Form No. 3351–412 Z597–D Z Master met 152 cm TURBO FORCE maaidek met zijafvoer Modelnr. 74268TE – 240000001 & hoger Gebruikershandleiding Registreer uw product op www.Toro.
Bewaar deze Gebruikershandleiding bij uw machine. Als deze Gebruikershandleiding beschadigd raakt of onleesbaar wordt, moet deze onmiddellijk worden vervangen. Nieuwe exemplaren kunt u bestellen via de fabrikant van de motor. Onderhoud . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . Aanbevolen onderhoudsschema . . . . . . . . . . . . . . Onderhoud van de maaimessen . . . . . . . . . . . . . . Onderhoud van het luchtfilter . . . . . . . . . . . . . . . Motoroliepeil controleren . . . . . .
Inleiding Er worden in deze handleiding nog twee woorden gebruikt om u op belangrijke informatie te wijzen. Belangrijk attendeert u op bijzondere technische informatie en Opmerking: duidt algemene informatie aan die uw bijzondere aandacht verdient. Lees deze handleiding zorgvuldig, zodat u weet hoe u de machine op de juiste wijze kunt gebruiken en onderhouden. De informatie in deze handleiding kan u en anderen helpen letsel en schade te voorkomen.
• Controleer de messen, bevestigingsbouten en het maaimechanisme altijd op sporen van slijtage of beschadiging voor het gebruik. Vervang versleten of beschadigde messen en bouten altijd als complete set om een goede balans te behouden. • Het is niet toegestaan passagiers te vervoeren. • Elke bestuurder moet ervoor zorgen dat hij of zij professionele en praktische instructie krijgt.
• Houd de motor, geluiddemper, accubehuizing en de brandstofopslagplaats vrij van overtollig vet, gras en bladeren om brandgevaar te verminderen. • Verander de instellingen van de motor niet en voorkom overbelasting van de motor. Laat de motor niet met een te hoog toerental lopen omdat dit de kans op ongevallen kan vergroten. • Controleer de grasvanger regelmatig op slijtage en mankementen.
Werken op hellingen Geluidsdruk • Maai nooit op een helling van meer dan 15 graden. Deze machine oefent een geluidsdruk van 94 dBA uit op het gehoor van de bestuurder, gebaseerd op metingen bij identieke machines volgens procedures zoals vastgelegd in Richtlijn 98/37/EG. • Maai niet in de buurt van steile hellingen, greppels, steil aflopende oevers of water.
Hellingsdiagram BRENG DEZE RAND IN LIJN MET EEN VERTICAAL OPPERVLAK (BOOM, GEBOUW, PAAL, ENZ.) LANGS DE DAARTOE BESTEMDE LIJN VOUWEN VOORBEELD: VERGELIJK HELLING MET OMGEVOUWEN RAND.
Veiligheids- en instructiestickers Veiligheidsstickers en veiligheidsinstructies zijn gemakkelijk zichtbaar voor de gebruiker en bevinden zich bij plaatsen waar gevaar kan ontstaan. Vervang alle beschadigde of verdwenen stickers. 58-6520 1. Smeervet 93-7010 1. De machine kan voorwerpen uitwerpen – Blijf op veilige afstand. 2. Machine kan voorwerpen uitwerpen – Zorg ervoor dat de grasgeleider op zijn plaats zit. 3.
93-7828 103-1636 1. Maaimachine kan voorwerpen uitwerpen – Gebruik de machine niet als de grasgeleider omhoog geklapt of verwijderd is; zorg ervoor dat de grasgeleider op zijn plaats zit. 2. Handen of voeten kunnen worden gesneden/geamputeerd, maaimes – Blijf uit de buurt van bewegende onderdelen. 93-8069 1. Heet oppervlak/gevaar voor brandwonden – Blijf op een veilige afstand van een heet oppervlak. 104-2449 Symbolen op accu Sommige of alle symbolen staan op de accu. 1. Risico van explosie. 2.
