Form No. 3363-847 Rev A TITAN ZX4800 zitmaaiers met een nuldraaicirkel Modelnr.: 74912—Serienr.: 310000001 en hoger G009968 Om uw product te registreren of om een gebruikershandleiding of onderdelencatalogus te downloaden, gaat u naar www.Toro.com.
Deze machine is een zitmaaier met draaiende messen bedoeld voor gebruik door particulieren in huiselijke toepassingen. De machine is voornamelijk ontworpen voor het maaien van gras op goed onderhouden gazons. De machine is niet ontworpen voor het maaien van borstelig gras en andere begroeiing langs de snelweg of voor gebruik in de landbouw. van Toro U dient hierbij altijd het modelnummer en het serienummer van het product te vermelden.
Inhoud Onderhoud hydraulisch systeem ............................. 40 Peil van hydraulische vloeistof controleren..................................................... 40 Hydraulische vloeistof verversen en filter vervangen....................................................... 40 Onderhoud van het maaidek................................... 42 Onderhoud van de maaimessen .......................... 42 Maaidek horizontaal stellen................................. 45 Riemen controleren..........................
Veiligheid ◊ ◊ ◊ ◊ onvoldoende grip van de wielen, te snel rijden, onjuist gebruik van de rem, het type machine is niet geschikt voor het specifieke werk, ◊ zich onvoldoende bewust zijn van de specifieke omstandigheden van het terrein, met name op hellingen, ◊ onjuiste bevestiging en verdeling van lasten. Instructies voor veilige bediening van zitmaaiers Deze machine voldoet ten minste aan de Europese normen, van kracht op het moment van productie.
• Laat de motor nooit in een afgesloten ruimte lopen, omdat zich daar giftige koolmonoxidedampen kunnen verzamelen. • Maai uitsluitend bij daglicht of goed kunstlicht. • Alle werktuigkoppelingen uitschakelen en versnelling in vrij schakelen voordat u de motor start. • Gebruik de maaimachine niet op hellingen van meer dan 15 graden. • Denk eraan dat elke helling gevaarlijk is. Het rijden op met gras begroeide hellingen vereist bijzondere zorgvuldigheid.
veiligheidsinstructies die niet zijn opgenomen in de CEN-norm • De uitlaatgassen van de motor bevatten koolmonoxide, een reukloos, dodelijk gif. Laat de motor niet binnenshuis of in een afgesloten ruimte lopen. • Houd handen, voeten, haar en loszittende kledingstukken uit de buurt van de uitwerpopening, de onderkant van de maaimachine en bewegende onderdelen als de motor loopt. • Raak geen onderdelen van de machine of werktuigen aan die tijdens het gebruik heet kunnen worden.
Hellingsindicator G011841 Figuur 3 Deze pagina mag worden gekopieerd voor persoonlijk gebruik. 1. De maximale hellingshoek waarbij u de machine veilig kunt gebruiken is 15 graden. Gebruik het hellingsschema om de hellingshoek te bepalen voordat u de machine bedient. Gebruik de machine niet op hellingen van meer dan 15 graden. Langs de betreffende lijn van de aanbevolen hellingshoek vouwen. 2. Lijn deze rand uit met een verticaal oppervlak, bijvoorbeeld een boom, gebouw of hek. 3.
Veiligheids- en instructiestickers Veiligheidsstickers en veiligheidsinstructies zijn gemakkelijk zichtbaar voor de bestuurder en bevinden zich bij plaatsen waar gevaar kan ontstaan. Vervang alle beschadigde of verdwenen stickers. 115-9631 1. Aftakas, sommige modellen hebben een aftakasschakelaar 2. Aftakasschakelaar – Aan 3. Aftakasschakelaar – Uit 4. Choke 99-8936 1. Snelheid van de machine 2. Snel 3. Langzaam 4. Neutraalstand 5. Achteruit 5. Snel 6. Continu snelheidsregeling 7. Langzaam 114-1606 1.
