6FKHLEHQUHLQLJXQJVIOVVLJNHLW: Darauf achten, daß der Behälter stets gut gefüllt ist. Im Winter Frostschutz nicht vergessen! Siehe Seite 136. 6HUYROHQNXQJ: Der Füllstand muß zwischen der MIN- und der MAX-Markierung liegen, siehe Seite 137. .KOPLWWHO: Der Füllstand muß zwischen der MIN- und der MAX-Markierung des Ausgleichbehälters liegen, siehe Seite 136. gO: Der Füllstand muß zwischen der MIN- und der MAX-Markierung des Meßstabs liegen, siehe Seite 135.
Volvo Service Bepaalde onderhoudswerkzaamheden aan de elektrische systemen van de auto kunnen alleen worden uitgevoerd met speciaal ontwikkelde elektronische apparatuur. Neem daarom altijd contact op met uw Volvo-werkplaats, voordat u onderhoudswerkzaamheden aan het elektrisch systeem laat uitvoeren. Installatie van accessoires Een verkeerde aansluiting en installatie van accessoires kan de werking van de elektronische systemen van de auto negatief beïnvloeden.
,QOHLGLQJ Inhoud Gebruik van het instructieboekje In het instructieboekje vindt u tips en adviezen voor het gebruik en onderhoud van uw auto. U vindt er tevens belangrijke informatie voor de veiligheid van u en uw medepassagiers. Gebruik het instructieboekje om specifieke informatie op te zoeken en de verschillende functies van uw auto te leren kennen. Het instructieboekje helpt u om de mogelijkheden van uw Volvo maximaal te benutten.
2
Inhoud Veiligheid Instrumenten, schakelaars en bediening Klimaatregeling Interieur Sloten en alarm Starten en rijden Wielen en banden Verzorging Onderhoud en service Technische gegevens Audiosysteem (extra) Telefoon (extra) Alfabetisch register 9 27 51 63 79 91 117 123 129 153 163 183 197 3
Dashboard Auto met linkse besturing 4
1. Mistlampen, vóór 2. Koplampen/Zijmarkeringslichten/stadslichten 3. Mistachterlicht 4. Richtingaanwijzers/ Schakelaarhendel groot licht/dimlicht 5. Cruise control 6. Claxon 7. Instrumentenpaneel 8. Toetsenset telefoon-/ Audiosysteem 9. Voorruitwisser 10. Handrem (parkeerrem) 11. Schakelaarpaneel 12. Klimaatregeling 13. Audiosysteem 14. Elektrische aansluiting/ Aansteker 15. Alarmlichten 16. Dashboardkastje 17. Blaasmond 18. Display 19. Temperatuurmeter 20. Kilometerteller/Dagteller/ Cruise control 21.
Dashboard Auto met rechtse besturing 6
1. Mistachterlicht 2. Koplampen/Zijmarkeringslichten/stadslichten 3. Mistlampen, vóór 4. Voorruitwisser 5. Toetsenset telefoon-/ Audiosysteem 6. Claxon 7. Instrumentenpaneel 8. Cruise control 9. Richtingaanwijzers/ Schakelaarhendel groot licht/ dimlicht 10. Handrem (parkeerrem) 11. Elektrische aansluiting/ Aansteker 12. Klimaatregeling 13. Audiosysteem 14. Schakelaarpaneel 15. Alarmlichten 16. Dashboardkastje 17. Blaasmond 18. Controle- en waarschuwingslampjes 19. Brandstofmeter 20.
8
Veiligheid Veiligheidsgordels 10 Airbags (SRS) 12 SIPS-airbags (Zij-airbag) 15 Opblaasgordijn (IC-systeem) 17 Activering van de airbags en de opblaasgordijnen 18 Inspectie van de airbags, opblaasgordijnen en gordelspanners 19 WHIPS-systeem 20 Kinderen en veiligheid 22 9
9HLOLJKHLG 9HLOLJKHLGVJRUGHOV Doe altijd de veiligheidsgordel om Zelfs bij alleen hard remmen kan het niet dragen van een veiligheidsgordel ernstige gevolgen hebben! Vraag daarom altijd aan uw passagiers om de veiligheidsgordel om te doen! Dit om te voorkomen dat bij een aanrijding de passagiers op de achterbank tegen de rugleuning van de voorstoelen worden geslingerd. Alle inzittenden kunnen daarbij gewond raken.
9HLOLJKHLG Veiligheidsgordels en gordelspanners Alle veiligheidsgordels zijn uitgerust met gordelspanners. Een geringe hoeveelheid springstof, ingebouwd in het oprolmechanisme, wordt bij een botsing tot ontploffing gebracht. Hierdoor wordt de veiligheidsgordel strak over het lichaam van de inzittende getrokken om eventuele speling door dikke kledingsstukken weg te nemen. De gordel houdt de inzittende zo beter tegen.
9HLOLJKHLG $LUEDJV 656 $XWR PHW UHFKWVH EHVWXULQJ $XWR PHW OLQNVH EHVWXULQJ Airbag aan bestuurderszijde Om de passieve veiligheid van uw auto nog verder te verhogen is uw auto uitgerust met een airbag (SRS1) als aanvulling op de driepuntsgordels. De airbag, een opblaasbare luchtzak, is opgevouwen in het hart van het stuurwiel gemonteerd. Het stuurwiel is voorzien van het opschrift SRS. In opgeblazen toestand heeft de airbag een inhoud van ca. 60 liter.
9HLOLJKHLG WAARSCHUWING $LUEDJ SDVVDJLHUV]LMGH • Bevestig QRRLW een kinderzitje op de passagiersstoel, als de auto is uitgerust met een airbag aan de passagierszijde (SRS). • Laat kinderen QRRLW voor de passagierstoel zitten of staan. • Personen kleiner dan 1,40 m mogen QRRLW op de passagiersstoel plaatsnemen. • Laat de passagier zoveel mogelijk rechtop zitten met de voeten op de vloer en de rug tegen de rugleuning. De passagier moet de veiligheidsgordel omdoen.
9HLOLJKHLG $LUEDJV 656 (vervolg) WAARSCHUWING Verricht QRRLW zelf reparaties aan het SRSof SIPS-airbagsysteem. Ingrepen in het systeem kunnen aanleiding geven tot storingen in de werking en ernstige verwondingen veroorzaken. Laat dergelijke ingrepen daarom over aan een erkende Volvo-werkplaats. 656 V\VWHHP DXWR PHW OLQNVH EHVWXULQJ 656 V\VWHHP DXWR PHW UHFKWVH EHVWXULQJ SRS-systeem Het SRS-systeem bestaat uit een gasgenerator (1) met daaromheen een opblaasbare airbag (2).
9HLOLJKHLG 6,36 DLUEDJV =LM DLUEDJ Kinderzitjes en SIPS-airbags Als uw auto alleen voorzien is van SIPS-airbags (en dus geen airbag aan de passagierszijde (SRS)), mag u een kinderzitje op de passagiersstoel aanbrengen. WAARSCHUWING 2SJHEOD]HQ 6,36 DLUEDJ SIPS-airbags, (zij-airbags) De SIPS-airbags verhogen de passieve veiligheid in de passagiersruimte. Het SIPS-airbagsysteem is opgebouwd uit twee hoofdonderdelen: de SIPS-airbags en de sensoren.
9HLOLJKHLG 6,36 DLUEDJV =LM DLUEDJ (vervolg) $XWR PHW OLQNVH EHVWXULQJ SIPS-airbagsysteem Het SIPS-airbagsysteem bestaat uit gasgeneratoren (1), elektrische sensoren, kabels (3) en SIPS-airbags (2). Bij een voldoende krachtige aanrijding, worden de gasgeneratoren geactiveerd door de sensoren. De SIPS-airbags worden vervolgens opgeblazen. De airbags worden opgeblazen tussen de inzittenden en het portierpaneel. De klap van een aanrijding wordt opgevangen, waarna de airbags weer leeglopen.
9HLOLJKHLG 2SEODDVJRUGLMQ ,& V\VWHHP Opblaasgordijn (IC-systeem) (Inflatable Curtain) Het opblaasgordijn beschermt de inzittenden tegen hoofdletsel, wanneer ze met hun hoofd tegen de zijkant of het plafond van de auto stoten. Het opblaasgordijn biedt eveneens bescherming tegen de obstakels waar de auto tegenop botst. Het IC-systeem beschermt de inzittenden voor en achter in de auto. Het opblaasgordijn gaat schuil achter de plafondbekleding.
9HLOLJKHLG $FWLYHULQJ YDQ GH DLUEDJV HQ GH RSEODDVJRUGLMQHQ Airbags aan bestuurderszijde en passagierszijde (SRS) De airbags worden geactiveerd: SIPS-airbags en opblaasgordijnen (SIPS-airbag en IC-systeem) • als het gevaar bestaat dat de inzittenden op de voorstoelen verwondingen oplopen, wanneer ze in contact komen met het dashboard of het stuurwiel. Het SRS-systeem registreert de kracht van een eventuele botsing en de mate van vertraging die deze veroorzaakt.
9HLOLJKHLG ,QVSHFWLH YDQ GH DLUEDJV RSEODDVJRUGLMQHQ HQ JRUGHOVSDQQHUV De stickers op de portierstijl(en) geven het jaar en de maand aan waarin u contact moet opnemen met uw erkende Volvo-werkplaats om de airbags en/of gordelspanners te laten controleren en eventueel vervangen. Neem voor meer informatie over de systemen contact op met een erkende Volvo-werkplaats.
9HLOLJKHLG :+,36 V\VWHHP WHIPS-systeem (Whiplash Protection System) Het WHIPS-systeem bestaat uit energie-absorberende rugleuningen en speciaal ontwikkelde hoofdsteunen voor de voorstoelen. Stoel met WHIPS-systeem Het WHIPS-systeem wordt geactiveerd bij een aanrijding van achteren, afhankelijk van de hoek waaronder en de snelheid waarmee het achteropkomende voertuig de auto raakt en de materiaaleigenschappen van dat voertuig.
9HLOLJKHLG WAARSCHUWING WAARSCHUWING Let erop dat u de werking van het WHIPSsysteem niet beïnvloedt! • Als u één van de ruggedeelten van de achterbank hebt neergeklapt, moet u de voorstoel aan dezelfde kant zodanig bijstellen dat de rugleuning van de stoel niet tegen het neergeklapte ruggedeelte van de achterbank aankomt. • Plaats geen koffers en dergelijke tussen het zitgedeelte van de achterbank en de rugleuning van de voorstoelen.
9HLOLJKHLG .LQGHUHQ HQ YHLOLJKHLG Kinderen moeten comfortabel en veilig zitten Onthoud dat alle kinderen, ongeacht hun leeftijd en lengte, een veiligheidsgordel moeten dragen. Laat kinderen nooit bij passagiers op schoot zitten! Aan de hand van het gewicht van het kind bepaalt u welke uitrusting u nodig hebt en waar u deze moet aanbrengen (zie pagina 25). De veiligheidsuitrusting voor kinderen die Volvo biedt is afgestemd op het gebruik in uw auto.
9HLOLJKHLG Plaatsing van het kind *HZLFKW OHHIWLMG 9RRUVWRHO %XLWHQVWH ]LWSODDWVHQ DFKWHUEDQN <10 kg (tot 9 maanden) Mogelijkheden: 1. Achterstevoren gemonteerd babyzitje, te bevestigen met veiligheidsgordel. L: 7\SHJRHGN ( 2. Achterstevoren gemonteerd babyzitje, te bevestigen met ISOFIX-systeem. L: 7\SHJRHGN ( 3. Achterstevoren gemonteerd babyzitje, te bevestigen met veiligheidsgordel en bevestigingsband. L: 7\SHJRHGN ( Mogelijkheden: 1.
9HLOLJKHLG .LQGHUHQ HQ YHLOLJKHLG (vervolg) Zorg dat: • de veiligheidsgordel goed strak langs het lichaam van het kind loopt en nergens slap hangt of verdraaid is; • de veiligheidsgordel goed over de schouder loopt; • de heupgordel laag over de heupen, het bekken, loopt om optimale bescherming te bieden; • de diagonale schoudergordel niet tegen de nek van het kind aankomt of onder de schouder langs loopt. Stel de stand van de hoofdsteun zorgvuldig af op de lengte van het kind.
