Form No. 3443-222 Rev A GrandStand® maaier Met een TURBO FORCE® maai-eenheid van 122 cm met achteruitworp Modelnr.: 72542TE—Serienr.: 400000000 en hoger Registreer uw product op www.Toro.com.
Dit product voldoet aan alle relevante Europese richtlijnen; zie voor details de aparte productspecifieke conformiteitsverklaring. Raadpleeg de meegeleverde documentatie van de motorfabrikant. Inleiding Deze stand-on grasmaaier met draaiende messen is bedoeld voor professioneel gebruik. De machine is voornamelijk ontworpen voor het maaien van gras op goed onderhouden particuliere of commerciële gazons.
Inhoud Motorolie verversen .......................................... 38 Onderhoud van de bougie ................................ 40 Vonkenvanger controleren................................ 41 Onderhoud brandstofsysteem ............................. 42 Brandstof aftappen uit de brandstoftank............ 42 Brandstoftank verwijderen ................................ 42 Brandstoffilter vervangen.................................. 43 Onderhoud elektrisch systeem ............................
Veiligheid • Hou omstanders en kinderen uit de buurt van het werkgebied. Laat kinderen nooit de machine bedienen. Laat enkel mensen die verantwoordelijk en getraind zijn en die bovendien vertrouwd zijn met de instructies en fysiek ertoe in staat zijn de machine bedienen. Deze machine is ontworpen met inachtneming van EN ISO 5395.
decal116-8283 116-8283 decal131-3521 131-3521 1. Waarschuwing – Lees de Gebruikershandleiding voor instructies om de mesbout/moer vast te zetten met een torsie van 75 tot 81 N·m. 1. Maaihoogte decal116-8775 116-8775 1. Lees de Gebruikershandleiding. 2. Waarschuwing – Vullen tot de onderkant van de vulbuis; de tank niet te vol gieten. decal131-3524 131-3524 1. Lees de Gebruikershandleiding. 3. Peil koude vloeistof 131-3528 2. Transmissievloeistof decal131-3507 131-3507 1.
decal139-5557 139-5557 decal131-3536 131-3536 1. Gevaar op weggeslingerde objecten – Houd omstanders op een afstand. 1. Accu 2. Tijd 4. Parkeerrem 5. Motor – Starten 3. Aftakasschakelaar 6. Schakel de rijhendels in. 2. Handen of voeten kunnen worden gesneden/geamputeerd, maaimes – Blijf uit de buurt van bewegende onderdelen. decal133-4641 133-4641 1. Waarschuwing – Het is niet toegestaan passagiers te vervoeren. decal133-4665 133-4665 1.
decal139-5571 139-5571 1. Luchtfilter van motor – Om de 50 bedrijfsuren controleren; om de 200 bedrijfsuren vervangen 4. Oliefilter van motor – Om de 8 bedrijfsuren controleren; om de 100 bedrijfsuren vervangen 2. Bandendruk – Om de 5. Lees de Gebruikershand50 bedrijfsuren controleren leiding alvorens onderhoudswerkzaamheden uit te voeren. 3. Transmissievloeistof – Om de 50 bedrijfsuren controleren; om de 500 bedrijfsuren vervangen decal131-3526 131-3526 5. Achteruit 1. Aftakas – uitgeschakeld 2.
decal139-5556 139-5556 1. Waarschuwing – Lees de Gebruikershandleiding. 5. Gevaar op weggeslingerde objecten – Houd omstanders op een afstand. 2. Waarschuwing—Gebruik de machine uitsluitend als u hiervoor 6. Waarschuwing – Stel de parkeerrem in werking, zet de motor instructie hebt ontvangen. af en verwijder het sleuteltje voordat u de machine verlaat of onderhoudswerkzaamheden uitvoert. 3. Waarschuwing – Draag gehoorbescherming. 7.
Algemeen overzicht van de machine Bedieningspaneel g301785 Figuur 4 g273599 Figuur 3 1. Voorste zwenkwiel 2. Motor 3. Bedieningspaneel 4. Rijhendels 5. Hydraulische tank 1. Brandstoftankdop 7. Contactschakelaar 2. Chokeklep 8. Gashendel 3. Parkeerremhendel 9. Maaihoogtehendel 4. Dop van hydraulische tank 10. Pen voor de maaihoogte 6. Stootkussen voor bestuurder 7. Brandstoftank 8. Platform (omlaag geklapt) 9. Accu 5. Urenteller 11. Rijhendel 6. Aftakasschakelaar 12.
