Form No. 3350–921 Z557 Z Master met 152 cm TURBO FORCE maaidek met zijafvoer Modelnr. 74246TE – 240000001 & hoger Gebruikershandleiding Registreer uw product op www.Toro.
Dit vonkontstekingssysteem is in overeenstemming met de Canadese ICES-002. Positie van afvoerplaat instellen . . . . . . . . . . . . . Bestuurdersstoel instellen . . . . . . . . . . . . . . . . . . Bestuurdersstoel ontgrendelen . . . . . . . . . . . . . . . Machine met de hand duwen . . . . . . . . . . . . . . . . Zijafvoer gebruiken . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . Transport van de machine . . . . . . . . . . . . . . . . . . Machines inladen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
Inleiding Er worden in deze handleiding nog twee woorden gebruikt om u op belangrijke informatie te wijzen. Belangrijk attendeert u op bijzondere technische informatie en Opmerking: duidt algemene informatie aan die uw bijzondere aandacht verdient. Lees deze handleiding zorgvuldig, zodat u weet hoe u de machine op de juiste wijze kunt gebruiken en onderhouden. De informatie in deze handleiding kan u en anderen helpen letsel en schade te voorkomen.
• Het is niet toegestaan passagiers te vervoeren. • Vervang geluiddempers die gebreken vertonen. • Elke bestuurder moet ervoor zorgen dat hij of zij professionele en praktische instructie krijgt. Bij een dergelijke instructie moet de nadruk liggen op: • Controleer de messen, bevestigingsbouten en het maaimechanisme altijd op sporen van slijtage of beschadiging voor het gebruik. Vervang versleten of beschadigde messen en bouten altijd als complete set om een goede balans te behouden.
• Laat de motor afkoelen voordat u de maaimachine in een afgesloten ruimte stalt. • Bij gebruik van werktuigen nooit de afvoeropening naar omstanders toe richten of personen in de buurt van de in werking zijnde machine laten komen. • Houd de motor, geluiddemper, accubehuizing en de brandstofopslagplaats vrij van overtollig vet, gras en bladeren om brandgevaar te verminderen. • Gebruik de machine nooit als schermen, schilden of andere beveiligingsmiddelen zijn beschadigd of ontbreken.
Werken op hellingen Geluidsdruk • Maai nooit op een helling van meer dan 15 graden. Deze machine oefent een geluidsdruk van 90 dBA uit op het gehoor van de bestuurder, gebaseerd op metingen bij identieke machines volgens procedures zoals vastgelegd in Richtlijn 98/37/EG. • Maai niet in de buurt van steile hellingen, greppels, steil aflopende oevers of water.
Hellingsdiagram BRENG DEZE RAND IN LIJN MET EEN VERTICAAL OPPERVLAK (BOOM, GEBOUW, PAAL, ENZ.) LANGS DE DAARTOE BESTEMDE LIJN VOUWEN VOORBEELD: VERGELIJK HELLING MET OMGEVOUWEN RAND.
Veiligheids- en instructiestickers Veiligheidsstickers en veiligheidsinstructies zijn gemakkelijk zichtbaar voor de gebruiker en bevinden zich bij plaatsen waar gevaar kan ontstaan. Vervang alle beschadigde of verdwenen stickers. 1-643339 99-8939 1. Lees de Gebruikershandleiding. 2. Maaihoogte 3. Verwijder het sleuteltje uit het contact en lees de instructies alvorens service- of onderhoudswerkzaamheden uit te voeren. 54-9220 98-1977 1.
93-7828 1. Maaimachine kan voorwerpen uitwerpen – Gebruik de machine niet als de grasgeleider omhoog geklapt of verwijderd is; zorg ervoor dat de grasgeleider op zijn plaats zit. 2. Handen of voeten kunnen worden gesneden/geamputeerd, maaimes – Blijf uit de buurt van bewegende onderdelen. 93-7010 1. De machine kan voorwerpen uitwerpen – Blijf op veilige afstand. 2. Machine kan voorwerpen uitwerpen – Zorg ervoor dat de grasgeleider op zijn plaats zit. 3.