9HLOLJKHLG WAARSCHUWING Kinderzitje uitklappen: • klap het kinderzitje omlaag; • haal de klittenband los; klap het bovenste gedeelte weer op. Opklappen in ruggedeelte achterbank: • klap het ruggedeelte (A) van het kinderzitje omlaag; • bevestig het stuk klittenband (B); • klap het kinderzitje in het ruggedeelte (C) van de achterbank op.
9HLOLJKHLG .LQGHUHQ HQ YHLOLJKHLG (vervolg) Belangrijke adviezen! Bij het gebruik van andere in de handel zijnde veiligheidsproducten voor kinderen is het EHODQJULMN dat u de meegeleverde montagevoorschriften zorgvuldig doorleest en nauwkeurig opvolgt. Hier volgen enkele punten waar u op moet letten: • Gebruik geen kinderzitjes met stalen beugels of andere constructies die tegen de ontgrendelingsknop van de gordelsluiting aan kunnen komen. Dit om te voorkomen dat de gordels plotseling kunnen ontgrendelen.
Instrumenten, schakelaars en bediening Instrumentenpaneel 28 Controle- en waarschuwingslampjes 29 Schakelaars op middenconsole 34 Verlichtingspaneel 36 Richtingaanwijzerhendel 37 Ruitenwisser/-sproeier 38 Alarmlichten, elektrisch verwarmde achterruit/ buitenspiegels/voorstoelen 39 Boordcomputer (extra) 40 Cruise control (extra) 41 Handrem, elektrische aansluiting/ aansteker 42 Stuurwielafstelling 43 Elektrisch bediende ramen 44 Achteruitkijkspiegel en buitenspiegels 46 Elektrisch bediend schuifdak (extra) 4
,QVWUXPHQWHQ VFKDNHODDUV HQ EHGLHQLQJ ,QVWUXPHQWHQSDQHHO 7HPSHUDWXXUPHWHU De temperatuurmeter geeft de temperatuur in het koelsysteem van de motor aan. Op het display verschijnt een bericht, als de temperatuur abnormaal hoog is en de naald tot in het rode gebied uitslaat. Let erop dat verstralers voor de radiateurgrille het koelvermogen verminderen bij een hoge buitentemperatuur en een zware belasting van de motor.
,QVWUXPHQWHQ VFKDNHODDUV HQ EHGLHQLQJ &RQWUROH HQ ZDDUVFKXZLQJVODPSMHV De controle- en waarschuwingslampjes lichten korte tijd op, wanneer u vóór het starten de contactsleutel in de rijstand (stand II) draait. Dit geeft aan dat de lampjes naar behoren werken. Wanneer de motor is aangeslagen, doven alle lampjes weer. Als de motor niet binnen 5 seconden aanslaat, doven alle lampjes behalve de symbolen en .
,QVWUXPHQWHQ VFKDNHODDUV HQ EHGLHQLQJ &RQWUROH HQ ZDDUVFKXZLQJVODPSMHV (vervolg) Storing in remsysteem Storing in ABS-systeem Als het waarschuwingssymbool voor het ABS-systeem oplicht, werkt het ABS-systeem niet meer. Het normale remsysteem van de auto werkt dan nog, zij het zonder ABS-regeling. • Breng de auto op een veilige plaats tot stilstand en zet de motor af. Start de motor opnieuw. • Als het waarschuwingssymbool dooft, kunt u verder rijden. Er was dan geen sprake van een werkelijke storing.
,QVWUXPHQWHQ VFKDNHODDUV HQ EHGLHQLQJ Gordelwaarschuwing Storing in SRS-systeem Handrem aangetrokken Het waarschuwingssymbool voor de veiligheidsgordels brandt, zolang de bestuurder de gordel niet heeft omgedaan. Als het waarschuwingssymbool voor het ABS-systeem oplicht, is er een storing in het SRS geregistreerd. Rijd de auto naar een erkende Volvo-werkplaats om het systeem te laten controleren. Let erop dat het lampje alleen aangeeft dát u de handrem hebt aangetrokken en niet hoe hard.
,QVWUXPHQWHQ VFKDNHODDUV HQ EHGLHQLQJ &RQWUROH HQ ZDDUVFKXZLQJVODPSMHV (vervolg) Stabiliteitssysteem STC* en DSTC* Storing in STC/DSTC-systeem Als het waarschuwingssymbool oplicht en continu brandt, terwijl u geen van de systemen hebt uitgeschakeld is er sprake van een storing in één van de systemen. De tekst “ANTI-SKID SERVICE VEREIST” verschijnt op het display. Het STC/DSTC-systeem staat uitvoeriger beschreven op pagina 34 en pagina 104.
,QVWUXPHQWHQ VFKDNHODDUV HQ EHGLHQLQJ Displaybericht Wanneer er een controle- of waarschuwingssymbool oplicht, verschijnt er tevens een bericht op het display. Wanneer u het bericht gelezen en begrepen hebt, kunt u op de knop READ (A) drukken. Het bericht wordt dan van het display gewist en in een geheugen opgeslagen. Het bericht blijft in het geheugen opslagen, totdat u de onderliggende storing hebt laten verhelpen.
,QVWUXPHQWHQ VFKDNHODDUV HQ EHGLHQLQJ 6FKDNHODDUV RS PLGGHQFRQVROH 2PODDJNODSSHQ YDQ EXLWHQVWH KRRIG VWHXQHQ DFKWHUEDQN (extra) Klap de hoofdsteunen niet omlaag, als er iemand op één van beide buitenste zitplaatsen van de achterbank zit. ,QNODSEDUH EXLWHQVSLHJHOV (extra) Met deze knop kunt u de elektrisch bediende buitenspiegels in- en uitklappen. • Draai de contactsleutel in stand I of II.
,QVWUXPHQWHQ VFKDNHODDUV HQ EHGLHQLQJ 67& '67& V\VWHHP Met deze knop kunt u de functie van het STC/ DSTC-systeem beperken of een geldende beperking opheffen. Wanneer de LED in de knop brandt, is het STC/ DSTC-systeem actief (voor zover er geen sprake is van een storing). .RIIHUGHNVHO YHUJUHQGHOHQ (bepaalde landen) Druk op de aangegeven knop om het kofferdeksel te vergrendelen.
,QVWUXPHQWHQ VFKDNHODDUV HQ EHGLHQLQJ 9HUOLFKWLQJVSDQHHO A – Koplampen en stadslichten D – Mistlampen, vóór (extra) &RQWDFWVOHXWHO LQ VWDQG ,, Druk op de knop. De mistlampen vóór branden in combinatie met de stadslichten en het groot licht/dimlicht. De LED in de knop brandt, wanneer u de mistlampen hebt ingeschakeld. Alle verlichting uit.
,QVWUXPHQWHQ VFKDNHODDUV HQ EHGLHQLQJ 5LFKWLQJDDQZLM]HUKHQGHO 7HUXJYHUHQGH VWDQG Bij het wisselen van rijstrook of inhalen duwt u de hendel zo ver omhoog of omlaag dat deze merkbaar weerstand biedt. De hendel keert in de ruststand terug, wanneer u deze loslaat. 1RUPDOH ERFKW De richtingaanwijzers gaan knipperen, wanneer u de hendel met het stuurwiel mee beweegt. Wanneer u het stuurwiel na de bocht weer in de uitgangspositie terugdraait, worden de richtingaanwijzers automatisch uitgeschakeld.
,QVWUXPHQWHQ VFKDNHODDUV HQ EHGLHQLQJ 5XLWHQZLVVHU VSURHLHU Regensensor (extra) De regensensor vervangt de intervalfunctie. De ruitenwissers gaan automatisch sneller of langzamer slaan afhankelijk van de hoeveelheid regen op de voorruit die de regensensor registreert. U kunt de JHYRHOLJKHLG van de sensor afstellen met behulp van de ring (zie afbeelding) op de wisserhendel. Doe het volgende om de regensensor te activeren: • Schakel het contact in. Duw de hendel vanuit stand 0 in de intervalstand.
,QVWUXPHQWHQ VFKDNHODDUV HQ EHGLHQLQJ $ODUPOLFKWHQ HOHNWULVFK YHUZDUPGH DFKWHUUXLW EXLWHQVSLHJHOV YRRUVWRHOHQ Elektrisch verwarmde buitenspiegels en achterruit Alarmlichten Gebruik de alarmlichten (alle richtingaanwijzers knipperen), wanneer u de auto noodgedwongen tot stilstand moet brengen of moet parkeren op een plaats waar deze gevaar of hinder voor het overige verkeer oplevert. Druk op de knop om de alarmlichten in te schakelen.
,QVWUXPHQWHQ VFKDNHODDUV HQ EHGLHQLQJ %RRUGFRPSXWHU (extra) Bediening Functies Om toegang te krijgen tot de informatie van de boordcomputer moet u de ring (B) op de hendel stapsgewijs linksom of rechtsom draaien. Wanneer u na het laatste menu nogmaals aan de ring draait, keert u terug in de uitgangspositie. De boordcomputer krijgt een grote hoeveelheid gegevens binnen die voortdurend door een microprocessor worden beoordeeld.
,QVWUXPHQWHQ VFKDNHODDUV HQ EHGLHQLQJ &UXLVH FRQWURO H[WUD Tijdelijk uitschakelen Uitschakelen Druk op om de Cruise control tijdelijk uit te schakelen. Druk op CRUISE om de Cruise control uit te schakelen. De tekst “CRUISE” verdwijnt van het instrumentenpaneel. U kunt van de ingestelde snelheid afwijken, wanneer u op het rem- of koppelingspedaal trapt. De eerder ingestelde snelheid blijft in het geheugen opgeslagen.
,QVWUXPHQWHQ VFKDNHODDUV HQ EHGLHQLQJ +DQGUHP HOHNWULVFKH DDQVOXLWLQJ DDQVWHNHU Handrem (parkeerrem) De handremhendel zit tussen de beide voorstoelen. De handrem werkt op de achterwielen. Wanneer u de handrem hebt aangetrokken, brandt het waarschuwingssymbool op het instrumentenpaneel. Om de auto van de handrem te halen moet u de hendel iets omhoogtrekken en de knop indrukken.
,QVWUXPHQWHQ VFKDNHODDUV HQ EHGLHQLQJ 6WXXUZLHODIVWHOOLQJ U kunt het stuurwiel zowel in de hoogte als in de lengte verstellen. Duw de hendel aan de linkerzijde van de stuurkolom omlaag. Zet vervolgens het stuurwiel in de gewenste stand. Duw de hendel weer in positie terug om het stuurwiel in de nieuwe stand te blokkeren. Als dit veel moeite kost, kunt u het stuurwiel lichtjes omhoog- of omlaagbewegen wanneer u de blokkeerhendel terugduwt.
,QVWUXPHQWHQ VFKDNHODDUV HQ EHGLHQLQJ (OHNWULVFK EHGLHQGH UDPHQ Met de schakelaars op de armleuning van de portieren kunt u de ramen elektrisch bedienen. U kunt de ramen alleen bedienen, wanneer de contactsleutel in stand I of II staat. Ook wanneer de auto stilstaat en u de contactsleutel hebt uitgenomen, kunt u de ramen nog steeds openen en sluiten zolang u geen van de voorportieren hebt geopend.
,QVWUXPHQWHQ VFKDNHODDUV HQ EHGLHQLQJ WAARSCHUWING Als er kinderen op de achterbank zitten, moet u zorgen dat ze bij het sluiten van de ramen niet met hun handen bekneld kunnen raken. Wanneer u de zijramen in de achterportieren met de knoppen op het bestuurdersportier sluit, moet u erop letten dat eventuele achterpassagiers niet met hun handen bekneld kunnen raken.
,QVWUXPHQWHQ VFKDNHODDUV HQ EHGLHQLQJ $FKWHUXLWNLMNVSLHJHO HQ EXLWHQVSLHJHOV Achteruitkijkspiegel A: Normale stand. B: Anti-verblindingsstand. Gebruik deze stand, als u de koplampen van het achteropkomende verkeer als hinderlijk ervaart. Bepaalde modellen hebben een zogeheten DXWRGLP -functie, hetgeen inhoudt dat de achteruitkijkspiegel automatisch in de antiverblindingsstand gaat staan afhankelijk van de lichtinval. De gevoeligheid van deze functie kunt u in uw Volvo-werkplaats laten afstellen.