Urenteller Rijhendels De urenteller registreert het aantal uren dat de motor in bedrijf is geweest. De urenteller werkt als de motor loopt. Gebruik deze tijden om regelmatig onderhoudswerkzaamheden te plannen (Figuur 5). De rijhendels worden gebruikt om de motor vooruit en achteruit te laten rijden en om bochten naar links of naar rechts te maken (Figuur 4). Brandstofklep Sluit de brandstofafsluitklep wanneer u de machine transporteert of stalt; zie De brandstofafsluitklep gebruiken (bladz. 23).
Gebruiksaanwijzing Voor gebruik Veiligheidsinstructies voorafgaand aan het werk Algemene veiligheid • Laat kinderen of personen die geen instructie hebben ontvangen de machine nooit gebruiken. Plaatselijke voorschriften kunnen nadere eisen stellen aan de leeftijd van degene die met de machine werkt. De eigenaar is verantwoordelijk voor de instructie van alle bestuurders en technici.
loodvrije benzine met een octaangetal van 87 of hoger (indelingsmethode (R+M)/2). • Ethanol: benzine met maximaal 10 vol.% ethanol of 15 vol.% MTBE (methyl tertiaire butylether) is geschikt. Ethanol en MTBE zijn verschillende stoffen. Benzine met 15% ethanol (E15) per volume is niet goedgekeurd voor gebruik. Gebruik nooit benzine die meer dan 10% ethanol per volume bevat, zoals E15 (bevat 15% ethanol), E20 (bevat 20% ethanol), of E85 (bevat tot 85% ethanol).
Werking van het veiligheidssysteem 5. Het veiligheidssysteem is bedoeld om het inschakelen van de aftakas alleen mogelijk te maken wanneer u 1 van de volgende doet: Blijf de rijhendel in de middelste, onvergrendelde stand houden en druk op de stand AAN op de aftakasschakelaar. Opmerking: De koppeling en de maaimessen/het werktuig moeten ingeschakeld worden. • Zet één van de rijhendels in de middelste, 6. onvergrendelde stand. Beweeg of zet de rijhendels vrij in de VERGRENDELDE NEUTRAALSTAND .
• Gebruik de machine niet als u ziek, moe of onder • • • • • • • • • • • • • • • de invloed van alcohol of drugs bent. Vervoer nooit passagiers op de machine en houd omstanders en huisdieren weg van de machine terwijl deze wordt gebruikt. Gebruik de machine uitsluitend als het zicht goed is en bij geschikte weersomstandigheden. Gebruik de machine niet als er kans op bliksem is. Als u nat gras en natte bladeren maait, kunt u uitglijden, in aanraking komen met het mes en ernstig letsel oplopen.
Parkeerrem gebruiken landschapselementen die gevaarlijk kunnen zijn. Gebruik op die locaties een loopmaaier of handgedragen gereedschap. Stel de parkeerrem altijd in werking wanneer u de machine stopt of deze onbeheerd achterlaat. Voor elke gebruik moet u de juiste werking van de parkeerrem controleren. • Vermijd starten, stoppen of bochten maken op hellingen. Vermijd plotse veranderingen van snelheid of richting; verander traag en geleidelijk van richting.
De maaimessen uitschakelen (aftakas) De aftakasschakelaar bedienen Figuur 10 en Figuur 11 tonen 2 manieren om de maaimessen uit te schakelen. Gebruik de aftakasschakelaar in combinatie met de rijhendels om de maaimessen in en uit te schakelen.
De gashendel bedienen De choke bedienen De gashendel heeft twee standen: SNEL en LANGZAAM (Figuur 12). Gebruik de choke om een koude motor te starten. 1. Trek de knop van de choke omhoog om deze in te schakelen voordat u de contactschakelaar inschakelt (Figuur 13). 2. Druk de knop van de choke omlaag om deze weer uit te schakelen nadat de motor is gestart (Figuur 13). Gebruik altijd de stand SNEL wanneer u de aftakas inschakelt.
De contactschakelaar bedienen Belangrijk: Stel de startmotor telkens niet langer dan 5 seconden in werking. Als de motor niet wil starten, moet u na elke poging 15 seconden wachten. Indien u deze instructies niet opvolgt, kan de startmotor doorbranden. Opmerking: Mogelijk moet u verschillende keren proberen om de motor te starten als u de motor voor het eerst start nadat het brandstofsysteem helemaal zonder brandstof heeft gezeten. g008959 Figuur 13 1. AAN g031239 2.
