Form No. 3351-720 Z453 Z Master Met 132cm TURBO FORCE Maaimachine met zijafvoer Modelnr. 74416TE – Serienr. 250000001 en hoger Gebruikershandleiding Registreer uw product op www.Toro.
Bewaar deze Gebruikershandleiding bij uw machine. Als de Gebruikershandleiding beschadigd raakt of onleesbaar wordt, moet deze onmiddellijk worden vervangen. Nieuwe exemplaren kunt u bestellen via de fabrikant van de motor. Onderhoud . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . Aanbevolen onderhoudsschema . . . . . . . . . . . . . . Onderhoud van de maaimessen . . . . . . . . . . . . . . Het koelsysteem reinigen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . Onderhoud van het luchtfilter . . .
Waarschuwing duidt op een gevaarlijke situatie die ernstig letsel of de dood tot gevolg kan hebben wanneer de veiligheidsvoorschriften niet in acht worden genomen. Inleiding Lees deze handleiding zorgvuldig, zodat u weet hoe u het voertuig op de juiste wijze kunt gebruiken en onderhouden. De informatie in deze handleiding kan u en anderen helpen letsel en schade te voorkomen. Hoewel Toro veilige producten ontwerpt en fabriceert, blijft u verantwoordelijk voor het juiste en veilige gebruik van het voertuig.
• Het is niet toegestaan passagiers te vervoeren. • Controleer de messen, bevestigingsbouten en het maaimechanisme altijd op sporen van slijtage of beschadiging voor het gebruik. Vervang versleten of beschadigde messen en bouten altijd als complete set om een goede balans te behouden. • Elke bestuurder moet ervoor zorgen dat hij of zij professionele en praktische instructie krijgt.
• Houd de motor, geluiddemper, accubehuizing en de brandstofopslagplaats vrij van overtollig vet, gras en bladeren om brandgevaar te verminderen. • Verander de instellingen van de motor niet en voorkom overbelasting van de motor. Laat de motor niet met een te hoog toerental lopen omdat dit de kans op ongevallen kan vergroten. • Controleer de grasvanger regelmatig op slijtage en mankementen.
Werken op hellingen Geluidsdruk • Maai nooit op een helling van meer dan 15 graden. Deze machine oefent een geluidsdruk van 87 dBA uit op het gehoor van de bestuurder, gebaseerd op metingen bij identieke machines volgens procedures zoals vastgelegd in Richtlijn 98/37/EG. • Maai niet in de buurt van steile hellingen, greppels, steil aflopende oevers of water.
Hellingsdiagram Langs de daartoe bestemde lijn vouwen Voorbeeld: vergelijk helling met omgevouwen rand. Breng deze rand in lijn met een verticaal oppervlak (boom, gebouw, paal, enz.
Veiligheids- en instructiestickers Veiligheidsstickers en veiligheidsinstructies zijn gemakkelijk zichtbaar voor de bestuurder en bevinden zich bij plaatsen waar gevaar kan ontstaan. Vervang alle beschadigde of verdwenen stickers. 58-6520 1. Smeervet 93-7824 1. De machine kan voorwerpen uitwerpen – Blijf op veilige afstand. 2. Machine kan voorwerpen uitwerpen – Zorg ervoor dat de grasgeleider op zijn plaats zit. 3.
99-8944 1. Gevaar voor ontploffing – Draag oogbescherming. 2. Risico van bijtende vloeistof/chemische brandwonden – Afspoelen met water en eerste hulp verlenen. 98-4387 1. Waarschuwing – Draag gehoorbescherming. 3. Brandgevaar – Geen vonken of vuur en niet roken. 4. Gevaar voor vergiftiging – Houd kinderen uit de buurt van de accu. 105-6183 99-8936 1. Snelheid van de machine 2. Snel 3. Langzaam 1. Lees de Gebruikershandleiding. 2. Draai de omloopklep naar buiten om de machine te duwen. 3.
107-1686 1. Lees de instructies alvorens service- of onderhoudswerkzaamheden uit te voeren. 2. Tijdsinterval 3. Luchtfilter 4. Peil hydraulische vloeistof 5. Bandenspanning 6. Smeer hier 7. Controleer of er onderhoudswerkzaamheden nodig zijn en voer deze uit. 107-2100 107-1866 1.