,QVWUXPHQWHQ VFKDNHODDUV HQ EHGLHQLQJ Buitenspiegels met geheugen Als de auto is uitgerust met buitenspiegels met geheugen, werkt het geheugen synchroon met dat van de bestuurdersstoel, pagina 66. Instelling buitenspiegels opslaan in afstandbediening Wanneer u de auto met één van de afstandsbedieningen ontgrendelt en de instelling van de buitenspiegels wijzigt, wordt de nieuwe positie van de spiegels in de afstandsbediening opgeslagen.
,QVWUXPHQWHQ VFKDNHODDUV HQ EHGLHQLQJ (OHNWULVFK EHGLHQG VFKXLIGDN (extra) 3 1 4 2 5 6 Openingsstanden De bedieningsknoppen voor het schuifdak zitten op het plafond. U kunt het schuifdak op twee manieren bedienen: • achterkant omhoog/omlaag (ventilatiestand) • achteruit/vooruit (openingsstand/comfortstand*) De contactsleutel moet daarbij in stand I of II staan. Ventilatiestand 2SHQHQ: Duw de achterkant van de schakelaar (5) omhoog. 6OXLWHQ: Trek de achterkant van de schakelaar (6) omlaag.
,QVWUXPHQWHQ VFKDNHODDUV HQ EHGLHQLQJ Zonnescherm Beveiliging tegen overbelasting Aan de binnenkant van het schuifdak zit een handbediend zonnescherm. Het zonnescherm glijdt automatisch naar achteren bij het openen van het schuifdak. Het schuifdak is voorzien van een beveiliging tegen overbelasting die wordt geactiveerd, als het schuifdak door een bepaald voorwerp wordt gehinderd. Het schuifdak komt dan tot stilstand en neemt daarna automatisch de laatst gebruikte stand weer in.
,QVWUXPHQWHQ VFKDNHODDUV HQ EHGLHQLQJ 50
Klimaatregeling Algemene informatie over de klimaatregeling Luchtverdeling Elektronische klimaatregeling, ECC Handmatige klimaatregeling met airconditioning, AC Standverwarming (extra) 52 53 54 58 61 51
.OLPDDWUHJHOLQJ $OJHPHQH LQIRUPDWLH RYHU GH NOLPDDWUHJHOLQJ Beslagen ramen Auto’s met ECC Een probaat middel om het beslaan van de voorruit en/of andere ruiten tegen te gaan is poetsen. Gebruik een normaal poetsmiddel voor glaswerk. Let erop dat u vaker moet poetsen, als er in de auto gerookt wordt.
.OLPDDWUHJHOLQJ /XFKWYHUGHOLQJ Luchtverdeling Blaasmonden in dashboard De binnenkomende lucht wordt verdeeld over meerdere blaasmonden die op verschillende punten in de auto zijn aangebracht. A: Open. B: Dicht. C: Luchtstroom naar links of rechts. D: Luchtstroom omhoog of omlaag. • Richt de buitenste blaasmonden op de zijramen om ze te ontwasemen. • Bij koud weer: Doe de middelste blaasmonden dicht om de temperatuur in de auto zo comfortabel mogelijk te houden en de ruiten optimaal te ontwasemen.
.OLPDDWUHJHOLQJ (OHNWURQLVFKH NOLPDDWUHJHOLQJ (&& Recirculatie/Combifilter met “Air Quality Sensor” Recirculatie AUTO Interieurtemperatuursensor Ontdooier voorruit en zijramen Elektrisch verwarmde achterruit en buitenspiegels AC aan/uit Stoelverwarming rechterzijde Ventilator Stoelverwarming linkerzijde Temperatuur linkerzijde * De schemersensor stemt de verlichting van de instrumenten automatisch af op de lichtinval.
.OLPDDWUHJHOLQJ AUTO Bij activering van de AUTO-functie wordt u de klimaatregeling automatisch zodanig ingesteld dat de gekozen temperatuur wordt bereikt. De automatische functie regelt de verwarming, het AC-systeem, de ventilatorsnelheid, de recirculatie en de luchtverdeling. Ook als u één of meer van de genoemde functies handmatig instelt, worden de resterende functies nog automatisch geregeld. Alle handmatige instellingen worden uitgeschakeld, wanneer u de AUTO-functie activeert.
.OLPDDWUHJHOLQJ (OHNWURQLVFKH NOLPDDWUHJHOLQJ (&& (vervolg) Luchtverdeling Lucht naar de ramen. Lucht naar hoofd en borstkas. Lucht naar benen en voeten. Druk op AUTO, wanneer u de automatische luchtverdeling weer wilt activeren. AC, ON/OFF Wanneer de LED bij ON brandt, wordt het ACsysteem automatisch geregeld. De binnenkomende lucht wordt dan automatisch afgekoeld en van vocht ontdaan.
.OLPDDWUHJHOLQJ Combifilter met “Air Quality Sensor” (extra) Bepaalde auto’s zijn uitgerust met een zogeheten combifilter met “Air Quality Sensor”. Het combifilter ontdoet de binnenkomende lucht van gassen en stofdeeltjes en beperkt zo eventuele hinderlijke geuren en verontreinigingen. De “Air Quality Sensor” meet de concentratie van de verontreinigingen in de buitenlucht.
.OLPDDWUHJHOLQJ +DQGPDWLJH NOLPDDWUHJHOLQJ PHW DLUFRQGLWLRQLQJ $& • Als u het AC-systeem wilt inschakelen, moet u aan de ventilatorknap draaien (uit stand 0). • Gebruik het AC-systeem ook bij lage temperaturen (0–15°C) om de inkomende lucht van vocht te ontdoen.
.OLPDDWUHJHOLQJ AC, ON/OFF De koel- en ontwasemingsfunctie van de airconditioning is actief, wanneer de LED (ON) brandt. De airconditioning is uitgeschakeld, wanneer de LED (OFF) brandt. Temperatuur, links/rechts Draai aan de knop om de temperatuur van de binnenkomende lucht te regelen. Koeling is alleen mogelijk, wanneer de airconditioning actief is. Wanneer u op de ontdooierknop drukt, is de airconditioning ook altijd actief (voor zover de draaiknop voor de ventilatorsnelheid niet in stand 0 staat).
.OLPDDWUHJHOLQJ +DQGPDWLJH NOLPDDWUHJHOLQJ PHW DLUFRQGLWLRQLQJ $& (vervolg) Recirculatie U kunt de recirculatie inschakelen, als u vieze lucht, uitlaatgassen en dergelijke buiten wilt houden. De lucht in het passagierscompartiment wordt dan gerecirculeerd, d.w.z. er wordt geen lucht van buiten de auto aangezogen, wanneer de functie actief is. Bij gebruik van de recirculatie (in combinatie met het AC-systeem) wordt de lucht in de passagiersruimte bij warm weer sneller afgekoeld.
.OLPDDWUHJHOLQJ 6WDQGYHUZDUPLQJ (extra) Korte druk op de knop RESET (C) weergave van uren en minuten U kunt de standverwarming meteen inschakelen of twee verschillende uitschakeltijden voor de standverwarming instellen: TIMER 1 en TIMER 2. Onder de uitschakeltijd wordt het tijdstip verstaan waarop de auto op de gewenste temperatuur is.
.OLPDDWUHJHOLQJ 6WDQGYHUZDUPLQJ H[WUD (vervolg) Instellen van TIMER 1 of 2 Displaybericht De accu en brandstof Om veiligheidsredenen kunt u alleen uitschakeltijden voor het volgende etmaal programmeren en dus niet voor meerdere dagen tegelijk. 1. Ga met de draairing (B) naar TIMER 1. 2. Druk kort op de knop RESET (C), zodat de uuraanduiding gaat knipperen. 3. Ga met de draairing naar de gewenste ureninstelling. 4. Druk kort op de knop RESET (C), zodat de minuutaanduiding gaat knipperen. 5.
Interieur Voorstoelen Interieurverlichting Opbergmogelijkheden in passagierscompartiment Achterbank en bagageruimte Reservewiel en gereedschap Gevarendriehoek (bepaalde landen) 64 68 70 75 77 78 63
,QWHULHXU 9RRUVWRHOHQ Afstelling in de hoogte De voorzijde van het zitgedeelte van de beide voorstoelen kunt u in zeven verschillende standen zetten, de achterzijde in negen. Voorste hendel (A): Voorzijde zitting afstellen. Achterste hendel (B): Achterzijde zitting afstellen. Afstelling in de lengte Wanneer u de beugel optilt, kunt u de stoel naar voren of naar achteren schuiven. /HQGHVWHXQ Controleer of de stoel na het afstellen in de nieuwe positie geblokkeerd staat.
,QWHULHXU Rugleuning voorstoel naar voren klappen U kunt de rugleuning van de passagiersstoel horizontaal vooroverklappen om lange voorwerpen te kunnen vervoeren. Klap de rugleuning als volgt naar voren: • Schuif de stoel zo ver mogelijk naar achteren. • Zet de rugleuning rechtop. • Trek de pallen aan de achterzijde van de rugleuning omhoog. • Klap tegelijkertijd de rugleuning naar voren.
,QWHULHXU 9RRUVWRHOHQ (vervolg) Elektrisch bediende voorstoel (extra) Voorbereidingen 3DVVDJLHUVVWRHO U kunt de stoel alleen verstellen, als de contactsleutel in stand I of II staat. %HVWXXUGHUVVWRHO U kunt de stoel alleen verstellen, als de contactsleutel in stand I of II staat. U kunt de bestuurdersstoel ook in de volgende gevallen verstellen: 1. Gedurende een periode van 40 seconden, nadat u de contactsleutel in stand 0 hebt gedraaid of uit het contactslot hebt genomen. 2.
,QWHULHXU Noodstop Als de stoel per ongeluk in beweging komt, kunt u op één van de knoppen drukken om de stoel tot stilstand te brengen. WAARSCHUWING Zorg dat er bij het afstellen geen voorwerpen vóór of achter de stoel liggen. Zorg er tevens voor dat geen van de achterpassagiers bekneld raakt. Vanwege het gevaar voor beknelling mag u kinderen niet met de schakelaars laten spelen.
,QWHULHXU ,QWHULHXUYHUOLFKWLQJ De algemene verlichting gaat uit, wanneer... • ...u de motor start; • ...u de auto vanaf de buitenzijde vergrendelt met de sleutel of de afstandsbediening. De algemene verlichting gaat 10 minuten na het afzetten van de motor automatisch uit, voor zover u de verlichting niet eerder handmatig hebt uitgeschakeld. U kunt de algemene verlichting altijd in- en uitschakelen door kort op de bijbehorende knop te drukken.
,QWHULHXU Vloermatten (extra) Volvo biedt vloermatten aan die speciaal voor uw auto vervaardigd zijn. Zorg dat u de vloermatten goed in de bevestigingsklemmen voor matten aanbrengt en vastzet om te voorkomen dat ze achter of onder de pedalen aan de bestuurderszijde blijven haken. Make-upspiegel Wanneer u het deksel van de make-upspiegel opklapt, gaat het ingebouwde lampje branden.
,QWHULHXU 2SEHUJPRJHOLMNKHGHQ LQ SDVVDJLHUVFRPSDUWLPHQW 2SEHUJYDN 2SEHUJYDN LQ SRUWLHUSDQHHO 3DUNHHUNDDUWKRXGHU %HNHUKRXGHU 'DVKERDUGNDVWMH WAARSCHUWING Zorg dat er geen harde, scherpe of zware voorwerpen in de opbergruimten liggen of er uitsteken om te voorkomen dat ze verwondingen kunnen veroorzaken bij een krachtige remmanoeuvre. Maak zware voorwerpen altijd vast met één van de veiligheidsgordels.
,QWHULHXU Opbergvak in middenconsole Bekerhouder (extra) Sommige modellen zijn uitgerust met bekerhouders voor de voorpassagiers. %HNHUKRXGHU $VEDN U kunt de ruimte in de middenconsole natuurlijk ook gebruiken om cd’s e.d. in op te bergen. Muntvakje U kunt het muntvakje als volgt verwijderen: trek het recht omhoog los. Asbak (extra) Om de asbak te legen moet u het insteekelement uitnemen.
,QWHULHXU 2SEHUJPRJHOLMNKHGHQ LQ SDVVDJLHUVFRPSDUWLPHQW (vervolg) Bekerhouder in het dashboard (extra) • Druk op de houder om de bekerhouder uit te doen schuiven. • Stel de houder af op de grootte van de beker door de grijparmen van de houder naar binnen te duwen. • Duw de houder na gebruik weer in het dashboard. 1 % Gebruik nooit glazen flessen. Let er tevens op dat warme dranken gevaar voor brandwonden opleveren. 72 Penhouder Dashboardkastje Op het dashboard vindt u een penhouder.
