Nr. 3323–956 Wheel Horse 268HE Gazon- en tuintractor Modelnr.
Inleiding Dank u voor de keuze van een Toro produkt. Wij bij Toro wensen dat u geheel tevreden bent met dit nieuwe produkt. Aarzel daarom niet contact op te nemen met uw erkende Toro Service Dealer voor eventuele hulp, service, originele Toro onderdelen of andere informatie. Wanneer u de dealer of de fabriek raadpleegt, dient u de model- en serienummers van de machine altijd te vermelden.
Inhoud Blz. Veiligheid . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 2 Instructies voor veilige bediening van (rijdende) maaimachines met zittende bestuurder . . . . . . . . . . . . . . 2 Veilige bediening . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 2 Geluidsdruk . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 4 Geluidsniveau . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 5 Trillingsniveau . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 5 Hellingsdiagram . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
Veiligheid Instructies voor veilige bediening van (rijdende) maaimachines met zittende bestuurder Deze machine voldoet ten minste aan de Europese normen, van kracht op het moment van produktie. Onjuist gebruik of onderhoud door de gebruiker of eigenaar kan echter letsel veroorzaken.
Veiligheid Voor ingebruikname Gebruiksaanwijzing • Draag tijdens het maaien altijd een lange broek en stevige schoenen. Draag geen schoenen met open tenen en loop niet op blote voeten. • Laat de motor niet in een afgesloten ruimte lopen, omdat zich giftige koolmonoxydedampen kunnen verzamelen. • Inspecteer het terrein waarop u de maaier gaat gebruiken grondig en verwijder eventuele voorwerpen die door de maaier kunnen worden uitgeworpen. • Alleen bij daglicht of goed kunstlicht maaien.
Veiligheid • • • • Maak geen scherpe bochten. Ga zorgvuldig te werk bij achteruit rijden. • Gebruik contragewicht(en) of wielgewichten, als dit in de bedieningshandleiding wordt geadviseerd. • als de maaier abnormaal trilt (direct controleren). • Aandrijving naar werktuig(en) uitschakelen bij transport of als de machine niet in gebruik is. Zet de maaimessen stil voordat u andere oppervlakken dan grasvelden oversteekt.
Veiligheid • Versleten of beschadigde onderdelen vervangen ten behoeve van een veilig gebruik. • Als de brandstoftank moet worden leeggemaakt, dient dit buiten plaats te vinden. • Let op dat bij machines met meer maaimessen andere messen kunnen gaan draaien doordat u een mes draait. • Als u de machine parkeert, stalt of onbewaakt achterlaat, het maaiwerktuig laten zakken, tenzij u een afdoende mechanische vergrendeling gebruikt.
Veiligheid Hellingsdiagram Lees alle veiligheidsinstructies op pagina 2–10.
Veiligheid 7
Veiligheid Overzicht van veiligheidssymbolen Veiligheidsalarm Amputatiegevaar – maaier in achterwaartse beweging Veiligheidsalarm Blijf altijd op veilige afstand van de maaier Lees de bedieningshandleiding Raadpleeg technische handleiding voor juiste onderhoudsprocedures Uitgeworpen voorwerpen – gevaar voor alle lichaamsdelen Uitgeworpen voorwerpen – aan zijkant gemonteerde cirkelmaaier.
Veiligheid Overzicht van veiligheidssymbolen Maaimes – basissymbool Meerijden op deze machine uitsluitend toegestaan op passagierszitplaats en als zicht van de bestuurder niet belemmerd wordt Maaimes – instelling maaihoogte Maaier – zakken Vingers of hand kunnen bekneld raken – zijwaartse kracht Maaier – heffen Terugslag of opwaartse beweging – opgeslagen energie Maaitrommel – kan voet afsnijden of afknellen Rotor – kan vingers of hand afsnijden Motor afzetten en contactsleutel verwijderen alvorens
Veiligheid Overzicht van veiligheidssymbolen Snel Langzaam Brandstof Brandstofvoorraad Toename/afname Aan/Lopen Leeg Uit/Stop Vol Motor Laadtoestand van de accu Motor starten Koplampen – Dim-/grootlicht Motor afzetten Remsysteem Hulpstarter Parkeerrem Motortemperatuur Koppeling Aftakas Motoroliedruk In werking stellen Buiten werking stellen Motoroliepeil Openen Sluiten Keuzeschakelaar 10
Benzine en olie Aanbevolen benzine Gebruik ONGELODE normaalbenzine voor automobielen (octaangehalte minimaal 85). Gelode normaalbenzine kan worden gebruikt als ongelode benzine niet verkrijgbaar is. Belangrijk: Nooit methanol, benzine die methanol bevat, gasohol met meer dan 10% ethanol, superbenzine of wasbenzine gebruiken, daar deze het brandstofsysteem van de motor beschadigen kunnen. Geen olie bij de benzine mengen.
