Form No. 3350–190 18–52ZX TimeCutter ZX Rijdende Maaimachine Modelnr. 74405 – Serienr. 24000001 en hoger Gebruikershandleiding Registreer uw product op www.Toro.
Dit vonkontstekingssysteem is in overeenstemming met de Canadese ICES-002. De machine stoppen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . De maaihoogte instellen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . Antiscalpeerrollers afstellen . . . . . . . . . . . . . . . . . . Bestuurdersstoel instellen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . Schakelhendels afstellen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . Machine met de hand duwen . . . . . . . . . . . . . . . . . De Recycler plaat verwijderen . . . . . . .
Waarschuwing duidt op een gevaarlijke situatie die ernstig letsel of de dood tot gevolg kan hebben wanneer de veiligheidsvoorschriften niet in acht worden genomen. Inleiding Lees deze handleiding zorgvuldig, zodat u weet hoe u de machine op de juiste wijze kunt gebruiken en onderhouden. De informatie in deze handleiding kan u en anderen helpen letsel en schade te voorkomen. Hoewel Toro veilige producten ontwerpt en fabriceert, blijft u verantwoordelijk voor het juiste en veilige gebruik van de machine.
• Vervang geluiddempers die gebreken vertonen. • Onthoud dat de bestuurder verantwoordelijk is voor ongevallen of schade aan andere personen of hun eigendommen. • Controleer de messen, bevestigingsbouten en het maaimechanisme altijd op sporen van slijtage of beschadiging voor het gebruik. Vervang versleten of beschadigde messen en bouten altijd als complete set om een goede balans te behouden. • Het is niet toegestaan passagiers te vervoeren.
• Verander de instellingen van de motor niet en voorkom overbelasting van de motor. Laat de motor niet met een te hoog toerental lopen omdat dit de kans op ongevallen kan vergroten. • Houd de motor, geluiddemper, accubehuizing en de brandstofopslagplaats vrij van overtollig vet, gras en bladeren om brandgevaar te verminderen. • Controleer de grasvanger regelmatig op slijtage en mankementen.
Werken op hellingen Geluidsdruk • Gebruik de maaimachine niet op hellingen van meer dan 12,5 graden. Deze machine oefent een geluidsdruk van 90 dBA uit op het gehoor van de bestuurder, gebaseerd op metingen bij identieke machines volgens procedures zoals vastgelegd in Richtlijn 98/37/EG. • Maai niet in de buurt van steile hellingen, greppels, steil aflopende oevers of water.
Hellingsdiagram BRENG DEZE RAND IN LIJN MET EEN VERTICAAL OPPERVLAK (BOOM, GEBOUW, PAAL, ENZ.) LANGS DE DAARTOE BESTEMDE LIJN VOUWEN VOORBEELD: VERGELIJK HELLING MET OMGEVOUWEN RAND.
Veiligheids- en instructiestickers Veiligheidsstickers en veiligheidsinstructies zijn gemakkelijk zichtbaar voor de gebruiker en bevinden zich bij plaatsen waar gevaar kan ontstaan. Vervang alle beschadigde of verdwenen stickers. 93-7009 1. Waarschuwing – Gebruik de maaimachine niet als de grasgeleider omhoog geklapt of verwijderd is; zorg ervoor dat de grasgeleider is gemonteerd. 2. Handen of voeten kunnen worden gesneden/geamputeerd, maaimes – Blijf uit de buurt van bewegende onderdelen. 93-7317 1.
99-8936 1. Snelheid van de machine 2. Snel 3. Langzaam 4. Neutraalstand 5. Achteruit 104-8009 1. 2. 3. 4. 5. 6. Gashendel Choke Snel Continu snelheidsregeling Langzaam Aan 7. 8. 9. 10. 11. 12. Uit Koplampen Motor – Afzetten Motor – Lopen Motor – Starten Ontsteking 104-8061 1. Trek de hendel uit om de machine te laten rijden. 2. U mag de machine nooit slepen. 99-8939 1. Lees de Gebruikershandleiding. 2. Maaihoogte 3. Druk de hendel in om de machine te duwen. 3.
