer de transpondersleutel in stand II staat, ook al is de motor afgezet (zie pagina 78 voor de sleutelstanden). Voor meer informatie over de lasersensor, zie pagina 174. Informatie op internet Op www.volvocars.
Inleiding Volvo en het milieu G000000 Milieubeleid van Volvo Car Corporation Zorg voor het milieu is een van de kernwaarden van Volvo Car Corporation die van invloed zijn op alle activiteiten. We zijn ervan overtuigd dat onze klanten onze zorg voor het milieu delen. Uw Volvo voldoet aan strenge internationale milieueisen en is bovendien geproduceerd in een fabriek die zeer schoon is en efficiënt met hulpbronnen omgaat.
Inleiding Volvo en het milieu Het systeem bestaat uit een elektronische sensor en een koolstoffilter. De binnenkomende lucht wordt continu gecontroleerd en als het gehalte aan bepaalde schadelijke gassen zoals koolmonoxide te hoog oploopt, wordt de luchtinlaat gesloten. Iets dergelijks kan zich voordoen in bijvoorbeeld druk verkeer, files of tunnels. Het koolstoffilter zorgt ervoor dat stikstofoxiden, laaghangend ozon en koolwaterstoffen niet binnendringen.
Inleiding Volvo en het milieu wordt daarom verzocht contact op te nemen met een dealer voor de locatie van een gecertificeerd/erkend recyclingsbedrijf. Milieu-aspecten van het instructieboekje Het FSC-symbool geeft aan dat de papiervezels waarvan deze publicatie gemaakt is afkomstig zijn uit FSC-gecertificeerde bossen of andere gecontroleerde bronnen.
Veiligheidsgordels .................................................................................. Airbags.................................................................................................... Airbag activeren/deactiveren*................................................................. SIPS-airbags (zij-airbags) ....................................................................... Opblaasgordijnen (IC-systeem) ............................................................. WHIPS ..........
VEILIGHEID
01 Veiligheid Veiligheidsgordels 01 Algemene informatie Goede positie veiligheidsgordel. Remmen kan ernstige gevolgen hebben als de veiligheidsgordel niet wordt gedragen. Let er daarom op dat alle passagiers hun veiligheidsgordel omhebben. Op de achterbank passen de borglippen van de veiligheidsgordel alleen in de bijbehorende sluitingen1. Voor optimale bescherming van de veiligheidsgordel is het van belang dat de gordel goed tegen het lichaam ligt. Laat de rugleuning niet te ver achteroverhellen.
01 Veiligheid Veiligheidsgordels Let erop dat: • u geen klemmen of andere accessoires gebruikt waardoor u de veiligheidsgordel niet strak langs uw lichaam kunt trekken • er geen slagen in de veiligheidsgordel zitten en dat hij nergens achter blijft steken • de heupgordel laag moet zitten (niet over de buik) • u de heupgordel over de heupen spant door de diagonale schoudergordel in de richting van de schouder omhoog te trekken. WAARSCHUWING De veiligheidsgordel en de airbag werken samen.
01 Veiligheid 01 Veiligheidsgordels onder controle hebben (wat inhoudt dat ze met gemak bij het stuur en de pedalen moeten kunnen komen). Streef ernaar de afstand tussen de buik en het stuur zo groot mogelijk te maken. Achterbank Bepaalde markten De functie van de gordelwaarschuwing voor de achterbank is tweeledig: Er gaat een waarschuwingslampje branden en er worden geluidssignalen afgegeven wanneer de bestuurder en een eventuele voorpassagier de gordel niet dragen.
01 Veiligheid Airbags Het waarschuwingssymbool op het instrumentenpaneel gaat branden, wanneer u de transpondersleutel in sleutelstand II of III zet. Het symbool dooft na ca. 6 seconden, wanneer de regelmodule heeft vastgesteld dat het airbagsysteem geen storingen vertoont. WAARSCHUWING Airbagsysteem Behalve het brandende waarschuwingssymbool verschijnt er, in die gevallen waarin dat nodig is, een melding op het informatiedisplay.
01 Veiligheid 01 Airbags bags worden opgeblazen. Daarbij worden de airbags warm. Om de klap op te vangen loopt de airbag leeg wanneer de inzittende de airbag raakt. Daarbij treedt er rookvorming in de auto op. Dit is volkomen normaal. Het totale verloop, van het opblazen tot het leeglopen van de airbag, neemt enkele tienden van een seconde in beslag. WAARSCHUWING Volvo adviseert u voor reparatie contact op te nemen met een erkende Volvo-werkplaats.
01 Veiligheid Airbags Airbag aan de passagierszijde Uw auto heeft behalve de veiligheidsgordel aan de passagierszijde ook een airbag in het stuurwiel. Deze zit opgevouwen in een ruimte boven het dashboardkastje. Het paneel is voorzien van het opschrift AIRBAG. WAARSCHUWING Om de kans op letsel bij het opblazen van de airbags te beperken, moeten de passagiers zo rechtop mogelijk zitten met hun voeten op de vloer en hun rug tegen de rugleuning. De veiligheidsgordel moet goed vastzitten.
01 Veiligheid 01 Airbag activeren/deactiveren* PACOS deactiveren met sleutel* Algemene informatie De passagiersairbag (SRS) voorin kan gedeactiveerd worden met een schakelaar als de auto is uitgerust met PACOS (Passenger Airbag Cut Off Switch). Zie de tekst onder het kopje Activeren/deactiveren voor informatie over activering/deactivering.
01 Veiligheid Airbag activeren/deactiveren* WAARSCHUWING Geactiveerde airbag (passagiersstoel): Vervoer kinderen nooit in een kinderzitje of op een comfortkussen op de passagiersstoel als de airbag geactiveerd is. Laat evenmin personen die kleiner zijn dan 1,40 m op deze stoel plaatsnemen. Een tekstmelding en een brandend symbool op het plafondpaneel op de plafondconsole geven aan dat de airbag aan de passagierszijde gedeactiveerd is (zie voorgaande afbeelding). N.B.
01 Veiligheid SIPS-airbags (zij-airbags) WAARSCHUWING Volvo adviseert u reparatiewerk over te laten aan een erkende Volvo-werkplaats. Verkeerde ingrepen in het SIPSairbagsysteem kunnen aanleiding geven tot storingen in de werking met mogelijk ernstig lichamelijk letsel tot gevolg. • Plaats geen voorwerpen tussen de stoelen en de portierpanelen, omdat dit gebied binnen de actieradius van de SIPS-airbag ligt. • Volvo adviseert u alleen stoelhoezen te gebruiken die door Volvo zijn goedgekeurd.
01 Veiligheid SIPS-airbags (zij-airbags) 01 ding reageren de sensoren, die op hun beurt de gasgeneratoren activeren. De SIPS-airbags worden vervolgens opgeblazen tussen de inzittende en het portierpaneel. Daarmee vangen de SIPS-airbags de klap van de aanrijding op voor de inzittende, waarna de airbags weer leeglopen. De SIPS-airbag wordt normaal gesproken alleen opgeblazen aan de kant van de aanrijding.
01 Veiligheid 01 Opblaasgordijnen (IC-systeem) Eigenschappen WAARSCHUWING Hang of bevestig nooit zware voorwerpen aan de plafondhandgrepen. De haak is alleen bedoeld voor niet al te zware kledingstukken (en niet voor harde voorwerpen zoals paraplu’s). Schroef of bevestig geen onderdelen op de plafondbekleding, portierstijlen of de zijpanelen van de auto. Ze kunnen daarbij hun beschermende werking verliezen.
01 Veiligheid WHIPS Bescherming tegen whiplash-letsel, WHIPS Het WHIPS-systeem (Whiplash Protection System) bestaat uit energieabsorberende rugleuningen en speciaal voor het systeem ontwikkelde hoofdsteunen voor de beide voorstoelen. Het systeem wordt geactiveerd bij een aanrijding van achteren, afhankelijk van de hoek waaronder en de snelheid waarmee het achteropkomende voertuig de auto raakt en de materiaaleigenschappen van dat voertuig.
01 Veiligheid 01 WHIPS WAARSCHUWING Plaats geen koffer of iets dergelijks tussen het zitgedeelte van de achterbank en de rugleuning van de voorstoelen. Let erop dat u de werking van het WHIPS-systeem niet beïnvloedt. WAARSCHUWING Als de stoel heeft blootgestaan aan grote krachten zoals bij een aanrijding van achteren, moet u het WHIPS-systeem laten controleren. Volvo adviseert u het te laten controleren door een erkende Volvo-werkplaats.
01 Veiligheid Activering van de veiligheidssystemen Activering van de veiligheidssystemen Systeem Activering Gordelspanners voorstoelen Bij kantelen, een frontale botsing en/ of aanrijding in de zij en/of van achteren Gordelspanners achterbank Bij kantelen en/of een frontale botsing Airbags (SRS) Bij een frontale botsing.
01 Veiligheid 01 Safety mode Rijden na een aanrijding G021062 Als alles normaal lijkt en u hebt vastgesteld dat er geen brandstof lekt, kunt u proberen de motor te starten. Als de auto betrokken is geweest bij een aanrijding, kan de melding Safety mode Zie instructieb. op het informatiedisplay verschijnen. Dit betekent dat de functionaliteit van de auto is verminderd.
01 Veiligheid Kinderen en veiligheid Kinderen moeten comfortabel en veilig kunnen zitten Volvo adviseert u kinderen zo lang mogelijk te vervoeren in een achterstevoren gemonteerd kinderzitje (in ieder geval tot een leeftijd van 3– 4 jaar) en daarna tot een leeftijd van 10 jaar op/ in een comfortkussen of een kinderzitje dat in de rijrichting geplaatst is.
01 Veiligheid 01 Kinderen en veiligheid blazen, kan een kind op de passagiersstoel ernstig letsel oplopen. WAARSCHUWING Zet nooit een kind in een kinderzitje op de passagiersstoel als de airbag (SRS) is geactiveerd. Personen kleiner dan 1,40 m mogen nooit op de passagiersstoel voorin plaatsnemen, als de airbag (SRS) geactiveerd is. Het niet opvolgen van de bovenstaande aanbevelingen kan levensgevaarlijke situaties opleveren.
01 Veiligheid Kinderen en veiligheid 01 Aanbevolen kinderzitjes2 Gewicht Voorstoel (met gedeactiveerde airbag) Buitenste zitplaats achterbank Groep 0 Volvo-babyzitje (Volvo Infant Seat) achterstevoren gemonteerd kinderzitje bevestigd met ISOFIX-systeem. Voor de juiste montage bij deze bevestigingsoptie is een ISOFIX-console* vereist. Volvo-babyzitje (Volvo Infant Seat) achterstevoren gemonteerd kinderzitje bevestigd met ISOFIX-systeem. max. 10 kg Groep 0+ max.
01 Veiligheid 01 Kinderen en veiligheid Gewicht Voorstoel (met gedeactiveerde airbag) Buitenste zitplaats achterbank Groep 1 Achterstevoren gemonteerd/omkeerbaar Volvo-kinderzitje (Volvo Convertible Child Seat) – achterstevoren gemonteerd kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel en bevestigingsband. Achterstevoren gemonteerd/omkeerbaar Volvo-kinderzitje (Volvo Convertible Child Seat) – achterstevoren gemonteerd kinderzitje bevestigd met veiligheidsgordel en bevestigingsband.
01 Veiligheid Kinderen en veiligheid Gewicht Voorstoel (met gedeactiveerde airbag) Buitenste zitplaats achterbank Middelste zitplaats achterbank Groep 2/3 Volvo-comfortkussen met rugleuning (Volvo Booster Seat with backrest). Volvo-comfortkussen met rugleuning (Volvo Booster Seat with backrest). Volvo-comfortkussen met rugleuning (Volvo Booster Seat with backrest). Typegoedkeuring: E1 04301169. Typegoedkeuring: E1 04301169. Typegoedkeuring: E1 04301169.
01 Veiligheid 01 Kinderen en veiligheid Afmetingscategorieën Veiligheidszitjes kunnen net als auto’s verschillende afmetingen hebben. Kinderzitjes passen daardoor niet op alle zitplaatsen van de verschillende modellen. Voor kinderzitjes met een ISOFIX-bevestigingssysteem zijn er daarom afmetingscategorieën om gebruikers te helpen bij het kiezen van het juiste kinderzitje (zie volgende tabel).
01 Veiligheid Kinderen en veiligheid 01 Verschillende soorten ISOFIX-veiligheidszitjes Type kinderzitje Babyzitje, overdwars max. 10 kg Afmetingscategorie Zitplaatsen voor montage ISOFIX-kinderzitje Voorstoel Buitenste zitplaats achterbank F – – G – – Babyzitje, achterstevoren max. 10 kg E – OK Babyzitje, achterstevoren max.
01 Veiligheid 01 Kinderen en veiligheid Bovenste bevestigingspunten voor kinderzitjes Zie de aanwijzingen van de fabrikant van het kinderzitje voor gedetailleerde informatie over de manier waarop u het zitje aan de bovenste bevestigingspunten vastzet. WAARSCHUWING Haal de bevestigingsband van een kinderzitje altijd onder de hoofdsteun van de achterbank door, voordat u de gordel in de sluiting aanbrengt. De auto is uitgerust met bovenste bevestigingspunten voor kinderzitjes.
01 Veiligheid 01 41
Transpondersleutel/sleutelblad............................................................... Privacy locking*....................................................................................... Batterij vervangen transpondersleutel/PCC*.......................................... Keyless drive*.......................................................................................... Vergrendelen/ontgrendelen.................................................................... Kinderslot....................
SLOTEN EN ALARM
02 Sloten en alarm Transpondersleutel/sleutelblad Algemene informatie 02 Bij de auto worden 2 transpondersleutels of PCC’s (Personal Car Communicator geleverd. U gebruikt ze om de auto te starten en deze te vergrendelen en ontgrendelen. U kunt extra transpondersleutels bestellen. Er zijn maximaal 6 transpondersleutels voor één en dezelfde auto te programmeren en te gebruiken. PCC’s kennen meer functies dan een transpondersleutel in standaarduitvoering.
02 Sloten en alarm Transpondersleutel/sleutelblad Vergrendelingsindicatie Dezelfde diode als de alarmindicatie, zie pagina 65. Een knipperende diode onder aan de voorruit geeft aan dat de auto vergrendeld is. N.B. Ook auto’s zonder alarm zijn uitgerust met deze indicatie.
02 Sloten en alarm Transpondersleutel/sleutelblad Startblokkering Start opnieuw Storing in het startblokkeringssysteem tijdens het starten. Het wordt geadviseerd contact op te nemen met een erkende Volvowerkplaats, als de storing aanhoudt. Functies Voor het starten van de auto, zie pagina 110. Transpondersleutel. G021079 Betekenis G021078 02 Melding PCC*, Personal Car Communicator.
02 Sloten en alarm Transpondersleutel/sleutelblad Bij lang indrukken (ten minste 4 seconden) worden alle zijruiten tegelijkertijd geopend. zers, de interieurverlichting en de claxon geactiveerd. De gelijktijdige ontgrendeling van alle portieren is dusdanig te wijzigen dat bij eenmaal indrukken van de knop eerst het bestuurdersportier ontgrendeld wordt en bij de tweede maal indrukken – één en ander binnen 10 seconden – de resterende portieren te ontgrendelen.
02 Sloten en alarm Transpondersleutel/sleutelblad N.B. 02 Als bij herhaaldelijk gebruik van de informatietoets – op verschillende tijdstippen en verschillende plaatsen – blijkt dat geen van de controlelampjes gaat branden (en dat evenmin na 7 seconden alsook nadat de controlelampjes op de PCC om de beurt oplichtten), dient u contact op te nemen met een werkplaats – geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats.
02 Sloten en alarm Transpondersleutel/sleutelblad bedienen is vanaf de transpondersleutel, zie pagina 55. Portier ontgrendelen met sleutelblad Sleutelblad verwijderen Als de centrale vergrendeling niet op de transpondersleutel reageert (omdat de batterijen bijvoorbeeld leeg zijn), kunt u het linker voorportier op de volgende manier ontgrendelen en openen: • het mechanische kinderslot op de achterportieren te activeren/deactiveren, zie pagina 64.
02 Sloten en alarm Privacy locking* De functie Privacy locking is bestemd voor als u de auto afgeeft voor een onderhoudsbeurt of als u hem bij een hotel of iets dergelijks laat parkeren. Het dashboardkastje is dan vergrendeld en het kofferdekselslot is niet via de centrale vergrendeling te openen – het kofferdeksel is niet meer te bedienen met de knoppen op de voorportieren of die op de transpondersleutel.
02 Sloten en alarm Privacy locking* N.B. Plaats het sleutelblad niet in de transpondersleutel terug, maar houd het bij u en bewaar het goed. 02 • Houd voor het deactiveren de omgekeerde volgorde aan. Om alleen het dashboardkastje te vergrendelen, zie pagina 60. * Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
02 Sloten en alarm Batterij vervangen transpondersleutel/PCC* Accu vervangen 02 Batterij vervangen Let erop hoe de batterij(en) aan de binnenzijde van de afdekking vastzit(ten). Let daarop op de pluszijde + en de minzijde –. Vervang de batterijen, als: • het informatiesymbool oplicht en ABbatterij raakt leeg. Vervang de batterij. op het display staat Transpondersleutel (1 batterij) en/of 1. Werk de batterij voorzichtig los. • de sloten herhaalde malen achtereen niet 2.
02 Sloten en alarm Batterij vervangen transpondersleutel/PCC* 3. Duw voorzichtig tegen het sleutelblad. U hoort een klikgeluid wanneer het sleutelblad goed vastzit. 02 BELANGRIJK Zorg dat de oude batterij(en) wordt/worden afgevoerd op een milieuontlastende manier. * Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
02 Sloten en alarm Keyless drive* 02 Vergrendelings- en startsysteem zonder sleutel (alleen PCC1) van maximaal 1,5 m rond de portierhandgrepen of het kofferdeksel bevinden. Dit betekent dat u de PCC bij u moet dragen om een portier te vergrendelen of ontgrendelen. Wanneer u aan de ene kant van de auto staat, is het niet mogelijk om met de PCC een portier aan de andere kant te vergrendelen of ontgrendelen.
02 Sloten en alarm Keyless drive* Vergrendelen N.B. Als u (terwijl de motor is afgezet) de PCC uit de auto haalt en de auto niet vergrendelt door een van de portierhandgrepen aan te raken of de vergrendeltoets op de PCC te bedienen, gebeurt het volgende: Na ca. 1½–2 minuten wordt het alarm geactiveerd en gaat de alarmdiode op de voorruit knipperen – het alarm staat daarmee op scherp maar de auto is niet vergrendeld. N.B.
02 Sloten en alarm Keyless drive* 02 1. Duw het sleutelblad ca. 1 cm recht omhoog in de opening aan de onderkant van de portierhandgreep/afdekking – niet wrikken. > De kunststof afdekking komt automatisch los, wanneer u het blad recht omhoog de opening induwt. 2. Steek het sleutelblad in de slotcilinder en ontgrendel het portier. 3. Plaats de kunststof afdekking na ontgrendeling terug. N.B. Wanneer u het bestuurdersportier met het sleutelblad ontgrendelt en vervolgens opent, gaat het alarm af.
02 Sloten en alarm Keyless drive* WAARSCHUWING Dragers van een pacemaker dienen minstens 22 cm afstand te houden tot de antennes van het Keyless drive-systeem. Dit om eventuele storingen in de pacemaker als gevolg van het Keyless drive-systeem uit te sluiten. 02 * Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
02 Sloten en alarm Vergrendelen/ontgrendelen Van de buitenzijde 02 Met de transpondersleutel kunt u alle portieren en het kofferdeksel gelijktijdig vergrendelen/ ontgrendelen. Het is mogelijk een andere ontgrendelingsvolgorde te kiezen, zie Ontgrendelen met transpondersleutel 46. Als u niet met de transpondersleutel kunt vergrendelen/ontgrendelen is de batterij mogelijk leeg – vergrendel/ontgrendel het linker voorportier dan met het afneembare sleutelblad, zie pagina 48.
02 Sloten en alarm Vergrendelen/ontgrendelen Van de binnenzijde Centrale vergrendeling Bij lang indrukken (ten minste 4 seconden) worden alle zijruiten* tegelijkertijd geopend. • Trek aan de openingshandgreep en open het portier – het portier wordt in een keer ontgrendeld en geopend. Bij lang indrukken (ten minste 2 seconden) worden alle zijruiten en het schuifdak* tegelijkertijd gesloten.
02 Sloten en alarm Vergrendelen/ontgrendelen om bijv. bij warm weer snel voor frisse lucht in de auto te zorgen. 02 Automatische vergrendeling Bij het wegrijden worden de portieren en het kofferdeksel automatisch vergrendeld. U kunt de functie activeren/deactiveren in het menusysteem MY CAR onder Instellingen Auto-instellingen Slotinstellingen Automatische vergrendeling. (Voor een beschrijving van het menusysteem, zie pagina 133.
