Form No. 3381-450 Rev A TimeCutter® ZS 4200 en 5000 zitmaaier Modelnr.: 74386—Serienr.: 314000001 en hoger Modelnr.: 74387—Serienr.: 314000001 en hoger Registreer uw product op www.Toro.com.
WAARSCHUWING WAARSCHUWING Standaard gemonteerde oorspronkelijke onderdelen en accessoires verwijderen kan een invloed hebben op de garantie, tractie en veiligheid van de machine. Niet-originele Toro onderdelen gebruiken kan ernstig letsel of de dood tot gevolg hebben. Ongeoorloofde wijzigingen aanbrengen aan de motor of het brandstof- of verluchtingssysteem kan een inbreuk zijn op voorschriften.
Instellen van de rijhendels........................................26 Machine met de hand duwen ....................................26 Omzetten in zij-uitworp (voor modellen met 107 cm dek) .......................................................27 Omzetten in zij-uitworp (voor modellen met 127 cm dek) .......................................................28 Tips voor bediening en gebruik ................................30 Onderhoud ..................................................................
Veiligheid Voor ingebruikname • Inspecteer het terrein om vast te stellen welke accessoires Onjuist gebruik of onderhoud van deze maaier kan letsel tot gevolg hebben. Houd u aan deze veiligheidsinstructies om het risico op letsel te verminderen. • Toro heeft deze maaier ontworpen voor en getest op veilig gebruik. Als u zich echter niet houdt aan de volgende instructies kan dit lichamelijk letsel tot gevolg hebben.
• Breng het maaidek niet omhoog als de maaimessen • • • • • • • • • • • • • • Vul de brandstofhouders niet binnen in een voertuig, op draaien. Gebruik de machine niet als de afscherming van de aftakas of andere afschermingen niet goed op hun plaats zitten. Zorg ervoor dat alle interlockschakelaars zijn aangebracht, correct zijn afgesteld en naar behoren werken. Bedien de machine nooit terwijl de grasgeleider omhoog staat, of verwijderd of aangepast is, tenzij u een grasvanger gebruikt.
Slepen Maaien op hellingen • Wees voorzichtig als u de machine inlaadt op een Wees voorzichtig op hellingen en hellingbanen. Als u zich onveilig voelt op een helling, maai deze dan niet. aanhanger of een vrachtwagen of uitlaadt. • Gebruik een oprijplaat van volledige breedte bij het laden • Verwijder obstakels zoals stenen, boomtakken, enz. uit van de machine op een aanhanger of vrachtwagen. het maaigebied.
Model 74387 • Zorg ervoor dat moeren en bouten goed zijn vastgedraaid, in het bijzonder de bevestigingsbouten van de maaimessen. Geluidsdruk • Veiligheidsvoorzieningen mogen nooit verwijderd of gewijzigd worden. Controleer de goede werking ervan regelmatig. Voer geen handelingen uit die van invloed zijn op de bedoelde werking van een veiligheidsvoorziening of die de bescherming waarin de veiligheidsvoorziening voorziet verminderen.
Hellingsindicator G011841 Figuur 3 Deze pagina mag worden gekopieerd voor persoonlijk gebruik. 1. De maximale hellingshoek waarbij u de machine veilig kunt gebruiken is 15 graden. Gebruik het hellingsschema om de hellingshoek te bepalen voordat u de machine bedient. Gebruik de machine niet op hellingen van meer dan 15 graden. Langs de betreffende lijn van de aanbevolen hellingshoek vouwen. 2. Lijn deze rand uit met een verticaal oppervlak, bijvoorbeeld een boom, gebouw of hek. 3.
Veiligheids- en instructiestickers Veiligheidsstickers en veiligheidsinstructies zijn gemakkelijk zichtbaar voor de bestuurder en bevinden zich bij plaatsen waar gevaar kan ontstaan. Vervang alle beschadigde of verdwenen stickers. 93-7009 1. Waarschuwing – Gebruik de maaimachine niet als de grasgeleider omhoog geklapt of verwijderd is; zorg ervoor dat de grasgeleider is gemonteerd. 2. Handen of voeten kunnen worden gesneden/geamputeerd, maaimes – Blijf uit de buurt van bewegende onderdelen.
