2004 VOLVO S40 TP 7012 (French). AT 0347.
Inleiding Beste Volvo-eigenaar Wij hopen dat u jarenlang rijplezier met uw Volvo zult hebben. De auto is ontworpen op veiligheid en comfort voor u en uw mede-inzittenden. Volvo is één van de veiligste auto's ter wereld. Uw Volvo is ook ontworpen om aan alle huidige veiligheidsvoorschriften en milieuvereisten te voldoen. Om nog meer plezier van uw auto te hebben, raden wij u aan om vertrouwd te raken met de uitrusting, de instructies en de onderhoudsinformatie in deze gebruikershandleiding.
Inleiding Gebruikershandleiding Een goede manier om bekend te raken met uw nieuwe auto is om de gebruikershandleiding te lezen, idealiter voordat u aan uw eerste reis begint. Hierdoor krijgt u de gelegenheid om vertrouwd te raken met nieuwe functies, weet u hoe u het beste de auto kunt hanteren in verschillende situaties en hoe u goed gebruik kunt maken van alle mogelijkheden die de auto biedt.
Inleiding Milieubeleid van Volvo Zorg voor het milieu, veiligheid en kwaliteit zijn de drie kernwaarden van de Volvo Car Corporation die van invloed zijn op alle handelingen. Volvo-auto’s voldoen aan strenge internationale milieueisen en worden in fabrieken geproduceerd die zeer schoon zijn en efficiënt met middelen omgaan. De meeste eenheden binnen de Volvo Car Corporation zijn gecertificeerd voor de milieunormen ISO 14001 of EMAS, wat leidt tot voortdurende verbeteringen binnen het milieubeleid.
Inleiding Spaar het milieu Wij denken dat onze klanten onze zorgen over het milieu delen. U kunt helpen het milieu te beschermen door milieuvriendelijke onderhoudsproducten te kopen en de auto te laten onderhouden en zelf te onderhouden aan de hand van de aanwijzingen in de gebruikershandleiding. Hieronder volgen een paar tips hoe het milieu gespaard kan worden: • Zorg er altijd voor dat de banden de juiste spanning hebben. Een te lage bandenspanning heeft een verhoogd brandstofverbruik tot gevolg.
Inhoudsopgave Instrumentenoverzicht Veiligheid Instrumenten, schakelaars en bediening Klimaatregeling Interieur Sloten en alarm Starten en rijden Wielen en banden Verzorging Onderhoud en service Infotainment Specificaties 7 13 33 59 71 83 93 119 133 139 163 191 5
Inhoudsopgave 6
Instrumentenoverzicht Instrumentenoverzicht Overzicht auto’s met het stuur links Overzicht auto’s met het stuur rechts Bedieningspaneel in het bestuurdersportier 8 10 12 7
Instrumentenoverzicht Overzicht auto’s met het stuur links Auto met het stuur links 8
Instrumentenoverzicht 1. Stuurwielafstelling 22. Schakelaar, schuifdak 2. Motorkapopener 23. 3. Bedieningspaneel Display voor klimaatregeling en infotainment 4. Richtingaanwijzers, groot licht, boordcomputer 24. Infotainment 25. 5. Verlichting, opener tankvulklep 6. Portierhandgreep, centrale vergrendeling Instellingen voor klimaatregeling, infotainment en persoonlijke instellingen 26. Klimaatregeling 7. Blaasmonden in het dashboard 27. Versnellingshendel 8.
Instrumentenoverzicht Overzicht auto’s met het stuur rechts Auto met het stuur rechts 10
Instrumentenoverzicht 1. Schakelaar, achteraf te monteren accessoire 22. Spiegels, kompas 2. Stabiliteitssysteem STC of DSTC 23. Contactslot 3. Elektrisch contact 24. Richtingaanwijzers, groot licht, boordcomputer 4. Handrem 25. Cruise control 5. Bedieningspaneel 26. Instrumentenpaneel 6. Dashboardkastje 27. Claxon, airbag 7. Centrale vergrendeling 28. Infotainment 8. Blaasmond, zijraam 29. Blaasmond, zijraam 9. Blaasmonden in het dashboard 30. Centrale vergrendeling 10.
Instrumentenoverzicht Bedieningspaneel bestuurdersportier Elektrisch kinderslot (optie).
Veiligheid Veiligheid Veiligheidsgordels Airbags SIPS-airbags Opblaasgordijn ('Inflatable Curtain'-systeem) WHIPS Activering van de veiligheidssystemen Crash-modus Airbags en opblaasgordijnen controleren Kinderen en veiligheid 14 17 20 22 23 25 26 27 28 13
Veiligheid Veiligheidsgordels Heupgordel uittrekken. De gordel moet laag gedragen worden. Draag altijd een veiligheidsgordel Remmen kan ernstige gevolgen hebben als de veiligheidsgordel niet wordt gedragen. Zorg dat alle passagiers hun veiligheidsgordel dragen. Dit om te voorkomen dat bij een aanrijding de passagiers op de achterbank tegen de rugleuning van de voorstoelen worden geslingerd.
Veiligheid kinderzitje op de voorstoel is bevestigd.) Naast de twee brandende symbolen hoort u een signaal dat afhankelijk van de snelheid van de auto van frequentie verandert. Gordelwaarschuwing1 Er gaat een symbool in de dakconsole branden (boven de achteruitkijkspiegel) als herinnering dat de veiligheidsgordel niet wordt gedragen. Er gaat ook een symbool op het dashboard branden. Als de auto stilstaat, verdwijnt de herinnering na ongeveer 6 seconden.
Veiligheid Gordelspanner Alle veiligheidsgordels (met uitzondering van de gordel midden achter) hebben gordelspanners. Dit is een mechanisme dat bij een aanrijding de veiligheidsgordel rond het lichaam spant. De gordel kan de passagier dus beter in de stoel gedrukt houden.
Veiligheid Airbags WAARSCHUWING! Om de kans op letsel bij activering van de airbags te minimaliseren, moeten de passagiers zo rechtop mogelijk zitten met hun voeten op de vloer en hun rug tegen de rugleuning. De veiligheidsgordel moet goed vastzitten. WAARSCHUWING! Airbag aan bestuurderszijde Uw auto heeft naast de veiligheidsgordels ook een airbag (SRS - Supplemental Restraint System) in het stuurwiel. De airbag zit opgevouwen in het midden van het stuurwiel.
Veiligheid WAARSCHUWING! Als het waarschuwingssymbool voor de SRS blijft branden of kortstondig tijdens het rijden gaat branden, dan betekent dit dat het SRS-systeem niet naar behoren werkt. Het symbool kan ook een storing in de gordelsluiting, het SIPS-systeem of het IC-systeem aangeven. Neem onmiddellijk contact op met een Volvoreparateur.
Veiligheid Bij bepaalde aanrijdingen wordt slechts één (of geen) airbag geactiveerd. WAARSCHUWING! Ingrepen in het SRS-systeem kunnen storingen in de werking en ernstige verwondingen veroorzaken. Reparatiewerkzaamheden mogen daarom alleen bij een erkende Volvoreparateur worden uitgevoerd. SRS-systeem, auto met het stuur links SRS-systeem, auto’s met stuur rechts.
Veiligheid SIPS-airbags WAARSCHUWING! Gebruik alleen Volvo-bekleding of door Volvo goedgekeurde bekleding. Andersoortige bekleding kan de werking van de SIPS-airbags verhinderen. Kinderzitjes en SIPS-airbags Er kan een kinderzitje op de voorstoel worden geplaatst, als de auto niet is uitgerust met een airbag aan de passagierszijde. SIPS-airbags (Zijairbag) Een groot deel van de kracht van de aanrijding wordt door het SIPS-systeem over de balken, stijlen, vloer, dak en andere delen van de auto verspreid.
Veiligheid Auto met het stuur links Auto met het stuur rechts SIPS-systeem De SIPS-airbag bestaat uit een gasgenerator (1), een zijairbag (2) en sensors (3). Bij een voldoende krachtige aanrijding worden de gasgeneratoren geactiveerd door de sensors. De SIPS-airbags worden vervolgens opgeblazen. De airbag wordt opgeblazen tussen de inzittende en het portierpaneel. De klap van de aanrijding wordt opgevangen, waarna de airbag weer leegloopt.
Veiligheid Opblaasgordijn ('Inflatable Curtain'-systeem) Eigenschappen Het opblaasgordijn is een toevoeging op het bestaande SIPS-systeem. Het opblaasgordijn zit verborgen in de hemelbekleding langs beide zijden van de auto. Het beschermt mensen op zowel de voorstoelen als de achterbank. Als de auto vanaf de zijkant wordt geraakt, wordt het opblaasgordijn binnen enkele duizendste van een seconden geactiveerd.
Veiligheid WHIPS-systeem WAARSCHUWING! • Als de stoel heeft blootgestaan aan grote krachten, zoals bij een aanrijding van achteren, moet u het WHIPSsysteem laten controleren bij een Volvo-reparateur. Bescherming tegen whiplashletsel - WHIPSsysteem Het WHIPS-systeem ( Whiplash Protection System) bestaat uit energieabsorberende rugleuningen en speciaal ontwikkelde hoofdsteunen voor beide voorstoelen.
Veiligheid WHIPS-systeem en kinderzitjes Het WHIPS-systeem heeft geen negatieve invloed op de beschermende werking van de kinderzitjes. Het volgende kan worden gebruikt: • een kinderzitje in de passagiersstoel vóór, mits de airbag aan passagierszijde is gedeactiveerd. • een achterstevoren geplaatst kinderzitje op de achterbank steunt tegen de rugleuning van de voorstoel.
Veiligheid Activering van de veiligheidssystemen Systeem Activering Gordelspanner Bij frontale aanrijdingen. De gordelspanner wordt rond het lichaam gespannen om de passagier sneller in zijn stoel gedrukt te houden. Airbags (SRS) Tijdens aanrijdingen waarbij de inzittenden voor in het gevaar lopen gewond te raken wanneer ze tegen het dashboard of het stuurwiel slaan. SIPS-airbags Tijdens aanrijdingen van opzij waarbij de auto met voldoende kracht wordt geraakt.
Veiligheid Crash-modus WAARSCHUWING! Probeer nooit zelf de auto te repareren of de elektronische onderdelen te resetten nadat de auto in CRASH MODE is geweest. Dit kan letsel of het slecht functioneren van de auto tot gevolg hebben. Laat een erkende Volvoreparateur de auto controleren en herstellen naar de normale status nadat CRASH MODE is weergegeven.
Veiligheid Airbags en opblaasgordijnen controleren Controle-intervallen 1. Airbag aan bestuurderszijde De stickers op de portierstijl(en) geven het jaar en de maand aan waarin u contact moet opnemen met een erkende Volvo-reparateur om de airbags, gordelspanners en opblaasgordijnen te laten controleren en eventueel te laten vervangen. Als u vragen heeft over de systemen, kunt ook contact opnemen met een erkende Volvo-reparateur. 2. Airbag aan passagierszijde 3. SIPS-airbag aan bestuurderszijde 4.
Veiligheid Kinderen en veiligheid onderdelen bent u er zeker van dat de bevestigingspunten en bevestigingsonderdelen op juiste wijze zijn aangebracht en sterk genoeg zijn. Bepalingen met betrekking tot waar kinderen in de auto mogen zitten verschillen van land tot land. Controleer welke regelgeving van toepassing is. Kinderen moeten comfortabel en veilig zitten De plaats van het kind in de auto en de vereiste uitrusting is afhankelijk van het gewicht en de lengte van het kind.