Motor starten De motor afzetten Belangrijk: Stel de startmotor telkens niet langer VOORZICHTIG dan 5 seconden in werking. Als de motor niet wil starten, moet u na elke poging 15 seconden wachten. Indien u deze instructies niet opvolgt, kan de startmotor doorbranden. Kinderen of omstanders kunnen letsel oplopen als zij de machine verplaatsen of proberen te bedienen terwijl deze onbeheerd staat.
Het platform bedienen • bij gebruik van de machine in de meeste U kunt de machine gebruiken met het platform omhoog of omlaag. U kunt zelf beslissen welke stand u verkiest. • het maaien op hellingen • het afrijden van een helling omgevingen Om het platform omlaag te brengen, drukt u het platform naar voren tegen het kussen zodat de spanning op de vergrendelpen afneemt en trekt u vervolgens aan de knop om het platform omlaag te brengen (Figuur 18).
Vooruitrijden 1. Schakel de parkeerrem uit; zie Parkeerrem gebruiken (bladz. 15). 2. Zet de rijhendels in de middelste, ontgrendelde stand. g273674 Figuur 20 Achteruitrijden g030983 Figuur 19 1. Voorste referentiebalk 4. Rechter rijhendel 1. 2. Linker rijhendel 5. Rechter rijhendel in de VERGRENDELDE Zet de beide rijhendels in de middelste, ontgrendelde stand. 2. Beweeg de rijhendels langzaam naar achteren (Figuur 21). NEUTRAALSTAND 3. Rechterreferentiebalk 6.
Maaihoogte instellen Gewichten gebruiken U kunt de maaihoogte instellen van 38 tot 127 mm, in stappen van 6 mm. • Bevestig gewichten om de balans te verbeteren. U kunt gewichten toevoegen of verwijderen naar uw voorkeur of om optimale prestaties te bereiken bij verschillende werkomstandigheden. Opmerking: Als u een maaihoogte van minder dan 51 mm gebruikt, verslijt de riem van het maaidek sneller. Kies indien mogelijk steeds een maaihoogte van meer dan 51 mm.
Na gebruik De brandstofafsluitklep gebruiken Veiligheid na het werk Sluit de brandstofafsluitklep tijdens transport, onderhoud en opslag (Figuur 23). Algemene veiligheid Controleer of de brandstofafsluitklep geopend is als u de motor start. • Schakel altijd de machine uit, verwijder het contactsleuteltje, wacht totdat alle bewegende onderdelen tot stilstand zijn gekomen en laat de machine afkoelen voordat u ze afstelt, schoonmaakt, stalt of er onderhoudswerkzaamheden aan verricht.
Machine met de hand duwen De machine transporteren Gebruik een aanhanger of vrachtwagen voor zwaar vervoer om de machine te transporteren. Gebruik altijd een oprijplaat over de volledige breedte. Zorg ervoor dat de aanhanger of vrachtwagen is voorzien van alle benodigde remmen, verlichting en aanduidingen die wettelijk vereist zijn. Lees aandachtig alle veiligheidsinstructies. Met behulp van deze informatie kunt u voorkomen dat omstanders of uzelf letsel oplopen.
3. Breng de oprijplaat naar beneden (Figuur 25). 4. Breng het platform omhoog. Belangrijk: Laat het platform altijd omhoog wanneer u de machine van of op een aanhanger rijdt. 5. Rij de machine achteruit op de oprijplaat (Figuur 26). g031405 Figuur 26 1. Rij de machine achteruit op de oprijplaat. g229507 Figuur 25 1. Oprijplaat over volledige breedte in opslagstand. 3. H = Afstand van de laadbak van de vrachtwagen of aanhanger tot de grond. 2. De hellingbaan is minstens 4.
Onderhoud Opmerking: Bepaal vanuit de normale bedieningspositie de linker- en rechterzijde van de machine. VOORZICHTIG Als u het contactsleuteltje in het contact laat, bestaat de kans dat iemand de motor per ongeluk start waardoor u en andere omstanders ernstig letsel kunnen oplopen. Verwijder het contactsleuteltje uit het contact voordat u onderhoudswerkzaamheden uitvoert aan de machine.
