NR. 3321–982 Wheel Horse 523Dxi Tractor Model nr. 73590 – 9900001 en hoger Gebruikershandleiding BELANGRIJK: Lees deze handleiding aandachtig door. De handleiding bevat informatie ten behoeve van uw veiligheid en die van anderen. Zorg dat u vertrouwd bent met de plaats en functie van de bedieningsorganen voordat u de machine gaat gebruiken.
Inleiding Dank u voor de keuze van een Toro produkt. Wij bij Toro wensen dat u geheel tevreden bent met dit nieuwe produkt. Aarzel daarom niet contact op te nemen met uw erkende Toro Service Dealer voor eventuele hulp, service, originele Toro onderdelen of andere informatie. Wanneer u de dealer of de fabriek raadpleegt, dient u de model- en serienummers van de machine altijd te vermelden.
Inhoud Blz. Veiligheid . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 2 Instructies voor veilige bediening van (rijdende) cirkelmaaiers met zittende bestuurder . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 2 Veilige bediening . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 2 Geluidsdruk . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 4 Geluidsniveau . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 5 Trillingsniveau . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 5 Hellingsdiagram . . . . . . . . . . . . . . .
Veiligheid Instructies voor veilige bediening van (rijdende) cirkelmaaiers met zittende bestuurder 4. Onthoud dat de gebruiker verantwoordelijk is voor ongevallen of schade aan andere personen of hun eigendommen. 5. Het vervoeren van passagiers is niet toegestaan. 6. Elke bestuurder moet op professionele en praktische wijze worden geïnstrueerd. Bij dergelijke instructie moet de nadruk liggen op: Deze machine voldoet ten minste aan de Europese normen, van kracht op het moment van produktie.
Veiligheid • De brandstoftank uitsluitend buiten vullen; tijdens het vullen niet roken. • Maak geen scherpe bochten. Ga zorgvuldig te werk bij achteruit rijden. • Vul brandstof bij voordat u de motor start. Verwijder nooit de dop van de brandstoftank en vul nooit brandstof bij wanneer de motor loopt of heet is. • Gebruik contragewicht(en) of wielgewichten, als dit in de bedieningshandleiding wordt geadviseerd. • Als er brandstof gemorst is de motor niet aanzetten, maar eerst de maaier verplaatsen.
Veiligheid • • als de maaier abnormaal begint te trillen (direct controleren). 12. Aandrijving naar werktuig(en) uitschakelen bij transport of als de machine niet in gebruik is. 13. Motor stoppen en aandrijving naar werktuig uitschakelen: • alvorens brandstof bij te vullen, • voor het afnemen van een grasvanger, • voor het instellen van de maaihoogte, tenzij die vanaf de bestuurderspositie kan worden ingesteld. 14. Zet het handgas terug voordat u de motor afzet.
Veiligheid Geluidsniveau Deze machine produceert een geluidsniveau van 105 Lwa, op basis van metingen van identieke machines, uitgevoerd volgens Richtlijn 84/538/EEG en wijzigingen daarop. Trillingsniveau Deze machine produceert een maximum hand-arm trillingsniveau van 2,00 m/s2 en over het gehele lichaam van 0,30 m/s2 op basis van metingen van identieke machines volgens EN 1033 en EN 1032.
Veiligheid 6
Hellingsdiagram Lees alle veiligheidsinstructies op pagina 2 - 5.
8
Veiligheid Veiligheids- en instructieplaatjes De veiligheids- en instructieplaatjes zijn duidelijk zichtbaar voor de bestuurder aangebracht in de buurt van een mogelijk gevaar. Plaatjes die beschadigd of verloren zijn direct vervangen. OP STOELOPHANGING (Onderdeel nr. 99–2986) OP KAP VAN AANDRIJFAS (Onderdeel nr. 98-1608) OP STOELOPHANGING (Onderdeel nr. 99–5340) (1) OP TUNNEL VAN AANDRIJFAS (2) ONDER ZIJKAP (Onderdeel nr. 98–5015) OP BESCHERMKAP VAN KOELVENTILATOR (Onderdeel nr.
Veiligheid Overzicht van symbolen Veiligheidsalarm Amputatiegevaar – maaier in achterwaartse beweging Veiligheidsalarm Blijf altijd op veilige afstand van de maaier Lees de bedieningshandleiding Raadpleeg technische handleiding voor juiste onderhoudsprocedures Blijf altijd op veilige afstand van de maaier Uitgeworpen voorwerpen – gevaar voor alle lichaamsdelen Houd kinderen op veilige afstand van de machine Uitgeworpen voorwerpen – aan zijkant gemonteerde cirkelmaaier.
