Form No. 3400-145 Rev B Z Master® professionele 6000-serie zitmaaiers met een TURBO FORCE® maaidek met zijafvoer van 132 cm of 152 cm Modelnr.: 74919TE—Serienr.: 316000001 en hoger Modelnr.: 74925TE—Serienr.: 316000001 en hoger Registreer uw product op www.Toro.com.
Dit product voldoet aan alle relevante Europese richtlijnen; zie voor details de aparte productspecifieke conformiteitsverklaring. Het elektronische ontstekingssysteem voldoet aan de Canadese norm ICES-002 WAARSCHUWING Standaard gemonteerde oorspronkelijke onderdelen en accessoires verwijderen kan een invloed hebben op de garantie, tractie en veiligheid van de machine. Niet-originele Toro onderdelen gebruiken kan ernstig letsel of de dood tot gevolg hebben.
Inhoud Motorolie verversen .......................................... 43 Onderhoud van de bougie ................................ 45 Vonkenvanger controleren................................ 46 Onderhoud brandstofsysteem ............................. 47 Brandstoffilter vervangen ................................. 47 Onderhoud van de brandstoftank...................... 47 Onderhoud elektrisch systeem ............................ 48 Onderhoud van de accu....................................
Veiligheid ◊ zich onvoldoende bewust zijn van de specifieke omstandigheden van het terrein, met name op hellingen, Deze machine is ontworpen in overeenstemming met de EN-norm ISO 5395:2013. ◊ onjuiste bevestiging en verdeling van lasten. Onjuist gebruik of onderhoud door de gebruiker of eigenaar kan letsel veroorzaken.
• Maai uitsluitend bij daglicht of goed kunstlicht. • Schakel alle meswerktuigkoppelingen uit en zet • • • • • • • • • • de versnelling in de neutraalstand voordat u de motor start. Gebruik de maaimachine niet op hellingen van meer dan 15 graden. Denk eraan dat elke helling gevaarlijk is. Het rijden op met gras begroeide hellingen vereist bijzondere zorgvuldigheid.
• Houd uw handen, voeten, haar en loszittende • • • • • kunnen de aandrijfwielen gaan slippen en kunt u niet meer remmen of sturen. kledingstukken uit de buurt van de uitwerpopening van het werktuig, de onderkant van de maaimachine en bewegende onderdelen als de motor loopt. Raak geen onderdelen van de machine of werktuigen aan die tijdens het gebruik heet kunnen worden. Laat deze eerst afkoelen voordat u ze afstelt of er onderhouds- of reparatiewerkzaamheden op uitvoert.
Onzekerheidswaarde (K) = 0,16 m/s2 De gemeten waarden zijn bepaald volgens de procedures in EN ISO 5395:2013. Trillingsniveau Model 74925TE Hand-arm Gemeten trillingsniveau voor de rechterhand = 2,7 m/s2 Gemeten trillingsniveau voor de linkerhand = 3,2 m/s2 Onzekerheidswaarde (K) = 1,6 m/s2 De gemeten waarden zijn bepaald volgens de procedures in EN ISO 5395:2013.
Hellingsindicator g011841 Figuur 3 Deze pagina mag worden gekopieerd voor persoonlijk gebruik. 1. De maximale hellingshoek waarbij u de machine veilig kunt gebruiken is 15 graden. Gebruik het hellingsschema om de hellingshoek te bepalen voordat u de machine bedient. Gebruik de machine niet op hellingen van meer dan 15 graden. Langs de betreffende lijn van de aanbevolen hellingshoek vouwen. 2. Lijn deze rand uit met een verticaal oppervlak, bijvoorbeeld een boom, gebouw of hek. 3.
Veiligheids- en instructiestickers Veiligheidsstickers en veiligheidsinstructies zijn gemakkelijk zichtbaar voor de bestuurder en bevinden zich bij plaatsen waar gevaar kan ontstaan. Vervang alle beschadigde of verdwenen stickers. decal58-6520 58-6520 1. Smeervet decal99-8939 99-8939 1. Lees de Gebruikershandleiding. decal93-7818 93-7818 1. Waarschuwing – Lees de Gebruikershandleiding voor instructies om de mesbout/moer vast te zetten met een torsie van 115 tot 149 N·m. 3.
decalbatterysymbols Symbolen op accu Sommige of alle symbolen staan op de accu 1. Risico van explosie 2. Geen vonken of vuur en niet roken. 3. Risico van bijtende vloeistof/chemische brandwonden 4. Draag oogbescherming. 5. Lees de Gebruikershandleiding. 6. Houd omstanders op veilige afstand van de accu. 7. Draag oogbescherming; explosieve gassen kunnen blindheid en ander letsel veroorzaken 8. Accuzuur kan blindheid of ernstige brandwonden veroorzaken. 9.