02 Sloten en alarm Vergrendelen/ontgrendelen Ontgrendelen met transpondersleutel druk lichtjes tegen op het met rubber bekleding drukplaatje onder de buitenhandgreep en open het kofferdeksel. Van de binnenzijde ontgrendelen 02 Als het deksel niet binnen 2 minuten na ontgrendeling wordt geopend, wordt het weer vergrendeld en het alarm opnieuw geactiveerd.
02 Sloten en alarm Vergrendelen/ontgrendelen Safelock-functie*1 Tijdelijk deactiveren Bij activering van de Safelock-functie worden alle openingshandgrepen mechanisch losgekoppeld, wat het openen van de portieren van de binnenzijde onmogelijk maakt. 02 Met de transpondersleutel activeert u de Safelock-functie die ca. 10 seconden na vergrendeling van de portieren in werking treedt.
02 Sloten en alarm Vergrendelen/ontgrendelen van het alarmsysteem opnieuw ingeschakeld. leerde beschrijving van het menusysteem (zie pagina 133)). 2. Kies Eenmalig inschakelen. > Op het display van het instrumentenpaneel verschijnt de melding Beveil. verlaagd Zie instructieb. en de Safelock-functie wordt uitgeschakeld bij vergrendeling van de auto. of Kies Vragen bij uitstappen.
02 Sloten en alarm Kinderslot 02 Handmatig kinderslot op achterportieren Het kinderslot voorkomt dat kinderen een achterportier vanaf de binnenzijde openen. WAARSCHUWING Elk van de achterportieren is voorzien van twee vergrendelbussen – verwar de bus voor het kinderslot niet met die voor het mechanische portierslot, zie pagina 58.
02 Sloten en alarm Alarm* Algemene informatie Een geactiveerd alarmsysteem gaat af als: • een portier, de motorkap of het kofferdeksel wordt geopend • er beweging in de passagiersruimte wordt waargenomen (als er een bewegingsmelder* aanwezig is) • de auto wordt opgetakeld of weggesleept (op auto’s met een niveausensor*) • een kabel van de startaccu wordt losgekoppeld • de sirene wordt losgekoppeld. Als er een storing in het alarmsysteem is opgetreden, verschijnt er een melding op het informatiedisplay.
02 Sloten en alarm Alarm* Alarm deactiveren 02 Druk op de ontgrendelingstoets op de transpondersleutel. Geactiveerd alarm uitschakelen Druk op de ontgrendelingstoets op de transpondersleutel of steek de transpondersleutel in het contactslot. Overige alarmfuncties Automatische herinschakeling van het alarm De functie voorkomt dat u de auto verlaat zonder het alarm in te schakelen.
02 Sloten en alarm Alarm* 2. Wacht 15 seconden. 3. Ontgrendel het bestuurdersportier met het sleutelblad. 02 4. Open het bestuurdersportier. > Er klinkt een sirene en alle richtingaanwijzers knipperen. 5. Deactiveer het alarm door de auto via de transpondersleutel te ontgrendelen. Alarmsensoren op motorkap testen 1. Ga in de auto zitten en deactiveer de bewegingsmelder, zie het onderdeel Beperkt alarmniveau. 2. Activeer het alarm, zie pagina 65.
Instrumenten, schakelaars en bediening................................................ 70 Sleutelstanden........................................................................................ 78 Stoelen en achterbank............................................................................ 80 Stuurwiel................................................................................................. 84 Verlichting..............................................................................................
BESTUURDERSMILIEU
03 Bestuurdersmilieu Instrumenten, schakelaars en bediening Instrumentenoverzicht 03 Auto met stuur links.
03 Bestuurdersmilieu Instrumenten, schakelaars en bediening Functie Pagina Functie Pagina Menu- en meldingsfuncties, richtingaanwijzers, groot licht/dimlicht, boordcomputer 85, 88, 130, 152 Bedieningspaneel voor infotainment en menufuncties 133, 211, 256 157, 161 Bedieningspaneel voor klimaatregeling 141 Cruisecontrol Claxon, airbag 22, 84 Versnellingspook/keuzehendel 113 Instrumentenpaneel 73, 77 133, 213, 243, 256 Bedieningsknoppen actieve chassisregeling (FOUR-C)* 156 Menu-, audio- en
03 Bestuurdersmilieu Instrumenten, schakelaars en bediening 03 Auto met stuur rechts.
03 Bestuurdersmilieu Instrumenten, schakelaars en bediening Functie Pagina Functie Pagina Display voor infotainment en menufuncties 133, 210, 256 Parkeerrem 122 Stuurwielafstelling 84 Contactslot 78 Knop START/STOP 110 Cruisecontrol 157, 161 Menu- en meldingsfuncties, richtingaanwijzers, groot licht/dimlicht, boordcomputer 85, 88, 130, 152 Instrumentenpaneel 73, 77 Versnellingspook/keuzehendel 113 Claxon, airbag 22, 84 133, 213, 243, 256 Bedieningsknoppen actieve chassisregeling (FOU
03 Bestuurdersmilieu Instrumenten, schakelaars en bediening Meters Controle-, informatie- en waarschuwingssymbolen 5 seconden alle symbolen uit behalve het symbool voor storingen in het uitlaatgasreinigingssysteem en dat voor een lage oliedruk. Controle- en informatiesymbolen Symbool 03 Betekenis Storing in ABL Uitlaatgasreinigingssysteem Storing in ABS Meters op het instrumentenpaneel. Snelheidsmeter Brandstofmeter. Zie ook boordcomputer (pagina 152) en tanken (pagina 265). Toerenteller.
03 Bestuurdersmilieu Instrumenten, schakelaars en bediening Symbool Betekenis Richtingaanwijzers links Mistachterlicht aan Dit symbool brandt wanneer u het mistachterlicht hebt ingeschakeld. Er is slechts één mistachterlicht - dat zit aan de bestuurderszijde. Stabiliteitssysteem Richtingaanwijzers rechts Storing in ABL Het symbool brandt, als er een storing is opgetreden in het ABL-systeem (Active Bending Lights).
03 Bestuurdersmilieu Instrumenten, schakelaars en bediening Symbool Betekenis Storing in remsysteem Waarschuwing 03 A Bij bepaalde motortypes is het symbool voor een lage oliedruk niet in gebruik. Er verschijnt in plaats daarvan een displaymelding (zie pagina 305 en 306). Gordelwaarschuwing Het symbool brandt als de bestuurder of de voorpassagier geen veiligheidsgordel draagt of als iemand op de achterbank de gordel heeft losgenomen.
03 Bestuurdersmilieu Instrumenten, schakelaars en bediening die van invloed kan zijn op de veiligheid en/of de rijeigenschappen van de auto. Er verschijnt tegelijkertijd een verklarende melding op het informatiedisplay. Het waarschuwingssymbool blijft branden totdat de storing is verholpen, maar de melding kunt u verwijderen met de knop READ, zie pagina 130. Het waarschuwingssymbool kan ook gaan branden in combinatie met andere symbolen.
03 Bestuurdersmilieu Sleutelstanden Transpondersleutel aanbrengen en verwijderen BELANGRIJK Vreemde voorwerpen in het contactslot kunnen tot functiestoringen leiden of schade aan het slot toebrengen. De transpondersleutel niet verkeerd om insteken – pak de sleutel beet aan het uiteinde met het afneembare sleutelblad. zie pagina 48. 03 Contactsleutel met ingedrukte transpondersleutel. N.B. Voor auto’s met Keyless drive-functie*, zie pagina 54.
03 Bestuurdersmilieu Sleutelstanden Stand Functie 0 Kilometerteller, klok en temperatuurmeter worden verlicht. Het stuurslot is opgeheven. Het audiosysteem is te gebruiken. I Schuifdak*, elektrisch bedienbare zijruiten, 12V-aansluitingen in passagiersruimte, RTI*, telefoon*, interieurventilator, ECC en ruitenwissers zijn te gebruiken. II De koplampen worden ontstoken. Waarschuwings-/controlelampjes branden 5 seconden lang.
03 Bestuurdersmilieu Stoelen en achterbank Voorstoelen WAARSCHUWING De stand van de bestuurdersstoel instellen voordat u gaat rijden en nooit tijdens het rijden. Controleer of de stoel vergrendeld staat om letsel te voorkomen bij hard afremmen of een aanrijding. 03 Rugleuning voorstoel omklappen Trek de pallen aan de achterzijde van de rugleuning omhoog tijdens het omklappen. 4. Duw de stoel zo ver naar voren dat de hoofdsteun onder het dashboardkastje “vast” komt te zitten.
03 Bestuurdersmilieu Stoelen en achterbank Elektrisch bedienbare stoel* Voorbereidingen 1. Stel de stoel en de buitenspiegels in. Tot enige tijd nadat u het portier met de transpondersleutel hebt ontgrendeld blijft het mogelijk de stoel te verstellen, ook al steekt er geen sleutel in het contactslot. U verstelt de stoel normaal gesproken in sleutelstand I. Wanneer de motor loopt, is dat altijd mogelijk. 2.
03 Bestuurdersmilieu Stoelen en achterbank Een volgende keer dat de auto met dezelfde transpondersleutel wordt ontgrendeld, nemen de bestuurdersstoel en de buitenspiegels automatisch de in het sleutelgeheugen vastgelegde standen in. 03 N.B. De bestuurdersstoel en de buitenspiegels worden niet verzet, als ze al in de opgeslagen stand staan. Noodstop Achterbank Als de stoel per ongeluk in beweging komt, kunt u op een van de knoppen drukken om de stoel tot stilstand te brengen.
03 Bestuurdersmilieu Stoelen en achterbank Ruggedeelte achterbank omklappen BELANGRIJK Bij het neerklappen van de achterbank mogen er zich geen voorwerpen op de achterbank bevinden. De veiligheidsgordels mogen evenmin zijn ingestoken. Schade aan de bekleding van de achterbank is anders namelijk niet uitgesloten. N.B. Duw bij het neerklappen van de ruggedeelten de hoofdsteunen naar voren om te voorkomen dat ze in contact komen met het zitgedeelte.
03 Bestuurdersmilieu Stuurwiel Instellen WAARSCHUWING Claxon Stel het stuurwiel af voordat u gaat rijden en controleer of het in de gekozen stand vergrendeld staat. Bij auto’s met snelheidsafhankelijke stuurbekrachtiging* is de vereiste stuurkracht in te stellen, zie pagina 156. G021138 03 Toetsensets* Stuurwiel afstellen. Claxon. Ontgrendelingshendel, stuurwielafstelling Druk op het midden van het stuurwiel om te claxonneren.
03 Bestuurdersmilieu Verlichting Bedieningspaneel verlichting De displayverlichting wordt bij donker automatisch gedimd. De gevoeligheidsgraad van deze functie is in te stellen met het duimwiel. Groot licht/dimlicht Ook de sterkte waarmee het instrumentenpaneel verlicht wordt stelt u in met het duimwiel. Koplamphoogteregeling 03 Door de belading van de auto wordt de hoogte van de koplampen gewijzigd, zodat u tegemoetkomend verkeer mogelijk verblindt.
03 Bestuurdersmilieu Verlichting Stand Betekenis AutomatischA/uitgeschakeld dimlicht. Alleen grootlichtsignalen. Stadslichten vóór en achterlichten 03 Dimlicht. In deze stand werken het groot licht en de grootlichtsignalen. A Geldt voor bepaalde markten. N.B. Het groot licht is alleen te activeren in stand . Grootlichtsignalen Trek de stuurhendel voorzichtig tot in de stand voor grootlichtsignalen naar het stuurwiel toe. Het groot licht brandt totdat u de hendel loslaat.
03 Bestuurdersmilieu Verlichting Symbool Display Betekenis Koplampfout Service vereist Het systeem is defect. Bezoek een werkplaats als de melding niet verdwijnt. Volvo adviseert u contact op te nemen met een erkende Volvo-werkplaats. De functie is uitsluitend actief bij schemer of donker en dan alleen als de auto rijdt. U kunt de functie3 deactiveren/activeren in het menusysteem MY CAR onder My S60 Act. bochtverlichting of onder Instellingen Auto-instellingen Lichtinstellingen Act. bochtverlichting.
03 Bestuurdersmilieu Verlichting in de knop branden, wanneer het mistachterlicht ingeschakeld is. Het mistachterlicht dooft automatisch bij het afzetten van de motor. 03 N.B. De regels voor het gebruik van het mistachterlicht verschillen van land tot land. Alarmlichten zodra de snelheid van de auto tot onder de 30 km/h is gedaald, automatisch de alarmlichten ingeschakeld. Ook nadat de auto tot stilstand is gekomen, blijven de alarmlichten knipperen.
03 Bestuurdersmilieu Verlichting Verlichting in interieur Plafondverlichting voorin Make-upspiegel De leeslampjes voorin worden in- en uitgeschakeld met een druk op de bijbehorende knoppen op de plafondconsole. De verlichting van de make-upspiegel, zie pagina 205, wordt bij het openen en sluiten van het klepje in- en uitgeschakeld.
03 Bestuurdersmilieu Verlichting De interieurverlichting gaat aan en blijft twee minuten lang branden, wanneer een van de portieren openstaat. instellingen Lichtinstellingen Duur thuisbrenglicht. Voor een beschrijving van het menusysteem, zie pagina 133. Als u een bepaalde verlichtingsfunctie handmatig inschakelt, zal deze na twee minuten automatisch worden uitgeschakeld.
03 Bestuurdersmilieu Verlichting de juiste lichtbundel wordt ook de berm beter verlicht. Actieve xenonkoplampen* Bij het aanpassen van de lichtbundel voor links- of rechtsrijdend verkeer dient de auto stil te staan. 1. Open het menusysteem MY CAR en ga naar Instellingen Auto-instellingen Lichtinstellingen. 2. Kies uit Tijdelijk rechtsrijdend verkeer en Tijdelijk linksrijdend verkeer.
03 Bestuurdersmilieu Verlichting Positie van de mallen 03 Bovenste regel: afgeplakte gebieden bij een auto met stuur links, mallen A en B.
03 Bestuurdersmilieu Verlichting C en D.
03 Bestuurdersmilieu Verlichting Mallen voor halogeenkoplampen 03 94
03 Bestuurdersmilieu Wissers en -sproeiers Ruitenwissers1 Intervalstand Regensensor* Met het duimwiel kunt u het aantal wisslagen per eenheid van tijd instellen wanneer u de intervalstand hebt geselecteerd. De regensensor registreert de hoeveelheid regen op de voorruit en schakelt automatisch de ruitenwissers op de voorruit in. De gevoeligheid van de regensensor is in te stellen met het duimwiel. Ononderbroken wissen De wissers bewegen op normale snelheid. De wissers bewegen op hoge snelheid.
03 Bestuurdersmilieu Wissers en -sproeiers Deactiveren Koplamp- en ruitensproeiers Schakel de regensensor uit met een druk op de of haal de hendel omlaag naar een knop ander wisprogramma. 03 De regensensor wordt automatisch uitgeschakeld, wanneer u de transpondersleutel uit het contactslot neemt of vijf minuten nadat u de motor hebt afgezet. BELANGRIJK De ruitenwissers op de voorruit kunnen in een automatische wasstraat spontaan inschakelen en daarbij beschadigd raken.
03 Bestuurdersmilieu Ruiten en spiegels Algemene informatie Warmtereflecterende voorruit* Gelaagd glas Het glas is verstevigd voor een verbeterde inbraakbeveiliging en geluidsisolatie van het interieur. De voorruit en de zijruiten zijn gemaakt van gelaagd glas*. op dat deel van de voorruit waar geen warmtereflecterende film is aangebracht (zie gemarkeerd veld op bovenstaande afbeelding).
03 Bestuurdersmilieu Ruiten en spiegels WAARSCHUWING Zorg er bij het sluiten van de zijruiten voor dat kinderen of andere inzittenden niet met hun handen bekneld raken. Dit geldt ook als u gebruik maakt van de transpondersleutel. 03 WAARSCHUWING Als er kinderen in de auto zitten: let er bij het verlaten van de auto op dat u de stroomtoevoer naar de elektrisch bedienbare zijruiten verbreekt door de transpondersleutel uit te nemen.
03 Bestuurdersmilieu Ruiten en spiegels WAARSCHUWING Buitenspiegels Elektrisch inklapbare buitenspiegels* U kunt de buitenspiegels inklappen bij het parkeren en als u op smalle wegen rijdt: De beveiliging tegen overbelasting werkt alleen als de automatische openingsfunctie voor zijruiten gereset is. 1. Druk de knoppen L en R tegelijkertijd in (de transpondersleutel moet minimaal in sleutelstand I staan). Zonnescherm* 03 2. Laat ze na ca. 1 seconde los.
03 Bestuurdersmilieu Ruiten en spiegels Buitenspiegel kantelen bij parkeren1 De buitenspiegels kunnen omlaaggekanteld worden, zodat u bijvoorbeeld tijdens het parkeren de kant van de weg te kan zien. 03 Schakel de achteruitversnelling in en druk op de knop L of R. Bij het inschakelen van een andere versnelling nemen de gekantelde buitenspiegels na ca. 10 seconden de oorspronkelijke stand weer in. Dat gebeurt eerder als u de knop L of R drukt.
03 Bestuurdersmilieu Ruiten en spiegels condens verdwenen is om de accu niet onnodig te belasten. Als u echter niets doet, wordt de verwarming na enige tijd automatisch uitgeschakeld. De achterruit wordt automatisch van condens/ ijsvorming ontdaan als de auto wordt gestart bij een buitentemperatuur lager dan +9 °C. Automatische ontwaseming is te selecteren in het menusysteem MY CAR onder Instellingen Klimaatinstellingen Aut. achterruitverwarming. Kies vervolgens uit AAN of UIT.
03 Bestuurdersmilieu Kompas* Bediening Kalibreren De aarde is in 15 magnetische zones verdeeld. Het kompas is ingesteld op het geografische gebied waarin de auto werd afgeleverd. Het kompas dient te worden gekalibreerd, als u met de auto meerdere magnetische zones doorkruist. 03 G030295 1. Breng de auto tot stilstand op een groot en open terrein waar geen stalen constructies of hoogspanningsdraden zijn. 2. Start de motor. Magnetische zones. Achteruitkijkspiegel met kompas.
03 Bestuurdersmilieu Kompas* 8. Herhaal de bovenstaande procedure zo nodig. 03 * Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
03 Bestuurdersmilieu Elektrisch bedienbaar schuifdak* Algemene informatie De bedieningsknoppen voor het schuifdak zitten aan het plafond. Het schuifdak is aan de achterkant open te kantelen of horizontaal open te schuiven. Het schuifdak is alleen te openen in sleutelstand I of II. 03 Horizontaal openschuiven knop vervolgens los om het schuifdak zo ver mogelijk open te schuiven. U kunt het schuifdak handmatig openen door de bedieningsknop achteruit naar het weerstandspunt voor handmatig openen te trekken.
03 Bestuurdersmilieu Elektrisch bedienbaar schuifdak* Sluiten met transpondersleutel of knop voor centrale vergrendeling van het schuifdak. Pak de handgreep vast en schuif het scherm naar voren om het te sluiten. Beveiliging tegen overbelasting G021345 Het schuifdak is voorzien van een beveiliging tegen overbelasting die wordt geactiveerd, als het schuifdak door een obstakel wordt gehinderd.
03 Bestuurdersmilieu Alcoguard* Algemene informatie over het alcoholslot 03 Functies Batterij Het alcoholslot voorkomt dat bestuurders die onder invloed zijn in de auto kunnen rijden. Voordat de motor kan worden gestart, moet u een blaastest afgeven om vast te stellen dat u niet onder de invloed van alcohol bent. Het alcoholslot wordt gekalibreerd ten opzichte van de grenswaarde voor verkeersdeelname die in uw land geldt.
03 Bestuurdersmilieu Alcoguard* 1. Wanneer het controlelampje (6) groen oplicht, is de blaasunit klaar voor gebruik. Resultaat van de blaastest 2. Neem de blaasunit uit de houder. Als de blaasunit zich buiten de auto bevindt tijdens het ontgrendelen, dan dient u de unit eerst te activeren met de schakelaar (2). 3. Klap het mondstuk (1) omhoog, haal diep adem en blaas gelijkmatig totdat er ca. 5 seconden later een “klikgeluid” klinkt.
03 Bestuurdersmilieu Alcoguard* wijze gestart worden – de motor is dan alleen te starten via de bypass-functie, zie pagina 108, gedeelte over Noodsituatie. 03 De melding is te verwijderen met een druk op de zendtoets (3). De melding verdwijnt anders spontaan na ca. 2 minuten maar verschijnt iedere keer dat de motor gestart wordt opnieuw – alleen bij herkalibratie in een werkplaats1 verdwijnt de melding permanent.