104-4163 1. Risico van explosie 2. Geen vonken of vuur en niet roken. 3. Risico van bijtende vloeistof/chemische brandwonden 4. Draag oogbescherming 5. Lees de Gebruikershandleiding. 6. Houd omstanders op veilige afstand van de accu. 104-8063 1. Maaihoogte 104-5091 1. Bevat lood; niet weggooien. 2. Recyclen. 3. Draag oogbescherming; explosieve gassen kunnen blindheid en ander letsel veroorzaken. 4. Geen vonken of vuur en niet roken. 5. Zwavelzuur kan blindheid of ernstige brandwonden veroorzaken. 6.
107-2474 1. Lees de instructies alvorens service- of onderhoudswerkzaamheden uit te voeren. 2. Controleer de bandenspanning om de 25 bedrijfsuren. 3. Smeer de machine om de 25 bedrijfsuren. 4. Motor 107-2482 1. 2. 3. 4. Inschakelen Uitschakelen Parkeerrem Waarschuwing – Stel de parkeerrem in werking en verwijder het sleuteltje uit het contact alvorens de machine te verlaten en lees de instructies alvorens serviceof onderhoudswerkzaamheden uit te voeren. 5. Waarschuwing – Lees de Gebruikershandleiding.
Gebruik van stabilizer/conditioner Gevaar In bepaalde omstandigheden is benzine uiterst ontvlambaar en zeer explosief. Brand of explosie van benzine kan brandwonden bij u of anderen en materiële schade veroorzaken. Gebruik van stabilizer/conditioner in de machine biedt de volgende voordelen: • Houdt de benzine vers gedurende stalling van 90 dagen of minder. Als u de machine langer wilt stallen, moet u de benzine aftappen uit de brandstoftank.
Parkeerrem Gebruiksaanwijzing Stel de parkeerrem altijd in werking wanneer u de machine stopt of deze onbeheerd achterlaat. Opmerking: Bepaal vanuit de normale bedieningspositie de linker- en rechterzijde van de machine. Veiligheid staat voorop Parkeerrem in werking stellen Lees aandachtig alle veiligheidsinstructies en -stickers in het hoofdstuk Veilige bediening. Met behulp van deze informatie kunt u letsel van uw gezinsleden, omstanders, dieren en uzelf voorkomen. 1. Zet de schakelhendels (Fig.
Stoppen 4. Schakel de aftakas uit (Fig. 5). 1. Zet de gashendel op Langzaam (Fig. 6). 2 1 2. Schakel de aftakas uit (Fig. 5). 3. Draai het contactsleuteltje op Uit (Fig. 7). 4. Maak de bougiekabel los van de bougie(s) om te voorkomen dat iemand per ongeluk de machine start, alvorens deze te transporteren of te stallen. m–4201 Figuur 5 1. Aftakas – Aan 5. Sluit de brandstofafsluitklep onder de voorzijde van de brandstoftank alvorens de machine te transporteren of op te slaan. 2.
Het Veiligheidssysteem Vooruit- en achteruitrijden Met de gashendel regelt u de snelheid van de motor, oftewel het toerental (in omwentelingen per minuut). Zet de gashendel op Snel om de beste prestaties te verkrijgen. Gebruik de machine altijd met de motor op vol gas. Voorzichtig Niet-aangesloten of beschadigde interlockschakelaars kunnen onverwachte gevolgen hebben op de werking van de machine. Dit kan lichamelijk letsel veroorzaken. Voorzichtig • Laat de interlockschakelaars ongemoeid.
Achteruit 1 1. Zet de hendels in de middelste, onvergrendelde stand. 2. Om achteruit te rijden, trekt u de schakelhendels naar achteren (Fig. 9). 2 Om in een rechte lijn te rijden, moet u gelijkmatige druk uitoefenen op beide schakelhendels (Fig. 9). 3 Om te draaien, beweegt u de schakelhendel in de richting waarin u wilt draaien (Fig. 9). Om te stoppen, zet u beide schakelhendels in de neutraalstand. m-3654 Figuur 10 De machine stoppen 1. Maaihoogtehendel 2.
5. Plaats de boutmoer en de ring (Fig. 11). 6. Stel vervolgens ook de andere maatwielen af. 2. Zet de schakelhendel in de volgende groep gaten. Zet de hendel vast met de twee schroeven en de klemringen. De holle kant van de ring moet zijn gericht naar de schacht van de bedieningsarm (Fig. 13). Bestuurdersstoel instellen 3. Stel vervolgens ook de andere schakelhendel af. U kunt de stoel naar voren en naar achteren verschuiven.