Onderhoudsinterval Bij elk gebruik of dagelijks Om de 50 bedrijfsuren Onderhoudsprocedure • Controleer het veiligheidssysteem. • Oliepeil controleren. • Maak het luchtinlaatrooster schoon (vaker als de machine wordt gebruikt in stoffige of vuile omstandigheden). • Reinig de koelventilatoren en schermen van de transmissie. • De parkeerrem testen. • Controleer de maaimessen. • De onderkant van het maaidek reinigen. • Verwijder vuil van de achterwielmotoren. • Controleer de vonkenvanger (indien aanwezig).
Procedures voorafgaande aan onderhoud Het motorscherm en het schermaanhangsel openmaken 1. Het kussen losmaken om toegang te krijgen tot de achterzijde Verwijder de bout en de borstmoer waarmee het motorscherm is bevestigd aan het schermaanhangsel (Figuur 29). Het stootkussen kan worden losgemaakt om toegang te krijgen tot de achterzijde van de machine en onderhouds- of afstelwerkzaamheden uit te voeren. 1. Breng het platform omlaag. 2.
3. Het motorscherm en het schermaanhangsel sluiten Verwijder de 2 bouten (5/16" x 1") en de riemkap (Figuur 31). 1. Monteer het schermaanhangsel zoals getoond in Figuur 32. Draai de moeren vast met een torsie van 20 tot 25 N·m. 2. Monteer de riemkap zoals getoond in Figuur 31. Draai de bouten vast met een torsie van 20 tot 26 N·m. 3. Kantel het motorscherm naar achteren zoals afgebeeld in Figuur 33. g279540 Figuur 31 2. Riemkap 1. Bout – 5/16" x 1" (2) 4.
De linker drijfriemkap verwijderen 1. Verwijder de 2 flenskopschroeven waarmee de kap van de riemspanner is bevestigd aan de linker drijfriemkap en verwijder de kap van de riemspanner (Figuur 34). g270474 Figuur 36 1. Slotbout 3. Linker drijfriemkap 2. Linker CE-kap 4. Flensborgmoer 4. Verwijder de 3 bouten waarmee de linker drijfriemkap is bevestigd aan het maaidek en verwijder de kap (Figuur 37). g270487 Figuur 34 1. Flenskopschroef (¼" x ⅝") 3. Linker drijfriemkap 2. Kap van riemspanner 2.
De rechter drijfriemkap verwijderen 1. Verwijder de 2 slotbouten en de 2 borgmoeren waarmee de rechter CE-kap is bevestigd aan de rechter drijfriemkap (Figuur 38). g270475 Figuur 38 1. Flensborgmoer 3. Rechter CE-kap 2. Rechter drijfriemkap 4. Slotbout g270489 2. Figuur 39 Verwijder de 2 bouten en de flenskopschroef waarmee de rechter drijfriemkap is bevestigd aan het maaidek en verwijder de kap (Figuur 39). 31 1. Rechter drijfriemkap 3. Maaidek 2. Bout 4.
De rechter drijfriemkap monteren 1. 2. Monteer de rechter drijfriemkap aan het maaidek (Figuur 40) met de 2 bouten die u hebt verwijderd in De linker drijfriemkap verwijderen (bladz. 30). Monteer de rechter CE-kap aan de rechter drijfriemkap (Figuur 41) met de 2 slotbouten en 2 borgmoeren die u hebt verwijderd in De linker drijfriemkap verwijderen (bladz. 30). g270475 Figuur 41 g270504 Figuur 40 1. Rechter drijfriemkap 3. Maaidek 2. Bout 4. Flenskopschroef 32 1. Flensborgmoer 3.
De linker drijfriemkap monteren 1. Monteer de linker drijfriemkap aan het maaidek (Figuur 42) met de 3 bouten die u hebt verwijderd in De linker drijfriemkap verwijderen (bladz. 30). g270474 Figuur 43 1. Slotbout 3. Linker drijfriemkap 2. Linker CE-kap 4. Flensborgmoer 3. Bevestig de flenzen van de drijfriemkap met de flenskopschroef (Figuur 44) die u hebt verwijderd in De linker drijfriemkap verwijderen (bladz. 30). g270503 Figuur 42 1. Bouten 2. Linker drijfriemkap g270486 Figuur 44 2.
Smering De machine smeren Smeer met nr. 2 vet op lithium- of molybdeenbasis. g270487 1. Schakel de aftakas uit en stel de parkeerrem in werking. 2. Zet de motor af, verwijder het contactsleuteltje en wacht totdat alle bewegende onderdelen tot stilstand zijn gekomen voordat u de bestuurderspositie verlaat. 3. Reinig de smeernippels met een doek. Figuur 45 1. Flenskopschroef (¼" x ⅝") Opmerking: Indien nodig verf van de voorkant 3. Linker drijfriemkap van de nippel(s) afkrabben. 2.
