NR. 3321–849 Wheel Horse 265HE Gazon- en tuintractor Model nr. 72070 – 9900001 en hoger Bedieningshandleiding BELANGRIJK: Lees deze handleiding aandachtig door. De handleiding bevat informatie ten behoeve van uw veiligheid en die van anderen. Zorg dat u vertrouwd bent met de plaats en functie van de bedieningsorganen voordat u de machine gaat gebruiken.
Inleiding Dank u voor de keuze van een Toro produkt. Wij bij Toro wensen dat u geheel tevreden bent met dit nieuwe produkt. Aarzel daarom niet contact op te nemen met uw erkende Toro Service Dealer voor eventuele hulp, service, originele Toro onderdelen of andere informatie. Wanneer u de dealer of de fabriek raadpleegt, dient u de model- en serienummers van de machine altijd te vermelden.
Inhoud Blz. Veiligheid . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 2 Instructies voor veilige bediening van (rijdende) cirkelmaaiers met zittende bestuurder . . . . . . . . . . . . . . . . . 2 Veilige bediening . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 2 Geluidsdruk . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 5 Geluidsniveau . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 5 Trillingsniveau . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 5 Hellingsdiagram . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
Veiligheid Instructies voor veilige bediening van (rijdende) cirkelmaaiers met zittende bestuurder 4. Onthoud dat de gebruiker verantwoordelijk is voor ongevallen of schade aan andere personen of hun eigendommen. 5. Vervoer van passagiers is niet toegestaan. 6. Elke bestuurder moet op professionele en praktische wijze worden geïnstrueerd. Bij dergelijke instructie moet de nadruk liggen op: Deze machine voldoet ten minste aan de Europese normen, van kracht op het moment van produktie.
Veiligheid 3. WAARSCHUWING - Benzine is licht ontvlambaar. • Alleen goedgekeurde trekstang aanhangpunten gebruiken. • Bewaar benzine uitsluitend in tanks of blikken die daar speciaal voor bedoeld zijn. • Belasting beperken tot wat u veilig kunt beheersen. • Vul de brandstoftank nooit binnenshuis; tijdens het bijvullen niet roken. • Maak geen scherpe bochten. Ga zorgvuldig te werk bij achteruit rijden. • Vul brandstof bij voordat u de motor start.
Veiligheid • • als u een vreemd voorwerp hebt geraakt. Controleer de maaier op beschadigingen en voer alle benodigde reparaties uit alvorens hem weer te gebruiken. • houd de snelheid laag bij het rijden op hellingen en in scherpe bochten, • let op bulten en kuilen en andere verborgen gevaren, als de maaier abnormaal begint te trillen (direct controleren). • maai nooit dwars over een helling, tenzij de maaier daar speciaal voor bedoeld is. 12.
Veiligheid Geluidsdruk Deze machine produceert een continu-geluidsdruk volgens A-norm bij het oor van de bestuurder van: 90 dB(A), op basis van metingen uitgevoerd op identieke machines volgens Richtlijn 84/538/EEC. Geluidsniveau Deze machine produceert een geluidsniveau van: 100 Lwa, op basis van metingen van identieke machines, uitgevoerd volgens Richtlijn 84/538/EEG en wijzigingen daarop.
Veiligheid 6
Veiligheid Hellingsdiagram Lees alle veiligheidsinstructies op pagina 2 - 5.
8
Veiligheid Overzicht van symbolen Veiligheidsalarm Amputatiegevaar-maaier in achterwaartse beweging Veiligheidsalarm Blijf altijd op veilige afstand van de maaier Lees de bedieningshandleiding Raadpleeg technische handleiding voor juiste onderhoudsprocedures Uitgeworpen voorwerpengevaar voor alle lichaamsdelen Uitgeworpen voorwerpenaan zijkant gemonteerde cirkelmaaier.