112-9840 1. Lees de Gebruikershandleiding. 3. Verwijder het sleuteltje uit het contact en lees de instructies voordat u service- of onderhoudswerkzaamheden uitvoert. 2. Maaihoogte 114-1606 120-5469 1. Risico om gegrepen te worden, riem – Zorg ervoor dat alle beschermplaten op hun plaats zitten. 1. Maaihoogte 119-8814 1. Parkeerstand 2. Snel 3. Langzaam 4. Neutraalstand 5. Achteruit 119-8815 1. Parkeerstand 2. Snel 3. Langzaam 4. Neutraalstand 5. Achteruit 120-5470 1.
130-0780 1. Langzaam (licht maaien en trekken) 2. Snel (maaien en verplaatsen) 121-2989 1. Omloophendel, hendel in duwstand 2. Omloophendel, hendel in gebruikstand Symbolen op accu Sommige of alle symbolen staan op de accu 1. Explosiegevaar 2. Niet roken. Geen open vuur of vonken. 3. Risico van bijtende vloeistof/chemische brandwonden 4. Draag oogbescherming. 5. Lees de Gebruikershandleiding. 6. Houd omstanders op veilige afstand van de accu. 7.
0-2239 1. Waarschuwing – Lees de Gebruikershandleiding. 5. Waarschuwing – Gebruik geen dubbele laadbruggen, gebruik een laadbrug uit één stuk voor het vervoeren van de machine. 2. Waarschuwing – Lees de instructies voordat u serviceof onderhoudswerkzaamheden uitvoert; zet de rijhendels in de (rem)stand, schakel de motor uit, verwijder het contactsleuteltje en maak de bougiekabel los. 6.
121-0772 1. Snel 2. Continu snelheidsregeling 4. Choke 5. Aftakas, aftakasschakelaar 3.
121-0773 1. Snel 2. Continu snelheidsregeling 4. Choke 5. Aftakas, aftakasschakelaar 3.
Algemeen overzicht van de machine 4 3 5 9 6 G01491 1 8 2 7 10 1 11 2 12 Figuur 4 Model met maaidekken van 107 cm 1. Grasgeleider 4. Maaihoogtehendel 7. Voetsteun 10. Motor 2. Achteraandrijfwiel 5. Bestuurdersstoel 8. Dop van brandstoftank 11. Motorscherm 3. Rijhendels 6. Smart Speed™ hendel 9. Bedieningspaneel 12. Voorste zwenkwiel 3 4 2 11 10 12 G014910 5 1 9 6 15 14 13 7 8 Figuur 5 Model met maaidekken van 127 cm 1. Voetpedaal voor het maaidek 2. Maaihoogtehendel 9.
Bedieningsorganen Rijhendels en parkeerstand. Zorg ervoor dat u vertrouwd bent met alle bedieningsorganen in Figuur 4, Figuur 5, en Figuur 6 voordat u de motor start en de machine gebruikt. De rijhendels zijn snelheidsgevoelig en bedienen de onafhankelijke wielmotoren. Als u een hendel naar voren of naar achteren beweegt, draait het wiel aan dezelfde kant vooruit of achteruit; de snelheid van de wielen is evenredig aan hoever u de hendel beweegt.
Gebruiksaanwijzing wordt gezet, naar de bestuurder toe, wordt het maaidek opgeheven van de grond en als de hendel omlaag wordt gezet, van de bestuurder af, wordt het maaidek neergelaten. De maaihoogte mag uitsluitend worden ingesteld als de machine stilstaat (Figuur 22). Opmerking: Bepaal vanuit de normale bedieningspositie de linker- en rechterzijde van de machine.
Voeg de juiste hoeveelheid stabilizer/conditioner aan de benzine toe. GEVAAR In bepaalde omstandigheden kan tijdens het tanken statische elektriciteit worden ontladen waardoor vonken ontstaan die benzinedampen tot ontbranding kunnen brengen. Brand of explosie van benzine kan brandwonden bij u of anderen en materiële schade veroorzaken. • Zet benzinevaten altijd op de grond en uit de buurt van het voertuig voordat u de tank bijvult.