03 Bestuurdersmilieu Alcoguard* Symbolen en displayteksten Naast de eerder beschreven meldingen kan ook het volgende op het display van het instrumentenpaneel verschijnen: 1 Displaymelding Betekenis/Maatregel Alcoguard Blaas zachter U blies te hard – blaas minder hard. Displaymelding Betekenis/Maatregel Alcoguard Blaas harder Alcoguard Herstart mogelijk Motor stond minder dan 30 minuten af – motor kan worden gestart zonder nieuwe blaastest. U blies niet hard genoeg – blaas harder.
03 Bestuurdersmilieu Motor starten Benzine- en dieselmotoren 2. Houd het koppelingspedaal volledig ingedrukt1. (Bij auto’s met automatische versnellingsbak – bedien het rempedaal.) 3. Druk op de knop START/STOP ENGINE en laat deze vervolgens los. De startmotor blijft maximaal 10 seconden draaien (60 seconden bij dieselmodellen), totdat de motor is aangeslagen. 03 Als de motor niet aanslaat - doe een nieuwe startpoging door de knop START/STOP ENGINE ingedrukt te houden totdat de motor wel aanslaat.
03 Bestuurdersmilieu Motor starten Motor afzetten Om de motor af te zetten – druk op START/ STOP ENGINE. Als de auto een automatische versnellingsbak heeft en de keuzehendel niet in stand P staat of als de auto rijdt – druk tweemaal op de knop of houdt de knop ingedrukt totdat de motor afslaat. 03 Stuurslotfout Het stuurslot wordt opgeheven, wanneer u de START/STOP ENGINE-knop indrukt met de transpondersleutel in het contactslot geduwd.
03 Bestuurdersmilieu Motor starten, hulpaccu Starten met hulpaccu 4. Sluit de ene klem van de rode startkabel aan op de pluspool van de hulpaccu . 5. Haal de clips op de voorste dekplaat van de uitgeputte accu los en verwijder de dekplaat, zie pagina 320. 6. Sluit de andere klem van de rode startkabel van de uitgeputte aan op de pluspool accu. 03 7. Sluit de ene klem van de zwarte kabel aan van de hulpaccu. op de minpool 10. Start de motor van de auto met de lege accu.
03 Bestuurdersmilieu Versnellingsbakken Handgeschakelde versnellingsbak fende schakelpatroon dat in de pookknop geslagen is. Automatische versnellingsbak Geartronic* • Trap het koppelingspedaal tijdens het schakelen altijd zo ver mogelijk in. • Haal uw voet na het schakelen weer van het koppelingspedaal af. 03 Blokkering achteruitversnelling De blokkering van de achteruitversnelling beperkt het risico dat u tijdens het vooruitrijden op normale snelheid onbedoeld de achteruitversnelling inschakelt.
03 Bestuurdersmilieu Versnellingsbakken rem met een druk op de knop, zie pagina 122. BELANGRIJK De auto moet stilstaan wanneer u de hendel in stand P zet. 03 Handmatig schakelen is te activeren door de hendel vanuit stand D helemaal naar rechts in stand +/– te zetten. Op het informatiedisplay verandert het teken D in een van de cijfers “1– 6” afhankelijk van de ingeschakelde versnelling, zie pagina 73.
03 Bestuurdersmilieu Versnellingsbakken 1. Bedien het rempedaal en haal de keuzehendel vanuit stand D naar stand +/– – het symbool D op het display van het instrumentenpaneel verandert in een 1. 2. Schakel op naar de 3e versnelling door de hendel twee keer naar voren naar de + (plus) te duwen – op het display verandert de 1 in een 3. 3. Laat het rempedaal los en geef voorzichtig gas. waardoor de zogeheten kickdown niet mogelijk is.
03 Bestuurdersmilieu Versnellingsbakken Automatische schakelblokkering deactiveren Automatische versnellingsbak Powershift*2 03 HSA HSA (Hill Start Assist) zorgt ervoor dat de remdruk enkele seconden lang op peil blijft als u uw voet van het rempedaal naar het gaspedaal verplaatst voordat u wegrijdt of achteruitrijdt op een oplopende helling. De tijdelijke remwerking wordt na enige seconden opgeheven of eerder bij het bedienen van het gaspedaal.
03 Bestuurdersmilieu Versnellingsbakken Oververhitting tijdens langzaam fileverkeer is te voorkomen door in etappes te rijden: Sta stil en wacht met uw voet op het rempedaal totdat de afstand tot uw voorliggers lang genoeg is om een stukje verder vooruit te rijden, rem en wacht weer enige tijd met uw voet op het rempedaal. Symbool A BELANGRIJK Bedien de bedrijfsrem om de auto stil te houden op oplopende hellingen – maak geen gebruik van het gaspedaal. De versnellingsbak kan dan oververhit raken.
03 Bestuurdersmilieu Versnellingsbakken voorkomen dat de koppeling defect raakt – de auto wordt dan niet meer aangedreven totdat de versnellingsbaktemperatuur tot een aanvaardbaar niveau is gedaald. 03 Voor andere displaymeldingen en de voorgestelde maatregelen bij auto’s met een automatische versnellingsbak, zie pagina 130. Na uitvoering van de maatregel verdwijnt de displaymelding automatisch. U kunt de melding ook eerder doen verdwijnen met een druk op de knop READ van de richtingaanwijzerhendel.
03 Bestuurdersmilieu Vierwielaandrijving, AWD (All Wheel Drive)* De vierwielaandrijving is altijd ingeschakeld 03 Bij vierwielaandrijving worden alle vier de wielen van de auto tegelijk aangedreven. Het motorkoppel wordt automatisch over de voor- en achterwielen verdeeld. Een elektronisch gestuurd koppelingssysteem verdeelt het vermogen over het wielpaar dat op dat moment de beste grip op het wegdek heeft. Dit om optimale wegligging te verkrijgen en wielspin te voorkomen.
03 Bestuurdersmilieu Bedrijfsrem Algemene informatie De auto is uitgerust met twee remkringen. Als een van de remkringen defect raakt, betekent dit dat de remmen pas later worden aangesproken zodat u het rempedaal dieper moet intrappen voor dezelfde remmende werking. 03 De druk die u uitoefent op het rempedaal wordt versterkt door de rembekrachtiging. WAARSCHUWING De rembekrachtiging werkt alleen, als de motor loopt.
03 Bestuurdersmilieu Bedrijfsrem Symbolen op instrumentenpaneel Symbool Betekenis Brandt continu – controleer het remvloeistofpeil. Vul remvloeistof bij als het peil te laag ligt en controleer tevens de oorzaak van het remvloeistofverlies. 03 Brandt 2 seconden lang continu bij het starten van de motor – er is de laatste keer dat de motor liep een storing in het ABS opgetreden. WAARSCHUWING Als en tegelijkertijd branden, kan er een storing in het remsysteem zijn opgetreden.
03 Bestuurdersmilieu Parkeerrem Elektrische parkeerrem Parkeerrem aanzetten loslaat of het gaspedaal bedient, wordt de parkeerrem gelost. Functie 03 Wanneer de parkeerrem wordt geactiveerd, hoort u een zwak elektromotorgeluid. Het geluid is tevens waarneembaar bij een automatische functiecontrole van de parkeerrem. Als de auto stilstaat wanneer u de parkeerrem aanzet, werkt de rem alleen op de achterwielen. Als u de parkeerrem tijdens het rijden aanzet, wordt de normale bedrijfsrem geactiveerd.
03 Bestuurdersmilieu Parkeerrem Parkeerrem lossen Auto met automatische versnellingsbak pende helling achteruitrolt, wanneer de parkeerrem automatisch wordt gelost. U kunt dit voorkomen door bij het wegrijden de handgreep ingedrukt te houden. Laat de handgreep weer los zodra de koppeling aangrijpt. Handmatig lossen Auto met Keyless drive-functie 1. Steek de transpondersleutel in het contactslot.
03 Bestuurdersmilieu Parkeerrem Berichten Parkeerrem Service vereist - Er is een storing opgetreden. Bezoek een werkplaats als de storing aanhoudt – geadviseerd wordt een Volvo-werkplaats. Als u de auto moet parkeren voordat de storing kon worden verholpen, dient u de wielen net als bij het parkeren op een helling van de trottoirband/berm af te draaien en de versnellingspook in de 1e versnelling (handbak) te zetten en de keuzehendel in stand P (automaat).
03 Bestuurdersmilieu HomeLink * Algemene informatie N.B. HomeLink is dusdanig geconstrueerd dat het niet werkt als de auto van de buitenzijde vergrendeld is. Let erop dat u de originele afstandsbedieningen wel goed bewaart voor eventuele programmering in een later stadium (zoals bij de aankoop van een nieuwe auto). Wis de programmering van de knoppen wanneer u de auto verkoopt.
03 Bestuurdersmilieu HomeLink * in de “inleerstand” staat en klaar is voor programmering. 2. Leg de originele afstandsbediening op 5–30 cm afstand van HomeLink. Houd het controlelampje in de gaten. De juiste afstand tussen de originele afstandsbediening en HomeLink hangt af van de programmering van het te bedienen systeem. Er zijn mogelijk meerdere pogingen op verschillende afstand nodig. Laat de afstandsbediening bij iedere poging ca.
03 Bestuurdersmilieu HomeLink * begint te knipperen. Laat beide knoppen weer los, wanneer het lampje dat langzaam knipperde sneller gaat knipperen. Een snel knipperend lampje geeft aan dat de programmering gelukt is. buurt van de antennevoet op de ontvanger). Raadpleeg als u de knop niet kunt vinden, de gebruiksaanwijzing van de leverancier of neem contact op met de leverancier via internet: www.homelink.com. 4.
Menu- en meldingsfuncties................................................................... Menusysteem MY CAR........................................................................ Klimaatregeling..................................................................................... Motor- en interieurverwarming op brandstof*....................................... Extra verwarming*................................................................................. Boordcomputer................................
COMFORT EN RIJPLEZIER
04 Comfort en rijplezier Menu- en meldingsfuncties Instrumentenpaneel Menu-overzicht Melding Voor sommige van de onderstaande menuopties dient de auto te zijn uitgerust met de bijbehorende functie en software. Actieradius Gemiddeld Momentaan Gem. snelheid Actuele snelheid1 04 Motoroliepeil* Informatiedisplay en bedieningselementen voor menufuncties. READ – meldingenlijst openen en meldingen bevestigen. Duimwiel – menu-opties doorbladeren. RESET – geactiveerde functie op nul stellen.
04 Comfort en rijplezier Menu- en meldingsfuncties Melding Betekenis Melding Betekenis Melding Betekenis Stop auto z.s.m.A Breng de auto tot stilstand en zet de motor af. Grote kans op schade. Volvo adviseert u contact op te nemen met een erkende Volvowerkplaats. Zie instructieb.A Lees het instructieboekje. Bespreek tijd voor onderhoud Het is tijd om een afspraak te maken voor een servicebeurt. Volvo adviseert u contact op te nemen met een erkende Volvo-werkplaats.
04 Comfort en rijplezier Menu- en meldingsfuncties 04 132 Melding Betekenis Melding Betekenis Versn.bak heet Rijd langzamer Rijd voorzichtiger of breng de auto zo spoedig mogelijk tot stilstand. Zet de versnellingsbak in de neutraal en laat de motor stationair draaien totdat de melding verdwijntB. Tijdelijk UITA De bijbehorende functie is tijdelijk uitgeschakeld en wordt na enige tijd rijden of de volgende keer dat u de motor start automatisch opnieuw ingeschakeld. Versn.bak heet Stop auto z.s.m.
04 Comfort en rijplezier Menusysteem MY CAR Algemene informatie over MY CAR MY CAR is een menusysteem waarin tal van autofuncties te regelen zijn. Bediening Toetsenset* op stuurwiel Bedieningselementen op middenconsole Bepaalde functies moeten tijdens het rijden kunnen worden ingesteld, zodat er ook voorzien is in toetsen op de middenconsole – er is plaats voor maximaal 20 toetsen.
04 Comfort en rijplezier Menusysteem MY CAR Instellingen Auto-instellingen Slotinstellingen Deuren open Bestuurdersdeur: dan alle. Hier volgt een voorbeeld van de wijze waarop u een functie kunt opzoeken en aanpassen met de toetsenset op de middenconsole: kens kort in te drukken of deze eenmaal lang in te drukken. De procedure verloopt geheel identiek met de knoppen OK MENU (2) en EXIT (4) alsmede draaiknop (3) op de middenconsole. Menu’s van MY CAR 1. Druk op de knop MY CAR op de middenconsole.
04 Comfort en rijplezier Menusysteem MY CAR Alle instellingen die verband houden met het bedienen van de auto zijn ondergebracht onder MY CAR. Onder de MY CAR-optie My S60 zijn links naar enkele van de meest gebruikelijke functies verzameld. Afhankelijk van de markt, het uitrustingsniveau en de gekozen opties ziet het snelmenu er voor iedere auto anders uit – het is het handigst om het snelmenu te openen en de inhoud te bekijken.
04 Comfort en rijplezier Menusysteem MY CAR Kort Actieve bochtverlichting Waarschuwt bij lage bandendruk Lane Departure Warning Lane Departure Warning Aan bij starten Voor meer informatie, zie pagina 295. Hogere gevoeligheid Stuurkracht Voor meer informatie, zie pagina 189. Hoog DSTC Midden Voor meer informatie, zie pagina 154. Laag Voor meer informatie, zie pagina 156.
04 Comfort en rijplezier Menusysteem MY CAR Temperatuureenheid Celsius Fahrenheit Geeft de eenheid aan voor weergave van de buitentemperatuur en instelling van de klimaatregeling. Volumes Normaal DivX® VOD-code Laag Voor meer informatie, zie pagina 229. Timer voor hercirculatie Bluetooth-softwareversie in auto Aut. achterruitverwarming Voor meer informatie, zie pagina 236.
04 Comfort en rijplezier Klimaatregeling Algemene informatie Klimaatregeling De auto is voorzien van elektronische klimaatregeling. De klimaatregeling zorgt ervoor dat de lucht in het interieur gekoeld, verwarmd of van vocht ontdaan wordt. N.B. U kunt de airconditioning (AC) uitschakelen, maar voor optimaal klimaatcomfort in de passagiersruimte en om te voorkomen dat de ruiten beslaan dient u de airconditioning altijd te laten aanstaan. 04 Positie van de sensoren board.
04 Comfort en rijplezier Klimaatregeling Storingen opsporen en verhelpen N.B. Wendt u zich tot een werkplaats die gecertificeerd is om storingen in de klimaatregeling op te sporen en te verhelpen. Volvo adviseert u contact op te nemen met een erkende Volvowerkplaats. Er bestaan twee verschillende soorten interieurfilters. Let erop dat u het juiste filter aanbrengt. Clean Zone Interior Package (CZIP)* Koudemiddel De airconditioning maakt gebruik van een koudemiddel.
04 Comfort en rijplezier Klimaatregeling • Ventilatorfunctie in automatische stand*, zie pagina 144. • De door de timer geregelde recirculatie van de lucht in de passagiersruimte, zie pagina 145. • Automatische verwarming van de achterruit, zie pagina 100. • Interior Air Quality System (IAQS)*, zie De binnenkomende lucht wordt verdeeld over 20 blaasmonden verspreid over het interieur. Blaasmonden in portierstijlen In de stand AUTO* vindt de luchtverdeling geheel automatisch plaats.
04 Comfort en rijplezier Klimaatregeling Elektronische klimaatregeling, ECC* 04 Temperatuurregeling, linkerzijde Elektrisch verwarmde voorstoel, linkerzijde Max.
04 Comfort en rijplezier Klimaatregeling Elektronische temperatuurregeling, ETC 04 Ventilator Elektrisch verwarmde voorstoel, linkerzijde AC – Airconditioning aan/uit Max.
04 Comfort en rijplezier Klimaatregeling Gebruik bedieningselementen Elektrisch verwarmde stoelen/ achterbank* Voorstoelen Driemaal op de knop drukken levert het laagste verwarmingsniveau op – op het display brandt één oranje lampje. Eenmaal op de knop drukken levert het maximale verwarmingsniveau op – alle drie de lampjes branden. De vierde maal dat u op de knop drukt wordt de verwarming uitgeschakeld – geen van de lampjes brandt.
04 Comfort en rijplezier Klimaatregeling Ventilatorknop voor ETC Draai aan de knop om de ventilatorsnelheid te verhogen of te verlagen. de gestiliseerde menselijke gedaante (zie onderstaande afbeelding) branden samen met een pijl vóór dit gedeelte om aan te geven welke luchtverdelingsstand er gekozen is. Voor meer informatie over de luchtverdeling, zie pagina 146. Als u een of meer handmatige functies selecteert, worden de overige functies nog steeds automatisch geregeld.
04 Comfort en rijplezier Klimaatregeling Temperatuurregeling Max. ontwaseming Met deze knop kunt u de temperatuur instellen. Bij ECC* is de temperatuur aan bestuurderszijde en die aan passagierszijde apart te in te stellen. Bij het starten van de motor wordt de laatst verrichte instelling hervat. N.B. Let erop dat de passagiersruimte niet sneller warm of koud wordt, wanneer u een hogere of lagere temperatuur kiest dan de gewenste.
04 Comfort en rijplezier Klimaatregeling van verontreinigingen in de buitenlucht meet, wordt de luchtinlaat afgesloten waarna de lucht in de passagiersruimte wordt gerecirculeerd. N.B. Wanneer u voor maximale ontwaseming kiest, wordt de recirculatie altijd uitgeschakeld. U kunt de functie activeren/deactiveren in het menusysteem MY CAR onder Instellingen Klimaatinstellingen Luchtkwaliteitssysteem. Voor een beschrijving van het menusysteem, zie pagina 133.
04 Comfort en rijplezier Klimaatregeling Luchtverdeling Toepassing Luchtverdeling Toepassing Luchtstroom naar de ruiten en uit de blaasmonden van het dashboard. om een comfortabel klimaat te verkrijgen bij warm en droog weer. Lucht naar de vloer. Er komt een bepaalde hoeveelheid lucht uit de blaasmonden in het dashboard en op de ruiten. om warme of koude lucht naar de vloer te sturen Luchtstroom op hoofden borsthoogte uit de blaasmonden in het dashboard.
04 Comfort en rijplezier Motor- en interieurverwarming op brandstof* Verwarming op brandstof Tanken Als de accu onvoldoende opgeladen is of als het brandstofpeil te laag is, wordt de standverwarming automatisch uitgeschakeld en er verschijnt een melding op het display. Bevestig deze melding door op de knop READ op de richtingaanwijzerhendel te drukken, zie pagina 149.
04 Comfort en rijplezier Motor- en interieurverwarming op brandstof* G025102 Display Betekenis Brandstofkachel AAN De verwarming is ingeschakeld en werkt. Timer ingesteld Brandstofkachel Verwarmingstimer geactiveerd bij uitnemen transpondersleutel en verlaten van de auto – motor en passagiersruimte warm op ingesteld tijdstip.
04 Comfort en rijplezier Motor- en interieurverwarming op brandstof* Meteen inschakelen/uitschakelen 1. Gebruik het duimwiel om naar Directe start Standverw. te gaan. 2. Druk op RESET om te kiezen uit AAN en UIT. AAN: De standverwarming is handmatig of via de timerfunctie ingeschakeld. UIT: De standverwarming is uitgeschakeld. 04 Bij directe start van de standverwarming zal deze 50 minuten lang geactiveerd blijven.
04 Comfort en rijplezier Extra verwarming* Algemene informatie over de extra verwarming Interieurverwarming* Als de extra verwarming wordt uitgebreid met een timerfunctie, kan deze dienstdoen als interieurverwarming op brandstof, zie pagina 148. In landen met een koud klimaat1 is wellicht een extra verwarming vereist om de motor op bedrijfstemperatuur te brengen en een behaaglijke temperatuur in de passagiersruimte te realiseren.
04 Comfort en rijplezier Boordcomputer Algemene informatie Functies N.B. Als er een waarschuwingsmelding verschijnt tijdens het gebruik van de boordcomputer, dient u deze melding eerst te bevestigen voordat u de boordcomputer weer kunt activeren. Bevestig de waarschuwingsmelding door te drukken op READ. Om de eenheid te wijzigen waarin de afstand en snelheid worden weergegeven – ga naar MY CAR, zie pagina 135. 04 Informatiedisplay en bedieningstoetsen.
04 Comfort en rijplezier Boordcomputer 2. Houd RESET ca. 1 seconde ingedrukt om de waarde voor de gekozen functie op nul te stellen. Als u RESET ten minste 3 seconden lang ingedrukt houdt, stelt u de gemiddelde snelheid en het gemiddelde brandstofverbruik gelijktijdig op nul. Actuele snelheid*1 Bij een snelheidsmeter met een kilometerschaal wordt de actuele snelheid weergegeven in km/h. Bij een snelheidsmeter met een milesschaal wordt de actuele snelheid weergegeven in mph. 1 04 Alleen bepaalde markten.