Benzine en olie Stabilizer/Conditioner Voeg de juiste hoeveelheid stabilizer/conditioner aan de benzine toe. Gebruik van stabilizer/conditioner in de machine: • Houdt de benzine vers gedurende stalling van 90 dagen of minder. Voor langere stalling wordt aanbevolen alle benzine uit de tank af te tappen. • Houdt de motor tijdens het gebruik schoon. • Voorkomt harsachtige afzettingen in het brandstofsysteem, die tot startproblemen kunnen leiden.
Gebruiksaanwijzing Veiligheid staat voorop Bedieningsorganen Lees aandachtig alle veiligheidsinstructies in het hoofdstuk Veilige bediening. Met behulp van deze informatie kunt u letsel van uw gezinsleden, omstanders, dieren en u zelf voorkomen. Zorg dat u vertrouwd bent met alle bedieningsorganen (Fig. 1) voordat u de motor start en de machine gebruikt. 1 13 6 10 11 9 7 2 12 3 8 5 4 14 1640t Figuur 1 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9.
Gebruiksaanwijzing Keuzeschakelaar Parkeerrem lossen Knop die door middel van draaien wordt ontgrendeld, wordt gebruikt om de beveiliging “werktuig-inachteruit” op te heffen. Bevindt zich aan de stoelophanging aan de rechterkant, net onder de zitting (Fig. 2). 1. Trap het rempedaal (Fig. 3) in. De parkeerremhendel moet nu vrijkomen. 2. Laat het rempedaal langzaam opkomen. 1 2 1 m–4220 1201 Figuur 2 1.
Gebruiksaanwijzing 5. Zet het handgas in de stand “SNEL” (Fig. 5). Stoppen 6. Draai de contactsleutel rechtsom en houd deze in de stand “START” (Fig. 6). Laat de sleutel los zodra de motor aangeslagen is. 1. Zet het handgas in de stand “LANGZAAM” (Fig. 5). 2. Draai de contactsleutel in de stand “OFF” (uit) (Fig. 6). Belangrijk: 7. Wanneer de motor na 30 seconden draaien van de startmotor nog niet is aangeslagen, draait u de contactsleutel in de stand “OFF”.
Gebruiksaanwijzing Het veiligheidssysteem zorgt ervoor dat de aftakas wordt uitgeschakeld als: • 2 1 U in de achteruit schakelt met ingeschakelde aftakas. Werken in de achteruit 1206 Figuur 7 1. Uit - aftakas uitgeschakeld 2. Aan - aftakas ingeschakeld Aftakas uitschakelen 1. Trap het rempedaal in om de tractor te stoppen. 2. Druk de aftakasknop in, in de stand “UIT” (Fig. 7).
Gebruiksaanwijzing NB.: Steek de sleutel alleen in de keuzeschakelaar als dat absoluut noodzakelijk is om de maaier of een ander werktuig in de achteruit te gebruiken. De sleutel van de keuzeschakelaar moet ook uit de tractor worden verwijderd als die wordt bediend door iemand die geen verantwoordelijk en ervaren gebruiker is. Dit voorkomt dat de tractor in de achteruit wordt gebruikt met ingeschakelde maaier of ander werktuig.
Gebruiksaanwijzing 5. Stel de parkeerrem in werking en start de motor opnieuw. Terwijl de motor loopt en de parkeerrem in werking is gesteld, beweegt u het hydrostatische rijpedaal naar voren. De motor moet stoppen. 6. Met de parkeerrem gelost, draait u de contactsleutel op “AAN” zonder de motor te starten. Trek de maaidekhendel (aftakas) in de stand “AAN”. U moet een klik horen, die aangeeft dat de aftakas ingeschakeld is en het aftakaslampje licht op. Beweeg het rijpedaal naar achteruit.
