Form No. 3364-237 Rev A Z400 Z Master®, met 122 cm Turbo Force® maaidek met zijafvoer Modelnr.: 74450TE—Serienr.: 310000001 en hoger Om uw product te registreren of om een gebruikershandleiding of onderdelencatalogus te downloaden, gaat u naar www.Toro.com.
Deze maaitractor met draaiende messen is bedoeld voor gebruik door particulieren of professionele bestuurders. De machine is voornamelijk ontworpen voor het maaien van gras op goed onderhouden particuliere of commerciële gazons. De machine is niet ontworpen voor het maaien van borstelig gras of voor gebruik in de landbouw.
Veiligheid Zijafvoer gebruiken ............................................ 25 Transport van de machine................................... 25 Machine inladen ................................................. 26 Tips voor bediening en gebruik........................... 27 Onderhoud ................................................................ 29 Aanbevolen onderhoudsschema ............................. 29 Smering.................................................................. 30 Smering................
◊ onjuist gebruik van de rem, ◊ het type machine is niet geschikt voor het specifieke werk, ◊ zich onvoldoende bewust zijn van de specifieke omstandigheden van het terrein, met name op hellingen, ◊ onjuiste bevestiging en verdeling van lasten. • Laat de motor nooit in een afgesloten ruimte lopen, omdat zich daar giftige koolmonoxidedampen kunnen verzamelen. • Maai uitsluitend bij daglicht of goed kunstlicht. • Alle werktuigkoppelingen uitschakelen en versnelling in vrij schakelen voordat u de motor start.
Veilige bediening Toro-zitmaaiers • Aandrijving naar werktuigen uitschakelen, motor afzetten en bougiekabel(s) losmaken of sleuteltje uit het contact nemen – voordat u verstoppingen losmaakt of het uitwerpkanaal ontstopt; – voordat u de maaimachine gaat controleren, schoonmaken of andere werkzaamheden gaat uitvoeren; – als u een vreemd voorwerp raakt.
• Verwijder obstakels zoals stenen, boomtakken, enz. uit het maaigebied, of markeer deze. In hoog gras zijn obstakels niet altijd zichtbaar. De gemeten waarden zijn bepaald volgens de procedures in EN 836. Gehele lichaam • Let op greppels, kuilen, stenen, gaten en verhogingen in het maaigebied die de werkhoek veranderen, omdat de machine kan omkantelen op oneffen terrein.
Hellingsindicator G011841 Figuur 3 Deze pagina mag worden gekopieerd voor persoonlijk gebruik. 1. De maximale hellingshoek waarbij u de machine veilig kunt gebruiken is 15 graden. Gebruik het hellingsschema om de hellingshoek te bepalen voordat u de machine bedient. Gebruik de machine niet op hellingen van meer dan 15 graden. Langs de betreffende lijn van de aanbevolen hellingshoek vouwen. 2. Lijn deze rand uit met een verticaal oppervlak, bijvoorbeeld een boom, gebouw of hek. 3.
Veiligheids- en instructiestickers Veiligheidsstickers en veiligheidsinstructies zijn gemakkelijk zichtbaar voor de bestuurder en bevinden zich bij plaatsen waar gevaar kan ontstaan. Vervang alle beschadigde of verdwenen stickers. 58-6520 1. Smeervet 99-8936 1. Snelheid van de machine 2. Snel 3. Langzaam 4. Neutraalstand 5. Achteruit 93-7010 1. Maaimachine kan voorwerpen uitwerpen – 2. Machine kan voorwerpen uitwerpen – Zorg ervoor dat de grasgeleider op zijn plaats zit. 3.
9-8944 1. Risico van explosie – Draag oogbescherming. 2. Risico van bijtende vloeistof/chemische brandwonden – Afspoelen met water en eerste hulp verlenen. 3. Brandgevaar – Geen vonken of vuur en niet roken 4. Gevaar voor vergiftiging – Houd kinderen uit de buurt van de accu. 107-2131 1. Peil hydraulische vloeistof 107-2132 106-5517 1. Waarschuwing – Stel de parkeerrem in werking en blokkeer de wielen als u de machine op een helling parkeert. 1. Waarschuwing – Raak het hete oppervlak niet aan.