04 Comfort en rijplezier Stabiliteits- en tractieregelsysteem, DSTC Algemene informatie over DSTC Het stabiliteits- en tractieregelsysteem DSTC (Dynamic Stability and Traction Control) helpt de bestuurder voorkomen dat de wielen doorslippen en verbetert de tractie van de auto. Een van de gevolgen van ongewenste blokkering van de wielen is dat u de auto moeilijk onder controle kunt houden.
04 Comfort en rijplezier Stabiliteits- en tractieregelsysteem, DSTC Berichten op informatiedisplay DSTC Tijdelijk UIT geeft aan dat de functie van de regeling tijdelijk beperkt is wegens een te hoge temperatuur van de remschijven. • Een symbool dat na het starten van de motor of tijdens het rijden continu blijft branden, geeft aan dat de Sport-stand geactiveerd is. Het systeem wordt automatisch opnieuw ingeschakeld, wanneer de remmen weer voldoende zijn afgekoeld.
04 Comfort en rijplezier Rijeigenschappen aanpassen Actieve chassisregeling (Four-C)* Bediening Het actieve chassissysteem FOUR-C (Continously Controlled Chassis Concept) stemt de eigenschappen van de schokdempers af op de gewenste rijeigenschappen van de auto. U hebt de keuze uit drie standen: Comfort, Sport en Advanced. Voor een beschrijving van het menusysteem, zie pagina 134. Dit menu is niet te openen wanneer de auto rijdt.
04 Comfort en rijplezier Cruisecontrol* Bediening De cruisecontrol is vervolgens te activeren met of , waarna de actuele snelheid in het geheugen opgeslagen wordt – de melding (---) km/h op het display maakt plaats voor de gekozen snelheid, bijv. 100 km/h. N.B. Bij snelheden lager dan 30 km/h is het niet mogelijk de cruisecontrol in te schakelen. Snelheid wijzigen Toetsenset op stuurwiel en display. Cruisecontrol – Aan/Uit. De stand-bystand wordt beëindigd en de ingestelde snelheid wordt hervat.
04 Comfort en rijplezier Cruisecontrol* N.B. Wanneer u de ingestelde snelheid hebt hervat met kan er een duidelijke snelheidsverhoging optreden. Uitschakelen 04 158 De cruisecontrol wordt uitgeschakeld bij of bij het afzetten gebruik van de stuurtoets van de motor – de ingestelde snelheid wordt uit het geheugen verwijderd en valt niet langer te hervatten met de toets . * Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
04 Comfort en rijplezier Cruisecontrol Algemene informatie over cruisecontrol Een cruisecontrol (Speed Limiter) is te beschouwen als een omgekeerde snelheidsbegrenzer – u regelt de snelheid met het gaspedaal, terwijl de cruisecontrol voorkomt dat u per ongeluk de vooraf gekozen/ingestelde snelheid overschrijdt. Bediening Activeren en maximumsnelheid aanpassen (iedere keer indrukken komt overeen met +/– 5 km/h).
04 Comfort en rijplezier Cruisecontrol > De opgeslagen maximumsnelheid staat tussen haakjes (5) op het display en het is mogelijk de ingestelde maximumsnelheid tijdelijk te overschrijden. De cruisecontrol wordt automatisch opnieuw geactiveerd nadat u het gaspedaal hebt losgelaten en de auto is afgeremd tot een snelheid onder de gekozen/opgeslagen maximumsnelheid – de haakjes op het display verdwijnen waarna de maximumsnelheid van de auto opnieuw van kracht is.
04 Comfort en rijplezier Adaptieve cruisecontrol* Algemene informatie over ACC WAARSCHUWING De adaptieve cruisecontrol (ACC – Adaptive Cruise Control) helpt u om een veilige afstand tot voorliggers te houden. Het systeem biedt u een comfortabeler rijervaring op lange ritten op snelwegen en lange, rechte hoofdwegen met een gelijkmatige verkeersstroom.
04 Comfort en rijplezier Adaptieve cruisecontrol* WAARSCHUWING De adaptieve cruisecontrol is geen systeem dat botsingen voorkomt. Grijp zelf in zodra u merkt dat het systeem een voorligger niet registreert. De adaptieve cruisecontrol reageert niet op voetgangers of dieren noch op kleinere voertuigen, zoals fietsen of motorfietsen e.d. Tegenliggers, langzaam rijdende en stilstaande voertuigen of vaste obstakels worden eveneens genegeerd.
04 Comfort en rijplezier Adaptieve cruisecontrol* WAARSCHUWING Bediening Volgtijd – Aan, tijdens aanpassing. Volgtijd – Aan, ná aanpassing. De adaptieve cruisecontrol waarschuwt alleen voor de voertuigen die de radarsensor heeft geregistreerd. Het is dan ook mogelijk dat een waarschuwing uitblijft of pas na enige vertraging wordt gegeven. Wacht een waarschuwing dan ook niet af, maar rem zelf wanneer u dat nodig acht.
04 Comfort en rijplezier Adaptieve cruisecontrol* De cruisecontrol is vervolgens te activeren met of , waarna de actuele snelheid in het geheugen opgeslagen wordt – de melding (---) op het display maakt plaats voor de gekozen snelheid, bijv. 100 zonder haakjes. Wanneer het symbool verandert in , heeft de radarsensor een voertuig geregistreerd. 04 Alleen wanneer het symbool (met auto) brandt, regelt de cruisecontrol de afstand tot voorliggers.
04 Comfort en rijplezier Adaptieve cruisecontrol* Tijdelijk deactiveren – stand-bystand Druk op de stuurtoets om de cruisecontrol tijdelijk uit te schakelen en stand-by te zetten – de ingestelde snelheid verschijnt tussen haakjes op het display, bijv. (100). Toetsenset zonder cruisecontrol Druk op de stuurtoets om de cruisecontrol tijdelijk uit te schakelen en stand-by te zetten.
04 Comfort en rijplezier Adaptieve cruisecontrol* ACC en automatische versnellingsbak* Bij auto’s met een automatische versnellingsbak heeft de adaptieve cruisecontrol meer functies dan bij auto’s met een handgeschakelde versnellingsbak. 04 Let erop dat 30 km/h de minimumsnelheid is waarop de cruisecontrol kan worden ingesteld – ook al kan de cruisecontrol een voorligger volgen tot aan stilstand, is het niet mogelijk een lagere snelheid te kiezen.
04 Comfort en rijplezier Adaptieve cruisecontrol* WAARSCHUWING Wanneer de cruisecontrol een rijdende voorligger volgt bij snelheden boven 30 km/h, van doelvoertuig verandert en vervolgens een stilstaand voertuig volgt, zal de cruisecontrol het stilstaande voertuig negeren en de opgeslagen snelheid aanhouden. • U dient dan zelf in te grijpen en te remmen.
04 Comfort en rijplezier Adaptieve cruisecontrol* WAARSCHUWING De adaptieve cruisecontrol is geen systeem dat botsingen voorkomt. Grijp zelf in zodra u merkt dat het systeem een voorligger niet registreert. 04 De adaptieve cruisecontrol reageert niet op voetgangers of dieren noch op kleinere voertuigen, zoals fietsen of motorfietsen e.d. Tegenliggers, langzaam rijdende en stilstaande voertuigen of vaste obstakels worden eveneens genegeerd.
04 Comfort en rijplezier Adaptieve cruisecontrol* Oorzaak Maatregel Het radaroppervlak van de grille is vuil of bedekt met sneeuw of ijs. Ontdoe het radaroppervlak van de grille van vuil, sneeuw en ijs. De radarsignalen worden gehinderd door hevige regen- of sneeuwval. Valt niets aan te doen. Bij hevige neerslag werkt de radar soms niet. De radarsignalen worden gehinderd door opspattend water en opdwarrelende sneeuw van het wegdek. Valt niets aan te doen.
04 Comfort en rijplezier Adaptieve cruisecontrol* Symbool Melding Betekenis ACC niet beschikbaar De adaptieve cruisecontrol kan niet worden ingeschakeld. Dit kan onder meer gebeuren wanneer: • de remmen een hoge temperatuur hebben • de radarsensor wordt gehinderd door natte sneeuw of regen. Radar afgedekt Zie instructieb. De adaptieve cruisecontrol werkt tijdelijk niet. • De radarsensor kan geen andere voertuigen registreren.
04 Comfort en rijplezier Afstandscontrole* Algemene informatie De afstandscontrole (Distance Alert) is een functie die u inlicht over de volgtijd ten opzichte van de voorligger. De afstandscontrole is actief bij snelheden hoger dan 30 km/h en reageert uitsluitend op voorliggers die in dezelfde richting als u rijden. Voor voertuigen die langzaam in tegengestelde richting rijden of stilstaan wordt geen afstandsinformatie gegeven. N.B.
04 Comfort en rijplezier Afstandscontrole* U kunt verschillende volgtijden ten opzichte van voorliggers kiezen en deze worden op het display als 1–5 horizontale streepjes weergegeven – hoe meer streepjes, des te langer de volgtijd. Eén streepje komt overeen met ca. 1 seconde ten opzichte van de voorligger en 5 streepjes met ca. 2,5 seconden. 04 N.B. Hoe hoger de snelheid, hoe langer de volgafstand in meters voor een bepaalde volgtijd.
04 Comfort en rijplezier Afstandscontrole* Symbool Melding Betekenis Radar afgedekt. De afstandscontrole werkt tijdelijk niet. Zie instructieb. De radarsensor kan geen andere voertuigen registreren wanneer deze wordt gehinderd door bijvoorbeeld hevige regenval of als sneeuwmodder of andere verontreinigingen de radarsensor afdekken. Voor meer informatie over de beperkingen van de radarsensor, zie pagina 167.
04 Comfort en rijplezier City Safety™ Algemene informatie City Safety™ is een hulpmiddel om u te helpen een botsing te voorkomen tijdens filerijden e.d., waarbij plotselinge wijzigingen in het verkeer vóór u gekoppeld aan onoplettendheid tot bijna-ongelukken kunnen leiden. 04 De functie die actief is bij snelheid tot 30 km/h helpt u door automatisch te remmen, wanneer het gevaar voor een botsing met een voorligger reëel is en u zelf niet snel genoeg remt en/of uitwijkt.
04 Comfort en rijplezier City Safety™ Bij een snelheidsverschil van 15–30 km/h tussen de beide voertuigen kan City Safety™ een botsing niet geheel op eigen kracht voorkomen – voor het maximale remvermogen dient u zelf het rempedaal te bedienen. In dat geval is het ook bij snelheidsverschillen groter dan 15 km/h mogelijk een botsing te voorkomen. Wanneer het systeem ingrijpt en remt, verschijnt op het display van het instrumentenpaneel de melding dat het systeem actief is/was. N.B.
04 Comfort en rijplezier City Safety™ City Safety™ wordt niet geactiveerd op lage snelheden (onder 4 km/h), wat betekent dat het systeem niet ingrijpt in situaties waarbij u een voorligger uiterst langzaam nadert zoals tijdens het parkeren. De commando’s die u zelf geeft hebben altijd voorrang, wat betekent dat City Safety™ niet ingrijpt in situaties waarbij u duidelijke commando’s geeft via stuurwiel, rem- of gaspedaal, zelfs al is een botsing onvermijdelijk.
04 Comfort en rijplezier City Safety™ BELANGRIJK Als het voorruitoppervlak vóór een van beide “ogen” barsten, krassen of steenslagschade vertoont van 0,5 × 3,0 mm (of groter), neem dan contact op met een erkende werkplaats om de voorruit te laten repareren of vervangen (zie de afbeelding met de positie van de sensor op pagina 174) – geadviseerd wordt een erkende Volvo-werkplaats. Als u niets doet, presteert City Safety™ mogelijk minder goed.
04 Comfort en rijplezier City Safety™ Symbool Melding Betekenis/Maatregel Autom. remmen door City Safety City Safety™ remt op dit moment of remde eerder automatisch. Voorruitsensoren afgedekt De lasersensor werkt tijdelijk niet doordat deze door iets gehinderd wordt. • Verwijder het voorwerp dat de sensoren hindert en/of maak het voorruitoppervlak vóór de sensoren schoon. 04 Voor meer informatie over de beperkingen van de lasersensoren, zie pagina 175.
04 Comfort en rijplezier Collision Warning with Auto Brake* Algemene informatie Het CWAB met voetgangersdetectie (Collision Warning with Full Auto Brake and Pedestrian Detection) is een hulpmiddel dat bestemd is om u te waarschuwen wanneer het gevaar bestaat dat u op een voetganger of een (stilstaande of rijdende) voorligger botst. Collision Warning kent drie hulpfuncties. Collision Warning en City Safety™ vullen elkaar aan. Voor meer informatie over City Safety™, zie pagina 174.
04 Comfort en rijplezier Collision Warning with Auto Brake* Brake Support Bediening Als het gevaar voor een botsing na de Collision Warning verder toeneemt, treedt de Brake Support in werking. De Brake Support treft de nodige voorbereidingen voor een snelle remmanoeuvre waarna de remmen licht worden aangezet. Dit is te merken aan een lichte schok. Via een menusysteem van MY CAR op het beeldscherm van de middenconsole zijn eventuele instellingen te verrichten.
04 Comfort en rijplezier Collision Warning with Auto Brake* Maak alleen in uitzonderingsgevallen zoals bij dynamisch rijden gebruik van de waarschuwingsafstand Kort. N.B. Bij gebruik van de adaptieve cruisecontrol worden het waarschuwingslampje en de waarschuwingszoemer door de cruisecontrol gehanteerd, ook al hebt u de Collision Warning gedeactiveerd. De Collision Warning waarschuwt u bij gevaar voor een botsing, maar de functie is niet in staat uw reactietijd te verkorten.
04 Comfort en rijplezier Collision Warning with Auto Brake* WAARSCHUWING Als de radar- of camerasensor op grond van de verkeerssituatie of anderszins problemen heeft voetgangers of voorliggers te ontdekken, is het mogelijk dat het systeem pas laat, onterecht of helemaal geen waarschuwing geeft en remt. 04 De sensoren hebben een beperkt bereik voor voetgangers wat inhoudt dat het systeem efficiënt waarschuwt en remingrepen verricht bij rijsnelheden tot 50 km/h.
04 Comfort en rijplezier Collision Warning with Auto Brake* Voetgangers • Een voetganger is alleen te ontdekken wanneer deze helemaal zichtbaar is en een lengte heeft van minimaal 80 cm. • Het systeem kan geen voetgangers ontdekken die grote voorwerpen dragen. • Bij zonsondergang en -ondergang kan de camerasensor voetgangers minder goed registreren – vergelijkbaar met het menselijke oog.
04 Comfort en rijplezier Collision Warning with Auto Brake* Oorzaak Maatregel Oorzaak Maatregel Oorzaak Maatregel Het voorruitoppervlak vóór de camera is schoongemaakt, Wacht even. Het kan enige minuten duren voordat de camera maar de melding blijft. het zicht opnieuw heeft gemeten. Er is vuil tussen de binnenkant van de voorruit en de camera gekomen.
04 Comfort en rijplezier Collision Warning with Auto Brake* Symbool Melding Betekenis Voorruitsensoren afgedekt De camerasensor werkt tijdelijk niet. Verschijnt bijvoorbeeld bij sneeuw, ijs of vuil op de voorruit. • Maak het voorruitoppervlak vóór de camerasensor schoon. Voor meer informatie over de beperkingen van de camerasensor, zie pagina 182. Radar afgedekt Zie instructieb. Collision Warning with Auto Brake werkt tijdelijk niet. De radarsensor kan geen andere voertuigen registreren.
04 Comfort en rijplezier Driver Alert System – DAC* Algemene informatie over Driver Alert System Driver Alert System is bestemd om u te helpen als de auto op een ongecontroleerde manier wordt bestuurd of op het punt staat de rijstrookmarkering te overschrijden.
04 Comfort en rijplezier Driver Alert System – DAC* Beperkingen Soms kan het systeem ten onrechte waarschuwen voor ongecontroleerde stuurbewegingen. Dit kan bijvoorbeeld gebeuren bij: • gebruik van de functie LDW. • zijdelingse rukwinden. • spoorvorming in het wegdek. Duimwiel. Draai eraan totdat Driver Alert op het display verschijnt. Op de tweede regel staan de opties Uit, Standby <65 km/h, Niet beschikbaar of Niveaumarkering. READ bevestigt en wist een opgeslagen waarschuwing.
04 Comfort en rijplezier Driver Alert System – DAC* Symbolen en meldingen op display Symbool 04 Melding Betekenis Driver Alert UIT De functie is niet ingeschakeld. Driver Alert stand-by <65km/h De functie is stand-by gezet omdat de rijsnelheid onder 65 km/h ligt. Driver Alert niet beschikbaar De weg is niet voorzien van duidelijke markeringsstrepen of de camerasensor werkt tijdelijk niet. Voor meer informatie over de beperkingen van de camerasensor, zie pagina 182.
04 Comfort en rijplezier Driver Alert System – (LDW)* Algemene informatie over Lane Departure Warning (LDW) Bediening en functie Als de camera de rijstrookmarkeringen op het wegdek niet langer registreert verschijnt op het display de melding Lane Depart Warn niet beschikbaar. Als de rijsnelheid tot onder de 60 km/h daalt, neemt de functie de stand-bystand weer in en verschijnt op het display de melding Lane Depart Warn stand-by <65 km/h.
04 Comfort en rijplezier Driver Alert System – (LDW)* N.B. Iedere keer dat de wielen een markeringsstreep passeren wordt er slechts eenmaal gewaarschuwd. Er wordt dan ook niet meer gewaarschuwd, wanneer u met één wiel aan weerszijden zijden van de rijstrookmarkering blijft rijden. Symbolen en meldingen op display 04 Symbool Melding Betekenis Lane departure warning AAN/UIT De functie is ingeschakeld/uitgeschakeld. Verschijnt bij inschakeling/uitschakeling.
04 Comfort en rijplezier Driver Alert System – (LDW)* Symbool Melding Betekenis Voorruitsensoren afgedekt De camerasensor werkt tijdelijk niet. Verschijnt bijvoorbeeld bij sneeuw, ijs of vuil op de voorruit. • Maak het voorruitoppervlak vóór de camerasensor schoon. Voor meer informatie over de beperkingen van de camerasensor, zie pagina 182. Driver Alert Sys Service vereist Het systeem is defect. • Bezoek een werkplaats als de melding niet verdwijnt – geadviseerd wordt een erkende Volvowerkplaats.
04 Comfort en rijplezier Park Assist* Algemene informatie Functie Park Assist is bedoeld als hulpmiddel tijdens het parkeren. Geluidssignalen en symbolen op het beeldscherm van de middenconsole geven de afstand aan tot een waargenomen obstakel. Park Assist is verkrijgbaar in twee varianten: • Park Assist aan de achterzijde • Park Assist aan de voor- en achterzijde. WAARSCHUWING 04 • Hoewel de Park Assist handig is bij het parkeren, bent u nog altijd schadeplichtig bij eventuele fouten.
04 Comfort en rijplezier Park Assist* Bij een afstand tot 30 cm bestaat het geluidssignaal uit een ononderbroken toon en is de sensorsector die het dichtst bij de auto ligt geheel gevuld. Als er zowel voor als achter de auto obstakels binnen deze afstand zijn waargenomen, komen de geluidssignalen beurtelings uit de luidsprekers aan linker- en rechterzijde.
04 Comfort en rijplezier Park Assist* BELANGRIJK In bepaalde omstandigheden kan de parkeerhulp ten onrechte waarschuwingssignalen afgeven. Dit komt door externe geluidsbronnen met ultrasone geluidssignalen van dezelfde frequentie als de sensoren van het systeem. 04 Voorbeelden van dergelijke geluidsbronnen zijn onder meer claxons, natte banden op asfaltwegen, luchtdrukremmen en uitlaten van motorfietsen e.d. Positie van de achterste sensoren.
04 Comfort en rijplezier Park Assist-camera* Algemene informatie automatisch over om de cameraweergave te tonen. De Park Assist-camera is een hulpsysteem dat automatisch geactiveerd wordt bij het inschakelen van de achteruitversnelling (de functie is te wijzigen in het instellingenmenu, zie pagina 133). De camera is ook te activeren door CAM kort in te drukken. De cameraweergave verschijnt op het beeldscherm van de middenconsole.
04 Comfort en rijplezier Park Assist-camera* Hulplijnen 04 Camerapositie bij de openingshandgreep. Lichtomstandigheden De cameraweergave wordt automatisch aangepast aan de heersende lichtomstandigheden. Dit kan ertoe leiden dat de beeldweergave ietwat kan variëren wat lichtsterkte en kwaliteit betreft. Slechte lichtomstandigheden leveren mogelijk een iets slechtere beeldkwaliteit op. N.B. Houd voor optimale werking de cameralenzen vrij van vuil, sneeuw en ijs.
04 Comfort en rijplezier Park Assist-camera* Grenslijnen per reiken zolang er geen obstakel in de weg staat. Zoomen De camera leent zich bij uitstek voor het aankoppelen van een aanhanger. Voor nauwkeurig manoeuvreren is inzoomen op de trekhaak mogelijk door te drukken op CAM. Nogmaals drukken levert de normaalweergave op. Auto’s uitgerust met Park Assistsensoren* Instellingen Druk op OK/MENU wanneer een cameraweergave getoond wordt. Voer de gewenste instellingen uit.
