Form No. 3362-432 Rev A TITAN® ZX5400 zitmaaiers met een nuldraaicirkel Modelnr.: 74914—Serienr.: 290000001 en hoger G009968 Om uw product te registreren of om een gebruikershandleiding of onderdelencatalogus te downloaden, gaat u naar www.Toro.com.
letsel of de dood tot gevolg kan hebben wanneer de veiligheidsvoorschriften niet in acht worden genomen. Inleiding Lees deze informatie zorgvuldig door, zodat u weet hoe u de machine op de juiste wijze moet gebruiken en onderhouden en om schade aan de machine en letsel te voorkomen. U bent verantwoordelijk voor het juiste en veilige gebruik van de machine. Figuur 2 1. Veiligheidssymbool U kunt rechtstreeks contact opnemen met Toro via www.Toro.
Veiligheid Procedures voorafgaande aan onderhoud................ 30 De stoel omhoog zetten...................................... 30 Vloerdeel verwijderen......................................... 30 Smering.................................................................. 31 De lagers smeren ................................................ 31 Onderhoud motor.................................................. 31 Onderhoud van het luchtfilter............................. 31 Motorolie verversen ................
• Laat de motor nooit in een afgesloten ruimte lopen, omdat zich daar giftige koolmonoxidedampen kunnen verzamelen. • Maai uitsluitend bij daglicht of goed kunstlicht. • Alle werktuigkoppelingen uitschakelen en versnelling in vrij schakelen voordat u de motor start. • Gebruik de maaimachine niet op hellingen van meer dan 15 graden. • Denk eraan dat elke helling gevaarlijk is. Het rijden op met gras begroeide hellingen vereist bijzondere zorgvuldigheid.
veiligheidsinstructies die niet zijn opgenomen in de CEN-norm – voordat u verstoppingen losmaakt of het uitwerpkanaal ontstopt; – voordat u de maaimachine gaat controleren, schoonmaken of andere werkzaamheden gaat uitvoeren; – als u een vreemd voorwerp raakt. Controleer de maaimachine op beschadigingen en voer alle benodigde reparaties uit voordat u de machine weer gebruikt; – als de maaimachine abnormaal trilt (direct controleren).
omdat de machine kan omkantelen op oneffen terrein. • Start nooit plotseling heuvelopwaarts op een helling, want dit kan tot gevolg hebben dat de machine achteroverkantelt. • Houd er rekening mee dat de wielen hun grip kunnen verliezen tijdens een afdaling. Als het gewicht wordt verplaatst naar de voorwielen, kunnen de aandrijfwielen gaan slippen en kunt u niet meer remmen of sturen. • Nooit starten of stoppen op een helling.
Hellingsindicator 7
Veiligheids- en instructiestickers Veiligheidsstickers en veiligheidsinstructies zijn gemakkelijk zichtbaar voor de bestuurder en bevinden zich bij plaatsen waar gevaar kan ontstaan. Vervang alle beschadigde of verdwenen stickers. 115-9632 1. Aftakas, sommige modellen hebben een aftakasschakelaar 2. Aftakasschakelaar – Aan 3. Aftakasschakelaar – Uit 4. Choke 99-8936 1. Snelheid van de machine 2. Snel 3. Langzaam 4. Neutraalstand 5. Achteruit 5. Snel 6. Continu snelheidsregeling 7. Langzaam 114-1606 1.
110-6691 1. De machine kan voorwerpen uitwerpen - Houd omstanders op een veilige afstand van de machine. 2. Machine kan voorwerpen uitwerpen—Gebruik de machine nooit zonder dat de grasgeleider of het grasopvangsysteem is gemonteerd. 3. Handen of voeten kunnen worden gesneden/geamputeerd – Blijf uit de buurt van bewegende onderdelen. 112-9840 1. Lees de Gebruikershandleiding. 3. Verwijder het sleuteltje uit het contact en lees de instructies voordat u service- of onderhoudswerkzaamheden uitvoert.
