Form No. 3329–102 Rev A 18–52ZX TimeCutter ZX Rijdende Maaimachine Modelnr. 74405 – Serienr.
Dit vonkontstekingssysteem is in overeenstemming met de Canadese ICES–002. Onderhoud van het luchtfilter . . . . . . . . . . . . . . . . Bougie . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . Onderhoud van de accu . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . Onderhoud van de zekeringen . . . . . . . . . . . . . . . Brandstoffilter vervangen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . Benzine aftappen uit de brandstoftank . . . . . . . . . Smeren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
Waarschuwing duidt op een gevaarlijke situatie die ernstig letsel of de dood tot gevolg kan hebben wanneer de veiligheidsvoorschriften niet in acht worden genomen. Inleiding Lees deze handleiding zorgvuldig, zodat u weet hoe u de machine op de juiste wijze kunt gebruiken en onderhouden. De informatie in deze handleiding kan u en anderen helpen letsel en schade te voorkomen. Hoewel Toro veilige producten ontwerpt en fabriceert, blijft u verantwoordelijk voor het juiste en veilige gebruik van de machine.
• Het is niet toegestaan passagiers te vervoeren. • Controleer voor het gebruik de messen, bevestigingsbouten en het maaimechanisme altijd op sporen van slijtage of beschadiging. Vervang versleten of beschadigde messen en bouten altijd als complete set om een goede balans te behouden. • Elke bestuurder moet ervoor zorgen dat hij of zij professionele en praktische instructie krijgt.
– aftakas uitschakelen en werktuigen laten zakken; • Houd de motor, geluiddemper, accubehuizing en de brandstofopslagplaats vrij van overtollig vet, gras en bladeren om brandgevaar te verminderen. – versnelling in neutraalstand zetten en parkeerrem in werking stellen; • Controleer de graszak regelmatig op slijtage en mankementen. – motor afzetten en sleuteltje uit contact nemen. • Versleten of beschadigde onderdelen vervangen ten behoeve van een veilig gebruik.
Maaien op hellingen Geluidsdruk • Maai nooit op een helling van meer dan 15 graden. Deze machine oefent een geluidsdruk van 90 dBA uit op het gehoor van de bestuurder, gebaseerd op metingen bij identieke machines volgens procedures zoals vastgelegd in Richtlijn 98/37/EG. • Maai niet in de buurt van steile hellingen, greppels, steil aflopende oevers of water.
Hellingsdiagram BRENG DEZE RAND IN LIJN MET EEN VERTICAAL OPPERVLAK (BOOM, GEBOUW, PAAL, ENZ.) LANGS DE DAARTOE BESTEMDE LIJN VOUWEN VOORBEELD: VERGELIJK HELLING MET OMGEVOUWEN RAND.
Veiligheids- en instructiestickers Veiligheidsstickers en veiligheidsinstructies zijn gemakkelijk zichtbaar voor de bestuurder en bevinden zich bij plaatsen waar gevaar kan ontstaan. Vervang alle beschadigde of verdwenen stickers. 93-7009 1. Waarschuwing – Gebruik de maaimachine niet als de grasgeleider omhoog geklapt of verwijderd is; zorg ervoor dat de grasgeleider is gemonteerd. 2. Handen of voeten kunnen worden gesneden/geamputeerd, maaimes – Blijf uit de buurt van bewegende onderdelen.
99-8939 1. Lees de Gebruikershandleiding. 2. Maaihoogte 3. Verwijder het sleuteltje uit het contact en lees de instructies alvorens service- of onderhoudswerkzaamheden uit te voeren. 104-8062 1. Maaihoogte 104-8009 1. 2. 3. 4. 5. 6. Gashendel Choke Snel Continu snelheidsregeling Langzaam Aan 7. 8. 9. 10. 11. 12. Uit Koplampen Motor – Afzetten Motor – Lopen Motor – Starten Ontsteking 104-8063 1. Maaihoogte 104-8061 1. Trek de hendel uit om de machine in bedrijf te stellen. 2.