Veiligheid Stickers op de zijkant van het dashboard WAARSCHUWING! Bevestig nooit een kinderzitje op de passagiersstoel als de auto een airbag heeft aan de passagierszijde.
Veiligheid Plaats van kinderen in de auto Gewicht/leeftijd Voorstoel Buitenste zitplaatsen op de achterbank Middelste zitplaats op de achterbank <10 kg Achterstevoren gemonteerd kinderzitje, vastgezet met veiligheidsgordel en bevestigingsband. L: Typegoedkeuringsnr.: E5 03135 Achterstevoren gemonteerd kinderzitje, bevestigd met veiligheidsgordel, steun en bevestigingsband. L: Typegoedkeuringsnr.
Veiligheid ISOFIX-bevestigingssysteem voor kinderzitjes (opties) Geïntegreerd kinderzitjes (optie) De buitenste zitplaatsen van de achterbank zijn voorzien van het ISOFIXbevestigingssysteem. Neem contact op met uw erkende Volvo-reparateur voor meer informatie over de verkrijgbare veiligheidsuitrusting voor kinderen. Het geïntegreerde kinderzitje voor de buitenste zitplaatsen van de achterbank van Volvo is speciaal ontworpen om kinderen optimale bescherming te bieden.
Veiligheid rugleuning van de achterbank voorover kunt klappen. WAARSCHUWING! • de heupgordel laag over het bekken loopt voor optimale bescherming • de veiligheidsgordel niet tegen de nek van het kind aankomt of onder de schouder langs loopt. Stel de stand van de hoofdsteun zorgvuldig af op de lengte van het kind. Zie ook pagina 78. Omlaag brengen 1. Trek aan de hendel 2.
Instrumenten, schakelaars en bediening Instrumenten, schakelaars en bediening Instrumentenpaneel Controle- en waarschuwingssymbolen Informatiedisplay Elektrisch contact en schakelaar voor de middenconsole Verlichtingspaneel Bedieningshendel links van het stuurwiel Cruise control (optie) Bedieningshendel rechts van het stuurwiel Stuurwielafstelling, alarmlichten Handrem, elektrisch contact Elektrisch bedienbare ramen Achteruitkijkspiegel/Buitenspiegels Elektrisch bedienbaar schuifdak (optie) Persoonlijke in
Instrumenten, schakelaars en bediening Instrumentenpaneel tussen twee dagtellers T1 en T2 schakelen. Als u de knop lang indrukt (meer dan 2 seconden), gaat de geactiveerde dagteller op nul. 11. Display Hierop worden de schakelstanden van de automatische versnellingsbak, regensensor, dagteller en cruise control getoond. 12. Groot-lichtindicatie 13. Knop voor de klok Draai de knop om de tijd in te stellen. 1. Snelheidsmeter 5. Informatiesymbool 2. Richtingaanwijzers, links 6.
Instrumenten, schakelaars en bediening Controle- en waarschuwingssymbolen Functietest, symbolen Alle controle- en waarschuwingslampjes branden wanneer de contactsleutel voor het starten in stand II wordt gedraaid. De werking van de symbolen wordt dan gecontroleerd. Alle symbolen moeten weer uitgaan als de motor is gestart, behalve het symbool voor de handrem, dit gaat uit als de handrem wordt uitgeschakeld. Als de motor niet binnen vijf seconden wordt 1. Stop op een veilige plek.
Instrumenten, schakelaars en bediening 2.3. Als het symbool echter blijft branden, moet u de auto naar een erkende Volvo-reparateur rijden om het ABS-systeem te laten controleren. 3. Mistachterlicht Dit symbool brandt wanneer u het mistachterlicht heeft ingeschakeld. 4. Het knipperende symbool geeft aan dat het stabiliteitssysteem werkt. Als het waarschuwingssymbool blijft branden, geeft dit weinig wrijving tussen weg en banden aan. Controlesymbolen - linkerzijde 1.
Instrumenten, schakelaars en bediening 3. Airbags - SRS 7. Als het symbool brandt of blijft branden tijdens het rijden, is er een storing in het SRS-, SIPS- of IC-systeem geregistreerd. Rijd de auto zo snel mogelijk naar een erkende Volvo-reparateur om het systeem te laten controleren. 4. 1. 2. Lage oliedruk 6. Dynamo laadt niet op Als het symbool tijdens het rijden brandt, is er sprake van een storing in het elektrische systeem. Neem contact op met een Volvoreparateur.
Instrumenten, schakelaars en bediening Lage snelheid Het symbool gaat branden terwijl de auto met een snelheid van maximaal 7 km/u beweegt. Tegelijkertijd verschijnt één van de volgende teksten in het display: BESTUURDERS- PORTIER OPEN, PASSAGIERS- PORTIER OPEN, ACHTERPORTIER LINKS OPEN of ACHTERPORTIER RECHTS OPEN. Breng de auto tot stilstand zodra dit veilig is. Sluit het portier of de achterklep/het kofferbakdeksel dat open is. Hoge snelheid Als de auto 7 km/u of harder rijdt, gaat het symbool branden.
Instrumenten, schakelaars en bediening Informatiedisplay Berichten Tegelijkertijd met het branden van een waarschuwings- of controlelampje, verschijnt er een aanvullend bericht in het informatiedisplay. • Druk de knop READ (A) in. Blader tussen de berichten met de READknop. Berichten blijven in het geheugen opgeslagen totdat u de onderliggende storing hebt laten verhelpen.
Instrumenten, schakelaars en bediening Elektrisch contact en schakelaar voor de middenconsole Sigarettenaansteker (optie) Extra uitrusting U activeert de aansteker door de knop in te drukken. Wanneer de aansteker heet genoeg is, veert de knop automatisch uit. Haal de aansteker uit de opening en gebruik het roodgloeiende stuk metaal om een sigaar of sigaret aan te steken. Ruimte voor extra schakelaar voor later te monteren uitrusting.
Instrumenten, schakelaars en bediening Verlichtingspaneel 2. Koplampen en stadslichten Alle verlichting uit. Auto's met dagrijverlichting (bepaalde landen) Het dimlicht gaat automatisch aan wanneer u de contactsleutel in de rijstand (II) draait. Het kan niet worden uitgeschakeld. De dagrijverlichting kan voor vertrek naar bepaalde landen worden uitgeschakeld. Neem contact op met een Volvo-reparateur.
Instrumenten, schakelaars en bediening 6. Mistachterlicht Contactsleutel in stand II: • Druk op de knop om het mistachterlicht in te schakelen. Het mistachterlicht achter brandt in combinatie met het groot licht/dimlicht. De LED in de knop en het symbool op het instrumentenpaneel branden. Als de mistlampen vóór en het groot of dimlicht worden uitgeschakeld en weer ingeschakeld, dan gaat het mistachterlicht uit. Druk op de knop om het weer in te schakelen.
Instrumenten, schakelaars en bediening Bedieningshendel links van het stuurwiel worden de richtingaanwijzers automatisch uitgeschakeld. Groot-lichtsignaal (3) Trek de hendel naar u toe (totdat u een lichte weerstand voelt). Het groot licht blijft branden totdat u de hendel weer loslaat. Wisselen, groot licht en dimlicht (3) Haal de hendel via de lichtsignaalstand naar u toe en laat de hendel vervolgens weer los om te wisselen tussen groot licht en dimlicht.
Instrumenten, schakelaars en bediening Functies De boordcomputer krijgt een grote hoeveelheid gegevens binnen die voortdurend door een microprocessor worden beoordeeld.
Instrumenten, schakelaars en bediening Cruise control (optie) CRUISE ON wordt weergegeven als de cruise control is geactiveerd. Tijdelijk uitschakelen • Druk op 0 om de cruise control tijdelijk uit te schakelen. De cruise control wordt automatisch uitgeschakeld: • als de snelheid onder de grenswaarde voor inschakeling zakt Bediening Activeren De knoppen voor de cruise control vindt u links op het stuurwiel. Gewenste snelheid instellen: • Druk op de knop CRUISE. CRUISE wordt op het display weergegeven.
Instrumenten, schakelaars en bediening Bedieningshendel rechts aan het stuur Intervalstand Het aantal slagen per tijdseenheid kan worden afgesteld. Draai het kartelwieltje (C) omhoog voor een korter interval tussen de slagen. Draai omlaag om het interval te vergroten. Voortdurend wissen De wissers bewegen op normale snelheid De wissers bewegen op hoge snelheid Ruitenwissers A – Ruiten-/koplampsproeiers B - Regensensor (optie) A.
Instrumenten, schakelaars en bediening Zo schakelt u de regensensor weer uit: • druk op de knop (B) • wijzig het wisserprogramma door de hendel in een andere stand te zetten. De regensensor wordt automatisch uitgeschakeld als u het contact uitschakelt. BELANGRIJK! Schakel de regensensor in automatische wasstraten uit of schakel het contact uit. De ruitenwissers beginnen te vegen en kunnen beschadigd raken.
Instrumenten, schakelaars en bediening Stuurwielafstelling, alarmlichten WAARSCHUWING! Stel het stuurwiel af voordat u gaat rijden, nooit tijdens het rijden. Controleer voor u gaat rijden of het stuurwiel in de vaste stand staat. Alarmlichten Stuurwielafstelling U kunt het stuurwiel zowel in de hoogte als in de lengte verstellen. 1. Klap de hendel bij de stuurkolom omlaag om het stuurwiel los te maken. 2. Zet het stuurwiel vervolgens in de gewenste stand. 3.
Instrumenten, schakelaars en bediening Handrem, elektrisch contact Sigarettenaansteker (optie) Druk op de aansteker om de functie te activeren. Wanneer de aansteker heet genoeg is, veert de knop automatisch uit. Haal de aansteker uit de opening en gebruik het roodgloeiende stuk metaal om een sigaar of sigaret aan te steken. Handrem ( parkeerrem) De hendel zit tussen de voorstoelen. De handrem werkt op de achterwielen.
Instrumenten, schakelaars en bediening Elektrisch bedienbare ramen Bediening U kunt de elektrisch bedienbare ramen regelen met de schakelaars op de armleuning van de portieren. U kunt de ramen alleen bedienen, wanneer de contactsleutel in stand I of II staat. Ook wanneer de auto stilstaat en u de contactsleutel uit het contact heeft gehaald, kunt u de ramen nog steeds openen en sluiten zolang u geen van de voorportieren heeft geopend. Zo opent u het raam: • Druk het voorste deel van de schakelaar in.
Instrumenten, schakelaars en bediening WAARSCHUWING! Wanneer u de ramen in de achterportieren met de schakelaars op het bestuurdersportier sluit, moet u erop letten dat passagiers op de achterbank niet met hun handen bekneld kunnen raken. Elektrisch bedienbare ramen in de achterportieren blokkeren De LED in de schakelaar brandt niet U kunt de ramen in de achterportieren zowel met de schakelaars op de beide achterportieren als met de schakelaar op het bestuurdersportier bedienen.
Instrumenten, schakelaars en bediening Achteruitkijk-/buitenspiegels Achteruitkijkspiegel Antiverblindingsstand De antiverblindingsstand wordt geregeld met de hendel (1). 2. Normale stand 3. Antiverblindingsstand. Deze wordt gebruikt als de verlichting van het voertuig achter u hinderlijk is. Antiverblinding, automatische antiverblindingsfunctie (optie) Een sensor (4) in de onderrand van de spiegel neemt licht van achteren waar en dimt de spiegel als het licht te sterk is.