Symbolen op accu Sommige of alle symbolen staan op de accu 1. Explosiegevaar 2. Niet roken. Geen open vuur of vonken. 3. Risico van bijtende vloeistof/chemische brandwonden 4. Draag oogbescherming. 5. Lees de Gebruikershandleiding. 6. Houd omstanders op veilige afstand van de accu. 7. Draag oogbescherming; explosieve gassen kunnen blindheid en ander letsel veroorzaken 8. Accuzuur kan blindheid of ernstige brandwonden veroorzaken. 9. Ogen direct met water spoelen en snel arts raadplegen. 10.
5-9630 1. Lees de Gebruikershandleiding voordat u service- of onderhoudswerkzaamheden uitvoert. 2. Controleer de motorolie om de 8 bedrijfsuren 4. Controleer de hydraulische olie om de 25 bedrijfsuren 5. Controleer elke 25 bedrijfsuren de bandenspanning van de zwenkwielen 6. Smeer de zwenkwielen elke 25 bedrijfsuren. 3. Controleer elke 25 bedrijfsuren de bandenspanning van de aandrijfwielen 115-9628 1. Brandstof 2. Vol 3. Half 11 4.
Algemeen overzicht van de machine 2 1 10 3 4 5 9 6 8 G010001 7 Figuur 3 1. Rijhendels 2. Bestuurdersstoel 3. Parkeerrem 7. Antiscalpeerrol 8. Grasgeleider 9. Voetpedaal voor heffen maaidek en maaihoogte 4. Brandstofmeter 5. Voetsteun 6. Voorste zwenkwiel 10. Bedieningspaneel 1 2 6 5 3 4 G010009 Figuur 4 1. Dop van brandstoftank 2. Maaidek 3. Wasaansluiting 4. Aandrijfwiel 5. Motorscherm 6.
Bedieningsorganen Urenteller Zorg dat u vertrouwd bent met alle bedieningsorganen voordat u de motor start en de machine gebruikt (Figuur 5). De urenteller registreert het aantal uren dat de messen in bedrijf zijn geweest. De urenteller werkt als de aftakas is ingeschakeld. Gebruik deze tijden om regelmatig onderhoudswerkzaamheden te plannen (Figuur 5). 1 2 3 Brandstofmeter Het brandstofvenster onder de bedieningspositie kan worden gebruikt om het benzinepeil in de tank te controleren (Figuur 6).
maaihoogtestand of transportstand te vergrendelen (Figuur 3). Gebruiksaanwijzing Maaihoogtehendel Opmerking: Bepaal vanuit de normale bedieningspositie de linker- en rechterzijde van de machine. De maaihoogtehendel kan in combinatie met het voetpedaal worden gebruikt om het maaidek op een specifieke maaihoogte te vergrendelen. De maaihoogte mag uitsluitend worden ingesteld als de machine stilstaat (Figuur 3).
In bepaalde omstandigheden is benzine uiterst ontvlambaar en zeer explosief. Brand of explosie van benzine kan brandwonden bij u of anderen en materiële schade veroorzaken. • Vul de brandstoftank in de open lucht wanneer de motor koud is. Eventueel gemorste benzine opnemen. • Vul de brandstoftank nooit als de machine op een aanhanger in een afgesloten ruimte staat. • Vul de brandstoftank niet helemaal. Vul de brandstoftank tot maximaal 6 tot 13 mm vanaf de onderkant van de vulbuis.
• Houdt de benzine vers gedurende opslag van maximaal 90 dagen. Als u de machine langer wilt opslaan, moet u de benzine aftappen uit de brandstoftank. In bepaalde omstandigheden kan tijdens het tanken statische elektriciteit worden ontladen waardoor vonken ontstaan die benzinedampen tot ontbranding kunnen brengen. Brand of explosie van benzine kan brandwonden bij u of anderen en materiële schade veroorzaken. • Houdt de motor tijdens het gebruik schoon.
Het motoroliepeil controleren Voordat u de motor start en de machine gaat gebruiken, moet u het motoroliepeil in het carter van de motor controleren. Raadpleeg Het motoroliepeil controleren. G010016 Parkeerrem gebruiken 1 Stel de parkeerrem altijd in werking wanneer u de machine stopt of onbeheerd achterlaat. Parkeerrem in werking stellen 1 2 G010077 Figuur 8 1.
motor niet wil starten, moet u na elke poging de motor 15 seconden laten afkoelen. Indien u deze instructies niet opvolgt, kan de startmotor doorbranden. Opmerking: Er kunnen meerdere startpogingen nodig zijn als u de motor voor de eerste keer start nadat er helemaal geen brandstof in het brandstofsysteem heeft gezeten. G008946 Figuur 12 De choke bedienen Gebruik de choke om een koude motor te starten. 1. Gebruik de choke om de motor te starten als deze koud is. 2.