Veiligheid Overzicht van symbolen Maaimes – basissymbool Meerijden op deze machine uitsluitend toegestaan op passagierszitplaats en als zicht van de bestuurder niet belemmerd wordt Maaimes – instelling maaihoogte Maaier – zakken Vingers of hand kunnen bekneld raken – zijwaartse kracht Maaier – heffen Terugslag of opwaartse beweging – opgeslagen energie Maaitrommel – kan voet afsnijden of afknellen Rotor – kan vingers of hand afsnijden Motor afzetten en contactsleutel verwijderen alvorens onderhoud o
Veiligheid Overzicht van symbolen Snel Langzaam Brandstof Brandstofvoorraad Afname/toename Aan/lopen Leeg Uit/stop Vol Motor Laadtoestand van de accu Motor starten Koplampen – Dim-/grootlicht Motor stoppen Remsysteem Choke Parkeerrem Motortemperatuur Koppeling Aftakas Motoroliedruk Vast Los Motoroliepeil Openen Sluiten Keuzeschakelaar 12
Controles vóór het gebruik Telkens voordat u de tractor gaat gebruiken, dient u het volgende te controleren: • Brandstofvoorraad • Af te tappen water uit brandstoffilter • Motoroliepeil • Vloeistofniveau in koelsysteem en radiateurrooster • Vuil op de (3) luchtinlaatroosters • Vuil in het motordeel • Vuil op de achterste kap van de cardanas • Het veiligheidssysteem • De rem Voor sommige stappen moet u de motorkap openen of de zijpanelen van de tractor verwijderen. 1 m–3584 Figuur 1 1.
Controles vóór het gebruik Motorkap sluiten C. De motorkapvergrendeling bevindt zich bij de linker hoek van de grille. 1. Druk de motorkapvergrendeling naar achteren terwijl u de motorkap laat zakken (fig. 2). 2. Druk de motorkap omlaag totdat de vergrendeling sluit. Verwijder het zijpaneel van de tractor. 2 1 1 m–3318 2 Figuur 3 1. Vergrendeling zijpaneel 2. Open sleuf 2 Voorzijde van tractor Figuur 2 1. Motorkapvergrendeling 2. Motorkapscharnieren Zijpanelen verwijderen 1.
Controles vóór het gebruik Brandstof bijvullen De motor loopt op schone, verse dieselbrandstof met een minimum cetaangetal van 40. Koop nooit meer brandstof dan u in 30 dagen gebruikt, om het gebruik van verse brandstof te verzekeren. MOGELIJK GEVAAR • Dieselbrandstof is onder bepaalde omstandigheden uitermate brandbaar en explosief. Gebruik zomerdiesel (nr. 2– D) bij temperaturen boven – 7 C (20 F) en winterdiesel (nr. 1– D of mengsel nr. 1– D/2– D) onder – 7 C (20 F).
Controles vóór het gebruik 4. Indien mogelijk de tank na elk gebruik vullen. Hierdoor blijft condensatie in de tank tot een minimum beperkt. Water aftappen uit brandstoffilter/waterafscheider Als er water aanwezig is in brandstoffilter/waterafscheider, moet dit vóór elk gebruik worden verwijderd. 1. Parkeer de machine op een vlakke ondergrond. Aftakas uitschakelen, parkeerrem aantrekken, hefinrichting laten zakken en contactsleutel op “STOP” draaien om de motor te stoppen. Verwijder de contactsleutel.
Controles vóór het gebruik Motoroliepeil controleren 1. Parkeer de machine op een vlakke ondergrond. Aftakas uitschakelen, parkeerrem aantrekken, hefinrichting laten zakken en contactsleutel op “STOP” draaien om de motor te stoppen. Verwijder de contactsleutel. 2. Open de motorkap. 3. Maak de omgeving van de peilstok (fig. 5) schoon, zodat er geen vuil in de peilstokbuis kan komen, waardoor de motor beschadigd zou kunnen worden. 4. Oliepeilstok eruit trekken en het metalen uiteinde schoonvegen (fig.
Controles vóór het gebruik Koelsysteem controleren 1 Koelvloeistofpeil in radiateur controleren Het koelsysteem is gevuld met een 50/50 mengsel van water en permanente ethyleenglycol antivries. Controleer het peil van de koelvloeistof aan het begin van elke dag voordat u de motor start. 3 MOGELIJK GEVAAR • Koelvloeistof is heet en staat onder druk. WAT ER KAN GEBEUREN • Ontsnappende koelvloeistof onder druk kan ernstige brandwonden veroorzaken.