decal110-2068 110-2068 1. Lees de Gebruikershandleiding. decal114-4470 114–4470 decal112-9028 112-9028 1. Waarschuwing – Blijf uit de buurt van bewegende onderdelen; laat alle beschermplaten op hun plaats. 1. Lees de Gebruikershandleiding. 3. Vergrendeld 2. Maaihoogte 4. Ontgrendeld decal114-4466 114-4466 1. Hoofd: 25 A 2. Aftakas: 10 A 3. Laden: 25 A 4. Extra: 15 A decal115-7445 115-7445 1. Poelies en assen smeren 2.
decal116-1716 116-1716 6. Urenteller 7. Aftakas 1. Brandstof 2. Leeg 8. Parkeerrem 9. Neutraalstand 10. Dodemansknop 3. Half 4. Vol 5. Accu decal117-0346 117-0346 1. Risico op brandstoflekkage – Lees de Gebruikershandleiding. Probeer de rolbeugel niet te verwijderen. U mag de rolbeugel niet lassen, boren of op welke wijze dan ook aanpassen. decal116-5988 116-5988 1. Parkeerrem: ingeschakeld 2. Parkeerrem: vrijgesteld decal117-3811 117-3811 1. Lees de Gebruikershandleiding. 12 2.
decal117-3848 117-3848 1. De machine kan voorwerpen uitwerpen – Houd omstanders op een veilige afstand van de machine. decal120-5897 120-5897 2. Maaier kan voorwerpen uitwerpen – Gebruik de machine niet zonder dat de grasgeleider, de afsluiter van de afvoer of het grasopvangsysteem is gemonteerd. 3. Handen of voeten kunnen worden gesneden/geamputeerd – Blijf uit de buurt van bewegende delen; houd alle beschermende delen op hun plaats. 1. Choke 4. Langzaam 2. Snel 3. Continu snelheidsregeling 5.
decal114-4468 114-4468 5. Kans dat de wielen grip verliezen en de bestuurder de macht over de machine verliest, hellingen – Op een helling kunnen de wielen grip verliezen en kan de bestuurder de macht over de machine verliezen, schakel de aftakas uit en rij langzaam de helling af. 1. Waarschuwing – Lees de Gebruikershandleiding. 2. Waarschuwing – Bedien deze machine uitsluitend als u daarin 6. Ledematen van omstanders kunnen bekneld bent getraind.
decal132-0871 132-0871 Opmerking: Deze machine voldoet aan de tests die de statische breedte- en lengtestabiliteit meten en die standaard zijn in de sector. De maximale aanbevolen hellingshoek wordt vermeld op de sticker. Raadpleeg de instructies voor gebruik van de machine op hellingen in de Gebruikershandleiding en de omstandigheden waarin u de machine zou gebruiken om na te gaan of u de machine op een bepaalde dag en op het terrein in kwestie kunt gebruiken.
Algemeen overzicht van de machine Urenteller De urenteller registreert het aantal uren dat de motor in bedrijf is geweest. De urenteller werkt als de motor loopt. Gebruik deze tijden om regelmatig onderhoudswerkzaamheden te plannen (Figuur 6). g008950 Figuur 6 g027964 Figuur 4 1. Hefpedaal maaihoogtedek 7. Veiligheidsgordel 2. Transportvergrendeling 8. Brandstoftankdop 3. Parkeerremhendel 4. Bedieningsorganen 9. Maaidek 10. Zwenkwiel 5. Rijhendels 11. Z Stand 1. Brandstofmeter (streepjes) 4.
Choke Specificaties Gebruik de choke om een koude motor te starten. Trek de knop van de choke omhoog om deze in te schakelen. Opmerking: Specificaties en ontwerp kunnen zonder voorafgaande kennisgeving worden gewijzigd. Breedte: Messchakelaar (aftakas) De messchakelaar (aftakas) wordt gebruikt om de elektrische koppeling in te schakelen en de maaimessen aan te drijven. Zet de schakelaar omhoog om de messen in te schakelen en laat deze los.
Gebruiksaanwijzing GEVAAR In bepaalde omstandigheden is benzine uiterst ontvlambaar en zeer explosief. Brand of explosie van benzine kan brandwonden bij u of anderen en materiële schade veroorzaken. Opmerking: Bepaal vanuit de normale bedieningspositie de linker- en rechterzijde van de machine. Brandstof bijvullen • Vul de brandstoftank in de open lucht wanneer de motor koud is. Eventueel gemorste benzine opnemen.
• Houdt de benzine vers gedurende opslag van GEVAAR maximaal 90 dagen. Als u de machine langer wilt opslaan, is het raadzaam de benzine af te tappen uit de brandstoftank. In bepaalde omstandigheden kan tijdens het tanken statische elektriciteit worden ontladen, waardoor vonken ontstaan die benzinedampen tot ontbranding kunnen brengen. Brand of explosie van benzine kan brandwonden bij u of anderen en materiële schade veroorzaken. • Houdt de motor tijdens het gebruik schoon.
De omkantelbeveiliging (rolbeugel) gebruiken WAARSCHUWING Om lichamelijk of dodelijk letsel te voorkomen als de machine omkantelt: laat de rolbeugel volledig omhoog geklapt en vergrendeld, en doe de veiligheidsgordel om. Controleer of de stoel goed op de machine is bevestigd. WAARSCHUWING Er is geen omkantelbeveiliging als de rolbeugel omlaag is geklapt. • Klap de rolbeugel uitsluitend omlaag als dit absoluut noodzakelijk is. • Doe de veiligheidsgordel niet om als de rolbeugel omlaag is geklapt.