1 Motor afzetten 2 3 Kinderen of omstanders kunnen letsel oplopen als zij de machine verplaatsen of proberen te bedienen terwijl deze onbeheerd is achtergelaten. 4 Verwijder altijd het sleuteltje uit het contact en stel de parkeerrem in werking wanneer u de machine onbeheerd achterlaat, ook al is het slechts voor een paar minuten. 5 1 2 3 4 G010080 Figuur 15 6. Draai het contactsleuteltje naar de stand Start (Figuur 14). Laat het sleuteltje los zodra de motor aanslaat.
Veiligheidssysteem testen Controleer de werking van het veiligheidssysteem telkens voordat u de machine in gebruik neemt. Als het veiligheidssysteem niet werkt zoals hieronder wordt beschreven, moet u het direct laten repareren door een erkende Service Dealer. G008945 1. Neem plaats op de bestuurdersstoel, stel de parkeerrem in werking en schakel de aftakas in. Probeer de motor te starten; de motor mag nu niet gaan draaien. Figuur 18 Aftakasschakelaar uitschakelen 2.
De rijhendels gebruiken G008952 Figuur 21 Achteruitrijden 1. Zet de hendels in de middelste, onvergrendelde stand. 2. Om achteruit te rijden, trekt u de rijhendels naar achteren (Figuur 22). Figuur 20 1. Rijhendel – onvergrendelde neutraalstand 2. Centrale onvergrendelde stand 3. Vooruit 4. Achteruit Vooruitrijden Opmerking: De motor slaat af als u de rijhendels van de tractie beweegt terwijl de parkeerrem in werking is gesteld. 1.
Kinderen of omstanders kunnen letsel oplopen als zij de machine verplaatsen of proberen te bedienen terwijl deze onbeheerd is achtergelaten. G010016 Verwijder altijd het sleuteltje uit het contact en stel de parkeerrem in werking wanneer u de machine onbeheerd achterlaat, ook al is het slechts voor een paar minuten. De maaihoogte instellen De machine is uitgerust met een maaidekhefsysteem met voetpedaal.
4 1 5 4 3 G010233 2 3 1 2 Figuur 25 1. Antiscalpeerrol 2. Bout 3. Flensmoer 4. Afstand tussen openingen G010236 Figuur 24 1. Voetpedaal 4. Vergrendelstand laagste maaihoogtestand (uitsluitend gebruiken voor verwijderen maaidek) 5. Vergrendelstand transportstand Bestuurdersstoel instellen 3. Maaihoogtestanden U kunt de stoel naar voren en naar achteren verschuiven. De positie van de stoel moet zo zijn dat u de machine het best kunt bedienen en dat u comfortabel zit.
gazons. Zorg altijd ervoor dat het aantal veren links en rechts gelijk is als u veren toevoegt en verwijdert. 1 2 3 4 4 4 G010229 Figuur 28 3. Bovenste opening, met sleuf 4. Bout 1. Schacht van bedieningsarm 2. Rijhendel G010484 Figuur 27 1. Bout 2. Veer 3. Moer 4. Extra montage-openingen 3. Stel vervolgens ook de andere rijhendels af. Hoek van rijhendels verstellen Er kunnen maximaal vijf veren worden bevestigd aan de stoelsteun met een moer en een bout, zie Figuur 27.
2. Beweeg de rijhendels naar buiten in de vergrendelde neutraalstand, schakel de motor uit, verwijder het contactsleuteltje, stel de parkeerrem in werking en wacht totdat alle bewegende delen tot stilstand zijn gekomen voordat u de bestuurdersstoel verlaat. 3. Ga naar de omloophendels op de achterkant van de machine, op de linker- en rechterkant van het frame. 4. Beweeg de omloophendels naar achteren en vervolgens naar links om ze vast te zetten zoals getoond in Figuur 30 om de wielmotoren af te zetten.