8-1053 1. Maaihoogte 109-7949 107-3069 1. Waarschuwing – Er is geen omkiepbeveiliging als de rolbeugel omlaag is geklapt. 2. Om lichamelijk of dodelijk letsel te voorkomen als de machine omkantelt, moet u de rolbeugel in de omhoog geklapte en vergrendelde positie houden en de veiligheidsgordel omdoen. Klap de rolbeugel uitsluitend omlaag als dit absoluut noodzakelijk is; als de rolbeugel omlaag is geklapt, mag u de veiligheidsgordel niet omdoen. 3.
Symbolen op accu Sommige of alle symbolen staan op de accu 112-8651 1. 2. 3. 4. 5. 6. 1. Explosiegevaar Interval Aftakasschakelaar Parkeerrem Neutraalstand Dodemansknop Accu 2. Niet roken. Geen open vuur of vonken. 3. Risico van bijtende vloeistof/chemische brandwonden 4. Draag oogbescherming. 5. Lees de Gebruikershandleiding. 112-9028 6. Houd omstanders op veilige afstand van de accu. 7. Draag oogbescherming; explosieve gassen kunnen blindheid en ander letsel veroorzaken 8.
117-3816 1. Parkeerrem 2. Inschakelen 3. Uitschakelen 4. Waarschuwing – Lees de Gebruikershandleiding. 7. Gevaar voor verbrijzeling/verlies van ledematen voor omstanders neem geen passagiers mee, kijk bij achteruitrijden achter u en omlaag. 5. Waarschuwing – Bedien deze machine 8. Gevaar voor het afsnijden van handen uitsluitend als u daarin bent getraind. en voeten-blijf uit de buurt van bewegende delen, houd alle guards op hun plaats. 6. Risico geworpen voorwerp - stop de 9.
Algemeen overzicht van de machine Figuur 5 1. Brandstoftankdop (beide kanten) 2. Rijhendel 3. Gashendel 4. Choke 5. Urenteller 7. Contactschakelaar 8. Remhendel 9. Maaihoogtehendel Urenteller Figuur 4 1. Rolbeugel 2. Brandstoftankdop (beide kanten) 3. Veiligheidsgordel 4. Rijhendel 5. Maaihoogtehendel 6. Aftakasschakelaar De urenteller registreert het aantal uren dat de motor in bedrijf is geweest. De urenteller werkt als de motor loopt.
Werktuigen/Accessoires Een breed assortiment van door Toro goedgekeurde werktuigen en accessoires is verkrijgbaar voor gebruik met de machine om de mogelijkheden ervan te verbeteren en uit te breiden. Neem contact op met uw Erkende Toro-dealer of distributeur, of ga naar www.Toro.com voor een lijst met alle goedgekeurde en accessoires. Figuur 6 1. Symbolen veiligheidssysteem 2. Urenteller 3. Acculampje Gashendel De gashendel heeft twee standen: Snel en Langzaam.
Gebruiksaanwijzing GEVAAR In bepaalde omstandigheden kan tijdens het tanken statische elektriciteit worden ontladen waardoor vonken ontstaan die benzinedampen tot ontbranding kunnen brengen. Brand of explosie van benzine kan brandwonden bij u of anderen en materiële schade veroorzaken. • Zet benzinevaten altijd op de grond en uit de buurt van het voertuig voordat u de tank bijvult.
Voeg de juiste hoeveelheid stabilizer/conditioner aan de benzine toe. WAARSCHUWING Er is geen omkantelbeveiliging als de rolbeugel omlaag is geklapt. • Klap de rolbeugel uitsluitend omlaag als dit absoluut noodzakelijk is. • Doe de veiligheidsgordel niet om als de rolbeugel omlaag is geklapt. • Rij langzaam en voorzichtig. • Klap de rolbeugel omhoog zodra de ruimte dit toelaat.