Controles vóór het gebruik 5. ÎÎÎ ÎÎÎ ÎÎÎ In het motordeel kan zich vuil ophopen. Verzameld vuil met een borstel of door blazen verwijderen vóór elk gebruik. Belangrijk: Vuil kan beter worden weggeblazen (fig. 10) dan weggewassen. Bij gebruik van water ervoor zorgen dat dit niet op elektrische delen komt. 1 m–3412 Figuur 8 De pijlen geven de luchtinlaat– en uitlaatwegen aan. 1. Luchtinlaatrooster (1 van 3 getoond) 1 m–3615 Figuur 10 Belangrijk: m–3424 GEEN HOGEDRUKREINIGER GEBRUIKEN.
Controles vóór het gebruik 1 m–3436 Figuur 11 1. Achterste kap van cardanas Veiligheidsschakelaars controleren Controleer altijd de veiligheidsschakelaars voordat u de tractor gebruikt. Instructies voor het controleren van het veiligheidssysteem vindt u in het hoofdstuk Gebruiksaanwijzing, pagina 21. Rem controleren Zie Rem controleren en Rem afstellen, pagina 41.
Gebruiksaanwijzing Veiligheid staat voorop Bedieningsorganen Lees aandachtig alle veiligheidsinstructies op pagina 2-12. Met behulp van deze informatie kunt u letsel van uw gezinsleden, omstanders, dieren en u zelf voorkomen. Zorg dat u vertrouwd bent met alle bedieningsorganen (fig. 12) voordat u de motor start en de machine gebruikt. 6 4 14 7 5 10 8 1 15 2 9 11 3 12 13 m–3410 Figuur 12 1. Handgas 2. Aftakasschakelaar 3. Hendel voor stoelverstelling 4. Motortemperatuurmeter 5.
Gebruiksaanwijzing Keuzeschakelaar Schakelaar die door middel van draaien wordt ontgrendeld, wordt gebruikt om de beveiliging “werktuig-in-achteruit” op te heffen. Bevindt zich aan de stoelophanging, vóór en juist onder de zitting (fig. 13). Starten en stoppen van de motor Starten bij normaal weer 1. Neem plaats op de bestuurdersstoel. 2. Trap het rempedaal in. NB.: 1 De motor kan alleen worden gestart wanneer u het rempedaal helemaal ingetrapt houdt. 3.
Gebruiksaanwijzing Starten bij koud weer (onder – 7 C/20 F). NB.: 1. 2 1 Gebruik de juiste olie voor de omgevingstemperatuur, zie Motorolie, pagina 36. 3 Start de motor met het handgas in de stand SNEL. NB.: 4 Gebruik geen brandstof die van de zomer is overgebleven. Gebruik uitsluitend verse winterdieselbrandstof. m–3312 Figuur 15 1. Stop 2. Lopen met verlichting 3. Lopen (en voorgloeien) 4. Starten Stoppen 1 1. Zet het handgas in de stand LANGZAAM (fig. 14). 2.
Gebruiksaanwijzing ingeschakeld en de startmotor werkt niet als de aftakas ingeschakeld is. Schakel de aftakas altijd uit voordat u de bestuurdersstoel verlaat. Het veiligheidssysteem Aftakas inschakelen Het veiligheidssysteem is bedoeld om ervoor te zorgen dat de motor alleen kan worden gestart als: 1. Trap het rempedaal in om de tractor te stoppen. • U op de bestuurdersstoel zit. 2. Zet het handgas in de stand SNEL. • Het rempedaal ingetrapt is. • De aftakasschakelaar UIT staat.
Gebruiksaanwijzing Voordat u de beveiliging uitschakelt, moet u zich ervan verzekeren dat zich geen kinderen op of in de nabijheid van het werkterrein bevinden of daar zullen komen terwijl u maait of een ander werktuig gebruikt. Let extra goed op nadat u de beveiliging hebt uitgeschakeld, omdat u door het geluid van de tractor waarschijnlijk niet merkt wanneer een kind of omstander het werkterrein betreedt.