107-2114 107-7700 1. 2. 3. 4. 5. 6. Motor – Afzetten Motor – Lopen Motor – Starten Aftakas Snel Continu snelheidsregeling 7. 8. 9. 10. 11. Langzaam Temperatuur Elektriciteit (volt) Motor – Voorgloeien Waarschuwingslampje water in brandstof 107-3069 1. Waarschuwing – Er is geen omkiepbeveiliging als de rolbeugel omlaag is geklapt. 2.
107-2131 1. Peil hydraulische vloeistof 2. Waarschuwing – Raak het hete oppervlak niet aan. 107-3962 1. Maaihoogte in millimeters 107-3961 107-3968 1. Maaihoogte in millimeters 1. Uitschakelen 2. Inschakelen 3. Parkeerrem 107-3969 1. Waarschuwing – Lees de Gebruikershandleiding. 2. Ledematen kunnen bekneld raken, maaimachine – Stel de parkeerrem in werking, zet de motor af en verwijder het sleuteltje uit het contact voordat u werkzaamheden onder de maaimachine gaat verrichten.
107-3978 1. Ledematen kunnen worden gesneden/geamputeerd en worden gegrepen, ventilator, riem – Blijf uit de buurt van bewegende onderdelen. 2. Voordat u de motor start, moet u gras en vuil onder de drijfriemen en poelies van het maaidek verwijderen; steek vervolgens het sleuteltje in het contact en start de motor. 107-7673 1. Maaimes 107-3982 107-7705 1. Plaats Gebruikershandleiding 107-7706 1. Lees de Gebruikershandleiding. 2.
107-7719 1. Ledematen kunnen worden gesneden/geamputeerd en worden gegrepen, ventilator, riem – Blijf uit de buurt van bewegende onderdelen. 2. Voordat u de motor start, moet u gras en vuil onder de drijfriemen en poelies van het maaidek verwijderen; steek vervolgens het sleuteltje in het contact en start de motor. 107-9864 1. Lees de Gebruikershandleiding 107-9862 1. Lees de instructies alvorens service- of onderhoudswerkzaamheden uit te voeren. 2. Uurlijks interval 3. 4. 5. 6.
107-3963 1. Handen of voeten kunnen worden gesneden/geamputeerd, maaimes – Neem geen passagiers mee en houd omstanders op een afstand. 2. Handen of voeten kunnen worden gesneden/geamputeerd, maaimes – Verwijder het contactsleuteltje en lees de instructies alvorens service- of onderhoudswerkzaamheden uit te voeren; blijf uit de buurt van bewegende onderdelen. 3. De machine kan voorwerpen uitwerpen – Houd omstanders op een veilige afstand van de machine en zorg ervoor dat de grasgeleider is gemonteerd.
107-3964 1. Waarschuwing – Gebruik geen drugs of alcohol. 2. Waarschuwing – Lees de Gebruikershandleiding en zorg ervoor dat u instructie in het gebruik krijgt. 3. Waarschuwing – Stel de parkeerrem in werking, zet de motor af en verwijder het sleuteltje uit het contact alvorens de machine te verlaten. 4. Waarschuwing – Draag gehoorbescherming. 5. Lees de Gebruikershandleiding. 107-3967 1. 2. 3. 4. 5. Snel Langzaam Neutraalstand Achteruit Waarschuwing – Lees de Gebruikershandleiding. 6.
Gebruiksaanwijzing 2 Opmerking: Bepaal vanuit de normale bedieningspositie de linker- en rechterzijde van de machine. 1 De omkiepbeveiliging gebruiken (ROPS, Rollover Protection System) m–7447 Figuur 2 1. Volledig omlaag geklapt Waarschuwing Om lichamelijk of dodelijk letsel te voorkomen als de machine omkiept: houd de rolbeugel in de omhoog geklapte en vergrendelde positie en doe de veiligheidsgordel om. 2.