Veiligheid staat voorop Lees alle veiligheidsinstructies in het hoofdstuk Veilige bediening. Met behulp van deze informatie kunt u voorkomen dat omstanders of uzelf letsel oplopen. GEVAAR Als u maait op nat gras of een steile helling bestaat de kans dat de wielen slippen en u de controle over de machine verliest. • Gebruik de maaimachine niet op hellingen van meer dan 15 graden. • Verminder uw snelheid en wees uiterst voorzichtig op hellingen. • Gebruik de machine niet in de buurt van water.
Parkeerrem in werking stellen WAARSCHUWING De kans bestaat dat de parkeerrem de machine niet kan tegenhouden als deze op een helling is geparkeerd; hierdoor kan lichamelijk letsel of schade aan eigendommen ontstaan. Parkeer de machine nooit op een helling tenzij de wielen zijn vastgezet of geblokkeerd. g000963 Figuur 9 1. Veilige zone – Gebruik de Z Master op hellingen van minder dan 15 graden of op vlak terrein. 3. Water 2.
Messchakelaar (aftakas) inschakelen g008945 Figuur 13 Messchakelaar (aftakas) uitschakelen g008959 Figuur 16 1. Aan 2. Uit De contactschakelaar bedienen g009174 Figuur 14 1. De gashendel bedienen Draai het contactsleuteltje naar de stand START (Figuur 17). Opmerking: Laat het sleuteltje los zodra de De gashendel heeft twee standen: SNEL en LANGZAAM (Figuur 15). motor aanslaat. Belangrijk: Stel de startmotor telkens niet langer dan 5 seconden in werking.
wachten. Indien u deze instructies niet opvolgt, kan de startmotor doorbranden. g008947 Figuur 17 2. Draai het contactsleuteltje naar de stand STOP om de motor af te zetten. De brandstofafsluitklep gebruiken De brandstofafsluitklep bevindt zich onder de stoel. Beweeg de stoel naar voren om erbij te kunnen. Sluit de brandstofafsluitklep tijdens transport, onderhoud en opslag. Controleer of de brandstofafsluitklep geopend is als u de motor start.
Werking van het veiligheidssysteem Het veiligheidssysteem is bedoeld om starten van de motor alleen mogelijk te maken wanneer: • de parkeerrem in werking is gesteld; • de messchakelaar (aftakas) is uitgeschakeld; • de rijhendels in de VERGRENDELDE NEUTRAALSTAND staan. Het veiligheidssysteem zorgt ervoor dat de motor wordt gestopt wanneer u de tractiehendels uit de vergrendelde stand zet terwijl de parkeerrem in werking is gesteld of als u de bestuurdersstoel verlaat terwijl de aftakas is ingeschakeld.
3. Neem plaats op de stoel, stel de parkeerrem in werking, schakel de messchakelaar UIT en zet de rijhendels in de vergrendelde NEUTRAALSTAND . Start de motor. Laat de motor lopen en zet de parkeerrem vrij, schakel de messchakelaar (aftakas) in en kom iets overeind uit de bestuurdersstoel. De motor moet afslaan. 4. Neem plaats op de stoel, stel de parkeerrem in werking, schakel de messchakelaar (aftakas) UIT en zet de rijhendels in de VERGRENDELDE NEUTRAALSTAND . Start de motor.
De machine stoppen Om de machine te stoppen, zet u de rijhendels in de neutraalstand en dan in de VERGRENDELDE NEUTRAALSTAND , schakelt u de messchakelaar (aftakas) uit en draait u het contactsleuteltje naar de stand UIT. Stel de parkeerrem in werking als u de machine verlaat; zie Parkeerrem in werking stellen (bladz. 22). Verwijder het sleuteltje uit het contact. VOORZICHTIG Kinderen of omstanders kunnen letsel oplopen als zij de machine verplaatsen of proberen te bedienen terwijl deze onbeheerd staat.
1. Zet de transportvergrendeling in de VERGRENDELDE stand. 2. Trap het maaidekpedaal in en breng het maaidek omhoog tot de transportstand (dit is tevens de maaihoogtestand van 140 mm), zie Figuur 26. 3. Om dit aan te passen, draait u de pen 90 graden en verwijdert u de pen uit de maaihoogtebeugel (Figuur 26). 4. Kies de opening in de maaihoogtebeugel die overeenkomt met de gewenste maaihoogtestand, en steek de pen daarin (Figuur 26). 5.
Sluitnokken van afvoerplaatvergrendeling afstellen Deze procedure is alleen van toepassing op machines met afvoerplaatvergrendeling. Bepaalde modellen zijn voorzien van bouten en moeren in plaats van deze vergrendelnokken en kunnen op dezelfde wijze worden aangepast. U kunt de afvoer van de maaimachine aanpassen aan verschillende maaiomstandigheden. Zorg ervoor dat u de sluitnokken en de plaat zodanig plaatst dat u het beste maairesultaat verkrijgt. g001102 Figuur 27 1. Antiscalpeerrol 4. Flensmoer 2.