110-6691 1. De machine kan voorwerpen uitwerpen - Houd omstanders op een veilige afstand van de machine. 2. Machine kan voorwerpen uitwerpen—Gebruik de machine nooit zonder dat de grasgeleider of het grasopvangsysteem is gemonteerd. 3. Handen of voeten kunnen worden gesneden/geamputeerd – Blijf uit de buurt van bewegende onderdelen. 112-9840 1. Lees de Gebruikershandleiding. 3. Verwijder het sleuteltje uit het contact en lees de instructies voordat u service- of onderhoudswerkzaamheden uitvoert.
Symbolen op accu Sommige of alle symbolen staan op de accu 1. Explosiegevaar 2. Niet roken. Geen open vuur of vonken. 3. Risico van bijtende vloeistof/chemische brandwonden 4. Draag oogbescherming. 5. Lees de Gebruikershandleiding. 6. Houd omstanders op veilige afstand van de accu. 7. Draag oogbescherming; explosieve gassen kunnen blindheid en ander letsel veroorzaken 8. Accuzuur kan blindheid of ernstige brandwonden veroorzaken. 9. Ogen direct met water spoelen en snel arts raadplegen. 10.
5-9630 1. Lees de Gebruikershandleiding voordat u service- of onderhoudswerkzaamheden uitvoert. 2. Controleer de motorolie om de 8 bedrijfsuren 4. Controleer de hydraulische olie om de 25 bedrijfsuren 5. Controleer elke 25 bedrijfsuren de bandenspanning van de zwenkwielen 6. Smeer de zwenkwielen elke 25 bedrijfsuren. 3. Controleer elke 25 bedrijfsuren de bandenspanning van de aandrijfwielen 117–7490 1. Brandstof 2. Vol 3. Half 11 4.
Algemeen overzicht van de machine 2 1 10 3 4 5 9 6 8 G010001 7 Figuur 4 1. Rijhendels 2. Bestuurdersstoel 3. Parkeerrem 7. Antiscalpeerrol 8. Grasgeleider 9. Voetpedaal voor heffen maaidek en maaihoogte 4. Brandstofmeter 5. Voetsteun 6. Voorste zwenkwiel 10. Bedieningspaneel 1 2 6 5 3 4 G010009 Figuur 5 1. Dop van brandstoftank 2. Maaidek 3. Wasaansluiting 4. Aandrijfwiel 5. Motorscherm 6.
Bedieningsorganen Brandstofmeter Zorg dat u vertrouwd bent met alle bedieningsorganen voordat u de motor start en de machine gebruikt (Figuur 6). Het brandstofvenster onder de bedieningspositie kan worden gebruikt om het benzinepeil in de tank te controleren (Figuur 7). 1 2 G010016 4 1 3 G009918 Figuur 6 1. Gashendel en choke 2. Urenteller 3. Contactschakelaar 4. Aftakasschakelaar 5. Zekeringen Contactschakelaar G010077 Figuur 7 De contactschakelaar heeft drie standen: Start, Lopen en Uit.
maaihoogtestand of transportstand te vergrendelen (Figuur 4). Gebruiksaanwijzing Maaihoogtehendel Opmerking: Bepaal vanuit de normale bedieningspositie de linker- en rechterzijde van de machine. De maaihoogtehendel kan in combinatie met het voetpedaal worden gebruikt om het maaidek op een specifieke maaihoogte te vergrendelen. De maaihoogte mag uitsluitend worden ingesteld als de machine stilstaat (Figuur 4).
GEVAAR In bepaalde omstandigheden is benzine uiterst ontvlambaar en zeer explosief. Brand of explosie van benzine kan brandwonden bij u of anderen en materiële schade veroorzaken. • Vul de brandstoftank in de open lucht wanneer de motor koud is. Eventueel gemorste benzine opnemen. • Vul de brandstoftank nooit als de machine op een aanhanger in een afgesloten ruimte staat. • Vul de brandstoftank niet helemaal. Vul de brandstoftank tot maximaal 6 tot 13 mm vanaf de onderkant van de vulbuis.