2 7. Klem de voorste handgrepen tegen de uiteinden midden op de rolbeugel (Fig. 3). 1 1 m–6897 Figuur 4 3 1. Voorste handgreep m–6478 Veiligheid staat voorop Figuur 5 Lees alle veiligheidsinstructies in het hoofdstuk Veilige bediening. Met behulp van deze informatie kunt u voorkomen dat omstanders of uzelf letsel oplopen. 1. Veilige zone – gebruik de Z Master op hellingen van minder dan 15 graden of op vlak terrein. 2.
Brandstof bijvullen Gevaar De motor loopt op schone verse dieselbrandstof met een octaangetal van minimaal 40. Koop niet meer brandstof dan u in 30 dagen kunt opmaken, zodat u verzekerd bent van verse brandstof. In bepaalde omstandigheden is brandstof uiterst ontvlambaar en zeer explosief. Brand of explosie van brandstof kan brandwonden bij u of anderen en materiële schade veroorzaken. Gebruik zomerdieselbrandstof (Nr. 2–D) bij temperaturen boven –7° C en winterdieselbrandstof (Nr 1–D of Nr.
Bedieningsorganen Urenteller gebruiken Zorg ervoor dat u vertrouwd bent met alle bedieningsorganen voordat u de motor start en de machine gebruikt (Fig. 7 en 8). De urenteller registreert het aantal uren dat de motor in bedrijf is geweest. De urenteller werkt als de motor loopt. Gebruik deze tijden om regelmatig onderhoudswerkzaamheden te plannen. Ontgrendel de stoel en til deze omhoog om op de urenteller te kijken (Fig. 8).
Ononderbroken akoestisch waarschuwingssignaal Parkeerrem gebruiken Stel de parkeerrem altijd in werking wanneer u de machine stopt of deze onbeheerd achterlaat. Dit waarschuwt de gebruiker dat de motor oververhit raakt. Zie Onderhoud van het koelsysteem, blz. 40. Parkeerrem in werking stellen Onderbroken akoestisch waarschuwingssignaal 1. Zet de schakelhendels (Fig. 7) in de neutraalstand. 2. Trek de parkeerrem naar achteren en omhoog om deze in werking te stellen (Fig. 10).
Starten en stoppen van de motor 1 1 Starten in normale weersomstandigheden 2 3 2 1. Klap de omkiepbeveiliging omhoog en zet hem vast; neem vervolgens plaats op de bestuurdersstoel en doe de veiligheidsgordel om. M–4268 m–2720 2. Zet de schakelhendels in de neutraalstand. Figuur 12 3. Stel de parkeerrem in werking; zie Parkeerrem in werking stellen, blz. 21. 1. Gashendel – Snel 2. Gashendel – Langzaam 4. Schakel de aftakas uit (Fig. 11). Figuur 13 1. Uit 2. Lopen 3. Starten 5.
Bediening van de aftakas Werking van het veiligheidssysteem Met de aftakas schakelt u de aandrijving naar de elektrische koppeling aan of uit. Het veiligheidssysteem is bedoeld om starten van de motor alleen mogelijk te maken wanneer: • De bestuurder op de stoel zit. Aftakas inschakelen • De parkeerrem in werking is gesteld. 1. Neem plaats op de bestuurdersstoel en zet de schakelhendels van de tractie in de neutraalstand. • De aftakas is uitgeschakeld. • De schakelhendels in de neutraalstand staan.
Vooruit- en achteruitrijden Met de gashendel regelt u de snelheid van de motor, oftewel het toerental (in omwentelingen per minuut). Zet de gashendel op Snel om de beste prestaties te verkrijgen. Laat de motor tijdens het maaien altijd vol gas draaien. 2 3 1 4 Voorzichtig m–2715 De machine kan zeer snel ronddraaien. De bestuurder kan de controle over de machine verliezen. Dit kan leiden tot lichamelijk letsel en schade aan de machine. Figuur 15 1. Schakelhendel – vergrendelde Neutraalstand 2.