Instrumenten, schakelaars en bediening BELANGRIJK! Gebruik geen krabber met een stalen blad om de spiegels van ijs te ontdoen. Er kunnen daarbij krassen op het glas ontstaan. Gebruik liever de ontdooier. Zie het deel Klimaatregeling voor meer informatie. WAARSCHUWING! De spiegel aan bestuurderszijde is groothoekig voor optimaal zicht. Voorwerpen kunnen verder weg lijken dan ze in werkelijkheid zijn. Magnetische zones Zone aanpassen De aarde is in 15 magnetische zones verdeeld.
Instrumenten, schakelaars en bediening In de neutraalstand zetten Spiegels die uit positie zijn gehaald door invloeden van buitenaf, moeten weer in de neutrale stand worden gezet zodat het elektrisch inklappen weer werkt. Ga als volgt te werk: • Klap de spiegels in met behulp van de knoppen L en R. • Klap de spiegels weer uit met behulp van de knoppen L en R. De spiegels staan nu weer in de neutraalstand.
Instrumenten, schakelaars en bediening Elektrisch bedienbaar schuifdak (optie) • Trek de knop achteruit naar de eindstand (1) en laat de knop los. Schuifstand Automatische bediening Trek de knop over het weerstandspunt (2) in de achterste eindstand (1) of over het weerstandspunt (3) in de voorste eindstand (4) en laat de knop vervolgens los. Het schuifdak opent/sluit volledig. Handmatige bediening Openingsstanden 1. Openen, automatisch De bedieningsknoppen voor het schuifdak zitten op het plafond.
Instrumenten, schakelaars en bediening Zonnescherm Het schuifdak heeft een handbedienbaar, schuifbaar binnenzonnescherm. Het zonnescherm glijdt automatisch naar achteren bij het openen van het schuifdak. Pak de hendel vast en schuif het scherm naar voren om het scherm te sluiten.
Instrumenten, schakelaars en bediening Persoonlijke instellingen Mogelijke instellingen Algemene informatie Voor sommige functies in de auto zijn persoonlijke voorkeuren beschikbaar. Dit geldt voor sloten en klimaatregelings- en audiofuncties. Zie voor audiofuncties pagina 167. U kunt persoonlijke voorkeuren invoeren voor de klimaat-, vergrendelings- en audiofuncties. Zie voor audiofuncties pagina 167.
Instrumenten, schakelaars en bediening 'Approach'-verlichting Hiermee wordt de tijd geselecteerd dat de verlichting van de auto blijft branden als u op de knop voor de 'Approach'-verlichting op de afstandsbediening drukt. U kunt de volgende mogelijkheden selecteren: 30/60/90 seconden. 'Home safe'-verlichting Hiermee wordt de tijd geselecteerd dat de verlichting van de auto blijft branden als de bedieningshendel links van het stuur naar achteren wordt getrokken nadat de contactsleutel is verwijderd.
Klimaatregeling Klimaatregeling Algemene informatie over klimaatregeling Handmatige klimaatregeling, Airconditioning Elektronische klimaatregeling (ECC) (optie) Luchtverdeling Parkeerverwarming (optie) Extra verwarming (diesel) 60 62 64 67 68 70 59
Klimaatregeling Algemene informatie over klimaatregeling Airconditioning – AC Koelmiddel Het klimaatregelingssysteem koelt of verwarmt en ontdoet de lucht in het passagierscompartiment van vocht. De auto heeft een handmatige (MCC) of een automatische (ECC) klimaatregeling. Het AC-systeem bevat het koelmiddel R134a. Het bevat geen chloor, waardoor het koelmiddel onschadelijk voor de ozonlaag is. Gebruik bij het bijvullen/verversen van koelmiddel alleen R134a.
Klimaatregeling Koude klimaten: Sluit de middelste blaasmonden om de temperatuur in de auto zo comfortabel mogelijk te houden en de ruiten optimaal te ontwasemen. ECC (optie) Werkelijke temperatuur De ingestelde temperatuur komt overeen met de gevoelstemperatuur op basis van de heersende omstandigheden in en rond de auto wat de luchtsnelheid, de luchtvochtigheidsgraad, de ingestraalde warmte enz. betreft. worden geblokkeerd door kleding of andere voorwerpen.
Klimaatregeling Handmatige klimaatregeling, Airconditioning Bedieningspaneel 1. Ventilator Functies 2. Recirculatie 3. Ontdooier 4. AC - On/Off 5. Lucht naar de vloer 6. Lucht naar hoofd en borstkas 7. Lucht naar de voorruit 1. Ventilator Verlaag de ventilatorsnelheid door de knop te draaien. Als u de knop linksom draait en de ventilatorindicatie in het display gaat uit, dan zijn de ventilator en de airconditioning uitgeschakeld. Het display toont het ventilatorsymbool en OFF. 8.
Klimaatregeling de zijramen snel te ontwasemen en te ontdooien. • De ventilator draait dan op hoge snelheid en stuurt lucht naar de ramen. • • 5. Lucht naar de vloer Lucht naar benen en voeten. Verwarming uit De LED in de ontdooierknop brandt wanneer de functie is ingeschakeld. Het AC-systeem wordt automatisch geregeld, zodat de binnenkomende lucht zoveel mogelijk van vocht ontdaan wordt. 6. Luchtstroom naar hoofd en borst De lucht wordt niet gerecirculeerd. 4.
Klimaatregeling Elektronische klimaatregeling, (ECC) (optie) regelt de verwarming, het AC-systeem, de ventilatorsnelheid, de recirculatie en de luchtverdeling. Als u één of meer handmatige functies selecteert, worden de overige functies nog steeds automatisch geregeld. Alle handmatige instellingen worden uitgeschakeld, wanneer u de AUTO-functie activeert. Op het display verschijnt AUTO CLIMATE. 2. Ventilator 1. Auto -Aan/Uit 11. Elektrisch verwarmde achterruit en buitenspiegels 2. Ventilator 3.
Klimaatregeling 3. Recirculatie Deze functie kan worden ingeschakeld als u vieze lucht, uitlaatgassen en dergelijke buiten wilt houden. De lucht in het passagierscompartiment wordt gerecirculeerd. Er komt geen lucht van buiten de auto in wanneer deze functie geactiveerd is. Als de lucht in de auto te lang recirculeert, kunnen de binnenzijden van de ramen beslaan. Timer Met de timerfunctie beperkt u de kans op ijs, beslaan en een slechte luchtkwaliteit wanneer de recirculatiefunctie is geselecteerd.
Klimaatregeling 6. Luchtstroom richting hoofd en borst 9. en 10. Verwarmde voorstoelen (optie in bepaalde landen) Om de voorstoel te verwarmen: 7. Lucht naar de voorruit en ramen Hoger warmteniveau Lager warmteniveau 8. ECC ON/OFF Wanneer de LED bij ON brandt, wordt het ACsysteem automatisch geregeld. De binnenkomende lucht wordt dan automatisch afgekoeld en van vocht ontdaan. De airconditioning is uitgeschakeld als de LED OFF brandt. Andere functies worden nog steeds automatisch geregeld.
Klimaatregeling Luchtverdeling Luchtverdeling Luchtverdeling Lucht naar de ramen. Er komt een bepaalde hoeveelheid lucht uit de blaasmonden. De lucht wordt niet gerecirculeerd. Het ACsysteem is altijd ingeschakeld. Lucht naar de ramen. Toepassing: om snel te ontdooien en te ontwasemen. Luchtverdeling Lucht naar de vloer en de ramen. Er komt een bepaalde hoeveelheid lucht uit de blaasmonden. Toepassing: voor comfortabele omstandigheden en een goede ontwaseming bij koud weer.
Klimaatregeling Parkeerverwarming (optie) –7 °C en lager is de maximale bedrijfstijd van de parkeerverwarming 60 minuten. WAARSCHUWING! De auto moet bij het gebruik van de verwarming op benzine of dieselolie in de buitenlucht staan. Verwarming direct inschakelen 1. 2. Druk op de knop RESET (C) om één van de opties ON of OFF te selecteren. 3.
Klimaatregeling informatiedisplay. Bevestig dit bericht door op de READ-knop (A) te drukken. BELANGRIJK! Herhaaldelijk gebruik van de parkeerverwarming bij korte ritten kan ertoe leiden dat de accu leeg raakt en dit kan startproblemen opleveren. Als de kachel regelmatig wordt gebruikt, moet er evenveel tijd in de auto worden gereden als de tijd die de kachel heeft aangestaan. Zo zorgt u ervoor dat de dynamo voldoende energie kan leveren zonder de accu te ontladen.
Klimaatregeling Extra verwarming (diesel) WAARSCHUWING! • Schakel voor het tanken de door brandstof aangedreven verwarming uit. • Gemorste brandstof kan door uitlaatgassen worden ontstoken. • Controleer in het informatiedisplay of de verwarming uit is. Extra verwarming Handmatig afzetten (bepaalde landen) In bepaalde situaties kan het wenselijk zijn dat de extra verwarming uitgeschakeld kan worden, zoals bij het tanken. • Druk eenmaal op de READ-knop (A).
Interieur Interieur Voorstoelen Interieurverlichting Opbergvakken in het passagierscompartiment Achterbank Bagageruimte Gevarendriehoek 72 74 76 78 80 81 71
Interieur Voorstoelen 4. Wijzig de stand van de lendesteun, draai de knop 5. Wijzig de hoek van de rugleuning, draai de knop 6. Bedieningspaneel voor elektrisch bedienbare stoelen. Niet alle stoelmodellen zijn voorzien van standknoppen (2) en (3). WAARSCHUWING! • Stel de stand van de bestuurdersstoel in voordat u gaat rijden, nooit tijdens het rijden. Zithouding De bestuurders- en passagiersstoelen kunnen worden ingesteld op optimale zit- en rijstanden. 1.
Interieur de auto te ontgrendelen slaat informatie op over de stoelinstellingen die worden gewijzigd. De volgende keer dat de auto wordt ontgrendeld met dezelfde afstandsbediening en het bestuurdersportier binnen 2 minuten wordt geopend, dan gaat de bestuurdersstoel in de opgeslagen stand staan. Stoelen met geheugenfunctie (optie) 1.
Interieur Interieurverlichting het sluiten van het portier. De dimmerfunctie is actief. 3. Aan - rechterkant ingedrukt, passagiersverlichting aan. Automatische verlichting De interieurverlichting gaat aan en schakelt automatisch uit wanneer schakelaar (B), zie afbeelding, in de neutrale stand staat. De algemene verlichting wordt ingeschakeld om 30 seconden lang te blijven branden wanneer: A. Verlichting linkerkant. B. Schakelaar. C.
Interieur Make-upspiegel Het lampje gaat automatisch aan wanneer het klepje wordt opgetild.
Interieur Opbergvakken in het passagierscompartiment 76
Interieur 1. Opbergvak in de middenconsole (ook bij de voorrand van de voorstoel, zitgedeelte.) 2. zitten onder de pedalen aan de bestuurderskant. Opbergvak in het portierpaneel 3. Parkeerkaarthouder. 4. Dashboardkastje. 5. Afvalbak (accessoire). 6. Opbergvak en bekerhouders. 7. Opbergvak en bekerhouders. WAARSCHUWING! Het afvalbakje (5) mag niet worden bevestigd als er een handset is bevestigd aan de rechterkant van de middenconsole.