GEVAAR Bij maaien op nat gras of een steile helling bestaat de kans dat de wielen slippen en u de macht over de machine verliest. 1 2 Wielen die over randen heen komen, kunnen tot gevolg hebben dat de machine omkantelt, hetgeen ernstig of dodelijk letsel dan wel verdrinking kan veroorzaken. Er is geen omkantelbeveiliging als de rolbeugel omlaag is geklapt. 3 Houd de rolbeugel altijd in de omhoog geklapte en vergrendelde stand en doe de veiligheidsgordel om.
VOORZICHTIG Deze machine stelt de bestuurder bloot aan geluidsniveaus van meer dan 85 dBA. Bij langdurige blootstelling kan dit leiden tot gehoorbeschadiging. Draag gehoorbescherming als u deze machine gebruikt. Gebruik beschermende uitrusting voor uw ogen, oren, voeten en hoofd. Figuur 11 1. Parkeerrem – In werking Figuur 10 2. Parkeerrem – Buiten werking De motor starten en stoppen 1. Waarschuwing – Draag gehoorbescherming Motor starten Parkeerrem gebruiken 1.
de chokehendel weer gedurende een paar seconden op AAN daarna zet u de gashendel op de gewenste stand. Herhaal dit indien nodig. Motor afzetten 1. Schakel de aftakas uit (Figuur 12). 2. Zet de gashendel halverwege tussen LANGZAAN en SNEL (Figuur 14). 3. Laat de motor 60 seconden stationair draaien. 4. Draai het contactsleuteltje op UIT en verwijder het sleuteltje (Figuur 15). 5. Sluit de brandstofafsluitklep voordat u de machine transporteert of stalt. Figuur 13 1. Choke – AAN 2.
veiligheidssysteem zich in de juiste stand bevindt, wordt er een driehoekje verlicht in het betreffende hokje. Figuur 17 Figuur 16 1. Aftakas – AAN 1. De driehoekjes worden verlicht als het veiligheidssysteem zich in de juiste stand bevindt 2. Aftakas – UIT Aftakas uitschakelen Veiligheidssysteem testen Om de aftakas uit te schakelen, zet u de aftakasschakelaar op UIT (Figuur 16).
en zet de rijhendels in de neutraalstand. Probeer de motor te starten; de motor mag nu niet gaan draaien. Vooruit en achteruitrijden Met de gashendel regelt u de snelheid van de motor, oftewel het toerental (in omwentelingen per minuut). Zet de gashendel op SNEL om de beste prestaties te verkrijgen. Laat de motor tijdens het maaien altijd vol gas draaien. VOORZICHTIG De machine kan zeer snel ronddraaien. De bestuurder kan de controle over de machine verliezen.
2. Zet de motor af, verwijder het contactsleuteltje en wacht totdat alle bewegende onderdelen tot stilstand zijn gekomen voordat u de bestuurderspositie verlaat. werking stellen in Gebruiksaanwijzing (bladz. 15). Denk erom dat u het sleuteltje uit het contact haalt. VOORZICHTIG 3. Nadat u de maaihoogte hebt ingesteld, moet u de flensmoer, de lagerbus, het afstandsstuk en de bout verwijderen om de rollen in te stellen (Figuur 20, Figuur 21 en Figuur 52).
Figuur 21 1. Antiscalpeerrol 2. Lagerbus Figuur 22 3. Bout 4. Flensmoer 1. Sluitnok 2. Hendel Afvoerplaat instellen 3. Draai aan de nok om de sluitdruk te verhogen of te verminderen 4. Sleuf Stand van afvoerplaat instellen De afvoer van de maaimachine kan worden aangepast aan verschillende maaiomstandigheden. Zorg ervoor dat u de sluitnok en de plaat zodanig plaatst dat u het beste maairesultaat verkrijgt. De volgende figuren zijn uitsluitend bedoeld als aanbeveling voor gebruik.