107-2132 1. Waarschuwing – Stel de parkeerrem in werking en blokkeer de wielen als u de machine op een helling parkeert. 107-3993 1. Kort, dun gras en droge omstandigheden 2. Maaisel opvangen 107-3069 1. Waarschuwing – Er is geen omkiepbeveiliging als de rolbeugel omlaag is geklapt. 2. Om lichamelijk of dodelijk letsel te voorkomen als de machine omkiept, moet u de rolbeugel in de omhoog geklapte en vergrendelde positie houden en de veiligheidsgordel omdoen.
107-9309 1. Waarschuwing – Lees de Gebruikershandleiding voor informatie over het opladen van de accu; bevat lood; niet weggooien. 2. Lees de Gebruikershandleiding. 108-1052 108-1053 1. Maaihoogte-instelling 1. Maaihoogte-instelling 108-1054 1. Parkeerrem 2. Inschakelen 3. Uitschakelen 4.
108-1092 1. Choke 2. Motor – Afzetten 3. Motor – Lopen 4. Motor – Starten 5. Snel 6. Continu snelheidsregeling 7. Langzaam 8. Aftakas Symbolen op accu Sommige of alle symbolen staan op de accu. 1. Risico van explosie. 2. Geen vonken of vuur en niet roken. 3. Risico van bijtende vloeistof/chemische brandwonden. 4. Draag oogbescherming. 5. Lees de Gebruikershandleiding. 6. Houd omstanders op veilige afstand van de accu. 7.
Benzine en olie Waarschuwing Aanbevolen benzine Benzine is schadelijk of dodelijk bij inname. Langdurige blootstelling aan dampen kan leiden tot ernstig letsel en ziekte. Gebruik loodvrije, normale benzine voor auto’s (octaangetal minimaal 85 ). U mag ook gelode normale benzine gebruiken als er geen gewone loodvrije benzine verkrijgbaar is. • Voorkom dat u dampen lange tijd inademt. • Houd uw gezicht uit de buurt van de vulpijp en de opening van de tank of een blik met conditioner.
Gebruiksaanwijzing 1 Opmerking: Bepaal vanuit de normale bedieningspositie de linker- en rechterzijde van de machine. 2 De omkiepbeveiliging gebruiken (ROPS, Rollover Protection System) Waarschuwing 3 Om lichamelijk of dodelijk letsel te voorkomen als de machine omkiept, moet u de rolbeugel in de omhoog geklapte en vergrendelde positie houden en de veiligheidsgordel omdoen. 4 m-7431 Figuur 3 Controleer of het achterste deel van de stoel is vastgezet met de stoelvergrendeling. 1. Rolbeugel 2.
Veiligheid staat voorop 2 1 Lees alle veiligheidsinstructies in het hoofdstuk Veilige bediening. Met behulp van deze informatie kunt u voorkomen dat omstanders of uzelf letsel oplopen. Gevaar Bij maaien op nat gras of een steile helling bestaat de kans dat de wielen slippen en u de macht over de machine verliest. Wielen die over randen heen komen, kunnen tot gevolg hebben dat de machine omkiept, hetgeen ernstig of dodelijk letsel dan wel verdrinking kan veroorzaken.
Bedieningsorganen Zorg dat u vertrouwd bent met alle bedieningsorganen (Fig. 7) voordat u de motor start en de machine gebruikt. 1 2 9 5 8 1 4 m–7702 Figuur 9 1. Brandstofklep 7 3 Sluit de brandstofafsluitklep voordat u de machine transporteert of stalt. 6 Parkeerrem gebruiken m–7701 Figuur 7 1. 2. 3. 4. 5. Contactschakelaar Schakelhendels Parkeerremhendel Gashendel Choke 6. 7. 8. 9. Stel de parkeerrem altijd in werking wanneer u de machine stopt of deze onbeheerd achterlaat.
Starten en stoppen van de motor 6. Draai het contactsleuteltje op Start om de startmotor in werking te stellen. Laat het sleuteltje los zodra de motor start (Fig. 14). Motor starten Belangrijk Stel de startmotor telkens niet langer dan 10 seconden in werking. Als de motor niet wil starten, moet u na elke poging de motor 30 seconden laten afkoelen. Indien u deze instructies niet opvolgt, kan de startmotor doorbranden. 1. Neem plaats op de bestuurdersstoel en zet de schakelhendels in de neutraalstand. 2.
