Form No. 3325-957 Wheel Horse 523Dxi Tractor Modelnr.
Inleiding Dank u voor de keuze van een Toro-product. Wij bij Toro wensen dat u geheel tevreden bent met dit nieuwe product. Aarzel daarom niet contact op te nemen met uw erkende Toro-dealer voor eventuele hulp, service, originele Toro-onderdelen of andere informatie. Wanneer u contact opneemt met de Service Dealer of de fabriek, dient u de model- en serienummers van de machine altijd te vermelden.
Inhoud Biz. Veiligheid . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . Instructies voor veilige bediening- (rijdende) maaimachines met zittende bestuurder . . Veilige bediening . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . Veilige Bediening Toro Rijdende Maaimachine . . . . . . . . . . . . . . Geluidsdruk . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . Geluidsniveau . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . Trillingsniveau . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . Hellingsdiagram . . . . . . .
Veiligheid Instructies voor veilige bediening- (rijdende) maaimachines met zittende bestuurder Deze machine voldoet tenminste aan de Europese normen die van kracht zijn op het moment van productie. Onjuist gebruik of onderhoud door de gebruiker of eigenaar kan echter letsel veroorzaken.
Veiligheid Voor ingebruikname Gebruiksaanwijzing • Draag tijdens het maaien altijd stevige schoenen en een lange broek. Draag geen schoenen met open tenen en loop niet op blote voeten. • Laat de motor niet in een afgesloten ruimte lopen, omdat zich giftige koolmonoxidedampen kunnen verzamelen. • Inspecteer het terrein waarop u de maaimachine gaat gebruiken grondig en verwijder eventuele voorwerpen die door de maaimachine kunnen worden uitgeworpen. • Alleen bij daglicht of goed kunstlicht maaien.
Veiligheid • Ga zorgvuldig te werk als u lasten sleept of zware werktuigen gebruikt. • • • • • • • • 4 • Aandrijving naar werktuigen uitschakelen, motor afzetten en bougiekabel(s) losmaken of sleuteltje uit contactschakelaar nemen: Alleen goedgekeurde trekstangbevestigingspunten gebruiken. • voordat u verstoppingen losmaakt of de afvoertunnel ontstopt; Belasting beperken tot wat u veilig kunt beheersen.
Veiligheid Onderhoud en stalling • • Draai alle moeren, bouten en schroeven regelmatig strak aan, zodat de machine steeds veilig in gebruik is. Stal de machine nooit met brandstof in de tank in een gebouw waar dampen open vlammen of vonken kunnen bereiken. • Laat de motor afkoelen voordat u de maaimachine in een afgesloten ruimte stalt. • Houd de motor, geluiddemper, accubehuizing en de brandstofopslagplaats vrij van overtollig vet, gras en bladeren om brandgevaar te verminderen.
Veiligheid 6
Veiligheid Hellingsdiagram Lees alle veiligheidsinstructies op blz. 2–12. BRENG DEZE RAND IN LIJN MET EEN VERTICAAL OPPERVLAK (BOOM, GEBOUW, PAAL, ENZ.) LANGS DE DAARTOE BESTEMDE LIJN VOUWEN VOORBEELD: VERGELIJK HELLING MET OMGEVOUWEN RAND.
8
Veiligheid Veiligheids- en instructiestickers Veiligheidsstickers en veiligheidsinstructies zijn gemakkelijk zichtbaar voor de bestuurder en bevinden zich bij plaatsen waar gevaar kan ontstaan. Vervang alle beschadigde of verdwenen stickers. OP AFDEKPLAAT VAN AANDRIJFAS (Onderdeelnr. 98–1608) OP STOELBEUGEL (Onderdeelnr. 99–2986) OP STOELBEUGEL (Onderdeelnr. 99–5340) (1) OP TUNNEL VAN AANDRIJFAS (2) ONDER ZIJSCHERM (Onderdeelnr. 98–5015) OP SCHERM VAN KOELLUCHTVENTILATOR (Onderdeelnr.
Veiligheid Overzicht van veiligheidssymbolen Veiligheidsalarm Amputatiegevaar – maaimachine in achterwaartse beweging Veiligheidsalarm Blijf op veilige afstand van de maaimachine Lees de bedieningshandleiding Raadpleeg technische handleiding voor juiste onderhoudsprocedures Uitgeworpen of rondvliegende voorwerpen – gevaar voor alle lichaamsdelen Uitgeworpen of rondvliegende voorwerpen – aan zijkant gemonteerde cirkelmaaier.