Gebruiksaanwijzing 1 m–4260 2. Druk de aftakasschakelaar omlaag in de stand UIT en laat het rempedaal los. Draai de contactsleutel op START. De startmotor mag niet gaan draaien. 3. Trap het rempedaal helemaal in en stel de parkeerrem in werking. Druk de aftakasschakelaar omlaag in de stand UIT en sta op van de stoel. Draai de contactsleutel op START. De startmotor mag niet gaan draaien. 4. Trap het rempedaal helemaal in en stel de parkeerrem in werking.
Gebruiksaanwijzing Instrumenten en indicatielampjes Acculampje De indicatielampjes (fig. 19) lichten op wanneer bepaalde bedieningsorganen geactiveerd worden of belangrijke storingen optreden die directe aandacht vereisen. 1 2 3 4 5 10 6 7 8 9 Het acculampje is AAN wanneer de contactsleutel in de stand LOPEN of VERLICHTING staat en de accuspanning lager dan 12,1 V of hoger dan 15,0 V is.
Gebruiksaanwijzing Motortemperatuurmeter Deze meter geeft de temperatuur van de koelvloeistof van de motor aan. Als de wijzer in het rode gebied komt, schakelt u de aftakas uit en laat u de motor stationair draaien om hem af te laten koelen. Als de meter geen temperatuurdaling laat zien, de motor direct stoppen, luchtinlaatroosters schoonmaken, radiateurrooster schoonmaken en/of de oorzaak van de te hoge temperatuur verhelpen.
Gebruiksaanwijzing 3. Zet het handgas in de stand SNEL voor de beste prestaties. (Met het handgas regelt u het motortoerental.) 4. Plaats uw voet op het rijpedaal en druk de bovenkant van het pedaal langzaam in om vooruit te rijden, of druk de onderkant van het pedaal in om achteruit te rijden (fig. 20). Hoe verder u het pedaal in één van beide richtingen intrapt, hoe sneller de machine in die richting rijdt. 5.
Gebruiksaanwijzing Hefinrichting voor werktuigen De hefinrichting (fig. 21) wordt gebruikt om werktuigen te heffen en te laten zakken. Werktuig laten zakken 1. Start de tractor. 2. Druk de bedieningshendel OMLAAG om het werktuig te laten zakken (fig. 22). 1 1 2 Figuur 22 m–3258 1. Heffen – hendel omhoog 2. Zakken – hendel omlaag Figuur 21 1. Bedieningshendel hefinrichting voor werktuigen Werktuig heffen 1. Start de tractor. 2. Trek de bedieningshendel OMHOOG om het werktuig te heffen (fig.
Gebruiksaanwijzing Schuinstand van het stuurwiel instellen De schuinstand van het stuurwiel kan in vier posities worden gezet. Zet het stuurwiel in een stand waarbij u de machine het best en het meest comfortabel kunt bedienen. 1 m–3320 1. Til de hendel op om het stuurwiel te ontgrendelen (fig. 25). 2. Zet het stuurwiel in de gewenste schuinstand. Laat de hendel los om het stuurwiel in die stand te vergrendelen. Figuur 23 1.
Gebruiksaanwijzing 2. Hiermee schakelt u de Cruise Control uit. U moet nu weer het rijpedaal gebruiken om met de tractor te rijden. 3. Om snel te stoppen, trapt u het rempedaal in. Hiermee schakelt u de Cruise Control automatisch uit en bedient u tegelijkertijd de rem. 1 Belangrijk: m–3313 Figuur 26 1. Cruise Control Cruise Control inschakelen 1. 2. Zet de tractor in beweging, zie Vooruit en achteruit rijden, pagina 28.
Gebruiksaanwijzing MOGELIJK GEVAAR • Door een te hoge snelheid in bochten kan de tractor omslaan. WAT ER KAN GEBEUREN • Omslaan van de tractor kan ernstig of zelfs fataal letsel tot gevolg hebben. GEVAARLIJKE SITUATIES VOORKOMEN • Vertrouw niet blindelings op de Smart Turnt stuurfunctie bij het maken van bochten, om ongevallen te voorkomen. • Stel de Cruise Control niet op een te hoge snelheid in bij werken op onregelmatig terrein of hellingen.