Brandstofmeter WAARSCHUWING Kijk op het brandstofvenster onder de bedieningsplaats om het benzinepeil te controleren voordat u de tank vult (Figuur 9). Benzine is schadelijk of dodelijk bij inname. Langdurige blootstelling aan dampen kan leiden tot ernstig letsel en ziekte. • Voorkom dat u dampen lange tijd inademt. • Houd uw gezicht uit de buurt van een vulpijp en de opening van een tank of een blik met conditioner. G010016 • Houd benzine uit de buurt van ogen en huid.
Parkeerrem vrijzetten 1 2 G010016 1 2 G010079 Figuur 12 3 Het gas bedienen De gashendel heeft twee standen: Snel en Langzaam (Figuur 13). Gebruik altijd de snelle stand als u het maaidek inschakelt met de aftakasschakelaar. 4 G010475 Figuur 10 G010289 Figuur 13 Het motoroliepeil controleren Voordat u de motor start en de machine gaat gebruiken, moet u het motoroliepeil in het carter van de motor controleren. Raadpleeg Het motoroliepeil controleren.
Zet de gashendel terug om de choke uit te schakelen nadat de motor is gestart. 1 2 3 4 De contactschakelaar bedienen 1. Draai het contactsleuteltje naar de stand Start (Figuur 15). Laat het sleuteltje los zodra de motor aanslaat. Belangrijk: Stel de startmotor telkens niet langer dan 5 seconden in werking. Als de motor niet wil starten, moet u na elke poging de motor 15 seconden laten afkoelen. Indien u deze instructies niet opvolgt, kan de startmotor doorbranden.
Motor afzetten VOORZICHTIG Kinderen of omstanders kunnen letsel oplopen als zij de machine verplaatsen of proberen te bedienen terwijl deze onbeheerd is achtergelaten. G008945 Verwijder altijd het sleuteltje uit het contact en stel de parkeerrem in werking wanneer u de machine onbeheerd achterlaat, ook al is het slechts voor een paar minuten.
Veiligheidssysteem testen De rijhendels gebruiken Controleer de werking van het veiligheidssysteem telkens voordat u de machine in gebruik neemt. Als het veiligheidssysteem niet werkt zoals hieronder wordt beschreven, moet u het direct laten repareren door een erkende servicedealer. 1. Neem plaats op de bestuurdersstoel, stel de parkeerrem in werking en schakel de aftakas in. Probeer de motor te starten; de motor mag nu niet gaan draaien. 2.
De machine stoppen Om de machine te stoppen, moet u de rijhendels in de neutraalstand zetten in de vergrendelde stand, de aftakas uitschakelen, en het contactsleuteltje op Uit draaien om de motor af te zetten. Als u de machine onbeheerd laat, moet u tevens de parkeerrem in werking stellen; zie Parkeerrem in werking stellen. Denk erom dat u het sleuteltje uit het contact haalt.
1 G010016 5 4 3 2 G010236 Figuur 25 1. Voetpedaal 2. Maaihoogtepen 4. Vergrendelstand laagste maaihoogtestand (uitsluitend gebruiken voor verwijderen maaidek) 5. Vergrendelstand transportstand 3. Maaihoogtestanden De vergrendelstanden gebruiken G010219 Figuur 24 Transportstand Het maaidek kan worden vergrendeld in de hoogste maaihoogtestand, de transportstand of in de laagste maaihoogtestand. 1.
De stoelophanging verstellen 4 Het aantal stoelveren kan worden veranderd om een optimaal rijcomfort te verkrijgen. Zware bestuurders kunnen meer veren gebruiken op oneffen terrein. Minder veren hoeven te worden gebruikt door lichte gebruikers en bij maaien op egale en goed aangelegde gazons. Zorg altijd ervoor dat het aantal veren links en rechts gelijk is als u veren toevoegt en verwijdert. G010233 3 1 2 4 Figuur 26 1. Antiscalpeerrol 2. Bout 3. Flensmoer 4.
1 Machine met de hand duwen 2 Belangrijk: U moet de machine altijd met de hand duwen. Slepen kan schade aan de machine veroorzaken. 3 4 De machine duwen 1. Parkeer de machine op een horizontaal oppervlak en schakel de aftakas uit. 2. Zet de rijhendels naar buiten in de neutrale vergrendelstand, schakel de motor uit, verwijder het contactsleuteltje en wacht totdat alle bewegende delen tot stilstand zijn gekomen voordat u de bestuurdersstoel verlaat. Zorg ervoor dat de parkeerrem is uitgeschakeld.