De maaihoogte instellen Antiscalpeerrollers afstellen De maaihoogte kan worden ingesteld van 38 tot 127 mm in stappen van 6 mm door de gaffelpen in verschillende openingen te plaatsen. Als u de maaihoogte wijzigt, verdient het de aanbeveling de hoogte van de antiscalpeerrollers in te stellen. 1. Schakel de aftakas uit en draai het contactsleuteltje op Uit. Zet de hendels in de vergrendelde neutraalstand en stel de parkeerrem in werking. Verwijder het contactsleuteltje. 1.
1 1 3 4 2 3 m–6823 Figuur 21 4 1 2 1. Sluitnok 2. Hendel 3. Draai aan de nok om de sluitdruk te verhogen of te verminderen m–6845 Figuur 19 1. Antiscalpeerroller 2. Lagerbus 3. Flensmoer 4. Bout 4. Sleuf Positie van afvoerplaat instellen De volgende figuren zijn uitsluitend bedoeld als aanbeveling voor gebruik. De instelling is afhankelijk van de soort gras, het vochtgehalte en de hoogte van het gras.
Positie B Bestuurdersstoel instellen Zet de plaat in deze positie als u het maaisel opvangt. De bestuurdersstoel verstellen Middelste positie U kunt de stoel naar voren en naar achteren verschuiven. De positie van de stoel moet zo zijn dat u de machine het best kunt bedienen en dat u comfortabel zit. 1. Om de bestuurdersstoel in te stellen, moet u de instelhendel zijwaarts bewegen. Hiermee ontgrendelt u de stoel (Fig. 25). 2.
De rugleuning verstellen Machine met de hand duwen De rugleuning kan worden versteld zodat u kunt rijden in een comfortabele positie. Zet de rugleuning in een positie die voor u het meest comfortabel is. Belangrijk U moet de machine altijd met de hand duwen. Slepen van de machine kan schade aan het hydraulische systeem veroorzaken. 1. Om de rugleuning te verstellen, draait u de knop onder de rechter armsteun in een van beide richtingen om de meest comfortabele positie te verkrijgen (Fig. 26).
Zijafvoer gebruiken Transport van de machine Het maaidek is uitgerust met een scharnierende grasgeleider, die het maaisel zijwaarts en omlaag naar het gazon afvoert. Gebruik een aanhanger of vrachtwagen voor zwaar vervoer om de machine te transporteren. Zorg ervoor dat de aanhanger of vrachtwagen is voorzien van alle benodigde verlichting en aanduidingen die wettelijk vereist zijn. Lees aandachtig alle veiligheidsinstructies.
Machines inladen Waarschuwing Ga zeer voorzichtig te werk als u een maaimachine op een aanhanger of een vrachtwagen laadt. Wij adviseren u gebruik te maken van een hellingbaan die de volle breedte van de machine beslaat en zo breed is dat deze uitsteekt voorbij de achterwielen in plaats van afzonderlijke oprijplaten voor elke kant van de maaimachine (Fig. 29). Het lagere achterdeel van het frame steekt tussen de achterwielen naar achteren uit en moet voorkomen dat de machine achterover kiept.
Gebruik van de Z Stand 4. Plaats het voetstuk op de grond en laat de vergrendeling op de draailip rusten (Fig. 31). De Z Stand wordt gebruikt om de voorkant van de machine omhoog te zetten. Dit maakt het mogelijk het maaidek te reinigen en bladeren te verwijderen. 5. Start de motor en laat deze op halfgas lopen. Opmerking: Om de beste resultaten te verkrijgen, moet u het voetstuk in spleten in een voetpad of een gazon plaatsen (Fig. 31). Waarschuwing 6. Rij de machine de Z Stand op.
goede gewoonte is, moet u in het vroege voorjaar vaker maaien. Als de groeisnelheid in de zomer afneemt, maait u minder vaak. Als u langere tijd niet hebt kunnen maaien, maait u eerst op een hoge maaihoogte. Maai twee dagen later op een lagere maaihoogte. 4. Zet de Z Stand terug in de rustpositie (Fig. 30). 4 3 2 Maaisnelheid 1 Om de maairesultaten te verbeteren, moet u in bepaalde omstandigheden bij een lagere rijsnelheid maaien. m–5601 Figuur 32 1. Z Stand 2.