Onderhoud Onderhoudsschema Werkzaamheden Elk gebruik Elke 5 uur Elke Elke Elke Elke 25 uur 50 uur 100 uur 200 uur Onderhoud voor stalling Motoroliepeil controleren X X Koelvloeistofpeil controleren X X Radiateurrooster op vuil controleren * X X Rem controleren X X Veiligheidssysteem- controleren X X 3 Luchtinlaatroosters reinigen* X X Motorcompartiment reinigen* X X Achterste kap cardanas reinigen* X X Brandstoffilter - water aftappen X X Motorolie verversen Eerste Motorol
Onderhoud MOGELIJK GEVAAR • Als u de sleutel in het contactslot laat zitten, kan een onbevoegde de motor starten. WAT ER KAN GEBEUREN • Per ongeluk starten van de motor kan leiden tot lichamelijk letsel van u of omstanders. GEVAARLIJKE SITUATIES VOORKOMEN • Stel de parkeerrem in werking en verwijder de sleutel uit het contactslot voordat u onderhoud gaat verrichten. Luchtfilter Onderhoudsinterval/Specificatie Het luchtfilterelement na elke 25 bedrijfsuren reinigen.
Onderhoud Motorolie Onderhoudsinterval/Specificatie MOGELIJK GEVAAR • Delen onder de motorkap zijn heet als de motor heeft gelopen. Olie verversen: • Na de eerste 50 bedrijfsuren. • Na elke 100 bedrijfsuren. WAT ER KAN GEBEUREN • Aanraken van hete delen kan brandwonden veroorzaken. Type olie detergente olie van goede kwaliteit, klasse “API Service CD” of hoger voor dieselmotoren. Met aanbevolen oliën geen speciale additieven gebruiken.
Onderhoud Motoroliefilter vervangen Onderhoudsinterval/Specificatie Het oliefilter na de eerste 50 bedrijfsuren vervangen en daarna na elke 200 uur. 1. Motorolie aftappen, zie Motorolie verversen/aftappen, pagina 36. 2. Plaats een opvangbak onder de oliedruipbak, om olie uit het oliefilter en oliekanalen in de motor op te vangen. 3. Filter linksom draaien om het te verwijderen. Figuur 28 1. Aftapplug 2. Oliefilter NB.: 4.
Onderhoud Koelvloeistof van de motor verversen 2 MOGELIJK GEVAAR • Koelvloeistof is heet en staat onder druk. WAT ER KAN GEBEUREN • Ontsnappende koelvloeistof onder druk 1 kan ernstige brandwonden veroorzaken. GEVAARLIJKE SITUATIES VOORKOMEN • De radiateurdop nooit verwijderen als de motor heet is. Laat de motor altijd ten minste 15 minuten afkoelen, of totdat de radiateurdop voldoende afgekoeld is en u de dop kunt aanraken zonder uw hand te branden, voordat u de radiateurdop verwijdert. 1. 2.
Onderhoud Smeren Onderhoudsinterval/Specificatie De machine na elke 50 bedrijfsuren of jaarlijks doorsmeren, waarbij de kortste periode moet worden aangehouden. Het smeren moet vaker plaatsvinden bij gebruik in zeer stoffige of zanderige omstandigheden. Waar moet gesmeerd worden 1. Smeer de assen van de wielophangingen links en rechts totdat er wat nieuw vet bij de lagers naar buiten komt (fig. 31). 2. Smeer het draaipunt van de vooras (fig. 31). Type vet: universeel smeervet. Methode van smeren 1.
Onderhoud MOGELIJK GEVAAR • Draaiende as kan letsel veroorzaken. WAT ER KAN GEBEUREN • Vingers, handen, voeten, haar enz. kunnen in de as verstrikt raken. • Loszittende kleding kan in de as verstrikt raken. m–3420 GEVAARLIJKE SITUATIES VOORKOMEN • De tractor alleen bedienen als het deksel op zijn plaats aangebracht is. • Houd handen en armen uit de buurt van de draaiende as. 4. Smeer de drie smeernippels (fig. 33). m–4224 Figuur 33 5. Deksel weer aanbrengen en bevestigen. 6.
Onderhoud Bandenspanning Rem Onderhoudsinterval/Specificatie Stel altijd de parkeerrem in werking als u de machine stopt of onbeheerd achterlaat. Controleer de rem vóór elk gebruik. Als de parkeerrem slipt of onvoldoende remvermogen heeft, moet die worden afgesteld. Houd de voor- en achterbanden op de voorgeschreven spanning. Controleer de bandenspanning via het ventiel na elke 25 bedrijfsuren of elke maand, waarbij de kortste periode moet worden aangehouden (fig. 35).