104-8064 1. 2. 3. 4. Uitschakelen Inschakelen Parkeerrem Waarschuwing – Lees de instructies alvorens serviceof onderhoudswerkzaamheden uit te voeren; stel de parkeerrem in werking en verwijder het sleuteltje uit het contact alvorens de machine te verlaten. 5. Waarschuwing – Lees de Gebruikershandleiding. 6. Machine kan voorwerpen uitwerpen – Zorg ervoor dat de grasgeleider op zijn plaats zit. 7. Machine kan kantelen op hellingen van meer dan 15 graden – rij uitsluitend heuvelopwaarts of heuvelafwaarts.
104-5091 1. Bevat lood; niet weggooien. 2. Recyclen. 3. Draag oogbescherming; explosieve gassen kunnen blindheid en ander letsel veroorzaken. 4. Geen vonken of vuur en niet roken. 5. Zwavelzuur kan blindheid of ernstige brandwonden veroorzaken. 6. Ogen direct met water spoelen en snel arts raadplegen. 7. Maximale vulstreep 12 8. Minimale vulstreep 9.
Benzine en olie Waarschuwing Aanbevolen benzine Benzine is schadelijk of dodelijk bij inname. Langdurige blootstelling aan dampen kan leiden tot ernstig letsel en ziekte. Gebruik normale LOODVRIJE benzine voor automobielen (octaangetal minimaal 87). Gelode normale benzine kan worden gebruikt als loodvrije benzine niet verkrijgbaar is. • Voorkom dat u dampen lange tijd inademt. • Houd uw gezicht uit de buurt van een vulpijp en de opening van een tank of een blik met conditioner.
Parkeerrem Gebruiksaanwijzing Stel de parkeerrem altijd in werking wanneer u de machine stopt of deze onbeheerd achterlaat. Opmerking: Bepaal vanuit de normale bedieningspositie de linker- en rechterzijde van de machine. Veiligheid staat voorop Parkeerrem in werking stellen Lees aandachtig alle veiligheidsinstructies en -stickers in het hoofdstuk Veilige bediening. Met behulp van deze informatie kunt u letsel van uw gezinsleden, omstanders, dieren en uzelf voorkomen. 1. Zet de schakelhendels (Fig.
Starten en stoppen van de motor 2 1 3 Starten 1. Open de brandstofafsluitklep onder de voorzijde van de brandstoftank. 4 2. Neem plaats op de bestuurdersstoel en zet de schakelhendels in de neutraalstand. m–4268 Figuur 7 1. Uit 2. Lopen 3. Stel de parkeerrem in werking; zie Parkeerrem in werking stellen, blz. 14. 3. Starten 4. Ontsteking 4. Schakel de aftakas Uit (Fig. 5). Stoppen 2 1. Zet de gashendel op Langzaam (Fig. 6). 1 2. Schakel de aftakas Uit (Fig. 5). 3.
Het Veiligheidssysteem Vooruit en achteruit rijden Met de gashendel regelt u de snelheid van de motor, oftewel het toerental (in omwentelingen per minuut). Zet de gashendel op Snel om de beste prestaties te verkrijgen. Gebruik de machine altijd met de motor op vol gas. Voorzichtig Niet-aangesloten of beschadigde interlockschakelaars kunnen onverwachte gevolgen hebben op de werking van de machine. Dit kan lichamelijk letsel veroorzaken. Voorzichtig • Laat de interlockschakelaars ongemoeid.
Achteruit 1 1. Zet de hendels in de middelste, onvergrendelde stand. 2. Om achteruit te rijden, trekt u de schakelhendels naar achteren (Fig. 9). 2 Om in een rechte lijn te rijden, moet u gelijkmatige druk uitoefenen op beide schakelhendels (Fig. 9). 3 Om te draaien, beweegt u de schakelhendel in de richting waarin u wilt draaien (Fig. 9). Om te stoppen, zet u beide schakelhendels in de neutraalstand. m-3654 Figuur 10 De machine stoppen 1. Maaihoogtehendel 2.
Bestuurdersstoel instellen 2. Zet de schakelhendel in de volgende groep gaten. Zet de hendel vast met de twee schroeven en de klemringen. De holle kant van de ring moet zijn gericht naar de schacht van de bedieningsarm (Fig. 13). U kunt de stoel naar voren en naar achteren verschuiven. De positie van de stoel moet zo zijn dat u de machine het best kunt bedienen en dat u comfortabel zit. 3. Stel vervolgens ook de andere schakelhendel af. 1. Til de stoel op en draai de instelknoppen los (Fig. 12).