2. Zet de motor af, verwijder het contactsleuteltje en wacht totdat alle bewegende onderdelen tot stilstand zijn gekomen voordat u de bestuurderspositie verlaat. 3. Verwijder het zwenkwiel uit de zwenkwielvorken. 4. Verwijder de afdichtinghouders uit de wielnaaf (Figuur 47). g273838 Figuur 46 1. Smeernippel g006115 Figuur 47 4. Monteer de linker drijfriemkap; zie De linker drijfriemkap monteren (bladz. 33). 1. Afdichtinghouder 5.
12. Plaats het tweede lager en een nieuwe afdichting in het wiel. 13. Breng afdichtkit aan op de tweede afstandsmoer en draai deze op de as met de afgeplatte kanten aan de buitenzijde. 14. Rijhendels smeren met vet Onderhoudsinterval: Jaarlijks Smeer de kogelverbinding van de dodemanshendel en de lagers van de beide rijhendels. Draai de moer aan met een torsie van 8-9 N·m, draai de moer los en draai deze opnieuw vast met een torsie van 2-3 N·m.
Onderhoud motor Veiligheid van de motor • U moet de motor afzetten voordat u het oliepeil controleert of het carter bijvult met olie. • Houd uw kleding, gezicht, handen, voeten en andere lichaamsdelen uit de buurt van de geluiddemper en andere hete oppervlakken. Onderhoud van het luchtfilter g026970 Figuur 49 1. Klemmen van luchtfilter 2. Luchtfilterdeksel Om de 250 bedrijfsuren—Vervang het voorfilter (vaker als de machine wordt gebruikt in stoffige of vuile omstandigheden).
2. Als u het binnenste filter vervangt, schuif het dan voorzichtig in de filterbehuizing (Figuur 49). Motorolie verversen 3. Schuif het voorfilter op het veiligheidsfilter (Figuur 49). Motorolietype Olie: detergent-olie (API service SJ of hoger) Opmerking: Zorg ervoor dat het voorfilter volledig op zijn plaats zit door op de buitenrand te duwen tijdens de montage. Motoroliecapaciteit:2,1 liter met filter; 1,8 liter zonder filter Belangrijk: Druk niet op het zachte midden van het filter.
Motorolie verversen Onderhoudsinterval: Na de eerste 8 bedrijfsuren Om de 100 bedrijfsuren Opmerking: Geef de afgewerkte olie af bij een inzamelcentrum. g273859 1. Parkeer de machine zo dat de aftapkant iets lager staat dan de andere kant zodat alle olie kan weglopen. 2. Schakel de aftakas uit, zet de rijhendels in de VERGRENDELDE NEUTRAALSTAND en stel de parkeerrem in werking. 3.
g273859 g027477 Figuur 53 6. Start de motor en rijd naar een vlak gebied. 7. Controleer het oliepeil opnieuw. Het motoroliefilter vervangen Onderhoudsinterval: Om de 200 bedrijfsuren Opmerking: Vervang het oliefilter van de motor g027477 Figuur 54 vaker als de machine wordt gebruikt in zeer stoffige of zanderige omstandigheden. 1. Laat de olie uit de motor lopen; raadpleeg Motorolie verversen (bladz. 39). 2. Vervang het motoroliefilter (Figuur 54).
Bougie monteren Elektrodenafstand: 0,75 mm Bougie verwijderen 1. 2. 3. Parkeer de maaimachine op een horizontaal oppervlak, schakel de aftakas uit en stel de parkeerrem in werking. Zet de motor af, verwijder het contactsleuteltje en wacht totdat alle bewegende onderdelen tot stilstand zijn gekomen voordat u de bestuurderspositie verlaat. Verwijder de bougie zoals wordt getoond in Figuur 55.
Onderhoud brandstofsysteem Brandstof aftappen uit de brandstoftank U kunt de brandstoftank aftappen door de tank te verwijderen en de brandstof uit de vulbuis te gieten; zie Brandstoftank verwijderen (bladz. 42). U kunt de brandstoftank ook aftappen met een hevel. Ga dan te werk zoals beschreven in de onderstaande procedure. g273861 Figuur 58 1. Brandstoftankdop GEVAAR In bepaalde omstandigheden is brandstof uiterst ontvlambaar en zeer explosief.