,QWHULHXU Kledinghaak Gebruik de kledinghaak voor niet al te zware kledingsstukken.
,QWHULHXU 2SEHUJPRJHOLMNKHGHQ LQ SDVVDJLHUVFRPSDUWLPHQW (vervolg) Afvalbak/flessenhouder achterin (extra) U kunt de afvalzak van de afvalbak als volgt vervangen: 1. Klap de houder uit. 2. Duw met beide handen het onderste gedeelte van de houder af. 3. Vouw de randen van de nieuwe afvalzak om het onderste gedeelte heen en druk het onderste gedeelte weer in het bovenste gedeelte vast. 4. De afvalzak is daarmee klaar voor gebruik. 1 % Er bestaan geen speciale afvalzakken voor de houder.
,QWHULHXU $FKWHUEDQN HQ EDJDJHUXLPWH 'H KRRJWH YDQ GH KRRIGVWHXQ LQVWHOOHQ Hoofdsteunen, achterbank De middelste hoofdsteun van de achterbank kunt u in de hoogte afstellen op de lengte van de passagier. Trek de hoofdsteun zo ver omhoog als nodig is. Als u de hoofdsteun lager wilt zetten, moet u tegelijkertijd de pal achter de rechter poot indrukken. Zie de figuur! Ruggedeelte achterbank neerklappen U kunt de beide ruggedeelten van de achterbank tegelijk of elk apart vooroverklappen.
,QWHULHXU $FKWHUEDQN HQ EDJDJHUXLPWH (vervolg) Doorsteekluik In het rechter ruggedeelte van de achterbank zit een luik, dat u kunt openen voor het vervoer van lange bagage zoals ski’s of latten. U opent het luik als volgt: • Klap het rechter ruggedeelte voorover. Zie pagina 75. • Duw de grendel van het luik omhoog en klap het luik naar voren toe open. • Klap het ruggedeelte met het geopende luik voorover. • Maak gebruik van de veiligheidsgordel om de lading vast te zetten.
,QWHULHXU 5HVHUYHZLHO HQ JHUHHGVFKDS .ULN *HUHHGVFKDSVWDV PHW VOHHSRRJ %HYHVWLJLQJ • Breng het reservewiel weer aan, schroef de bevestiging vast en breng alle verwijderde onderdelen in omgekeerde volgorde weer aan. Zorg dat het reservewiel goed vastzit en dat de krik en de gereedschapstas stevig vastzitten met de banden van bij de bevestiging. 5HVHUYHZLHO Reservewiel, gereedschap en krik Het reservewiel met de krik en de gereedschapstas vindt u onder de bodem van de bagageruimte.
,QWHULHXU *HYDUHQGULHKRHN (bepaalde landen) Doe het volgende na gebruik: • Berg de onderdelen in de omgekeerde volgorde weer op. • Zorg dat de houder met de gevarendriehoek stevig op het kofferdeksel vastzit. Gevarendriehoek Houd u aan de bepalingen die gelden voor het gebruik van gevarendriehoeken in uw land. Gebruik de gevarendriehoek als volgt: • Draai de beide bevestigingsschroeven in de verticale stand. • Haal voorzichtig de houder met de gevarendriehoek erin los.
Sloten en alarm Sleutels en afstandsbediening Vergrendelen en ontgrendelen Kinderslot Alarm (extra) 80 82 85 87 79
6ORWHQ HQ DODUP 6OHXWHOV HQ DIVWDQGVEHGLHQLQJ Sleutels, immobilizer Bij de auto worden twee hoofdsleutels en een servicesleutel geleverd. Eén hoofdsleutel is inklapbaar en voorzien van een ingebouwde afstandsbediening. Hoofdsleutel De hoofdsleutel past op alle sloten. Verlies van een sleutel Als u één van de sleutels verliest, moet u contact opnemen met een erkende Volvowerkplaats en alle resterende sleutels van de auto meenemen.
6ORWHQ HQ DODUP 3. Paniekfunctie U kunt gebruik maken van de paniekfunctie om in noodgevallen de aandacht van anderen te trekken. Als u de rode knop (3) minstens 3 seconden lang indrukt of binnen deze tijd tweemaal achtereen indrukt, worden de richtingaanwijzers en de claxon geactiveerd. Als u niets doet, wordt de paniekfunctie na 25 seconden automatisch uitgeschakeld. 4. “Approach”-verlichting Doe het volgende, wanneer u op de auto toeloopt: • Druk op de gele knop (4) van uw afstandsbediening.
6ORWHQ HQ DODUP 9HUJUHQGHOHQ HQ RQWJUHQGHOHQ Auto van de buitenzijde vergrendelen en ontgrendelen Met de hoofdsleutel of de bijbehorende afstandsbediening kunt u alle portieren en het kofferdeksel van de buitenzijde vergrendelen en ontgrendelen. De vergrendelingsknoppen en de openingshendels zijn dan niet meer van de binnenzijde te bedienen.
6ORWHQ HQ DODUP Kofferdeksel met afstandsbediening openen/ vergrendelen Ga als volgt te werk om het kofferdeksel alleen te ontgrendelen: • Druk tweemaal langzaam op de knop voor het kofferdeksel op de afstandsbediening. Het kofferdeksel wordt dan geopend. Als alle portieren zijn vergrendeld wanneer u het kofferdeksel weer sluit, wordt ook het kofferdeksel automatisch vergrendeld.
6ORWHQ HQ DODUP 9HUJUHQGHOHQ HQ RQWJUHQGHOHQ (vervolg) Dashboardkastje vergrendelen Safelock-functie U kunt het dashboardkastje alleen vergrendelen/openen met de hoofdsleutel en dus niet met de servicesleutel. Bij activering van de zogeheten safelock-functie zijn de portieren niet meer van de binnenzijde te openen, als ze eenmaal vergrendeld zijn. De safelock-functie kan alleen van de buitenzijde worden geactiveerd door het bestuurdersportier met de sleutel of de afstandsbediening te vergrendelen.
6ORWHQ HQ DODUP .LQGHUVORW WAARSCHUWING Geef aan de achterpassagiers door dat ze de portieren niet van de binnenzijde kunnen openen, als u het kinderslot hebt geactiveerd. +RXG GH YHUJUHQGHOLQJVNQRSSHQ YDQ GH SRUWLHUHQ WLMGHQV KHW ULMGHQ RPKRRJ! Bij ongelukken kunnen hulpverleners de portieren dan van de buitenzijde openen.
6ORWHQ HQ DODUP .LQGHUVORW (vervolg) Wanneer u het elektrische kinderslot DFWLYHHUW, worden tegelijkertijd de instellingen van het handmatige kinderslot tenietgedaan. Elektrisch kinderslot, achterportieren (extra) Gebruik de knop op de middenconsole om het kinderslot op de achterportieren in of uit te schakelen. Het contactslot moet daarbij in stand I of II staan. De LED in de knop brandt om aan te geven dat het kindersloten is ingeschakeld.
6ORWHQ HQ DODUP $ODUP (extra) Alarmsysteem Uitschakelen van het alarm Geluidssignalen, alarm Wanneer het alarm is ingeschakeld, worden alle beveiligde onderdelen continu gecontroleerd. Het alarm gaat af, als: Druk op de knop UNLOCK van de afstandsbediening. De richtingaanwijzers van de auto geven twee korte lichtsignalen af ter bevestiging dat het alarm is uitgeschakeld. In bepaalde landen kunt u het alarm ook met de sleutel uitschakelen.
6ORWHQ HQ DODUP $ODUP H[WUD (vervolg) keer dat u het contact inschakelt, worden de sensoren weer geactiveerd. Als uw auto is uitgerust met de zogeheten safelock-functie, wordt ook deze functie tegelijkertijd geactiveerd, zie pagina 84. Controlelampje op dashboard (bepaalde landen) Een controlelampje (LED) boven op het dashboard geeft de status van het alarmsysteem aan: Alarmsensoren en safelockfunctie tijdelijk deactiveren Om te voorkomen dat het alarm afgaat wanneer u bijv.
6ORWHQ HQ DODUP Alarmsysteem testen Test van de bewegingsmelder 1. Open alle portierruiten. 2. Activeer het alarm. De LED knippert langzaam om aan te geven dat het alarm op scherp staat. 3. Wacht 30 seconden. 4. Test de bewegingsmelder in het passagierscompartiment door bijv. een tas van de stoelzitting te nemen. Het alarmsysteem moet dan geluids- en knippersignalen afgeven. 5. Deactiveer het alarm door de auto via de afstandsbediening te ontgrendelen. Test van de motorkap 1.
6ORWHQ HQ DODUP 90
Starten en rijden Tanken 92 Motor starten 93 Algemene informatie 94 Handgeschakelde versnellingsbak 96 Automatische versnellingsbak (extra) 97 Geartronic (extra) 99 Vierwielaandrijving (extra) 101 Remsysteem 102 Stabiliteitssysteem (extra*) 104 Slepen 108 Starten met hulpaccu 109 Rijden met een aanhanger 110 Trekhaak 112 Lading op het dak 116 91
Starten en rijden Tanken Tankvuldop Benzine tanken De tankvuldop vindt u achter de tankvulklep in het spatscherm rechtsachter. 1 % Voeg nooit zelf reinigende additieven (dopes) aan de benzine toe zonder het uitdrukkelijke advies van een Volvo-werkplaats. Bij hoge buitentemperaturen kan er een bepaalde mate van overdruk in de brandstoftank ontstaan. Draai de tankvuldop dan langzaam open. Tank niet te veel brandstof in de tank.
Starten en rijden Motor starten U start de motor als volgt (benzine) 1. Trek de handrem (parkeerrem) aan. 2. $XWRPDWLVFKH YHUVQHOOLQJVEDN Zet de keuzehendel in stand P of N. +DQGJHVFKDNHOGH YHUVQHOOLQJVEDN Zet de versnellingspook in de vrijstand en trap het koppelingspedaal volledig in. Dit is vooral van belang bij strenge kou. 3. Draai de contactsleutel in de startstand. Als de motor niet binnen 5 tot 10 seconden aanslaat, moet u de sleutel loslaten en een nieuwe startpoging doen.
Starten en rijden Algemene informatie Zuinig rijden Zuinig rijden houdt in dat u anticiperend en rustig rijdt en uw rijstijl en snelheid afstemt op de heersende verkeerssituatie. Let op het volgende: • Laat de motor zo snel mogelijk op bedrijfstemperatuur komen! D.w.z. dat u de motor niet stationair moet laten lopen, maar zo snel mogelijk moet wegrijden en de motor licht moet belasten. • Een koude motor verbruikt meer brandstof dan een warme.
Starten en rijden Veiligheidssystemen, automatische versnellingsbakken Auto’s met een automatische versnellingsbak zijn uitgerust met een aantal speciale veiligheidssystemen: “Keylock”, sleutelblokkering Om de keuzehendel uit stand P te kunnen halen moet de contactsleutel minstens in stand I staan. Om na de rit de contactsleutel te kunnen uitnemen moet de keuzehendel in stand P staan.
Starten en rijden Handgeschakelde versnellingsbak Schakelstanden vijfversnellingsbak Trap het koppelingspedaal tijdens het schakelen altijd zo ver mogelijk in. Haal uw voet na het schakelen weer van het koppelingspedaal af! Houd u aan het aangegeven schakelpatroon. Om het brandstofverbruik zo laag mogelijk te houden moet u zoveel mogelijk gebruik maken van de 5de versnelling.
Starten en rijden Automatische versnellingsbak (extra) ingeschakeld. Trek de handrem aan, wanneer de auto stilstaat en de keuzehendel in stand 1 staat. D, Rijstand Stand ' is de normale rijstand. De versnellingsbak schakelt automatisch op en terug, afhankelijk van de stand van het gaspedaal en de snelheid. Zorg dat de auto stilstaat, voordat u de keuzehendel vanuit stand 5 in stand ' zet. 4, Lageversnellingsstand Er wordt automatisch op- en teruggeschakeld tussen de 1ste, 2de, 3de en 4de versnelling.
Starten en rijden Automatische versnellingsbak (extra) (vervolg) W, Winterprogramma Keuzehendelblokkering Met de knop W schakelt u het winterprogramma in of uit. U kunt de keuzehendel altijd ongehinderd heen en weer halen tussen de standen 1 en '. Om de hendel in één van de overige standen te kunnen zetten moet u een blokkering opheffen door op de blokkeerknop op de keuzehendel te drukken. U gebruikt het winterprogramma bij het optrekken en rijden op gladde wegen.