Veiligheid Overzicht van symbolen Maaimes basissymbool Maaimes instelling maaihoogte Maaier - zakken Meerijden op deze machine uitsluitend toegestaan op passagierszitplaats en als zicht van de bestuurder niet belemmerd wordt Vingers of hand kunnen bekneld raken - zijwaartse kracht Maaier - heffen Maaitrommel-kan voet afsnijden of afknellen Terugslag of opwaartse beweging - opgeslagen energie Rotor-kan vingers of hand afsnijden Motor afzetten en contactsleutel verwijderen alvorens onderhoud of repara
Veiligheid Overzicht van symbolen Snel Langzaam Brandstof Brandstofvoorraad Toename/afname Aan/lopen Leeg Uit/Stop Vol Motor Laadtoestand van de accu Motor starten KoplampenDim-/grootlicht Motor afzetten Remsysteem Choke Parkeerrem Motortemperatuur Koppeling Aftakas Motoroliedruk Vast Los Motoroliepeil Openen Sluiten Keuzeschakelaar 11
Benzine en olie Aanbevolen benzine Gebruik LOODVRIJE normaalbenzine voor automobielen (octaangetal minimaal 85). Gelode normaalbenzine kan worden gebruikt als loodvrije benzine niet verkrijgbaar is. MOGELIJK GEVAAR • Benzine is onder bepaalde omstandigheden uitermate brandbaar en explosief.
Benzine en olie Stabilizer/Conditioner Voeg de juiste hoeveelheid stabilizer/conditioner aan de benzine toe. Gebruik van stabilizer/conditioner in de machine: • Houdt de benzine vers gedurende stalling van 90 dagen of minder. Voor langere stalling wordt aanbevolen alle benzine uit de tank af te tappen. • Houdt de motor tijdens het gebruik schoon. • Voorkomt harsachtige afzettingen in het brandstofsysteem, die tot startproblemen kunnen leiden.
Gebruiksaanwijzing Veiligheid staat voorop Keuzeschakelaar Lees aandachtig alle veiligheidsinstructies in het hoofdstuk Veilige bediening. Met behulp van deze informatie kunt u letsel van uw gezinsleden, omstanders, dieren en u zelf voorkomen. Knop die door middel van draaien wordt ontgrendeld, wordt gebruikt om de beveiliging “werktuig-inachteruit” op te heffen. Bevindt zich aan de stoelophanging aan de rechterkant, net onder de zitting (fig. 2).
Gebruiksaanwijzing 2. 6. Laat het rempedaal langzaam opkomen. 1 Draai de contactsleutel rechtsom en houd deze in de stand “START” (fig. 6). Laat de sleutel los zodra de motor aangeslagen is. Belangrijk: 2 7. 1201 Figuur 3 1. Rempedaal 2. Parkeerremhendel Wanneer de motor na 30 seconden draaien van de startmotor nog niet is aangeslagen, draait u de contactsleutel in de stand “OFF” (uit). Laat de startmotor afkoelen, zie: Problemen, oorzaak en remedie, pagina 40.
Gebruiksaanwijzing Stoppen Aftakas uitschakelen 1. Zet het handgas in de stand “SLOW” (langzaam) (fig. 5). 1. Trap het rempedaal in om de tractor te stoppen. 2. 2. Draai de contactsleutel in de stand “OFF” (fig. 6). Druk de aftakasknop in, in de stand “UIT” (fig. 7). NB.: Als de motor zwaar belast of heet is, deze nog even laten draaien voordat u de contactsleutel in de stand “OFF” (uit) draait. De motor kan dan afkoelen voordat hij wordt stilgezet.
Gebruiksaanwijzing Maai nooit terwijl u achteruit rijdt, tenzij dat absoluut noodzakelijk is. Als u in de achteruit moet maaien of andere door de aftakas aangedreven werktuigen moet gebruiken (sneeuwruimer, grondwerktuig), kan de beveiliging werktuig-inachteruit tijdelijk worden uitgeschakeld. Voordat u de beveiliging uitschakelt, moet u zich ervan verzekeren dat zich geen kinderen op of in de nabijheid van het werkterrein bevinden of daar zullen komen terwijl u maait of een ander werktuig gebruikt.
Gebruiksaanwijzing Veiligheidssysteem testen Test het veiligheidssysteem telkens voordat u de machine gebruikt. Als het veiligheidssysteem niet zoals hieronder beschreven functioneert, moet u het direct door een geautoriseerde dealer laten repareren. 1. 2. 3. 4. 5. 18 Stel de parkeerrem in werking. Zet de maaikoppelingshendel (aftakas) op “AAN”. Draai de contactsleutel in de stand “START”. De startmotor mag niet gaan draaien. Zet de maaikoppelingshendel (aftakas) op “UIT” en los de parkeerrem.
Gebruiksaanwijzing of “LIGHTS” (lopen of verlichting) staat. Gebruik de geregistreerde bedrijfsuren voor de planning van service en onderhoud. Vooruit en achteruit rijden Met het handgas regelt u het motortoerental, uitgedrukt in omw/min (omwentelingen per minuut). Zet het handgas in de stand “FAST” (snel) voor de beste resultaten bij het maaien.