De Recycler plaat verwijderen De Recycler plaat monteren Verwijder de rechterplaat om de machine van de mulchingmodus in de zijafvoermodus te zetten. Monteer de rechterplaat om de machine van de zijafvoermodus in de mulchingmodus te zetten. 1. Maak het maaidek grondig schoon. 1. Maak het maaidek grondig schoon. 2. Verwijder de borgmoeren uit het bovenste en het middelste stuk van de rechterplaat (Fig. 15). 2. Verwijder de bouten en moeren in de gaten die zijn bestemd voor de plaat (Fig. 15). 3.
Maaitips Maaisnelheid Snel-stand gashendel Om de maairesultaten te verbeteren, moet u maaien bij een lagere rijsnelheid. Voor een optimaal maairesultaat en een maximale luchtcirculatie moet u de gashendel op Snel zetten. Om het gras goed af te maaien is lucht nodig; zet de maaihoogte dus niet te laag en zorg ervoor dat het maaidek niet helemaal door ongemaaid gras is omgeven. Probeer altijd één zijkant van de machine vrij van ongemaaid gras te houden, zodat lucht kan worden aangezogen.
Onderhoud Opmerking: Bepaal vanuit de normale bedieningspositie de linker- en rechterzijde van de machine. Aanbevolen onderhoudsschema Onderhoudsinterval Onderhoudsprocedure Na het eerste gebruik • Motorolie verversen. Elk gebruik • • • • Motoroliepeil controleren. Veiligheidssysteem controleren. Luchtinlaatrooster reinigen. Maaikast reinigen. Om de 5 bedrijfsuren • Maaimessen controleren. Om de 25 bedrijfsuren • • • • • • Om de 50 bedrijfsuren • Papieren luchtfilter onderhoudsbeurt geven.
Motoroliepeil controleren 2 Ververs de motorolie na de eerste 8 bedrijfsuren en daarna om de 100 bedrijfsuren. Type olie: Reinigingsolie (API-onderhoudsclassificatie SC, SD, SE, SF, SG of SH) 1 3 Carterinhoud: met filter, 1,5 liter m-4288 Viscositeit: Zie onderstaande tabel. m-4291 Figuur 16 GEBRUIK UITSLUITEND OLIE MET DEZE SAE-VISCOSITEIT 1. Oliepeilstok 2. Vulbuis 3. Uiteinde van peilstok Olie verversen en aftappen 1. Start de motor en laat deze vijf minuten lopen.
Het koelsysteem reinigen 8. Reinig de omgeving van de peilstok en schroef de dop los (Fig. 16). Verwijder voor elk gebruik gras en rommel van het luchtinlaatrooster. 9. Giet ca. 80% van de gespecificeerde hoeveelheid olie langzaam in de vulbuis (Fig. 16). Zie Motoroliepeil controleren, blz. 22. Reinig de koelribben en de uitlaatringen om de 300 bedrijfsuren of jaarlijks, waarbij de kortste periode moet worden aangehouden. 10. Controleer het oliepeil; zie Oliepeil controleren, blz. 22. 11.
Schuim- en papierelement verwijderen 2 1. Schakel de aftakas uit, zet de schakelhendels in de neutraalstand en stel de parkeerrem in werking. 1 2. Zet de motor af, verwijder het contactsleuteltje en wacht totdat alle bewegende onderdelen tot stilstand zijn gekomen alvorens de bestuurderspositie te verlaten. Figuur 21 1. Schuimelement 3. Maak de omgeving van het luchtfilter schoon om te voorkomen dat vuil in de motor komt en schade veroorzaakt.
Bougie Bougie controleren Controleer de bougie(s) om de 100 bedrijfsuren. Controleer of de elektrodenafstand correct is voordat u de bougie monteert. Gebruik een bougiesleutel voor het (de)monteren van de bougie(s) en een voelermaat voor het meten en afstellen van de elektrodenafstand. Monteer een nieuwe bougie indien dit nodig is. 1. Bekijk het midden van de bougie(s) (Fig. 24). Als de isolator lichtbruin of grijs is, werkt de motor naar behoren.