Stand B Hefmechanisme bedienen Zet de plaat in deze stand als u het maaisel opvangt. De hendel van het hefmechanisme wordt gebruikt met de maaihoogtehendel voor het maaidek. Hiermee kunt u het maaidek gemakkelijker opheffen. 1. Zet uw voet op het hefpedaal. 2. Trap hierop terwijl u de maaihoogtehendel omhoog trekt (Figuur 26). Figuur 24 Figuur 26 Stand C Bestuurdersstoel instellen Dit is de volledig open stand. Deze stand wordt aanbevolen voor de volgende gevallen.
Figuur 29 Figuur 28 1. Stoelvergrendeling 2. Brandstoftankdop 1. Zijkant bedieningspaneel 2. Omloopklep 3. Stoel 3. Hydraulische pompen Zijafvoer gebruiken Machine met de hand duwen Het maaidek is uitgerust met een scharnierende grasgeleider, die het maaisel zijwaarts en omlaag naar het gazon afvoert. Belangrijk: U moet de machine altijd met de hand duwen. Slepen van de machine kan schade aan het hydraulische systeem veroorzaken.
• Zet de machine goed vast op de aanhanger of de vrachtwagen met behulp van riemen, kettingen, kabels of touwen. verlagen als u de machine de hellingbaan afrijdt. In beide gevallen bestaat de kans dat de machine dan achteroverkantelt. • Bevestig een aanhanger aan het sleepvoertuig met veiligheidskettingen. WAARSCHUWING Als een machine wordt geladen op een aanhanger of een vrachtwagen, wordt de kans vergroot dat de machine achterover kantelt. Dit kan ernstig lichamelijk letsel of de dood veroorzaken.
Maairichting Maai afwisselend in verschillende richtingen, zodat het gras rechtop blijft staan. Dit zorgt ook voor een betere verspreiding van het maaisel, wat de vertering en bemesting ten goede komt. Maai met de juiste regelmaat Normaal gesproken moet u om de vier dagen maaien. Houd er echter rekening mee dat gras niet het hele jaar door even snel groeit. Om dezelfde maaihoogte te behouden, wat een goede gewoonte is, moet u in het vroege voorjaar vaker maaien.
Onderhoud maaimessen Zorg gedurende het hele maaiseizoen voor een scherp maaimes. Een scherp mes snijdt het gras goed af zonder het te scheuren of te kwetsen. Door scheuren en kwetsen wordt het gras bruin aan de randen, waardoor het langzamer groeit en gevoeliger is voor ziekten. Controleer elke dag of de maaimessen scherp zijn en of ze versleten of beschadigd zijn. Vijl regelmatig kerven en inkepingen weg en slijp de messen indien dit nodig is.
Onderhoud Aanbevolen onderhoudsschema Onderhoudsinterval Onderhoudsprocedure Na de eerste 8 bedrijfsuren • De motorolie verversen. • Hydraulische vloeistof controleren. Na de eerste 25 bedrijfsuren • Vervang het hydraulische filter. Na de eerste 100 bedrijfsuren • Sleufmoer van wielnaaf controleren. • Wielmoeren controleren. Bij elk gebruik of dagelijks • • • • • Veiligheidssysteem controleren. Controleer het motoroliepeil. Verwijder gras en rommel van het luchtinlaatrooster van de motor.
Smering Smering Smeer de machine volgens het tijdschema op de instructiesticker Controle en Onderhoud (Figuur 32). De machine moet vaker worden gesmeerd bij gebruik in zeer stoffige of zanderige omstandigheden. Type vet: Universeel smeervet. Figuur 31 1. Afdichtinghouder Methode van smeren 1. Schakel de aftakas uit, zet de rijhendels in de vergrendelde neutraalstand en stel de parkeerrem in werking. 2. Afstandsmoer 2. Verwijder het zwenkwiel uit de zwenkwielvorken. 3.