Onderhoud Opmerking: Bepaal vanuit de normale bedieningspositie de linker- en rechterzijde van de machine.
Onderhoudsinterval Voorbereiding voor stalling Om de 4 jaar 1Vaker Onderhoudsprocedure • • • • • • Primaire hydraulische filter – vervangen Hydraulische filter van koelventilator – vervangen Accu-opladen, kabels losmaken Brandstof – aftappen Lakbeschadigingen – bijwerken Voorafgaande aan de stalling moeten alle bovengenoemde procedures worden uitgevoerd. • Motorkoelstof verversen in stoffige, vuile omstandigheden Belangrijk Zie de gebruikershandleiding van de motor voor verdere onderhoudsprocedures.
Controle op kromme messen De maaimessen verwijderen 1. Schakel de aftakas uit, zet de schakelhendels in de neutraalstand en stel de parkeerrem in werking. Een mes moet worden vervangen als u vast voorwerp heeft geraakt, of als het mes uit balans of krom is. Om de beste prestaties te verkrijgen en er zeker van te zijn dat de machine altijd veilig kan worden gebruikt, moet u ter vervanging uitsluitend originele Toro-messen gebruiken.
De maaimessen slijpen Onderhoud van het luchtfilter Voorfilter: Om de 250 bedrijfsuren reinigen of vervangen. Waarschuwing Veiligheidsfilter: Om de 600 bedrijfsuren vervangen. Als het mes wordt geslepen, kunnen delen van het mes worden weggeslingerd en ernstig letsel veroorzaken. Opmerking: U moet de filters vaker controleren als de machine wordt gebruikt in buitengewoon stoffige of zanderige omstandigheden. Draag goede oogbescherming als u een mes slijpt. Filters verwijderen 1.
Filters monteren 8. Inspecteer het voorfilter op beschadiging door een felle lichtbron op de buitenkant van het filter te richten en er doorheen te kijken. Gaten in het filter zijn herkenbaar als lichte plekken. Als het filter is beschadigd, moet u dit weggooien. Belangrijk U mag de motor nooit laten lopen zonder dat beide luchtfilters zijn gemonteerd, omdat anders de motor schade kan oplopen. 1. Als u nieuwe filters monteert, moet u elk filter controleren op transportschade.
Motorolie aftappen 2. Verwijder de dop en de peilstok van de vulbuis (Fig. 41 en 43). 1. Start de motor en laat deze vijf minuten lopen. Warme olie kan beter worden afgetapt. 1 2. Parkeer de machine op een horizontaal oppervlak. 3. Schakel de aftakas uit, zet de schakelhendels in de vergrendelde neutraalstand en stel de parkeerrem in werking. 4. Zet de motor af, verwijder het contactsleuteltje en wacht totdat alle bewegende onderdelen tot stilstand zijn gekomen alvorens de bestuurderspositie te verlaten.
Motoroliefilter vervangen Oliepeil van de motor controleren Onderhoudsinterval/Specificatie Opmerking: Controleer het oliepeil als de motor koud is. Vervang het oliefilter na de eerste 50 bedrijfsuren en daarna om de 300 bedrijfsuren. 1. Schakel de aftakas uit, zet de schakelhendels in de vergrendelde neutraalstand en stel de parkeerrem in werking. 1. Tap de motorolie af; zie Motorolie aftappen, blz. 38. 2.
Onderhoud van het koelsysteem 3. Als de motor is afgekoeld, controleert u het peil van de overloopfles. De vloeistof moet tot aan de verdikking op de buitenkant van de overloopfles staan (Fig. 47). Gevaar 4. Als het peil van de koelvloeistof te laag is, moet u de overloopfles bijvullen met een mengsel dat half uit antivries/Dex-Cool en half uit water bestaat (Fig. 47).