107-1866 1. Kans op slippen, omkiepen en verlies van controle over de machine, steile hellingen – Gebruik de machine niet in de buurt van steile hellingen, hellingen van meer dan 15 graden, of water; blijf op een veilige afstand van steile hellingen; maak geen scherpe bocht als u met hoge snelheid rijdt, maar verminder uw vaart en ga langzaam de bocht in; als de rolbeugel omhoog is geklapt, moet u de veiligheidsgordel omdoen; als de rolbeugel omlaag is geklapt, mag u de veiligheidsgordel niet omdoen.
107-2131 1. Peil hydraulische vloeistof 2. Waarschuwing – Raak het hete oppervlak niet aan. 107-3962 1. Maaihoogte in millimeters 107-3961 1. Maaihoogte in millimeters 107-3965 1. 2. 3. 4. 12 Motor – Afzetten Motor – Lopen Motor – Starten Aftakas 5. Snel 6. Continu snelheidsregeling 7.
107-3982 1. Plaats Gebruikershandleiding 107-3968 1. Uitschakelen 2. Inschakelen 3. Parkeerrem 107-3969 1. Waarschuwing – Lees de Gebruikershandleiding. 2. Ledematen kunnen bekneld raken, maaimachine – stel de parkeerrem in werking, zet de motor af en verwijder het sleuteltje uit het contact voordat u werkzaamheden onder de maaimachine gaat verrichten. 107-3984 1. Lees de instructies alvorens service- of onderhoudswerkzaamheden uit te voeren. 2. Smeer de machine om de 25 bedrijfsuren. 3.
107-3996 1. Motor 2. Maaimes 107-3993 1. Kort, dun gras en droge omstandigheden 2. Maaisel opvangen 3. Lang, dik gras en vochtige omstandigheden 1. Handen of voeten kunnen worden gesneden/geamputeerd, maaimes – Neem geen passagiers mee en houd omstanders op een afstand. 2. Handen of voeten kunnen worden gesneden/geamputeerd, maaimes – Verwijder het contactsleuteltje en lees de instructies alvorens service- of onderhoudswerkzaamheden uit te voeren; blijf uit de buurt van bewegende onderdelen.
107-3964 1. Waarschuwing – Gebruik geen drugs of alcohol. 2. Waarschuwing – Lees de Gebruikershandleiding en zorg ervoor dat u instructie in het gebruik krijgt. 3. Waarschuwing – Stel de parkeerrem in werking, zet de motor af en verwijder het sleuteltje uit het contact alvorens de machine te verlaten. 4. Waarschuwing – Draag gehoorbescherming. 5. Lees de Gebruikershandleiding. 107-3967 1. 2. 3. 4. 5. Snel Langzaam Neutraalstand Achteruit Waarschuwing – Lees de Gebruikershandleiding. 6.
Benzine en olie Gevaar In bepaalde omstandigheden is benzine uiterst ontvlambaar en zeer explosief. Brand of explosie van benzine kan brandwonden bij u of anderen en materiële schade veroorzaken. Aanbevolen benzine Gebruik normale LOODVRIJE benzine voor automobielen (octaangetal minimaal 85). Gelode normale benzine kan worden gebruikt als loodvrije benzine niet verkrijgbaar is. • Vul de brandstoftank in de open lucht wanneer de motor koud is. Eventueel gemorste benzine opnemen.
Motoroliepeil controleren Waarschuwing Voordat u de motor start en de machine in gebruik neemt, moet u het oliepeil in het carter van de motor controleren; zie Motoroliepeil controleren, blz. 36. Benzine is schadelijk of dodelijk bij inname. Langdurige blootstelling aan dampen kan leiden tot ernstig letsel en ziekte. • Voorkom dat u dampen lange tijd inademt. • Houd uw gezicht uit de buurt van een vulpijp en de opening van een tank of een blik met conditioner.