Maaidek en riemspanpoelies smeren torsie van 2-3 Nm. Controleer of de as niet verder uitsteekt dan de beide moeren. 14. Plaats de afdichtinghouders over de wielnaaf en plaats het wiel in de zwenkwielvork. Plaats de bout van het zwenkwiel terug en draai de moer volledig vast. Onderhoudsinterval: Om de 50 bedrijfsuren—Smeer het maaidek en de assen. Om de 50 bedrijfsuren—Smeer de arm van de riemspanpoelie van de pomp.
Onderhoud motor Luchtfilter monteren Onderhoud van het luchtfilter Belangrijk: U mag de motor nooit laten lopen zonder dat het luchtfilter en het luchtfilterdeksel zijn gemonteerd, omdat anders de motor schade kan oplopen. Onderhoudsinterval: Om de 200 bedrijfsuren—Vervang het luchtfilter (vaker als de machine wordt gebruikt in stoffige of vuile omstandigheden). 1. Als u een nieuwe filter monteert, moet u dit controleren op transportschade. Een beschadigd filter mag niet worden gebruikt.
Belangrijk: Giet niet te veel olie in het carter; als de motor daarna gaat lopen, ontstaat schade aan de motor. Olie verversen Onderhoudsinterval: Na de eerste 8 bedrijfsuren Om de 100 bedrijfsuren 1. Start de motor en laat deze vijf minuten lopen. Warme olie kan beter worden afgetapt. 2. Parkeer de machine zo dat de aftapkant iets lager staat dan de andere kant zodat alle olie kan weglopen. Figuur 35 3. Schakel de aftakas uit en stel de parkeerrem in werking.
9. Giet ca. 80 % van de gespecificeerde hoeveelheid olie langzaam in de vulbuis (Figuur 36). Onderhoud van de bougies 10. Controleer het oliepeil; zie Motoroliepeil controleren. Onderhoudsinterval/Specificatie 11. Giet langzaam olie bij totdat het oliepeil de VOL-markering bereikt. Onderhoudsinterval: Om de 200 bedrijfsuren Controleer of de elektrodenafstand tussen de centrale elektrode- en de massa-elektrode correct is voordat u de bougie monteert.
Onderhoud brandstofsysteem Brandstoffilter vervangen Onderhoudsinterval: Om de 200 bedrijfsuren/Jaarlijks (houd hierbij de kortste periode aan)—Brandstoffilter vervangen. Na verwijdering mag u nooit een vuil filter opnieuw aan de brandstofslang monteren. Figuur 40 1. Centrale elektrode met isolator 2. Massa-elektrode 3. Elektrodenafstand (niet op schaal weergegeven) 1. Schakel de aftakas uit, zet de rijhendels in de neutraalstand en stel de parkeerrem in werking. 2.
Onderhoud van de brandstoftank Onderhoud elektrisch systeem GEVAAR Onderhoud van de accu In bepaalde omstandigheden is benzine uiterst ontvlambaar en zeer explosief. Brand of explosie van benzine kan brandwonden bij u of anderen en materiële schade veroorzaken. WAARSCHUWING CALIFORNIË Proposition 65 Waarschuwing Accuklemmen, accupolen en dergelijke onderdelen bevatten lood en loodverbindingen. Van deze stoffen is bekend dat ze kanker en schade aan de voortplantingsorganen veroorzaken.
Accu monteren WAARSCHUWING 1. Plaats de accu in een bak met de accupolen naar de motor gericht (Figuur 42). Als accukabels verkeerd worden verbonden, kan dit schade aan de machine en de kabels tot gevolg hebben en vonken veroorzaken. Hierdoor kunnen accugassen tot ontploffing komen en lichamelijk letsel veroorzaken. 2. Bevestig de pluskabel (rood) aan de pluspool (+) van de accu. 3. Bevestig vervolgens de minkabel en de aardingskabel aan de minpool (-) van de accu.