• de schakelhendels in de vergrendelde neutraalstand staan. Bediening van de aftakas Met de aftakasschakelaar schakelt u de aandrijving naar de elektrische koppeling aan of uit. Aftakas inschakelen Het veiligheidssysteem zorgt ervoor dat de motor wordt gestopt wanneer de tractiehendels worden bewogen als de parkeerrem in werking is gesteld of als u de bestuurdersstoel verlaat terwijl de aftakas is ingeschakeld. 1.
Vooruitrijden De machine stoppen 1. Zet de parkeerrem vrij; zie Parkeerrem vrijzetten, blz. 18. 1. Zet de tractiehendels in de neutraalstand en koppel ze los om ze vast te zetten. 2. Zet de hendels in de middelste, onvergrendelde stand. 2. Schakel de aftakas uit. 3. Om vooruit te rijden, duwt u de schakelhendels langzaam naar voren (Fig. 16). 3. Draai het contactsleuteltje op Uit om de motor af te zetten. 4.
Antiscalpeerrollers afstellen 3. Nadat u de maaihoogte hebt ingesteld, verwijdert u de flensmoer, lagerbus en de bout (Fig. 19). Als u de maaihoogte wijzigt, stel dan de hoogte van de antiscalpeerrollers in. Buitenste roller instellen 1. Schakel de aftakas uit, zet de schakelhendels in de vergrendelde neutraalstand en stel de parkeerrem in werking. 4 2 2.
Machine met de hand duwen De zijafvoer gebruiken Belangrijk U moet de machine altijd met de hand duwen. Slepen van de machine kan schade aan het hydraulische systeem veroorzaken. Het maaidek is uitgerust met een scharnierende grasgeleider, die het maaisel zijwaarts en omlaag naar het gazon afvoert. Gevaar De machine duwen Zonder aangebrachte grasgeleider, afvoerafsluiter of complete grasvanger kunnen u of anderen in aanraking met het maaimes of uitgeworpen voorwerpen komen.
De machines laden De hellingbaan moet zo lang zijn dat de hoek van de hellingbaan met de grond niet groter is dan 15 graden (Fig. 22). Een steilere hoek kan ertoe leiden dat onderdelen van de maaikast blijven haken als de machine van de hellingbaan naar de aanhanger of de vrachtwagen rolt. Steilere hoeken kunnen ook tot gevolg hebben dat de machine achteroverkiept.
Maaitips Maaisnelheid Snel-stand gashendel Om de maairesultaten te verbeteren, moet u maaien bij een lagere rijsnelheid. Voor een optimaal maairesultaat en een maximale luchtcirculatie moet u de gashendel op Snel zetten. Om het gras goed af te maaien is lucht nodig; zet de maaihoogte dus niet te laag en zorg ervoor dat het maaidek niet helemaal door ongemaaid gras is omgeven. Probeer altijd één zijkant van de machine vrij van ongemaaid gras te houden, zodat lucht kan worden aangezogen.
Onderhoud Opmerking: Bepaal vanuit de normale bedieningspositie de linker- en rechterzijde van de machine. Aanbevolen onderhoudsschema Onderhoudsinterval Na de eerste 8 bedrijfsuren Voor elk gebruik Onderhoudsprocedure • Controleer het peil van de hydraulische vloeistof. • Motorolie verversen. • Hydraulisch filter vervangen. • • • • Motoroliepeil controleren. Veiligheidssysteem controleren. Luchtinlaat van de motor reinigen.1 Maaikast reinigen. Om de 5 bedrijfsuren • Maaimessen controleren.
Voorzichtig Als u het sleuteltje in het contact laat, bestaat de kans dat iemand de motor per ongeluk start waardoor u of andere omstanders ernstig letsel kunnen oplopen. Haal het sleuteltje uit het contact en maak de bougiekabel los van de bougie(s) voordat u onderhoudswerkzaamheden uitvoert aan de machine. Druk de kabel opzij, zodat deze niet onbedoeld contact kan maken met de bougie. De messen controleren Onderhoud van de maaimessen 1. Controleer de snijranden (Fig. 23).
Controle op kromme messen Maaimessen verwijderen 1. Draai de messen totdat de uiteinden naar voren en naar achteren wijzen (Fig. 24). Meet de afstand tussen een horizontaal oppervlak en de snijrand van de messen (Fig. 25). Noteer deze afstand. Vervang een mes als u een vast voorwerp heeft geraakt, of als het mes uit balans of krom is.