Interieur Achterbank BELANGRIJK! De hoofdsteunen kunnen beschadigd raken wanneer ze tijdens het laden niet verwijderd worden. De middelste hoofdsteun moet bij het vervoeren van zware ladingen verwijderd worden. De hoogte van de hoofdsteun instellen Veiligheidsgordel ophangen Hoofdsteun van de middelste zitplaats op de achterbank Ruggedeelte van de achterbank neerklappen Alle hoofdsteunen kunnen in hoogte afgesteld worden op de lengte van de passagier.
Interieur De rode markering mag niet zichtbaar zijn wanneer de rugleuning is teruggeklapt in de rechtopstaande stand. De rugleuning zit niet vast als hij nog zichtbaar is. WAARSCHUWING! Vergeet de veiligheidsgordels niet uit de haken te halen als de rugleuning weer omhoog wordt geklapt. Rugleuning neerklappen 1. Trek aan de banden om de zitkussens naar voren te klappen. 2. Trek de pallen omhoog en naar voren om de rugleuning los te halen.
Interieur Bagageruimte Lastogen De lastogen worden gebruikt om de bagagebanden of een net met goederen vast te zetten in de bagageruimte. 80 Elektrisch contact, bagageruimte (optie) Houder voor boodschappentassen (optie) Klap de afdekking omlaag om het elektrische contact bloot te leggen. Dit werkt onafhankelijk van de stand van het contactslot.
Interieur Gevarendriehoek achteropkomend verkeer tijdig te waarschuwen. Doe het volgende na gebruik: 1. Plaats alles in de omgekeerde volgorde terug. 2. Zorg dat de houder met de gevarendriehoek stevig in de bagageruimte vastzit. De gevarendriehoek1neerzetten Volg de geldende regels voor het gebruik van een gevarendriehoek. 1. Maak de hoes van de gevarendriehoek los. Hij zit vast met klittenband. 2. Haal de gevarendriehoek uit de hoes (A). 3. Klap de vier steunpootjes van de gevarendriehoek uit. 4.
Interieur 82
Sloten en alarm Sloten en alarm Afstandsbediening met mechanisch deel Vergrendelen en ontgrendelen Kindersloten Alarm (optie) 84 87 89 90 83
Sloten en alarm Afstandsbediening met mechanisch deel Afstandsbediening De auto wordt geleverd met twee afstandsbedieningen. Deze functioneren ook als contactsleutels. De afstandsbedieningen bevatten afneembare metalen sleutelbladen voor het mechanisch vergrendelen/ ontgrendelen van het bestuurdersportier en het dashboardkastje. Er wordt een apart etiket met de code van het mechanische deel meegeleverd. Bewaar het label zorgvuldig. Neem het label mee naar een Volvoreparateur als u nieuwe sleutels bestelt.
6ORWHQ HQ DODUP +HW PHFKDQLVFKH JHGHHOWH YDQ GH VOHXWHO YHUZLMGHUHQ 2SHQ KHW PHFKDQLVFKH GHHO YDQ GH DIVWDQGVEHGLHQLQJ f 6FKXLI GH YHHUEHODVWH SDO DDQ GH NDQW WHUZLMO X KHW PHFKDQLVFKH GHHO QDDU EXLWHQ HQ QDDU DFKWHUHQ WUHNW +HW PHFKDQLVFKH GHHO EHYHVWLJHQ :HHV YRRU]LFKWLJ DOV X KHW PHFKDQLVFKH GHHO LQ GH DIVWDQGVEHGLHQLQJ WHUXJ SODDWVW f 9HUJUHQGHOSXQWHQ QRUPDOH VWDQG 9HUJUHQGHOSXQWHQ VHUYLFHVWDQG f 'UXN YRRU]LFKWLJ RS KHW PHFKDQLVFKH GHHO RP GH]H RS ]LMQ SODDWV WH YHUJUHQG
Sloten en alarm 4. Let op hoe de plus- en minpolen van de batterij aan de binnenkant van het dekseltje zijn geplaatst. 5. Werk de batterij naar buiten (2) en verwissel hem. Kom niet met uw vingers aan de polen van de batterij of de contactvlakken. 6. Plaats het dekseltje terug en schroef het op zijn plaats. 7. Druk het mechanische deel terug op zijn plaats. Zorg dat de oude batterij op milieuvriendelijke wijze wordt afgevoerd.
Sloten en alarm Vergrendelen en ontgrendelen Vergrendelen/ontgrendelen vanaf de buitenzijde van de auto De afstandsbediening kan gebruikt worden om alle portieren van de auto en het kofferbakdeksel tegelijkertijd te vergrendelen of ontgrendelen. De portieren kunnen worden ontgrendeld met het afneembare mechanische deel van de sleutel. WAARSCHUWING! Let op dat inzittenden in de auto kunnen worden opgesloten als de auto van buitenaf vergrendeld wordt.
Sloten en alarm Geblokkeerde slotstand en eventuele alarmsensoren tijdelijk deactiveren. Als u de portieren van de buitenzijde wilt vergrendelen terwijl er iemand in de auto achterblijft, dan kunt u de geblokkeerde slotstand tijdelijk deactiveren. 1. Steek de sleutel in het contactslot, draai deze in stand II en vervolgens terug in stand I of 0. 2. Druk op de toets (1).
Sloten en alarm Kindersloten Raamvergrendeling, achter (optie) Zolang de elektrische kindersloten ingeschakeld zijn, kunnen de achterramen niet worden gebruikt. Activeer de kindersloten: 1. Draai de contactsleutel naar stand I of II. 2. Druk op de knop. De achterramen kunnen niet worden geopend als de LED in de knop brandt.
Sloten en alarm Alarm (optie) van invloed zijn op de verzekeringsvoorwaarden. Het alarmsysteem Wanneer het alarm is ingeschakeld, worden alle beveiligde onderdelen continu gecontroleerd.
Sloten en alarm 2. Een geactiveerd alarm uitschakelen • Druk op de toets UNLOCK van de afstandsbediening. Er blijft een bericht in het display staan zolang de sleutel in het contact zit (of gedurende 1 minuut nadat de sleutel verwijderd is) De volgende keer dat het contact ingeschakeld wordt, zullen de sensors weer ingeschakeld worden. Als de auto is uitgerust met een geblokkeerde slotstand, wordt deze functie tegelijkertijd geactiveerd.
Sloten en alarm De portieren testen 1. Activeer het alarm. 2. Wacht 30 seconden. 3. Ontgrendel met behulp van de sleutel aan de bestuurderszijde. 4. Open één van de portieren. Het alarm moet vervolgens geluids- en lichtsignalen afgeven. 5. Deactiveer het alarm door de auto via de afstandsbediening te ontgrendelen. De motorkap testen 1. Ga in de auto zitten en deactiveer de bewegingssensor. 2. Activeer het alarm.
Starten en rijden Starten en rijden Algemeen Tanken De motor starten Handgeschakelde versnellingsbak Automatische versnellingsbak (optie) Remsysteem Stabiliteitssysteem Slepen en vervoeren Hulp bij het starten Met een aanhanger rijden Trekhaak Afneembare trekhaak Laden Koplamp lager afstellen, rechts of links rijdend verkeer 94 95 96 98 100 103 105 107 109 110 112 114 117 118 93
Starten en rijden Algemene informatie Zuinig rijden Zuinig rijden houdt in dat u anticiperend en rustig rijdt, en uw rijstijl en snelheid afstemt op de verkeerssituatie. • Laat de motor zo spoedig mogelijk op bedrijfstemperatuur komen. • Laat de motor niet stationair lopen, maar rijd zo snel mogelijk met lichte belasting. • Een koude motor verbruikt meer brandstof dan een warme. • Vermijd onnodig snel optrekken en krachtig remmen. • Laat zware ladingen niet onnodig lang in de auto liggen.
Starten en rijden Tanken Tankvuldop De tankvuldop vindt u achter de tankvulklep in het spatscherm rechts achter. Bij hoge buitentemperaturen kan er een bepaalde mate van overdruk in de brandstoftank ontstaan. Tank niet te veel brandstof in de tank. Plaats de dop na het tanken terug. Draai totdat u een klik hoort. Parkeerverwarming (optie) Schakel voor het tanken de brandstofkachel uit.
Starten en rijden De motor starten Afhankelijk van de motortemperatuur tijdens de start kan het gebeuren dat het motortoerental van bepaalde motortypen na een koude start iets hoger is dan normaal. Volvo streeft ernaar de uitstoot van uitlaatgassen te beperken door het uitlaatsysteem van de motor zo spoedig mogelijk op bedrijfstemperatuur te brengen. Laat de motor meteen na een koude start nooit op te hoge toeren draaien.
Starten en rijden Als de voorwielen op zo'n manier draaien dat er spanning in het stuurwielslot komt, dan verschijnt er een waarschuwingsbericht in het display en kan de auto niet worden gestart. Verwijder de contactsleutel en draai het stuurwiel zodanig dat het stuurwielslot uitschakelt. Steek de sleutel in het contact en doe een nieuwe startpoging. Zorg dat het stuurwielslot is ingeschakeld, wanneer u de auto verlaat. Zo beperkt u de kans op diefstal.
Starten en rijden Handgeschakelde versnellingsbak Schakelstanden, vijfversnellingsbak Trap het koppelingspedaal tijdens het schakelen altijd zo ver mogelijk in. Haal uw voet na het schakelen weer van het koppelingspedaal af. Houd u aan het aangegeven schakelpatroon. Om het brandstofverbruik zo laag mogelijk te houden moet u zoveel mogelijk gebruik maken van de hoogste versnellingen. 98 Blokkering achteruitversnelling Schakel de achteruitversnelling alleen in als de auto stilstaat.
Starten en rijden Blokkering achteruitversnelling Schakel de achteruitversnelling alleen in als de auto stilstaat. De versnellingshendel moet eerst in de neutraalstand N gezet worden voordat de achteruitversnelling ingeschakeld kan worden. Door de blokkering van de achteruitversnelling kunt u de versnellingshendel niet rechtstreeks vanuit de vijfde versnelling in de achteruitversnelling zetten.
Starten en rijden Automatische versnellingsbak (optie) Koude start Als u bij koud weer wegrijdt, kan het zijn dat het schakelen wat stug gaat. Dit komt omdat de versnellingsbakolie bij lagere temperaturen stroperiger wordt. Om de uitstoot van uitlaatgassen te beperken schakelt de versnellingsbak later op dan normaal, wanneer u bij lage temperaturen wegrijdt.
Starten en rijden R - Achteruitrijstand De auto moet stilstaan wanneer de versnellingshendel in stand R wordt gezet. N - Neutraalstand N is de neutraalstand. In deze stand kunt u de motor starten, maar er is geen versnelling ingeschakeld. Trek de handrem aan als de auto stilstaat en de versnellingshendel in N staat.
Starten en rijden Tijdens het rijden De handmatige schakelstand kan op elk moment tijdens het rijden ingeschakeld worden. De ingeschakelde versnelling is geblokkeerd totdat u een andere versnelling kiest. De versnellingsbak schakelt alleen automatisch terug, als u uw snelheid drastisch verlaagt. Als u de versnellingshendel naar de – (min) beweegt, schakelt de versnellingsbak automatisch één versnelling terug terwijl er op de motor afgeremd wordt.
Starten en rijden Remsysteem Als de rembekrachtiging niet werkt Als de auto rijdt of wordt gesleept met een uitgeschakelde motor, moet u ongeveer vijf maal zoveel druk uitoefenen op het rempedaal als wanneer de motor loopt. Het rempedaal voelt stug en hard aan wanneer de rembekrachtiging niet werkt. WAARSCHUWING! De rembekrachtiging werkt alleen als de motor loopt. Remcircuits Het symbool gaat branden als een remcircuit niet werkt.