Gebruik van de machine aan de gelaste stangen van het linkerschot aan de bovenzijde van het maaidek (Figuur 32). Verwijder de slotbout en borgmoer aan de zijkant van het maaidek waarmee het linkerschot aan het maaidek is bevestigd. Zet de omloophendel in de stand waarin u de machine kunt duwen (Figuur 31) om de wielmotoren te laten inschakelen. Zijuitworp gebruiken 1 G012841 1 Het maaidek en de maaimessen die worden geleverd met deze machine, zijn ontworpen om optimale mulchprestaties te leveren.
1 13. Zoek de keerplaat in de losse onderdelen. Verwijder het bevestigingsmateriaal uit de achterste openingen van de geleiderplaat. Plaats het schot bij de zijafvoeropening op het maaidek (Figuur 35). 2 1 2 3 3 4 2 3 G012806 4 Figuur 33 1. Beschermplaat 2. Borgmoer (5/16 inch) G012800 3. Slotbout (5/16 x 3/4 inch) 4. Rechterschot Figuur 35 1. Aanwezige slotbout 2. Achterste openingen in de geleiderplaat 10. Bij de voorste rand van de zijuitworp-opening bevindt zich een beschermplaat.
Maairichting GEVAAR Maai afwisselend in verschillende richtingen, zodat het gras rechtop blijft staan. Dit zorgt ook voor een betere verspreiding van het maaisel, wat de vertering en bemesting ten goede komt. Als de grasgeleider, afsluiter van de afvoer of de grasvanger niet op de juiste plaats zijn gemonteerd, is er gevaar voor contact met de messen of uitgeworpen voorwerpen voor uzelf en anderen. Contact met het draaiende maaimes en uitgeworpen voorwerpen kan lichamelijk of dodelijk letsel veroorzaken.
Onderhoud maaimessen Zorg gedurende het hele maaiseizoen voor een scherp maaimes. Een scherp mes snijdt het gras goed af zonder het te scheuren of te kwetsen. Door scheuren en kwetsen wordt het gras bruin aan de randen, waardoor het langzamer groeit en gevoeliger is voor ziekten. Controleer elke dag of de maaimessen scherp zijn en of ze versleten of beschadigd zijn. Vijl regelmatig kerven en inkepingen weg en slijp de messen indien dit nodig is.
Onderhoud Aanbevolen onderhoudsschema Onderhoudsinterval Onderhoudsprocedure Na de eerste 8 bedrijfsuren • De motorolie verversen. Na de eerste 50 bedrijfsuren • Hydraulisch filter vervangen en hydraulische vloeistof verversen. Bij elk gebruik of dagelijks • • • • • • • Veiligheidssysteem controleren. Controleer het luchtfilter op vuile, losse of beschadigde onderdelen. Controleer het motoroliepeil. De luchtinlaat en de motorkoeling controleren, indien nodig repareren. De maaimessen controleren.
Figuur 36 Op onderkant van zitgedeelte van stoel 1. Lees de Gebruikershandleiding voordat u service- of onderhoudswerkzaamheden uitvoert. 2. Controleer de motorolie om de 8 bedrijfsuren 4. Controleer de hydraulische olie om de 25 bedrijfsuren 5. Controleer elke 25 bedrijfsuren de bandenspanning van de zwenkwielen 6. Smeer de zwenkwielen elke 25 bedrijfsuren. 3.
Procedures voorafgaande aan onderhoud Smering De lagers smeren Onderhoudsinterval: Om de 25 bedrijfsuren—Alle smeerpunten smeren. De stoel omhoog zetten Type vet: nr. 2 smeervet voor algemene doeleinden op lithiumbasis Zorg ervoor dat de rijhendels in de neutrale vergrendelstand staan. Kantel de stoel naar voren. 1. Parkeer de machine op een horizontaal oppervlak en schakel de aftakas uit. Om bij de volgende onderdelen te kunnen komen, hoeft u enkel de stoel omhoog te zetten. 2.