Brandstoffilter vervangen Onderhoud elektrisch systeem Onderhoudsinterval: Om de 800 bedrijfsuren/Jaarlijks (houd hierbij de kortste periode aan) Veiligheid van het elektrisch systeem Na verwijdering mag u een vuil filter niet opnieuw aan de brandstofslang monteren. Opmerking: Neem eventueel gemorste brandstof • Maak de accukabel los of verwijder de bougiekabel op. 1. Parkeer de maaimachine op een horizontaal oppervlak, schakel de aftakas uit en stel de parkeerrem in werking. 2.
Accu opladen WAARSCHUWING Bij het opladen produceert de accu gassen die tot ontploffing kunnen komen. Rook nooit in de buurt van de accu en zorg ervoor dat er geen vonken of vlammen vlakbij de accu komen. Belangrijk: Zorg ervoor dat de accu altijd volledig geladen is (soortelijk gewicht 1,265) om te voorkomen dat de accu beschadigd wordt bij temperaturen onder 0 °C. g030988 Figuur 61 1. Verwijder de accu van het chassis; raadpleeg Verwijderen van de accu (bladz. 43). 2. Zuurpeil controleren. 3.
De accu plaatsen Onderhoud van de zekeringen Plaats de accu zoals wordt getoond in Figuur 63. De elektrische installatie is beveiligd door middel van zekeringen. Er is geen onderhoud nodig. Als er een zekering is doorgebrand, moet u het onderdeel of circuit controleren op defecten of kortsluiting. 1. Parkeer de maaimachine op een horizontaal oppervlak, schakel de aftakas uit en stel de parkeerrem in werking. 2.
Onderhoud aandrijfsysteem De sporing afstellen Als u de beide rijhendels even ver naar voren duwt en de machine trekt naar 1 kant, dan moet u de sporing als volgt afstellen. 1. 2. 3. g031531 Figuur 65 Parkeer de maaimachine op een horizontaal oppervlak, schakel de aftakas uit en stel de parkeerrem in werking. 1. Draai naar links om de stang langer te maken. 2.
Lager van draaipunt van zwenkwiel afstellen Onderhoudsinterval: Om de 500 bedrijfsuren/Jaarlijks (houd hierbij de kortste periode aan) 1. Schakel de messchakelaar (aftakas) uit, zet de rijhendels in de VERGRENDELDE NEUTRAALSTAND en stel de parkeerrem in werking. 2. Zet de motor af, verwijder het contactsleuteltje en wacht totdat alle bewegende onderdelen tot stilstand zijn gekomen voordat u de bestuurderspositie verlaat. 3. Verwijder de stofkap van het zwenkwiel en draai de borgmoer aan (Figuur 67).
Onderhoud van zwenkwielen en lagers De zwenkwielen draaien op een rollager ondersteund door een spanbus. Als het lager steeds goed gesmeerd blijft, is de slijtage minimaal. Als u nalaat het lager goed te smeren, zal deze snel gaan slijten. Als een zwenkwiel gaat wiebelen is er meestal een lager versleten. 1. Verwijder de moer en de bout waarmee het zwenkwiel is bevestigd aan de zwenkwielvork (Figuur 68). g001297 Figuur 67 1. Schotelveren 3. Stofkap 2. Borgmoer g009453 Figuur 68 1. Borgmoer 4.
9. 10. Draai de borgmoer vast tot de spanbus tegen de binnenzijde van de zwenkwielvork rust (Figuur 68). Smeer de nippel op het zwenkwiel. Opvulstuk van de koppeling verwijderen Onderhoudsinterval: Om de 100 bedrijfsuren Als de koppelingsrem is versleten tot het punt waarop de koppeling niet meer consistent aangrijpt, kunt u het opvulstuk verwijderen om de levensduur van de koppeling te verlengen (Figuur 69). g302534 Figuur 70 4.
g302538 Figuur 72 g302535 Figuur 74 1. Opvulstuk C. 1. Voelermaat Blaas met perslucht al het vuil onder de remstang en rond de afstandsstukken van de rem weg. D. Haal elke bout (M6 x 1) aan met een torsie van 12,8 tot 14,2 N·m. E. Gebruik een voelermaat van 0,254 mm dik om aan beide zijden van de remstang te controleren of er een opening is tussen de rotor en de armatuur, zoals getoond in Figuur 73 en Figuur 74.