7. Controleer de afdichtingen op de motorkap en vervang ze indien dat nodig is. Brandstoffilter vervangen 8. Sluit de motorkap en kantel de stoel terug. Vervang het brandstoffilter om de 800 bedrijfsuren of jaarlijks, waarbij de kortste periode moet worden aangehouden. Motorkoelvloeistof verversen Na verwijdering mag u nooit een vuil filter opnieuw aan de brandstofslang monteren. U moet de motorkoelvloeistof om de 4 jaar of 4000 uur verversen, waarbij de kortste periode moet worden aangehouden. 1.
Brandstofsysteem gebruiksklaar maken 3. Zet een smeerpistool op de nippel. Spuit vet in de nippels totdat er nieuw vet bij de lagers naar buiten komt. De voorpomp wordt bediend met de goudkleurige metalen knop op het brandstoffilter (Fig. 49). 4. Overtollig vet wegvegen. Om het brandstofsysteem te ontluchten, drukt u op de knop van de voorpomp totdat de weerstand krachtig wordt. Dit wordt merkbaar nadat u ongeveer 10–15 keer op de knop hebt gedrukt.
Assen smeren 7. Smeer de arm van de spanpoelie van de koelventilator (Fig. 52). Het maaidek moet wekelijks of om de 25 bedrijfsuren worden gesmeerd. Gebruik Nr. 2 vet op lithium- of molybdeenbasis voor algemene doeleinden. 8. Smeer de armen van de spanpoelie van de drijfriem (Fig. 52). Belangrijk Controleer elke week of de assen van het maaidek overvloedig zijn gesmeerd. 1. Schakel de aftakas uit, zet de schakelhendels in de vergrendelde neutraalstand en stel de parkeerrem in werking. 2.
Bandenspanning controleren 1. Plaats de machine op een horizontaal vlak en stel de parkeerrem in werking. Zorg ervoor dat de voor- en achterbanden de voorgeschreven spanning hebben. Een ongelijke bandenspanning kan leiden tot onregelmatige maairesultaten. Controleer de spanning bij het ventiel om de 50 bedrijfsuren of maandelijks, waarbij de kortste periode moet worden aangehouden (Fig. 54). De bandenspanning kan het best bij koude banden worden gecontroleerd. 2.
Waarschuwing Hydraulische vloeistof die onder druk ontsnapt, kan door de huid heen dringen en letsel veroorzaken. 1 • Hydraulische vloeistof die per ongeluk in de huid is geïnjecteerd, moet binnen enkele uren operatief worden verwijderd door een arts die bekend is met dit type verwondingen. Anders kan gangreen ontstaan. • Houd lichaam en handen uit de buurt van kleine lekgaten of spuitmonden waaruit onder hoge druk hydraulische vloeistof ontsnapt.
Hydraulische filter van koelventilator vervangen Hydraulische leidingen controleren Om de 100 bedrijfsuren moet u de hydraulische leidingen en slangen controleren op lekkages, losgeraakte aansluitingen, kinken, loszittende steunen, slijtage, beschadigingen als gevolg van weersinvloeden en de inwerking van chemicaliën. Voer alle noodzakelijke reparaties uit voordat u de machine weer in gebruik neemt.
Neutraalstand van hendel afstellen 8. Als de schakelhendel moet worden afgesteld, draait u de moer en de contramoer tegen de gaffel (Fig. 60). 9. Oefen een lichte achterwaartse druk uit op de schakelhendel, draai de kop van de stelbout in de juiste richting totdat de hendel in de vergrendelde neutraalstand is gecentreerd (Fig. 59). Als de schakelhendels niet in één lijn staan of gemakkelijk in de gleuf van het bedieningspaneel glijden, moeten zij worden afgesteld.
Neutraalstand van hydraulische pomp afstellen 3. Beweeg de schakelhendel naar voren en naar achteren en zet deze vervolgens in de neutraalstand. Het wiel moet ophouden met draaien of iets achteruit kruipen. Opmerking: Stel eerst de neutraalstand van de hendel af. Deze moet correct zijn voordat de volgende afstelling kan plaatsvinden. 4. Zet de gashendel op Snel. Het wiel moet stil blijven staan of iets achteruit kruipen. Indien nodig opnieuw afstellen.