Gebruiksaanwijzing 4. Plaats de twee pennen en zet deze vast met de R-pennen (Fig. 3). Opmerking: Bepaal vanuit de normale bedieningspositie de linker- en rechterzijde van de machine. 2 De omkiepbeveiliging gebruiken (ROPS, Rollover Protection System) 1 m–6836 Waarschuwing Figuur 2 1. Volledig omlaag geklapt Om lichamelijk of dodelijk letsel te voorkomen als de machine omkiept: houd de rolbeugel in de omhoog geklapte en vergrendelde positie en doe de veiligheidsgordel om. 2.
2 7. Klem de voorste handgrepen tegen de uiteinden midden op de rolbeugel (Fig. 3). 1 1 m–6897 Figuur 4 3 1. Voorste handgreep m–6478 Veiligheid staat voorop Figuur 5 Lees alle veiligheidsinstructies in het hoofdstuk Veilige bediening. Met behulp van deze informatie kunt u voorkomen dat omstanders of uzelf letsel oplopen. 1. Veilige zone – gebruik de Z Master op hellingen van minder dan 15 graden of op vlak terrein. 2.
Bedieningsorganen Ontgrendel de stoel en til deze omhoog om op de urenteller te kijken (Fig. 8). Zorg dat u vertrouwd bent met alle bedieningsorganen (Fig. 7 en 8) voordat u de motor start en de machine in gebruik neemt. Parkeerrem gebruiken Stel de parkeerrem altijd in werking wanneer u de machine stopt of deze onbeheerd achterlaat. 8 7 6 Parkeerrem in werking stellen 1 1. Zet de schakelhendels (Fig. 7) in de neutraalstand. 4 3 2.
Starten en stoppen van de motor 1 1 2 Motor starten 3 1. Neem plaats op de bestuurdersstoel en zet de schakelhendels in de neutraalstand. 2 2. Stel de parkeerrem in werking; zie Parkeerrem in werking stellen, blz. 20. M–4268 m–2720 3. Zet de aftakas schakelaar op Uit (Fig. 10). Figuur 12 4. Zet de choke op Aan voordat u een koude motor start. Figuur 13 1. Gashendel – Snel 2. Gashendel – Langzaam Opmerking: Als de motor warm of heet is, hoeft u de choke niet te gebruiken.
Bediening van de aftakas Werking van het veiligheidssysteem Met de aftakas schakelt u de aandrijving naar de elektrische koppeling aan of uit. Het veiligheidssysteem is bedoeld om starten van de motor alleen mogelijk te maken wanneer: • De bestuurder op de stoel zit; Aftakas inschakelen • De parkeerrem in werking is gesteld. 1. Neem plaats op de bestuurdersstoel en zet de schakelhendels van de tractie in de neutraalstand. • De aftakas is uitgeschakeld. • De schakelhendels in de neutraalstand staan.
Vooruit- en achteruitrijden Met de gashendel regelt u de snelheid van de motor, oftewel het toerental (in omwentelingen per minuut). Zet de gashendel op Snel om de beste prestaties te verkrijgen. Laat de motor tijdens het maaien altijd vol gas draaien. 2 3 1 4 Voorzichtig m–2715 De machine kan zeer snel ronddraaien. De bestuurder kan de controle over de machine verliezen. Dit kan leiden tot lichamelijk letsel en schade aan de machine. Figuur 15 1. Schakelhendel-Neutraalstand 2.
De maaihoogte instellen Antiscalpeerrollers afstellen De maaihoogte kan worden ingesteld van 38 tot 127 mm in stappen van 6 mm door de gaffelpen in verschillende openingen te plaatsen. Als u de maaihoogte wijzigt, verdient het de aanbeveling de hoogte van de antiscalpeerrollers in te stellen. 1. Schakel de aftakas uit en draai het contactsleuteltje op Uit. Zet de hendels in de vergrendelde neutraalstand en stel de parkeerrem in werking. Verwijder het contactsleuteltje. 1.