• Maaiomstandigheden met hoog, dicht gras. van de grassoort, het vochtgehalte en de hoogte van het gras. • Natte omstandigheden. Opmerking: Als het motorvermogen afneemt en de • Om het energieverbruik van de motor te rijsnelheid van de maaimachine hetzelfde blijft, opent u de plaat. verminderen. • Voor een hogere rijsnelheid in zware omstandigheden. Stand A Dit is de volledig achterwaartse stand. Gebruik deze stand voor de volgende omstandigheden. • Maaiomstandigheden met kort, licht gras.
De stoelophanging verstellen De vrijgavehendels van de aandrijfwielen bevinden zich achterin de hydraulische aandrijfeenheden, onder de stoel. De stoel kan worden versteld zodat u prettig en comfortabel kunt rijden. Zet de stoel in een stand die voor u het meest comfortabel is. Opmerking: Zorg ervoor dat de vrijgavehendels volledig horizontaal staan tijdens het gebruik van de machine, omdat er anders ernstige schade aan het hydraulische systeem kan optreden.
5. GEVAAR Als de grasgeleider, afsluiter van de afvoer of de grasvanger niet op de juiste plaats zijn gemonteerd, kunnen u of anderen in aanraking komen met het maaimes of uitgeworpen voorwerpen. Contact met draaiende maaimessen en uitgeworpen voorwerpen kan lichamelijk of dodelijk letsel veroorzaken. • Verwijder de grasgeleider nooit van het maaidek omdat hiermee het maaisel wordt afgevoerd naar het gazon. Een beschadigde grasgeleider moet direct worden vervangen.
gevolg hebben dat de machine achterover kantelt of dat u de controle verliest. Als u de machine inlaadt op of in de buurt van een helling, moet u de aanhanger of vrachtwagen zo plaatsen dat deze lager op de helling staat en de oprijplaat hoger op de helling. Hierdoor wordt de hoek die de oprijplaat maakt zo klein mogelijk. WAARSCHUWING Als een machine wordt geladen op een aanhanger of een vrachtwagen, wordt de kans vergroot dat de machine kantelt. Dit kan ernstig lichamelijk letsel of de dood veroorzaken.
WAARSCHUWING De machine kan op iemand neervallen en ernstig lichamelijk of de dood veroorzaken. • Ga zeer voorzichtig te werk als u de machine op de Z Stand™ hebt geplaatst. • Gebruik de Z Stand™ uitsluitend om het maaidek te reinigen en messen te verwijderen. g001812 Figuur 41 • Plaats de machine nooit lange tijd op de Z Stand™. 1. Z Stand (in sleuf geplaatst) 3. Vergrendeling, op draailip rustend 2.
afmaaien wordt afgeraden, tenzij het gras dun is, of in de late herfst, wanneer het gras langzamer groeit. Maairichting afwisselen Maai afwisselend in verschillende richtingen, zodat het gras rechtop blijft staan. Dit zorgt ook voor een betere verspreiding van het maaisel, wat de vertering en bemesting ten goede komt. Met de juiste regelmaat maaien g001813 Figuur 42 1. Z Stand 3. Vergrendelde stand 2. Vergrendeling 4. Ontgrendelde stand 3. Start de motor en laat deze op halfgas lopen.
de maaimachine ophopen, leidt dat uiteindelijk tot een onbevredigend maairesultaat. Het mes onderhouden Zorg gedurende het hele maaiseizoen voor een scherp maaimes. Een scherp mes snijdt het gras goed af zonder het te scheuren of te rafelen. Door scheuren en kwetsen wordt het gras bruin aan de randen, waardoor het langzamer groeit en gevoeliger is voor ziekten. Controleer elke dag of de maaimessen scherp zijn en of ze versleten of beschadigd zijn.
Onderhoud Aanbevolen onderhoudsschema Onderhoudsinterval Na de eerste 8 bedrijfsuren Onderhoudsprocedure • Motorolie verversen. Na de eerste 100 bedrijfsuren • Het koppel van de wielmoeren controleren. • Controleer de torsie van de sleufmoer van de wielnaaf. • Controleer de afstelling van de parkeerrem (controleer deze altijd wanneer u een remonderdeel verwijdert of vervangt). Na de eerste 250 bedrijfsuren • Hydraulische filters en vloeistof vervangen.
Belangrijk: Zie de gebruikershandleiding van de motor voor verdere onderhoudsprocedures. VOORZICHTIG Als u het sleuteltje in het contact laat, bestaat de kans dat iemand de motor per ongeluk start waardoor u of andere omstanders ernstig letsel kunnen oplopen. Verwijder het sleuteltje uit het contact voordat u onderhoudswerkzaamheden uitvoert aan de machine.