1 GEVAAR 4 Bij maaien op nat gras of een steile helling bestaat de kans dat de wielen slippen en u de macht over de machine verliest. 2 G014895 Wielen die over randen heen komen, kunnen tot gevolg hebben dat de machine omkantelt, hetgeen ernstig of dodelijk letsel dan wel verdrinking kan veroorzaken. 3 Figuur 10 1. Vulopening 3. Brandstof 2. Onderkant van de vulbuis (niet vullen tot boven dit niveau) 4. Lege ruimte, voor het uitzetten van de brandstof.
Werking van het veiligheidssysteem (interlock) WAARSCHUWING Niet-aangesloten of beschadigde interlockschakelaars kunnen onverwachte gevolgen hebben op de werking van de machine. Dit kan lichamelijk letsel veroorzaken. • Laat de interlockschakelaars ongemoeid. • Controleer elke dag de werking van de interlockschakelaars en vervang beschadigde schakelaars voordat u de machine weer in gebruik neemt. Figuur 11 1.
Figuur 14 1. Bedieningspaneel Figuur 15 4. Continu snelheidsregeling 1. Bedieningspaneel 5. Lopen 2. Gashendel 5. Langzaam 6. Chokeknop 2. Contactsleuteltje – LOPEN-stand 3. Contactsleuteltje – START-stand 4. Uit 6. Start 3. Snel 4. Draai het contactsleuteltje op START om de startmotor in werking te stellen (Figuur 15). 7. Chokeknop 5. Zodra de motor start, duwt u de chokeknop in (Figuur 15). Opmerking: Laat het sleuteltje los zodra de motor aanslaat.
Veiligheidssysteem testen Controleer de werking van het veiligheidssysteem (interlock) telkens voordat u de machine in gebruik neemt. Als het veiligheidssysteem niet werkt zoals hieronder wordt beschreven, moet u het direct laten repareren door een erkende servicedealer. 1. Neem plaats op de bestuurdersstoel, met de rijhendels in de parkeerstand en schakel de aftakas in. 2. Probeer de motor te starten; de motor mag nu niet gaan draaien. 3. Blijf zitten op de bestuurdersstoel en schakel de aftakas uit. 4.
Rijden Gebruik van het Smart Speed™ systeem U doet er goed aan om voor het gebruik van de machine te begrijpen wat maaien met nuldraaicirkel inhoudt. De aandrijfwielen draaien onafhankelijk en worden aangedreven door de hydraulische motoren die zich op elke as bevinden. Het ene wiel kan achteruit draaien terwijl het andere vooruit draait. Zo maakt de machine niet echt een bocht; ze draait om haar as.
Om in een rechte lijn te rijden, moet u gelijke druk uitoefenen op beide rijhendels (Figuur 21). Om te draaien, vermindert u de druk op de rijhendel in de richting waarin u wilt draaien. Om te stoppen, zet u beide rijhendels in de neutraalstand. De machine stoppen Om de machine te stoppen, moet u de rijhendels in de neutraalstand zetten en naar buiten in de parkeerstand duwen, de aftakas uitschakelen, de gashendel op Snel zetten en het contactsleuteltje op UIT draaien.
Maaihoogte instellen 4 De maaihoogte wordt bepaald met de hendel rechts van de bestuurdersstoel (Figuur 22). 3 3 1 2 2 1 g019929 5 Figuur 23 G015319 4. Bovenste gat – met het maaidek op een maaihoogte van 63 mm of lager. 2. Onderste gat – met het maaidek op een maaihoogte van 76 mm of hoger 5. Bout 3. Flensmoer Figuur 22 1. Maaihoogtehendel 1. Antiscalpeerrol Antiscalpeerrollen afstellen (voor maaidekken van 127 cm) 3. 115 mm – transportstand 2.