1 1 3 4 2 3 m–6823 Figuur 21 4 1 2 1. Sluitnok 2. Hendel m–6845 Figuur 19 1. Antiscalpeerroller 2. Lagerbus 3. Draai aan de nok om de sluitdruk te verhogen of te verminderen 4. Sleuf 3. Flensmoer 4. Bout Positie van afvoerplaat instellen De volgende figuren zijn uitsluitend bedoeld als aanbeveling voor gebruik. De instelling is afhankelijk van het soort gras, het vochtgehalte en de hoogte van het gras.
Positie B Bestuurdersstoel instellen Zet de plaat in deze positie als u het maaisel opvangt. U kunt de stoel naar voren en naar achteren verschuiven. De positie van de stoel moet zo zijn dat u de machine het best kunt bedienen en dat u comfortabel zit. Middelste positie 1. Om de bestuurdersstoel in te stellen, moet u de instelhendel zijwaarts bewegen. Hiermee ontgrendelt u de stoel (Fig. 25). 2. Verschuif de stoel in de gewenste positie en laat de hendel los om de stoel te vergrendelen in zijn positie.
Machine met de hand duwen Zijafvoer gebruiken Belangrijk U moet de machine altijd met de hand duwen. Slepen van de machine kan schade aan het hydraulische systeem veroorzaken. Het maaidek is uitgerust met een scharnierende grasgeleider, die het maaisel zijwaarts en omlaag naar het gazon afvoert. Gevaar De machine duwen 1. Schakel de aftakas uit en draai het contactsleuteltje op Uit. Zet de hendels in de vergrendelde neutraalstand en stel de parkeerrem in werking. Verwijder het contactsleuteltje.
Machines inladen Waarschuwing Ga zeer voorzichtig te werk als u een maaimachine op een aanhanger of een vrachtwagen laadt. Wij adviseren u gebruik te maken van een hellingbaan die de volle breedte van de machine beslaat en zo breed is dat deze uitsteekt voorbij de achterwielen in plaats van afzonderlijke oprijplaten voor elke kant van de maaimachine (Fig. 28). Het lagere achterdeel van het frame steekt tussen de achterwielen naar achteren uit en moet voorkomen dat de machine achterover kiept.
Gebruik van de Z Stand De Z Stand wordt gebruikt om de voorkant van de machine omhoog te zetten. Dit maakt het mogelijk het maaidek te reinigen en bladeren te verwijderen. 1 3 2 Waarschuwing m–5600 De machine kan op iemand neervallen en ernstig lichamelijk of de dood veroorzaken. Figuur 30 • Ga zeer voorzichtig te werk als de machine op de Z Stand is geplaatst. • Gebruik de Z Stand uitsluitend om het maaidek te reinigen en messen te verwijderen. • Plaats de machine nooit lange tijd op de Z Stand.
De machine van de Z Stand afrijden 1/3 van de lengte van het gras afmaaien 1. Verwijder de blokjes. Aanbevolen wordt niet meer dan ongeveer 1/3 van de lengte van het gras af te maaien. Meer afmaaien wordt afgeraden, tenzij het gras dun is, of in de late herfst, wanneer het gras langzamer groeit. 2. Zet de vergrendeling omhoog in de ontgrendelde stand (Fig. 31). 3. Start de motor en laat deze op halfgas lopen. Zet de parkeerrem vrij. Maairichting 4. Rij langzaam achterwaarts van de Z Stand af.
Onderkant van het maaidek schoonhouden Verwijder na elk gebruik maaisel en vuil van de onderkant van het maaidek. Als zich gras en vuil in het maaidek verzamelt, leidt dat uiteindelijk tot een onbevredigend maairesultaat. Onderhoud van maaimessen Zorg gedurende het hele maaiseizoen voor een scherp maaimes. Een scherp mes snijdt het gras goed af zonder het te scheuren of te kwetsen. Door scheuren en kwetsen wordt het gras bruin aan de randen, waardoor het langzamer groeit en gevoeliger is voor ziekten.