Smering De maaimachine smeren De machine moet vaker worden gesmeerd bij gebruik in zeer stoffige of zanderige omstandigheden. Onderhoudsinterval: Om de 50 bedrijfsuren—Smeer de assen van het maaidek en de spanpoeliearm. Type vet: nr. 2 vet op lithium- of molybdeenbasis 1. 2. 3. Jaarlijks—Smeer de arm van de riemspanpoelie van de pomp. Schakel de messchakelaar (aftakas) uit, zet de rijhendels in de VERGRENDELDE NEUTRAALSTAND en stel de parkeerrem in werking.
7. 14. Smeer de arm van de spanpoelie van de aandrijfriem (Figuur 46). Draai de bout vast waarmee de afdekking van het maaidek is bevestigd. Zie De afdekking van het maaidek losmaken (bladz. 38). Zwenkwielnaven smeren Onderhoudsinterval: Jaarlijks 1. Zet de motor uit, wacht tot alle bewegende delen tot stilstand zijn gekomen, verwijder de contactsleutel en stel de parkeerrem in werking. g009030 Figuur 47 g006115 8. Figuur 49 Verwijder de stofkap en stel de draaipunten van de zwenkwielen bij. 1.
Onderhoud motor binnenzijde van het wiel met smeervet voor algemene doeleinden. 12. Plaats het tweede lager en een nieuwe afdichting in het wiel. 13. Breng afdichtkit aan op de tweede afstandsmoer en draai deze op de as met de afgeplatte kanten aan de buitenzijde. 14. WAARSCHUWING Contact met hete oppervlakken kan lichamelijk letsel veroorzaken. Houd kleding, gezicht, handen, voeten en andere lichaamsdelen uit de buurt van de geluiddemper en andere hete oppervlakken.
dit dat het voorfilter is beschadigd. Vervang beide filters. Filters monteren Belangrijk: U mag de motor nooit laten lopen zonder dat beide luchtfilters en het deksel zijn gemonteerd om beschadiging van de motor te voorkomen. 1. Opmerking: Een beschadigd filter mag niet g032301 Figuur 50 1. Luchtfilterbehuizing 4. Luchtfilterdeksel 2. Voorfilter 5. Veiligheidsfilter worden gebruikt. 2. Als u het veiligheidsfilter vervangt, moet u dit voorzichtig in de filterbehuizing schuiven (Figuur 50). 3.
Motorolie verversen 2. Type olie:Reinigingsolie (API onderhoudsclassificatie SF, SG, SH, SJ of SL) Zet de motor af, verwijder het contactsleuteltje en wacht totdat alle bewegende onderdelen tot stilstand zijn gekomen voordat u de bestuurderspositie verlaat (Figuur 52). Oliecapaciteit: • Model 74919TE: met filtervervanging: 2,1 l, zonder filtervervanging: 1,8 l • Model 74925TE: met filtervervanging: 2,3 l, zonder filtervervanging: 2,1 l Viscositeit: zie onderstaande tabel.
1. Start de motor en laat deze vijf minuten lopen. Opmerking: Warme olie kan beter afgetapt worden. 2. Parkeer de machine zo, dat de achterkant iets lager is dan de voorkant om ervoor te zorgen dat alle olie volledig kan worden afgetapt. 3. Schakel de messchakelaar (aftakas) uit, zet de rijhendels in de VERGRENDELDE NEUTRAALSTAND en stel de parkeerrem in werking. 4.
Bougies verwijderen Belangrijk: De bevestigingen op de deksels van deze machine zijn zo ontworpen dat ze op het deksel blijven zitten nadat de bevestiging is losgemaakt. Draai alle bevestigingen op een deksel een paar slagen losser zodat het deksel loszit maar nog wel bevestigd is en draai de bevestigingen daarna pas helemaal los totdat het deksel eraf komt. Hiermee voorkomt u dat u per ongeluk de bouten van de borgringen losdraait. g008804 1.
g008803 g027478 g027735 Figuur 57 5. Figuur 59 Plaats het scherm van de linker hydraulische eenheid (Figuur 56). Vonkenvanger controleren Bougie controleren Voor een model met een vonkenvanger Belangrijk: Bougies nooit schoonmaken. Verwijder een bougie altijd als deze: een zwarte laag heeft, als de elektroden versleten zijn, als er een vettige laag op ligt of als de bougie scheuren vertoont.
Onderhoud brandstofsysteem Belangrijk: Plaats de brandstofleidingen en bevestig ze met plastic kabelbinders. Volg hierbij de fabrieksmontage om ervoor te zorgen dat de brandstofleiding geen contact kan maken met onderdelen die deze mogelijk kunnen beschadigen. Brandstoffilter vervangen Onderhoudsinterval: Om de 500 bedrijfsuren/Jaarlijks (houd hierbij de kortste periode aan) (dit moet vaker gebeuren als de machine wordt gebruikt in stoffige of vuile omstandigheden).
Onderhoud elektrisch systeem WAARSCHUWING Als accukabels verkeerd worden verbonden, kan dit schade aan de machine en de kabels tot gevolg hebben en vonken veroorzaken. Hierdoor kunnen accugassen tot ontploffing komen en lichamelijk letsel veroorzaken. Onderhoud van de accu Onderhoudsinterval: Maandelijks • Maak altijd de minkabel (zwart) van de accu los voordat u de pluskabel (rood) losmaakt. WAARSCHUWING • Sluit altijd de pluskabel (rood) van de accu aan voordat u de minkabel (zwart) aansluit.