Bestuurdersstoel instellen Instellen van de rijhendels U kunt de stoel naar voren en naar achteren verschuiven. De stand van de stoel moet zo zijn dat u de machine het best kunt bedienen en dat u comfortabel zit. De hoogte instellen De rijhendels kunnen hoger of lager worden gesteld volgens de wensen van de bestuurder. Model met maaidekken van 107 cm 1. Verwijder de 2 bouten waarmee de rijhendel is bevestigd aan de schacht van de bedieningsarm (Figuur 27). 1.
Omzetten in zij-uitworp (voor modellen met 107 cm dek) 2. Zet de rijhendels naar buiten in de parkeerstand, schakel de motor uit, en wacht totdat alle bewegende delen tot stilstand zijn gekomen voordat u de bestuurdersstoel verlaat. Het maaidek en de maaimessen die worden geleverd met deze machine zijn ontworpen om optimale mulch- en zijuitworpprestaties te leveren. 3. Zoek de omloophendels op het frame aan beide kanten van de machine. 4.
1 2 3 G005667 Figuur 30 1. Draaistang 3. De aanwezige dunne moer (3/8 inch) 2. Keerplaat (oorspronkelijk geleverd met de machine) 8. Trek het bevestigingsmiddel aan met 7 tot 9 Nm. 9. Laat de grasgeleider over de uitwerpopening zakken Belangrijk: Het maaidek moet zijn uitgerust met een scharnierende grasgeleider, die het maaisel zijwaarts en omlaag naar het gazon afvoert als de machine in de zijuitworpmodus staat. Figuur 31 1. Afvoerafsluiter 3. Bout (1/4 x 2-1/2 inch) 2.
4. Verwijder de 2 knoppen en de klemringen waarmee de rechterplaat is bevestigd aan het maaidek (Figuur 32). WAARSCHUWING Het maaidek kan voorwerpen uitwerpen uit niet-afgedichte openingen, waardoor u en anderen letsel kunnen oplopen. • Gebruik het maaidek nooit zonder dat alle openingen in de maaikast zijn afgedicht met bouten en moeren. • Zorg ervoor dat er bouten en moeren zijn gemonteerd in de montageopeningen als de mulchplaat is verwijderd. 7.
Maairichting 4. Verwijder het rechtermes van de maaier, zie Maaimessen verwijderen (bladz. 42) Maai afwisselend in verschillende richtingen, zodat het gras rechtop blijft staan. Dit zorgt ook voor een betere verspreiding van het maaisel, wat de vertering en bemesting ten goede komt. 5. Schuif de rechterplaat onder het maaidek en bevestig het met 2 knoppen en klemringen (holle kant gericht naar het maaidek) zoals wordt getoond in Figuur 32 en Figuur 33.
Onderhoud Opmerking: Bepaal vanuit de normale bedieningspositie de linker- en rechterzijde van de machine. Aanbevolen onderhoudsschema Onderhoudsinterval Onderhoudsprocedure Na de eerste 8 bedrijfsuren • De motorolie verversen. Bij elk gebruik of dagelijks • • • • • Na elk gebruik Controleer het veiligheidssysteem (interlock). Controleer het motoroliepeil. Reinig het luchtinlaatrooster. Maaimessen controleren. Controleer de grasgeleider op schade. • Maaikast reinigen.
Smering 4. Zet telkens een smeerpistool op een nippel (Figuur 35 en Figuur 36). De lagers smeren 5. Spuit vet in de nippels totdat er nieuw vet bij de lagers naar buiten komt. Onderhoudsinterval: Om de 25 bedrijfsuren—Smeer alle smeerpunten. Type vet: nr. 2 smeervet voor algemene doeleinden op lithiumbasis 1. Parkeer de machine op een horizontaal oppervlak en schakel de aftakas uit. 2.
Onderhoud motor 1. Klop het element voorzichtig tegen een vlak oppervlak om vuil en stof te verwijderen. 2. Controleer het filter op scheuren, een vettig oppervlak of beschadiging van de afdichting. Onderhoud van het luchtfilter Belangrijk: Het papierfilter nooit reinigen met te harde perslucht of vloeistoffen zoals oplosmiddelen, benzine of kerosine. Vervang het papierelement als het is beschadigd of niet grondig kan worden gereinigd.