Onderhoud Aanbevolen onderhoudsschema Onderhoudsinterval Onderhoudsprocedure Na de eerste 5 bedrijfsuren • Hydraulische vloeistof – peil controleren • Hydraulisch filter – vervangen Voor elk gebruik • • • • Oliepeil – controleren Veiligheidssysteem – controleren Maaikast – reinigen Luchtinlaat van motor – reinigen1 Om de 8 bedrijfsuren • Maaimessen – controleren Om de 25 bedrijfsuren • • • • • • • • Om de 50 bedrijfsuren • Drijfriemen – Riemspanning afstellen • Drijfriemen – controleren op slijt
Voorzichtig Als u het sleuteltje in het contact laat, bestaat de kans dat iemand de motor per ongeluk start waardoor u of andere omstanders ernstig letsel kunnen oplopen. Haal het sleuteltje uit het contact en maak de bougiekabel los voordat u onderhoudswerkzaamheden uitvoert aan de machine. Druk de kabel opzij, zodat deze niet onbedoeld contact kan maken met de bougie. De messen controleren Onderhoud van de maaimessen 1. Controleer de snijranden (Fig.32).
Controle op kromme messen Gebruik ter vervanging nooit messen van andere fabrikanten omdat dit in strijd kan zijn met de veiligheidsnormen. 1. Draai de messen totdat de uiteinden naar voren en naar achteren wijzen (Fig. 33). Meet de afstand tussen een horizontaal oppervlak en de snijrand, positie A, van de messen (Fig. 34). Noteer deze afstand. Waarschuwing Vóór Contact met een scherp mes kan ernstig letsel veroorzaken. A Draag handschoenen of wikkel een lap om de scherpe kanten van het mes.
De maaimessen monteren Belangrijk Probeer nooit een veiligheidsfilter te reinigen. Als het veiligheidsfilter vuil is, betekent dit dat het voorfilter is beschadigd, en moet u beide filters vervangen. 1. Monteer het mes op de spilas (Fig. 37). Belangrijk Het gebogen deel van het mes moet naar de binnenzijde van de maaikast wijzen om een goede maaikwaliteit te garanderen. 7.
3. Schuif het voorfilter voorzichtig op het veiligheidsfilter (Fig. 38). Zorg ervoor dat het voorfilter volledig vastzit door de buitenring van het filter tijdens de montage aan te drukken. 5. Schuif de peilstok helemaal in de vulbuis. Trek de peilstok eruit en bekijk het metalen deel (Fig. 39). Als het oliepeil te laag is, moet u langzaam net genoeg olie in de vulbuis gieten tot het peil de Vol-markering bereikt. Belangrijk Druk niet op het zachte midden van het filter.
Onderhoud van de bougie 5. Giet ca. 80% van de gespecificeerde hoeveelheid olie langzaam in de vulbuis (Fig. 39). Zie Motoroliepeil controleren, blz. 36. 7. Giet langzaam olie bij totdat het oliepeil de Volmarkering bereikt. Controleer de bougie(s) om de 200 bedrijfsuren. Controleer of de elektrodenafstand correct is voordat u de bougie monteert. Gebruik een bougiesleutel voor het (de)monteren van de bougie(s) en een voelermaat voor het meten en afstellen van de elektrodenafstand.
Bougie controleren Onderhoud van het brandstoffilter 1. Bekijk het midden van de bougie(s) (Fig. 43). Als de isolator lichtbruin of grijs is, werkt de motor naar behoren. Een zwarte laag op de isolator duidt meestal op een vuil luchtfilter. Vervang het brandstoffilter om de 200 bedrijfsuren of jaarlijks, waarbij de kortste periode moet worden aangehouden. Belangrijk Bougie(s) nooit schoonmaken.
Onderhoud van de brandstoftank Smeren Smeer de machine volgens het tijdschema op de instructiesticker CONTROLE EN ONDERHOUD (Fig. 46). De machine moet vaker worden gesmeerd bij gebruik in zeer stoffige of zanderige omstandigheden. Benzine aftappen uit de brandstoftank Gevaar Type vet: Universeel smeervet. In bepaalde omstandigheden is benzine uiterst ontvlambaar en zeer explosief. Brand of explosie van benzine kan brandwonden bij u of anderen en materiële schade veroorzaken. Methode van smeren 1.