Accu monteren Opmerking: Plaats de accu in een bak met de accupolen van de hydraulische tank weg. g000960 Figuur 63 1. Pluspool van de accu 3. Rode (+) oplaadkabel 2. Minpool van de accu 4. Zwarte (–) oplaadkabel Onderhoud van de zekeringen g032526 Figuur 62 De elektrische installatie is beveiligd door middel van zekeringen. Voor de zekeringen is geen onderhoud nodig. Als er echter een zekering doorbrandt, controleer dan het circuit op een storing of kortsluiting.
Onderhoud aandrijfsysteem Veiligheidsgordel controleren Onderhoudsinterval: Bij elk gebruik of dagelijks Controleer de veiligheidsgordel op slijtage en sneden en controleer de juiste werking van het terugtreksysteem en de sluiting. Vervang de veiligheidsgordel als deze is beschadigd.
7. Als de machine een afwijking naar links heeft, draai dan de bouten los en breng de rechter aanslagplaat naar achteren op de rechter T-sleuf tot de machine recht rijdt (Figuur 66). 8. Zet de aanslagplaat vast (Figuur 66). g001055 Figuur 67 De wielmoeren controleren Controleer de wielmoeren en draai ze vast met een torsie van 122 tot 129 N·m.
g001297 Figuur 69 1. Schotelveren 3. Stofkap 2. Borgmoer g024121 Figuur 68 1. Sleufmoer Opvulstuk van de koppeling gebruiken Lager van draaipunt van zwenkwiel afstellen Er zijn enkele modellen die zijn voorzien van een koppeling met een opvulstuk bij de rem. Als de koppelingsrem is versleten tot het punt waarop de koppeling niet meer consistent aangrijpt, kunt u het opvulstuk verwijderen om de levensduur van de koppeling te verlengen.
Opvulstuk van de koppeling verwijderen 1. Zet de motor af, wacht tot alle bewegende delen tot stilstand zijn gekomen en verwijder het contactsleuteltje. 2. Stel de parkeerrem in werking en wacht tot de machine volledig afgekoeld is. 3. Blaas met perslucht al het vuil onder de remstang en rond de afstandsstukken van de rem weg. g010870 Figuur 72 1. Montagebout van rem B. Verwijder het opvulstuk met een punttang of met de hand.
Onderhoud koelsysteem Motorscherm en oliekoeler van de motor reinigen Onderhoudsinterval: Bij elk gebruik of dagelijks g010872 Figuur 74 Verwijder eventuele ophoping van gras, vuil of andere verontreiniging van de oliekoeler (Figuur 76). Dit draagt bij tot een adequate koeling en een correct motortoerental en verkleint de kans dat de motor oververhit raakt en mechanische schade oploopt. 1. Voelermaat g008804 g010873 Figuur 75 1. Voelermaat • Als de opening kleiner is dan 0,254 mm, • F.
g010169 g010207 g004218 Figuur 78 Figuur 77 1. Motorscherm 4. Ventilatorbehuizing 2. Luchtinlaatrooster 3. Bout 5. Schroef 1. Schermen van hydraulische eenheid 6. Verwijder de bout en de kap van de peilstokken. Reinig rond de peilstok en de hydraulische eenheid (Figuur 79).
Onderhouden remmen Parkeerrem afstellen Onderhoudsinterval: Na de eerste 100 bedrijfsuren Om de 500 bedrijfsuren daarna Controleer of de rem goed is afgesteld voorafgaand aan de afstelwerkzaamheden. 1. Rijd de machine naar een horizontale ondergrond. 2. Schakel de messchakelaar (aftakas) uit, zet de rijhendels in de VERGRENDELDE NEUTRAALSTAND en stel de parkeerrem in werking. 3. 4.
Onderhoud riemen 7. Gebruik een ratelsleutel in de vierkante opening in de arm van de spanpoelie om de druk op de veer te verminderen (Figuur 82). Riemen controleren 8. Verwijder de riem van de poelies van het maaidek. 9. Verwijder de riemgeleider op de arm van de veerbelaste spanpoelie zoals getoond in Figuur 82. Onderhoudsinterval: Om de 50 bedrijfsuren Vervang de riem als deze versleten is.
g027730 Figuur 83 g009039 1. Plaats de aandrijfriemkap terug. 3. Draai de bout vast. Figuur 84 2. Schuif de aandrijfriemkap onder de zijrichels. Aandrijfriem van de hydraulische pomp vervangen 1. Schakel de messchakelaar (aftakas) uit en stel de parkeerrem in werking. 2. Zet de motor af, verwijder het contactsleuteltje en wacht totdat alle bewegende onderdelen tot stilstand zijn gekomen voordat u de bestuurderspositie verlaat. 3.
