User manual
De wobbelgenerator kan ook via de VCF-stuuringang worden ingesteld.
Om de functiegenerator als spanningsgestuurde sweep-generator te gebruiken gaat u te werk als volgt:
• Stel de functiegenerator in zoals beschreven in hoofdstuk 8.7. De instelknop „WIDTH“ blijft ingedrukt (niet uittrek-
ken). Verder is er ook geen instelling met de instelknop „RATE“ of met „WIDTH“ vereist.
• Sluit op de VCF-ingang (5) een gelijkspanninsgvrije, asymmetrische wisselspanning aan. Een amplitude van 0 tot
10 V maakt een wobbelgedrag tot 100:1 mogelijk. De curvevorm is daarbij van belang. Let er op, dat de dalende
ank van het signaal groter is dan de stijgende ank (veranderde symmetrie).
Ter bewaking resp. ter controle van de instellingen wordt aansluiting op een oscilloscoop (indien voorhanden)
aanbevolen.
De frequentiegenerator kan worden gebruikt als frequentieteller.
Schakel daartoe de indicatie via de schakelaar „COUNTER INT/EXT“ (17) in extern tellerbedrijf.
Schakelaar ingedrukt: Extern tellerbedrijf
Schakelaar niet ingedrukt: Indicatie interne generator
Selecteer het frequentiegebied „FREQUENCY RANGE 1“ (13).
De telleringang (4) is aangeduid met „EXT COUNT IN“ en kan worden gebruikt voor frequenties tot 100 MHz.
Om ook lage frequenties (<100 kHz) storingsvrij te kunnen meten, is er een „laagdoorlaatlter“ ingebouwd. Dit
onderdrukt hoge frequenties (-3dB), die de meting zouden kunnen vervalsen.
Druk bij het meten van frequenties van minder dan 100 kHz steeds de schakelaar „LPF“ (17) in. Bij hogere frequen-
ties mag deze schakelaar niet worden ingedrukt.
Na het aansluiten van een frequentie van min. 2 Hz tot max. 100 MHz met een galvanisch van het net gescheiden
signaalspanning en een max. amplitude van 48 Vpp (= piek tot piek) gebeurt de indicatie daarvan op het 7-cijferig
scherm. Andere toetsen zijn niet vereist voor het bedienen van de frequentieteller. De decimale punt, de maat-
eenheden en de poorttijd stellen zich automatisch in op het te verwachten meetsignaal. De ingangsgevoeligheid
bedraagt min. 100 mVrms.
De laatst gemeten frequentie blijft op het scherm behouden tot een nieuw meetbaar signaal wordt herkend. Bij het
afklemmen van de meetleiding blijft de laatst gemeten waarde staan tot de functie gewijzigd is of een nieuw signaal
wordt gedetecteerd.