Gebruiksaanwijzing Bestuurdersstoel instellen Werktuig laten zakken 1. Trap het rempedaal in om de tractor te stoppen. 2. Trek de bedieningshendel naar achteren om de druk van de hefinrichting te verminderen. Druk de knop boven op de hendel in om de vergrendeling te lossen. Beweeg de hendel naar voren om het werktuig te laten zakken. 2 U kunt de stoel naar voren en naar achteren verschuiven. De positie van de stoel moet zo zijn dat u de machine het best kunt bedienen en dat u comfortabel zit. 1.
Gebruiksaanwijzing Schuinstand van het stuurwiel instellen Cruise Control inschakelen 1. De schuinstand van het stuurwiel kan in vier posities worden gezet. Zet het stuurwiel in een stand waarbij u de machine het best en het meest comfortabel kunt bedienen. 1. Til de hendel op om het stuurwiel te ontgrendelen (fig. 14). 2. Zet het stuurwiel in een comfortabele stand. Laat de hendel los om het stuurwiel in die stand te vergrendelen.
Gebruiksaanwijzing Tractor met de hand duwen Belangrijk: De tractor altijd met de hand duwen, nooit slepen, omdat de transmissie hierdoor beschadigd kan worden. 1 2 Tractor duwen 1. Maaikoppeling (aftakas) uitschakelen en contactsleutel in de stand “UIT” draaien om de motor af te zetten. 1209 Figuur 16 1. Stand “aandrijving” 2. Zet de instelstang voor de aandrijving in de stand “DUWEN”. Hiermee schakelt u de aandrijving uit en kunnen de wielen vrij draaien (fig. 16).
Onderhoud Onderhoudsschema Werkzaamheden Elk gebruik Oliepeil controleren Elke 5 uur Elke 25 uur Elke Elke 50 uur 100 uur X Olie verversen* Eerste X Oliefilter vervangen* (200 uur, elke 2e olieverversing of jaarlijks) X Veiligheidssysteem controleren X Rem controleren X X X X Luchtfilter - schuimfilterelement reinigen X X Bougie(s) - elke 200 uur controleren X X Drijfriemen controleren op slijtage/barsten X X X Benzine aftappen X X X X Lakbeschadigingen bijwerken X X X X A
Onderhoud MOGELIJK GEVAAR • Als u de sleutel in het contactslot laat zitten, kan een onbevoegde de motor starten. WAT ER KAN GEBEUREN • Per ongeluk starten van de motor kan leiden tot lichamelijk letsel van u of omstanders. GEVAARLIJKE SITUATIES VOORKOMEN • Om per ongeluk starten van motor tijdens onderhoud te voorkomen sleutel uit contactschakelaar nemen en kabel van bougie trekken. Druk de kabel opzij, zodat hij niet per ongeluk contact met de bougie kan maken. Luchtfilter 3.
Onderhoud Schuimfilter en papierfilter reinigen 1. Schuimfilterelement A. Schuimfilter in warm water met vloeibare zeep wassen. Grondig in schoon water uitspoelen. B. C. 1 Schuimfilter in een schone doek wikkelen en droogknijpen. 2 Ca. 25-50 ml (1–2”) olie op het filter aanbrengen (fig. 18). Knijpen om de olie in het filter verdelen. Belangrijk: Schuimfilter vervangen wanneer het gescheurd of beschadigd is. 1213 Figuur 19 1. Papierfilterelement 2.
Onderhoud Motorolie Motoroliepeil controleren Onderhoudsinterval/Specificatie 1. Parkeer de machine op een vlakke en horizontale ondergrond. Maaikoppeling (aftakas) uitschakelen, parkeerrem in werking stellen en contactsleutel in de stand “OFF” draaien om de motor af te zetten. Contactsleutel verwijderen. Olie verversen: • Na de eerste 5 bedrijfsuren. • Na elke 100 bedrijfsuren. 2. Open de motorkap. NB.: 3. Maak de omgeving van de peilstok (fig.