Onderhoud motor 1 2 3 WAARSCHUWING Contact met hete oppervlakken kan lichamelijk letsel veroorzaken. Houd kleding, gezicht, handen, voeten en andere lichaamsdelen uit de buurt van de geluiddemper en andere hete oppervlakken. 5 4 Onderhoud van het luchtfilter 6 Onderhoudsinterval: Bij elk gebruik of dagelijks—Controleer het luchtfilter op vuile, losse of beschadigde onderdelen. G010338 Figuur 38 1. Luchtfilterdeksel 2. Sluiting van luchtfilter 3. Luchtfilter 4. Basis van het luchtfilter 5.
Papierelement een onderhoudsbeurt geven Belangrijk: Gebruik producten met serviceklasse SG, SH, SJ of hoger en vervang de olie op tijd, anders kan er schade aan de motor optreden. Controleer het papierelement om de 50 bedrijfsuren (vaker in zeer stoffige, vuile omstandigheden). Reinig of vervang het papierelement als dit nodig is. Opmerking: Synthetische olie die voldoet aan de aangegeven classificaties kan worden gebruikt; de olie moet met de aanbevolen tussenpozen worden ververst.
• Peilstokken met een dop met schroefdraad: laat de dop op de buis rusten. Draai linksom tot de peilstok op het laagste punt op de schroefdraad rust. Schroef de dop niet op de buis. G009950 • Peilstokken zonder een dop met schroefdraad: plaats de peilstok weer stevig op zijn plaats. 1 2 3 4 5 6 6. Haal de peilstok eruit en controleer het oliepeil. Het oliepeil moet tot aan de markering 'Vol' (of 'F') op de peilstok staan, maar niet hoger. 7.
Opmerking: Controleer of de pakking van het oliefilter contact maakt met de motor en draai nog 3/4 slag extra vast. 5. Giet langzaam ongeveer 80% van de gespecificeerde olie in de vulbuis en voeg langzaam de rest van de olie toe tot het peil de markering Vol bereikt. 7. Controleer het oliepeil; zie Oliepeil controleren. 3. Vul het carter met het juiste type verse olie; zie Motorolie verversen. 8. Giet langzaam olie bij totdat het oliepeil de markering 'Vol' bereikt. Onderhoud van de bougie 9.
de uitlaatringen weer worden gemonteerd. Draai de schroeven van de ventilatorbehuizing vast met een torsie van 7,5 Nm. een vettige laag op ligt of als de bougie scheuren vertoont. Als de isolator lichtbruin of grijs is, werkt de motor naar behoren. Een zwarte laag op de isolator duidt meestal op een vuil luchtfilter.
Onderhoud brandstofsysteem te zorgen dat de brandstofleiding geen contact kan maken met onderdelen die de leiding mogelijk kunnen beschadigen. Brandstoffilter vervangen Onderhoudsinterval: Om de 500 bedrijfsuren/Jaarlijks (houd hierbij de kortste periode aan) (vaker in stoffige, vuile omstandigheden). 1. Schakel de aftakas uit, zet de rijhendels in de vergrendelde neutraalstand en stel de parkeerrem in werking. 2.
Onderhoud elektrisch systeem Onderhoud van de accu G010340 Onderhoudsinterval: Maandelijks 1 2 3 4 GEVAAR Accuzuur bevat zwavelzuur; dit is een dodelijk gif dat ernstige brandwonden veroorzaakt. U mag accuzuur nooit inslikken en moet elk contact met huid, ogen of kleding vermijden. Draag een veiligheidsbril en rubberhandschoenen om uw ogen en handen te beschermen.
Accu opladen 1. De zekeringen bevinden zich op de rechterconsole naast de stoel (Figuur 48). WAARSCHUWING 2. Om een zekering te vervangen, trekt u de zekering omhoog. Bij het opladen produceert de accu gassen die tot ontploffing kunnen komen. 3. Monteer een nieuwe zekering (Figuur 48). Rook nooit in de buurt van de accu en zorg ervoor dat er geen vonken of vlammen vlakbij de accu komen. Belangrijk: Zorg ervoor dat de accu altijd volledig geladen is.