F. Onderhoud koelsysteem Voer de volgende veiligheidscontrole uit: i. Start de motor vanaf de bestuurderspositie. ii. Controleer of de messen niet ingeschakeld worden als de aftakasschakelaar in de stand UIT staat en de koppeling is uitgeschakeld.
Onderhouden remmen Onderhoud riemen De parkeerrem testen De riemen controleren Onderhoudsinterval: Bij elk gebruik of dagelijks Onderhoudsinterval: Om de 100 bedrijfsuren—Controleer de drijfriem(en) van het maaidek. Voor elk gebruik moet u de parkeerrem controleren op een horizontaal oppervlak en een helling. Controleer de riemen op scheuren, gerafelde randen, schroeiplekken, slijtage, tekenen van oververhitting en andere schade.
5. g270501 Figuur 77 2. Kap van spanpoelie 1. Spanpoelie 7. Verwijder de riem van de machine. De riem monteren 1. Monteer de riem in het maaidek (Figuur 78). g270502 Figuur 78 2. Leid de riem zoals wordt getoond in Figuur 79. g270500 Figuur 79 3. Monteer de rechter drijfriemkap, zie De rechter drijfriemkap monteren (bladz. 32). 4. Monteer de linker drijfriemkap; zie De linker drijfriemkap monteren (bladz. 33).
De transmissieriem vervangen VOORZICHTIG De veer is onder spanning gemonteerd en kan lichamelijk letsel veroorzaken. Onderhoudsinterval: Om de 1000 bedrijfsuren—De transmissieriem vervangen. 1. Verwijder de brandstoftank; zie Brandstoftank verwijderen (bladz. 42). 2. Verwijder de dop van het hydraulische reservoir. 3. Zoek de aftappluggen onderaan de transmissie en plaats een opvangbak onder de plug (Figuur 80). Zet een veiligheidsbril op en wees voorzichtig als u de veer verwijdert.
Onderhoud bedieningsysteem Rijhendels afstellen Als de rijhendels niet op één horizontale lijn staan, moet u de rijhendels afstellen. 1. 2. Parkeer de maaimachine op een horizontaal oppervlak, schakel de aftakas uit en stel de parkeerrem in werking. g031538 Figuur 83 Zet de motor af, verwijder het contactsleuteltje en wacht totdat alle bewegende onderdelen tot stilstand zijn gekomen voordat u de bestuurderspositie verlaat. 3. Duw de rijhendels omlaag uit de VERGRENDELDE NEUTRAALSTAND (Figuur 82). 4.
Onderhoud hydraulisch systeem 4. Reinig het gebied rond de vulbuis en de dop van de hydraulische tank (Figuur 84). Veiligheid van het hydraulische systeem • Waarschuw onmiddellijk een arts als er hydraulische vloeistof is geïnjecteerd in de huid. Geïnjecteerde vloeistof moet binnen enkele uren operatief worden verwijderd door een arts.
2. Zet de motor af, verwijder het contactsleuteltje en wacht totdat alle bewegende onderdelen tot stilstand zijn gekomen voordat u de bestuurderspositie verlaat. 3. Verwijder de brandstoftank; zie Brandstoftank verwijderen (bladz. 42). 4. Verwijder de dop van het hydraulische reservoir. 5. Zoek de aftapplug onderaan de transmissies en plaats een opvangbak onder de pluggen (Figuur 85). g031544 Figuur 86 Linker transmissie getoond 1. Ontluchtingsplug 12.
Hydraulische systeem ontluchten Onderhoud van het maaidek Het tractiesysteem ontlucht zichzelf, maar het kan noodzakelijk zijn het systeem te ontluchten als de vloeistof wordt ververst of nadat er werkzaamheden zijn verricht aan het systeem. Veiligheid van de messen 1. Parkeer de maaimachine op een horizontaal oppervlak, schakel de aftakas uit en stel de parkeerrem in werking. 2.
4. Opmerking: Als dit verschil meer dan 3 mm Als u scheuren, slijtage of groefvorming in dit deel constateert, moet u direct een nieuw mes monteren (Figuur 87). bedraagt, moet u het mes vervangen. WAARSCHUWING Een krom of beschadigd mes kan breken en u of omstanders ernstig letsel toebrengen. • Vervang altijd een krom of beschadigd mes door een nieuw mes. • Vijl de snijranden of het oppervlak van het mes niet en maak er geen scherpe inkepingen in. g006530 Figuur 87 1. Snijrand 3.