3 Gevaar 3 Zonder aangebrachte grasgeleider, afvoerafsluiter of complete grasvanger kunnen u of anderen in aanraking met het maaimes of uitgeworpen voorwerpen komen. Contact met draaiende maaimes(sen) en uitgeworpen voorwerpen zal lichamelijk letsel of de dood veroorzaken. 2 • Verwijder de grasgeleider nooit van het maaidek 1 omdat hiermee het maaisel wordt afgevoerd naar het gazon. Als de grasgeleider is beschadigd, moet u deze onmiddellijk vervangen.
Stoppen tijdens het maaien ongemaaid gras is omgeven. Probeer altijd één zijkant van de machine vrij van ongemaaid gras te houden, zodat lucht kan worden aangezogen. Als u de machine terwijl die in beweging is moet stoppen, kan er een kluit maaisel op het gazon achterblijven. Om dit te voorkomen, u de messen inschakelen en de maaimachine rijden naar een gedeelte van het gazon dat al is gemaaid.
Onderhoud Opmerking: Bepaal vanuit de normale bedieningspositie de linker- en rechterzijde van de machine. Aanbevolen onderhoudsschema Onderhoudsinterval Onderhoudsprocedure Na het eerste gebruik • Motorolie verversen. Na elk gebruik • • • • Motoroliepeil controleren. Veiligheidssysteem controleren. Luchtinlaatrooster reinigen. Maaikast reinigen. Om de 5 bedrijfsuren • Maaimessen controleren. Om de 25 bedrijfsuren • • • • • • Om de 50 bedrijfsuren • Papieren luchtfilter onderhoudsbeurt geven.
Motorolie controleren Olie verversen/aftappen Ververs de motorolie na de eerste 8 bedrijfsuren en daarna om de 100 bedrijfsuren. 1. Start de motor en laat deze vijf minuten lopen. Warme olie kan beter afgetapt worden. Type olie: Reinigingsolie (API-onderhoudsclassificatie SC, SD, SE, SF, SG of SH) 2. Parkeer de machine zo dat de aftapkant iets lager staat dan de andere kant zodat alle olie kan weglopen.
Motoroliefilter vervangen Het koelsysteem reinigen Vervang het oliefilter om de 200 bedrijfsuren of om de olieverversingsbeurt. Verwijder voor elk gebruik gras en rommel van het luchtinlaatrooster. Opmerking: Vervang het oliefilter vaker als de machine wordt gebruikt in zeer stoffige of zanderige omstandigheden. Reinig de koelribben en de uitlaatringen om de 300 bedrijfsuren of jaarlijks, waarbij de kortste periode moet worden aangehouden. 1. Tap de motorolie af; zie Olie verversen/aftappen, blz. 22.
Onderhoud van het luchtfilter Belangrijk Schuimfilter vervangen wanneer het gescheurd of versleten is. Schuimelement: Om de 25 bedrijfsuren reinigen en met olie bestrijken. 2 1 Papierelement: Om de 100 bedrijfsuren reinigen. Om de 200 bedrijfsuren of jaarlijks vervangen, waarbij de kortste periode moet worden aangehouden. Figuur 21 Opmerking: Het luchtfilter moet vaker een onderhoudsbeurt krijgen (om de paar uren) als de machine wordt gebruikt in buitengewoon stoffige of zanderige omstandigheden. 1.
Bougie 2. Controleer de afstand tussen de centrale elektrode en de massa-elektrode (Fig. 24). Verbuig de massa-elektrode (Fig. 24) om de juiste afstand in te stellen indien dit nodig is. Controleer de bougie om de 100 bedrijfsuren. Controleer of de elektrodenafstand correct is voordat u de bougie monteert. Gebruik een bougiesleutel voor het (de)monteren van de bougie(s) en een voelermaat voor het meten en afstellen van de elektrodenafstand. Monteer een nieuwe bougie indien dit nodig is.
3. Bevestig de minkabel aan de minpool (–) van de accu. 1. Schakel de aftakas uit, stel de parkeerrem in werking, zet de motor af en verwijder het contactsleuteltje. 4. Bevestig de kabels met 2 bouten (1/4 x 3/4 inch), ringen (1/4 inch) en borgmoeren (1/4 inch) (Fig. 25). 2. Klap de zitting naar voren. Hieronder bevindt zich de accu. 5. Schuif het rode stofkapje voor de accupool op de pluspool (rood) van de accu. 3. Maak de minkabel (zwart) los van de accupool (Fig. 25). 6.