Onderhoud Olie verversen/aftappen Oliefilter vervangen 1. Start de motor en laat hem vijf minuten lopen. Warme olie kan beter afgetapt worden. Onderhoudsinterval/Specificatie 2. Parkeer de machine zo dat de aftapzijde iets lager dan de andere zijde staat, zodat de olie volledig wordt afgetapt. Daarna maaikoppeling (aftakas) uitschakelen, parkeerrem in werking stellen en contactsleutel in de stand “OFF” draaien om de motor af te zetten. Contactsleutel verwijderen. 3. Open de motorkap. 4.
Onderhoud Bougie Bougie controleren 1. Onderhoudsinterval/Specificatie Vervang de bougies na elke 200 bedrijfsuren. Controleer of de afstand tussen de midden- en zij-elektrode correct is voordat u de bougie monteert. Gebruik een bougiesleutel om bougies te verwijderen en te monteren en een voelermaat om de elektrodenafstand te meten en af te stellen. Type: Champion RJ-12YC (of gelijkwaardig) Elektrodenafstand: 0,102 mm (0.040”) Bekijk de binnenkant van de bougie (fig. 24).
Onderhoud Smeren 3. Onderhoudsinterval/Specificatie Rijpedaal smeren bij modellen met hydrostatische rijaandrijving, of rem- en koppelingspedaal bij modellen met versnelling, waar die om de bevestigingsas draaien (fig. 26). De machine na elke 50 bedrijfsuren of jaarlijks doorsmeren, waarbij de kortste periode moet worden aangehouden. Het smeren moet vaker plaatsvinden bij gebruik in zeer stoffige of zanderige omstandigheden. Type vet: universeel smeervet. Methode van smeren 1. 2. 3. 4.
Onderhoud Rem Stel altijd de parkeerrem in werking als u de machine stopt of onbeheerd achterlaat. Controleer de rem vóór elk gebruik. Als de parkeerrem slipt of onvoldoende remvermogen heeft, moet die worden afgesteld. Rem controleren 1. Parkeer de machine op een vlakke en horizontale ondergrond. Maaikoppeling (aftakas) uitschakelen, parkeerrem in werking stellen en contactsleutel in de stand “OFF” draaien om de motor af te zetten. Contactsleutel verwijderen. 2.
Onderhoud Brandstoftank Brandstoftank aftappen MOGELIJK GEVAAR • Benzine is onder bepaalde omstandigheden uitermate brandbaar en explosief. WAT ER KAN GEBEUREN • Brand of explosie van benzine kan brandwonden of schade aan eigendommen veroorzaken. GEVAARLIJKE SITUATIES VOORKOMEN • Brandstof uit de tank aftappen als de motor koud is. Doe dit in de vrije buitenlucht. Gemorste brandstof opvegen. • Benzine niet aftappen in nabijheid van open vuur of waar benzinedampen door een vonk ontstoken kunnen worden.
Onderhoud Brandstoffilter 6. Monteer een nieuw filter en schuif de slangklemmen terug tot dicht bij het filter. Onderhoudsinterval/Specificatie 7. Vervang het brandstoffilter na elke 100 bedrijfsuren of elk jaar, waarbij de kortste periode moet worden aangehouden. Draai de brandstofkraan aan de brandstoftank open (fig. 29). 8. Sluit de motorkap. Brandstoffilter vervangen Toesporing van de voorwielen Na verwijderen nooit een vuil filter opnieuw aan de brandstofslang monteren.
Onderhoud Transmissie-olie Onderhoudsinterval/Specificatie 1 Controleer het oliepeil elke 100 uur of jaarlijks, waarbij de kortste periode moet worden aangehouden. Het oliepeil moet altijd op het maximum peil staan als de transmissie koud is. De transmissie is een afgedicht systeem en behoeft geen olieverversing. 4 3 2 1261 Type olie: SAE 10W-30 detergente olie, (API service-klasse SF of SG) Figuur 32 1. Hier meten 2. Vlakke delen kruiskoppeling 3. Contramoer 4.
Onderhoud Zekeringen 4. Onderhoudsinterval/Specificatie Gloeilamp indrukken, linksom draaien tot aan aanslag (ca. 1/4 slag) en uit de lamphouder nemen (fig. 36). De elektrische installatie is beveiligd door middel van zekeringen. Deze behoeven geen onderhoud. Als er een zekering is doorgebrand, moeten onderdeel en bedrading op kortsluiting worden gecontroleerd. Om een zekering te vervangen, deze uit de houder trekken (fig. 34).