Onderhoud 4. Draai de stelmoer (fig. 37) totdat de speling 51 mm (2”) bedraagt. Brandstoftank Brandstoftank aftappen 1 MOGELIJK GEVAAR • Dieselbrandstof is onder bepaalde omstandigheden uitermate brandbaar en explosief. WAT ER KAN GEBEUREN • Brand of explosie van dieselbrandstof kan brandwonden of schade aan eigendommen veroorzaken. m–3417 GEVAARLIJKE SITUATIES VOORKOMEN • Brandstof uit de tank aftappen als de motor koud is. Doe dit in de vrije buitenlucht. Gemorste brandstof opvegen.
Onderhoud 5. 1 m–3263 Figuur 38 Monteer de brandstofleiding aan de brandstofkraan. Schuif de slangklem naar de brandstofkraan toe om de brandstofleiding vast te zetten (fig. 39). De brandstofkraan moet normaal gesproken open blijven, behalve bij onderhoud aan het brandstofsysteem of wanneer de tractor op een aanhanger wordt vervoerd. Brandstoffilter Onderhoudsinterval/Specificatie 1. Brandstofkraan Vervang het brandstoffilter na elke 200 bedrijfsuren. Brandstoffilter vervangen 1.
Onderhoud Toesporing van de voorwielen Onderhoudsinterval/Specificatie Figuur 40 1. Aftapkraan brandstoffilter Een correcte toesporing van de voorwielen is belangrijk voor de veiligheid, de werking van de Smart Turnt stuurfunctie en het bedieningsgemak. Bij ongelijkmatige bandenslijtage, beschadiging van de graszode of zwaar sturen kan afstelling nodig zijn. Controleer de toesporing na elke 100 bedrijfsuren of eenmaal per jaar, waarbij de kortste periode moet worden aangehouden (fig. 41). 2.
Onderhoud 2 2 1 Figuur 41 Aanzicht vanaf voorzijde tractor, uiteinde van stuurstang 1. Zo 4. 1 2 2 m–3583 Figuur 43 m–3421 1 2. Niet zo Controleer de toesporing nogmaals; zie Toesporing meten, pagina 44. m–3397 Figuur 42 1. Contramoer 2. Stuurstang Toesporing afstellen 1. Draai de contramoeren aan de uiteinden van de stuurstangen los (fig. 42). 2. Draai beide stuurstangen even veel om de toesporing af te stellen tot 3–6 mm (1/8–1/4”). 3.
Onderhoud Transmissie-olie moet het oliepeil in het bedrijfsgebied, tussen de markeringen F (maximum) en L (minimum), op de peilstok staan (fig. 45). Onderhoudsinterval/Specificatie Controleer het oliepeil vóór elk gebruik. Zorg ervoor dat het oliepeil altijd tussen de markeringen op de peilstok staat, als de cardanas koud is. Type olie: SAE 10W-30 detergente olie, (API service-klasse SG, SH of hoger) 7.
Onderhoud 2. 3. 4. Parkeer de machine op een vlakke ondergrond, zodat alle olie afgetapt wordt. Daarna aftakas uitschakelen, parkeerrem aantrekken, hefinrichting laten zakken en contactsleutel op “STOP” draaien om de motor te stoppen. Verwijder de contactsleutel. Een opvangbak onder de aftapplug van de transmissie plaatsen. Verwijder de aftapplug (fig. 46). Nadat alle olie eruit is gelopen, aftapopening schoonvegen. Afdichtmiddel op de aftapplug aanbrengen en aftapplug monteren. NB.: 6.
Onderhoud Transmissiefilter vervangen Filter van stuurbekrachtiging reinigen Onderhoudsinterval/Specificatie Het filter van de stuurbekrachtiging moet na de eerste 50 bedrijfsuren en daarna na elke 200 uur worden gereinigd. Laat het filter door een erkende Toro-dealer reinigen. Vervang het transmissiefilter na de eerste 50 bedrijfsuren, daarna na elke 200 uur. 1. 2. 3. De transmissie-olie aftappen, zie Transmissie-olie verversen/aftappen, pagina 46.
Onderhoud Koplampen Gloeilamp monteren Specificatie: gloeilamp # 1156, type voor automobielen 1. Gloeilamp verwijderen 1. Aan de zijkant van de lampvoet zitten metalen pennen. Houd de pennen voor de sleuven in de lamphouder en steek de lampvoet in de houder (fig. 50). De lamp in de houder drukken en rechtsom draaien tot aanslag. Aftakas uitschakelen, parkeerrem aantrekken, hefinrichting laten zakken en contactsleutel op “STOP” draaien om de motor te stoppen. Verwijder de contactsleutel. 2.