Starten en rijden Geartronic (extra) D – Rijstand Stand ' is de normale rijstand. De versnellingsbak schakelt automatisch op en terug, afhankelijk van de stand van het gaspedaal en de snelheid. Zorg dat de auto stilstaat, voordat u de keuzehendel vanuit stand 5 in stand ' zet. Handmatige schakelstanden keuzehendel P – Parkeerstand Zet de keuzehendel in de parkeerstand, wanneer u de motor start of de auto parkeert.
Starten en rijden Geartronic (extra) (vervolg) “Kickdown” Als u het gaspedaal volledig intrapt (tot voorbij de normale volgasstand) schakelt de versnellingsbak automatisch terug naar een lagere versnelling. Dit is de zogeheten “kickdown”. Wanneer de maximale snelheid voor de ingeschakelde versnelling is bereikt of wanneer u het gaspedaal uit de “ kickdown” loslaat, schakelt de versnellingsbak automatisch weer op. Gebruik de “kickdown” om zo snel mogelijk te accelereren zoals bij het inhalen.
Starten en rijden Vierwielaandrijving (extra) AWD, “All Wheel Drive” De vierwielaandrijving van uw Volvo is altijd actief en voldoet aan zeer strenge eisen qua technische standaard. Bij het juiste gebruik ervan biedt vierwielaandrijving in vergelijking tot conventionele voor- of achterwielaandrijving de bestuurder grotere mogelijkheden om zich uit onvoorziene situaties op verschillende soorten ondergrond te redden.
Starten en rijden Remsysteem Als een remkring defect raakt Als er een storing in één van de remkringen optreedt, kunt u de auto nog steeds remmen. Trap in één keer hard op het rempedaal – dus niet pompen. U moet het rempedaal verder dan normaal intrappen. Het pedaal voelt bovendien iets minder stug aan. Ook moet u meer kracht uitoefenen voor hetzelfde remmende vermogen.
Starten en rijden Anti-blokkeerremsysteem (ABS) Het ABS-systeem (Anti-lock Braking System) is ontworpen om te voorkomen dat de wielen tijdens het remmen geblokkeerd raken. Hierdoor kan tijdens het remmen een zo groot mogelijke respons van het stuurwiel worden verkregen. Het ABS-systeem zorgt ervoor dat de auto beter bestuurbaar blijft om bijvoorbeeld obstakels te kunnen ontwijken. Het ABS-systeem verbetert de totale remcapaciteit niet.
Starten en rijden Stabiliteitssysteem (extra*) Stabiliteits- en tractieregelsysteem (STC/DSTC*) Het STC-systeem (Stability and Traction Control) bestaat uit de deelsystemen SC en TC. Het DSTC-systeem (Dynamic Stability and Traction Control) bestaat uit de deelsystemen SC, TC, AYC en EBA. Tractieregeling, TC De tractieregeling hevelt de aandrijfkracht bestemd voor een slippend wiel over op een aandrijfwiel dat niet slipt, door het slippende wiel af te remmen.
Starten en rijden Knop STC/DSTC Met de knop STC/DSTC op de middenconsole kunt u de functie van het STC/DSTC-systeem beperken of een gelden beperking opheffen. Wanneer GH /(' LQ GH NQRS EUDQGW is het STC/DSTC-systeem DFWLHI (voor zover er geen storingen zijn). Bij beperking van de functie van het STC/ DSTC-systeem, wordt het stabiliteitssysteem (SC) uitgeschakeld en gelden er beperkingen voor de anti-slipregeling (AYC). De overige systemen werken onverminderd voort.
Starten en rijden Stabiliteitssysteem (extra*) (vervolg) Actief chassis, FOUR-C* De R-versie is uitgerust met een zeer geavanceerd actief chassissysteem, het FOUR-C (Continuously Controlled Chassis Concept), dat elektronisch gestuurd is. Het systeem werkt op basis van enkele sensoren die continu de bewegingen en reacties van de auto in de gaten houden, zoals de verticale en zijdelingse versnelling, de rijsnelheid en de wielbewegingen.
Starten en rijden Sport In de stand Sport reageert de auto sneller op de beweging van het stuurwiel dan in de stand Comfort. De vering is stugger en de carrosserie volgt het wegdek om bij het snelle bochtenwerk de mate van overhellen te beperken. Wanneer u het contact uitschakelt na een rit in de stand Sport, zal de volgende keer dat u het contact inschakelt dezelfde stand worden aangehouden.
Starten en rijden Slepen Motor niet op gang slepen Als u de motor van een auto met een handgeschakelde versnellingsbak op gang probeert te slepen, kan/kunnen de katalysator(en) beschadigd worden. Auto’s met een automatische versnellingsbak kunt u niet op gang slepen. Als de accu uitgeput is, moet u een opgeladen hulpaccu gebruiken. Als de auto gesleept moet worden • Zorg ervoor dat de contactsleutel in stand I staat, zodat het stuurslot niet werkt en de auto bestuurbaar is.
Starten en rijden Starten met hulpaccu Ga als volgt te werk om de auto met een hulpaccu te starten: Als de accu om wat voor reden dan ook ontladen is, kunt u stroom “lenen” van een losse reserveaccu of van een accu in een andere auto om op die manier de motor te starten. Controleer altijd of de accuklemmen goed vastzitten, zodat ze geen vonken trekken tijdens de startpogingen.
Starten en rijden Rijden met een aanhanger • De trekhaak van de auto moet van een goedgekeurd type zijn. Uw Volvo-dealer kan u informeren over de mogelijke trekhaken. • Verdeel de lading in de aanhanger dusdanig, dat het gewicht op de trekhaak bij aanhangers tot 1200 kg ongeveer 50 kg en bij aanhangers zwaarder dan 1200 kg ongeveer 75 kg bedraagt. • Verhoog de bandenspanning tot de druk die geldt voor maximale belasting.
Starten en rijden 0D[LPDDO WRHODDWEDDU 0D[LPDOH DDQKDQJHUJHZLFKW NRJHOGUXN YRRU JHUHPGH DDQKDQJHUV 0–1200 kg 50 kg 1201–1600 kg 75 kg 1 % De aangegeven maximaal toelaatbare aanhangergewichten zijn door Volvo Car Corporation bepaald. Let erop dat er op grond van de wetgeving voor motorvoertuigen in uw land verdere beperkingen van de maximale aanhangergewichten en snelheden kunnen gelden.
Starten en rijden Trekhaak Vaste trekhaak (A) Let erop dat u de veiligheidskabel altijd aan de daarvoor bestemde bevestiging vastmaakt, zie figuur! WAARSCHUWING! A Afneembare trekhaak (B) Volg altijd nauwkeurig de montagevoorschriften op.
Starten en rijden B A %HYHVWLJLQJVSXQWHQ RQGHU GH DXWR Specificaties Afstand A Vaste trekhaak: 1057 mm Afneembare trekhaak:1078 mm Maximale kogeldruk: Afstand B Vaste trekhaak: 83 mm Afneembare trekhaak: 104 mm 75 kg 113
Starten en rijden Trekhaak (vervolg) Afneembare trekhaak, kogelsegment monteren 2 1 ONTGRENDELD 3 ONTGRENDELD % Verwijder de beschermkap. 4 BLOKKEREN Duw het kogelsegment zo ver op de koppelpen dat het blokkeert. Wees voorzichtig, omdat de handgreep met kracht in positie schiet! 114 Steek de sleutel in het slot en draai de Neem het kogelsegment en draai de handgreep sleutel rechtsom in de ontgrendelde stand. rechtsom in de vergrendelde stand.
Starten en rijden Afneembare trekhaak, kogelsegment demonteren 1 217*5(1'(/' 2 217*5(1'(/' Steek de sleutel in het slot en draai de Draai de handgreep linksom in de sleutel rechtsom in de ontgrendelde stand. vergrendelde stand. 4 9(5*5(1'(/' Draai de sleutel linksom in de vergrendelde stand. Neem de sleutel uit het slot. 3 Trek het kogelsegment van de koppelpen. 5 Schuif de beschermkap over de koppelpen zoals aangegeven in de figuur.
Starten en rijden Lading op het dak Gebruik van lastdragers (accessoire) Om schade aan de auto te voorkomen en op een veilige manier lading op het dak te kunnen vervoeren, adviseren wij u alleen gebruik te maken van de lastdragers die Volvo speciaal voor uw auto ontwikkeld heeft. • Controleer regelmatig of de lastdragers en de lading goed vastzitten. Zet de lading stevig vast met sjorbanden. • U mag een gewicht van PD[LPDDO NJ op het dak vervoeren (incl. lastdragers).
Wielen en banden Algemene informatie Banden verwisselen 118 120 117
Wielen en banden Algemene informatie Algemene informatie over wielen en banden Op alle autobanden staat een bepaalde maataanduiding. Een voorbeeld van een dergelijke aanduiding is 5 :. Deze aanduiding die door alle bandenfabrikanten wordt toegepast houdt het volgende in: 215 Breedte van de band (mm). 55 Verhouding tussen de hoogte en breedte van de band (%). R Aanduiding voor radiaalbanden. 16 Velgdiameter van de band in inch ("). 93 Index van het draagvermogen van de band, in dit geval 650 kg.
Wielen en banden Sneeuwkettingen Het gebruik van sneeuwkettingen is beperkt tot de voorwielen. Rijd niet op sneeuwvrije wegen, omdat zowel de banden als de sneeuwkettingen daardoor overmatig slijten. BELANGRIJK! Het is alleen toegestaan om sneeuwkettingen te gebruiken die door Volvo zijn goedgekeurd. Gebruik van andere sneeuwkettingen kan schade aan de auto veroorzaken.
Wielen en banden Banden verwisselen Banden met slijtageindicatoren De slijtage-indicatoren bestaan uit smalle ophogingen die dwars op het profiel staan (de letters TWI op de zijkant van de band geven aan dat de band is uitgerust met slijtage-indicatoren). Wanneer een band dusdanig versleten is dat de profieldiepte nog slechts 1,6 mm bedraagt, zijn de indicatoren duidelijk zichtbaar en moet u de band ]R VSRHGLJ PRJHOLMN vervangen.
Wielen en banden Compact reservewiel Het compacte reservewiel (“Temporary Spare”) mag alleen worden gebruikt gedurende de korte tijd die nodig is om het normale wiel te repareren of te vervangen.
Wielen en banden Banden verwisselen (vervolg) 4. Er zitten twee kriksteunpunten aan weerszijden van de auto. Houd de krik tegen de pen in het krikpunt zoals aangegeven in de figuur en draai de voet van de krik met de slinger zo ver omlaag dat de voet plat tegen de grond aankomt. Controleer nogmaals of de krik juist is aangebracht aan de hand van de figuur en zorg dat de voet recht onder het krikpunt zit. 5. Breng de auto zo ver omhoog dat het wiel van de grond komt.
Verzorging Schoonmaken 124 Lakschade herstellen 126 Roestwering 127 123
Verzorging Schoonmaken Was de auto regelmatig! Was de auto zodra deze vuil geworden is. Dit is met name ’s winters van belang, omdat strooizout en vocht al snel aanleiding kunnen geven tot corrosie. Was de auto als volgt: • Spoel zorgvuldig het vuil van het onderstel van de auto. • Spoel de auto in zijn geheel om het vuil los te weken. Let op het volgende bij gebruik van een hogedrukreiniger: Houd bij het wassen de spuitkop van de hogedrukreiniger ten minste 30 cm van de carrosserie af.
Verzorging Schoonmaken (vervolg) Bekleding reinigen Veiligheidsgordels reinigen Behandeling van vlekken op textiel Uw Volvo-dealer heeft een speciaal reinigingsmiddel voor stoffen bekleding. Andere reinigingsmiddelen kunnen de brandvertragende eigenschappen van de bekleding aantasten. Gebruik water en een synthetisch wasmiddel. Behandeling van vlekken op vinyl • Krab of wrijf QRRLW over een vlek. • Gebruik QRRLW sterke ontvlekkingsmiddelen.
Verzorging Lakschade herstellen Lak De lak vormt een belangrijk onderdeel van de roestwering van de auto en moet daarom regelmatig worden gecontroleerd. Lakschade moet u meteen herstellen om roestvorming te voorkomen. De meest voorkomende soorten lakschade die u zelf kunt herstellen zijn: • minder grote steenslagplekken en krassen, • schade aan de spatbordranden en de portieren.