Smeerpunten Assen smeren Pomp vet in de smeernippels volgens het tijdschema op de instructiesticker CONTROLE EN ONDERHOUD (Fig. 46). Het maaidek moet wekelijks of om de 25 bedrijfsuren worden gesmeerd. Zie Onderhoudsschema, blz. 32. Gebruik Nr. 2 vet op lithium- of molybdeenbasis voor algemene doeleinden. Belangrijk Controleer elke week of de assen van het maaidek overvloedig zijn gesmeerd. 1. Schakel de aftakas uit, zet de schakelhendels in de vergrendelde neutraalstand en stel de parkeerrem in werking.
De koelsystemen reinigen Bandenspanning controleren Motorscherm en oliekoeler reinigen Zorg ervoor dat de voor- en achterbanden de voorgeschreven spanning hebben. Een ongelijke bandenspanning kan leiden tot onregelmatige maairesultaten. Controleer de spanning bij het ventiel om de 50 bedrijfsuren of maandelijks, waarbij de kortste periode moet worden aangehouden (Fig. 50). De bandenspanning kan het best bij koude banden worden gecontroleerd.
Gleufmoer van wielnaaf controleren Lager van draaipunt van zwenkwiel afstellen Controleer de gleufmoer om de 500 bedrijfsuren. U moet dit lager om de 500 bedrijfsuren of bij stalling controleren, waarbij de kortste periode moet worden aangehouden. De gleufmoer moet worden aangedraaid met een torsie van 170 Nm. 1. Schakel de aftakas uit, zet de schakelhendels in de vergrendelde neutraalstand en stel de parkeerrem in werking. 1.
Onderhoud van het hydraulische systeem 8. Plaats de dop op de vulbuis. 1 Hydraulische vloeistof controleren 2 Controleer het peil van de hydraulische vloeistof: • Voordat de motor voor de eerste keer wordt gestart. 4 • Na de eerste 8 bedrijfsuren. 3 • Om de 25 bedrijfsuren. Type vloeistof: Mobil 1 15W 50 synthetische motorolie of gelijkwaardige synthetische olie. m–5615 Belangrijk Gebruik de voorgeschreven vloeistof of een gelijkwaardig product.
Hydraulisch filter vervangen 9. Start de motor en laat deze ongeveer 2 minuten lopen om lucht uit het systeem te verwijderen. Zet de motor af en controleer op olielekkages. Als een of beide wielen niet willen draaien, zie Hydraulisch systeem ontluchten, blz. 44. Vervang het hydraulisch filter: • Na de eerste 8 bedrijfsuren. • Om de 200 bedrijfsuren. 10. Controleer nogmaals het peil als de vloeistof warm is. De vloeistof moet tussen koud en heet staan.
Hydraulische leidingen controleren Neutraalstand van hendel afstellen Om de 100 bedrijfsuren moet u de hydraulische leidingen en slangen controleren op lekkages, losgeraakte aansluitingen, kinken, loszittende steunen, slijtage, beschadigingen als gevolg van weersinvloeden en de inwerking van chemicaliën. Voer alle noodzakelijke reparaties uit voordat u de machine weer in gebruik neemt.
Neutraalstand hydraulische pomp afstellen 8. Als de schakelhendel moet worden afgesteld, draait u de moer en de contramoer tegen de gaffel (Fig. 57). 9. Oefen een lichte achterwaartse druk uit op de schakelhendel, draai de kop van de stelbout in de juiste richting totdat de hendel in de vergrendelde neutraalstand is gecentreerd (Fig. 56). Opmerking: Stel eerst de neutraalstand van de hendel af. Deze moet correct zijn voordat de volgende afstelling kan plaatsvinden.
