User manual

van een meetsignaal in het bereik van 10 Hz tot 10 MHz resp. van
0,1 s tot 0,1 us (lees: microseconden) bepalen.
B2 Instellen van de poorttijd "GATE TIME"
De instelling van de "poorttijd" (=Gate Time) is afhankelijk van het
meetsignaal. Gaat het om een relatief constante frequentie en wenst
u een hoge nauwkeurigheid, zet dan de schakelaar "GATE TIME" op
"SLOW". Gaat het om een meetsignaal dat steeds verandert, zet
dan de schakelaar "GATE TIME" op "FAST". De betreffende poortti-
jd wordt door de knipperende decimale punt rechts onderaan weer-
gegeven. De resolutie en, indirect hiermee verbonden, de weerga-
venauwkeurigheid kan tevens via de schakelaar "RESO" (zie ook
B4) ingesteld worden.
B3 Instellen van de ingangsgevoeligheid "Sensitivity" (kanaal C)
Om zwakkere signalen in het bereik tot 10 MHz te bepalen, kan u
met behulp van de schakelaar "SENSITIVITY" de ingangsgevoelig-
heid voor het kanaal C verhogen. Zet hiertoe de schakelaar op
"HIGH". Indien de gemeten signalen een hoge amplitude hebben
(max. 88 Vrms = 250 Vpp), zet dan de schakelaar op "LOW". Hier-
door wordt de meetingang "C" niet overgemoduleerd.
B4 Instelling van de poorttijd en de resolutie (laatste digit)
Aan de hand van de schakelaar "GATE TIME" en met behulp van de
toets "RESO", kan u bij de drie kanalen "A", "B" en "C" de zogehe-
ten bemonsterfrequentie en de resolutie veranderen. Hiertoe gaat u
als volgt te werk:
Zet de schakelaar "GATE TIME" van "FAST" (=vlug) op "SLOW"
(=langzaam). Druk daarna direct op de toets "RESO" (="resolution"
=resolutie). Vervolgens verschijnt "—SEL.1—" op het scherm. Indi-
en u opnieuw op de toets "RESO" drukt, verschijnt "—SEL.2—" op
het scherm. Raadpleeg hiervoor volgende tabel:
55