Opmerking: Het mes blijft in balans als u van beide snijranden dezelfde hoeveelheid materiaal verwijdert. g000552 Figuur 90 1. Onder oorspronkelijke hoek slijpen. 2. Controleer de balans van het mes met een mesbalans (Figuur 91). Opmerking: Als het mes horizontaal blijft, is het in balans en geschikt voor gebruik. g298850 Opmerking: Als het mes niet in balans is, Figuur 93 moet u wat metaal afvijlen van het uiteinde van de vleugel (Figuur 90). 1. Bovenste moer van spil 3. Mesbout 2.
Horizontale maaidekhoogte controleren 1. Breng de achterbanden op de juiste spanning. 2. Controleer of de bladen niet zijn verbogen; zie Controle op kromme messen (bladz. 59). 3. Zet de maaimessen horizontaal. 4. Meet bij de punten B en C. Meet de afstand tussen een horizontaal oppervlak en de snijrand van het maaimes (Figuur 94). g273882 Figuur 95 1. Bovenste bout 4. Zijmoer 2. Contramoer 5. Stel deze gaffels af om de rechterkant van het maaidek af te stellen. 6.
Opmerking: Draai de bout rechtsom om het maaidek hoger in te stellen; draai de bout linksom om het te verlagen. 3. Draai de contramoeren en de zijbouten vast. 4. Controleer de schuinstand in de lengterichting; zie Schuinstand van het maaidek controleren. (bladz. 61). De maaihoogte afstellen 1. Controleer de bandenspanning van de achterbanden. 2. Zet de maaihoogtehendel in de stand van 76 mm; zie Maaihoogte instellen (bladz. 22). 3.
De hefveer van het maaidek Reiniging afstellen De onderkant van het Opmerking: Afstellen van de drukveer verandert in hoeverre het maaidek zweeft en hoeveel moeite maaidek reinigen het kost om het maaidek omhoog te brengen met de maaihoogtehendel. Onderhoudsinterval: Bij elk gebruik of dagelijks • Als de veer meer uitveert, moet u minder kracht Verwijder elke dag het aangekoekte gras aan de onderkant van het maaidek. uitoefenen op de hendel en zal het maaidek meer zweven.
Stalling A. Voeg stabilizer/conditioner toe aan de brandstof in de tank; volg hierbij de aanbevelingen van de fabrikant van de brandstofstabilizer. B. Laat de motor 5 minuten lopen om de stabilizer/conditioner door het brandstofsysteem te verspreiden. C. Zet de motor af, laat deze afkoelen, en laat de brandstoftank leeglopen; zie Brandstof aftappen uit de brandstoftank (bladz. 42), of laat de motor lopen totdat deze afslaat. D. Start de motor en laat hem lopen totdat hij afslaat.
Problemen, oorzaak en remedie Probleem De motor start niet, start moeilijk of slaat af. De motor verliest vermogen. De motor raakt oververhit. De machine drijft niet aan. De machine trilt abnormaal. Mogelijke oorzaak Remedie 1. De brandstoftank is leeg of de brandstofafsluitklep gesloten. 1. Vul de brandstoftank met brandstof en open de klep 2. De chokehendel is niet ingeschakeld. 3. Een bougiekabel zit los of is niet aangesloten. 4.
Probleem De maaihoogte is ongelijk. Messen draaien niet. Mogelijke oorzaak 1. Maaimes(sen) is/zijn bot. 1. Mes(sen) slijpen. 2. Maaimes(sen) verbogen of niet in balans. 3. Het maaidek staat niet horizontaal. 4. De schuinstand van het maaidek is verkeerd. 5. De onderkant van het maaidek is vuil. 6. De bandenspanning is niet correct. 7. Mesas verbogen. 2. Nieuwe maaimes(sen) monteren. 3. Stel het maaidek horizontaal in. 4. Pas de schuinstand aan. 5. Reinig de onderkant van het maaidek. 6.
Schema's g269997 Elektrisch schema DWG 131-1199 (Rev.
Privacyverklaring EEA/VK Toro’s gebruik van uw persoonlijke gegevens The Toro Company (“Toro”) respecteert uw recht op privacy. Wanneer u onze producten koopt, kunnen we bepaalde persoonlijke informatie over u verzamelen, ofwel rechtstreeks via u ofwel via uw plaatselijk Toro bedrijf of dealer.