04 Comfort en rijplezier Park Assist-camera* CAM wordt de camera weer geactiveerd. De standaardinstelling is dat de camera wordt geactiveerd bij het inschakelen van de achteruitversnelling. Beperkingen N.B. 04 Fietsdragers of andere accessoires achter op de auto kunnen het blikveld van de camera blokkeren. Ook als de geblokkeerde gebied er op het scherm relatief klein uitziet, kan het werkelijke verborgen gebied dusdanig groot zijn dat obstakels pas worden geregistreerd wanneer u er bijna bovenop zit.
04 Comfort en rijplezier BLIS* – Blind Spot Information System Algemene informatie over BLIS WAARSCHUWING G021426 Het systeem vormt een aanvulling op – geen vervanging voor – een veilige rijstijl en het gebruik van de buitenspiegels. De bestuurder moet altijd oplettend en verantwoord blijven rijden. De bestuurder is er altijd verantwoordelijk voor dat er op een veilige manier van rijstrook wordt gewisseld.
04 Comfort en rijplezier BLIS* – Blind Spot Information System Activeren/deactiveren Bij het heractiveren van BLIS brandt het lampje in de knop, verschijnt er een nieuwe displaymelding en lichten de controlelampjes in de portieren driemaal op. Druk op de knop READ om de displaymelding te laten verdwijnen. (Voor een beschrijving van de meldingsfuncties, zie pagina 130.) 04 Knop voor activering/deactivering. BLIS wordt bij het starten van de motor automatisch geactiveerd.
04 Comfort en rijplezier BLIS* – Blind Spot Information System WAARSCHUWING Het systeem reageert niet op fietsers en bromfietsers. De BLIS-camera’s kennen ongeveer dezelfde beperkingen als het menselijk oog. Dit houdt in dat ze bijvoorbeeld minder goed “zien” bij hevige sneeuwval, fel tegenlicht of dichte mist. Schoonmaken BLIS werkt alleen optimaal, als de lenzen van de BLIS-camera’s schoon zijn. U kunt de lenzen schoonmaken met een zachte doek of een vochtige spons.
04 Comfort en rijplezier BLIS* – Blind Spot Information System Beperkingen Soms kan het controlelampje voor BLIS oplichten zonder dat u voertuigen in de dode hoeken kunt waarnemen. N.B. Als het controlelampje voor BLIS soms oplicht zonder dat u andere voertuigen in de dode hoeken kunt waarnemen, betekent dit niet dat het systeem een storing vertoont. 04 Bij een storing in het BLIS-systeem verschijnt op het display de melding BLIS Service vereist.
04 Comfort en rijplezier Interieurcomfort Opbergmogelijkheden 04 `` 203
04 Comfort en rijplezier Interieurcomfort Opbergvak in portierpaneel Middenconsole Dashboardkastje Opbergzak* aan de voorkant van de voorstoelzittingen Parkeerkaarthouder Dashboardkastje Opbergvak Kledinghaak 04 Opbergvakken, bekerhouder Bekerhouder* in armsteun, achterbank Opbergvak Kledinghaak De kledinghaak is alleen bestemd voor niet al te zware kledingsstukken. WAARSCHUWING Bewaar losse voorwerpen, zoals mobiele telefoon, camera, afstandsbediening voor extra uitrusting e.d.
04 Comfort en rijplezier Interieurcomfort Make-upspiegel WAARSCHUWING Laat de plug altijd in de aansluiting zitten als u deze niet gebruikt. Elektrische aansluiting in kofferbak* Voor meer informatie, zie pagina 272. G021438 04 Make-upspiegel met verlichting. 12V-aansluiting U kunt de elektrische aansluiting voor verschillende accessoires gebruiken die op een spanning van 12 V werken, zoals een mobiele telefoon of koelbox.
Algemene informatie over infotainment................................................ Beknopte bedieningsinstructies............................................................ Algemene infotainmentfuncties............................................................. Radio..................................................................................................... Mediaspeler..........................................................................................
INFOTAINMENT
05 Infotainment Algemene informatie over infotainment Algemene informatie Het infotainmentsysteem in uw auto is verkrijgbaar in vier uitvoeringen: Performance • • • • • • • 05 5"-kleurenscherm (TFT) Toetsenset* op stuurwiel zonder duimwiel AM/FM-radio Cd AUX-ingang 6 luidsprekers 4x20W-versterker High Performance • • • • • • • • 5"-kleurenscherm (TFT) Toetsenset* op stuurwiel met duimwiel AM/FM-radio AUX- en USB-ingang (voor iPod bijv.
05 Infotainment Algemene informatie over infotainment Wanneer de transpondersleutel niet in het contactslot steekt, is het infotainment 15 minuten achtereen te gebruiken door op de knop Aan/ Uit te drukken. Bij het starten van de motor wordt het infotainmentsysteem tijdelijk uitgeschakeld en weer ingeschakeld wanneer de motor is aangeslagen. N.B. Haal de transpondersleutel uit het contactslot als u het infotainmentsysteem gebruikt terwijl de motor afgezet is.
05 Infotainment Beknopte bedieningsinstructies Overzicht infotainment Installatie bedienen of de opties op het display (bijv. FM1, Disk) doorbladeren. Brontoetsen AUX- en USB1-ingangen voor externe geluidsbronnen (bijv. iPod) 05 Toetsenset* op stuurwiel Informatiedisplay. Het display is verkrijgbaar in twee maten: 5" (Performance en High Performance) en 7" (High Performance Multimedia en Premium Sound Multimedia). In dit boekje wordt het display van 7" getoond.
05 Infotainment Beknopte bedieningsinstructies Basisfuncties infotainment Met TUNE kunt u versneld tracks/mappen, radio. en tv*-zenders, telefooncontacten* of de opties op het display doorbladeren. • Normaalweergave - normale stand voor de OK/MENU – Menu-opties accepteren. Submenu’s openen voor de gekozen bron (bijv. RADIO of MEDIA). TUNE om bijv. van track, radiozender e.d. te veranderen.
05 Infotainment Beknopte bedieningsinstructies Moederweergave wiel en druk op het duimwiel om uw keuze te bevestigen. • Draai aan het duimwiel totdat een van de opties (2) op het display verschijnt (bijv. FM1) en druk op het duimwiel om uw keuze te bevestigen. U belandt zo bij de gewenste bron (bijv. RADIO/FM1). Wanneer u EXIT lang indrukt, keert u terug. NAV - Navigatie* Voorbeeld van snelweergave (radio). Voorbeeld van moederweergave (radio). 05 Voorbeeld van menuweergave (Bluetooth-handsfree).
05 Infotainment Beknopte bedieningsinstructies Toetsenset* op stuurwiel Toetsenset op stuurwiel met duimwiel De toetsenset is verkrijgbaar in verschillende uitvoeringen afhankelijk van de extra’s en het uitrustingsniveau van de auto. bij gebruik van MENU) openen, een optie in het menusysteem bevestigen (OK) of een telefoongesprek aannemen.
05 Infotainment Beknopte bedieningsinstructies ingevoerde tekens wissen. Lang indrukken om naar het hoogste menuniveau (de moederweergave) te gaan, zie pagina 212. Duimwiel – Omhoog- of omlaagdraaien om omhoog of omlaag te bewegen in het menusysteem. Bij het indrukken van het duimwiel kunt u het actuele menu (net als bij gebruik van MENU) openen, een optie in het menusysteem bevestigen (OK) of een telefoongesprek aannemen.
05 Infotainment Algemene infotainmentfuncties FAV - favoriet opslaan • • • • iPod* INFO - aanvullende informatie tonen Bluetooth* AUX TV - instelling* U kunt tevens een favoriet kiezen en opslaan voor TEL*, MY CAR, CAM* en NAV*. Favorieten zijn eveneens te kiezen en op te slaan onder MY CAR. Voor meer informatie over het menusysteem MY CAR, zie pagina 133. Om een functie onder de toets FAV op te slaan: 1. Kies een infotainmentbron (RADIO, MEDIA etc.).
05 Infotainment Algemene infotainmentfuncties Druk opnieuw meerdere malen op SOUND of OK/MENU om de overige alternatieven te bereiken: • Surround1 – Is Aan/Uit te zetten. Wanneer u voor Aan hebt gekozen, hanteert het systeem de instelling voor optimale geluidsweergave. Normaal is dat DPLII en in dat op het display. Als geval verschijnt de opname werd gemaakt met Dolby Digital-techniek, vindt de weergave plaats met op het deze instelling en verschijnt display.
05 Infotainment Algemene infotainmentfuncties 1. Druk op de toets MEDIA, draai aan TUNE totdat u AUX bereikt en wacht enkele seconden voordat u op OK/MENU drukt. mogelijkheid te bieden de geluidsweergave naar wens af te stellen. 2. Draai aan TUNE om het volume voor de AUX-ingang in te stellen. N.B. Als het volume van de externe geluidsbron te hoog of te laag staat, kan de geluidskwaliteit achteruitgaan.
05 Infotainment Radio Radiofuncties, algemeen N.B. Als de auto is uitgerust met een toetsenset* op het stuurwiel en/of een afstandsbediening*, kunt u deze meestal gebruiken in plaats van de toetsen op de middenconsole. Voor een beschrijving van de toetsenset op het stuurwiel, zie zie pagina 213. Voor een beschrijving van de afstandsbediening, zie pagina 241. Menufuncties 1. Kies de gewenste frequentieband (FM1 of FM2). Sneltoetsen (0–9) Radio AM/FM 3.
05 Infotainment Radio N.B. • De lijst vermeldt alleen de frequenties van de zenders waarop u hebt afgestemd en vormt dan ook geen complete lijst met alle beschikbare radiofrequenties op de frequentieband van uw keuze. • Als de zender waarop u hebt afgestemd een zwak signaal heeft, kan de radio de zenderlijst mogelijk niet bijwerken. Druk (terwijl de in dat geval op de toets zenderlijst op het display staat) om over te schakelen op handmatig zoeken en zelf een frequentie in te stellen.
05 Infotainment Radio 1. Stem af op een zender (zie “Zenders zoeken” hierboven). 2. Houd een van de sneltoetsen enkele seconden ingedrukt. Het geluid verdwijnt zolang maar keert terug wanneer de zender opgeslagen is. De sneltoets is vervolgens te gebruiken. U kunt een lijst met voorkeurzenders tonen2 op het display. De functie is te activeren/deactiveren in stand FM/AM onder FM-menu Presets tonen of AM-menu Presets weergeven.
05 Infotainment Radio Verkeersinformatie, TP Bij activering van deze functie wordt de weergave van de actieve geluidsbron onderbroken voor een uitzending met verkeersinformatie via het RDS-netwerk van de zender waarop is afgestemd. Het symbool TP geeft aan dat de functie actief is. Als de zender waarop u hebt afgestemd verkeersinformatie kan doorgeven, wordt dat aangegeven met een fel verlicht TP op het display. TP is anders grijs van kleur.
05 Infotainment Radio Er verschijnt een indicatie op het display wanneer PTY geactiveerd is. U deactiveert de PTY-functie in stand FM onder FM-menu Geavanceerde instellingen PTY-instellingen Verkeersinfo van andere zenders ontvangen. De gekozen programmatypes (PTY) worden niet gereset. Resetten en verwijderen van PTY is mogelijk onder FM-menu Geavanceerde instellingen PTY-instellingen PTY kiezen Alles wissen.
05 Infotainment Radio Digitale radio (DAB)* Algemene informatie DAB (Digital Audio Broadcasting) is een systeem voor digitale overdracht van radiosignalen. N.B. Dit systeem biedt geen ondersteuning voor DAB+. Service en Ensemble • Voor onderhoud - Kanaal, radiokanaal (het systeem biedt alleen ondersteuning voor geluidsdiensten). • Ensemble - Een groep radiokanalen die op dezelfde frequentie zenden.
05 Infotainment Radio kanalen die programma’s van het gekozen type uitzenden. U kiest een programmatype in stand DAB onder DAB-menu PTY-filter . U verlaat deze stand met EXIT. Er verschijnt een indicatie op het display wanneer PTY geactiveerd is. Bij gebruik van DAB-links tussen kanalen (zie onder) is het mogelijk dat de DAB-radio de PTY-stand verlaten. 05 N.B. De DAB-functie van het audiosysteem biedt geen ondersteuning voor alle mogelijkheden van de DAB-standaard.
05 Infotainment Radio De gekozen frequentieband is niet van invloed op de opgeslagen voorkeuren. De frequentieband is in stand DAB te deactiveren/activeren onder DAB-menu Geavanceerde instellingen DAB-band. Subkanaal Secundaire componenten worden vaak aangeduid als subkanalen. Dergelijke componenten zijn van tijdelijke aard en kunnen bijvoorbeeld uit vertalingen van het hoofdprogramma bestaan. Als er een of meer subkanalen bestaan verschijnt het symbool > rechts van de kanaalnaam op het display.
05 Infotainment Mediaspeler CD/DVD1-functies De mediaspeler ondersteunt de volgende soorten schijven en bestanden en kan deze met andere woorden afspelen: • Voorbespeelde cd-schijven (CD Audio). • Zelfgebrande cd’s met audio- en/of videobestanden1. • Voorbespeelde video-dvd’s1. • Zelfgebrande dvd’s1 met audio- en/of videobestanden. Voor meer informatie over de ondersteunde formaten, zie pagina 230. Bedieningspaneel op middenconsole.
05 Infotainment Mediaspeler Afspelen en navigeren Audio-cd’s Draai aan TUNE om de speellijst van de disc te bekijken en door de lijst te navigeren. Met OK/ MENU bevestigt u een trackkeuze en start u de weergave. Met EXIT kunt u annuleren en de speellijst verlaten. Om van disctrack te wisselen kunt u ook druk/ op de middenconsole of op ken op de toetsenset* op het stuurwiel.
05 Infotainment Mediaspeler voor iedere track verschijnen de tracktitel, de uitvoerende artiest en het album. Als de cd geen treffer in de database oplevert, wordt de cd-tekst op de cd zelf gebruikt. Scannen4 Bij activering van deze functie worden van alle disctracks/audiobestanden de eerste tien seconden weergegeven. Om te scannen: 1. Druk op OK/MENU 2. Draai aan TUNE totdat Scan verschijnt > Van alle tracks of muziekbestanden worden de eerste 10 seconden weergegeven. 05 3.
05 Infotainment Mediaspeler Navigeren in eigen menu video-dvd uw keuze te activeren en terug te keren naar de uitgangspositie. Met EXIT kunt u annuleren en terugkeren naar de uitgangspositie (zonder een keuze te maken). Geavanceerde instellingen6 Automatisch afspelen Met de bedieningselementen op de middenconsole kunt u navigeren in het eigen menu van de video-dvd.
05 Infotainment Mediaspeler Compatibele formaten De mediaspeler kan tal van bestandstypen afspelen en is compatibel met de formaten in de volgende tabel. N.B. Dubbelzijdige schijven van het zogeheten dual format-type (DVD Plus, CD-DVD) zijn dikker dan normale cd’s. Het is dan ook niet zeker of dergelijke schijven kunnen worden afgespeeld en storingen zijn mogelijk. Als een cd een mix van mp3- en CD-DAbestanden bevat, worden alle mp3-tracks genegeerd.
05 Infotainment Externe geluidsbron via AUX/USB*-ingang AUX, USB1 en externe geluidsbron Algemene informatie Aansluitingspunten voor externe geluidsbronnen. Via een van de aansluitingen in de middenconsole is het mogelijk een externe geluidsbron (zoals een iPod of mp3-speler) aan te sluiten op het audiosysteem. Een op de USB-ingang aangesloten geluidsbron is vervolgens te bedienen2 via de geluidsregeling van de auto.
05 Infotainment Externe geluidsbron via AUX/USB*-ingang menufuncties en menusystemen, zie pagina 256. Afspelen en navigeren3 Draai aan TUNE om de speellijst/mapstructuur te openen en door de lijst/structuur te navigeren. Met OK/MENU bevestigt u de gekozen submap of start u de weergave van het gekozen audio-/videobestand. Met EXIT kunt u annuleren en de speellijst verlaten of een stap omhoog (terug) zetten in de mapstructuur.
05 Infotainment Externe geluidsbron via AUX/USB*-ingang den door het Infotainmentsysteem. Om een dergelijke mp3-speler te kunnen gebruiken binnen het systeem, dient de speler in de stand USB Removable device/Mass Storage Device te staan. iPod A Audioformaten mp3, wma, aac, m4a VideoformatenA divx, avi, asf Geldt alleen voor High Performance Multimedia en Premium Sound Multimedia. Een iPod wordt middels de aansluitkabel bijgeladen en gevoed door de USB-aansluiting*. N.B.
05 Infotainment Media Bluetooth* Streaming audio Algemene informatie De mediaspeler in de auto is uitgerust met Bluetooth1 en kan draadloos “streaming audio”-bestanden afspelen op externe eenheden met Bluetooth zoals mobiele telefoons en laptops. Navigatie en regeling van het geluid zijn in dat geval te verrichten via de toetsen op de middenconsole of via de toetsenset* op het stuurwiel. Bij sommige externe eenheden kunt u ook op de eenheid zelf van track wisselen.
05 Infotainment Media Bluetooth* N.B. Als de auto is uitgerust met een toetsenset* op het stuurwiel en/of een afstandsbediening*, kunt u deze meestal gebruiken in plaats van de toetsen op de middenconsole. Voor een beschrijving van de toetsenset op het stuurwiel, zie zie pagina 213. Voor een beschrijving van de afstandsbediening, zie pagina 241. Menufuncties U regelt de menufuncties van MEDIA vanaf de middenconsole of via de toetsenset* op het stuurwiel.
05 Infotainment Media Bluetooth* > Na enige tijd verschijnt de naam van de externe eenheid op het display. Als er meerdere externe eenheden gekoppeld zijn, verschijnen ook deze. 5. Kies de aan te sluiten eenheid door te draaien aan TUNE en bevestig uw keuze met OK/MENU. > De externe eenheid wordt vervolgens aangesloten. Om van audiobestand te wisselen kunt u ook / op de middenconsole of drukken op op de toetsenset* op het stuurwiel. Aangesloten eenheid verwijderen 05 1.
05 Infotainment TV - instelling* TV - instelling* Algemene informatie N.B. Dit systeem ondersteunt alleen tv-signalen in die landen die in mpeg2-formaat uitzenden volgens de DVB-T-standaard. Het systeem biedt geen ondersteuning voor tv-signalen in mpeg-4-formaat of analoge tv-signalen. N.B. Tv-weergave is uitsluitend mogelijk wanneer de auto stilstaat. Wanneer de auto sneller rijdt dan ca. 6 km/h, verschijnt er geen beeld en staat Geen visuele media tijdens het rijden op het display.
05 Infotainment TV - instelling* N.B. Als de auto is uitgerust met een toetsenset* op het stuurwiel en/of een afstandsbediening*, kunt u deze meestal gebruiken in plaats van de toetsen op de middenconsole. Voor een beschrijving van de toetsenset op het stuurwiel, zie zie pagina 213. Voor een beschrijving van de afstandsbediening, zie pagina 241. Menufuncties 05 U regelt de menufuncties van MEDIA vanaf de middenconsole of via de toetsenset* op het stuurwiel.
05 Infotainment TV - instelling* > Er verschijnt een lijst met al de beschikbare landen. 5. Draai aan TUNE totdat u het land van uw keuze (bijv. Zweden) bereikt en druk op OK/MENU. > Er wordt automatisch gezocht naar de beschikbare tv-kanalen. Deze zoekopdracht duurt even. Tijdens het zoeken wordt het beeld weergegeven van alle gevonden en als voorkeur vastgelegde kanalen. Er verschijnt een melding wanneer de zoekopdracht afgerond is en het beeld verschijnt dat bij het gekozen kanaal hoort.
05 Infotainment TV - instelling* Teletekst Beeldinstellingen U kunt als volgt teletekst bekijken: Het is mogelijk de instellingen voor helderheid, contrast en kleur te wijzigen. Voor meer informatie, zie pagina 229. 1. Druk op de toets diening. op de afstandsbe- 2. Typ het paginanummer (3 cijfers) in met de cijfertoetsen (0–9) om een pagina te kiezen. > De pagina verschijnt automatisch. U kunt van pagina veranderen door een ander paginanummer in te voeren of te drukken op de / op de afstandsbediening.
05 Infotainment Afstandsbediening* Afstandsbediening* De afstandsbediening is te gebruiken voor alle functies van het infotainmentsysteem. De toetsen op de afstandsbediening hebben dezelfde functies als de overeenkomstige toetsen op de middenconsole of de toetsenset* op het stuurwiel. Richt de afstandsbediening bij gebruik op het display (zie pagina 210) van de middenconsole. WAARSCHUWING Bewaar losse voorwerpen, zoals mobiele telefoon, camera, afstandsbediening voor extra uitrusting e.d.