Starten en rijden Oefen het remmen met het ABS-systeem in een gebied zonder verkeer en onder verschillende weersomstandigheden. Het ABS-symbool gaat branden en blijft aan: • gedurende ongeveer twee seconden voordat de auto start • als het ABS-systeem door een storing uitgeschakeld is WAARSCHUWING! Als de waarschuwingssymbolen REM en ABS tegelijkertijd branden, kan er een storing in het remsysteem zijn opgetreden.
Starten en rijden Stabiliteitssysteem Als het stabiliteitssysteem werkt, kan het lijken alsof de auto niet op het openen van de gasklep reageert. Dit komt omdat het systeem de wrijving van het wegoppervlak waarneemt en de verschillende functies van het stabiliteitssysteem in werking laat treden. De auto is uitgerust met STC (Stability and Traction Control) of met DSTC (Dynamic Stability and Traction Control).
Starten en rijden keer dat u de motor start automatisch geactiveerd. Symbolen in het midden van het dashboard Het symbool gaat branden en dooft na ongeveer 2 seconden weer Het symbool gaat branden voor een systeemcontrole wanneer de auto wordt gestart. Knipperend waarschuwingssymbool Het stabiliteitssysteem voorkomt dat de aangedreven wielen van de auto slippen. De tractieregelingsfunctie verbetert de grip van de auto op de weg. De antislipregelingsfunctie voorkomt dat de auto gaat slippen.
Starten en rijden Slepen en vervoeren Probeer de auto nooit te starten door hem te slepen Gebruik een hulpaccu als de accu leeg is en de motor niet wil starten. Probeer de auto niet te starten door hem te slepen. BELANGRIJK! De katalysator kan beschadigd raken als de auto gesleept wordt. Slepen Controleer voordat u de auto gaat slepen wat de maximaal toegestane snelheid is voor slepen. 1.
Starten en rijden sleufschroevendraaier of een grote munt. 3. Schroef het sleepoog stevig tot aan de flens vast. Gebruik de wielsleutel om het sleepoog te draaien. 4. Draai het sleepoog na gebruik los en plaats het terug in de bagageruimte. Plaats de afdekking weer terug op de bumper. BELANGRIJK! Het sleepoog is alleen bedoeld voor het slepen over de weg en niet geschikt voor berging wanneer de auto bijvoorbeeld in een sloot is gereden. Roep professionele hulp in voor berging.
Starten en rijden Hulp bij het starten stoppen. Zorg dat de auto's elkaar niet raken. 4. Sluit de rode startkabel aan tussen de pluspool (1+) van de hulpaccu en de pluspool (2+) van de tweede accu. 5. Sluit de ene klem van de zwarte kabel aan op de minpool (3–) van de hulpaccu. 6. Sluit de andere klem op de zwarte kabel aan op de massa-aansluiting (4-) die op de bovenste rechterveerpoot zit.
Starten en rijden Rijden met een aanhanger Algemene informatie Als de trekhaak door Volvo in de fabriek is gemonteerd, wordt de auto compleet aangeleverd met de benodigde randuitrusting voor het gebruik van een aanhanger. • De trekhaak van de auto moet van een goedgekeurd type zijn. • Bij montage achteraf moet u contact opnemen met uw Volvo-reparateur om te controleren of uw auto van de nodige uitrusting is voorzien om met een aanhanger te kunnen rijden.
Starten en rijden Automatische versnellingsbak Op een helling parkeren: • Trek de handrem aan. • Zet de versnellingshendel in stand P, de parkeerstand. De auto op een helling starten: • Zet de versnellingshendel in stand D, de rijstand. • Haal de handrem eraf. Steile hellingen: • Gebruik de juiste versnellingsstand wanneer u een steile helling oprijdt of bij lage snelheden. Dit voorkomt dat de versnellingsbak omhoog schakelt en de versnellingsbakvloeistof te dun wordt.
Starten en rijden Trekstang Trekhaken De kogel moet regelmatig schoongemaakt en met vet ingesmeerd worden. Als er een kogeltrekhaak met trillingsdemper wordt gebruikt, hoeft de kogel niet te worden ingevet. Als de auto is uitgerust met een afneembare trekhaak, dan moeten de montage-instructies voor het aansluiten van de kogel zorgvuldig worden opgevolgd. Zie pagina 114. WAARSCHUWING! Zorg dat de veiligheidskabel van de aanhanger vastzit aan de juiste bevestiging.
Starten en rijden Afstand B Vaste trekhaak: 72 mm Afneembare trekhaak: 72 mm 113
Starten en rijden Afneembare trekhaak De kogel bevestigen 1. 114 Verwijder de afdekplug. 2. Controleer of het mechanisme in de ontgrendelde stand staat door de sleutel met de klok mee te draaien. 3. Controleer of het controlevenster rood is.
Starten en rijden 4. Schuif het kogelsegment naar binnen totdat hij klikt. 5. Controleer of het controlevenster groen is. 6. Draai de sleutel tegen de klok in naar de vergrendelde stand. Neem de sleutel uit het slot. De veiligheidskabel van de aanhanger moet aan de bevestiging in de trekhaak worden vastgemaakt.
Starten en rijden De kogel verwijderen 1. Steek de sleutel in het slot en draai de sleutel met de klok mee naar de ontgrendelde stand. 4. Schuif de afdekplug erin. 116 2. Druk de vergrendelingsknop in en draai deze tegen de klok in tot de knop klikt. 3. Ga door met het draaien van de vergrendelingsknop tot deze niet verder kan. Houd de knop omlaag en trek tegelijkertijd het kogelsegment eruit.
Starten en rijden Laden Lading in de bagageruimte Zet de motor af en trek de handrem aan bij het in- en uitladen van lange voorwerpen. De versnellingshendel kan uit zijn stand worden gestoten door lange bagage, waardoor de auto kan wegrijden. U kunt de stoelen neerklappen en de hoofdsteunen verwijderen om de bagageruimte te vergroten. Plaats alle bagage stevig tegen de rugleuning van de stoel ervoor • Zorg dat u de hoofdsteun niet beschadigt als u de achterbank neerklapt.
Starten en rijden Lichtpatroon aanpassen, stuur rechts en links A. Lichtpatroon voor auto's met het stuur links B. Auto's met het stuur rechts Juiste lichtpatroon Het lichtpatroon van de koplampen kan worden aangepast om te voorkomen dat tegenliggers verblind worden als u met het verkeerde lichtpatroon rijdt. Het juiste lichtpatroon zorgt dat de weg tot aan de berm effectief verlicht wordt.
Wielen en banden Wielen en banden Algemene informatie Bandenspanning Wielen verwisselen Bandenreparatiesysteem (bepaalde landen) 120 123 124 128 119
Wielen en banden Algemene informatie Rijeigenschappen en banden Nieuwe banden De banden zijn van grote invloed op de rijeigenschappen van de auto. Zowel het type, de maat als de bandenspanning zijn belangrijk voor het rijgedrag van de auto. Op alle autobanden staat een bepaalde maataanduiding. Een voorbeeld van een dergelijke aanduiding is 205/55R16 91 W. Banden hebben een beperkte houdbaarheidsdatum. Na enkele jaren worden de banden hard en neemt de grip op het wegdek stukje bij beetje af.
Wielen en banden Neem contact op met een Volvoreparateur voor advies over de beste soort velgen en banden. tussen de schijfremmen en de wielen te klein is. Banden met ‘spikes’ Winterbanden met ‘spikes’ moeten de eerste 500-1000 km rustig worden ingereden, zodat de ‘spikes’ op de juiste plaats in de band gaan zitten. Zo gaan de banden en vooral de ‘spikes’ langer mee. De bepalingen voor het gebruik van banden met ‘spikes’ verschillen van land tot land.
Wielen en banden Aluminium velg – hoge moer Alleen de hoge soort moer kan gebruikt worden voor aluminium velgen. Deze verschilt behoorlijk van andere soorten moeren omdat hij een draaiende conische afstelring heeft. Draai aan tot 85 Nm. Controleer het aanhaalmoment met een momentsleutel. WAARSCHUWING! De hogere soort wielmoeren moet met maximaal 85 Nm worden aangedraaid. Als u ze harder aandraait, kunnen de vulringen beschadigd raken.
Wielen en banden Bandenspanning Bandendruk controleren Aanbevolen bandenspanning Op de sticker aan de binnenzijde van de tankvulklep staat de juiste bandenspanning voor uw auto aangegeven. Uw auto is voorzien van een typegoedkeuring voor de uitvoering waarin deze werd aangeleverd. Dit betekent dat u niet mag afwijken van de afmetingen en prestaties die staan aangegeven op het kentekenbewijs van de auto. De enige uitzonderingen op deze regelgeving, zijn winterbanden en banden met 'spikes'.
Wielen en banden Wielen verwisselen de banden regen en sneeuwmodder minder goed afvoeren. De banden met het meeste profiel moeten altijd achter zitten (om de kans op slippen te verminderen). Bewaar de wielen hangend of liggend. Laat ze nooit rechtop staan. Neem contact op met een Volvo-reparateur als u niet zeker bent van de profieldiepte.
Wielen en banden Wielen verwijderen Plaats in ieder geval een gevarendriehoek wanneer u op de openbare weg een band verwisselt. Zorg dat de auto en de krik op een stevige, vlakke ondergrond staan. 1. Pak het reservewiel, de krik en de wielsleutel uit de auto. Deze zitten onder de vloerbekleding in de bagageruimte. 2. Trek de handrem aan. Als de auto handgeschakeld is, zet hem dan in de eerste versnelling. Selecteer P als de auto een automaat is. 3.
Wielen en banden aangedraaid zijn. De lage wielmoer moet met maximaal 140 Nm worden aangedraaid. Controleer het aanhaalmoment met een momentsleutel. Hoge wielmoeren met een draaiende conische ringtaats moeten tot 85 Nm worden aangedraaid. Controleer het aanhaalmoment met een momentsleutel. WAARSCHUWING! • Kruip nooit onder een auto als deze met de krik omhoog is gebracht. • Laat nooit passagiers in de auto bevindt ten wanneer u de auto omhoog krikt.
Wielen en banden Reservewiel en gereedschap Reservewiel/ bandenreparatieset, krik en wielsleutel 2. Til de krik en de wielsleutel uit de auto. 3. Draai de bevestiging van het reservewiel los en til het reservewiel uit de bagageruimte. Het reservewiel of de bandenreparatieset met een compressor, de krik en de wielsleutel bevinden zich onder het vloerpaneel in de bagageruimte. De bandenreparatieset uitnemen: 1. Pak de vloermat aan de achterzijde beet en klap de mat naar voren toe op. 2.
Wielen en banden Bandenreparatiesysteem (bepaalde landen) Algemene informatie Auto's die niet zijn uitgerust met een reservewiel, zijn in plaats daarvan voorzien van een bandenreparatieset. De bandenreparatieset bestaat uit een elektrische luchtcompressor en een spuitbus met afdichtmiddel. De bandenreparatieset is alleen bedoeld voor tijdelijke noodreparaties, waarmee de auto maximaal nog 200 km of naar de dichtstbijzijnde Volvo reparateur gereden kan worden.
Wielen en banden tijdelijke druktoename van 4-6 bar zal zich voordoen terwijl het afdichtmiddel naar binnen wordt gepompt. Na ongeveer 30 seconden daalt de spanning en toont de drukmeter een nauwkeurigere bandenspanning. WAARSCHUWING! Een lekke band afdichten 1. Haal het etiket met de maximaal toegestane snelheid (1) uit de reparatieset en bevestig het daar waar de bestuurder het duidelijk kan zien. 2. Zorg dat de oranje On/Off-knop in de 0stand staat. 3.