Veiligheid Overzicht van veiligheidssymbolen Maaimes – instelling maaihoogte Meerijden op deze machine uitsluitend toegestaan op passagierszitplaats en als zicht van de bestuurder niet wordt belemmerd Maai–eenheid – neerlaten Vingers of handen kunnen bekneld raken – zijwaartse kracht Maaimes – basissymbool Maai–eenheid – opgeheven Terugslag of opwaartse beweging – opgeslagen energie Maaitrommel, kan voet snijden of afknellen Rotor, kan vingers of hand afsnijden Blijf op veilige afstand van sneeuwru
Veiligheid Overzicht van veiligheidssymbolen Snel Brandstof Langzaam Brandstofpeil Afname/toename Aan/Lopen Uit/Stop Leeg Vol Motor Ladingstoestand van de accu Motor starten Koplampen – ongedimd/groot licht Motor afzetten Remsysteem Choke Parkeerrem Motortemperatuur Koppeling Aftakas Motoroliedruk Inschakelen Motoroliepeil Uitschakelen “Key Choice” schakelaar Ontgrendelen Vergrendelen 12
Controle voor gebruik Telkens voordat u de tractor gaat gebruiken, moet u de volgende zaken controleren: • Brandstofpeil • Water afkomstig uit het brandstoffilter • Motoroliepeil • Vloeistofpeil in koelsysteem en radiatorscherm • Rommel op de (3) luchtinlaatroosters • Rommel op en rond de motor 1 m–3584 Figuur 1 1.
Controle voor gebruik Motorkap sluiten 1 2 De sluiting van de motorkap bevindt zich in de linkerhoek van de grille. 1. Druk de sluiting van de motorkap naar achteren als u de motorkap neerlaat (Fig. 2). 2. Druk de motorkap naar beneden totdat de sluiting dichtklikt. m–3318 Figuur 3 1. Vergrendeling van zijpaneel 1 2 Voorzijde van tractor M-4227 Figuur 2 1. Sluiting van motorkap 2.
Controle voor gebruik Gebruik van zomerdiesel bij temperaturen boven –7° C zal bijdragen aan een langere levensduur van de onderdelen van de pomp. 3. Draai de tankdop stevig vast. Gemorste brandstof opnemen. 4. Vul de brandstoftank na elk gebruik indien dit mogelijk is. Dit beperkt de kans op condensvorming in de brandstoftank tot een minimum. BELANGRIJK: Gebruik geen kerosine of benzine in plaats van dieselbrandstof.
Controle voor gebruik Motoroliepeil controleren 1. C. Machine op een horizontaal oppervlak parkeren, aftakas uitschakelen, parkeerrem in werking stellen, werktuighefmechanisme neerlaten en contactsleuteltje op “STOP” draaien om de motor af te zetten. Contactsleuteltje verwijderen. 2. Open de motorkap. 3. Maak de omgeving van de oliepeilstok schoon (Fig. 6) zodat er geen vuil in de opening van de peilstok kan komen. Dit kan de motor beschadigen. D. Zet daarna de motor af. 7. 4.
Controle voor gebruik Het koelsysteem controleren 1 Radiatorkoelvloeistof controleren Het koelsysteem bevat een oplossing die half uit water, half uit permanente ethyleenglycol-antivries bestaat. Controleer elke dag vóór het starten van de motor het koelvloeistofpeil. GEVAAR 3 MOGELIJK GEVAAR • De koelvloeistof is heet en staat onder druk. WAT ER KAN GEBEUREN • Als hete, onder druk staande koelvloeistof naar buiten spuit, kunt u ernstige brandwonden oplopen.
Controle voor gebruik Controleren op rommel 1 BELANGRIJK: Als u de motor gebruikt met een verstopt grasscherm en/of verwijderde koelschermen, zal dit leiden tot beschadiging van de motor als gevolg van oververhitting. 1. Machine op een horizontaal oppervlak parkeren, aftakas uitschakelen, parkeerrem in werking stellen, werktuighefmechanisme neerlaten en contactsleuteltje op “STOP” draaien om de motor af te zetten. Contactsleuteltje verwijderen. 2.