Neutraalstand rechtse hydraulische pomp afstellen 3. U stelt de lengte van de pompstang af door de dubbele moeren op de stang in de juiste richting te draaien, totdat het wiel stil staat of iets kruipt in de achteruit (Fig. 57). 1. Start de motor, draai de gashendel half open en zet de parkeerrem vrij. Zie Starten en stoppen van de motor, blz. 21. 4. Beweeg de schakelhendel naar voren en naar achteren en zet deze vervolgens in de neutraalstand.
Parkeerrem afstellen 4. Als de machine naar links trekt, draait u de knop naar de rechterkant van de machine. Zie Figuur 59. Controleer of de parkeerrem goed is afgesteld. 5. Als de machine naar rechts trekt, draait u de knop naar de linkerkant van de machine. Zie Figuur 59. 1. Stel de remhendel buiten werking (hendel omlaag). 6. Stel net zo lang af totdat de sporing correct is. 2. Meet de lengte van de veer. De lengte tussen de ringen moet 70 mm zijn (Fig. 61). 3.
Onderhoud van de zekeringen Onderhoud van de accu Onderhoudsinterval/Specificatie Waarschuwing De elektrische installatie is beveiligd door middel van zekeringen. Deze behoeven geen onderhoud. Als er een zekering is doorgebrand, moet u echter het onderdeel of circuit controleren op defecten of kortsluiting. Accuklemmen, accupolen en dergelijke onderdelen bevatten lood en loodverbindingen. Van deze stoffen is bekend dat ze kanker en schade aan de voortplantingsorganen veroorzaken.
Accu monteren Accu verwijderen 1. Plaats de accu in een bak met de accupolen gericht naar de motor (Fig. 64). Waarschuwing 2. Bevestig de pluskabel (rood) aan de pluspool (+) van de accu. Accupolen of metalen gereedschappen kunnen kortsluiting maken met metalen onderdelen van de machine, waardoor vonken kunnen ontstaan. Hierdoor kunnen accugassen tot ontploffing komen, die lichamelijk letsel kunnen veroorzaken. 3. Bevestig vervolgens de minkabel en de aardingskabel aan de minpool (–) van de accu. 4.
Accu bijvullen met water 4 Opmerking: Vul de accu nooit bij met gedistilleerd water terwijl de accu nog in de machine zit. Er zou dan accuzuur op andere onderdelen kunnen komen, wat tot corrosie kan leiden. 2 3 1 U kunt de accu het best bijvullen met gedistilleerd water net voordat u de machine gaat gebruiken. Het water vermengt zich dan goed met het accuzuur. 1. Verwijder de accu uit de machine. 2. Maak de bovenkant van de accu schoon met een tissue. m–4970 Figuur 65 3.
Maaidek horizontaal stellen 1. Zet het rechter maaimes in de schuinstand (Fig. 66). 7. Als de afstanden bij punten B of C niet correct zijn, maakt u de bout los waarmee de achterste ketting is bevestigd aan de achterste steunarm (Fig. 68). 2. Meet bij punt B (Fig. 66) de afstand tussen een horizontaal oppervlak en de snijrand van het rechter maaimes (Fig. 67). 8. Maak de contramoer onder de achterste steunarm los en draai aan de stelbout totdat de afstand 79–82 mm bedraagt. 3. Noteer deze afstand.
Schuinstand van het maaidek instellen 9. Draai de contramoeren van beide wartels vast tegen de voorste wartel om de hoogte te borgen. 1. Zet het rechter maaimes in de schuinstand (Fig. 69). 10. Controleer of de spanning op de kettingen gelijk is, en stel opnieuw af indien dit nodig is. 2. Meet bij punt A (Fig. 69) de afstand tussen een horizontaal oppervlak en de snijrand van het rechter maaimes (Fig. 70). Drukveer afstellen 3. Noteer deze afstand. 1.