Onderhoud bedieningsysteem De stand van de bedieningshendel afstellen Er zijn twee standen voor de bedieningshendels: hoog en laag. Verwijder de bouten om de hoogte aan te passen. 1. Schakel de messchakelaar (aftakas) uit, zet de rijhendels in de VERGRENDELDE NEUTRAALSTAND en stel de parkeerrem in werking. 2. Zet de motor af, verwijder het contactsleuteltje en wacht totdat alle bewegende onderdelen tot stilstand zijn gekomen voordat u de bestuurderspositie verlaat. 3.
3. Verwijder de elektrische aansluiting van de veiligheidsschakelaar die zich onder het onderste kussen van de stoel bevindt. Opmerking: De schakelaar maakt onderdeel uit van de stoelconstructie. 4. Bevestig tijdelijk een startkabel over de polen van de aansluiting van de hoofdkabelboom. 5. Start de motor. Opmerking: Stel de parkeerrem in werking en zet de rijhendels naar buiten voordat u de motor start. U hoeft niet in de stoel te zitten vanwege de gebruikte startkabel.
Het scharnierpunt van de neutraalstand van de rijhendel afstellen Onderhoud hydraulisch systeem Het hydraulische systeem een onderhoudsbeurt geven U kunt de flensmoer afstellen om de gewenste weerstand van de rijhendels te verkrijgen als u de hendels in de VERGRENDELDE NEUTRAALSTAND zet. Zie Figuur 89 voor afstelopties. 1. Draai de contramoer los. 2. Draai de flensmoer naar wens vaster of losser. Type hydraulische vloeistof: Toro® HYPR-OIL™ 500 hydraulische vloeistof of Mobil® 1 15W-50.
gieten totdat het peil tot de volmarkering of de H-lijn reikt. WAARSCHUWING Hydraulische vloeistof die onder druk ontsnapt, kan door de huid heen dringen en letsel veroorzaken. • Hydraulische vloeistof die per ongeluk in de huid is geïnjecteerd, moet binnen enkele uren operatief worden verwijderd door een arts die bekend is met dit type verwondingen. Anders kan gangreen ontstaan.
tot stilstand zijn gekomen voordat u de bestuurderspositie verlaat. 3. Breng de machine omhoog en ondersteun de machine met assteunen (Figuur 91). g008968 Figuur 92 Onderaanzicht van de machine g008970 Figuur 91 1. Assteunen 4. 1. Filterlocaties Verwijder de aandrijfriem van het maaidek en de aandrijfriem van de pomp; zie Drijfriem van maaidek vervangen (bladz. 57) en Aandrijfriem van de hydraulische pomp vervangen (bladz. 58). 6.
Onderhoud van het maaidek Maaidek horizontaal stellen De machine instellen Opmerking: Zorg ervoor dat het maaidek horizontaal staat voordat u de maaihoogte instelt. 1. Plaats de maaimachine op een horizontaal oppervlak. 2. Schakel de messchakelaar (aftakas) uit, zet de rijhendels in de VERGRENDELDE NEUTRAALSTAND en stel de parkeerrem in werking. 3.
11. Voor maaidekken afgebeeld in Figuur 96, kunt u de stelmoer op de hefinrichting van het voorste maaidek draaien om deze nog nauwkeuriger in te stellen (Figuur 96). Opmerking: Om te verhogen draait u de schroef rechtsom en om te verlagen draait u de schroef linksom. Opmerking: Als het afstellingsbereik van de koppelingen van het voorste maaidek niet voldoende is om de maaihoogte goed in te stellen, kunt u de enkelpuntsafstelling gebruiken om de afstelling nauwkeurig uit te voeren. g009196 Figuur 94 1.
g017036 Figuur 98 1. Stelbout van enkelpuntssysteem g027345 Figuur 97 1. Bouten aan de onderzijde van de maaihoogteplaat 13. Als het maaidek te laag is, draai dan de stelbout van het enkelpuntssysteem vast door deze rechtsom te draaien. Als het maaidek te hoog is, draai dan de bout van het enkelpuntssysteem linksom (Figuur 98). Draai de 2 bouten vast met een torsie van 37 tot 45 N·m. 16.
Vóór controle en onderhoud van de maaimessen 1. Parkeer de machine op een horizontaal oppervlak, schakel de aftakas uit en stel de parkeerrem in werking. 2. Draai het contactsleuteltje op UIT. Haal het sleuteltje uit het contact en maak de bougiekabels los. De maaimessen controleren Onderhoudsinterval: Bij elk gebruik of dagelijks 1. Controleer de snijranden (Figuur 99). 2. Als de randen niet scherp zijn of bramen vertonen, moet u het maaimes verwijderen en slijpen; zie Maaimessen verwijderen (bladz.
1. Pak het uiteinde van het mes vast met een doek of een dikke handschoen. 2. Verwijder de mesbout, de klemring en het mes van de spilas (Figuur 101). g000277 Figuur 103 1. Mes 2. Mesbalans 3. Als het mes niet in balans is, moet u wat metaal afvijlen van het uiteinde van de vleugel (Figuur 101). 4. Herhaal dit indien nodig totdat het mes in balans is. Maaimessen monteren 1. Monteer het mes op de as (Figuur 104).