Controle voor gebruik 5. Rommel kan aankoeken in de omgeving van de motor. Verwijder voor elk gebruik aangekoekte rommel met een borstel of een blazer. BELANGRIJK: Bij voorkeur vuil uitblazen (Fig. 11), in plaats van uitspoelen. Als u water gebruikt, moet u ervoor zorgen dat dit niet terecht komt op elektrische apparatuur. Veiligheidsysteem controleren Controleer altijd het veiligheidssysteem voordat u de tractor gebruikt.
Gebruiksaanwijzing Veiligheid staat voorop Parkeerrem Lees aandachtig alle veiligheidsinstructies op bladzijde 2–12. Met behulp van deze informatie kunt u letsel van uw gezinsleden, omstanders, dieren en u zelf voorkomen. Stel de parkeerrem altijd in werking wanneer u de machine stopt of deze onbeheerd achterlaat. Bedieningsorganen Zorg dat u vertrouwd bent met alle bedieningsorganen (Fig. 13) voordat u de motor start en de machine gebruikt. Parkeerrem in werking stellen 1. Trap het rempedaal (Fig.
Gebruiksaanwijzing 6. Als het indicatielampje van de gloeibougie dooft, draait u het contactsleuteltje op START. Laat het sleuteltje los zodra de motor start. 2 1 3 BELANGRIJK: Start de motor telkens niet langer dan 30 seconden om te voorkomen dat de startmotor oververhit raakt. 7. Als de motor niet direct start, zet u de gashendel op SNEL en draait u contactsleuteltje op START. 4 N.B.
Gebruiksaanwijzing Aftakas inschakelen Het veiligheidssysteem zorgt ervoor dat de motor wordt gestopt, wanneer: 1. Trap het rempedaal in om de machine te stoppen. 2. Zet de gashendel op SNEL. • U de bestuurdersstoel verlaat terwijl het rempedaal niet is ingetrapt. BELANGRIJK: Om de beste resultaten te verkrijgen, moet u altijd vol gas geven als de aftakas is ingeschakeld. • U de bestuurdersstoel verlaat terwijl de aftakas is ingeschakeld. 3.
Gebruiksaanwijzing de aftakas aangedreven werktuig in bedrijf is terwijl u achteruit rijdt. Het lampje op het bedieningspaneel blijft branden totdat de aftakas wordt uitgeschakeld of de motor wordt afgezet. 1 Veiligheidssysteem testen Controleer de werking van het veiligheidssysteem telkens voordat u de machine in gebruik neemt. Gebruik de machine niet als het veiligheidssysteem niet naar behoren werkt.
Gebruiksaanwijzing 7. Zet de parkeerrem vrij en draai de contactschakelaar op LOPEN zonder de motor te starten. Zet de aftakasschakelaar op AAN. Draai het “Key Choice” sleuteltje om en laat dit vervolgens los. Het waarschuwingslampje Werken-in-Achteruit moet nu oplichten. Zet het pedaal in de achteruit-stand. De aftakas moet ingeschakeld blijven en het aftakaslampje op het dashboard moet blijven branden. Zet de aftakasschakelaar op UIT.
Gebruiksaanwijzing Koelvloeistofemperatuurlampje Het koelvloeistoftemperatuurlampje geeft aan dat het koelsysteem van de motor oververhit is. Als dit lampje brandt, moet u de meter controleren en onderstaande aanwijzingen in acht nemen. Koelvloeistoftemperatuurmeter van de motor Deze meter geeft de temperatuur van de koelvloeistoftemperatuur in de motor aan. Als de meter in de rode zone komt, moet u de aftakas uitschakelen en de motor laten afkoelen terwijl u de motor laat doordraaien.
Gebruiksaanwijzing 5. Om langzamer te rijden, laat u het tractiepedaal opkomen en trapt u het rempedaal in. Het stuurwiel opnieuw centreren De stuurbekrachtiging zorgt er niet altijd voor dat het stuurwiel terugkeert in de centerpositie. Als dit gebeurt, zal het stuurwiel niet gecentreerd zijn als de voorwielen weer recht naar voren staan. 2 1 Dit is geen technisch probleem, maar als dit uw voertuig overkomt en u wilt het stuurwiel centreren, kunt u als volgt te werk gaan: 3 4 1.