1 G010712 2 1 3 1 4 4 2 G011149 3 Figuur 31 1. Borgmoer (5/16 inch) 2. Slotbout (5/16 x 3/4 inch) 7 3. Linkerschot 4. Monteer het bevestigingsmateriaal hier 5 6 Figuur 32 1. Slotbout (5/16 x 3/4 inch) 7. Verwijder het linkerschot van het maaidek zoals getoond in Figuur 31. 8. Zoek de twee bouten en borgmoeren in de losse onderdelen. Monteer de bevestigingen in de openingen zoals getoond in Figuur 31 om rondvliegende voorwerpen te voorkomen.
Opmerking: Werken met standaard maaimessen verbetert de prestaties van de uitworp. Deze messen zijn verkrijgbaar bij een erkende ToroShort;-dealer. 1 16. Monteer het maaidek zoals beschreven in Maaidek monteren in het gedeelte Onderhoud. Zijafvoer gebruiken Het maaidek is uitgerust met een scharnierende grasgeleider, die het maaisel zijwaarts en omlaag naar het gazon afvoert. 2 G010704 3 Figuur 33 1.
Wanneer u een gazon voor de eerste keer maait op deze hoogte maaien. Daarna het gras op de lagere, normale hoogte maaien. Laat het gras iets langer dan normaal, om te voorkomen dat oneffenheden in de grasmat volledig worden weggemaaid. In het algemeen kan het best de voorheen gebruikte maaihoogte worden gekozen. Als u gras van meer dan 15 cm lang gaat maaien, kunt u het best in twee keer maaien om een goed maairesultaat te verkrijgen.
Onderhoud Aanbevolen onderhoudsschema Onderhoudsinterval Onderhoudsprocedure Na de eerste 8 bedrijfsuren • De motorolie verversen. Na de eerste 50 bedrijfsuren • Hydraulisch filter vervangen en hydraulische vloeistof verversen. Bij elk gebruik of dagelijks • • • • • • Veiligheidssysteem controleren. Controleer het motoroliepeil. Luchtinlaatrooster reinigen. De maaimessen controleren. Controleer de grasgeleider op schade. Maaikast reinigen. Om de 25 bedrijfsuren • Alle smeerpunten smeren.
Figuur 35 Op onderkant van zitgedeelte van stoel 1. Lees de Gebruikershandleiding voordat u service- of onderhoudswerkzaamheden uitvoert. 2. Controleer de motorolie om de 8 bedrijfsuren 4. Controleer de hydraulische olie om de 25 bedrijfsuren 5. Controleer elke 25 bedrijfsuren de bandenspanning van de zwenkwielen 6. Smeer de zwenkwielen elke 25 bedrijfsuren. 3.
Smering Onderhoud motor De lagers smeren Onderhoudsinterval: Om de 25 bedrijfsuren—Alle smeerpunten smeren. Contact met hete oppervlakken kan lichamelijk letsel veroorzaken. Type vet: nr. 2 smeervet voor algemene doeleinden op lithiumbasis Houd kleding, gezicht, handen, voeten en andere lichaamsdelen uit de buurt van de geluiddemper en andere hete oppervlakken. 1. Parkeer de machine op een horizontaal oppervlak en schakel de aftakas uit. Onderhoud van het luchtfilter 2.
B. Controleer het filter op scheuren, een vettig oppervlak of beschadiging van de afdichting. 2 3 Belangrijk: Het papierfilter nooit reinigen met perslucht of vloeistoffen zoals oplosmiddelen, benzine of kerosine. Vervang het papierelement als het is beschadigd of niet grondig kan worden gereinigd. 1 4 Motorolie verversen Type olie:Reinigingsolie (API onderhoudsclassificatie SF, SG, SH, SJ of SL) Carterinhoud: 1,8 l (als het oliefilter is verwijderd: 2,1 l) Viscositeit: zie onderstaande tabel.
Motorolie verversen 1. Parkeer de machine op een horizontaal oppervlak, schakel de aftakas uit, zet de motor af, stel de parkeerrem in werking en haal het sleuteltje uit het contact. Onderhoudsinterval: Na de eerste 8 bedrijfsuren—De motorolie verversen. 2. Controleer of de motor is afgezet, horizontaal staat en is afgekoeld zodat de de olie tijd heeft om weg te lopen naar de opvangbak. Om de 100 bedrijfsuren—De motorolie verversen. (vaker in stoffige, vuile omstandigheden) 3.