Onderhoud Achterlichten Accu Gloeilamp: GE 194 Onderhoudsinterval/Specificatie 1. Aftakas uitschakelen, parkeerrem aantrekken, hefinrichting laten zakken en contactsleutel op “STOP” draaien om de motor te stoppen. Verwijder de contactsleutel. 2. Verwijder de twee bouten. Controleer het zuurpeil van de accu elke 25 uur. Houd de accu altijd schoon en volledig geladen. Gebruik een tissue om de accubak schoon te maken.
Onderhoud 4. 5. Als het zuurpeil te laag is, voegt u de benodigde hoeveelheid gedestilleerd water toe, zie Accu bijvullen met water. Accu verwijderen 1. Aftakas uitschakelen, parkeerrem aantrekken, hefinrichting laten zakken en contactsleutel op “STOP” draaien om de motor te stoppen. Verwijder de contactsleutel. 2. Open de motorkap. 3. Maak de bevestigingsbeugels van de accu los (fig. 53). Als het zuurpeil correct is, drukt u het cellendeksel weer op de accu. Belangrijk: 1 Figuur 52 1.
Onderhoud 2 1 MOGELIJK GEVAAR • De accupolen of metalen gereedschappen kunnen kortsluiting veroorzaken bij contact met metalen delen van de tractor. • Onjuist leggen van de accukabels kan schade aan de kabels veroorzaken. WAT ER KAN GEBEUREN • Vonken kunnen accugassen doen exploderen. • Beschadigde kabels kunnen kortsluiting met metalen delen van de tractor maken en vonken veroorzaken.
Onderhoud 1. Accu uit het chassis verwijderen, zie Accu verwijderen, pagina 51. 2. Controleer het zuurpeil, zie Zuurpeil controleren, pagina 50, stap 2-4. 3. Verwijder het cellendeksel van de accu en sluit een batterijlader van 3-4 A aan op de accupolen. Laad de accu gedurende 4 uur op met 4 A of minder (12 V). De accu niet overladen. Het cellendeksel weer aanbrengen nadat de batterij volledig opgeladen is. MOGELIJK GEVAAR • Bij het opladen van de accu komen gassen vrij.
Onderhoud Schema elektrische installatie KABELBOOM KOPLAMPEN DIESEL KABELBOOM ACHTER ACHTERLICHTEN OR A OR BK B BK PK CRUISE SCHAK. SW8 3 6 PK C 2 Y E Y 5 BN D BN (MOMENT) WERKING CRUISE SCHAKELAAR OFF GEEN VERBINDING ON 3 EN 2 VERBONDEN MOMENTEEL 3 EN 2 VERBONDEN 4 D2 2 PK SW7 Y VIO (SCHAK.
Onderhoud Schema elektrische installatie SW4 (CONTACTSCHAKELAAR) UIT-----------GEEN VERBINDING KLEURCODES BEDRADING LOPEN/LAMPEN----------B I R L LOPEN---------------B I R START--------------B I R S L 4 I 3 S 1 2 AANSLUITINGEN CONTACTSCHAK. GEZIEN VANAF ACHTERZIJDE R F1 30A R F2 15A F3 10A F4 10A B L R I 5 OR PK BU OR S B R BK BN BU GN GY OR PK R T VIO W Y ZWART BRUIN BLAUW GROEN GRIJS ORANJE ROSE ROOD LICHTBRUIN VIOLET WIT GEEL R PK PK SW1 (STOELSCHAK.) 3 4 AFTAKASSCHAK.
Onderhoud Reiniging en stalling 1. 2. Aftakas uitschakelen, parkeerrem aantrekken en contactsleutel op “STOP” draaien om de motor te stoppen. Verwijder de contactsleutel en de sleutel van de keuzeschakelaar. Maaisel, vuil en vet van de buitenkant van de gehele machine verwijderen, met name van de motor. Verwijder vuil van de 3 luchtinlaatroosters, het radiateurrooster en de achterste kap van de cardanas, zie Controleren op vuil, pagina 18. Belangrijk: De machine met een zacht wasmiddel en water wassen.
Problemen, oorzaak en remedie PROBLEEM Startmotor draait niet. MOGELIJKE OORZAAK REMEDIE 1. De aftakas is AAN. 1. Schakel de aftakas UIT. 2. Rem is niet ingetrapt of parkeerrem niet in werking gesteld. 2. Parkeerrem in werking stellen. 3. Bestuurder zit niet op de stoel. 3. Neem plaats op de stoel. 4. Elektrische verbindingen geoxydeerd of los. 4. Elektrische verbindingen op goed contact controleren. 5. Zekering doorgebrand of los. 5. Corrigeren of zekering vervangen. 6.