Figuur 43 1. Pluspool van de accu 2. Minpool van de accu 3. Rode (+) oplaadkabel 4. Zwarte (–) oplaadkabel Figuur 44 1. Accessoire—15 A 2. Koppeling-10 A 3. Monteer de accu in de machine en sluit de accukabels aan; zie Accu monteren. 3. Laadcircuit-25 A Opmerking: Gebruik de machine nooit wanneer de accu is losgekoppeld; dit kan beschadigingen aan het elektrische systeem tot gevolg hebben. Onderhoud van de zekeringen De elektrische installatie is beveiligd door middel van zekeringen.
Bandenspanning controleren Onderhoud aandrijfsysteem Onderhoudsinterval: Om de 50 bedrijfsuren/Maandelijks (houd hierbij de kortste periode aan) De sporing afstellen Controleer de bandenspanning bij het ventiel (Figuur 46). Opmerking: Bepaal vanuit de normale bedieningspositie de linker- en rechterzijde van de machine. De juiste bandenspanning voor de achterbanden is 90 kPa. Een ongelijke bandenspanning kan leiden tot onregelmatige maairesultaten.
Belangrijk: De veerringen moeten op de juiste wijze worden gemonteerd zoals wordt getoond in Figuur 48. 4. Draai de sleufmoer aan met een torsie van 170 Nm (Figuur 47). 5. Plaats de stofkap (Figuur 48). Figuur 47 1. Sleufmoer 2. Maximaal twee schroefdraden zichtbaar 3. Opening in as met schroefdraad 4. Ring (indien nodig) 5. Controleer de afstand van de onderkant van de sleuf in de moer tot de binnenrand van de opening. Er mogen maximaal twee schroefdraden zichtbaar zijn (Figuur 47). Figuur 48 6.
Onderhoud koelsysteem Luchtinlaatrooster reinigen Onderhoudsinterval: Bij elk gebruik of dagelijks Verwijder vóór elk gebruik aangekoekt gras, vuil of andere rommel van de cilinder en de koelribben van de cilinderkop, het luchtinlaatrooster op het uiteinde van het vliegwiel, de carburateur, de regelhendels en de verbindingen. Dit zal mede zorgen voor een adequate koeling en een correct motortoerental en zal de kans verkleinen dat de motor oververhit raakt en technische schade oploopt.
Onderhouden remmen Onderhoud riemen Parkeerrem afstellen Riemen controleren Controleer of de parkeer 1. Stel de remhendel buiten werking (hendel omlaag). 2. Meet de lengte van de veer; de lengte tussen de ringen moet 74 mm bedragen (Figuur 50). Onderhoudsinterval: Om de 100 bedrijfsuren—Alle riemen op slijtage en scheurtjes controleren. Controleer de riemen op scheuren, gerafelde randen, schroeiplekken of andere schade. Vervang beschadigde riemen.
Aandrijfriem van pomp vervangen 1. Verwijder de drijfriem van het maaidek eerst, zie Drijfriem van maaidek vervangen. 2. Verwijder de bout uit de aanslag van de koppeling en maak de elektrische draden van de koppeling los (Figuur 53). 3. Trek de veerbelaste spanpoelie opzij. Figuur 51 1. Arm van de vaste spanpoelie 2. Vierkante opening 3. Vaste spanpoelie 4. Verwijder de tractieriem van de motor en de poelies van de pomp van het hydraulische systeem (Figuur 53). 4. Drijfriem van maaidek 5.
Onderhoud bedieningsysteem Neutraalstand van rijhendel afstellen Als de rijhendels niet in één lijn staan of gemakkelijk in de gleuf van het bedieningspaneel glijden, moeten zij worden afgesteld. De hendel, de veer en de stang moeten afzonderlijk worden afgesteld. Opmerking: De rijhendels moeten op de juiste wijze worden gemonteerd. Zie Rijhendels monteren bij Montage-instructies. Figuur 54 1. Duwarm 2. 384 mm 1.