Wielen en banden LET OP! De compressor mag niet langer dan 10 minuten werken. Laat de compressor afkoelen wanneer de kans op oververhitting bestaat. 11. Rijd voorzichtig ongeveer 10 meter vooruit en achteruit om het afdichtmiddel in de band te verspreiden. Herhaal stap 10. WAARSCHUWING! Als de spanning nog steeds geen 1,8 bar heeft bereikt na 10 minuten, kan de band niet worden afgedicht. Probeer de band niet nogmaals op te pompen. Neem hiervoor contact op met een erkende Volvo reparateur. 12.
Wielen en banden 3. Schroef het speciale mondstuk (kan bij de dealer worden gekocht) op zijn plaats op de slang (4). Sluit de slang en het mondstuk aan op het voorwerp dat opgeblazen moet worden. BELANGRIJK! 8. Schakel de compressor uit door de On/ Off-knop in stand 0 te zetten wanneer de juiste druk is bereikt. LET OP! De compressor mag niet langer dan 10 minuten werken. Laat de compressor afkoelen wanneer de kans op oververhitting bestaat.
Wielen en banden 132
Verzorging Verzorging Reiniging Lakschade bijwerken Roestwering 134 136 137 133
Verzorging Schoonmaken De auto wassen Was de auto als deze vuil is geworden. Gebruik hiervoor autoshampoo. Zout op de weg en vocht kunnen tot roestvorming leiden. • Spoel zorgvuldig het vuil van het onderstel van de auto. • Spoel de auto in zijn geheel af om het vuil los te weken. Let op het volgende bij gebruik van een hogedrukreiniger: Houd bij het wassen de verstuiver van de hogedrukreiniger ten minste 30 cm van de carrosserie af. Spuit niet direct in de richting van de sloten.
Verzorging Vlekken op leer behandelen Maak bij voorkeur gebruik van de speciale reinigingsmiddelen voor leren bekleding die bij een erkende Volvo-reparateur te verkrijgen zijn. Behandel de leren bekleding één of twee keer per jaar met de leerverzorgingsset van Volvo. Gebruik nooit sterke vlekkenmiddelen. Zulke producten kunnen het textiel, vinyl of de leren bekleding beschadigen. voor autolak bestemde, fijne schuurpasta verwijderen.
Verzorging Lakschade bijwerken verwijdering van het vuil de ontbrekende lak aan te brengen. Als de steenslagplek tot op het blanke plaatwerk is doorgedrongen 1. Breng een stuk afplaktape aan over het beschadigde gebied heen. Verwijder de tape weer om zoveel mogelijk lakresten te verwijderen. 2. Roer de grondlak (primer) zorgvuldig om en breng deze met een fijn kwastje of een lucifer aan. Breng de lak met een kwast aan als de primer droog is.
Verzorging Roestwering aanbrengen Controles en onderhoud Uw auto heeft in de fabriek een uiterst grondige en complete roestwerende behandeling ondergaan. De carrosserie bestaat ten dele uit gegalvaniseerd plaatwerk. Het onderstel is voorzien van een slijtvaste bodembescherming. Een dunne, doordringende roestwerende vloeistof is in de balken, holtes en gesloten gedeeltes gespoten. De roestwering van de auto onderhouden. • Houd de auto schoon. Spoel het onderstel af.
Verzorging 138
Onderhoud en service Onderhoud en service Volvo Service Zelf uw auto onderhouden Motorkap en motorruimte Diesel Oliën en vloeistoffen Wisserbladen Accu Typen gloeilampen Gloeilampen koplampen vervangen Gloeilampen achterlichten vervangen Gloeilampen interieur vervangen Zekeringen 140 141 142 144 145 148 149 151 152 155 156 158 139
Onderhoud en service Volvo Service Volvo Serviceprogramma Voordat de auto de fabriek verliet, werd deze uitvoerig getest. De auto werd nogmaals gecontroleerd naar de normen van Volvo Car Corporation, net voordat de auto aan u werd geleverd. Om de verkeersveiligheid, bedrijfszekerheid en betrouwbaarheid van uw Volvo op een hoog peil te houden, moet u de voorschriften van het Volvo-Serviceprogramma opvolgen zoals die omschreven staan in het Volvo Service- en Garantieboekje.
Onderhoud en service Zelf uw auto onderhouden Voor u werkzaamheden aan de auto uitvoert De accu • Controleer of de accukabels op de juiste manier zijn aangesloten en stevig vastzitten. • Ontkoppel de accu nooit terwijl de motor draait (d.w.z. bij het vervangen van de accu). • Gebruik nooit een snellader voor het opladen van de accu. Zorg dat de accukabels zijn ontkoppeld tijdens het opladen. • De accu bevat een zuur dat zowel giftig als corrosief is.
Onderhoud en service Motorkap en motorruimte Motorkap openen Open de motorkap: • Trek aan de hendel uiterst links onder het dashboard. U hoort dat de pal losschiet. • Steek uw hand in het midden van de voorste rand van de motorkap en druk de hendel van de veiligheidspal omhoog. • Open de motorkap. Motorruimte 1. Sproeiervloeistofreservoir, 4 l (4 cil.) 2. Expansietank voor het koelsysteem 3. Reservoir voor stuurbekrachtigingsvloeistof 4. Peilstok voor motorolie1 5. Radiateur 6. Koelventilator 7.
Onderhoud en service Regelmatig controleren Controleer regelmatig het volgende, bijvoorbeeld bij het tanken: • Koelvloeistof - Het peil van de koelvloeistof moet tussen het MIN- en MAX-streepje op de expansietank staan. • Motorolie - Zorg dat het peil tussen de MIN- en MAX-streepjes op de peilstok ligt. • Stuurbekrachtigingvloeistof - Het peil moet tussen de MIN- en de MAXmarkeringen liggen. • Sproeiervloeistof - Het reservoir moet goed gevuld zijn.
Onderhoud en service Diesel Brandstofsysteem Dieselmotoren zijn gevoelig voor verontreinigingen. Maak daarom alleen gebruik van dieselolie van gerenommeerde oliemaatschappijen. Giet nooit dieselolie van twijfelachtige kwaliteit in de tank. De grote oliemaatschappijen produceren ook speciale dieselolie bestemd voor gebruik wanneer de buitentemperatuur rond of onder het nulpunt ligt. Deze dieselolie is dunner bij lage temperaturen en beperkt de kans op vlokvorming in het brandstofsysteem.
Onderhoud en service Oliën en vloeistoffen Peilstok, benzinemotoren Peilstok, dieselmotoren Olie verversen en oliefilter vervangen Het Service- en Garantieboekje geeft richtlijnen. In het Service- en garantieboekje staan de vervangingstermijnen voor olie en oliefilters vermeld. Voor ritten onder ongunstige omstandigheden wordt u geadviseerd kortere intervallen aan te houden. Zie pagina 140. Volvo adviseert u het oliepeil om de 2500 km te controleren.
Onderhoud en service • Vul indien nodig bij met motorolie. Als het peil te dicht bij het MIN-streepje ligt, vul dan bij met 1,0 liter olie. Breng de auto op bedrijfstemperatuur en schakel de motor uit. Wacht 10-15 minuten en controleer het peil opnieuw. Vul bij totdat het oliepeil dichter bij het MAXstreepje dan bij het MIN-streepje ligt. BELANGRIJK! Vul nooit meer vloeistof bij dan tot aan het MAX-streepje. Het olieverbruik kan toenemen als er teveel olie in de motor wordt gegoten.
Onderhoud en service Controleer de koelvloeistof regelmatig Het peil van de koelvloeistof moet tussen het MIN- en MAX-streepje op de expansietank staan. Als u het systeem niet goed gevuld houdt, kan de temperatuur in het systeem plaatselijk dusdanig hoog oplopen dat er gevaar voor schade (scheurvorming) in de cilinderkop ontstaat. Vul koelvloeistof bij, wanneer het peil tot onder het MIN-streepje is gezakt. De motor mag alleen draaien met een goed gevuld koelsysteem.
Onderhoud en service Wisserbladen Wisserbladen vervangen 1. Klap de wisserarm uit en klap het wisserblad uit onder een hoek van 90° ten opzichte van de wisserarm. 2. Trek het blad van de wisser, recht opzij. 3. Schuif het nieuwe wisserblad erin, onder een hoek van 90º ten opzichte van de arm. 4. Klap het wisserblad onder de metalen plaat en klap de wisserarm naar beneden. De wisserbladen hebben verschillende lengten. Het blad aan de bestuurderszijde is langer dan het blad aan de passagierszijde.
Onderhoud en service Accu Vul nooit meer vloeistof bij dan tot aan het MAX-streepje (A). Bewaar de accu buiten het bereik van kinderen. BELANGRIJK! Gebruik altijd gedestilleerd of gedeïoniseerd water (accuwater). • Draai de afdekking goed vast. De levensduur van de accu kan negatief worden beïnvloed als deze regelmatig wordt ontladen.
Onderhoud en service Accu vervangen 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 150 Schakel het contact uit en verwijder de sleutel. Schroef de afdekking over de accu los. Wacht ten minste 5 minuten, voordat u één van de elektrische aansluitingen aanraakt (zo kan de informatie van de elektrische systemen van de auto worden opgeslagen in de verschillende regeleenheden). Verwijder de afdekking en schroef het voorpaneel van het accukastje los met behulp van een schroevendraaier. Ontkoppel de minkabel van de accu.
Onderhoud en service Lampsoorten 7. Instapverlichting, Bagageruimteverlichting W5W 8. Make-upspiegel 1,2W 9. Kentekenplaatverlichtin, Stadslichten in koplampen Richtingaanwijzers (oranje) W5W 10 . Mistlampen 55W H11 Milieu Gloeilampen in de auto 1. Dimlicht 55W H7LL 2. Gaslampen van het type Bi-Xenon (optie) 35W D2S 3. Groot licht 55W HB3 4. Remlicht, Mistlamp, achter P21W 5. Richtingaanwijzer, achter en voor (geel) PY21W 6.
Onderhoud en service Gloeilampen van de koplampen vervangen 1. Lamphouder verwijderen Alle gloeilampen voor (behalve mistlampen) worden vervangen door de lampbehuizing via het motorcompartiment te ontkoppelen en te verwijderen. Verwijder de contactsleutel en draai de lichtschakelaar naar stand 0 2. Trek de borgpen voor het lamphuis omhoog (1) 3. Trek het lamphuis naar één kant en vervolgens naar voren (2) 4. Ontkoppel de connector 5.
Onderhoud en service Dimlicht Gloeilamp aanbrengen 1. Bevestig de nieuwe gloeilamp. Dit kan slechts op één manier bevestigd. 2. Druk de veerklem omhoog en iets naar links, zodat deze op zijn plaats vastklikt. 3. Druk de connector terug op zijn plaats. 4. Plaats de kunststof afdekking weer terug. 5. Plaats het lamphuis terug. Groot licht Stadslichten 1. 2. 1. 3. Verwijder het gehele lamphuis. Draai de gloeilamphouder linksom, trek hem naar buiten en vervang de gloeilamp.