05 Infotainment Afstandsbediening* Toets 0-9 Functie Neem bij lange ritten extra batterijen mee. Voorkeurskanalen kiezen, cijfers/ letters invoeren Sneltoets voor ingestelde favorieten. Informatie over actueel programma, nummer etc. Tevens te gebruiken als er meer informatie beschikbaar is dan op het display kan worden weergegeven. Taal geluidstrack kiezen 05 Ondertiteling, ondertitelingstaal kiezen Teletekst*, aan/uit Batterijen in afstandsbediening vervangen N.B.
05 Infotainment Bluetooth-handsfree* Algemene informatie bestuurderszijde. U kunt de mobiele telefoon via de knoppen op de telefoon bedienen of de telefoon nu aangesloten is of niet. Telefoonfuncties, overzicht bedieningselementen N.B. Niet alle mobiele telefoons zijn volledig compatibel met de handsfree-functie van het audiosysteem. Volvo adviseert u contact op te nemen met een erkende Volvowerkplaats of www.volvocars.com te bezoeken voor informatie over compatibele telefoons. Systeemoverzicht.
05 Infotainment Bluetooth-handsfree* omhoog in het menusysteem en actieve functie annuleren. N.B. Als de auto is uitgerust met een toetsenset* op het stuurwiel en/of een afstandsbediening*, kunt u deze meestal gebruiken in plaats van de toetsen op de middenconsole. Voor een beschrijving van de toetsenset op het stuurwiel, zie zie pagina 213. Voor een beschrijving van de afstandsbediening, zie pagina 241.
05 Infotainment Bluetooth-handsfree* om de pincode wordt gevraagd. Voer vervolgens dezelfde pincode in via de toetsenset in de auto. 6. Kies voor aansluiting op My Car vanaf de mobiele telefoon. De mobiele telefoon wordt vervolgens gekoppeld (geregistreerd) en automatisch aangesloten op het audiosysteem. Voor meer informatie over het koppelen van mobiele telefoons, zie pagina 247. Wanneer er een aansluiting tot stand gebracht is, verschijnen de Bluetooth-naam van de mobiele telefoon op het display.
05 Infotainment Bluetooth-handsfree* handsfree-systeem vraagt vervolgens of u opnieuw wilt koppelen. • Nummer kiezen - mogelijkheid om een tweede gesprek te starten met behulp van de cijfertoetsen (het eerste gesprek wordt daarbij stand-by gezet). Gesprekslijsten De gesprekslijsten worden bij iedere nieuwe aansluiting naar de handsfree-functie gekopieerd en worden vervolgens tijdens de aansluiting bijgehouden. Draai in de normaalweergave TUNE linksom om de gesprekslijst voor Alle gesprekken te zien.
05 Infotainment Bluetooth-handsfree* Geluiden en volume ringtone. Beltonen GSM- Meer informatie over koppelen en aansluiten Er kunnen maximaal tien mobiele telefoons worden gekoppeld (geregistreerd). U hoeft een mobiele telefoon slechts eenmaal te koppelen. Wanneer een mobiele telefoon eenmaal gekoppeld is, hoeft deze niet langer zichtbaar/ identificeerbaar te zijn. U kunt slechts één mobiele telefoon tegelijk aansluiten.
05 Infotainment Bluetooth-handsfree* Als het telefoonboek de contactgegevens bevat van de persoon die belt, verschijnen deze op het display. Snelzoekfunctie contactpersonen Als u in de normaalweergave TUNE rechtsom draait, verschijnt er een lijst met contactpersonen. Draai aan TUNE om een contactpersoon te kiezen en druk op OK/MENU om te bellen. 05 Onder de naam van de contactpersoon staat het telefoonnummer dat als standaardnummer is gekozen.
05 Infotainment Bluetooth-handsfree* N.B. Bij de uitvoering High Performance ontbreekt het tekstwiel, zodat u TUNE niet kunt gebruiken voor de invoer van tekens maar aangewezen bent op de cijfer- en lettertoetsen op het bedieningspaneel van de middenconsole. 123/ ABC Met OK/MENU kunt u wisselen tussen cijfers en letters. Overige Met OK/MENU kunt u overschakelen op de invoer van speciale tekens. Opent het telefoonboek (3).
05 Infotainment Bluetooth-handsfree* N.B. Bij de uitvoering High Performance ontbreekt het tekstwiel, zodat u TUNE niet kunt gebruiken voor de invoer van tekens maar aangewezen bent op de cijfer- en lettertoetsen op het bedieningspaneel van de middenconsole. 1. Druk, wanneer de regel Naam gemarkeerd staat, op OK/MENU om de invoerstand te openen (bovenstaande afbeelding). 05 2. Draai aan 4 TUNE tot de gewenste letter verschijnt en druk ter bevestiging op OK/ MENU.
05 Infotainment Bluetooth-handsfree* vCard ontvangen Het is mogelijk om vCards van andere mobiele telefoons (dan de eenheid die op dat moment aangesloten op de auto) te ontvangen voor het telefoonboek van de auto. Om dat mogelijk te maken dient u de auto identificeerbaar te maken voor Bluetooth. De functie wordt in de telefoonstand geactiveerd onder Phone main menu Telefoonboek vCard ontvangen.
05 Infotainment Spraakherkenning* mobiele telefoon Inleiding De spraakherkenningsfunctie1 van het infotainmentsysteem biedt u de mogelijkheid om bepaalde functies van een mobiele telefoon met Bluetooth-aansluiting of van Volvo’s navigatiesysteem, RTI (Road and Traffic Information System) met uw stem te bedienen. N.B. • 05 • In dit gedeelte staat aangegeven hoe u gesproken commando’s kunt gebruiken om een mobiele telefoon met Bluetooth-aansluiting te bedienen.
05 Infotainment Spraakherkenning* mobiele telefoon met stemcommando’s te starten. De functie toont dan enkele veelvoorkomende commando’s op het display van de middenconsole. Let op het volgende bij het gebruik van de spraakherkenningsfunctie: • Spreek bij het geven van commando’s na de toon, met normale stem in een normaal tempo. • Spreek niet wanneer de functie antwoordt. • Houd portieren, zijruiten en schuifdak* dicht. • Vermijd achtergrondgeluiden in de passagiersruimte. N.B.
05 Infotainment Spraakherkenning* mobiele telefoon een beschrijving van het menusysteem, zie pagina 133. • Stemvolume – Te wijzigen in het menusysteem MY CAR onder Instellingen Spraakinstellingen Volume mededelingen. Voor een beschrijving van het menusysteem, zie pagina 133. Stemcommando’s gebruiken De bestuurder start een dialoog met stemcommando’s door te drukken op de knop voor spraakherkenning (zie afbeelding op pagina 252).
05 Infotainment Spraakherkenning* mobiele telefoon worden aangemaakt. Raadpleeg zo nodig de gebruiksaanwijzing bij de mobiele telefoon. Gebruiker start de dialoog door het zeggen van: Gebruiker start de dialoog door het zeggen van: Telefoon > bel voicemail Telefoon > bel contact of Telefoon bel contact of Telefoon bel voicemail Beantwoord de vervolgvragen die het systeem stelt. Beantwoord de vervolgvragen die het systeem stelt.
05 Infotainment Menufuncties infotainment Navigeren in de menu’s De functies van het infotainmentsysteem zijn via de systeemmenu’s te regelen. Elke bron binnen het infotainmentsysteem (bijv. RADIO, MEDIA) heeft zijn eigen menu’s. Om menu’s te openen en een functie te activeren moet u eerst een bron (bijv. RADIO/FM1) hebben gekozen. Druk vervolgens op OK/MENU om het menu van de gekozen bron te openen. Bedieningselementen op middenconsole 1. Kies een bron door te drukken op een van de toetsen (bijv.
05 Infotainment Menufuncties infotainment Audio-instellingen 2 Klankpodium3 Equalizer4 Volumecompensatie Alle audio-instellingen resetten Alle FM-instellingen resetten Audio-instellingen Menu’s MEDIA Hoofdmenu CD Audio Diskmenu Hoofdmenu DAB1*/DAB2* DAB-menu Ensemble programmeren PTY-filter PTY-filter uitschakelen Hoofdmenu FM1/FM2 FM-menu 5 Radiotekst tonen TP (verkeersinformatie) Presets Radiotekst tonen Scan Presets tonen1 Geavanceerde instellingen tonen1 Willekeurige weergave Scan Audio-
05 Infotainment Menufuncties infotainment Ondertitels Audio-instellingen 5 Taal van audiospoor kiezen Geavanceerde instellingen Autostart Hoek DivX® VOD-code Audio-instellingen 5 Hoofdmenu Media Bluetooth4 Bluetooth-menu Toevalsweergave Eenheid wijzigen Bluetooth-apparaat verwijderen Scan Hoofdmenu iPod4 Bluetooth-softwareversie in auto iPod-menu Audio-instellingen 5 Scan Audio-instellingen 5 Hoofdmenu USB4 USB-menu 258 Phone main menu Bellijsten Alle gesprekken Gemiste oproepen Opgenomen gespr
05 Infotainment Menufuncties infotainment Geluiden en volume Telefoonboek downloaden Bluetooth-softwareversie in auto Bel-opties Automatisch opnemen Voicemailnummer Telefoon uit 05 259
Rijadviezen............................................................................................ Tanken.................................................................................................. Brandstof.............................................................................................. Lading vervoeren.................................................................................. Kofferbak ..........................................................................................
TIJDENS HET RIJDEN
06 Tijdens het rijden Rijadviezen Algemene informatie Zuinig rijden Zuinig rijden houdt in dat u anticiperend en rustig rijdt, en uw rijstijl en snelheid afstemt op de verkeerssituatie. • Rijd niet met open zijruiten. • Gebruik geen winterbanden buiten het winterseizoen. • Vermijd onnodig snel optrekken en krachtig remmen. • Bij een auto met motortype D5 in combinatie met een zestraps handbak geldt normaal de 2e versnelling als wegrijversnelling. Zie pagina 13 en 348 voor meer informatie en meer tips.
06 Tijdens het rijden Rijadviezen mogelijk tot stilstand en laat de motor enkele minuten stationair lopen zodat deze kan afkoelen. Geopend kofferdeksel WAARSCHUWING • Als de displaymelding Motortemp. hoog • • • Zet motor af of Koelvl.peil laag Zet motor af verschijnt, dient u nadat de auto tot stilstand is gekomen ook de motor af te zetten.
06 Tijdens het rijden Rijadviezen tegen vorst is het zaak geen verschillende soorten glycol met elkaar te mengen. • Houd de tank altijd goed gevuld om condens in de brandstoftank tegen te gaan. N.B. In sommige landen is het gebruik van winterbanden verplicht. Banden met spikes zijn niet in alle landen toegestaan. • De viscositeit van de motorolie is belangrijk.
06 Tijdens het rijden Tanken Tanken Tankvulklep handmatig openen Tankdop open-/dichtdraaien Tankvulklep openen/sluiten Open de tankvulklep met de knop op het verlichtingspaneel – bij het loslaten van de knop springt de klep open. De vulklep zit in het rechter achterspatbord, zoals de pijl bij het symbool op het informatiedisplay al aangeeft. Sluit de klep door deze dusdanig in te drukken dat u een klik hoort.
06 Tijdens het rijden Brandstof Algemene informatie over brandstof Gebruik geen brandstof met een slechtere kwaliteit dan Volvo adviseert, omdat dit een nadelige invloed kan hebben op het motorvermogen en het brandstofverbruik. WAARSCHUWING Zorg altijd dat u geen brandstofdampen inademt of brandstofspatten in de ogen krijgt. Bij brandstof in de ogen eventuele contactlenzen uitnemen en de ogen ten minste 15 minuten lang spoelen met een ruime hoeveelheid schoon water en medische hulp inroepen.
06 Tijdens het rijden Brandstof Benzine Dieselolie De benzine moet voldoen aan de norm NENEN 228. De meeste motoren lopen op benzine met een octaangetal van 95 en 98 RON. Gebruik benzine met een octaangetal van 91 RON alleen bij wijze van hoge uitzondering. De dieselolie moet voldoen aan de norm NENEN 590 of JIS K2204. Dieselmotoren zijn gevoelig voor verontreinigingen zoals een te hoog gehalte aan zwaveldeeltjes. Maak alleen gebruik van dieselolie van gerenommeerde oliemaatschappijen.
06 Tijdens het rijden Brandstof Na motoruitval door brandstofgebrek heeft het brandstofsysteem enige tijd nodig om een controle uit te voeren. Doe in dat geval (ná bijtanken met dieselolie) het volgende, voordat u de motor start: 1. Plaats de transpondersleutel in het contactslot en duw deze tot aan de aanslag naar binnen (zie pagina 78). 2. Druk op de START-knop zonder rem- en/ of koppelingspedaal te bedienen. 3. Wacht ca. 1 minuut. 4.
06 Tijdens het rijden Brandstof Brandstofverbruik en uitstoot van kooldioxide Het gebruik van extra accessoires kan de verbruikscijfers beïnvloeden, omdat de accessoires het gewicht van de auto verhogen. Zie de informatie over gewichten op pagina 341 en de tabel op pagina 348. Ook de rijstijl en andere niet-technische factoren kunnen van invloed zijn op het brandstofverbruik. Bij gebruik van brandstof met een octaangetal van 91(RON), neemt het brandstofverbruik toe terwijl het motorvermogen lager wordt. N.
06 Tijdens het rijden Lading vervoeren Algemene informatie over vervoer van lading Het laadvermogen is afhankelijk van het rijklaar gewicht van de auto. Het laadvermogen dient te worden verminderd met de som van het gewicht van eventuele inzittenden en dat van gemonteerde accessoires. Voor gedetailleerde informatie over de gewichten, zie pagina 341. Het kofferdeksel is te openen met de knop op het verlichtingspaneel of met de transpondersleutel, zie pagina 60.
06 Tijdens het rijden Lading vervoeren • Controleer regelmatig of de lastdragers en Verankeringsogen Houder voor boodschappentassen* de lading goed vastzitten. Zet de lading stevig vast met sjorbanden. • Verdeel het gewicht van de lading gelijkmatig over de lastdragers. Leg de zwaarste voorwerpen onderop. • Naarmate u meer lading op het dak vervoert, vangt de auto meer wind en neemt het brandstofverbruik toe. • Rijd rustig.
06 Tijdens het rijden Lading vervoeren 12V-aansluiting* Open het klepje naar boven toe om bij de elektrische aansluiting te komen. Via de aansluiting is ook stroom af te nemen, wanneer de transpondersleutel niet in het contactslot steekt. 06 N.B. Let erop dat u de aansluiting niet gebruikt wanneer de motor is afgezet, omdat anders het risico bestaat dat de accu uitgeput raakt. 272 * Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
06 Tijdens het rijden Kofferbak Doorsteekluik Luikje verwijderen U kunt het luikje in het ruggedeelte openen om lange en smalle voorwerpen te vervoeren. Open het luikje nadat u het hebt ontgrendeld, met het ruggedeelte omgeklapt, ca. 30 graden en trek het luikje recht omhoog. Luikje aanbrengen Plaats het luikje terug in de groeven achter de bekleding en sluit het luikje. Klap het rechter ruggedeelte naar voren toe om.
06 Tijdens het rijden Rijden met een aanhanger Algemene informatie Het laadvermogen is afhankelijk van het rijklaar gewicht van de auto. Het laadvermogen dient te worden verminderd met de som van het gewicht van eventuele inzittenden en dat van gemonteerde accessoires, zoals een trekhaak. Voor gedetailleerde informatie over de gewichten, zie pagina 341. Als de trekhaak door Volvo is gemonteerd, wordt de auto compleet aangeleverd met de benodigde randuitrusting voor het gebruik van een aanhanger.
06 Tijdens het rijden Rijden met een aanhanger N.B. De aangegeven maximaal toelaatbare aanhangergewichten zijn door Volvo bepaald. Let erop dat er op grond van de wetgeving voor motorvoertuigen in uw land verdere beperkingen van het aanhangergewicht en de snelheid kunnen gelden. Het is bovendien mogelijk dat de trekhaak gespecificeerd is voor hogere gewichten dan het maximaal toelaatbare aanhangergewicht van de auto. WAARSCHUWING Houd u aan de opgegeven aanbevelingen voor het aanhangergewicht.
06 Tijdens het rijden Rijden met een aanhanger Trekhaak Afneembare trekhaak opbergen Specificaties Als de auto is uitgerust met een afneembare trekhaak, dienen de montagevoorschriften voor het bevestigen van het afneembare gedeelte zorgvuldig te worden opgevolgd, zie pagina 277. WAARSCHUWING 06 • Volg de montage-instructies nauwkeurig op. • Zorg dat het afneembare gedeelte met de sleutel vergrendeld is voordat u begint te rijden. • Controleer of het controlevenster groen van kleur is.
06 Tijdens het rijden Rijden met een aanhanger 998 B 80 C 854 D 427 E 109 F 282 G Langsligger H Middelpunt kogel Het controlevenster moet rood van kleur zijn. G021489 A G021487 Afmetingen, bevestigingspunten (mm) Verwijder de afdekking door de pal in te drukken en de afdekking vervolgens recht naar achteren te trekken . G021488 G018928 Trekhaak bevestigen 06 Breng de trekhaak aan en duw deze naar binnen totdat u een klik hoort.
06 Tijdens het rijden Het controlevenster moet groen van kleur zijn. Controleer of de trekhaak vastzit door deze stevig omhoog, omlaag en naar achteren te bewegen. WAARSCHUWING 06 G000000 Als de trekhaak niet goed zit, moet u deze verwijderen en opnieuw monteren zoals eerder werd beschreven. Draai de sleutel linksom naar de vergrendelde stand. Neem de sleutel uit het slot. BELANGRIJK G021495 G021494 G021490 Rijden met een aanhanger Veiligheidskabel.
06 Tijdens het rijden Rijden met een aanhanger WAARSCHUWING Zet de trekhaak goed vast, wanneer u deze in de auto bewaart, zie pagina 276. het verschijnsel pas bij zeer hoge snelheden op. Als de aanhanger/caravan echter overmatig beladen is of als het gewicht van de lading verkeerd verdeeld is (bijvoorbeeld te ver naar achteren), bestaat er ook op lagere snelheden van 70–90 km/h gevaar voor pendelbewegingen.
06 Tijdens het rijden Rijden met een aanhanger Als de pendelbeweging ondanks de eerste ingreep van het TSA-systeem niet wordt gedempt, worden alle wielen van de combinatie afgeremd en wordt de aandrijfkracht van de motor verlaagd. Wanneer de pendelbeweging vervolgens stukje bij beetje verminderd is en de combinatie weer stabiel is, beëindigt het TSAsysteem de regeling waarna u de auto weer volledig onder controle hebt. Overig Het TSA-systeem kan ingrijpen bij snelheden van 60–160 km/h. N.B.
06 Tijdens het rijden Slepen en bergen Slepen WAARSCHUWING Controleer voordat u de auto gaat slepen wat de toegestane maximumsnelheid is voor slepen. De rembekrachtiging en de stuurbekrachtiging werken niet wanneer de motor uitgeschakeld is. U moet ongeveer vijfmaal zo hard op het rempedaal trappen en de auto stuurt aanzienlijk zwaarder dan normaal. 1. Steek de transpondersleutel in het contactslot om het stuurslot op te heffen zodat de auto bestuurbaar wordt, zie pagina 78. 2.
06 Tijdens het rijden Slepen en bergen Sleepoog Het sleepoog dient te worden vastgeschroefd in een draadbus achter een afdekking in de bumper, voor of achter. Sleepoog bevestigen Neem het sleepoog erbij dat onder het vloerluik in de kofferbak ligt.
06 Tijdens het rijden 06 283
Algemene informatie ............................................................................ Wielen verwisselen ............................................................................... Bandenspanning .................................................................................. Gevarendriehoek en EHBO-set*........................................................... Bandenspanningscontrolesysteem (TPMS)*......................................... Provisorische bandenreparatie (TMK) ..............
WIELEN EN BANDEN
07 Wielen en banden Algemene informatie Rijeigenschappen Banden zijn van grote invloed op de rijeigenschappen van de auto. Zowel het type, de maat, de bandenspanning als de snelheidsklasse zijn belangrijk voor het rijgedrag van de auto. schappen van de auto af en kunnen de banden regen, sneeuw en drab minder goed afvoeren. Nieuwe banden Monteer de banden met het diepste profiel altijd op de achteras (om het gevaar voor slippen te verminderen). N.B.
07 Wielen en banden Algemene informatie De juiste bandenspanning levert een gelijkmatiger slijtage op, zie pagina 293. De rijstijl, de bandenspanning, het klimaat en de staat van de wegen zijn van invloed op de snelheid waarmee de banden verouderen en slijten. Om verschillen in profieldiepte te voorkomen en slijtpatronen tegen te gaan kunt u de wielen op de voor- en achteras onderling van plaats verwisselen. Voer de eerste wissel na ca. 5000 km uit en doe dat daarna om de 10.000 km opnieuw.