Onderhoud hydraulisch systeem Onderhoud van het hydraulische systeem Type hydraulische vloeistof: Toro® HYPR-OIL™ 500 hydraulische vloeistof of Mobil® 1 15W-50. Inhoud van het hydraulische systeem: 2,0 l Belangrijk: Gebruik de voorgeschreven vloeistof. Andere vloeistoffen kunnen schade aan het systeem veroorzaken. Hydraulische vloeistof controleren Onderhoudsinterval: Na de eerste 8 bedrijfsuren Om de 50 bedrijfsuren Figuur 56 1. 2. 3. 4. 5.
Gebruik een zomerfilter bij temperaturen boven 0 °C Gebruik een winterfilter bij temperaturen beneden 0 °C 1. Schakel de aftakas uit, zet de rijhendels in de vergrendelde neutraalstand en stel de parkeerrem in werking. 2. Zet de motor af, verwijder het contactsleuteltje en wacht totdat alle bewegende onderdelen tot stilstand zijn gekomen voordat u de bestuurderspositie verlaat.
WAARSCHUWING Hydraulische vloeistof die onder druk ontsnapt, kan door de huid heen dringen en letsel veroorzaken. • Hydraulische vloeistof die per ongeluk in de huid is geïnjecteerd, moet binnen enkele uren operatief worden verwijderd door een arts die bekend is met dit type verwondingen. Anders kan gangreen ontstaan. • Houd lichaam en handen uit de buurt van kleine lekgaten of spuitmonden waaruit onder hoge druk hydraulische vloeistof ontsnapt.
2. Koppel de elektrische connector los van de veiligheidsschakelaar van de stoel. Monteer tijdelijk een verbindingsdraad op de polen van de stekker van de kabelboom. 3. Ontgrendel de stoel en kantel deze naar voren. 4. Ontgrendel de stoel en kantel deze naar voren. 2. Start de motor, draai de gashendel half open en zet de parkeerrem vrij. Zie Starten en stoppen van de motor in Gebruiksaanwijzing (bladz. 15).
Onderhoud van het maaidek WAARSCHUWING De beveiliging van het elektrische systeem zal niet goed werken als de verbindingsdraad is gemonteerd. Maaidek horizontaal stellen in drie standen • Maak de verbindingsdraad los van de stekker van de kabelboom en sluit de stekker aan op de stoelschakelaar als de afstelling klaar is. Belangrijk: Er zijn slechts 3 meetstanden nodig om het maaidek horizontaal te stellen.
Figuur 62 1. Meet hier de afstand van het mes tot het harde oppervlak g012086 2. Meten bij B en C Figuur 63 1. 2. 3. 4. 7. Als de afstanden bij punten B of C niet correct zijn, maakt u de bout los waarmee de achterste ketting is bevestigd aan de achterste steunarm (Figuur 63). 8. Maak de contramoer onder de achterste steunarm los en draai aan de stelbout totdat de afstand 79-83 mm bedraagt (Figuur 63). Achterste ketting Achterste steunarm Bout Contramoer 5. Stelbout 6. Voorste wartel 7.
5. Noteer deze afstand. 6. Het maaimes moet 6 tot 10 mm lager staan bij punt A dan bij punt B (Figuur 64). Indien dit niet het geval is, gaat u als volgt te werk. Opmerking: Beide voorste wartels moeten in dezelfde mate worden afgesteld ten behoeve van een gelijkmatige kettingspanning. 7. Draai de contramoeren op de voorkant van de rechter- en linkerwartel ongeveer 13 mm (Figuur 63) los. 8.
Vóór controle en onderhoud van de maaimessen Parkeer de maaimachine op een horizontaal oppervlak, schakel de aftakas uit en stel de parkeerrem in werking. Draai het contactsleuteltje op UIT. Verwijder het sleuteltje. De maaimessen controleren Onderhoudsinterval: Bij elk gebruik of dagelijks 1. Controleer de snijranden (Figuur 66). Als de snijranden niet scherp zijn of inkepingen vertonen, moet u de messen verwijderen en deze slijpen. Zie Maaimessen slijpen. Figuur 67 2.