Gebruiksaanwijzing Accu Als de contactsleutel in de stand “RUN” of “LIGHTS” (lopen of verlichting) staat, brandt het acculampje als de accuspanning lager is dan 12,6 V of wanneer de motor draait en de uitgangsspanning van de dynamo is hoger dan 14,8 V. Als het lampje gaat branden, is het belangrijk dat u de accu en het elektrische systeem laat controleren en het probleem verhelpen. Om vooruit of achteruit te rijden, lost u de parkeerrem; zie Parkeerrem lossen, pagina 14. Plaats uw voet op het rijpedaal.
Gebruiksaanwijzing Tractor stoppen Om de machine te stoppen het rijpedaal loslaten, de aftakas uitschakelen en de contactsleutel in de stand “OFF” (uit) draaien om de motor te stoppen. Stel de parkeerrem in werking als u de machine verlaat; zie Parkeerrem in werking stellen, pagina 14. Vergeet niet de sleutels uit contactschakelaar en keuzeschakelaar te verwijderen. Werktuig laten zakken 1. Trap het rempedaal in om de tractor te stoppen. 2.
Gebruiksaanwijzing Bestuurdersstoel instellen U kunt de stoel naar voren en naar achteren verschuiven. De positie van de stoel moet zo zijn dat u de machine het best kunt bedienen en dat u comfortabel zit. 1. 2. Til de zitting op en draai de afstelknoppen los (Fig. 12). Verschuif de stoel in de gewenste positie en draai de afstelknoppen weer vast. 1 Schuinstand van het stuurwiel instellen De schuinstand van het stuurwiel kan in vier posities worden gezet.
Gebruiksaanwijzing Tractor met de hand duwen Cruise Control inschakelen 1. Zet de tractor in beweging, zie Vooruit en achteruit rijden, pagina 19. Terwijl u het rijpedaal in een bepaalde stand ingetrapt houdt, drukt u de Cruise Control-schakelaar (Fig. 15) in de stand “SET”–“LOCK”. Belangrijk: De tractor altijd met de hand duwen, nooit slepen, omdat de transmissie hierdoor beschadigd kan worden. Tractor duwen 1.
Onderhoud Onderhoudsschema Werkzaamheden Oliepeil controleren Elk gebruik Elke 5 uur Elke Elke Elke 25 uur 50 uur 100 uur X Olie verversen* Eerste X Oliefilter vervangen* (200 uur, elke 2e olieverversing of jaarlijks) X Veiligheidssysteem controleren X Rem — elke 200 uur controleren X X X X Luchtfilter — schuimfilterelement reinigen* X X Bougie(s) — controleren X Drijfriemen controleren op slijtage/barsten X X X Luchtfilter — papierfilterelement vervangen* X X X X X Benzine aft
Onderhoud MOGELIJK GEVAAR • Als u de sleutel in het contactslot laat zitten, kan een onbevoegde de motor starten. WAT ER KAN GEBEUREN • Per ongeluk starten van de motor kan leiden tot lichamelijk letsel van u of omstanders. GEVAARLIJKE SITUATIES VOORKOMEN • Verwijder de sleutel uit het contactslot en trek de bougiekabel(s) van de bougie(s) af alvorens onderhoud te verrichten. Druk de kabel(s) opzij, zodat die geen contact kunnen maken met de bougie(s).
Onderhoud Schuimfilter en papierfilter reinigen 1. Schuimfilterelement A. Schuimfilter in warm water met vloeibare zeep wassen. Grondig in schoon water uitspoelen. B. C. 1 Schuimfilter in een schone doek wikkelen en droogknijpen. 2 Giet 30 tot 60 gr olie (1 tot 2 oz.) op het filter (Fig. 18). Knijp in het filter om de olie te verdelen. Belangrijk: Schuimfilter vervangen wanneer het gescheurd of beschadigd is. 1213 Figuur 19 1. Papierfilter 2.
Onderhoud Motorolie 5. Onderhoudsinterval/Specificatie Olie verversen: • Na de eerste 5 bedrijfsuren. • Na elke 100 bedrijfsuren. Peilstok helemaal in de vulbuis drukken, niet erin schroeven (Fig. 20). Peilstok eruit trekken en oliepeil op metalen deel controleren. Als het oliepeil te laag is, olie via de vulbuis bijvullen totdat het oliepeil tegen de markering “FULL” staat. Belangrijk: NB.: De motorolie moet vaker worden ververst bij gebruik in zeer stoffige of vuile omstandigheden.