5. Giet langzaam ongeveer 80% van de gespecificeerde olie in de vulbuis en voeg langzaam de rest van de olie toe tot het peil de markering Vol bereikt (Figuur 42). 1 3 5 G009950 2 1 2 3 4 4 6 5 6 G008796 Figuur 42 Motoroliefilter vervangen 3/4 Onderhoudsinterval: Om de 200 bedrijfsuren—Oliefilter vervangen. (vaker in stoffige, vuile omstandigheden) G008748 Figuur 43 Opmerking: Controleer of de pakking van het oliefilter contact maakt met de motor en draai nog 3/4 slag extra vast.
Onderhoud van de bougie Als de isolator lichtbruin of grijs is, werkt de motor naar behoren. Een zwarte laag op de isolator duidt meestal op een vuil luchtfilter. Onderhoudsinterval: Om de 100 bedrijfsuren—Controleer de bougie(s). Stel de afstand in op 0,76 mm. 2 1 Controleer of de elektrodenafstand correct is voordat u de bougie monteert. Gebruik een bougiesleutel voor het (de)monteren van de bougie(s) en een voelermaat voor het meten en afstellen van de elektrodenafstand.
Onderhoud brandstofsysteem Onderhoud elektrisch systeem Brandstoffilter vervangen Onderhoud van de accu Onderhoudsinterval: Om de 500 bedrijfsuren/Jaarlijks (houd hierbij de kortste periode aan) (vaker in stoffige, vuile omstandigheden). Onderhoudsinterval: Maandelijks Waarschuwing CALIFORNIË Proposition 65 Waarschuwing Accuklemmen, accupolen en dergelijke onderdelen bevatten lood en loodverbindingen. Van deze stoffen is bekend dat ze kanker en schade aan de voortplantingsorganen veroorzaken.
6. Verwijder de klem (Figuur 48). 7. Verwijder de accu. Als accukabels verkeerd worden verbonden, kan dit schade aan de machine en de kabels tot gevolg hebben en vonken veroorzaken. Hierdoor kunnen accugassen tot ontploffing komen, waardoor lichamelijk letsel kan ontstaan. Accu monteren 1. Plaats de accu in een bak met de accupolen van de hydraulische tank af (Figuur 48). 2. Bevestig de pluskabel (rood) aan de pluspool (+) van de accu.
G010340 1 3 2 25 30 4 Figuur 49 1. Pluspool van de accu 2. Minpool van de accu 3. Rode (+) oplaadkabel 4. Zwarte (–) oplaadkabel Onderhoud van de zekeringen G011396 De elektrische installatie is beveiligd door middel van zekeringen. Voor de zekeringen is geen onderhoud nodig. Als er echter een zekering doorbrandt, controleer dan het circuit op een storing of kortsluiting. Figuur 50 1. 30 A 2.
Onderhoud aandrijfsysteem Onderhoud hydraulisch systeem Type olie: 20W-50 motorolie. Bandenspanning controleren Belangrijk: Gebruik de voorgeschreven vloeistof of een gelijkwaardig product. Andere vloeistoffen kunnen schade aan het systeem veroorzaken. Onderhoudsinterval: Om de 25 bedrijfsuren—Bandenspanning controleren. Zorg ervoor dat de voor- en achterbanden de voorgeschreven spanning hebben. Een ongelijke bandenspanning kan leiden tot onregelmatige maairesultaten.
Filters uit het hydraulische systeem verwijderen 1 2 3 4 1. Zet de motor af, wacht tot alle bewegende onderdelen tot stilstand zijn gekomen en laat de motor afkoelen. Verwijder het sleuteltje en stel de parkeerrem in werking. 2. Locatie van het filter en de beschermingen op elk transaxle-aandrijfsysteem (Figuur 53). Verwijder de drie schroeven waarmee de filterbeschermingen zijn bevestigd. 5 G010254 1 5 6 2 3/4 3 G008748 Figuur 54 4 Figuur 53 Rechterkant getoond 1. Transaxle-aandrijving 2.
