Operation Manual

16 VMB1TS handleiding – editie 3
INSTELLINGEN
Van de temperatuursensor kunnen volgende zaken ingesteld worden via de temperatuurcontroller (zie
handleiding VMB1TC) of via het Velbuslinkprogramma:
de zone waartoe de sensor behoort
de werkingsmode (verwarmen of koelen)
het in- of uitschakelen van de deblokkering voor de circulatiepomp en/of verwarmingsventiel
de gewenste comforttemperatuur bij verwarmen
de gewenste dagtemperatuur bij verwarmen
de gewenste nachttemperatuur bij verwarmen
de antivries beveiligingstemperatuur
de verwarmingslimiet (bovengrens van het verwarmingsinstelbereik)
het temperatuursverschil om snel te verwarmen/ koelen of voor de verschilthermostaat
de kalibratiefactor voor de sensor
de hysteresis
de gewenste comforttemperatuur bij koelen
de gewenste dagtemperatuur bij koelen
de gewenste nachttemperatuur bij koelen
de ondergrens van het koelinstelbereik
de bovengrens van het koelinstelbereik
het laag temperatuuralarm (alarm indien de temperatuur onder die waarde zakt)
het hoog temperatuuralarm (alarm indien de temperatuur boven die waarde stijgt)
de standaard tijdsduur van de tijdelijke mode: van 1 minuut tot 65.279 minuten (45 dagen 7 uur 59 min)
het verzenden van de huidige temperatuur over de Velbus:
o enkel bij het opvragen van de temperatuur
o enkel bij verandering van de temperatuur
o op regelmatige tijdsintervallen instelbaar tussen 10 en 255 seconden (4 min 15 s)
resetten van minimum en maximum temperatuur
resetten van de tijdsregistratie voor de verwarmer/koeler
het vergrendelen of ontgrendelen van de lokale bediening
het adres van de gekoppelde sensor om een verschilthermostaat te maken
sensornaam (max. 16 karakters)
Indien de softwareversie van de sensormodule hoger of gelijk is aan 0949 (zie softwareverie controleren) kan de
pendelbeveiligingstijd (standaard ingesteld op 1 minuut) gewijzigd worden via het Velbuslinkprogramma.
Instelbereik
Het instelbereik voor de gewenste temperatuur kan door de gebruiker aangepast worden.
Hierdoor kan men er voor te zorgen dat de verwarming nooit hoger kan ingesteld worden dan een bepaalde
waarde.
Zones
Een zone kan nuttig zijn als de gewenste temperatuur van verschillende lokalen hetzelfde patroon moet volgen.
Op deze manier hoeft u maar één programma in te stellen voor alle lokalen die tot die zone behoren.
Elke sensor van die zone moet hetzelfde zonenummer toegekend krijgen. Er kunnen tot 7 zones gedefinieerd
worden.
Het toekennen van een zone kan gebeuren via de temperatuurcontroller (VMB1TC) of door het
Velbuslinkprogramma via een pc aangesloten op de Velbus pc interface (VMB1USB, VMB1RS of VMBRSUSB).
Deblokkering circulatiepomp en/of verwarmingsventiel
Wanneer de circulatiepomp of het ventiel lange tijd niet meer gebruikt worden, kunnen deze vast komen te zitten.
Om dit te verhinderen kan hiervoor een deblokkering ingeschakeld worden. Die zorgt ervoor dat de circulatiepomp
of het ventiel gedurende één minuut ingeschakeld worden als die gedurende 24 uur niet meer gebruikt werden.
Het in- of uitschakelen van die deblokkeerfunctie kan gebeuren via de temperatuurcontroller (VMB1TC) of door
het Velbuslinkprogramma via een pc aangesloten op de Velbus pc interface (VMB1USB, VMB1RS of
VMBRSUSB).