Onderhoud 6. Nadat alle olie eruit is gelopen, aftapkraan sluiten door in te drukken en 1/8 slag rechtsom te draaien. NB.: 3 Oude olie bij een erkend inzamelpunt afleveren. 2 1 1256 Figuur 22 1 1. Oliefilter 2. Afdichtring 3. Filteraansluiting 2 4. Monteer het nieuwe oliefilter op de filteraansluiting. Draai het filter rechtsom totdat de rubber afdichtring tegen de filteraansluiting aanligt. Draai het filter daarna nog 1/2 slag aan (Fig. 22). 5.
Onderhoud Bougie verwijderen(s) 1. 2 Schakel de PTO uit, stel de parkeerrem in werking en draai de contactsleutel in de stand “OFF” om de motor te stoppen. Neem de sleutel uit de contactschakelaar. 2. Open de motorkap. 3. Trek de kabels(s) van de bougie(s) af (Fig. 23). Maak de omgeving van de bougie(s) schoon, om te voorkomen dat vuil in de motor terecht komt en schade veroorzaakt. 4. 3 1 1,02 mm (0.040”) Figuur 24 1. Middenelektrode met isolator 2.
Onderhoud 2. Smeernippels schoonmaken met een doek. Indien nodig verf van de voorkant van de nippels afkrabben. 3. Zet een vetspuit op de smeernippel. Vet in de smeernippel pompen totdat er wat nieuw vet bij de lagers naar buiten komt. 4. Overtollig vet wegvegen. Waar moet gesmeerd worden 1264 1. Smeer de voorwielen en de spindels totdat er wat nieuw vet bij de lagers naar buiten komt (Fig. 25). 2. Smeer het draaipunt van de vooras (Fig. 25).
Onderhoud Rem 4. Stel altijd de parkeerrem in werking als u de machine stopt of onbeheerd achterlaat. Controleer de rem vóór elk gebruik. Als de parkeerrem slipt of onvoldoende remvermogen heeft, moet die worden afgesteld. Schuif voorzichtig een 0,51 mm (0.020”) voelermaat tussen het buitenste remblok en de remschijf (Fig. 28). 5. Draai de stelmoer aan, totdat een lichte weerstand op de voelermaat voelbaar is wanneer u die erin en eruit schuift. Monteer de splitpen. Rem controleren 6.
Onderhoud Brandstoftank 4. Druk de uiteinden van de slangklem naar elkaar toe en schuif de slangklem over de brandstofslang, naar de brandstoftank toe (Fig. 30). 5. Trek de brandstofslang van het filter af (Fig. 30). Open de kraan en laat de benzine in een opvangbak of jerrycan lopen. Brandstoftank aftappen POTENTIEEL GEVAAR • Benzine is onder bepaalde omstandigheden uitermate brandbaar en explosief.
Onderhoud afstelling nodig zijn. Controleer de toesporing na elke 100 bedrijfsuren of eenmaal per jaar, waarbij de kortste periode moet worden aangehouden (Fig. 32). 1. Schakel de PTO uit, stel de parkeerrem in werking en draai de contactsleutel in de stand “OFF” om de motor te stoppen. Neem de sleutel uit de contactschakelaar. 2. Draai de brandstofkraan aan de brandstoftank dicht (Fig. 29). 3. Open de motorkap. Toesporing meten 4.
Onderhoud Toesporing afstellen 1. Controleer de toesporing voordat u die afstelt, zie: Meten van de toesporing, pagina 32. 2. Verwijder de kruiskoppeling van één stuurstang (Fig. 32). 3. Verwijder de moer waarmee de kruiskoppeling aan de stuurstang bevestigd is. Draai de kruiskoppeling één slag rechtsom om de toesporing te vergroten, of linksom om de toesporing te verkleinen. 4. Vlakke delen aan kruiskoppeling gelijk houden met vlakke delen aan stuurstang en moer vastdraaien (Fig. 32). 5.
Onderhoud 3. Draai de lamphouder 1/4 slag linksom en verwijder deze uit de reflector (Fig. 34). 4. Gloeilamp indrukken, linksom draaien tot aan aanslag (ca. 1/4 slag) en uit de lamphouder nemen (Fig. 35). 5 5 1 2. Aan de lamphouder zitten twee lippen (Fig. 34). Houd de lippen voor de sleuven in de reflector, steek de lamphouder in de reflector en draai deze 1/4 slag rechtsom tot aanslag. 3. Druk de stekkers op de polen van de lamphouder.