Onderhoud en service Richtingaanwijzer Zijmarkeringslichten Mistlampen 1. 1. 1. 2. 3. Draai de lamphouder tegen de klok in en verwijder deze. Haal de gloeilamp uit de lamphouder door de lamp in te drukken en deze tegelijkertijd linksom te draaien. Breng een nieuwe gloeilamp in de lamphouder aan en plaats de lamphouder in het lamphuis terug. 2. Draai de gloeilamp linksom, trek hem naar buiten en vervang de gloeilamp. Plaats de lamphouder terug. Dit kan slechts op één manier bevestigd. 2. 3. 4. 5.
Onderhoud en service Gloeilampen achterlichten vervangen Lamphouder verwijderen Alle gloeilampen van de achterlichten kunnen vanuit de bagageruimte worden vervangen 1. Schakel alle lichten uit en draai de contactsleutel in stand 0. 2. Verwijder de luiken in de linker-/ rechterpanelen om toegang tot de lampen te krijgen. Deze gloeilampen zijn in een gezamenlijke lamphouder geplaatst. 1. 2. 3. 4. Ontkoppel de connector van de lamphouder. Duw de pallen bijeen om de lamphouder naar buiten te kunnen trekken.
Onderhoud en service Gloeilampen interieur vervangen Instapverlichting Bagageruimte Verlichting make-upspiegel De instapverlichting vindt u onder het dashboard aan de bestuurders- en passagierszijde. 1. Het spiegelglas verwijderen: 1. Steek een schroevendraaier onder de onderrand, in het midden. Wrik het nokje aan de rand voorzichtig omhoog. 2. Steek de schroevendraaier onder de rand aan de linker- en rechterkant (bij de zwarte rubberdelen).
Onderhoud en service Het spiegelglas bevestigen: 1. Duw de drie nokjes aan de bovenrand van het spiegelglas eerst weer op hun plaats. 2. Duw vervolgens de onderste drie nokjes weer op hun plek.
Onderhoud en service Zekeringen Om te voorkomen dat de elektrische systemen van de auto beschadigd raken door kortsluiting of overbelasting zijn alle verschillende elektrische functies en onderdelen door een aantal zekeringen beschermd. De zekeringen zitten op twee verschillende plaatsen in de auto: • Het relais- en zekeringenkastje in de motorruimte. • Het relais- en zekeringenkastje in de passagiersruimte.
Onderhoud en service Zekeringstanden in het relais-/ zekeringenkastje in het motorcompartiment 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. Koelventilator, 50A Stuurbekrachtiging, 80A Voeding naar het relais- en zekeringenkastje in het passagierscompartiment, 60A Voeding naar het relais- en zekeringenkastje in het passagierscompartiment, 60A Element klimaatregeleenheid, 80 A Gloeibougies (diesel), 60 A ABS-pomp, 30 A ABS-kleppen, 20 A 9. 10. 11. 12. 13. 14. 15. 16. 17. 18. 19. 20.
Onderhoud en service Relais- en zekeringenkastje in het passagierscompartiment 2. Het zekeringenkastje heeft ruimte voor 56 zekeringen. De zekeringen bevinden zich onder het dashboardkastje. 3. Er zitten reservezekeringen en een tangetje in het geïntegreerde relais- / zekeringenkastje in het motorcompartiment voor het verwijderen en vervangen van zekeringen. Zekeringen vervangen: 1.
Onderhoud en service Zekeringstanden in het relais/ zekeringenkastje in het passagierscompartiment 37 38. 39. 40. 41. 42. 43. 44. 45. 46. Reservestand Reservestand Reservestand Reservestand Reservestand Reservestand Telefoon, audio, 15 A SRS-systeem, 10 A Elektrisch contact, achterbank, 15 A Verlichting in het passagierscompartiment, in het dashboardkastje en bij de instap, 5 A 47. Verlichting in het plafond, buitenspiegels, 5 A 48. 49. 50. 51. 52. 53. 54. 55. 56. 57. 58. 59. 60. 61.
Onderhoud en service 85. Elektrisch bedienbare bestuurdersstoel, 25 A 86.
Infotainment Infotainment Infotainment Bedieningspaneel Audiofuncties Radiofuncties Cd/MD (optie) Cd-wisselaar (optie) Menu-instellingen en menuselectie - Audio Telefoon (optie) Telefoonfuncties Menu-instellingen en menuselectie Telefoon 164 165 167 169 175 177 179 181 183 189 163
Infotainment Infotainment Audio- en telefoonsysteem (optie) Het infotainmentsysteem bestaat uit een geïntegreerd audio- en telefoonsysteem. Het infotainmentsysteem kan handig en eenvoudig worden gebruikt met behulp van het algemene paneel of het toetsenblok op het stuur. Op het display van het bedieningspaneel staat altijd aangegeven welke functie er in gebruik is. Het systeem kan worden uitgerust met Dolby Surround Pro Logic II (optie). Dit zorgt voor een meer natuurlijke reproductie van geluid.
Infotainment Bedieningspaneel 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9. 10. 11. 12. 13. 14.
Infotainment de eerstvolgende doorkomende zender te zoeken. Display Toetsenblok op het stuurwiel Toetsenblok op stuurwiel (optie) Met de vier toetsen onder op het toetsenblok op het stuurwiel kunt u zowel het audiosysteem als de telefoon regelen. De functie van de toetsen hangt af van het systeem dat u geactiveerd heeft. Met het toetsenblok op het stuur kunt u het volume regelen en een andere zender (radio) of een ander nummer (Cd/MD) selecteren.
Infotainment Audiofuncties Volumeregeling Draai de volumeknop rechtsom of linksom om het volume te verhogen of te verlagen. De volumeregeling is oneindig te variëren. U kunt het volume ook verhogen of verlagen met het toetsenblok op het stuurwiel. Pauzestand Wanneer het volume op nul staat schakelt de CD/MD-speler naar de pauzestand. Activeer de speler in dat geval door het volume te verhogen.
Infotainment Het niveau voor de Sub bass kan alleen worden ingesteld als de sub bass wordt geactiveerd. Dolby Pro Logic II (optie) In combinatie met een middelste luidspreker in het midden van het dashboard zorgt Dolby Surround Pro Logic II voor een zeer realistische geluidsweergave. De normale stereokanalen links en rechts worden dan opgedeeld in links-middenrechts. Bovendien produceren de luidsprekers achter het zogeheten "Ambient Surround Sound".
Infotainment Functies van de radio Zenders zoeken druk dan kort op de pijltjestoetsen. Zenders opslaan U kunt als volgt een gekozen zender opslaan onder één van de voorkeurtoetsen 0-9: 1. Selecteer radiostand AM, FM1 of FM2 met behulp van de AM/FM-knop. 2. Druk de linker- of rechterpijl op de navigatieknop korte tijd in om de eerstvolgende sterke zender op te zoeken. 3. Druk weer op één van de pijlen om opnieuw te zoeken.
Infotainment PI zoeken (automatisch zoeken naar zendmast) PI search verschijnt in de display wanneer de ontvangst slecht is. De radio zoekt automatisch de sterkste zender voor het ingestelde radiokanaal. PI-searching Exit to cancel wordt weergegeven totdat een radiozender gevonden is of PI-searching wordt uitgeschakeld. Radio Data System - RDS RDS is een systeem dat radiozenders binnen een netwerk met elkaar verbindt.
Infotainment Verkeersinformatie van een specifieke zender instellen: 1. Selecteer de radiostand met behulp van de AM/FM-knop. 2. Activeer de radiozender waarvan u de verkeersinformatie wilt ontvangen. 3. Druk op MENU. Selecteer het menu voor de huidige geluidsbron en druk op ENTER. 4. Selecteer Advanced radio settings in het menu en druk op ENTER. 5. Selecteer TP en druk op ENTER. 6. Selecteer TP Station en druk op ENTER. 7. Selecteer TP en huidige zender. TP-zender uitschakelen : 1. Druk op MENU.
Infotainment TP searching Met deze functie kunt u naar verkeersinformatie blijven luisteren tijdens ritten in verschillende gebieden en landen zonder dat u daarvoor zelf van zender hoeft te wisselen. 1. 2. 3. Druk op MENU. Kies present source. Selecteer Advanced radio settings in het menu en druk op ENTER. 4. Selecteer TP en druk op ENTER. 5. Selecteer TP searching en druk op ENTER. Schakel de functie uit: Selecteer TP searching en druk op ENTER.
Infotainment Leisure and hobby hobby Leisure and Jazz music Jazz music Country music Country music National music National music Golden oldies Golden oldies Folk music Folk music Documentary Documentary Zender met een bepaald programmatype zoeken Over de hele bandbreedte zoeken: 1. Selecteer FM 1 of FM 2 en druk op de toets MENU. 2. Selecteer het menu voor de huidige geluidsbron en druk op ENTER. 3. Selecteer PTY en druk op ENTER. 4. Blader naar Select PTY en druk op ENTER. 5.
Infotainment • signaal krachtig is. • Distant – Onderbreekt zelfs als het signaal zwak is. • Off – Niet ingeschakeld. EON inschakelen: 1. Druk op MENU. 2. Selecteer het menu voor de huidige geluidsbron en druk op ENTER. 3. Selecteer Advanced radio settings in het menu en druk op ENTER. 4. Selecteer EON en druk op ENTER. 5. Selecteer Local, Distant of Off en druk op ENTER. RDS-functies resetten Herstelt alle fabrieksinstellingen voor de RDS-functies van de radio. 1. Druk op MENU.
Infotainment Cd/MD (optie) Een ander nummer kiezen Druk op de linker- of de rechterpijl op de navigatieknop om naar het vorige of het volgende nummer te gaan. Het display geeft het nummer aan dat wordt afgespeeld. De TUNING-knop (of toetsenblok in het stuurwiel) kan hier ook voor worden gebruikt. Cd/MD-speler starten (optie) Start de cd/MD-speler door op de toets CD/ MD te drukken. Leg een disk in de speler.
Infotainment Cd-wisselaar (optie) Cd's Als de kwaliteit van de cd niet voldoet aan de vereisten zoals beschreven in de norm EN60908 of als de opname met ondermaatse apparatuur is gemaakt, kan het geluid te wensen overlaten of zelfs helemaal uitblijven. BELANGRIJK! • Speel uitsluitend cd's met een diameter van 12 cm af. Probeer nooit kleinere cd's af te spelen! Cd-wisselaar starten De cd-wisselaar biedt plaats aan maximaal zes cd's. Cd-wisselaar starten: 1. Druk op de toets CD/MD. 2.
Infotainment cd's in de cd-wisselaar in een willekeurige volgorde te laten afspelen. 4. De tekst RND of RND ALL staat op het display zolang de functie actief is. Druk op de rechterpijl op de navigatieknop om het volgende willekeurig gekozen nummer te kiezen. Uitschakelen: Druk op EXIT. U kunt alleen het volgende willekeurige nummer op de huidige cd kiezen. Cd-tekst Sommige cd’s hebben titelinformatie. De informatie wordt als tekst in het display weergegeven. Cd-tekst activeren: 5. Druk op MENU.
Infotainment Menu-instellingen en menuselectie - Audio FM1/FM2 menu 1. 2. 3. 3.1. 3.1.1. 3.1.2. 3.1.3. 3.1.4. 3.1.5. 3.1.6. 3.1.7. 3.2. 3.3. 4. 5. 5.1. 5.1.1. 5.1.2. 5.2. 5.3. 5.4. 5.5. 5.5.1. 5.5.2. 5.5.3. 5.6. 6. 6.1. 6.1.1.