10. Haal de kriksteunen weg. 2 6 1 5 6 2 4 5 3 4 1 m–6280 Figuur 62 1. Pompstang 2. Draai in deze richting als de machine naar rechts trekt. 3 m–7511 Figuur 61 1. Dubbele moeren 2. Pompstang 3. Stelbout 3. Sporingsknop 4. Draai in deze richting als de machine naar links trekt. Lager van draaipunt van zwenkwiel afstellen 4. Gaffel 5. Borgmoer 6. Kogelverbinding U moet dit lager om de 500 bedrijfsuren of bij stalling controleren, waarbij de kortste periode moet worden aangehouden.
Gleufmoer van wielnaaf controleren 3. Zet de motor af, verwijder het contactsleuteltje en wacht totdat alle bewegende onderdelen tot stilstand zijn gekomen alvorens de bestuurderspositie te verlaten. Controleer de gleufmoer om de 500 bedrijfsuren. 4. Zet de motor af, verwijder het contactsleuteltje en wacht totdat alle bewegende onderdelen tot stilstand zijn gekomen alvorens de bestuurderspositie te verlaten. De gleufmoer moet worden aangedraaid met een torsie van 170 Nm. 1.
Schuinstand van het maaidek instellen 1. Zet het rechter maaimes in de schuinstand (Fig. 69). 2. Meet bij punt A (Fig. 69) de afstand tussen een horizontaal oppervlak en de snijrand van het maaimes (Fig. 70). m–2539 AFSTAND TUSSEN SNIJRAND EN HORIZONTAAL OPPERVLAK METEN 3. Noteer deze afstand. Figuur 66 4. Meet bij punt B (Fig. 69) de afstand tussen een horizontaal oppervlak en de snijrand van het maaimes (Fig. 70). 7.
Drukveer afstellen Waarschuwing 1. Zet de hefhendel van het maaidek omhoog in de transportstand (Fig. 16). De machine kan op iemand neervallen en ernstig lichamelijk letsel of de dood veroorzaken. 2. Controleer de afstand tussen de twee grote ringen; deze moet 29,2 cm bedragen (Fig. 71). • Ga zeer voorzichtig te werk als de machine op de Z Stand is geplaatst. • Gebruik de Z Stand uitsluitend om het maaidek te reinigen en messen te verwijderen. • Plaats de machine nooit lange tijd op de Z Stand.
8. Trek aan de veerbelaste arm van de spanpoelie om de riem te ontspannen en plaats de drijfriem van het maaidek in één lijn met de spanpoelie (Fig. 72). 1. Schakel de aftakas uit, zet de schakelhendels in de vergrendelde neutraalstand en stel de parkeerrem in werking. 9. Monteer de drijfriemkappen en vergrendel deze (Fig. 73). 2. Zet de motor af, verwijder het contactsleuteltje en wacht totdat alle bewegende onderdelen tot stilstand zijn gekomen alvorens de bestuurderspositie te verlaten. 2 1 3.
4. Trek de veerbelaste spanpoelie naar beneden en lijn deze uit onder de tractieriem. Haal de druk van de veerbelaste spanpoelie (Fig. 78). 7. Om de riemspanning af te stellen, moet u de riem ontspannen, de afstelbare poelie loszetten en beide weer vastzetten met de juiste spanning (Fig. 76 en 77). 2 1 2 m–7512 Figuur 78 1 1. Veerbelaste spanpoelie m–7416 2. Aandrijfriem van pomp Figuur 76 1. Afstelbare poelie, links 2.
Riem van wisselstroomdynamo spannen Riem van wisselstroomdynamo vervangen en spannen 1. Plaats een staaf tussen de wisselstroomdynamo en het motorblok (Fig. 80). Controleer de riem van de wisselstroomdynamo om de 50 bedrijfsuren op slijtage. 2. Beweeg de wisselstroomdynamo naar buiten totdat de riem tussen de motor en de wisselstroomdynamo een speling van 10–13 mm heeft (Fig. 80). Riem van wisselstroomdynamo vervangen 3. Draai de bouten van de wisselstroomdynamo vast. 4.