Maaimessen slijpen Het koelsysteem reinigen Verwijder voor elk gebruik gras en rommel van het luchtinlaatrooster. Waarschuwing Controleer en reinig de koelribben en de uitlaatringen om de 100 bedrijfsuren of jaarlijks, waarbij de kortste periode moet worden aangehouden. Als het mes wordt geslepen, kunnen delen van het mes worden weggeslingerd en ernstig letsel veroorzaken. 1. Schakel de aftakas uit en stel de parkeerrem in werking. Draag goede oogbescherming als u een mes slijpt. 2.
Onderhoud van het luchtfilter 6. Verwijder het veiligheidsfilter uitsluitend als u dit wilt vervangen. Voorfilter: Controleer en/of vervang deze om de 200 bedrijfsuren of vaker in vuile of stoffige omstandigheden. Belangrijk Probeer nooit een veiligheidsfilter te reinigen. Als het veiligheidsfilter vuil is, betekent dit dat het voorfilter is beschadigd. Vervang beide filters. Veiligheidsfilter: Vervang het om de 600 bedrijfsuren. 7.
Motoroliepeil controleren 5. Peilstok eruit draaien en metalen deel met een doek schoonvegen (Fig. 31). Onderhoudsinterval/Specificatie 6. Schuif de peilstok helemaal in de vulbuis, zonder deze hierin vast te draaien (Fig. 31). Motorolie verversen: 7. Peilstok eruit trekken en oliepeil op metalen deel controleren. Als het oliepeil te laag is, moet u langzaam net genoeg olie in de vulbuis gieten totdat het peil de Vol-markering bereikt.
Motoroliefilter vervangen Onderhoud van de bougie(s) Vervang het oliefilter om de 200 bedrijfsuren of wanneer u de olie ververst. Onderhoudsinterval/Specificatie Controleer de bougie(s) om de 100 bedrijfsuren. Controleer of de elektrodenafstand tussen de centrale elektrode- en de massa-elektrode correct is voordat u de bougie(s) monteert. Gebruik een bougiesleutel voor het (de)monteren van de bougie(s) en een voelermaat voor het meten en afstellen van de elektrodenafstand.
Bougie(s) controleren Brandstoffilter vervangen 1. Bekijk het midden van de bougie(s) (Fig. 35). Als de isolator lichtbruin of grijs is, werkt de motor naar behoren. Een zwarte laag op de isolator duidt meestal op een vuil luchtfilter. Vervang het brandstoffilter om de 200 bedrijfsuren of jaarlijks, waarbij de kortste periode moet worden aangehouden. 2 Na verwijdering mag u nooit een vuil filter opnieuw aan de brandstofslang monteren. 3 1.
Benzine aftappen uit de brandstoftank Smeren Smeer de machine volgens het tijdschema op de instructiesticker CONTROLE EN ONDERHOUD (Fig. 37). De machine moet vaker worden gesmeerd bij gebruik in zeer stoffige of zanderige omstandigheden. Gevaar In bepaalde omstandigheden is benzine uiterst ontvlambaar en zeer explosief. Brand of explosie van benzine kan brandwonden bij u of anderen en materiële schade veroorzaken. • Tap de benzine af uit de brandstoftank wanneer de motor koud is.
Draaipunten van de voorste zwenkwielen smeren Punten waar dunvloeibare olie of sproeismering moeten worden gebruikt De draaipunten van de voorste zwenkwielen moeten een keer per jaar worden gesmeerd. Smeer de machine op de volgende punten met sproeismering of dunvloeibare olie. Smeer deze punten om de 160 bedrijfsuren. 1. Verwijder de stofkap en stel de draaipunten van de zwenkwielen bij.
Onderhoud van het hydraulische systeem 6. Controleer het peil als de vloeistof warm is. De vloeistof moet tussen Koud en Heet staan. 7. Indien nodig moet u de hydraulische tank bijvullen met vloeistof. Hydraulische vloeistof controleren Opmerking: Het vloeistofpeil moet aan de bovenkant van de Heet markering op de keerplaat staan als de vloeistof warm is (Fig. 40). Controleer het peil van de hydraulische vloeistof: • Voordat de motor voor de eerste keer wordt gestart. • Na de eerste 8 bedrijfsuren 8.
11. Controleer het peil als de vloeistof warm is. 3. Plaats een opvangbak onder het filter. Verwijder het oude filter en veeg de pakking van het filtertussenstuk schoon (Fig. 41). Opmerking: De vloeistof moet tussen koud en heet staan. 12. Indien nodig moet u de hydraulische tank bijvullen met vloeistof. Niet te vol vullen.