Onderhoud 4 4 1 2 4 2 3 5 1 3 1219 5 Figuur 36 1. Minkabel (zwart) 2. Rubber kapje 3. Pluskabel (rood) 4. Bout en vleugelmoer 5. Bevestigingsbeugel en vleugelmoer 1260 Figuur 37 1. Accu 2. Lippen aan zijpaneel 3. Schroef 4. Vleugelmoer 5. Pen Accu monteren Zuurpeil controleren 1. Plaats de accu terug in het chassis (Fig. 37). 1. Stop de motor en open de motorkap. 2. Bevestig de accu met de bevestigingsbeugels. 2. 3.
Onderhoud Accu bijvullen met water Het beste moment om de accu met water bij te vullen is net voordat u de tractor gebruikt. Het water wordt dan goed vermengd met de zuuroplossing. 1. Maak de bovenkant van de accu met een tissue schoon. 2. Verwijder de cellendeksels (Fig. 38). 3. Giet langzaam gedestilleerd water in elke accucel, totdat het peil tot aan de onderkant van de celbuis staat (Fig. 38). Belangrijk: 4.
BK 8 A W PK A B+D BK PK OR BATTERY LIGHT MODULE VOLTAGE COMPARATOR F BK BU GN BK F OIL OR T 7 T #194 LAMP D GN BATTERY #194 LAMP E OR C PK #194 LAMP B W OVER RIDE #194 LAMP PTO 2 5 6 BU (MOMENTARY) 3 WARNING LIGHT HARNESS BK 1 (CRUISE DISENGAGE SWITCH) SWITCH OPENS WHEN BRAKE IS DEPRESSED SW2B T 2 PK T CRUISE SWITCH SW7 Y OFF NO CONNECTION ON 3 AND 2 CONNECTED MOMENTARY 3 AND 2 CONNECTED 5 AND 6 CONNECTED PK 1 BK PK BK HOUR METER BUBU PK BU W SWITCH OPENS WHEN
Onderhoud Reiniging en stalling 1. Maaikoppeling (aftakas) uitschakelen, parkeerrem in werking stellen en contactsleutel op “OFF” draaien om de motor te stoppen. Verwijder de sleutels uit contactschakelaar en keuzeschakelaar. 2. Maaisel, vuil en vet van de buitenkant van de gehele machine verwijderen, met name van de motor. Vuil en kaf van buitenkant van cilinder, cilinderkopribben en ventilatorhuis verwijderen. Belangrijk: De machine met een zacht wasmiddel en water wassen.
Onderhoud 13. Machine in een schone, droge garage of opslagruimte stallen. Sleutels uit contact- en keuzeschakelaar verwijderen en onthouden waar u die bewaart, buiten bereik van kinderen. Machine afdekken om hem te beschermen en schoon te houden.
Problemen, oorzaak en remedie PROBLEEM De startmotor draait niet. Motor start niet, start moeilijk j of blijf niet blijft i lopen. l 40 MOGELIJKE OORZAKEN REMEDIE 1. Maaikoppeling (aftakas) is INGESCHAKELD. 1. Maaikoppeling (aftakas) UITSCHAKELEN. 2. Parkeerrem is niet in werking gesteld. 2. Parkeerrem in werking stellen. 3. Bestuurder zit niet op de stoel. 3. Neem plaats op de stoel. 4. Accu opladen. 4. Accu is leeg. 5. Elektrische aansluitingen geoxydeerd of los. 5.
Problemen, oorzaak en remedie PROBLEEM Motor werkt niet op maximaal vermogen. Motor raakt oververhit. Abnormale trillingen. Machine rijdt niet. MOGELIJKE OORZAKEN REMEDIE 1. Motor overbelast. 1. Rijsnelheid verlagen. 2. Luchtfilter vuil. 2. Luchtfilterelement reinigen. 3. Oliepeil in carter te laag. 3. Carter bijvullen met motorolie. 4. Koelribben en luchtkanalen onder motorkoelinghuis verstopt. 4. Obstructie van koelribben en luchtkanalen verwijderen. 5.
Problemen, oorzaak en remedie 42