Onderkant van het maaidek reinigen 3. Verwijder de bouten van de drijfriemkappen (Fig. 73). Verwijder elke dag het aangekoekte gras aan de onderkant van het maaidek. 5. Draai de moer los waarmee de plaat van de spanpoelie vastzit, en beweeg de plaat om de spanning van de spanpoelie te halen. Verwijder vervolgens de versleten drijfriem (Fig. 75). 4. Verwijder de drijfriemkappen (Fig. 73). 1. Schakel de aftakas uit, zet de schakelhendels in de vergrendelde neutraalstand en stel de parkeerrem in werking.
Riemspanning afstellen 8. Draai de bouten van de plaat van de spanpoelie vast (Fig. 75). 1. Schakel de aftakas uit, zet de schakelhendels in de vergrendelde neutraalstand en stel de parkeerrem in werking. 3 4 2. Zet de motor af, verwijder het contactsleuteltje en wacht totdat alle bewegende onderdelen tot stilstand zijn gekomen alvorens de bestuurderspositie te verlaten. 3. Hef de maaimachine op in de transportstand. Belangrijk Controleer hoever de riem is gedraaid tussen de poelies.
11. Als de plaat van de spanpoelie het uiteinde van de afstelgleuf raakt en de riem strakker moet worden gespannen, kunt u de riem strakker zetten door de plaat een klein stukje te verplaatsen naar de vaste spanpoelie rechts (Fig. 77). 1 3. Monteer de bout en de moer. Plaats het J-vormige haakeind van de veer om de grasgeleider (Fig. 78). Belangrijk De grasgeleider moet omlaag in positie kunnen klappen. Til de grasgeleider omhoog om te controleren of deze volledig omlaag klapt.
Reiniging en stalling C. Zet de motor af, laat deze afkoelen, en laat de brandstoftank leeglopen; zie Onderhoud van de brandstoftank, blz. 39. 1. Schakel de aftakas uit, stel de parkeerrem in werking en draai het contactsleuteltje op Uit. Maak de bougiekabel los van de bougie. Verwijder het contactsleuteltje. D. Start de motor opnieuw en laten de motor lopen totdat deze afslaat. E. Choke de motor. Start de motor totdat hij niet meer start. 2.
BK BK BN GND PTO CLUTCH VIO (NEUTRAL) SW5 W VIO Y SHOWN WITH LEVER IN NEUTRAL POSITION SHOWN WITH LEVER IN NEUTRAL POSITION Y SHOWN IN OFF POSITION GY SW4 (NEUTRAL) SHOWN WITH PARK BRAKE DISENGAGED SW3 (BRAKE) BN SW2 (PTO) OR BK P1–B T Y SW6 (SEAT SW) SHOWN WITH OPERATOR IN SEAT K2 (START RELAY) P2–C P1–A DELAY MODULE 100–6186 P1–C PK B KEY SW S I TERMINAL VIEW FROM BACK OF SWITCH A Y X NO CONNECTION BIA AND X Y BIS GY GY BN PK PK F1 30A BK Y R R B K1 (KILL R
Storingen, oorzaak en remedie Probleem Startmotor draait niet. Mogelijke oorzaken Remedie 1. De aftakas is ingeschakeld. 1. Aftakas uitschakelen. 2. Parkeerrem niet in werking gesteld. 2. Stel de parkeerrem in werking. 3. Bestuurder zit niet op de stoel. 3. Plaats nemen op de bestuurdersstoel. 4. Accu is leeg. 4. Accu opladen. Motor start niet,, start moeilijk j of blijft niet i t llopen. Motor levert te weinig g vermogen. g Motor raakt oververhit. 5.
Probleem Machine rijdt niet. Abnormale trillingen. Onregelmatige g g maaihoogte. g Mogelijke oorzaken 1. Tractiedrijfriem versleten, los of gebroken. 1. Neem contact op met een erkende Service Dealer. 2. Tractiedrijfriem van poelie af. 2. Neem contact op met een erkende Service Dealer. 3. Peil van hydraulische vloeistof te laag. 3. Reservoir bijvullen met hydraulische vloeistof. 1. Maaimes(sen) verbogen of niet in balans. 1. Nieuw(e) maaimes(sen) monteren. 2. Mesbout zit los. 2.