Gebruiksaanwijzing Werktuigen opheffen 1. Start de tractor. 2. Zet de hefhendel OMHOOG om het werktuig op te heffen (Fig. 21). Hiermee wordt het werktuig opgeheven en in die positie gehouden. 1. Om de bestuurdersstoel in te stellen, moet u de instelhendel zijwaarts bewegen. Hiermee ontgrendelt u de stoel (Fig. 22). 2. Verschuif de stoel in de gewenste positie en laat de hendel los om de stoel te vergrendelen in zijn positie.
Gebruiksaanwijzing Stand van het stuurwiel instellen Gebruik cruise control Het stuurwiel kan in vier standen worden gekanteld. Zet het stuurwiel in een stand waarin u de machine het best kunt bedienen en comfortabel zit. 1. Trek de hendel om het stuur te kantelen omhoog om de vergrendeling los te zetten (Fig. 24). 2. Zet het stuurwiel in een comfortabele stand; laat daarna de hendel los om het stuurwiel vast te zetten. De cruise control regelt u met een schakelaar (Fig. 25) op het rechterspatbord.
Gebruiksaanwijzing Cruise control uitschakelen 1. 2. 3. GEVAAR Houd uw voet stil op het tractiepedaal en zet de cruise control-schakelaar (Fig. 13) op uitgeschakeld. MOGELIJK GEVAAR • Als u te snel rijdt wanneer u een bocht maakt, kan de tractor omkiepen. Hiermee ontgrendelt u het tractiepedaal. U moet nu het tractiepedaal gebruiken om vooruit te rijden. WAT ER KAN GEBEUREN • Dit kan ernstig of dodelijk letsel veroorzaken.
Onderhoud Onderhoudsschema Onderhoudswerkzaamheden Voor Om de Om de Om de Om de elk ge- Om de Om de 100 200 400 600 bruik 25 uur 50 uur uur uur uur uur Jaarlijks/ Voorbereiding voor stalling Motorolie—oliepeil controleren en inspecteren op lekkages X Motorkoelvloeistof—peil controleren X Radiatorscherm—controleren op rommel1 X X Remsysteem—controleren X X Veiligheidssysteem—controleren X X (3) Luchtinlaatschermen—reinigen1 X X Omgeving van motor—reinigen1 X X Achterkap van transaxle—r
Onderhoud Onderhoudswerkzaamheden Jaarlijks/ VoorVoor Om de Om de Om de Om de bereiding elk ge- Om de Om de 100 200 400 600 voor bruik 25 uur 50 uur uur uur uur uur stalling Transaxle—oliefilter verversen Eerste gebruik X X Stuurbekrachtigingsfilter—reinigen Eerste gebruik X X Radiator en slangen—inspecteren X X Lakbeschadigingen—bijwerken X X Brandstoffilter—vervangen X Luchtfilter—vervangen1 X Klepspeling—controleren3 X Cilinderkopbout—torsie controleren3 X Radiator—uitspoelen/koe
Onderhoud 3. Maak de klemmen los en verwijder het luchtfilterdeksel. 4. Verwijder het filterelement uit het luchtfilterhuis. Type olie: Hoogwaardige reinigingsolie met API-onderhoudsclassificatie CD of hoger voor dieselmotoren. Gebruik geen speciale additieven voor de aanbevolen olietypen. Carterinhoud: 3,3 liter Viscositeit: Zie onderstaande tabel.
Onderhoud 4. Plaats een opvangbak onder de aftapplug. Verwijder de aftapplug en laat alle olie weglopen (Fig. 27). raken, bestaat de kans dat de olie overloopt en de luchtinlaten verstopt. Hierdoor kan de motor schade oplopen. 1 m–5152 Figuur 29 1. Zorg ervoor dat er een vrije ruimte overblijft in de vulopening. 3. Sluit de motorkap, start de motor en laat deze 30 seconden stationair lopen. 4. Zet daarna de motor af . 5. Wacht 30 seconden en controleer het oliepeil.
Onderhoud 4. Voordat u het filter monteert, moet u een dun laagje verse en schone olie op de pakking van het filter smeren. Draai het oliefilter met de hand vast totdat de pakking contact maakt met het filtertussenstuk. Draai het filter nog een halve tot driekwart slag. 5. 2 Vul olie bij, zie Motorolie bijvullen, blz. 33. Motorkoelvloeistof verversen 1 m–3765 GEVAAR Figuur 30 MOGELIJK GEVAAR • De koelvloeistof is heet en staat onder druk. 1.