Parkeerrem afstellen 1 Controleer of de parkeerrem goed is afgesteld. 1. Stel de remhendel buiten werking (hendel omlaag). 2. Meet de lengte van de veer. De lengte tussen de ringen moet 70 mm zijn (Fig. 81). 2 3. Als de lengte moet worden afgesteld, draait u de contramoer onder de veer los en draait u de moer direct onder de gaffel aan (Fig. 81). Draai de moer totdat de lengte correct is. Draai de twee moeren samen vast en herhaal deze procedure aan de andere kant van de machine. 8 3 8 5 4 4.
Onderhoud van de zekeringen Accu monteren De elektrische installatie is beveiligd door middel van zekeringen. Deze behoeven geen onderhoud. Als er een zekering is doorgebrand, moet u echter het onderdeel of circuit controleren op defecten of kortsluiting. 1. Plaats de accu in de machine. 2. Bevestig de pluskabel (rood) aan de pluspool (+) van de accu. Zet de kabel vast. 3. Bevestig vervolgens de minkabel en de aardingskabel aan de minpool (–) van de accu. Zet de kabel vast.
Accu verwijderen Accu opladen Waarschuwing Waarschuwing Accupolen of metalen gereedschappen kunnen kortsluiting maken met metalen onderdelen van de machine, waardoor vonken kunnen ontstaan. Hierdoor kunnen accugassen tot ontploffing komen, die lichamelijk letsel kunnen veroorzaken. Bij het opladen produceert de accu gassen die tot ontploffing kunnen komen. Rook nooit in de buurt van de accu en zorg ervoor dat er geen vonken of vlammen vlakbij de accu komen.
Grasgeleider vervangen Afvalverwijdering Motorolie, hydraulische vloeistof en motorkoelvloeistof verontreinigen het milieu. Verwijder deze stoffen overeenkomstig de plaatselijke voorschriften. Waarschuwing Als een afvoeropening niet is afgesloten, kan het maaidek voorwerpen in de richting van de bestuurder of omstanders werpen. Dit kan ernstig letsel veroorzaken. Daarnaast kunt u ook in contact komen met het mes.
Elektrisch schema 60
Reiniging en stalling 11. Wanneer de machine langer dan 30 dagen niet wordt gebruikt, moet deze worden voorbereid op stalling. De machine wordt als volgt voorbereid op stalling: 1. Schakel de aftakas uit, stel de parkeerrem in werking en draai het contactsleuteltje op Uit. Verwijder het contactsleuteltje. A. Voeg een stabilizer/conditioner op aardoliebasis toe aan de brandstof in de tank. Volg de mengvoorschriften van de fabrikant van de stabilizer op.
Storingen, oorzaak en remedie Probleem Startmotor draait niet. Mogelijke oorzaken Remedie 1. De aftakas is ingeschakeld. 1. Aftakas uitschakelen. 2. Parkeerrem niet in werking gesteld. 2. Stel de parkeerrem in werking. 3. Bestuurder zit niet op de stoel. 3. Plaats nemen op de bestuurdersstoel. 4. Accu is leeg. 4. Accu opladen. Motor start niet,, start moeilijk j of blijft niet i t llopen. Motor levert te weinig g vermogen. g Motor raakt oververhit. 5.
Probleem Machine rijdt niet. Abnormale trillingen. Onregelmatige g g maaihoogte. g Mogelijke oorzaken 1. Tractieriem versleten, los of gebroken. 1. Neem contact op met een erkende Service Dealer. 2. Tractieriem van poelie af. 2. Neem contact op met een erkende Service Dealer. 3. Peil van hydraulische vloeistof te laag. 3. Reservoir bijvullen met hydraulische vloeistof. 1. Maaimes(sen) verbogen of niet in balans. 1. Nieuw(e) maaimes(sen) monteren. 2. Mesbout zit los. 2. Mesbout aandraaien. 3.