5. Installeer de accu in de tractor en sluit de accukabels aan; zie Accu monteren, blz. 26. Belangrijk Vul de accu nooit bij met gedistilleerd water terwijl de accu nog in de tractor zit. Er zou dan accuzuur op andere onderdelen kunnen komen, wat tot corrosie kan leiden. Opmerking: Gebruik de tractor nooit wanneer de accu is losgekoppeld; dit kan beschadigingen aan het elektrische systeem tot gevolg hebben. 2. Maak de bovenkant van de accu schoon met een tissue. 3.
3. Druk de uiteinden van de slangklemmen naar elkaar toe en schuif ze weg van het filter (Fig. 29). 4. Trek de brandstofslang van het brandstoffilter (Fig. 29). 4. Trek het filter uit de brandstofslangen. 5. Open de brandstofafsluitklep. Laat de benzine in een benzineblik of opvangbak lopen. 5. Monteer een nieuw filter en schuif de slangklemmen terug tot dicht bij het filter (Fig. 29). Opmerking: Omdat de tank nu toch leeg is, is dit een uitstekend moment om het brandstoffilter te vervangen. 6.
De lagers smeren Het maaidek moet regelmatig worden gesmeerd; zie Aanbevolen Onderhoudsschema, blz. 21. Smeren met Nr. 2 vet op lithium- of molybdeenbasis voor algemene doeleinden. 1 1. Zet de motor af, stel de parkeerrem in werking, verwijder het sleuteltje en maak de bougiekabels los van de bougies. m–1872 2. Pomp vet in de smeernippels op de drie aslagers (Fig. 31). Figuur 32 1. Ventiel 3. Smeer het draaipunt van de spanpoelie (Fig. 31).
De messen controleren 3. Draai de tegenovergestelde uiteinden van de messen naar voren. Meet de afstand tussen een horizontaal oppervlak en de snijrand van de messen op dezelfde plaats als in bovengenoemde stap 2. Het verschil tussen de afstanden die zijn gemeten bij stappen 2 en 3, mag niet meer zijn dan 3 mm. Als dit verschil meer bedraagt dan 3 mm, is het mes krom en moet het worden vervangen; zie Maaimessen verwijderen en Maaimessen monteren, blz. 31. 1. Controleer de snijranden (Fig. 33).
De maaimessen slijpen 3. Zet de machine op een maaihoogte van 76 mm. 1. Gebruik een vijl om de snijranden aan beide uiteinden van het mes te slijpen (Fig. 37). Houd daarbij de oorspronkelijke hoek in stand. Het mes blijft in balans als u van beide snijranden dezelfde hoeveelheid materiaal verwijdert. 4. Draai het maaimes (de maaimessen) voorzichtig evenwijdig (Fig. 39). Meet de afstand tussen de buitenste snijranden en de vlakke ondergrond (Fig. 39).
Schuinstand van het maaidek (lengterichting) instellen Voorkant 2 1078 Controleer de schuinstand van het maaidek telkens wanneer u dit monteert. Als de voorkant van het maaidek meer dan 7,9 mm lager staat dan de achterkant, stelt u de schuinstand van het mes als volgt in: 1. Plaats de maaimachine op een horizontaal oppervlak. Schakel de aftakas uit, stel de parkeerrem in werking, zet de motor af en verwijder het contactsleuteltje. Verwijder de bougiekabel(s) van de bougie(s). 3 1 2.
11. Controleer nogmaals of de maaimessen horizontaal staan; Zie De maaimachine horizontaal stellen, blz. 31. 5. Verwijder de riem. Begin bij de buitenste poelie en draai de riem af (Fig. 45). 12. Controleer de hoogte van de anti-scalpeerrollers; zie Anti-scalpeerrollers afstellen, blz. 17. Opmerking: U mag de veer niet verwijderen. Voorzichtig De riemen controleren De veer is onder spanning gemonteerd en kan lichamelijk letsel veroorzaken. Controleer alle riemen om de 100 bedrijfsuren.
