User manual

voor de ingangen A en B een 1:10 probe met een geringe capaciteit
te gebruiken. Dit geldt echter niet voor kanaal C daar door diens
relatief hoge impedantie de meetwaarde veranderd kan worden.
Om meetfouten bij hoge frequenties laag te houden, bestaat de
mogelijkheid bij coaxkabels een doorgangsweerstand (terminator)
te gebruiken. De impedantie van deze weerstand, die direct op de
frequentieteller aangesloten wordt, moet overeenkomen met de
impedantie van de signaalbron resp. kabel.
Voorbeeld: uitgangsweerstand van een frequentiegenerator = 50 Ohm,
kabelweerstand van de gebruikte coaxkabel = 50 Ohm,
==> weerstandswaarde van de doorgangsweerstand = 50 Ohm
B Werken met de frequentieteller/inwerkingstelling
Voor de meting van frequenties staan drie ingangen ter beschikking:
kanaal (CH) A, kanaal (CH) B en kanaal (CH) C. Met de toets "RAN-
GE kan u tussen de ingangen omschakelen en kan u bij kanaal C
ook naar periodetijdmeting overschakelen. Vrij naar de formule
T = 1/f (f = frequentie, T = periodetijd)
Waarschuwing!
U mag de max. ingangsgrootheden nooit overschrijden. U mag
enkel signaalspanningen meten, die galvanisch van het net
gescheiden zijn. De spanning mag de waarde van max. 5 Vpp
aan de kanalen A en B resp. 88 Vrms aan het kanaal C niet over-
schrijden.
B1 Instellen van het ingangskanaal
Afhankelijk van het frequentiebereik waarin u uw meting wenst uit te
voeren, dient u ofwel kanaal A ofwel kanaal B ofwel kanaal C aan de
hand van de schakelaar RANGE in te stellen. Op positie CH A wor-
den frequenties vanaf 50 MHz tot max. 2500 MHz gemeten. Op
positie CH B zijn metingen van 10 MHz tot 500 MHz (=0,5 GHz)
mogelijk. Op positie CH C kan u de frequentie resp. de periodetijd
54