Verzorging Roestwering Roestwering, controleren en bijwerken Uw auto heeft in de fabriek een uiterst grondige en complete roestwerende behandeling ondergaan. De carrosserie bestaat gedeeltelijk uit gegalvaniseerd plaatwerk. Het onderstel is voorzien van een slijtvaste bodembescherming (“undercoating”). In de langsdragers, de holle ruimten en de gesloten profielen werd een dunne, penetrerende roestwerende vloeistof gespoten.
Verzorging 128
Onderhoud en service Volvo Service 130 Onderhoud 131 Motorkap en motorruimte 132 Diesel 133 Oliën en vloeistoffen 134 Wisserbladen 138 Accu 139 Gloeilampen 141 Zekeringen 148 129
Onderhoud en service Volvo Service Volvo Serviceprogramma Ongunstige rijomstandigheden Milieuzorg Voordat de auto de fabriek verliet, werd deze uitvoerig getest. De auto werd nogmaals gecontroleerd naar de normen van Volvo Car Corporation, net voordat de auto aan u werd geleverd. Bij gebruik van de auto in ongunstige rijomstandigheden wordt u geadviseerd de motorolie, het oliefilter en het luchtfilter vaker te verversen/vervangen dan aangegeven in het Service- en garantieboekje.
Onderhoud en service Onderhoud WAARSCHUWING! Verricht QRRLW zelf reparaties aan het SRSof SIPS-airbagsysteem. Ingrepen in het systeem kunnen aanleiding geven tot storingen in de werking en ernstige verwondingen veroorzaken. Laat dergelijke ingrepen daarom over aan een erkende Volvo-werkplaats. WAARSCHUWING! Let op het volgende, voordat u met de werkzaamheden begint: Accu • Zorg dat de accukabels op de juiste manier zijn aangesloten en stevig vastzitten.
Onderhoud en service Motorkap en motorruimte 7UHN DDQ GH KDQGJUHHS GUXN GH SDO RPKRRJ HQ RSHQ GH PRWRUNDS $XWR¶V PHW OLQNVH EHVWXULQJ $XWR PHW UHFKWVH EHVWXULQJ Motorkap openen Motorruimte Trek aan de ontgrendelingshandgreep uiterst rechts onder het dashboard. U hoort dat de slotpal losschiet. Steek uw hand recht boven de grille onder de voorzijde van de motorkap om de hendel van de slotpal omhoog te duwen. Open de motorkap. 1. Expansiereservoir, koelsysteem. 10. Luchtfilter. 2.
Onderhoud en service Diesel Brandstofsysteem Dieselmotoren zijn gevoelig voor verontreinigingen. Maak daarom alleen gebruik van dieselolie van de gerenommeerde oliemaatschappijen. Giet nooit dieselolie van twijfelachtige kwaliteit in de tank. De grote oliemaatschappijen hebben tevens een speciale dieselolie bestemd voor gebruik tijdens de wintermaanden. Deze dieselolie is dunner bij lage temperaturen en beperkt de kans op uitvlokkingen in het brandstofsysteem.
Onderhoud en service Oliën en vloeistoffen Oliekwaliteit: %HQ]LQHPRWRUHQ $&($ $ U mag ook olie gebruiken die voldoet aan de kwaliteitsnorm ACEA A3. Let erop dat een bepaalde soort olie kan voldoen aan zowel ACEA A1 als ACEA B1. Dit ongeacht de vraag of de gebruikte olie van minerale oorsprong is of geheel of gedeeltelijk van synthetische aard is. Voor de motorvarianten van de R-versie wordt u geadviseerd gebruik te maken van een motoroliesoort die voldoet aan ACEA A3.
Onderhoud en service Oliepeil controleren Volvo adviseert u het oliepeil om de 2500 km te controleren. Het is buitengewoon belangrijk dat u het oliepeil van de motor controleert, voordat de olie de eerste keer volgens schema moet worden ververst. Parkeer de auto op een egale ondergrond, zet de motor af en wacht ten minste vijf minuten, zodat de olie terug het carter in kan lopen. De beste meting wordt verkregen bij een koude motor, voordat u wegrijdt. Veeg de peilstok schoon, voordat u gaat meten.
Onderhoud en service Controleer de koelvloeistof regelmatig! De koelvloeistof moet tussen het MIN- en MAX-streepje op het expansiereservoir staan. Vul koelvloeistof bij, wanneer het peil tot onder het MIN-streepje is gezakt. Als u koelvloeistof moet bijvullen wanneer de motor warm is, moet u de dop van het expansiereservoir langzaam losdraaien om de overdruk van het systeem te halen. 6SURHLHUYORHLVWRIUHVHUYRLU .
Onderhoud en service Reservoir voor rem- en koppelingsvloeistof De rem en de koppeling maken gebruik van hetzelfde vloeistofreservoir. Waar het vloeistofreservoir zit hangt af van de positie van het stuurwiel. De rem- en koppelingsvloeistof moet tussen het MIN- en MAX-streepje staan. 9ORHLVWRIW\SH Remvloeistof DOT 4++. &RQWUROHHU KHW SHLO regelmatig. 9ORHLVWRI YHUYHUVHQ om de twee jaar of iedere tweede geplande servicebeurt.
Onderhoud en service Wisserbladen Wisserbladen voorruit vervangen 1. Klap de wisserarm uit en houd het wisserblad onder 45° ten opzichte van de wisserarm. Druk de borgveer op het wisserblad in. 2. Trek het complete wisserblad omlaag, zodat het oog van de wisserarm door het gat in de wisserbladhouder gaat. 3. Til het wisserblad vervolgens omhoog, zodat het oog van de wisserarm aan de zijkant van de wisserbladhouder kan passeren.
Onderhoud en service Accu 1 % Vul nooit meer vloeistof bij dan tot aan het MAX-streepje (A)! • Gebruik geen gewoon leidingwater. Gebruik in plaats daarvan gedestilleerd of gedeïoniseerd water (accuwater). • Als u de accu om wat voor reden dan ook hebt moeten opladen, moet u achteraf het vloeistofpeil controleren en zo nodig water bijvullen. • Zorg dat u de celdoppen goed vastdraait. 1 % Hoe vaker de accu ontladen raakt, des te minder lang gaat de accu mee.
Onderhoud en service Accu (vervolg) $ % Accu vervangen A. Accu zonder dekplaat (zie afbeelding) • Zorg dat het contact is afgezet. • :DFKW ten minste 10 minuten, voordat u één van de elektrische aansluitingen aanraakt (zo kan de informatie van de elektrische systemen van de auto worden opgeslagen in de verschillende regeleenheden). • Draai de bouten uit de borgklem die over de accu heen zit en verwijder de borgklem.
Onderhoud en service Gloeilampen Uw auto is voorzien van de onderstaande gloeilampen: 1. Dimlicht 55W H7 2. Bi-Xenon (extra) 35W D2R (gasontladingslamp) 3. Groot licht 55W HB3 4. Remlichten P21W Mistachterlicht P21W 5. Richtingaanwijzers, voor- en achteraan (oranje) PY21W 6. Achterlichten, P5W Stadslichten Zijmarkeringslicht, achteraanP10W 7. Instapverlichting W5W Bagageruimteverlichting W5W 8. Make-upspiegel 1,2W 9. Kentekenplaatverlichting Stadslichten in koplampen Zijrichtingaanwijzers (oranje) 10.
Onderhoud en service Gloeilampen (vervolg) Gloeilamp dimlicht Gloeilamp verwijderen • Schakel alle lichten uit en draai de contactsleutel in stand 0. • Open de motorkap. • Draai het buitenste afdekkapje linksom los (1). • Trek de connector (2) los. • Haal de veerklem los. Duw de klem eerst naar rechts, zodat deze loslaat en haal de klem vervolgens naar buiten toe omlaag (3). • Trek de gloeilamp naar buiten en vervang deze door een nieuwe (4).
Onderhoud en service W5W PY21W W5W Gloeilamp stadslichten voor vervangen • Schakel alle lichten uit en draai de contactsleutel in stand 0. • Draai het afdekkapje van het dimlicht* linksom los. • Verwijder de gloeilamp en de houder. Vervang de gloeilamp. • Druk de gloeilamp met de houder in positie terug. • Controleer of de nieuwe gloeilamp brandt. • Draai het afdekkapje weer vast. Het opschrift “TOP” moet naar boven wijzen! Gloeilamp zijrichtingaanwijzer vervangen • Zet het voorportier half open.
Onderhoud en service Gloeilampen (vervolg) PY21W 55W H1* Gloeilamp richtingaanwijzer rechtsvoor vervangen • Schakel alle lichten uit en draai de contactsleutel in stand 0. • Neem de koelbuis (1) van de koudebox los. • Draai de schroef (2) van de vulbuis los. • Trek de buis (3) recht omhoog. • Neem de ontluchtingsslang (4) van de buis los. • Neem de lamphouder los door deze UHFKWVRP te draaien. • Haal de gloeilamp uit de lamphouder door de lamp in te drukken en deze tegelijkertijd linksom te draaien.
Onderhoud en service Positie van gloeilampen 1. Remlichten 2. Stadslichten 3. Mistachterlicht (één zijde) 4. Zijmarkeringslicht 5. Richtingaanwijzers 6. Achteruitrijlichten Gloeilampen achterlichten vervangen De gloeilampen van de achterlichten zijn allemaal vanuit de bagageruimte te bereiken. • Schakel alle lichten uit en draai de contactsleutel in stand 0. • Maak de zijwand los en klap deze open om bij de gloeilampen te komen.
Onderhoud en service Gloeilampen (vervolg) W5W W5W W5W Gloeilamp kentekenplaatverlichting vervangen • Schakel alle lichten uit en draai de contactsleutel in stand 0. • Draai de schroef los met een schroevendraaier. • Verwijder voorzichtig het complete lamphuis en trek het naar buiten. Draai de connector linksom en trek de gloeilamp naar buiten. • Vervang de gloeilamp. • Plaats de connector terug en draai deze rechtsom. • Plaats het complete lamphuis terug en draai de schroef vast.
Onderhoud en service 0DNH XSVSLHJHO Gloeilamp verlichting make-upspiegel vervangen • Steek een schroevendraaier achter het lampglas en verdraai deze iets, zodat het lampglas loskomt. • Haal de gloeilamp naar buiten en vervang deze. • Druk eerst de onderkant van het lampglas boven de vier haken terug en druk vervolgens de bovenkant van het lampglas vast. 0DNH XSVSLHJHO EHSDDOGH PRGHOOHQ Plafondverlichting met leeslampjes voorin De gloeilampen van het derde remlicht zijn van een speciaal type.
Onderhoud en service Gloeilampen (vervolg) Zekeringen Leeslampjes achterin De gloeilampjes zijn van een speciaal type. Wij raden u aan de vervanging door een Volvowerkplaats te laten uitvoeren. Zekeringen Om te voorkomen dat de elektrische systemen van uw auto beschadigd raken door kortsluiting of overbelasting, zijn alle verschillende elektrische functies en componenten door een aantal zekeringen beschermd. De zekeringen zitten op verschillende plaatsen in de auto: A.
Onderhoud en service Relais- en zekeringenkastje in de motorruimte Het zekeringenkastje in de motorruimte biedt plaats aan 24 zekeringen. Let erop dat u een doorgebrande zekering altijd vervangt door een nieuwe zekering met dezelfde kleur en hetzelfde amperage. $ =HNHULQJWUHNNHU ,QWDFWH ]HNHULQJ 'RRUJHEUDQGH ]HNHULQJ $ 'XZ GH NXQVWVWRI ERUJQRNNHQ DDQ GH DFKWHU]LMGH YDQ KHW NDVWMH LQ HQ WUHN KHW GHNVHO RPKRRJ Zekeringen in de motorruimte 1U $PSHUDJH 1. Standverwarming (extra) ........................
Onderhoud en service Zekeringen in de passagiersruimte Het zekeringenkastje in de passagiersruimte biedt plaats aan 38 zekeringen. De zekeringen zitten achter het luikje aan de korte kant van het dashboard. U vindt er ook een aantal reservezekeringen. 1U $PSHUDJH 1. Koplampen (dimlicht), Bi-Xenon (extra) .....................................15 2. Koplampen (groot licht)20 ................................................................ 3. Elektrisch bediende stoel (bestuurder).............................