Onderhoud aandrijfsysteem Onderhoud hydraulisch systeem Type olie: 20W-50 motorolie. Bandenspanning controleren Belangrijk: Gebruik de voorgeschreven vloeistof of een gelijkwaardig product. Andere vloeistoffen kunnen schade aan het systeem veroorzaken. Onderhoudsinterval: Om de 25 bedrijfsuren—Bandenspanning controleren. Zorg ervoor dat de voor- en achterbanden de voorgeschreven spanning hebben. Een ongelijke bandenspanning kan leiden tot onregelmatige maairesultaten.
Filters uit het hydraulische systeem verwijderen 1 2 3 4 1. Zet de motor af, wacht tot alle bewegende onderdelen tot stilstand zijn gekomen en laat de motor afkoelen. Verwijder het sleuteltje en stel de parkeerrem in werking. 2. Locatie van het filter en de beschermingen op elk transaxle-aandrijfsysteem (Figuur 51). Verwijder de drie schroeven waarmee de filterbeschermingen zijn bevestigd. 5 G010254 1 5 6 2 3/4 3 G008748 Figuur 52 4 Figuur 51 Rechterkant getoond 1. Transaxle-aandrijving 2.
Hydraulisch systeem ontluchten Onderhoud van het maaidek 1. Breng de achterkant van de machine omhoog en plaats deze op kriksteunen (of zorg voor een gelijkwaardige ondersteuning) totdat de aandrijfwielen vrij kunnen ronddraaien. Onderhoud van de maaimessen Zorg gedurende het hele maaiseizoen voor scherpe maaimessen. Scherpe messen snijden het gras goed af zonder het te scheuren of te kwetsen.
3. Meet vanaf het uiteinde van het mes tot het platte oppervlak hier. 1 Figuur 54 1. Snijrand 2. Gebogen deel 3. Slijtage/sleufvorming 4. Scheur G009680 3 2 Figuur 56 Controle op kromme messen 1. Mes, in meetstand 2. Egaal oppervlak 3. Gemeten afstand tussen mes en oppervlak (A) Opmerking: De machine moet op een egaal oppervlak staan voor de volgende procedure. 1. Breng het maaidek omhoog naar de hoogste maaihoogtestand; ook wel de 'transportstand' genoemd. 4.
1 G009680 3 2 1 Figuur 58 2 3 1. Mes aan andere zijde, in meetstand 2. Egaal oppervlak 3. Tweede gemeten afstand tussen mes en oppervlak (B) 4 G010341 Figuur 59 WAARSCHUWING 1. Vleugel van het mes 2. Mes Een krom of beschadigd mes kan breken en u of omstanders ernstig letsel toebrengen. • Vervang altijd een krom of beschadigd mes door een nieuw mes. • Vijl of maak nooit scherpe inkepingen in de snijranden of het oppervlak van het mes. 3. Klemring 4.
delen tot stilstand zijn gekomen voordat u de bestuurdersstoel verlaat. 3. Draai het maaimes voorzichtig in dwarsrichting horizontaal. Figuur 61 1. Mes 4. Meet de afstand tussen de buitenste snijranden en de vlakke ondergrond (Figuur 62). Als beide afstanden groter zijn dan 5 mm, moeten deze worden bijgesteld; ga verder met de procedure voor het horizontaal stellen. 2. Mesbalans Maaimessen monteren 1. Monteer het mes op de as (Figuur 59).
borgmoeren om het maaidek horizontaal te stellen vast (Figuur 65). 1 1 6 2 3 3 5 4 Figuur 63 1. Messen in lengterichting 3. Meet vanaf het uiteinde van het mes tot het platte oppervlak hier. 2. Buitenste snijranden G010342 Maaidek horizontaal stellen Figuur 65 Maaidekken van 137 cm 1. Hiervoor moet u de antiscalpeerrollen in de bovenste openingen zetten of ze geheel verwijderen. 1. Hefarm van maaidek 2. Maaidekdrager 4. Sleuf in maaidekdrager 5. Sleuf in achterste maaidekdragerbeugel 3.