Maaidek verwijderen Voordat u onderhoud uitvoert aan het maaidek of het maaidek verwijdert, moet u de veerbelaste armen van het maaidek vergrendelen. WAARSCHUWING Er is energie opgeslagen in de hefarmen van de maaidekken. Als u het dek verwijdert zonder dat u de druk van de onderdelen met opgeslagen energie haalt, kan dit ernstig lichamelijk of dodelijk letsel veroorzaken. Probeer het maaidek niet van het voorframe te verwijderen zonder de druk van de belaste onderdelen te halen. 1.
g015594 Figuur 107 1. Bout 2. Afstandsstuk 5. Gemonteerde veer 6. Grasgeleider 3. Borgmoer 7. J-vormig haakuiteinde van veer 4. Veer g009197 Figuur 106 1. Rechter stabilisator 2. Maaidekkoppeling (rechterzijde afgebeeld) 3. Plaats het afstandsstuk en de veer op de grasgeleider. 4. Plaats 1 J-vormig haakuiteinde van de veer achter de rand van het maaidek. 3. Verwijder de borstbout en moer. 4. Verwijder de borstbout en moer. Opmerking: Zorg ervoor dat 1 J-vormig 8.
Reiniging Stalling Onderkant van het maaidek Reinigen en opslaan 1. Schakel de messchakelaar (aftakas) uit, reinigen stel de parkeerrem in werking en draai het contactsleuteltje op Uit. Verwijder het sleuteltje. Onderhoudsinterval: Bij elk gebruik of dagelijks 1. Schakel de messchakelaar (aftakas) uit, zet de rijhendels in de VERGRENDELDE NEUTRAALSTAND en stel de parkeerrem in werking. 2.
Opmerking: Stabilizer/conditioner werkt het best als het met verse brandstof wordt gemengd en altijd wordt gebruikt. B. Laat de motor vijf minuten lopen om de stabilizer/conditioner door het brandstofsysteem te verspreiden. C. Zet de motor af, wacht totdat deze is afgekoeld en laat de benzine uit de tank lopen; zie Onderhoud van de brandstoftank (bladz. 47). D. Motor opnieuw starten en laten lopen totdat deze afslaat. E. U moet brandstof op de juiste wijze afvoeren.
Problemen, oorzaak en remedie Probleem De startmotor slaat niet aan. De motor start niet, start moeilijk of slaat af. Mogelijke oorzaak 1. De messchakelaar (aftakas) is ingeschakeld. 1. Zet de messchakelaar (aftakas) in de uitgeschakelde stand. 2. De parkeerrem in niet werking is gesteld. 3. De rijhendels staan niet in de VERGRENDELDE NEUTRAALSTAND . 4. De bestuurder zit niet op de bestuurdersstoel. 5. De accu is leeg. 6. De elektrische aansluitingen zijn gecorrodeerd of zitten los. 7.
Probleem De maaimachine trekt naar links of naar rechts (met beide hendels volledig vooruit). De machine rijdt niet. De machine trilt abnormaal. Mogelijke oorzaak 1. De sporing moet afgesteld worden 1. Stel de sporing af 2. De aandrijfbanden hebben niet de juiste spanning. 2. Breng de aandrijfbanden op de juiste spanning. 1. De omloopkleppen zijn niet goed gesloten. 1. Sluit de omloopkleppen. 2. De pompriem is versleten, los of stuk. 3. De aandrijfriem van de pomp is van de poelie af. 4.
Probleem De koppeling grijpt niet aan. Mogelijke oorzaak Remedie 1. Een zekering is doorgebrand. 1. Vervang de zekering. Controleer de weerstand van de spoelen, of de accu is opgeladen, het oplaadsysteem en de aansluitingen van de bedrading en vervang indien nodig. 2. Lage spanning bij de koppeling. 2. Controleer de weerstand van de spoelen, of de accu is opgeladen, het oplaadsysteem en de aansluitingen van de bedrading en vervang onderdelen indien nodig. 3. Vervang de koppeling. 4.
Schema's g009180 Elektrisch schema (Rev.
Opmerkingen:
Opmerkingen:
Lijst met internationale dealers Distributeur: Land: Telefoonnummer: Distributeur: Land: Agrolanc Kft Asian American Industrial (AAI) B-Ray Corporation Brisa Goods LLC Casco Sales Company Ceres S.A. CSSC Turf Equipment (pvt) Ltd. Cyril Johnston & Co. Cyril Johnston & Co. Fat Dragon Femco S.A. FIVEMANS New-Tech Co., Ltd ForGarder OU G.Y.K. Company Ltd.
Producten voor professioneel groenbeheer (LCE) Toro Garantie Aanwijzingen om van de garantiedienst gebruik te maken Gedekte voorwaarden en producten The Toro Company en de hieraan gelieerde onderneming, Toro Warranty Company, geven aan de oorspronkelijke aankoper krachtens een overeenkomst tussen beide ondernemingen gezamenlijk de garantie alle onderstaande Toro-producten te repareren als deze materiaalgebreken of fabricagefouten vertonen.