Onderhoud Smeren 3. Onderhoudsinterval/Specificatie Smeer de machine om de 50 bedrijfsuren of jaarlijks, waarbij de kortste periode moet worden aangehouden. De machine moet vaker worden gesmeerd bij gebruik in zeer stoffige of zanderige omstandigheden. Open het onderhoudsdeksel van de aandrijfas op de askoker van de tractor bij de bestuurdersstoel door de twee schroeven waarmee dit vastzit, los te draaien. Til het deksel vervolgens omhoog (Fig. 32). Type vet: Universeel-smeervet. Methode van smeren 1.
Onderhoud 4. Bandenspanning Spuit vet in de drie smeernippels (Fig. 33). Onderhoudsinterval/Specificatie Zorg ervoor dat de voor- en achterbanden de voorgeschreven spanning hebben. Controleer de spanning bij het ventiel om de 25 bedrijfsuren of maandelijks, waarbij de kortste periode moet worden aangehouden (Fig. 35). De bandenspanning kan het best bij koude banden worden gecontroleerd. Bandenspanning: De voor- en achterbanden moeten een spanning van 20 psi (138 kPa) hebben. m–4224 Figuur 33 5.
Onderhoud Rem 4. Draai aan de stelmoer van de rem (Fig. 37) totdat de vrije slag 51 mm bedraagt. Stel de parkeerrem altijd in werking wanneer u de machine stopt of deze onbeheerd achterlaat. Controleer voor elk gebruik de parkeerrem. Als de parkeerrem niet goed werkt, moet u deze afstellen. 1 Rem controleren 1.
Onderhoud Brandstoftank Brandstof aftappen uit de brandstoftank 3 GEVAAR 2 MOGELIJK GEVAAR • In bepaalde omstandigheden is brandstof uiterst ontvlambaar en zeer explosief. WAT ER KAN GEBEUREN • Brand of explosie van brandstof kan brandwonden bij u of anderen en materiële schade veroorzaken. GEVAARLIJKE SITUATIES VOORKOMEN • Tap de brandstof af uit de brandstoftank wanneer de motor koud is. Doe dit buiten op een open terrein. Eventueel gemorste benzine opnemen.
Onderhoud Brandstoffilter Onderhoudsinterval/Specificatie Vervang het brandstoffilter om de 200 bedrijfsuren. Brandstoffilter vervangen 1. Aftakas uitschakelen, parkeerrem in werking stellen, werktuighefmechanisme neerlaten en contactsleuteltje op “STOP” draaien om de motor af te zetten. Contactsleuteltje verwijderen. Figuur 40 1. Aftapklep van brandstoffilter 2. Brandstoffilterbus 2. Sluit de brandstofafsluitklep van de brandstoftank (Fig. 38 & 39). 3. Open de motorkap en verwijder de zijpanelen.
Onderhoud 4. Meet ter hoogte van de assen de afstand tussen de voorbanden (aan de voorkant en de achterkant van de wielen) (Fig. 41). 3. Houd beide uiteinden van de trekstang vast met èèn sleutel en draai de contramoer vast met een andere sleutel. 5. De afstand aan de voorkant moet 3 tot 6 mm kleiner zijn dan die aan de achterkant. Als het toespoor moet worden afgesteld, moet u zich houden aan de instructies in Toespoor afstellen, blz. 40.
Onderhoud 4. Maak de omgeving van de peilstok van de transmissie schoon (Fig. 44) zodat er geen vuil in de opening van de vulbuis kan komen. Dit kan de transaxle beschadigen. Transaxle-vloeistof verversen Vervang de transaxle-vloeistof na de eerste 50 bedrijfsuren en daarna om de 200 bedrijfsuren. Type vloeistof: SAE 10W–30 reinigingsolie (API-onderhoudsclassificatie SG, SH of hoger) Transaxle–inhoud: Inhoud totale systeem: 6,6 liter 1 Bijvulcapaciteit (ongeveer): 4,3 liter 1.
Onderhoud 5. Vervang het transaxle-filter; zie Transaxle-filter vervangen, blz. 42. 6. Vul de transaxle bij door de voorgeschreven hoeveelheid olie langzaam in de vulbuis te gieten (Fig. 44). 7. Start de motor, laat deze 30 seconden bij een hoog toerental stationair lopen en draai het stuurwiel enige keren om het filter en de hydraulische leidingen te vullen. Zet daarna de motor af. 8. Controleer het vloeistofpeil; zie Transaxlevloeistof controleren, blz. 40.