PROBLEEM Startmotor draait, maar motor start niet. et 58 MOGELIJKE OORZAAK REMEDIE 1. Onjuiste werkwijze bij starten. 1. Zie Motor starten en stoppen, pagina 22. 2. Brandstoftank is leeg. 2. Vullen met verse dieselbrandstof. 3. Brandstofkraan is gesloten. 3. Draai de brandstofkraan open. 4. Vuil, water, oude of onjuiste brandstof in brandstofsysteem. 4. Brandstofsysteem aftappen en spoelen. Verse brandstof bijvullen. 5. Brandstofleiding verstopt. 5. Reinigen of vervangen. 6.
PROBLEEM Motor start, maar blijft niet lopen. Motor loopt, maar onregelmatig. MOGELIJKE OORZAAK REMEDIE 1. Brandstoftankbeluchting verstopt. 1. Neem contact op met erkende Toro-dealer. 2. Vuil of water in het brandstofsysteem. 2. Brandstofsysteem aftappen en spoelen. Verse brandstof bijvullen. 3. Brandstoffilter is verstopt. 3. Brandstoffilter vervangen. 4. Brandstofpomp defect. 4. Neem contact op met erkende Toro-dealer. 5. Lucht in de brandstof. 5.
PROBLEEM Motor loopt niet goed stationair. Motor raakt oververhit. 60 MOGELIJKE OORZAAK REMEDIE 1. Brandstoftankbeluchting verstopt. 1. Neem contact op met erkende Toro-dealer. 2. Vuil, water, oude of onjuiste brandstof in brandstofsysteem. 2. Brandstofsysteem aftappen en spoelen. Verse brandstof bijvullen. 3. Stelschroef voor stationairtoerental onjuist afgesteld. 3. Neem contact op met erkende Toro-dealer. 4. Brandstofpomp defect. 4. Neem contact op met erkende Toro-dealer. 5.
PROBLEEM Motor levert onvoldoende vermogen. e oge Extreem zwarte rook uit uitlaat. MOGELIJKE OORZAAK REMEDIE 1. Motoroliepeil onjuist. 1. Bijvullen of aftappen tot aan F-markering. 2. Luchtfilterelement is vuil. 2. Reinigen of vervangen. 3. Vuil, water, oude of onjuiste brandstof in brandstofsysteem. 3. Brandstofsysteem aftappen en spoelen. Verse brandstof bijvullen. 4. Motor is oververhit. 4. Zie MOTOR RAAKT OVERVERHIT. 5. Te weinig compressie. 5.
PROBLEEM Extreem witte rook uit uitlaat. MOGELIJKE OORZAAK REMEDIE 1. Motortemperatuur te laag. 1. Thermostaat controleren. 2. Voorgloeispiralen werken niet. 2. Zekering, voorgloeispiralen en bedrading controleren. 3. Verstuivers defect. 3. Neem contact op met erkende Toro-dealer. 4. Timing van inspuitpomp onjuist. 4. Neem contact op met erkende Toro-dealer. 5. Te weinig compressie. 5. Neem contact op met erkende Toro-dealer.
PROBLEEM Tractor functioneert niet naar behoren. MOGELIJKE OORZAAK REMEDIE 1. Transmissie-oliepeil te laag. 1. Vullen tot aan “F”-markering op peilstok transmissie-olie bij koude transmissie. 2. Bedieningsoverbrenging van transmissie moet afgesteld of vervangen worden. 2. Neem contact op met erkende Toro-dealer. 3. Transmissie defect. 3. Neem contact op met erkende Toro-dealer. 1. Transmissie-oliepeil te laag. 1.
PROBLEEM Drijfriem aftakas (maaidek) loopt van a poelies poe es af, a , slipt s pt of o werkt e t niet. et 64 MOGELIJKE OORZAAK REMEDIE 1. Onjuiste spanning van drijfriem. 1. Zie handleiding maaidek of werktuig. 2. Maaier niet goed genivelleerd. 2. Zie handleiding maaidek. 3. Onjuiste schuinstand messen bij transport. 3. Zie handleiding maaidek. 4. Geleider maaidekdrijfriem los of niet goed afgesteld. 4. Riemgeleider afstellen en spannen. 5. Drijfriem versleten of beschadigd. 5.
65
66