Belangrijk: Het gebogen deel van het mes moet naar de binnenzijde van de maaikast wijzen om een goede maaikwaliteit te garanderen. 2. Monteer de veerschijf en de mesbout. De conus van de veerschijf moet worden gemonteerd op de boutkop (Figuur 70). Draai de mesbout vast met een torsie van 115–149 Nm. WAARSCHUWING Contact met een scherp mes kan ernstig letsel veroorzaken. Draag handschoenen of wikkel een doek om de scherpe kanten van het mes. 1.
Reiniging het maaidek voordat u de bout plaatst zoals wordt aangegeven in Figuur 71. 3. Monteer de bout en de moer. Plaats het J-vormige haakeind van de veer om de grasgeleider (Figuur 71). Onderkant van het maaidek reinigen Belangrijk: De grasgeleider moet volledig omlaag kunnen klappen. Til de grasgeleider omhoog om te controleren of deze volledig omlaag klapt. Onderhoudsinterval: Bij elk gebruik of dagelijks Verwijder elke dag het aangekoekte gras aan de onderkant van het maaidek. 1.
Stalling stabilizer op. Gebruik geen stabilizer op alcoholbasis (ethanol of methanol). 1. Schakel de aftakas uit, stel de parkeerrem in werking en draai het contactsleuteltje op UIT. Verwijder het sleuteltje. Opmerking: Stabilizer/conditioner werkt het best als het met verse brandstof wordt gemengd en altijd wordt gebruikt. 2. Maaisel, vuil en vet van de buitenkant van de gehele machine verwijderen, met name van de motor en het hydraulische systeem.
Problemen, oorzaak en remedie Probleem Startmotor draait niet. Motor start niet, start moeilijk of blijft niet lopen. Motor levert te weinig vermogen. Motor raakt oververhit. Machine rijdt niet. Abnormale trillingen. Mogelijke oorzaak Remedie 1. De aftakas is ingeschakeld. 1. Aftakas uitschakelen. 2. 3. 4. 5. Parkeerrem niet in werking gesteld. Bestuurder zit niet op de stoel. Accu is leeg. Elektrische aansluitingen gecorrodeerd of los. 6. Zekering doorgebrand. 7. Relais of schakelaar defect. 2.
Probleem Onregelmatige maaihoogte. Mogelijke oorzaak 1. Maaimes(sen) bot. 1. Mes(sen) slijpen. 2. Maaimes(sen) verbogen of niet in balans. 3. Het maaidek staat niet horizontaal. 2. Nieuwe maaimes(sen) monteren. 4. De onderkant van het maaidek is vuil. 5. De bandenspanning is niet correct. 6. Mesas verbogen. Messen draaien niet. Remedie 3. Maai dek horizontaal stellen en in de correcte schuinstand stellen. 4. Onderkant van het maaidek schoonmaken. 5. Banden op juiste spanning brengen. 6.
Schema's Elektrisch schema (Rev.
Lijst met internationale dealers Dealer: Atlantis Su ve Sulama Sisstemleri Lt Balama Prima Engineering Equip. B-Ray Corporation Casco Sales Company Ceres S.A. CSSC Turf Equipment (pvt) Ltd. Cyril Johnston & Co. Equiver Femco S.A. G.Y.K. Company Ltd. Geomechaniki of Athens Guandong Golden Star Hako Ground and Garden Hako Ground and Garden Hayter Limited (U.K.) Hydroturf Int. Co Dubai Hydroturf Egypt LLC Ibea S.P.A. Irriamc Irrigation Products Int'l Pvt Ltd. Jean Heybroek BV. Lely (U.K.) Limited Maquiver S.A.
De Toro totaalgarantie Voorwaarden en producten waarvoor de garantie geldt Toro Company en de hieraan gelieerde onderneming, Toro Warranty Company, geven krachtens een overeenkomst tussen beide ondernemingen gezamenlijk de garantie alle Toro-producten te zullen repareren als deze materiaalgebreken of fabricagefouten vertonen. 2. Breng het product met uw aankoopbewijs (kwitantie) naar de servicedealer. 3.