Onderhoud 2. 3. Aan de lamphouder zitten twee lippen (fig. 35). Houd de lippen voor de sleuven in de reflector, steek de lamphouder in de reflector en draai deze 1/4 slag rechtsom tot aanslag. 4. Maak de minkabel (zwart) los van de accupool (fig. 37). 5. Schuif het rubber kapje van de pluskabel (rood) terug over de kabel. Maak de pluskabel (rood) los van de accupool (fig. 37). 6. Maak de bevestigingsbeugels van de accu los (fig. 37). Druk de stekkers op de polen van de lamphouder.
Onderhoud 11. Monteer de zijpanelen door de lippen in de stuurkolom te schuiven en de pen in de opening in de bodem te steken. Bevestigen met schroeven en vleugelmoeren (fig. 38). 4 1 2 3 1 1262 Figuur 39 1. Vuldoppen 2. Onderkant van buis 4 2 3. Platen Accu bijvullen met water 3 5 1260 Figuur 38 1. Accu 2. Lippen aan zijpaneel 3. Schroef 4. Vleugelmoer 5. Pen Zuurpeil controleren Het beste moment om de accu met water bij te vullen is net voordat u de tractor gebruikt.
Onderhoud Accu opladen Belangrijk: Zorg dat de accu altijd volledig geladen is (soortelijk gewicht 1,260). Dit is vooral belangrijk om beschadiging van de accu te voorkomen bij temperaturen onder 0 °C (32°F). 1. Accu uit het chassis verwijderen, zie Accu verwijderen, pagina 35. 2. Controleer het zuurpeil, zie Zuurpeil controleren, pagina 36, stap 2-3. 3. Neem de vuldoppen van de accu en sluit een batterijlader van 3-4 A aan op de accupolen. Laad de accu gedurende 4 uur op met 4 A of minder (12 V).
PK A PK W B W #194 LAMP T C T #194 LAMP PK BK D A B+ OR F ACCULAMP MODULE REGELAAR SPANNINGSĆ #194 LAMP ACCU GN D GN OR E OR BK F BK #194 LAMP OLIE OPHEFFEN AFTAKAS PK BK BUBU PKBUW 1 3 GN SCHAKELAAR OPENT ALS URENĆ TELLER RIJPEDAAL BEDIEND WORDT IN ACHTERUIT GEDRAAID WORDT ALS SLEUTEL T BK T SLUIT ALS REM INGETRAPT WORDT BK STOEL ZIT ALS BESTUURDER OP Y STOELSCHAKELAAR GESLOTEN (OPHEFFEN MET SLEUTEL) SW6 SCHAKELAAR SLUIT BK T Y 3 SW2 BN PK OR PK F3 10A K2 R
Onderhoud Reiniging en stalling 1. Maaikoppeling (aftakas) uitschakelen, parkeerrem in werking stellen en contactsleutel op “OFF” draaien om de motor te stoppen. Verwijder de sleutel. 2. Maaisel, vuil en vet van de buitenkant van de gehele machine verwijderen, met name van de motor. Vuil en kaf van buitenkant van cilinder, cilinderkopribben en ventilatorhuis verwijderen. Belangrijk: De machine met een zacht wasmiddel en water wassen. GEEN HOGEDRUKREINIGER GEBRUIKEN.
Problemen, oorzaak en remedie PROBLEEM Startmotor draait niet. Motor start niet, start moeilijk of blijft niet i t lopen. l 40 MOGELIJKE OORZAAK REMEDIE 1. Maaikoppeling (aftakas) is INGESCHAKELD. 1. Maaikoppeling (aftakas) UITSCHAKELEN. 2. Parkeerrem is niet in werking gesteld. 2. Parkeerrem in werking stellen. 3. Bestuurder zit niet op de stoel. 3. Neem plaats op de stoel. 4. Accu opladen. 4. Accu is leeg. 5. Elektrische aansluitingen geoxydeerd of los. 5.
Problemen, oorzaak en remedie PROBLEEM Motor werkt niet op maximaal vermogen. Motor raakt oververhit. Abnormale trillingen. Machine rijdt niet. MOGELIJKE OORZAAK REMEDIE 1. Motor overbelast. 1. Rijsnelheid verlagen. 2. Luchtfilter vuil. 2. Luchtfilterelement reinigen. 3. Oliepeil in carter te laag. 3. Carter bijvullen met motorolie. 4. Koelribben en luchtkanalen onder motorkoelinghuis verstopt. 4. Obstructie van koelribben en luchtkanalen verwijderen. 5.