Hydraulisch systeem ontluchten Onderhoud van het maaidek 1. Breng de achterkant van de machine omhoog en plaats deze op kriksteunen (of zorg voor een gelijkwaardige ondersteuning) totdat de aandrijfwielen vrij kunnen ronddraaien. Onderhoud van de maaimessen Zorg gedurende het hele maaiseizoen voor scherpe maaimessen. Scherpe messen snijden het gras goed af zonder het te scheuren of te kwetsen.
3. Meet vanaf het uiteinde van het mes tot het platte oppervlak hier. Figuur 56 1. Snijrand 2. Gebogen deel 1 3. Slijtage/sleufvorming 4. Scheur G009680 3 2 Controle op kromme messen Figuur 58 Opmerking: De machine moet op een egaal oppervlak staan voor de volgende procedure. 1. Mes, in meetstand 2. Egaal oppervlak 3. Gemeten afstand tussen mes en oppervlak (A) 1. Breng het maaidek omhoog naar de hoogste maaihoogtestand; ook wel de 'transportstand' genoemd. 4.
Pak het uiteinde van het mes vast met een doek of een dikke handschoen. Verwijder de mesbout, de klemring en het mes van de spilas (Figuur 61). 1 G009680 3 2 Figuur 60 1. Mes aan andere zijde, in meetstand 2. Egaal oppervlak 3. Tweede gemeten afstand tussen mes en oppervlak (B) 1 2 3 4 Een krom of beschadigd mes kan breken en u of omstanders ernstig letsel toebrengen. G010341 Figuur 61 1. Wiek van het mes 2. Mes • Vervang altijd een krom of beschadigd mes door een nieuw mes.
balans en geschikt voor gebruik. Als het mes niet in balans is, moet u wat metaal afvijlen van het uiteinde van de wiek (Figuur 61). Herhaal dit indien nodig totdat het mes in balans is. 2. Zet de rijhendels naar buiten in de neutrale vergrendelstand, schakel de motor uit, verwijder het contactsleuteltje en wacht totdat alle bewegende delen tot stilstand zijn gekomen voordat u de bestuurdersstoel verlaat. 3. Draai het maaimes voorzichtig in dwarsrichting horizontaal. 4.
borgmoeren om het maaidek horizontaal te stellen vast (Figuur 67). 1 1 6 2 3 3 5 4 Figuur 65 1. Messen in lengterichting 3. Meet vanaf het uiteinde van het mes tot het platte oppervlak hier. 2. Buitenste snijranden G010342 Maaidek horizontaal stellen Figuur 67 1. Hiervoor moet u de antiscalpeerrollen in de bovenste openingen zetten of ze geheel verwijderen. 1. Hefarm van maaidek 2. Maaidekdrager 4. Sleuf in maaidekdrager 5. Sleuf in achterste maaidekdragerbeugel 3. Borgmoer om het maaidek 6.
1. Schakel de aftakas uit, zet de rijhendels in de vergrendelde neutraalstand en stel de parkeerrem in werking. 2 1 2. Zet de motor af, verwijder het contactsleuteltje en wacht totdat alle bewegende onderdelen tot stilstand zijn gekomen voordat u de bestuurderspositie verlaat. 3 3. Zet het maaidek op een maaihoogte van 76 mm. 4 4. Verwijder de aandrijfriemkappen (Figuur 68). 1 2 G009806 5 Figuur 69 1. Veerverwijderaar (Toro onderdeelnr. 92-5771) 2. Spanpoelieveer 3. Maaidekstang 3 4.
1 2 1 2 3 3 G01031 1 Figuur 71 G010343 Figuur 70 1. Plaats de aandrijfriemkap terug en controleer de lipjes 2. Draai de aandrijfriemkap omlaag 3. Monteer de schroeven 2. Verwijder de bevestigingselementen van de voorste maaidekdrager aan beide zijden van het maaidek (Figuur 72). 3. Breng voorzichtig het maaidek omhoog van de bouten van de maaidekdrager en laat de voorzijde van het maaidek omlaag naar de grond (Figuur 72).