4. Bevestig de achterste draaipenstang aan de tractor met de gaffelpen en de R-pen (Fig. 47) aan beide kanten van het maaidek. 3. Verwijder de R-pen en de gaffelpen uit de gaffels van de voorste draaipenstangen (Fig. 46). 5. Schuif de stelbeugels op de bevestigingspennen en zet ze vast met de ringen en de R-ringen (Fig. 47). 2 6. Bevestig de voorste draaipenstangen aan de tractor met de gaffelpennen en de R-pennen (Fig. 46). 1 7.
6 Opmerking: Als de machine na één wasbeurt niet schoon is, moet u deze 30 minuten laten inweken. Herhaal daarna deze procedure. 7. Laat de motor opnieuw één tot drie minuten lopen om het overtollig water te verwijderen. 3 Waarschuwing 2 Een gebroken of ontbrekende wasaansluiting kan voorwerpen uitwerpen of contact met het maaimes veroorzaken, waardoor u en anderen letsel kunnen oplopen. Contact met het maaimes of uitgeworpen voorwerpen zal ernstig lichamelijk of dodelijk letsel veroorzaken.
BK BN PTO CLUTCH BLUE GREEN GREY ORANGE BU GN GY OR (NEUTRAL) W SW4 (NEUTRAL) SW5 GY SW2 (PTO) Y W VIO T R PK SHOWN WITH PARK BRAKE DISENGAGED SW3 (BRAKE) Y SHOWN WITH LEVER IN NEUTRAL POSITION PK YELLOW WHITE VIOLET TAN RED PINK SHOWN IN OFF POSITION SHOWN WITH LEVER IN NEUTRAL POSITION VIO VIO Y BROWN BN BN BLACK 4 7 BK 1 I BK BK Y SW6 (SEAT) SHOWN WITH OPERATOR IN SEAT PK Y GN GN OR OR X W W R VIO R GND F3 10A A B F1 K1 SOLENOID 30A (KILL REL
Reiniging en stalling D. Bedien de choke of hulpstarter. Start de motor en laat deze lopen totdat de motor niet meer start. Bedien de hulpstarter, indien aanwezig, diverse malen om er zeker van te zijn dat er geen brandstof meer in de hulpstarter aanwezig is. 1. Schakel de aftakas uit, stel de parkeerrem in werking, zet de motor af en verwijder het contactsleuteltje. 2. Maaisel, vuil en vet van de buitenkant van de gehele machine verwijderen, met name van de motor.
Storingen, oorzaak en remedie Probleem De motor raakt oververhit. De startmotor slaat niet aan. De motor start niet, start moeilijk j of slaat l t af. f Mogelijke oorzaken Remedie 1. De motor is te zwaar belast. 1. De rijsnelheid verminderen. 2. Het oliepeil in het carter is te laag. 2. Het carter bijvullen met olie. 3. De koelribben en luchtkanalen onder het ventilatorhuis van de motor zijn verstopt. 3. De koelribben en luchtkanalen ontstoppen. 4. Het luchtfilter is vuil. 4.
Probleem De motor verliest vermogen. g De machine drijft niet aan. De machine trilt abnormaal. Mogelijke oorzaken Remedie 1. De motor is te zwaar belast. 1. De rijsnelheid verminderen. 2. Het luchtfilter is vuil. 2. Het luchtfilterelement reinigen. 3. Het oliepeil in het carter is te laag. 3. Het carter bijvullen met olie. 4. De koelribben en luchtkanalen onder het ventilatorhuis van de motor zijn verstopt. 4. De koelribben en luchtkanalen ontstoppen. 5.
Probleem Onregelmatige g g maaihoogte. g Messen draaien niet. Mogelijke oorzaken Remedie 1. Maaimes(sen) bot. 1. Mes(sen) slijpen. 2. Maaimes(sen) verbogen of niet in balans. 2. Nieuw(e) maaimes(sen) monteren. 3. Het maaidek staat niet horizontaal. 3. Het maaidek horizontaal en in de correcte schuinstand stellen 4. Een anti-scalpeerwiel is niet correct afgesteld. 4. Hoogte van anti-scalpeerwiel afstellen. 5. De onderkant van het maaidek is vuil. 5. Onderkant van het maaidek schoonmaken. 6.