Onderhoud van de accu 5. Schuif het rubberen kapje van de pluskabel (rood) terug over de kabel. Maak de pluskabel (rood) los van de accupool (Fig. 25). Controleer het zuurpeil om de 25 bedrijfsuren. Houd de accu altijd schoon en volledig geladen. Veeg de accubehuizing schoon met een tissue. Als de accupolen zijn geoxideerd, moet u deze schoonmaken met een oplossing van vier delen water en één deel zuiveringszout. Breng een laagje vet op de accupolen aan om corrosie te voorkomen. 6.
Zuurpeil controleren Belangrijk De accu niet te vol vullen; uitgelopen accuzuur (zwavelzuur) kan ernstige corrosie en beschadiging van het chassis veroorzaken. Gevaar 5. Wacht na het bijvullen van de accucellen vijf tot tien minuten. Vul, zonodig, gedestilleerd water bij totdat het zuurpeil de Bovenste streep (Fig. 26) op de accubehuizing bereikt. Accuzuur bevat zwavelzuur; dit is een dodelijk gif dat ernstige brandwonden veroorzaakt.
Onderhoud van de zekeringen 6. Monteer een nieuw filter en schuif de slangklemmen terug tot dicht bij het filter (Fig. 29). De elektrische installatie is beveiligd door middel van zekeringen. Deze behoeven geen onderhoud. Als er een zekering is doorgebrand, moet u echter het onderdeel of circuit controleren op defecten of kortsluiting. 7. Open de brandstofafsluitklep.
7. Open de brandstofafsluitklep. Laat de benzine in een benzineblik of opvangbak lopen. Maaidek smeren Opmerking: Omdat de tank nu toch leeg is, is dit een uitstekend moment om het brandstoffilter te vervangen. Het maaidek moet regelmatig worden gesmeerd; zie het Aanbevolen Onderhoudsschema, blz. 21. Gebruik hiervoor Nr. 2 vet op lithium- of molybdeenbasis voor algemene doeleinden. 8. Steek de brandstofslang op het filter. Schuif de slangklem dicht op het filter om de brandstofslang vast te zetten (Fig.
Onderhoud van de maaimessen Zorg gedurende het hele maaiseizoen voor scherpe maaimessen. Scherpe messen snijden het gras goed af zonder het te scheuren of te kwetsen. Door scheuren en kwetsen wordt het gras bruin aan de randen, waardoor het langzamer groeit en gevoeliger is voor ziekten. 2 1 3 m–151 Controleer elke dag of de maaimessen scherp zijn en of ze versleten of beschadigd zijn. Vijl regelmatig kerven en inkepingen weg en slijp de messen indien dit nodig is.
Maaimessen slijpen 4. Draai de tegenovergestelde uiteinden van de messen naar voren. 1. Gebruik een vijl om de snijranden aan beide uiteinden van het mes te slijpen (Fig. 37). Houd daarbij de oorspronkelijke hoek in stand. Het mes blijft in balans als u van beide snijranden dezelfde hoeveelheid materiaal verwijdert. 5. Meet de afstand tussen een horizontaal oppervlak en de snijrand van de messen op dezelfde plaats als in bovengenoemde stap 3.
Schuinstand van de maaimachine (lengterichting) instellen 3. Zet de machine op een maaihoogte van 76 mm. 4. Draai het maaimes (de maaimessen) voorzichtig evenwijdig (Fig. 39). Meet de afstand tussen de buitenste snijranden en de vlakke ondergrond (Fig. 39). Als beide afstanden meer dan 4,75 mm mm bedragen, is afstelling nodig; zie stappen 5 en 6. Voorkant Controleer de schuinstand van het maaidek telkens wanneer u dit monteert.
12. Nadat u de gaffels van beide draaipenstangen in gelijke mate hebt afgesteld, zet u de gaffels vast met de R-pennen. Controleer nogmaals de schuinstand van de maaimachine. Draai aan de gaffels, totdat de rand van het voorste maaimes 1,6–7,9 mm lager staat dan de rand van het achterste mes (Fig. 42). 8. Zet de machine op een maaihoogte van 76 mm en draai de messen voorzichtig rond, zodat zij in lengterichting wijzen (Fig. 42). 9. Meet de afstanden tussen rand van het voorste mes (Fig.