07 Wielen en banden Algemene informatie Gereedschap BELANGRIJK Bewaar gereedschap en krik* op de daarvoor bestemde plaats in de bagageruimte wanneer u ze niet nodig hebt. Winterbanden Volvo adviseert winterbanden met bepaalde afmetingen. De bandenmaat is afhankelijk van de motorvariant. Gebruik altijd het juiste type winterbanden op alle vier de wielen. N.B. Onder de vloer in de bagageruimte vindt u het sleepoog van de auto, de krik* en de wielsleutel*.
07 Wielen en banden Algemene informatie combinaties goedgekeurd zijn. Voor de toegestane combinaties. zie pagina 350 97 Aanduiding van het draagvermogen van de band, lastindex (LI) Afmetingen wiel (velg) W Aanduiding van de snelheidslimiet van de band, snelheidsklasse (SS). (In dit geval 270 km/h.) Wielen (velgen) zijn voorzien van een maataanduiding, bijvoorbeeld: 7Jx16x50.
07 Wielen en banden Wielen verwisselen Verwijderen Zet een gevarendriehoek zie pagina 294 op, als u een wiel langs een drukke weg moet verwisselen. Zorg ervoor dat de auto en de krik* op een stevige en horizontale ondergrond staan. 1. Haal de parkeerrem aan en schakel de achteruitversnelling in of zet de keuzehendel in stand P, als de auto een automatische versnellingsbak heeft. N.B. Volvo adviseert u alleen de krik te gebruiken* die bij de auto hoort, zoals aangegeven op de kriksticker.
07 Wielen en banden Wielen verwisselen BELANGRIJK De ondergrond dient vast en egaal te zijn en niet te hellen. 7. Breng de auto zo ver omhoog dat het wiel van de grond komt. Verwijder de wielbouten en til het wiel eraf. Aanbrengen 1. Reinig de contactvlakken tussen het wiel en de naaf. 2. Breng het wiel aan. Haal de wielbouten stevig aan. 3. Breng de auto zo ver omlaag dat het wiel niet meer ongehinderd kan draaien. 4. Draai de wielbouten kruiselings vast.
07 Wielen en banden Wielen verwisselen Reservewiel erbij nemen: 1. Haal de spanbanden los, til de opbergzak uit de kofferbak en haal het reservewiel eruit. 2. Klap de vloer in de bagageruimte omhoog. 3. Til het gereedschap en de krik uit het blok schuimrubber. Stop de lekke band in de opbergzak en zet deze vast met spanbanden. Let erop dat u bij het terugplaatsen van de opbergzak met het reservewiel de instructies in de gebruiksaanwijzing opvolgt.
07 Wielen en banden Bandenspanning Bandenspanning Brandstofbesparing, ECObandenspanning Voor een zo laag mogelijk brandstofverbruik wordt geadviseerd de aangegeven bandenspanning (zowel bij maximale als lichte belading) aan te houden bij snelheden tot 160 km/h. N.B. Het is een natuurlijk gegeven dat de bandenspanning na verloop van tijd afneemt. De bandenspanning varieert ook naargelang van de omgevingstemperatuur. Bandenspanning controleren G021830 Controleer iedere maand de bandenspanning.
07 Wielen en banden Gevarendriehoek en EHBO-set* Gevarendriehoek De gevarendriehoek is met twee clips aan de binnenkant van het kofferdeksel bevestigd. EHBO-set* Haal de houder met de gevarendriehoek los door de twee kliksluitingen naar buiten te trekken. Neem de gevarendriehoek uit de houder, klap de driehoek uit en bevestig de twee losse zijden aan elkaar. Klap de steunpoten van de gevarendriehoek uit. Volg de geldende bepalingen voor het gebruik van een gevarendriehoek.
07 Wielen en banden Bandenspanningscontrolesysteem (TPMS)* Algemene informatie BELANGRIJK 4. Druk op OK. Het bandenspanningscontrolesysteem (TPMS, Tyre Pressure Monitoring System)* waarschuwt de bestuurder, wanneer de spanning in één of meer banden te laag is. Het systeem maakt gebruik van sensoren in de ventielen van de banden. Bij snelheden van ca. 40 km/h controleert het systeem de bandenspanning.
07 Wielen en banden Bandenspanningscontrolesysteem (TPMS)* 2. Open het systeem MY CAR om naar de menu’s voor Auto-instellingen Bandendruk te gaan 3. Kies Bandenspanningsysteem en druk op OK. > Bij het activeren van het systeem verschijnt een X op het display. Het verdwijnt als u het systeem deactiveert. Adviezen Er zitten alleen TPMS-sensoren in de ventielen van de wielen die in de fabriek werden gemonteerd.
07 Wielen en banden Provisorische bandenreparatie (TMK) Algemene informatie N.B. Overzicht De bandenreparatieset is uitsluitend bedoeld voor het afdichten van banden met een lek in het loopvlak. De bandenreparatieset leent zich minder goed voor banden met een gat in het zijvlak. Probeer geen banden met de provisorische bandenreparatieset af te dichten die grote groeven, scheuren en dergelijke vertonen.
07 Wielen en banden Provisorische bandenreparatie (TMK) Lekke band repareren WAARSCHUWING Het afdichtmiddel kan aanleiding geven tot huidirritatie. Was bij huidcontact het getroffen gebied onmiddellijk schoon met water en zeep. 3. Controleer of de knop in stand 0 staat en neem de kabel en de luchtslang erbij. N.B. Voor het gebruik de verzegeling van de bus niet verbreken. Bij het indraaien van de bus wordt de verzegeling automatisch verbroken. 4.
07 Wielen en banden Provisorische bandenreparatie (TMK) BELANGRIJK Er bestaat gevaar voor oververhitting. De compressor mag niet langer dan 10 minuten achtereen werken. 10. Schakel de compressor uit om de bandenspanning van de manometer af te lezen. De bandenspanning dient minimaal 1,8 bar en maximaal 3,5 bar te bedragen. (Laat eventueel lucht ontsnappen met het drukreduceerventiel, als de bandenspanning te hoog is.) WAARSCHUWING Als de bandenspanning lager is dan 1,8 bar, is het gat in de band te groot.
07 Wielen en banden Provisorische bandenreparatie (TMK) Band oppompen De compressor is berekend op het oppompen van de originele banden die op de auto zitten. 1. De compressor moet uitstaan. Zorg dat de knop in stand 0 staat en neem de kabel en de luchtslang erbij. 2. Draai het ventieldopje van het wiel los en schroef de ventielaansluiting van de luchtslang zo ver mogelijk op het ventiel van de band. WAARSCHUWING Inademen van uitlaatgassen kan levensgevaarlijk zijn.
07 Wielen en banden 07 301
Motorruimte.......................................................................................... Gloeilampen.......................................................................................... Wisserbladen en ruitensproeiervloeistof............................................... Accu...................................................................................................... Zekeringen............................................................................................ Verzorging.
ONDERHOUD EN SERVICE
08 Onderhoud en service Motorruimte Algemene informatie Serviceprogramma van Volvo Om de verkeersveiligheid, bedrijfszekerheid en betrouwbaarheid van de auto op een hoog peil te houden, dient u de voorschriften van het Serviceprogramma van Volvo op te volgen zoals die omschreven staan in het Service- en garantieboekje van Volvo. Volvo adviseert u om service- en onderhoudswerkzaamheden over te laten aan een erkende Volvo-werkplaats.
08 Onderhoud en service Motorruimte Motorruimte, overzicht Vulopening voor ruitensproeiervloeistof Luchtfilter WAARSCHUWING Het ontstekingssysteem werkt met zeer hoge spanning. De spanning in het ontstekingssysteem is levensgevaarlijk. Houd de transpondersleutel altijd in stand 0 bij werkzaamheden in de motorruimte, zie pagina 78. Draai de handgreep ca. 20–25 graden rechtsom. Het is duidelijk te horen dat vergrendeling wordt opgeheven. Haal de borghaak naar links om de motorkap te openen.
08 Onderhoud en service Motorruimte BELANGRIJK Om aan de vereisten voor de gespecificeerde service-intervallen te voldoen worden alle motoren in de fabriek gevuld met een speciaal aangepaste, synthetische motorolie. De oliesoort werd met grote zorg geselecteerd lettend op de levensduur van de motor, de startgewilligheid, het brandstofverbruik en de milieu-impact. een oliedruksensor wordt gebruik gemaakt van een waarschuwingslampje voor de oliedruk.
08 Onderhoud en service Motorruimte afzetten van de motor krijgt u een verkeerd resultaat. De peilstok geeft dan een te laag peil aan, omdat de olie geen tijd heeft gehad om terug te lopen naar het oliecarter. 2. Controleer het peil met de peilstok. De olie moet tussen het MIN- en MAX-streepje staan. 3. Als de olie dichter bij het MIN-streepje ligt, kunt u eerst 0,5 liter olie bijvullen. Vul bij totdat de olie dichter bij het MAX-streepje dan bij het MIN-streepje op de peilstok ligt.
08 Onderhoud en service Motorruimte Koelvloeistof Melding 08 308 Motoroliepeil OK In orde. Motoroliepeil Een ogenblik... Het systeem wordt opgestart, verschijnt ca. 2 seconden lang. Motoroliepeil Vul 1 l olie bij Motorolie bijvullen Motoroliepeil Service vereist Verschijnt wanneer het systeem een storing geregistreerd heeft die verholpen moet worden, voordat de juiste peilaanduiding kan worden gegeven. Koelvloeistof controleren en bijvullen Volg de aanwijzingen op de verpakking op.
08 Onderhoud en service Motorruimte Voor de aan te houden hoeveelheden en de aanbevolen vloeistofkwaliteit, zie pagina 346. Controleer de koelvloeistof regelmatig De koelvloeistof moet tussen het MIN- en MAX-streepje op het expansiereservoir staan. Als u het reservoir niet goed gevuld houdt, kan de temperatuur in het systeem dusdanig hoog oplopen dat er gevaar voor motorschade ontstaat. WAARSCHUWING De koelvloeistof kan bijzonder heet zijn.
08 Onderhoud en service Motorruimte BELANGRIJK Houd bij een controle het gebied rond het reservoir voor stuurbekrachtigingsvloeistof goed schoon. De dop niet losdraaien. Controleer het peil bij iedere servicebeurt. U hoeft de vloeistof niet te verversen. De vloeistof moet tussen het MIN- en MAX-streepje staan. Voor de aanbevolen vloeistofkwaliteit en de aan te houden hoeveelheden, zie pagina 346. N.B.
08 Onderhoud en service Gloeilampen Algemene informatie Koplampen Alle gloeilampen van de auto vermeld, zie pagina 316. Gloeilampen en puntverlichting van een bijzonder type of lampen die alleen in een werkplaats te vervangen zijn: • • • • • • • WAARSCHUWING Schakel altijd het contact uit en neem de transpondersleutel uit, voordat u gloeilampen vervangt. Interieurverlichting aan het plafond Koplamphuis verwijderen Leeslampjes Verlichting dashboardkastje 1. Druk kort op de knop START/STOP ENGINE.
08 Onderhoud en service Gloeilampen 4. Til het koplamphuis naar buiten en leg het op een zachte ondergrond om krassen op de lens te voorkomen. Afdekking verwijderen Dimlicht, halogeen Lees de tekst op zie pagina 311 door alvorens een gloeilamp te vervangen. 1. Haal het koplamphuis los, zie pagina 311. 5. Vervang de kapotte gloeilamp, . Koplamphuis aanbrengen 1. Sluit de connector dusdanig aan dat u een klik hoort. 2. Plaats het koplamphuis terug en breng de borgpennen aan.
08 Onderhoud en service Gloeilampen Groot licht, halogeen Verstralers, xenon* Richtingaanwijzers/knipperlichten 1. Haal het koplamphuis los. 1. Haal het koplamphuis los. 1. Haal het koplamphuis los. 2. Verwijder de afdekking. 2. Verwijder de afdekking, zie pagina 312. 2. Trek de afdekking recht naar buiten toe los. 3. Haal de gloeilamp los door deze rechtsom te draaien en vervolgens recht naar buiten te trekken 3.
08 Onderhoud en service Gloeilampen Achterlamphuis 5. Druk de lamphouder in positie en plaats het luikje terug. Achteruitrijlicht N.B. Als een foutmelding niet verdwijnt nadat de kapotte gloeilamp is vervangen, dan wordt u geadviseerd een erkende Volvo-werkplaats te bezoeken. Positie gloeilampen achterlamphuis Alle gloeilampen in het achterlamphuis (behalve de leds) zijn via de kofferbak te vervangen. 1. Open het panel in de kofferbak. 1.
08 Onderhoud en service Gloeilampen Kentekenplaatverlichting Kofferbakverlichting Verlichting make-upspiegel G021758 Spiegelglas verwijderen 1. Draai de boutjes los met een schroevendraaier. 2. Haal voorzichtig het complete gloeilamphuis los en trek het naar buiten. 3. Vervang de gloeilamp. 4. Plaats het complete gloeilamphuis terug en draai de boutjes vast. 1. Steek een schroevendraaier achter het lamphuis en wrik deze iets heen en weer, zodat het lamphuis loskomt. 2. Vervang de gloeilamp. 1.
08 Onderhoud en service Gloeilampen Specificatie gloeilampen 08 316 Verlichting W Type Verstralers, xenon, ABL 65 H9 Dimlicht, halogeen 55 H7 LL Groot licht, halogeen 65 H9 Richtingaanwijzers voorzijde 21 HY21W Bagageruimte-, kentekenplaatverlichting 5 Buislampje SV8,5 Make-upspiegel 1,2 w2x4,6d 12v Verlichting dashboardkastje 5 Buislampje Richtingaanwijzers achter 21 SVPY21W Mistachterlicht 21 H21W Achteruitrijlicht 21 H21W Remlichten 21 P21W LL SV8,5
08 Onderhoud en service Wisserbladen en ruitensproeiervloeistof Wisserbladen Servicestand Wisserbladen vervangen Haal de wisserarm van de ruit af. Druk op de knop die op de wisserbladhouder zit en trek het wisserblad evenwijdig aan de wisserarm los. Duw het nieuwe wisserblad zo ver naar binnen dat u een klik hoort. Controleer of het blad goed vastzit. 1. Zet de transpondersleutel in sleutelstand 0, zie pagina 78, maar laat de transpondersleutel in het contactslot zitten. 2. Duw de rechter stuurhendel ca.
08 Onderhoud en service Wisserbladen en ruitensproeiervloeistof BELANGRIJK Controleer de wisserbladen regelmatig. Bij achterstallig onderhoud gaan de wisserbladen minder lang mee. Vulopening voor ruitensproeiervloeistof De sproeiers van de voorruit en de koplampen staan in verbinding met hetzelfde vloeistofreservoir. BELANGRIJK 08 318 Gebruik tijdens de wintermaanden ruitensproeier-antivries in het reservoir om te voorkomen dat de vloeistof in de pomp, het reservoir en de slangen bevriest.
08 Onderhoud en service Accu Waarschuwingssymbolen op de accu Vermijd vonken en open vuur. Draag een veiligheidsbril. BELANGRIJK Gebruik nooit een snellader voor het opladen van de accu. WAARSCHUWING Explosiegevaar. Zie voor meer informatie het instructieboekje dat bij de auto hoort. Bewaar accu’s buiten het bereik van kinderen. N.B. Zamel oude accu’s op een milieuvriendelijke manier in, omdat ze lood bevatten. Accu’s kunnen het zeer explosieve knalgas produceren.
08 Onderhoud en service Accu N.B. Hoe vaker de accu ontladen raakt, des te minder lang gaat de accu mee. Vervangen Verwijderen De levensduur van de accu wordt bepaald door uiteenlopende factoren, waaronder de rijomstandigheden en het klimaat. De accu verliest na verloop van tijd aan startcapaciteit en moet daarom bijgeladen worden, als er langere tijd achtereen niet of slechts korte afstanden met de auto wordt gereden. Ook bij strenge vorst neemt de startcapaciteit af.
08 Onderhoud en service Accu WAARSCHUWING Zorg dat u de plus- en minkabels in de juiste volgorde loskoppelt en/of aansluit. 2. Duw de accu naar binnen en gelijktijdig opzij totdat de accu tegen de achterkant van de accubak aankomt. 3. Bevestig de accu met behulp van de accuklem. 4. Sluit de ontluchtingsslang aan. Koppel de zwarte minkabel los 5. Sluit de rode pluskabel aan. Koppel de rode pluskabel los 6. Sluit de zwarte minkabel aan. Koppel de ontluchtingsslang van de accu los 7.
08 Onderhoud en service Zekeringen Algemene informatie Om te voorkomen dat de elektrische systemen van de auto beschadigd raken door kortsluiting of overbelasting, worden alle verschillende elektrische functies en onderdelen door een aantal zekeringen beschermd. Als een van de elektrische onderdelen of functies niet werkt, is het mogelijk dat de bijbehorende zekering overbelast werd en daardoor gesmolten is.
08 Onderhoud en service Zekeringen Motorruimte 08 `` 323
08 Onderhoud en service Zekeringen Algemene informatie over de zekeringen in de motorruimte Functie A Functie A Aan de binnenkant van het deksel zit een speciale trekker waarmee u de zekeringen gemakkelijker kunt verwijderen en aanbrengen.
08 Onderhoud en service Zekeringen Functie A Functie A Claxon 15 EVAP, lambdasonde, inspuiting (benzine) 15 Regelmodule motor 10 15 Lambdasonde (4-cil. benzine, 5-cil. diesel) 10 Regelmodule automatische versnellingsbak* Compressor AC 15 20 Relais sproeiers 5 Vacuümpomp, carterventilatie (5-cil. turbo, 2.0 GTDI) Relais startmotor 30 10 Carterventilatieverwarming (5-cil. diesel) 5 Bobines 4-cil. benzine, regelmodule gloeiregeling Bobines 5- en 6-cil. benzine 20 Gloeibougies (5-cil.
08 Onderhoud en service Zekeringen Onder dashboardkastje Posities Hou der A Functie A Hoofdzekering regelmodule audio 40 Hou der A Functie A - - - - Lagetonenluidspreker 08 326 5 - - - - Bedieningspaneel bestuurdersportier 20 Hou der A Functie A Bedieningspaneel voorste passagiersportier 20 Bedieningspaneel achterste passagiersportier rechts 20 Bedieningspaneel achterste passagiersportier links 20
08 Onderhoud en service Zekeringen Hou der A Functie A Hou der A Functie A Stoelverwarming passagierszijde 15 Stoelverwarming bestuurderszijde 15 Hou der B Functie A - - - - Keyless drive* 7,5 Elektrisch bedienbare bestuurdersstoel* 20 Elektrisch bedienbare passagiersstoel* 20 Omklapbare hoofdsteunen* 15 Zittingverwarming passagierszijde* rechtsachter 15 Informatiedisplay (DIM) 5 ICM 5 Zittingverwarming passagierszijde* linksachter 15 Adaptieve cruisecontrol (ACC)*, Collisio
08 Onderhoud en service Zekeringen Hou der B 08 328 Functie A Brandstofpomp Hou der B Functie A 20 Schuifdak* 20 Ontvanger transpondersleutel, alarm*, klimaatregeling 5 Startblokkering 5 Stuurslot 15 Alarm/OBDII 5 - - A Airbag 10 Collision Warning, radarsensor vooraan 5 Gaspedaal, elektrische motorverwarming (diesel), elektrisch verstelbare buitenspiegels*, achterbankverwarming* 7,5 Infotainment (ICM), cd & radioA 15 Remlichten 5 * Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer i
08 Onderhoud en service Zekeringen Kofferbak/bagageruimte Posities Zekeringhouder achterin A Elektrische parkeerrem links 30 Elektrische parkeerrem rechts 30 Elektrisch verwarmde achterruit 30 Trekhaakaansluiting 2* 15 - Zekeringhouder achterin A Zekeringhouder achterin A 12V-aansluiting achterin 15 Trekhaakaansluiting 1* 40 - - - - - - - - - - 08 - * Optie/accessoire, zie Inleiding voor meer informatie.
08 Onderhoud en service Verzorging Auto wassen BELANGRIJK Was de auto zodra deze vuil geworden is. Zorg dat de auto op een spoelvloer met olieafscheider staat. Gebruik autoshampoo. Vuile koplampen werken minder goed. Maak ze daarom regelmatig schoon, tijdens het tanken bijvoorbeeld. • Verwijder vogelpoep zo spoedig mogelijk van de lak. Vogelpoep bevat namelijk stoffen die de lak aantasten en deze zeer snel doen verkleuren.
08 Onderhoud en service Verzorging Remmen testen WAARSCHUWING Test na het wassen van de auto altijd de remmen (en dus ook de handrem) om te voorkomen dat vocht en corrosie de remblokken aantasten, waardoor de remwerking afneemt. Trap zo nu en dan lichtjes op het rempedaal, als u lange afstanden in de regen of sneeuwmodder aflegt. Door de wrijving worden de remblokken warm, zodat het vocht verdampt. Doe hetzelfde bij zeer vochtig of koud weer.