Infotainment Menu cd-wisselaar 1. Random 1.1. Off* 1.2. One disc 1.3. All discs 2. News (Off*) 3. TP (Off*) 4. Disc text (Off*) 5. Sound settings 5.1. Surround AM/FM (optie) 5.1.1. Dolby Pro Logic II 5.1.2. 3 channel stereo 5.1.3. Off* 5.2. Surround CD/MD (accessoire) 5.2.1. Dolby Pro Logic II* 5.2.2. 3 channel stereo 5.2.3. Off 5.3. Sub-bass (On*) (optie) 5.4. Equalizer front (bepaalde modellen) 5.5. Equalizer rear (bepaalde modellen) 5.6. Speed compensation 5.6.1. Low 5.6.2. Medium 5.6.3. High 5.7.
Infotainment Telefoonfuncties (optie) Onderdelen van het telefoonsysteem 180
Infotainment 1. Antenne De antenne zit op het dak. 2. Toetsenblok op het stuurwiel De meeste telefoonfuncties kunnen met het toetsenblok worden geregeld. Als de telefoon actief is, kunt u het toetsenblok alleen gebruiken voor de telefoonfuncties. Er staat altijd informatie over de telefoon in het display als de telefoon is geactiveerd. 3. Microfoon De microfoon voor handsfree bellen is in de dakconsole achter de achteruitkijkspiegel geïntegreerd. 4.
Infotainment Telefoonfuncties 5. Druk de houder voorzichtig weer op zijn plaats. Dubbele SIM-kaart Veel providers bieden dubbele SIM-kaarten aan: één voor de autotelefoon en één voor een andere telefoon. Als u over dubbele SIMkaarten beschikt, kunt u hetzelfde nummer voor twee verschillende telefoons gebruiken. Neem contact op met uw provider over de mogelijkheden en het gebruik van dubbele SIM-kaarten.
Infotainment 1. PHONE – Aan/uit/stand-by. 2. MENU – Open het hoofdmenu 3. ENTER – Gesprekken beantwoorden, menuselecties uitvoeren of de telefoon activeren die stand-by staat Een korte druk op de knop ENTER geeft het laatst gebelde nummer weer. 4. EXIT – Een gesprek beëindigen/ weigeren, terugbladeren in menu's, een keuze annuleren of ingevoerde cijfers/ tekens wissen. 5. Navigatieknop - Blader omhoog of omlaag in de menu's, blader naar voren of naar achteren bij het invoeren van tekst en cijfers 6.
Infotainment In- en uitschakelen Wanneer het telefoonsysteem actief is of de stand-by staat, staat er een hoorn op het display. Als u het contact uitschakelt terwijl het telefoonsysteem actief is, zal het telefoonsysteem eveneens actief zijn wanneer u het contact opnieuw inschakelt. Wanneer u het telefoonsysteem heeft uitgeschakeld, kunt u geen gesprekken aannemen. Activeren: 1. Druk op PHONE om het telefoonsysteem in te schakelen. 2. Voer de PIN-code in en druk op ENTER.
Infotainment en kies Handsfree. Druk op ENTER en leg de handset terug in de houder. Als u de handset al uit de houder heeft gepakt, wordt het geluid via het handsfreesysteem doorgegeven. Druk op de toets MENU, ga naar Handset en druk op ENTER om het geluid over te brengen naar de handset. Laatst gekozen nummer De telefoon slaat automatisch de tien laatst gekozen telefoonnummers/namen op. Handset (optie) Bellen met de handset: 1.
Infotainment Functies tijdens lopende gesprekken Verschillende functies zijn tijdens een gesprek beschikbaar. Gebruik de navigatieknop om te bladeren en druk op ENTER om een keuze te maken. Secret mode/ Secret mode off Secret mode Park/Resume Kies of u het lopende gesprek in de wacht wilt zetten of hervatten.
Infotainment Een naam/bericht invoeren Druk op de toets met het juiste teken. Druk een keer voor het eerste teken, twee keer voor het tweede enzovoort. Druk op 1 voor een spatie. 1 2 3 4 5 6 7 8 9 * 0 # EXIT spatie 1 - ? ! , . : " ' ( ) abc2äåàæç def3èé ghi4ì jkl5 mno6ñöòØ pqrs7ß tuv8üù wxyz9 als u tweemaal achtereen hetzelfde teken van een toets wilt invoeren, moet u na de eerste maal op * drukken of enkele seconden wachten.
Infotainment Menu-instellingen en menuselectie - Telefoon Telefoonmenu 1. 1.1. 1.2. 1.3. 1.4. 1.4.1. 1.4.2. 1.4.3. 1.4.4. 1.5. 1.5.1. 1.5.2. 1.5.3. 1.5.4. 2. 2.1. 2.2. 2.3. 2.3.1. 2.3.2. 2.3.3. 3. 3.1. 3.2. 3.3. 3.3.1. 3.3.2. 3.4. 3.4.1. 188 Call log.
Infotainment 1.3. Outgoing calls Lijst van gebelde nummers. U kunt de nummers bellen, wissen of toevoegen aan het telefoonboek. 1.4. Erase list Wis de lijst uit de menu’s 1.1, 1.2 en 1.3 zoals onderstaand. 1.4.1. All 1.4.2. Missed 1.4.3. Received 1.4.4. Outgoing 1.5. Call duration Duur van alle gesprekken of van het laatste gesprek. 1.5.1. Last call 1.5.2. Number of calls 1.5.3. Total time 1.5.4. Reset time U moet de telefooncode gebruiken om de timer op nul te kunnen stellen (zie Menu 0,4) Menu 2.
Infotainment 4.4. Redial Een nummer bellen dat eerder in gesprek was. 4.5. Transfer In dit menu kunt u aangegeven welke soorten oproepen moeten worden doorgeschakeld naar het gespecificeerde telefoonnummer en wanneer. 4.5.1. All calls (deze instelling is alleen van toepassing tijdens een gesprek) 4.5.2. When busy 4.5.3. No reply 4.5.4. Unobtainable 4.5.5. Fax calls 4.5.6. Computer calls 4.5.7. Cancel all diverts 5.2. Language 5.3.
Specificaties Specificaties Typeaanduidingen Maten, gewichten, hoeveelheden Smeermiddelen Katalysator Brandstof Elektrisch systeem Motorspecificaties 192 193 195 197 198 199 200 191
Specificaties Typeaanduidingen Wanneer u contact opneemt met de Volvoreparateur of vervangingsonderdelen en accessoires wilt bestellen, kan het handig zijn als u de typeaanduiding, het voertuigidentificatienummer en het motornummer van de auto bij de hand heeft. 192 1. Het voertuigidentificatienummer, VIN, (aanduidingen voor het type en het modeljaar en het chassisnummer) is in het motorcompartiment onder de voorruit gedrukt. 2.
Specificaties Maten, gewichten, hoeveelheden Maten Hoeveelheden Lengte: 447 cm Brandstoftank liter Breedte: 177 cm Benzine 62 Wielbasis: 264 cm Spoorbreedte, vooras: 154-155 cm Diesel 52 Spoorbreedte, achteras: 153-154 cm Motorolie (met vervanging filter) liter 2.4 + 2.4i ca. 5,8 T5 ca. 5,8 2.0D ca. 5,5 Versnellingsbakolie liter Handmatige vijfversnellingsbak ca. 2,1 Handmatige zesversnellingsbak ca. 2,0 Handmatige zesversnellingsbak diesel ca. 1,7 Automaat ca.
Specificaties Diversen liter Sproeiervloeistofreservoir, 4-cil + diesel 5-cil. 4 6,5 Airconditioning gram Compressorolie 180-200 Koelmiddel 500-600 Koelsysteemstang Motor liter 5 cil, handgeschakelde versnellingsbak ca. 8,0 5 cil, automatische versnellingsbak ca. 8,5 4 cil. Diesel 9.5 Alle koelsystemen zijn gesloten overdruksystemen. De thermostaat gaat open bij 90 ºC voor benzinemotoren en bij 82 ºC voor dieselmotoren.
Specificaties Smeermiddelen Motorolie van kwaliteit ACEA A3/B3/B4 kan ook worden gebruikt. Oliesoorten met een viscositeitsindex van 0W–30 en 0W–40 moeten voldoen aan de eisen van deze oliekwaliteit. Kies onder extreme rijomstandigheden voor een volledig synthetische motorolie die de motor van extra bescherming voorziet. Oliekwaliteit Benzinemotoren Aanbevolen oliekwaliteit: ACEA A1/B1 Motorolie met kwaliteitsaanduidingen ACEA A3/B3/B4 of ACEA A5//B5 kan ook worden gebruikt.
6SHFLILFDWLHV 9HUVQHOOLQJVEDN +DQGJHVFKDNHOGH YHUVQHOOLQJVEDN EHQ]LQHPRWRUHQ *HEUXLN DOOHHQ YHUVQHOOLQJVEDNROLH YDQ 9ROYR RI JHOLMNZDDUGLJH SURGXFWHQ PHW GH]HOIGH VSHFLILFDWLHV +DQGJHVFKDNHOGH YHUVQHOOLQJVEDN GLHVHOPRWRUHQ *HEUXLN XLWVOXLWHQG YHUVQHOOLQJVEDNROLH :6' 0 & & %(/$1*5,-.
Specificaties Katalysator LambdasondeTM verwarmde zuurstofsensor De lambdasonde maakt deel uit van het regelsysteem dat tot taak heeft de uitstoot te beperken en het brandstofverbruik te verbeteren. Katalysator De driewegkatalysator vormt een aanvulling op het uitlaatsysteem. Hij heeft tot taak de uitlaatgassen te reinigen.
Specificaties Brandstof Brandstofverbruik en uitstoot van kooldioxide Motor Versnellingsbak Verbruik in liter/100 km Uitstoot van kooldioxide (CO²) g/km 2.4i Handgeschakeld 5 8,5 203 Automaat 9,1 217 2.4 T5 2.0D Handgeschakeld 5 8,4 199 Automaat 9,1 217 Handgeschakeld 6 8,7 208 Automaat 9,4 224 Handgeschakeld 6 5,6 148 De officiële brandstofverbruikcijfers zijn gebaseerd op een gestandaardiseerde rijcyclus conform de EU-richtlijn 80/1268 voor voertuigen met verbrandingsmotoren.
Specificaties Elektrisch systeem Algemene informatie Gloeilampen 12-voltsysteem met een wisselstroomdynamo en spanningsregelaar. Enkelpolig systeem waarbij het chassis en het motorblok als fungeren. De minpool is verbonden met het chassis.
Specificaties Motorspecificaties 2.4i 2.
Alfabetische index A Aanhanger, controlesymbool ......................36 Aanhangergewicht ...................................... 110 Aansteker .........................................................40 ABS, controlesymbool ..................................36 ABS-systeem ............................................... 103 Accu, overbelasting .......................................94 Accu, vervangen .......................................... 150 Achteruitkijkspiegel .......................................
Alfabetische Index Het alarm testen .............................................91 'Home safe'-verlichting .................................43 Hoofdsteunen, WHIPS ................................23 L Immobilizer ...............................................84, 96 Informatiedisplay ............................................39 Instrumentenverlichting ................................41 ISOFIX ..............................................................31 Lak, het begin van roest ....................
Alfabetische index Ruitensproeiers ..............................................46 S Schakelstanden, vijfversnellingsbak ..........98 Schakelstanden, zesversnellingsbak .98, 99 Schuifdak .........................................................55 Serviceprogramma ..................................... 140 Servicesleutel .................................................85 SIM-kaart ....................................................... 182 SIPS-airbag .....................................................
Alfabetische Index 204
2004 VOLVO S40 TP 7015 (Dutch). AT 0347.