Hydraulische leidingen controleren 6. Trek de hendel naar achteren totdat de gaffelpen (op de arm onder de taatsas) contact maakt met het uiteinde van de gleuf (en net druk op de veer begint uit te oefenen) (Fig. 44). Om de 100 bedrijfsuren moet u de hydraulische leidingen en slangen controleren op lekkages, losgeraakte aansluitingen, kinken, loszittende steunen, slijtage, beschadigingen als gevolg van weersinvloeden en de inwerking van chemicaliën.
Neutraalstand linkse hydraulische pomp afstellen Neutraalstand hydraulische pomp afstellen 1. Start de motor, draai de gashendel half open en zet de parkeerrem vrij. Zie Starten en stoppen van de motor, blz. 19. Opmerking: Stel eerst de neutraalstand van de hendel af. Deze moet correct zijn voordat u de volgende afstelling kunt uitvoeren. Opmerking: De schakelhendel moet in de neutraalstand staan als er afstellingswerkzaamheden worden uitgevoerd. Gevaar 2.
Neutraalstand rechtse hydraulische pomp afstellen De sporing afstellen De linkse handpomp heeft een knop waarmee de sporing kan worden afgesteld. 1. Draai de borgmoeren op de kogelverbinding op de bedieningsstang van de pomp los (Fig. 44). Belangrijk U moet eerst de neutraalstand van de hendel en de neutraalstand van de hydraulische pomp afstellen alvorens de sporing af te stellen. Zie Neutraalstand van hendel afstellen, blz. 38 en Neutraalstand hydraulische pomp afstellen, blz. 39. 2.
Lager van draaipunt van zwenkwiel afstellen Gleufmoer van wielnaaf controleren U moet dit lager om de 500 bedrijfsuren of bij stalling controleren, waarbij de kortste periode moet worden aangehouden. Controleer de gleufmoer om de 500 bedrijfsuren. De gleufmoer moet worden aangedraaid met een torsie van 170 Nm. 1. Schakel de aftakas uit, zet de schakelhendels in de vergrendelde neutraalstand en stel de parkeerrem in werking. 1.
Maaidek horizontaal stellen in drie standen Belangrijk Er zijn slechts 3 meetstanden nodig om het maaidek horizontaal te stellen. AFSTAND TUSSEN SNIJRAND EN HORIZONTAAL OPPERVLAK METEN m–2539 Figuur 50 De machine instellen 1. Plaats de maaimachine op een horizontaal oppervlak. 3. Noteer deze afstand. Deze hoogte moet 79 tot 83 mm bedragen 2. Schakel de aftakas uit, zet de schakelhendels in de neutraalstand en stel de parkeerrem in werking. 4. Zet het linker maaimes in de schuinstand (Fig. 49). 3.
Schuinstand van het maaidek instellen 7. Draai de contramoeren op de voorkant van de rechteren linkerwartel ongeveer 13 mm (Fig. 54) los. 1. Zet het rechter maaimes in de schuinstand (Fig. 52). 8 Vóór 1 8 4 A B 6 m–1078 Figuur 52 7 5 2 3 Vóór m–7704 2. Meet het rechter mes bij punt A (Fig. 52). Meet de afstand tussen een horizontaal oppervlak en de snijrand van het maaimes (Fig. 53). Figuur 54 1. 267 mm tussen de grote ringen 2. Voorste moer 3. Contramoer van veer 4.
Duwarmen afstellen De riemen controleren Indien nodig kunt u de duwarmen afstellen om de spanning van de drijfriem van het maaidek te verhogen of te verminderen. Controleer alle riemen om de 50 bedrijfsuren. Controleer de riemen op scheuren, gerafelde randen, schroeiplekken of andere schade. Vervang beschadigde riemen. 1. Draai de contramoer los en draai de kogelverbinding telkens één slag linksom (Fig. 55).
Aandrijfriem van pomp vervangen 7. Plaats een dopsleutel met een kort verlengstuk of een onderbrekerstang in het vierkante gat in de arm van de vaste spanpoelie (Fig. 57) Controleer de aandrijfriem van de pomp om de 50 bedrijfsuren op slijtage. 1 1. Verwijder de drijfriem van het maaidek eerst, zie Drijfriem van maaidek vervangen op blz. 44. 2. Verwijder de bout uit de aanslag van de koppeling en maak de elektrische draden van de koppeling los (Fig. 58). 2 4 3 5 2 m–7719 Figuur 57 1.