5. Controleer nogmaals of de blokjes goed onder de maaikast passen. Zorg ervoor dat alle bevestigingsbouten goed vastzitten. 1 2 6. Controleer of het maaidek horizontaal staat door zowel de horizontaalstand als de schuinstand van het maaidek te controleren. Herhaal indien nodig de procedure voor het horizontaal stellen. 3 Riemen controleren Onderhoudsinterval: Om de 50 bedrijfsuren Riemen controleren.
Opmerking: Bewaar alle onderdelen voor latere montage. 1 Maaidek monteren 1. Parkeer de machine op een horizontaal oppervlak en schakel de aftakas uit. 2 2. Zet de rijhendels naar buiten in de neutrale vergrendelstand, schakel de motor uit, verwijder het contactsleuteltje en wacht totdat alle bewegende delen tot stilstand zijn gekomen voordat u de bestuurdersstoel verlaat. 3 4 3. Schuif het maaidek onder de machine. 4. Zet de maaihoogtehendel in de laagste stand.
Reiniging 2 Onderkant van maaimachine wassen Onderhoudsinterval: Bij elk gebruik of dagelijks—Maaikast reinigen. 1 3 4 Nadat u de maaimachine heeft gebruikt, moet u de onderkant van de machine telkens wassen om te voorkomen dat er zich gras verzamelt. Hierdoor wordt gras beter fijn gemaakt en het maaisel beter verstrooid. 1. Parkeer de machine op een horizontaal oppervlak en schakel de aftakas uit. 2.
Stalling 6. Schakel de aftakas uit, zet de motor af en haal het sleuteltje uit het contact. Wacht totdat alle bewegende onderdelen tot stilstand zijn gekomen. Reinigen en opslaan 7. Draai de kraan dicht en maak de snelkoppeling los van de wasaansluiting. 1. Schakel de aftakas uit, stel de parkeerrem in werking en draai het contactsleuteltje naar de stand Uit. Verwijder het sleuteltje. 2.
Opmerking: Stabilizer/conditioner werkt het best als het met verse brandstof wordt gemengd en altijd wordt gebruikt. B. Laat de motor vijf minuten lopen om de stabilizer/conditioner door het brandstofsysteem te verspreiden. C. Zet de motor af, laat deze afkoelen en tap de brandstoftank af, zie Onderhoud van de brandstoftank in het gedeelte Onderhoud. D. Motor opnieuw starten en laten lopen totdat deze afslaat. E. U moet brandstof op de juiste wijze afvoeren.
Problemen, oorzaak en remedie Probleem Startmotor draait niet. Mogelijke oorzaak 1. De aftakasschakelaar is ingeschakeld. 1. Schakel de aftakasschakelaar uit. 2. Parkeerrem niet in werking gesteld. 3. Aandrijfhendels bevinden zich niet in de vergrendelde neutraalstand. 2. De parkeerrem in werking stellen. 3. Controleer of de aandrijfhendels zich in de vergrendelde neutraalstand bevinden. 4. Plaats nemen op de bestuurdersstoel. 5. Accu opladen. 6.
Probleem Mogelijke oorzaak Remedie De maaimachine trekt naar links of naar rechts (met beide hendels volledig vooruit) 1. De sporing moet worden afgesteld 1. Stel de sporing af 2. De banden van de aandrijfwielen hebben niet de juiste spanning. 2. Breng de aandrijfbanden op de juiste spanning. Machine rijdt niet. 1. Omloopventiel niet goed gesloten. 1. Sluit de omloopventielen. 2. Aandrijfriem van de pomp is versleten, los of gebroken. 3. De aandrijfriem van de pomp is van de poelie af. 4.
Schema's G012083 Elektrisch schema (Rev.
Opmerkingen: 55
TITAN-maaiers De Toro Total Coverage-garantie 3 jaar beperkte garantie Voorwaarden en producten waarvoor de garantie geldt The Toro® Company en de hieraan gelieerde onderneming, Toro Warranty Company, geven krachtens een overeenkomst tussen beide ondernemingen gezamenlijk de garantie alle Toro-producten te zullen repareren als deze materiaalgebreken of fabricagefouten vertonen binnen de onderstaande periode.