Om de 100 bedrijfsuren—Motorolie verversen (vaker in stoffige, vuile omstandigheden). markering, omdat de motor daardoor beschadigd kan raken. 1. Parkeer de machine op een horizontaal oppervlak, schakel de aftakas uit, zet de motor af, stel de parkeerrem in werking en haal het sleuteltje uit het contact. Opmerking: Geef de afgewerkte olie af bij een inzamelcentrum. 1. Parkeer de machine zo dat de aftapkant iets lager staat dan de andere kant zodat alle olie kan weglopen. 2.
1 2 1 2 3 4 3 4 5 6 5 6 G008796 Figuur 41 3/4 Motoroliefilter vervangen G008748 Figuur 42 Onderhoudsinterval: Om de 200 bedrijfsuren—Oliefilter vervangen. (vaker in stoffige, vuile omstandigheden). Opmerking: Controleer of de pakking van het oliefilter contact maakt met de motor en draai nog 3/4 slag extra vast. Opmerking: Vervang het oliefilter van de motor vaker als de machine wordt gebruikt in zeer stoffige of zanderige omstandigheden. 3.
Figuur 43 16 ft-lb 22 N-m Opmerking: Door de diepe uitsparing rond de bougie is doorblazen met perslucht gewoonlijk de meest effectieve manier om de holte te reinigen. De bougie is heel goed bereikbaar als de ventilatorbehuizing wordt verwijderd voor reinigingswerkzaamheden. G010687 Figuur 45 Bougie controleren Belangrijk: Bougie(s) nooit schoonmaken.
Onderhoud brandstofsysteem GEVAAR In bepaalde omstandigheden is benzine uiterst ontvlambaar en zeer explosief. Brand of explosie van benzine kan brandwonden bij u of anderen en materiële schade veroorzaken. 1 2 3 • Verricht onderhoudswerkzaamheden in verband met het brandstofsysteem als de motor koud is. Doe dit buiten op een open terrein. Eventueel gemorste benzine opnemen.
Onderhoud elektrisch systeem WAARSCHUWING Als accukabels verkeerd worden verbonden, kan dit schade aan de machine en de kabels tot gevolg hebben en vonken veroorzaken. Hierdoor kunnen accugassen tot ontploffing komen en lichamelijk letsel veroorzaken. • Maak altijd de minkabel (zwart) van de accu los voordat u de pluskabel (rood) losmaakt. • Sluit altijd de pluskabel (rood) van de accu aan voordat u de minkabel (zwart) aansluit.
3. Zodra de accu volledig is opgeladen, haalt u de acculader uit het stopcontact en maakt u vervolgens de oplaadkabels los van de accuklemmen (Figuur 48). 3. Om een zekering te vervangen, trekt u de zekering omhoog (Figuur 49). 30 25 30 1 25 Figuur 48 1. Pluspool (+) van de accu 3. Rode (+) oplaadkabel 2. Minpool (–) van de accu 4. Zwarte (–) oplaadkabel 2 G014921 Figuur 49 1.
Onderhoud aandrijfsysteem 1 Bandenspanning controleren Onderhoudsinterval: Om de 25 bedrijfsuren—Bandenspanning controleren. Zorg ervoor dat de voor- en achterbanden de voorgeschreven spanning hebben. Een ongelijke bandenspanning kan leiden tot onregelmatige maairesultaten. Controleer de bandenspanning bij het ventiel (Figuur 50). De bandenspanning kan het best bij koude banden worden gecontroleerd.
Onderhoud van het maaidek Onderhoud van de maaimessen Zorg gedurende het hele maaiseizoen voor scherpe maaimessen. Scherpe messen snijden het gras goed af zonder het te scheuren of te kwetsen. Door scheuren en kwetsen wordt het gras bruin aan de randen, waardoor het langzamer groeit en gevoeliger is voor ziekten. Figuur 52 Controleer elke dag of de maaimessen scherp zijn en of ze versleten of beschadigd zijn. Vijl regelmatig kerven en inkepingen weg en slijp de messen indien dit nodig is.