Maaidek verwijderen 5. Laat de nieuwe riem door de hulp-pitmanarm van de spanpoelie en rond de spanpoelie lopen (Fig. 44). 1 4 5 1. Parkeer de machine op een horizontaal oppervlak. 3 2. Schakel de aftakas uit, zet de schakelhendels in de neutraalstand en stel de parkeerrem in werking. 3. Zet de motor af, verwijder het contactsleuteltje en wacht totdat alle bewegende onderdelen tot stilstand zijn gekomen alvorens de bestuurderspositie te verlaten. 7 4. Zet de maaihoogtehendel in de laagste stand.
Maaidek monteren 1. Parkeer de machine op een horizontaal oppervlak. 2. Schakel de aftakas uit, zet de schakelhendels in de neutraalstand en stel de parkeerrem in werking. 3. Zet de motor af, verwijder het contactsleuteltje en wacht totdat alle bewegende onderdelen tot stilstand zijn gekomen alvorens de bestuurderspositie te verlaten. 3 2 4. Schuif het maaidek onder de tractor. 1 5. Zet de maaihoogtehendel in de laagste stand. 6.
Grasgeleider vervangen 2. Plaats de veren in de beugels op het maaidek met de haakeinden over de opstaande achterkant (Fig. 49). 3. Houd de grasgeleider recht voor de gaten in de beugels en de rechte uiteinden van de veer onder het scharnier en boven de grasgeleider (Fig. 49). Waarschuwing Als een afvoeropening niet is afgesloten, kan de maaimachine voorwerpen in de richting van de bestuurder of omstanders werpen. Dit kan ernstig letsel veroorzaken. Daarnaast kunt u ook in contact komen met het mes. 4.
BK BN PTO CLUTCH BLUE GREEN GREY ORANGE BU GN GY OR (NEUTRAL) W SW4 (NEUTRAL) SW5 GY SW2 (PTO) Y W VIO T R PK SHOWN WITH PARK BRAKE DISENGAGED SW3 (BRAKE) Y SHOWN WITH LEVER IN NEUTRAL POSITION PK YELLOW WHITE VIOLET TAN RED PINK SHOWN IN OFF POSITION SHOWN WITH LEVER IN NEUTRAL POSITION VIO VIO Y BROWN BN BN BLACK 4 7 BK WIRE COLOR CODES I BK BK Y SW6 (SEAT) SHOWN WITH OPERATOR IN SEAT PK Y 5 2 GN GN OR OR X S W R VIO R GND F3 10A A B F1 K1 SOLE
Reiniging en stalling C. Motor opnieuw starten en laten lopen totdat deze afslaat. 1. Schakel de aftakas uit, stel de parkeerrem in werking, zet de motor af en verwijder het contactsleuteltje. D. Bedien de choke of hulpstarter. Start de motor en laat deze lopen totdat de motor niet meer start. Bedien de hulpstarter, indien aanwezig, diverse malen om er zeker van te zijn dat er geen brandstof meer in de hulpstarter aanwezig is. 2.
Storingen, oorzaak en remedie Probleem De motor raakt oververhit. hit De startmotor slaat niet aan. De motor start niet, start moeilijk ilijk off slaat l t af. f De motor verliest vermogen. Mogelijke oorzaken Remedie 1. De motor is te zwaar belast. 1. De rijsnelheid verminderen. 2. Het oliepeil in het carter is te laag. 2. Het carter bijvullen met olie. 3. De koelribben en luchtkanalen onder het ventilatorhuis van de motor zijn verstopt. 3. De koelribben en luchtkanalen ontstoppen. 4.
Probleem De motor verliest vermogen. De machine drijft niet aan. De machine trilt abnormaal. Onregelmatige g g maaihoogte. ih t Messen draaien niet. Mogelijke oorzaken Remedie 4. De koelribben en luchtkanalen onder het ventilatorhuis van de motor zijn verstopt. 4. De koelribben en luchtkanalen ontstoppen. 5. De bougie(s) is (zijn) aangetast, vuil, of de elektrodenafstand is niet correct afgesteld. 5. Nieuwe bougie(s) met een correct afgestelde elektrodenafstand monteren. 6.