Onderhoud en service Zekeringen in de bagageruimte =HNHULQJWUHNNHU ,QWDFWH ]HNHULQJ 'RRUJHEUDQGH ]HNHULQJ 1U $PSHUDJH 1. Achterste elektronische module (REM), verlichting (bagageruimte) ............................................................10 2. Mistachterlicht ..............................................................................10 3. Remlichten ....................................................................................15 4. Achteruitrijlichten .................................
Onderhoud en service 152
Technische gegevens Type-aanduidingen 154 Maten, gewichten, inhouden 155 Smeermiddelen 156 Koelsysteem 156 Katalysator 157 Brandstof 158 Wielophanging, vering 159 Elektrisch systeem 160 Motorspecificaties 161 153
Technische gegevens Type-aanduidingen Wanneer u contact opneemt met uw Volvodealer of vervangingsonderdelen en accessoires wilt bestellen, kan het handig zijn als u de typeaanduiding, het chassisnummer en het motornummer van de auto bij de hand hebt. 7\SH PRGHOMDDUDDQGXLGLQJ HQ FKDVVLV QXPPHU In de motorruimte gestampt, onder de voorruit.
Technische gegevens Maten, gewichten, inhouden Maten en gewichten Inhouden Lengte 458 (R: 461) cm Breedte 180 cm Hoogte 143 cm Brandstoftank (liter) Benzine AWD-Diesel Wielbasis 272 cm Spoorbreedte, vooras 156 cm Spoorbreedte, achteras 156 cm Toelaatbare belasting (zonder bestuurder) = Totaalgewicht, rijklaar gewicht Voertuigidentificatienummer (VIN) met gewichten op het plaatwerk in de motorruimte. 1. Max. totaalgewicht 2. Max. treingewicht (auto + aanhanger) 3. Max. voorasdruk 4. Max.
Technische gegevens Smeermiddelen Motor Benzinemotoren: ACEA A1 U mag ook olie gebruiken die voldoet aan de kwaliteitsnorm ACEA A3. Let erop dat een bepaalde soort olie kan voldoen aan zowel ACEA A1 als ACEA B1. Dit ongeacht de vraag of de gebruikte olie van minerale oorsprong is of geheel of gedeeltelijk van synthetische aard is. Voor benzinemotoren met turbocompressor en dieselmotoren adviseren wij het gebruik van volledig synthetische motorolie van Volvo.
Technische gegevens Katalysator Katalysator De katalysator vormt een aanvulling op het uitlaatsysteem en heeft tot taak de uitlaatgassen te reinigen. De katalysator bestaat in hoofdzaak uit een behuizing met daarin twee zogeheten monolieten, die zó geconstrueerd zijn dat de uitlaatgassen er via kanalen doorheen stromen. De wanden van deze kanalen zijn bekleed met een dun laagje platina/rhodium/palladium. Deze edelmetalen hebben een katalytische werking, d.w.z.
Technische gegevens Brandstof Benzine Brandstofverbruik en uitstoot van kooldioxide De motor loopt op benzine met een octaangetal van 91, 95 en 98 (RON). • 98 (RON) wordt geadviseerd voor een maximaal rendement tegen een minimaal brandstofverbruik. • 95 (RON) is te gebruiken in de normale rijomstandigheden. • 91 (RON) kunt u beter alleen in uitzonderingsgevallen gebruiken. De motor loopt door deze brandstofkwaliteit echter geen schade op. Norm DIN 51600. Min. octaangetal 91 (RON), loodvrij.
Technische gegevens Wielophanging, vering Voortrein McPherson-veerpoten. De schokdempers zijn in de veerpoten ingebouwd. Rondsel-entandheugelstuurinrichting. Veiligheidsstuurkolom. De instelwaarden gelden voor een onbelaste auto inclusief brandstof, koelvloeistof en reservewiel. Achtertrein Gescheiden ophanging met onafhankelijk afgeveerde wielen en schokdempers. De ophanging bestaat uit naar achteren gerichte wieldraagarmen, bovenste en onderste ophangarmen, spoorstangen en een stabilisatorstang.
Technische gegevens Elektrisch systeem 12-voltsysteem met wisselstroomdynamo en spanningsregelaar. Enkelpolig systeem waarbij het chassis en het motorblok als geleiders worden gebruikt. De minpool is verbonden met het chassis. Accu Spanning 12 V Koudestartcapaciteit (SAE) 520 A Reservecapaciteit (RC) 90 min. 12 V 600 A 115 min.
Technische gegevens Motorspecificaties Vermogen*(kW bij omw/s) (pk bij omw/min) Koppel* (Nm bij omw/s) (kpm bij omw/min) Aantal cilinders Cilinderboring (mm) Slaglengte (mm) Cilinderinhoud (dm³of liter) Compressieverhouding Bougies elektrode-afstand (mm) aanhaalmoment (Nm) B5204T5 B5234T3 B5234T7 147/83 200/5000 285/33-83 29,1/2000-5000 5 81 90 2,32 8,5:1 B5244S (170) 125/100 170/6000 225/75 23,0/4500 5 83 90 2,44 10,3:1 B5244S2 (140) 103/75 140/4500 220/55 22,4/3300 5 83 90 2,44 10,3:1 B5254T2 2.
Technische gegevens B5254T4 R Vermogen*(kW bij omw/s) 220/90 (pk bij omw/min) 300/5400 Koppel* (Nm bij omw/s) 400/31-95 (kpm bij omw/min) 40,7/1850-5700 Aantal cilinders 5 Cilinderboring (mm) 83 Slaglengte (mm) 93,2 Cilinderinhoud (dm³ (l)) 2,52 Compressieverhouding 8,5:1 Bougies elektrode-afstand (mm) 0,7 aanhaalmoment (Nm) 28 * Vermogen en koppel gemeten conform de testnorm 80/1269/EEG. Voor benzinemotoren wordt tijdens deze tests gebruik gemaakt van 98 octaan.
Audiosysteem (extra) Audiosysteem (HU-403) 164 Audiosysteem (HU-603) 165 Audiosysteem (HU-803) 166 Radio (HU-403, -603, -803) 167 Cassettedeck (HU-403, -603) 176 Cd-speler (HU-603) 177 Cd-speler met interne cd-wisselaar (HU-803) 178 Externe cd-wisselaar (HU-403, -603, -803) (accessoire) 179 Dolby Surround Pro Logic 180 Technische gegevens 182 163
Audiosysteem (extra) Audiosysteem (HU-403) 1. $DQ XLW – indrukken 9ROXPH – omdraaien 2. .HX]HNQRS Opgeslagen radiozenders Cd-wisselaar (extra) 3. .HX]HNQRS Radio Cassette Cd-wisselaar (extra) TV (extra) 4. )DGHU – indrukken en omdraaien %DODQV – indrukken, uittrekken en omdraaien 164 5. 5DGLR – zender zoeken omhoog/omlaag &DVVHWWH – vorige/volgende nummer kiezen 6. 5DGLR - handmatig zender zoeken &DVVHWWH – versneld vooruit/achteruit spoelen 7. 'LVSOD\ 8. 3URJUDPPDW\SH 9. 1LHXZV HQ UDGLRWHNVW 10.
Audiosysteem (extra) Audiosysteem (HU-603) 1. $DQ XLW – indrukken 9ROXPH – omdraaien 2. .HX]HNQRS Opgeslagen radiozenders Cd-wisselaar (extra) 3. .HX]HNQRS Radio Cassette Cd Cd-wisselaar (extra) TV (extra) 4. )DGHU – indrukken en omdraaien %DODQV – indrukken, uittrekken en omdraaien 5. 5DGLR – zender zoeken omhoog/omlaag &DVVHWWH – vorige/volgende nummer kiezen &G – vorige/volgende nummer kiezen 6.
Audiosysteem (extra) Audiosysteem (HU-803) 1. $DQ XLW – indrukken 9ROXPH – omdraaien 2. /DJH WRQHQ – indrukken en omdraaien +RJH WRQHQ – indrukken, uittrekken en omdraaien 3. )DGHU – indrukken en omdraaien %DODQV – indrukken, uittrekken en omdraaien 4. 9ROXPH FHQWUDOH OXLGVSUHNHU – indrukken en omdraaien 8LWJDQJVYHUPRJHQ UXLPWHOLMN HIIHFW – indrukken en omdraaien 166 5. .HX]HNQRS Opgeslagen zenders Interne cd-wisselaar – cd kiezen Externe cd-wisselaar – cd kiezen 6. .
Audiosysteem (extra) Radio (HU-403, -603, -803) Knop aan/uit Volumeregeling, TP/PTY/NEWS Druk op de draaiknop om de radio aan of uit te zetten. Als er verkeersinformatie, nieuws of een uitzending van het gekozen programmatype binnenkomt terwijl u een cassette of cd beluistert, wordt de geluidsbron onderbroken en hoort u de berichten op het volume dat u van te voren voor verkeersinformatie, nieuws en PTYuitzendingen hebt ingesteld. Na afloop van de informatie c.q.
Audiosysteem (extra) Radio (HU-403, -603, -803) (vervolg) Keuzeknop golflengte Scannen Draai aan de knop 6285&( om te kiezen uit FM en AM. De zender en de bijbehorende frequentie verschijnen op het display. Druk op de knop 6285&( om het scannen te starten. Wanneer de radio een zender heeft gevonden, wordt het scannen enkele seconden stopgezet. De radio gaat daarna verder met scannen. Wanneer de radio een zender heeft gevonden die u wilt beluisteren, moet u op de knop 6285&( drukken.
Audiosysteem (extra) Fader, balans voor/achter Lage tonen Stel de juiste balans in tussen de luidsprekers voor- en achterin door de knop in te drukken en vervolgens naar links (geluid van achteren) of naar rechts (geluid van voren) te draaien. In de middelste stand is de balans tussen de luidsprekers voor- en achterin normaal. Druk na het afstellen de knop weer in de uitgangspositie terug.
Audiosysteem (extra) Radio (HU-403, -603, -803) (vervolg) Zender instellen Toetsenset op stuurwiel Druk op de linker toets voor een lagere frequentie en op de rechter voor een hogere frequentie. De ingestelde frequenties worden aangegeven op het display. Als uw stuurwiel is uitgerust met een toetsenset, kunt u op de pijl naar rechts of links drukken om één van de voorkeurzenders te selecteren.
Audiosysteem (extra) Zenders programmeren Auto, automatische zenderinstelling Met behulp de AUTO-functie kunt u tot 10 goed te ontvangen AM- of FM-zenders opzoeken en deze opslaan in een afzonderlijk geheugen. Deze functie is met name bruikbaar in gebieden waar u de radiozenders niet kent. 1. Druk op de toets $872 en houd deze minstens twee seconden lang ingedrukt. Een aantalzenders met een krachtig signaal (maximaal 10) op de gekozen golflengte worden automatisch in het geheugen opgeslagen.
Audiosysteem (extra) Radio (HU-403, -603, -803) (vervolg) NEWS Nieuws aan/uit Druk kort op de toets NEWS om de nieuwsfunctie te activeren. De tekst NEWS verschijnt in kleine letters op het display. Druk nogmaals op de toets NEWS, als u de nieuwsfunctie wilt uitschakelen. Zodra er een nieuwsbulletin binnenkomt, wordt de weergave van het cassettedeck, de cd-speler of de cd-wisselaar onderbroken zodat u het nieuws kunt beluisteren.
Audiosysteem (extra) Programmatype Met de PTY-functie kunt u direct programma’s met een bepaald onderwerp kiezen. Ga als volgt te werk om een zender met een bepaald programmatype te zoeken. 1. Druk op de toets 37<. Het programmatype van de ingestelde radiozender verschijnt op het display. 2. Wanneer u aan de knop ± ',6& draait, kunt u door de lijst met programmatypes bladeren. 3. Wanneer u het gewenste programmatype hebt gevonden, drukt u op de knop ± ',6& om uw keuze te bevestigen.
Audiosysteem (extra) Radio (HU-403, -603, -803) (vervolg) Geavanceerde gebruikersstand (Advanced User Mode) 1. Om één van de functies in de AUM-stand te activeren moet u het volgende doen. Zorg dat de radio is uitgeschakeld, druk de volumeknop in en houd deze minstens 5 seconden lang in deze stand vast. 2. Draai aan de knop ± ',6& om uw keuze te maken uit de mogelijke functies (zie het overzicht met functies op pagina 175). 3.