1 1 G014973 G014973 3 3 2 2 Figuur 54 Figuur 56 1. Mes, in meetstand 2. Egaal oppervlak 1. Mes aan andere zijde, in meetstand 3. Gemeten afstand tussen mes en de ondergrond (A) 3. Tweede gemeten afstand tussen mes en oppervlak (B) 2. Egaal oppervlak 4. Draai hetzelfde mes 180 graden, zodat de andere maairand nu in dezelfde stand staat (Figuur 55). A. Als het verschil tussen A en B groter is dan 3 mm, vervang dan het mes door een nieuw mes; zie Maaimessen verwijderen (bladz.
Belangrijk: Het gebogen deel van het mes moet naar de binnenzijde van de maaikast wijzen om een goede maaikwaliteit te garanderen. 2. Monteer de mesversteviger, de klemring (holle kant naar het mes toe) en de mesbout (Figuur 57). 3. Draai de mesbout vast met 47 tot 88 Nm. Maaidek horizontaal stellen Controleer of het maaidek horizontaal staat telkens wanneer u de maaier installeert of wanneer u een ongelijke maaiplek in uw gras ziet. Figuur 57 1. Vleugel van het mes 4. Mesbout 2. Mes 5.
1 2 Opmerking: Als de zijstelbout in de geborgde stand staat, moet u de bout en de zijborgmoer uit de geborgde stand halen en in de gleufstand zetten (Figuur 62). Opmerking: Als de bout al in de gleufstand staat, moet u de stelbout en de zijborgmoer niet verwijderen. G009682 3 3 G015323 2 5 4 4 1 Figuur 60 Maaidekken met 2 messen 1. Maaimessen evenwijdig 3. Buitenste snijranden 2. Vleugel van het mes 4. Meet vanaf het uiteinde van het mes tot het platte oppervlak hier.
12. Stel de hoogte van het maaidek in naar wens. 2 1 G009658 1 2 2 Figuur 65 Maaidekken met 2 messen 1. Messen in lengterichting G015325 2. Meet vanaf het uiteinde van het mes tot ht platte oppervlak hier. Figuur 64 1. 6,4 mm 2. 3,2 mm 3 13. Houd het maaidek op de ingestelde stand en draai de borgmoer aan de zijkant op de ophangbeugel vast om het maaidek in de nieuwe stand vast te zetten (Figuur 63). 2 14. Draai de achterste borgmoer op de ophangbeugel los. 1 15.
3 3 1 1 2 2 G014634 Figuur 67 1. Stelstang 3. Borgmoer 2. Stelblok G014635 Figuur 68 7. Om de voorkant van het maaidek hoger te zetten, draait u de stelmoer vaster. 1. Voorste steunstang 3. Beugel van maaidek 2. Borgmoer 8. Om de voorkant van het maaidek lager te zetten, draait u de stelmoer losser. 9.
Opmerking: Bewaar alle onderdelen voor latere montage. 3 4 5 Maaidek monteren 6 1. Parkeer de machine op een horizontaal oppervlak en schakel de aftakas uit. 2. Zet de rijhendels naar buiten in de parkeerstand, schakel de motor uit, verwijder het contactsleuteltje en wacht totdat alle bewegende delen tot stilstand zijn gekomen voordat u de bestuurdersstoel verlaat. 2 7 1 3. Schuif het maaidek onder de machine. 4. Zet de maaihoogtehendel in de laagste stand. 5.
Onderhoud drijfriem van maaidek 2 5 Riemen controleren 1 3 Onderhoudsinterval: Om de 25 bedrijfsuren—Alle riemen op slijtage en scheurtjes controleren. 4 3 Controleer de riemen op scheuren, gerafelde randen, schroeiplekken of andere schade. Vervang beschadigde riemen. Aandrijfriem van maaidek vervangen 4 Tekenen dat een riem aan het slijten is, zijn: gieren tijdens het draaien van de riem, slippen van de messen tijdens het maaien, gerafelde randen, schroeiplekken en scheuren.