Onderhoud Gloeilamp monteren Koplampen Specificatie: Gloeilamp nr. 1156, type voor automobielen. 1. Gloeilamp verwijderen 1. Aan de zijkant van de lampvoet zitten metalen pennen. Houd de pennen voor de sleuven in de lamphouder en steek de lampvoet in de houder (Fig. 50). De lamp in de houder drukken en rechtsom draaien tot aanslag. Aftakas uitschakelen, parkeerrem in werking stellen, werktuighefmechanisme neerlaten en contactsleuteltje op “STOP” draaien om de motor af te zetten.
Onderhoud 4. Zuurpeil controleren Trek de gloeilamp uit de houder. 1. Parkeer de machine op een horizontaal oppervlak. Aftakas uitschakelen, parkeerrem in werking stellen, werktuighefmechanisme neerlaten en contactsleuteltje op “STOP” draaien om de motor af te zetten. Contactsleuteltje verwijderen. 2. Open de motorkap. 3 3 1 2 m–3321 VOORZICHTIG Figuur 51 1. Lens 2. Schroeven MOGELIJK GEVAAR • De onderdelen onder de motorkap zullen heet zijn als de tractor in gebruik is geweest. 3.
Onderhoud Accu bijvullen met water BELANGRIJK: Gebruik uitsluitend gedistilleerd water. U kunt de accu het best bijvullen met gedestilleerd water net voordat u de machine gaat gebruiken. Het water vermengt zich dan goed met het accuzuur. 1. Maak de bovenkant van de accu schoon met een tissue. 2. Licht het deksel van de cellen op (Fig. 52). 3. Giet langzaam gedistilleerd water in elke accucel totdat het peil tot aan het onderste deel van de buis komt (Fig. 52).
Onderhoud Accu monteren 1. Plaats de accu in het chassis (Fig. 53). 2. Monteer de bevestigingsbeugels van de accu. Reiniging en stalling 1. Aftakas uitschakelen, parkeerrem in werking stellen en contactsleuteltje op “STOP” draaien om de motor af te zetten. Verwijder het contactsleuteltje en het “Key Choice” sleuteltje. 2. Maaisel, vuil en roet van de buitenkant van de gehele machine verwijderen, met name van de motor.
Onderhoud 6. Alle bouten, schroeven en moeren controleren en aandraaien. Beschadigde delen repareren of vervangen. 7. Krassen en beschadigingen van de lak bijwerken. Bijwerklak is verkrijgbaar bij een erkende Service Dealer. 8. Machine in een schone, droge garage of opslagruimte opslaan. Verwijder altijd zowel het contactsleuteltje als het “KeyChoice” sleuteltje en bewaar deze op een plaats die u kunt onthouden, en buiten het bereik van kinderen.
Onderhoud Elektrisch schema HEADLIGHT HARNESS DIESEL REAR HARNESS TAIL LIGHTS OR A OR BK B BK PK CRUISE SWITCH SW8 3 6 PK C 2 Y E Y 5 BN D BN (MOMENTARY) CRUISE SWITCH OPERA TION OFF NO CONNECTION ON 3 AND 2 CONNECTED MOMENTARY 3 AND 2 CONNECTED 4 6 D2 1 OR OR PK SW7 VIO Y (CRUISE DISENGAGE SWITCH) SWITCH OPENS WHEN BRAKE IS DEPRESSED W CRUISE MAGNET GY BN VIO 4 5 WARNING LIGHT HARNESS BK PK PTO BATTERY BK BK PK A BK VIO D W J W W OR K OR OR GY F GY GY Y
Onderhoud Elektrisch schema SW4 (IGNITION SWITCH) OFF-----------NO CONNECTION WIRE COLOR CODES RUN/LIGHTS----------B I R L RUN---------------B I R START--------------B I R S L 4 I 3 S 1 R 2 OR PK BU S B B L R I 5 IGNITION SWITCH TERMINAL LOCATIONS VEIWED FROM BACK.