08 Onderhoud en service Verzorging Waterafstotende laag* Gebruik nooit producten zoals autowas, ontvetters e.d. op het glasoppervlak, omdat de waterafstotende laag daardoor beschadigd kan raken. Wees voorzichtig bij het schoonmaken om te voorkomen dat er krassen in het glasoppervlak ontstaan. Om schade aan het glas te voorkomen dient u voor het verwijderen van ijs alleen een krabber van kunststof te gebruiken. De waterafstotende laag staat bloot aan natuurlijke slijtage.
08 Onderhoud en service Verzorging gingsproduct waarmee u leren bekleding kunt schoonmaken en de beschermende laag kunt herstellen, mits u de instructies opvolgt. Na enig tijd in gebruikt te zijn geweest krijgt het leer zijn natuurlijke patina, afhankelijk van de oppervlaktestructuur. Een dergelijk patina maakt deel van het natuurlijke verouderingsproces van het leer en geeft aan dat het om een natuurproduct gaat.
08 Onderhoud en service Verzorging Matten en kofferbak Kleurcode Steenslagschade herstellen Haal de inlegmatten uit de auto om de vloerbekleding en de inlegmatten ieder apart schoon te kunnen maken. Gebruik een stofzuiger om vuil en stof te verwijderen. De lak vormt een belangrijk onderdeel van de roestwering van de auto en moet daarom regelmatig worden gecontroleerd. Om roestvorming te voorkomen moet u lakschade direct herstellen.
08 Onderhoud en service Verzorging 3. Krassen kunt u op dezelfde manier herstellen, maar dek ter bescherming de onbeschadigde lak rond de kras af. 4. Poets de herstelde lak na enkele dagen op. Gebruik daarvoor een zachte doek met een geringe hoeveelheid schuurpasta. N.B. Als de steenslagplek niet tot op het blanke plaatwerk is doorgedrongen en er nog een intacte laklaag over is, volstaat het om na reiniging van het beschadigde gebied de ontbrekende lak aan te brengen.
Type-aanduidingen............................................................................... Maten en gewichten.............................................................................. Motorspecificaties................................................................................. Motorolie............................................................................................... Vloeistoffen en smeermiddelen............................................................. Brandstof.............
SPECIFICATIES
09 Specificaties 09 Type-aanduidingen Positie van stickers en plaatjes 338
09 Specificaties Type-aanduidingen Wanneer u contact opneemt met uw erkende Volvo-werkplaats of vervangende onderdelen of accessoires wilt bestellen, kan het handig zijn om de type-aanduiding, het chassisnummer en het motornummer bij de hand te hebben. Type-aanduiding, chassisnummer, maximaal toelaatbaar gewicht, kleurcodes voor lak en bekleding en typegoedkeuringsnummer. Bij het openen van het rechter achtportier is de sticker zichtbaar. 09 N.B.
09 Specificaties 09 Maten en gewichten Maten Maten A B C 340 Wielbasis Lengte Laadlengte, vloer, achterbank neergeklapt D Laadlengte, vloer E Hoogte F Laadhoogte mm 2776 Maten G Spoorbreedte vooras 4628 H Spoorbreedte achteras 1749 965 1484 465 mm Laadbreedte, vloer mm J Breedte 1865 1578B K Breedte incl.
09 Specificaties Maten en gewichten Gewichten Inbegrepen bij het rijklaar gewicht zijn het gewicht van de bestuurder, dat van de brandstoftank die voor 90 % gevuld is en dat van de resterende oliën/vloeistoffen. Het gewicht van de passagiers en de gemonteerde accessoires alsmede de kogeldruk (bij gebruik van een aanhanger (zie tabel op pagina 342)) zijn van invloed op het laadvermogen en zijn niet inbegrepen bij het rijklaar gewicht. Toelaatbare maximumbelading = totaalgewicht – rijklaar gewicht. 09 N.B.
09 Specificaties 09 Maten en gewichten Trekgewicht en kogeldruk Motor Versnellingsbak Max. gewicht geremde aanhanger (kg) Max. kogeldruk (kg) 2.0T Handbak, MMT6 1800 90 2.0T Automaat, MPS6 1800 90 T6 AWD Automaat, TF-80SC 1800 90 D3 Handbak, M66 1600 75 D3 Automaat, TF-80SC 1600 75 D5 Handbak, M66 1600 75 D5 Automaat, TF-80SC 1800 90 D5 AWD Automaat, TF-80SC 1800 90 Max. gewicht ongeremde aanhanger (kg) 750 342 Max.
09 Specificaties Motorspecificaties 09 Motorspecificaties Model Motorcode Vermogen (kW bij omw/ min) Vermogen (pk bij omw/ min) Motorkoppel (Nm bij omw/ min) Aantal cilinders Cilinderboring (mm) Slaglengte (mm) Slagvolume (liter) Compressieverhouding 2.
09 Specificaties 09 Motorolie Ongunstige rijomstandigheden In ongunstige rijomstandigheden kunnen de olietemperatuur en het olieverbruik abnormaal toenemen. Hier volgen enkele voorbeelden van ongunstige rijomstandigheden. Controleer het oliepeil vaker bij lange ritten: • met een caravan of aanhanger achter de auto • in bergachtig gebied • op hoge snelheden • in temperaturen lager dan –30 °C of hoger dan +40 °C Het bovenstaande geldt ook tijdens kortere ritten bij lage temperaturen.
09 Specificaties Motorolie 09 Motoroliekwaliteit Motortype Motorcode Bij te vullen hoeveelheid tussen MIN en MAX (liter) Hoeveelheid, incl. oliefilter (liter) T6 B6304T4 Oliekwaliteit: ACEA A5/B5 1,2 6,8 D3 D5204T2 Viscositeit: SAE 0W-30 1,0 5,9 D5 D5244T10 1,0 5,9 2.0T B4204T6 0,6 4,1 Oliekwaliteit: ACEA A5/B5 Viscositeit: SAE 5W-30 Bij ritten onder ongunstige omstandigheden ACEA A5/B5 SAE 0W-30 gebruiken.
09 Specificaties Vloeistoffen en smeermiddelen 09 Overige vloeistoffen en smeermiddelen Handgeschakelde versnellingsbak Hoeveelheid (liter) MMT6 1,7 M66 1,9 Voorgeschreven versnellingsbakolie BOT 350M3 Automatische versnellingsbak Hoeveelheid (liter) MPS6 7,3 TF-80SC 7,0 Voorgeschreven versnellingsbakolie BOT 341 Vloeistof Systeem Koelvloeistof 2.0T 10,5 T6, D3 en D5 8,9 Door Volvo aanbevolen koelvloeistof aangelengd met 50 % waterA, zie verpakking.
09 Specificaties Vloeistoffen en smeermiddelen 09 N.B. Onder normale rijomstandigheden hoeft u de versnellingsbakolie nooit te verversen. Onder ongunstige rijomstandigheden moet de olie mogelijk wel worden ververst, zie pagina 346.
09 Specificaties 09 Brandstof CO2-uitstoot en brandstofverbruik A C 2.0T 263 11,3 146 6,3 189 8,1 2.
09 Specificaties Brandstof van belading van de auto zorgt voor een verhoging van het brandstofverbruik en de uitstoot van kooldioxide. Er zijn meerdere oorzaken aan te geven voor een verhoogd brandstofverbruik ten opzichte van de tabelwaarden. Daarbij valt te denken aan factoren als: • uw rijstijl. • de grotere rolweerstand als u kiest voor grotere wielen dan de standaardwielen op de basisuitvoering van het model. • de grotere luchtweerstand bij hogere snelheden.
09 Specificaties 09 Wielen en banden, maten en spanning Goedgekeurde maten In bepaalde landen staan niet alle goedgekeurde maten aangegeven op het kentekenbewijs of andere autopapieren. In de onder- Motor 2.0T FWD/ handb./ AWD autom. LI FWD handb. 91 autom. SS laandrijving (FWD) of vierwielaandrijving (AWD) alsook het type versnellingsbak vereist. Voor meer informatie over deze gegevens, zie pagina 338.
09 Specificaties Wielen en banden, maten en spanning 09 Goedgekeurde bandenspanningswaarden Variant Bandenmaat Snelheid Belading, 1–3 inzittenden Max. belading (km/h) 2.
09 Specificaties Wielen en banden, maten en spanning 09 Variant Bandenmaat Snelheid Belading, 1–3 inzittenden Max.
09 Specificaties Elektrisch systeem Elektrisch systeem Op de auto zit een wisselstroomdynamo met spanningsregelaar. Het elektrische systeem is enkelpolig en gebruikt het chassis en het motorblok als geleiders. De accucapaciteit is afhankelijk van de uitrusting op de auto. 09 BELANGRIJK Let er bij het vervangen van de accu op, dat de nieuwe accu dezelfde koudestartcapaciteit en reservecapaciteit als de originele accu heeft (zie sticker op de accu).
09 Specificaties 09 Typegoedkeuring Afstandsbedieningssysteem Land A, B, CY, CZ, D, DK, E, EST, F, FIN, GB, GR, H, I, IRL, L, LT, LV, M, NL, P, PL, S, SK, SLO IS, LI, N, CH HR 354 Land ROK Hierbij verklaart Delphi dat het gebruikte transpondersleutelsysteem in overeenstemming is met de essentiële eigenschappen en overige relevante bepalingen zoals beschreven in de EU-richtlijn 1999/5/ EG.
09 Specificaties Typegoedkeuring 09 Verklaring van overeenstemming Land Landen binnen de EU Exportland: Japan Producent: Alpine Electronics Inc. Type uitrusting: Bluetooth-eenheid Breng voor meer informatie een bezoek aan http://ec.europa.eu/enterprise/rtte/faq.
09 Specificaties 09 Typegoedkeuring Land 356 Tsjechië: Alpine Electronics, Inc. tímto prohlašuje, že tento Bluetooth Module je ve shodě se základními požadavky a dalšími příslušnými ustanoveními směrnice 1999/5/ES. Denemarken: Undertegnede Alpine Electronics, Inc. erklærer herved, at følgende udstyr Bluetooth Module overholder de væsentlige krav og øvrige relevante krav i direktiv 1999/5/EF. Duitsland: Hiermit erklärt Alpine Electronics, Inc.
09 Specificaties Typegoedkeuring 09 Land Estland: Käesolevaga kinnitab Alpine Electronics, Inc. seadme Bluetooth Module vastavust direktiivi 1999/5/EÜ põhinõuetele ja nimetatud direktiivist tulenevatele teistele asjakohastele sätetele. Groot-Brittannië: Hereby, Alpine Electronics, Inc., declares that this Bluetooth Module is in compliance with the essential requirements and other relevant provisions of Directive 1999/5/EC. Spanje: Por medio de la presente Alpine Electronics, Inc.
09 Specificaties 09 Typegoedkeuring Land 358 Polen: Niniejszym Alpine Electronics, Inc. oświadcza, że Bluetooth Module jest zgodny z zasadniczymi wymogami oraz pozostałymi stosownymi postanowieniami Dyrektywy 1999/5/EC. Portugal: Alpine Electronics, Inc. declara que este Bluetooth Module está conforme com os requisitos essenciais e outras disposições da Directiva 1999/5/CE. Slovenië: Alpine Electronics, Inc.
09 Specificaties Typegoedkeuring 09 Land China: कϝᴵǂ䖯ষ⫳ѻॖଚ݊ѻકⱘ䇈ᯢкՓ⫼ݠЁˈᑨߞॄϟ䗄᳝݇ݙᆍ˖ ᷛᯢ䰘ӊЁ᠔㾘ᅮⱘᡔᴃᣛᷛՓ⫼㣗ೈˈ䇈ᯢ᠔᳝ࠊǃ䇗ᭈঞᓔ݇ㄝՓ⫼ᮍ⊩˗ Ƶ Փ⫼乥⥛˖ *+] Ƶ ㄝᬜܼ䕤ᇘࡳ⥛ (,53 ˖㒓Ⲟ˘ G%L ᯊ˖싨 P: 싨 G%P ǂķ Ƶ ᳔ࡳ⥛䈅ᆚᑺ˖㒓Ⲟ˘ G%L ᯊ˖싨 G%P 0+] (,53 ķ Ƶ 䕑乥ᆍ䰤˖ SSP Ƶ ᴖᬷথᇘ 䕤ᇘ ࡳ⥛ ᇍᑨ䕑⊶f ֵס䘧ᏺᆑҹ ˖ • • • • • 싨 G%P N+] 0+] 싨 G%P N+] *+] 싨 G%P 0+] *+] 싨 G%P 0+] *+] 싨 G%P 0+] ݊ᅗ *+] ϡᕫ᪙㞾ᬍথᇘ乥⥛ǃࡴথᇘࡳ⥛ ࣙ
09 Specificaties 09 Typegoedkeuring Land Taiwan: ܅㧤ሽंᘿ୴ࢤሽᖲጥ䏺ऄรԼ㦕 รԼԲය ᆖীڤᎁᢞٽհפ܅୴᙮ሽᖲΔॺᆖױΔֆΕᇆࢨࠌ݁ृشլᖐ۞!᧢ޓ᙮ΕףՕפࢨ᧢ޓૠհࢤ ֗פ౨Ζ รԼය פ܅୴᙮ሽᖲհࠌشլᐙଆڜ٤֗եឫٽऄຏॾΙᆖ࿇ڶեឫွழΔ!ᚨܛمೖشΔࠀޏ۟ྤեឫழֱᤉ ᥛࠌشΖছႈٽऄຏॾΔਐࠉሽॾऄࡳ!܂ᄐհྤᒵሽຏॾΖפ܅୴᙮ሽᖲႊٽ࠹ݴऄຏॾࢨՠᄐΕઝᖂ֗᠔᛭شሽं ᘿ୴ࢤሽᖲໂհեឫΖ CCAB10LP0230T7 360
09 Specificaties Typegoedkeuring 09 Land Zuid-Korea: Applicant name: VOLVO Product information: 뇗빃 뇐ꚯ Customer information: 際闘 뇐ꚯ User caution: ꩧ끤녋 늷넓ꩧ뼨 Applicant code: 겛뙨녋 뤏麗 Product name: 뇗빃 ꑀ Model name: ꑣ鴳 ꑀ Production date: ꪘꩫ 驛뎗 Alpine Electronics Inc. Production country: Japan When the product has broken, it must put the contact information (company’s name, phone No. URL) on the handbook so that the enduser can contact the after service/customer service.
09 Specificaties 09 Typegoedkeuring Land Verenigde Arabische Emiraten Jordanië: BT module certification number: TRC/LPD/2010/4. Zuid-Afrika 362 Urugay IAM2.1 contains URSEC approved IAM2.1 BT PWB EU. Jamaica Approved for use in Jamaica SMA EI: IAM2.1 Thailand This telecommunication equipment conforms to NTC technical requirement.
09 Specificaties Typegoedkeuring 09 Land Nigeria Mexico Waarschuwing " Este equipo opera a titulo secundario, consecuentemente, debe aceptar interferencias perjudiciales incluyendo equipos de la misma clase y puede no causar interferencias a sistemas operando a titulo primario." Bluetooth module installation information- This module board is to be installed only by the professional line operator and used only for car audio produced by ALPINE ELECTRONICS, INC.
09 Specificaties 09 Displaysymbolen Algemene informatie Er worden tal van verschillende displaysymbolen gebruikt in de auto. De symbolen zijn onderverdeeld in waarschuwings-, controleen informatiesymbolen. Hier volgt een overzicht van de meest voorkomende symbolen met hun betekenis en een verwijzing naar de pagina(’s) in het boek waar u meer informatie kunt vinden. Voor meer informatie over de symbolen en displaymeldingen, zie pagina 74, 75 en 130.
09 Specificaties Displaysymbolen Symbool Betekenis Pagina Richtingaanwijzers links 74 Richtingaanwijzers rechts 74 Symbool Overige informatiesymbolen op instrumentenpaneel Pagina Betekenis Pagina Adaptieve cruisecontrol*; afstandscontrole* (Distance Alert) 164, 171 ABL* 86 Adaptieve cruisecontrol*; afstandscontrole* (Distance Alert) 164, 171 Tankvulklep rechts 265 Accuspanning laag 149 163 Handrem 123 169, 184 Regensensor* 95 Driver Alert System* 187, 188 Driver Alert System*; L
09 Specificaties 09 Displaysymbolen Informatiesymbolen op display plafondconsole Symbool 366 Betekenis Pagina Gordelwaarschuwing 20 Airbag passagiersstoel, geactiveerd 24, 25 Airbag passagiersstoel, gedeactiveerd 25
09 Specificaties 09 367
10 Alfabetisch register A 10 Aanbevolen veiligheidzitjes, tabel.............. 35 geactiveerd alarm uitschakelen............ 66 tijdelijk uitschakelen.............................. 66 Alarmlichten............................................... 88 274 274 279 274 Afstandsbediening .................................. 241 batterij vervangen .............................. 242 Alarmsysteem testen................................. 66 Afstandsbediening HomeLink programmeerbaar ..............................
10 Alfabetisch register 113 275 114 281 Bedieningselementen middenconsole .......................... 211, 256 Beveiliging tegen overbelasting, schuifdak........................................................... 105 Bedieningsknoppen middenconsole................................... 133 Blaasmonden........................................... 140 Automatische wasstraten........................ 330 Bedieningspaneel verlichting..................... 85 Auto wassen..........................................
10 Alfabetisch register 10 C D Camerasensor................................. 175, 182 DAB-radio................................................ 223 CD ........................................................... 226 Dagtellers................................................... 77 Chassisstanden....................................... 156 Dakbelasting, max. gewicht .................... 341 City Safety™............................................ 174 Claxon.............................................
10 Alfabetisch register F Gloeilampen, zie Verlichting.................... 311 I Follow Me home-verlichting...................... 90 Gloeilampen achterlamphuis: positie................................................. 314 FOUR-C – Actief chassis......................... 156 Gordelwaarschuwing................................. 20 IC-systeem – Inflatable Curtain................. 28 FSC, milieulabel......................................... 15 Groot licht/dimlicht, zie Verlichting............
10 Alfabetisch register 10 Interior Air Quality System (IAQS) ........... 146 Klimaatregeling........................................ 138 algemene informatie........................... 138 sensoren............................................. 138 Intervalstand.............................................. 95 Klok, instellen............................................. 77 iPod, aansluiting.................................... 231 Knipperlichten............................................
10 Alfabetisch register Menufuncties infotainment ..................... 256 Menusysteem infotainment .................... 256 Menusysteem MY CAR........................... 133 Meters op het instrumentenpaneel brandstofmeter..................................... 74 snelheidsmeter..................................... 74 toerenteller............................................ 74 Middenconsole........................................ 133 Milieulabel, FSC, instructieboekje............. 15 Mistlichten achter.....
10 Alfabetisch register Poetsen.................................................... 331 10 Powershift-versnellingsbak.............. 116, 281 Privacy locking........................................... 50 Provisorische bandenreparatie................ 297 remlichten............................................. 87 remsysteem........................................ 120 remvloeistof bijvullen.......................... 309 symbolen op instrumentenpaneel...... 121 Ruitensproeiervloeistof, bijvullen.............
10 Alfabetisch register SIPS-airbags.............................................. 26 Sleepoog.................................................. 282 Slepen...................................................... 281 sleepoog............................................. 282 Sproeiers sproeiervloeistof, bijvullen.................. 318 voorruit.................................................. 96 Sproeikoppen, verwarmde........................ 96 Sleutel........................................................
10 Alfabetisch register 10 Symbolen controlesymbolen................................. 74 informatiesymbolen.............................. 74 waarschuwingssymbolen..................... 74 spraakherkenning............................... telefoonboek....................................... telefoonboek, sneltoets...................... telefoon registreren............................. 252 247 247 244 Symbolen en meldingen Afstandscontrole................................
10 Alfabetisch register afmetingscategorieën voor veiligheidszitjes met ISOFIX-bevestigingssysteem...................................................... 38 bovenste bevestigingspunten voor kinderzitjes................................................ 40 ISOFIX-bevestigingssysteem voor kinderzitjes................................................ 37 Velgen schoonmaken..................................... 331 Ventilatie.................................................. 140 Ventilator...........................
10 Alfabetisch register Whiplash-letsel, WHIPS............................. 29 10 WHIPS kinderzitje/comfortkussen.................... 29 whiplash-letsel...................................... 29 Wielen aanbrengen......................................... reservewiel.......................................... sneeuwkettingen................................. velgen................................................. verwisselen......................................... 291 291 288 287 290 Wielen en banden.......
Kdakd 8Vg 8dgedgVi^dc IE &&-(( 9jiX] ! 6I &%'%! Eg^ciZY ^c HlZYZc! <iZWdg\ '%&%! 8deng^\]i © '%%%"'%&% Kdakd 8Vg 8dgedgVi^dc