Reiniging 6. Gebruik een veerverwijderaar en plaats de spanpoelieveer terug op de maaidekhaak om spanning op de spanpoelie en de riem te zetten (Figuur 71 en Figuur 72). Onderkant van maaimachine wassen Onderhoudsinterval: Na elk gebruik—Maaikast reinigen. Nadat u de maaimachine heeft gebruikt, moet u de onderkant van de machine telkens wassen om te voorkomen dat er zich gras verzamelt. Hierdoor wordt gras beter fijn gemaakt en het maaisel beter verstrooid. 1.
Stalling Opmerking: Als de maaimachine na één wasbeurt niet schoon is, moet u deze 30 minuten laten inweken. Herhaal daarna deze procedure. Reiniging en stalling 9. Laat de motor opnieuw één tot drie minuten lopen om het overtollig water te verwijderen. 1. Schakel de aftakas uit, zet de rijhendels naar buiten in de parkeerstand, zet de motor af en verwijder het contactsleuteltje. WAARSCHUWING 2. Maaisel, vuil en vet van de buitenkant van de gehele machine verwijderen, met name van de motor.
Belangrijk: Benzine waaraan stabilizer/conditioner is toegevoegd, niet langer dan 30 dagen bewaren. 12. Verwijder de bougie(s) en controleer de toestand daarvan, zie Onderhoud van de bougie (bladz. 35). Nadat de bougie(s) uit de cilinder is (zijn) verwijderd, giet u twee eetlepels motorolie in de bougie-opening. Gebruik de startmotor om de motor te laten draaien en zo de olie over de cilinderwand te verspreiden. Monteer de bougie(s). De bougiekabel niet op de bougie(s) drukken. 13.
Problemen, oorzaak en remedie Probleem Mogelijke oorzaak De motor raakt oververhit. 1. De motor is te zwaar belast. 1. De rijsnelheid verminderen. 2. Het oliepeil in het carter is te laag. 3. De koelribben en luchtkanalen onder de ventilatorbehuizing van de motor zijn verstopt. 4. Het luchtfilter is vuil. 2. Het carter bijvullen met olie. 3. De koelribben en luchtkanalen ontstoppen. De startmotor slaat niet aan.. De motor start niet, start moeilijk of slaat af. 5.
Probleem De maaihoogte is ongelijk. Mogelijke oorzaak 1. Maaimes(sen) bot. 1. Mes(sen) slijpen. 2. Maaimes(sen) verbogen of niet in balans. 3. Het maaidek staat niet horizontaal. 2. Nieuwe maaimes(sen) monteren. 4. Een antiscalpeerwiel is niet correct afgesteld. 5. De onderkant van het maaidek is vuil. 6. De bandenspanning is niet correct. 7. Mesas verbogen. Messen draaien niet. Remedie 3. Maaidek horizontaal stellen en in de correcte schuinstand stellen. 4. Hoogte van antiscalpeerwiel afstellen. 5.
Schema's G014644 Installatieschema (Rev.
Lijst met internationale dealers Dealer: Land: Agrolanc Kft Balama Prima Engineering Equip. B-Ray Corporation Casco Sales Company Ceres S.A. CSSC Turf Equipment (pvt) Ltd. Cyril Johnston & Co. Cyril Johnston & Co. Equiver Femco S.A. ForGarder OU G.Y.K. Company Ltd. Geomechaniki of Athens Golf international Turizm Guandong Golden Star Hako Ground and Garden Hako Ground and Garden Hayter Limited (U.K.) Hydroturf Int.
Producten voor thuisgebruik Toro Garantie en De Toro GTS-startgarantie Gedekte voorwaarden en producten De Toro Company en de hieraan gelieerde onderneming, Toro Warranty Company, bieden krachtens een overeenkomst tussen beide ondernemingen de oorspronkelijke koper1 gezamenlijk de garantie dat ze het hieronder vermelde Toro-product zullen repareren als het materiaalgebreken of fabricagefouten vertoont of als de Toro GTS (Guaranteed to Start) motor niet start bij de eerste of de tweede poging, op voorwaarde