Parkeerrem afstellen Onderhoud van de zekeringen Controleer of de parkeerrem goed is afgesteld. Onderhoudsinterval/Specificatie 1. Stel de remhendel buiten werking (hendel omlaag). De elektrische installatie is beveiligd door middel van zekeringen. Deze behoeven geen onderhoud. Als er een zekering is doorgebrand, moet u echter het onderdeel of circuit controleren op defecten of kortsluiting. 2. Meet de lengte van de veer; de lengte tussen de ringen moet 74 mm zijn (Fig. 59).
Onderhoud van de accu 5. Schuif het rode stofkapje voor de accupool op de pluspool (rood) van de accu. 6. Zet de accu vast met J-bouten, een bevestigingsband, 2 ringen (1/4 inch) en 2 vleugelmoeren (1/4 inch) (Fig. 61). Waarschuwing CALIFORNIË Proposition 65 Waarschuwing Accu verwijderen Accuklemmen, accupolen en dergelijke onderdelen bevatten lood en loodverbindingen. Van deze stoffen is bekend dat ze kanker en schade aan de voortplantingsorganen veroorzaken.
Accu opladen Grasgeleider vervangen Waarschuwing Waarschuwing Bij het opladen produceert de accu gassen die tot ontploffing kunnen komen. Als een afvoeropening niet is afgesloten, kan het maaidek voorwerpen in de richting van de bestuurder of omstanders werpen. Dit kan ernstig letsel veroorzaken. Daarnaast kunt u ook in contact komen met het mes. Rook nooit in de buurt van de accu en zorg ervoor dat er geen vonken of vlammen vlakbij de accu komen.
PTO CLUTCH GND BK BK BN VIO (NEUTRAL) SW5 W SW4 (NEUTRAL) SHOWN WITH PARK BRAKE DISENGAGED SW3 (BRAKE) VIO Y SHOWN WITH LEVER IN NEUTRAL POSITION SHOWN WITH LEVER IN NEUTRAL POSITION Y SHOWN IN OFF POSITION GY BN SW2 (PTO) X I S OR BK P1–B T Y K2 (START RELAY) P2–C SW6 (SEAT SW) SHOWN WITH OPERATOR IN SEAT TERMINAL VIEW FROM BACK OF SWITCH B A KEY SW Y P1–A DELAY MODULE 100–6186 P1–C PK OFF ON START OR GY BN GN F1 30A Y R R B BK K1 (KILL RELAY) BU HOUR METER P
Reiniging en stalling 11. Wanneer de machine langer dan 30 dagen niet wordt gebruikt, moet deze worden voorbereid op stalling. De machine wordt als volgt voorbereid op stalling. 1. Schakel de aftakas uit, stel de parkeerrem in werking en draai het contactsleuteltje op UIT. Maak de bougiekabel los van de bougie. Verwijder het sleuteltje. A. Voeg een stabilizer/conditioner op aardoliebasis toe aan de brandstof in de tank. Volg de mengvoorschriften van de fabrikant van de stabilizer op.
Storingen, oorzaak en remedie Probleem Startmotor draait niet. Motor start niet, start moeilijk j of blijft niet i t lopen. l Motor levert te weinig g vermogen. g Motor raakt oververhit. Mogelijke oorzaken Remedie 1. De aftakas is ingeschakeld. 1. Aftakas uitschakelen. 2. Parkeerrem niet in werking gesteld. 2. Stel de parkeerrem in werking. 3. Bestuurder zit niet op de stoel. 3. Plaats nemen op de bestuurdersstoel. 4. Accu is leeg. 4. Accu opladen. 5.
Probleem Machine rijdt niet. Abnormale trillingen. Onregelmatige g g maaihoogte. g Messen draaien niet. Mogelijke oorzaken Remedie 1. Tractieriem versleten, los of gebroken. 1. Neem contact op met een erkende Service Dealer. 2. Tractiedrijfriem van poelie af. 2. Neem contact op met een erkende Service Dealer. 3. Peil van hydraulische vloeistof te laag. 3. Reservoir bijvullen met hydraulische vloeistof. 1. Bevestigingsbouten van motor zitten los. 1. Bevestigingsbouten van motor aandraaien. 2.