Problemen, oorzaak en remedie PROBLEEM De startmotor slaat niet aan. De motor draait, maar start niet. 50 MOGELIJKE OORZAAK REMEDIE 1. De aftakas is ingeschakeld. 1. Zet de aftakas in de stand Uitgeschakeld. 2. De rem is niet ingetrapt of de parkeerrem is niet in werking gesteld. 2. Stel de parkeerrem in werking. 3. De bestuurder zit niet op de bestuurdersstoel. 3. Neem plaats op de bestuurdersstoel. 4. De elektrische aansluitingen zijn gecorrodeerd of zitten los. 4.
PROBLEEM De motor draait, maar start niet (vervolg). De motor start, maar blijft niet lopen. MOGELIJKE OORZAAK REMEDIE 7. Lucht in de brandstof 7. Ontlucht de verstuivers en controleer op luchtlekken bij de aansluitingen van de brandstofslangen en de verbindingen tussen de brandstoftank en de motor. 8. Gloeibougies buiten werking. 8. Controleer de zekering, de gloeibougies en de bedrading. 9. Laag starttoerental 9.
PROBLEEM De motor start, maar blijft niet lopen (vervolg). De motor loopt, maar klopt of hapert. Motor loopt niet stationair. 52 MOGELIJKE OORZAAK REMEDIE 5. Lucht in de brandstof. 5. Ontlucht de verstuivers en controleer op luchtlekken bij de aansluitingen van de brandstofslangen en de verbindingen tussen de brandstoftank en de motor. 6. De kwaliteitsgraad van de brandstof is niet geschikt voor gebruik bij koud weer. 6.
PROBLEEM Motor loopt niet stationair ((vervolg). g) De motor raakt oververhit. De motor verliest vermogen. MOGELIJKE OORZAAK REMEDIE 4. De brandstofpomp is defect. 4. Neem contact op met een erkende Service Dealer. 5. Lage compressie. 5. Neem contact op met een erkende Service Dealer. 6. Het luchtfilterelement is vuil. 6. Reinigen of vervangen. 7. Het brandstoffilter is verstopt. 7. Brandstoffilter vervangen. 8. Lucht in de brandstof 8.
PROBLEEM De motor verliest vermogen (vervolg). Er komt buitensporig g veel zwarte rook k uit i d de uitlaatpijp. il ij Er komt buitensporig veel witte rook uit de uitlaatpijp. j 54 MOGELIJKE OORZAAK REMEDIE 3. Vuil, water of oude verkeerde brandstof in brandstofsysteem. 3. Tap de brandstof af uit de brandstoftank en spoel deze schoon. Vul de tank met verse brandstof. 4. De motor is oververhit. 4. Zie MOTOR RAAKT OVERVERHIT. 5. Lage compressie. 5.
PROBLEEM Er komt buitensporig veel witte rook uit de uitlaatpijp j ((vervolg). g) MOGELIJKE OORZAAK REMEDIE 4. De timing van de inspuitpomp is verkeerd. 4. Neem contact op met een erkende Service Dealer. 5. Lage compressie. 5. Neem contact op met een erkende Service Dealer. De tractor rijdt in geen van beide richtingen omdat de motor vastloopt of afslaat. 1. De rem blijft hangen. 1. Neem contact op met een erkende Service Dealer.
PROBLEEM De tractor werkt onregelmatig. MOGELIJKE OORZAAK REMEDIE 1. Het oliepeil in de transmissie is te laag. 1. Bijvullen met olie totdat het oliepeil de Vol (F)-markering op de peilstok voor de olie in de transmissie bereikt, als de transmissie koud is. 2. De koppeling van de bediening van de transmissie moet worden afgesteld of worden vervangen. 2. Neem contact op met een erkende Service Dealer. 3. De transmissie is defect. 3. Neem contact op met een erkende Service Dealer. 1.
PROBLEEM Aftakasriem (maaidek) loopt van de poelies,, slipt,, of breekt. MOGELIJKE OORZAAK REMEDIE 1. Verkeerde riemspanning. 1. Zie handleiding van maaidek of werktuig. 2. Verkeerde maaihoogte. 2. Zie handleiding van maaidek. 3. Schuinstand van maaimachine bij transport is verkeerd. 3. Zie handleiding van maaidek. 4. Riemgeleider van maaidek zit los of is verkeerd afgesteld. 4. Riemgeleider afstellen en vastzetten. 5. Riem is versleten of beschadigd. 5.