Opmerking: Bewaar alle onderdelen voor latere montage. 1 Maaidek monteren 1. Parkeer de machine op een horizontaal oppervlak en schakel de aftakas uit. 2 2. Zet de rijhendels naar buiten in de neutrale vergrendelstand, schakel de motor uit, verwijder het contactsleuteltje en wacht totdat alle bewegende delen tot stilstand zijn gekomen voordat u de bestuurdersstoel verlaat. 6 3 4 3. Schuif het maaidek onder de machine. 4. Zet de maaihoogtehendel in de laagste stand.
Reiniging 2 Onderkant van maaimachine wassen 3 4 Onderhoudsinterval: Bij elk gebruik of dagelijks—Maaikast reinigen. 5 1 Nadat u de maaimachine heeft gebruikt, moet u de onderkant van de machine telkens wassen om te voorkomen dat er zich gras verzamelt. Hierdoor wordt gras beter fijn gemaakt en het maaisel beter verstrooid. 1. Parkeer de machine op een horizontaal oppervlak en schakel de aftakas uit. 2.
Stalling 5. Neem plaats op de bestuurdersstoel en start de motor. Schakel de aftakas in en laat de machine één tot drie minuten lopen. Reinigen en opslaan 6. Schakel de aftakas uit, zet de motor af en haal het sleuteltje uit het contact. Wacht totdat alle bewegende onderdelen tot stilstand zijn gekomen. 1. Schakel de aftakas uit, stel de parkeerrem in werking en draai het contactsleuteltje naar de stand Uit. Verwijder het sleuteltje. 2.
Opmerking: Stabilizer/conditioner werkt het best als het met verse brandstof wordt gemengd en altijd wordt gebruikt. B. Laat de motor vijf minuten lopen om de stabilizer/conditioner door het brandstofsysteem te verspreiden. C. Zet de motor af, laat deze afkoelen en tap de brandstoftank af, zie Onderhoud van de brandstoftank in het gedeelte Onderhoud. D. Motor opnieuw starten en laten lopen totdat deze afslaat. E. U moet brandstof op de juiste wijze afvoeren.
Problemen, oorzaak en remedie Probleem Startmotor draait niet. Mogelijke oorzaak 1. De aftakasschakelaar is ingeschakeld. 1. Schakel de aftakasschakelaar uit. 2. Parkeerrem niet in werking gesteld. 3. Aandrijfhendels bevinden zich niet in de vergrendelde neutraalstand. 2. De parkeerrem in werking stellen. 3. Controleer of de aandrijfhendels zich in de vergrendelde neutraalstand bevinden. 4. Plaats nemen op de bestuurdersstoel. 5. Accu opladen. 6.
Probleem Mogelijke oorzaak Remedie De maaimachine trekt naar links of naar rechts (met beide hendels volledig vooruit) 1. De sporing moet worden afgesteld 1. Stel de sporing af 2. De banden van de aandrijfwielen hebben niet de juiste spanning. 2. Breng de aandrijfbanden op de juiste spanning. Machine rijdt niet. 1. Omloopventiel niet goed gesloten. 1. Sluit de omloopventielen. 2. Aandrijfriem van de pomp is versleten, los of gebroken. 3. De aandrijfriem van de pomp is van de poelie af. 4.
Schema's G011398 Elektrisch schema (Rev.
International Distributor List Distributor: Atlantis Su ve Sulama Sisstemleri Lt Balama Prima Engineering Equip B-Ray Corporation Casco Sales Company Ceres S.A CSSC Turf Equipment (pvt) Ltd Cyril Johnston & Co Equiver Femco S.A. G.Y.K. Company ltd. Geomechaniki of Athens Guandong Golden Star Hako Ground and Garden Hako Ground and Garden Hayter Limited (U.K.) Hydroturf Int. Co Dubai Hydroturf Egypt LLC Ibea S.p.A. Irriamc Irrigation Products Int'l Pvt Ltd Jean Heybroek b.v. Lely (U.K.) Limited Maquiver S.A.
Toro Warranty Voorwaarden en producten waarvoor de garantie geldt Aanwijzingen voor aanvraag van garantieservice The Toro® Company en de hieraan gelieerde onderneming, Toro Warranty Company, geven de oorspronkelijke koper* krachtens een overeenkomst tussen beide ondernemingen gezamenlijk de garantie alle Toro producten die worden gebruikt voor normale huiselijke doeleinden*, te zullen repareren als deze materiaalgebreken en fabricagefouten vertonen.