Audiosysteem (extra) Geavanceerde gebruikersinstellingen (de uitgangswaarden zijn onderstreept) • SET TO DEFAULT (zie pagina 174). • AF SWITCHING ON/OFF (automatische afstemfunctie) – de AF-afstemfunctie zorgt ervoor dat het toestel op het sterkste zendersignaal voor het gekozen programmatype afstemt.
Audiosysteem (extra) Cassettedeck (HU-403, -603) Cassetteopening Cassette uitwerpen Versneld spoelen Steek de cassette met de open kant naar rechts in de opening. Op het display verschijnt “TAPE Side A”. Wanneer één kant van de cassette is afgespeeld, schakelt het deck automatisch over naar de andere kant (auto-reverse). Als er al een cassette in het deck zit, kunt u de cassette laten afspelen door aan de knop SOURCE te draaien.
Audiosysteem (extra) Cd-speler (HU-603) Cd-speler Versneld spoelen Willekeurige afspeelvolgorde Steek een cd in de opening. Als u al een cd hebt ingebracht, moet u voor weergave van de cd kiezen door aan de knop SOURCE te draaien. Druk op of om een bepaald gedeelte van een nummer op te zoeken. Druk op “RND” (random) om de willekeurige afspeelvolgorde te activeren. De cd-speler speelt de nummers van de cd dan in een willekeurige volgorde af. Zolang deze functie actief is staat er “RND” op het display.
Audiosysteem (extra) Cd-speler met interne cd-wisselaar (HU-803) Cd-speler Versneld spoelen Willekeurige afspeelvolgorde Een interne cd-wisselaar met een magazijn voor 4 cd’s maakt deel uit van het audiosysteem (HU-803). Draai aan de knop 6285&( om de cd-wisselaar in te schakelen. De cd-wisselaar speelt het laatst gekozen nummer op de laatst gekozen cd af. U kunt 4 cd’s in het magazijn van de cd-wisselaar aanbrengen. Om een nieuwe cd aan te kunnen brengen moet u een lege positie selecteren.
Audiosysteem (extra) Externe cd-wisselaar (HU-403, -603, -803) (accessoire) De cd-wisselaarfuncties zijn alleen beschikbaar, wanneer het audiosysteem is aangesloten op de cd-wisselaar van Volvo die als accessoire verkrijgbaar is. Cd-wisselaar Draai aan de knop SOURCE om de cdwisselaar in te schakelen. De cd-wisselaar speelt het laatst gekozen nummer op de laatst gekozen cd af. Als het magazijn van de cdwisselaar leeg is, verschijnt er “LOAD CARTRIDGE” op het display.
Audiosysteem (extra) Dolby Surround Pro Logic In combinatie met een centrale luidspreker in het midden van het dashboard zorgt Dolby Surround Pro Logic voor een zeer realistische geluidsweergave. De normale stereokanalen links en rechts worden dan opgedeeld in links, midden en rechts. Bovendien produceren de luidsprekers achterin het zogeheten “Ambient Surround Sound”. Dit effect evenaart de nagalm in de opnameruimte.
Audiosysteem (extra) vermogen van “Ambient Surround Sound”, wanneer “Dolby Surround Pro Logic” actief is. Volume centrale luidspreker Stel het volume van de centrale luidspreker in door de knop in te drukken, deze naar buiten te trekken en vervolgens naar links of rechts te draaien. In de middelste stand is het volume normaal. Druk de knop na de instelling weer in de oorspronkelijk stand terug.
Audiosysteem (extra) Technische gegevens Alarm HU-403 HU-803 Vermogen Impedantie Bedrijfsspanning 4 x 25 W 4 Ohm 12V, negatieve massa Radio Frequentiebereik U (FM) M (AM) L (AM) 87,5 – 108 MHz 522 – 1611 kHz 53 – 279 kHz HU-603 Vermogen Impedantie Bedrijfsspanning Externe versterker (extra) Radio Frequentiebereik U (FM) M (AM) L (AM) 182 4 x 25 W 4 Ohm 12V, negatieve massa 4 x 50 W of 4 x 75 W 87,5 – 108 MHz 522 – 1611 kHz 153 – 279 kHz Vermogen 1 x 25 W (centrale luidspreker) Impedantie 4 Ohm B
Telefoon (extra) Telefoonsysteem 184 Beknopte bedieningsinstructies 186 Bel-opties 187 Geheugenfuncties 190 Menu’s 191 Overige informatie 195 183
Telefoon (extra) Telefoonsysteem Algemene voorschriften • Verkeersveiligheid staat voorop! Als u als bestuurder gebruik wilt maken van de handset in de armleuning, moet u de auto eerst op een veilige plaats parkeren. • Schakel het systeem uit tijdens het tanken. • Schakel het systeem uit in gebieden waar met explosieven wordt gewerkt. • Laat reparatie van de telefoon aan erkend servicepersoneel over.
Telefoon (extra) 185
Telefoon (extra) Beknopte bedieningsinstructies SIM-kaart Systeem in- en uitschakelen Actieve stand De telefoon is alleen te gebruiken in combinatie met een geldige SIM-kaart (Subscriber Identity Module). U kunt een dergelijke kaart bij uw provider verkrijgen. Om het systeem in te schakelen: draai de contactsleutel in stand I. Druk op de aangegeven knop in de bovenstaande figuur.
Telefoon (extra) Bel-opties Display Bellen en gesprekken aannemen Op het display verschijnen de actuele functies zoals menu’s, berichten, telefoonnummers of instellingen. U kunt als volgt EHOOHQ kies het nummer en druk op op de toetsenset op het stuurwiel of op de middenconsole (of til de handset op). U kunt als volgt een inkomend gesprek DDQQHPHQ Druk op (of til de handset op). U kunt ook gebruik van de automatische aanneemfunctie “Auto antw.”, zie menuoptie 4.3.
Telefoon (extra) Bel-opties (vervolg) Verkort kiezen Telefoonnummers onder een voorkeuzetoets opslaan De nummers die zijn opgeslagen in het telefoonboek van het systeem kunt u koppelen aan een bepaalde voorkeuzetoets (1–9). U doet dat als volgt: Laatst gekozen nummer Handset Het telefoonsysteem slaat automatisch de tien laatst gekozen telefoonnummers/namen op. Als u privégesprekken wilt kunnen voeren, moet u gebruik maken van de handset. 1.
Telefoon (extra) Functies tijdens lopende gesprekken Tijdens HHQ ORSHQG gesprek kunt u de volgende functies activeren (blader met de pijltoetsen en druk op YES om een keuze te maken): Ruggespraak/ Ruggespraak uit Wachten/ Wachten uit Handset/ Handsfree Geheugen Ruggespraakstand Om het lopende wel of niet te parkeren Om de handset of de handsfree te gebruiken Om de opgeslagen nummers te bekijken Wanneer u tijdens een ORSHQG JHVSUHN een tweede gesprek hebt JHSDUNHHUG, kunt u de volgende functies activeren
Telefoon (extra) Geheugenfuncties Telefoonnummers en namen kunt u in het geheugen van de telefoon zelf opslaan of in het geheugen op de SIM-kaart. Wanneer u een gesprek aanneemt afkomstig van één van de nummers die in het telefoonboek liggen opgeslagen, wordt de bijbehorende naam op het display weergegeven. U kunt maximaal 255 namen in het geheugen van de telefoon opslaan. Telefoonnummers met namen opslaan 1. Druk op en blader naar Geheugen bewerken (menu 3). Druk vervolgens op . 2.
Telefoon (extra) Menu’s Aan de hand van de menu’s kunt u bestaande instellingen controleren of wijzigen en nieuwe functies programmeren. De verschillende menu-opties worden op het display weergegeven. Verkeersveiligheid Menusysteem In het menu 5.7 kunt u deze snelheidsbegrenzing opheffen. Druk op Om veiligheidsredenen is het menusysteem niet toegankelijk bij snelheden hoger dan 8 km/h. U kunt de begonnen activiteiten in het menusysteem echter nog wel beëindigen. om het menusysteem te activeren.
Telefoon (extra) Menu’s (vervolg) Hoofdmenu’s/Submenu’s 2SURHSUHJLVWHU *HP RSURHS 2QWY RSURHS *HEHOG :LV OLMVW 1.4.1. Alles 1.4.2. Gemist 1.4.3. Ontvangen 1.4.4. Gebeld 'XXU RSURHS 1.5.1. Lste oproep 1.5.2. Tel oproepen 1.5.3. Totale tijd 1.5.4. Reset timer %RRGVFKDSSHQ /H]HQ ,QYRHUHQ 9RLFH PDLO ,QVWHOOLQJHQ 2.4.1. SMSC-nummer 2.4.2. Geldigheid 2.4.3. Soort 192 *HKHXJHQ EHZHUNHQ 7RHYRHJHQ =RHNHQ 3.2.1. Bewerken 3.2.2. Wissen 3.2.3.
Telefoon (extra) 0HQX 2SURHSUHJLVWHU *HPLVWH RSURHSHQ In dit menu verschijnt een lijst met de tien laatst gemiste oproepen. U kunt de nummers bellen, wissen of toevoegen aan het geheugen van de telefoon of op de SIM-kaart om ze later te bewerken. 2QWYDQJHQ RSURHSHQ In dit menu verschijnt een lijst met de tien laatst ontvangen oproepen. U kunt de nummers bellen, wissen of toevoegen aan het geheugen van de telefoon of op de SIM-kaart om ze later te bewerken.
Telefoon (extra) Menu’s (vervolg) 0HQX %HO RSWLHV 1XPPHU PHH Geef aan of uw eigen nummer wel of niet op het display van de ontvanger moet verschijnen. Neem contact op met uw provider voor een permanent geheim nummer. 2SURHS ZDFKW Geef aan of u wel of geen signaal wilt ontvangen, wanneer er tijdens een lopend gesprek een tweede oproep wacht. $XWR DQWZ Geef aan of u wilt kunnen antwoorden zonder gebruik te maken van de toetsenset.
Telefoon (extra) Overige informatie Specificaties Vermogen SIM-kaart Geheugenposities SMS (Short Message Service) Data/Fax Dualband a. Radio/Telefoon Dubbele SIM-kaarten SIM-kaart Met de onderste vier toetsen van de toetsenset op het stuurwiel kunt u zowel de radio als de telefoon regelen. Veel providers bieden dubbele SIM-kaarten aan: één voor de autotelefoon en één voor een andere telefoon. Als u over dubbele SIMkaarten beschikt, kunt u hetzelfde nummer voor twee verschillende telefoons gebruiken.
Telefoon (extra) 196
Alfabetisch register Alfabetisch register Symbols A Aanhanger ..................................................110 Aansteker ................................................35, 42 ABS ......................................................30, 103 AC ..........................................................56, 59 Accu ...........................................131, 139, 160 Achterbank ...................................................75 Achteruitkijkspiegel en buitenspiegels .........
Alfabetisch register F I Fader ...........................................................169 Flessenhouder ...............................................74 “Follow-Me-Home”verlichting ....................37 IC-systeem ....................................................17 IEMI-nummer .............................................195 Immobilizer ..................................................80 In de was zetten ..........................................125 Indicatorlampjes richtingaanwijzers ........
Alfabetisch register Nieuws, NEWS ..........................................172 Noodoproepen ............................................184 Normale bocht ..............................................37 O Olie .............................................................134 Oliedruk ........................................................31 Oliefilter .....................................................134 Ontdooier ......................................................55 Ontgrendelen ...................
Alfabetisch register Ventilator ................................................55, 59 Vergrendelen ................................................82 Verkeersinformatie, TP ..............................172 Verlichtingspaneel ........................................36 Verstralers ....................................................34 Vierwielaandrijving ....................................101 Viscositeit ...................................................134 Vloermatten ....................................
6SURHLHUYORHLVWRI Zorg dat u het reservoir altijd goed gevuld houdt. Gebruik tijdens de wintermaanden antivries! Zie pagina 136. 6WXXUEHNUDFKWLJLQJ Zorg dat het peil tussen de MIN- en MAX-streepjes ligt. Zie pagina 137. .RHOYORHLVWRI Zorg dat het peil tussen de MIN- en MAX-streepjes op het expansiereservoir ligt. Zie pagina 136. 1. Richtingaanwijzers PY21W (oranje) 2. Dimlicht 55W H7 5HPYORHLVWRI Zorg dat het peil tussen de MIN- en MAX-streepjes ligt. Zie pagina 137. 3.