Form No. 3351-230 13-32H Wheel Horse Rijdende maaimachine met achterin gemonteerde motor Modelnr. 70186 – Serienr.
Belangrijk De motor van dit product is niet uitgerust met een vonkenvanger. In sommige landen is het verboden deze machine te gebruiken in een bosgebied of op een met dicht struikgewas of gras begroeid terrein. Machine smeren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . De parkeerrem controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . Benzine aftappen uit de brandstoftank . . . . . . . . . Brandstoffilter vervangen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . Onderhoud van de zekeringen . . . . . . . . . . . .
Instructie U kunt het modelnummer en het serienummer noteren in de ruimte hieronder: • Lees deze handleiding aandachtig door voordat u de maaimachine gaat gebruiken. Zorg ervoor dat u vertrouwd raakt met bedieningsorganen en weet hoe u de machine moet gebruiken. Modelnr.: • U dient erop toe te zien dat de machine nooit door kinderen wordt bediend of door volwassenen die niet van de instructies op de hoogte zijn. Voor de bestuurder kan een wettelijke minimumleeftijd gelden. Serienr.
• Waarschuwing – Brandstof is zeer ontvlambaar. • Ga zorgvuldig te werk als u lasten sleept of zware werktuigen gebruikt. – Bewaar brandstof uitsluitend in tanks of blikken die daar speciaal voor bedoeld zijn. – Gebruik uitsluitend goedgekeurde trekstangbevestigingspunten. – Vul de brandstoftank nooit binnenshuis; tijdens het bijvullen niet roken. – Beperk de belasting tot wat u veilig kunt beheersen. – Maak geen scherpe bochten. Ga zorgvuldig te werk als u achteruitrijdt.
• Zet de motor af en schakel de aandrijving naar werktuigen uit: Geluidsniveau – voor verwijdering van de grasvanger; Deze machine heeft een geluidsniveau van 100 dBA, gebaseerd op metingen bij identieke machines volgens procedures zoals vastgelegd in Richtlijn 2000/14/EG. – voordat u de maaihoogte instelt, tenzij die vanaf de bestuurderspositie kan worden ingesteld. Trillingsniveau – voor het bijvullen van brandstof; • Zet de gashendel terug terwijl de motor uitloopt.
Hellingsdiagram BRENG DEZE RAND IN LIJN MET EEN VERTICAAL OPPERVLAK (BOOM, GEBOUW, PAAL, ENZ.) LANGS DE DAARTOE BESTEMDE LIJN VOUWEN VOORBEELD: VERGELIJK HELLING MET OMGEVOUWEN RAND.
Veiligheids- en instructiestickers Veiligheidsstickers en veiligheidsinstructies zijn gemakkelijk zichtbaar voor de gebruiker en bevinden zich bij plaatsen waar gevaar kan ontstaan. Vervang alle beschadigde of verdwenen stickers. 105-0532 1. Maaimes inschakelen. 99-2986 1. Ledematen van omstanders kunnen bekneld raken/afgesneden worden bij het achteruitrijden – Draai nooit het sleuteltje om als er kinderen in de buurt zijn. 105-0535 1. Grasvanger vol 2. Rijrichting machine achteruit 105-0529 1.
Geperst in de vloer bij het tractiepedaal 1. Vooruit 106-2941 1. Duw de hendel in om de machine voort te duwen. 2. Trek de hendel uit om met de machine te rijden. Geperst in de vloer bij het tractiepedaal 1. Neutraalstand Geperst in de vloer bij het tractiepedaal 1. Achteruit 106-2942 1. Draai het sleuteltje op Maaien in de achteruit-stand. 106-2943 1.
Gebruik van stabilizer/conditioner Benzine en Olie Aanbevolen benzine Gebruik van stabilizer/conditioner in de machine biedt de volgende voordelen: Gebruik loodvrije, normale benzine voor automobielen (octaangetal minimaal 85). U mag ook gelode normale benzine gebruiken als er geen gewone loodvrije benzine verkrijgbaar is. • Houdt de benzine vers gedurende een stalling van maximaal 90 dagen. Voor langere stalling wordt aanbevolen alle benzine uit de tank af te tappen.
Gebruiksaanwijzing Opmerking: Bepaal vanuit de normale bedieningspositie de linker- en rechterzijde van de machine. 1 Bedieningsorganen Zorg dat u vertrouwd bent met de bedieningsorganen voordat u de motor start en de machine gebruikt. m-5951a Parkeerrem gebruiken Figuur 3 Stel de parkeerrem altijd in werking wanneer u de machine stopt of deze onbeheerd achterlaat. 1. Bout (4) 2. Verschuif de zitting in de gewenste positie en draai de bouten weer vast. Parkeerrem in werking stellen 1.
De maaihoogte instellen 4. Zet de gashendel op Choke (Fig. 7). Met de maaihoogtehendel stelt u het maaidek in op de gewenste maaihoogte. De maaihoogte kan in vier standen worden gezet, van ongeveer 3,8 tot 9 cm 1. Schakel de aftakas uit. 2. Zet de maaihoogtehendel (maaikastverstelling) in de gewenste stand en laat de hendel langzaam vrijkomen totdat deze in de inkeping vastzit (Fig. 5). 9 cm 1 2 3 Figuur 7 1. Choke 2. Snel 1 3.
Motor afzetten 6. Verwijder het sleuteltje uit het contact. 1. Zet de gashendel op Langzaam (Fig. 7). Voorzichtig 2. Draai het contactsleuteltje op Stop (Fig. 8). Kinderen of omstanders kunnen letsel oplopen als zij de machine verplaatsen of proberen te bedienen terwijl deze onbeheerd staat. 3. Verwijder het contactsleuteltje.
Het Veiligheidssysteem gebruiken Gevaar Wanneer u achteruit rijdt terwijl het maaimes of een ander werktuig in gebruik is, bestaat het gevaar dat u een kind of een andere omstander overrijdt, met ernstig letsel of de dood tot gevolg. Voorzichtig Niet-aangesloten of beschadigde interlockschakelaars kunnen onverwachte gevolgen hebben op de werking van de machine. Dit kan lichamelijk letsel veroorzaken. • Niet in de achteruit-stand maaien, tenzij dat strikt noodzakelijk is.
Veiligheidssysteem testen 3. Draai het KeyChoice-sleuteltje om. Een rood lampje op het voorste paneel gaat branden (Fig. 11) om aan te geven dat de interlockschakelaar is uitgezet. Voorzichtig Niet-aangesloten of beschadigde interlockschakelaars kunnen onverwachte gevolgen hebben op de werking van de machine. Dit kan lichamelijk letsel veroorzaken. 1 • Laat de interlockschakelaars ongemoeid.
Grasvanger leegmaken 1. Parkeer de machine op een horizontaal oppervlak. 2. Schakel de aftakas uit. Als het waarschuwingslampje van de grasvanger op het voorste bedieningspaneel gaat branden, is de grasvanger vol en moet deze worden geleegd. 3. Stel de parkeerrem in werking. 1. Schakel de aftakas uit. 4. Zet de motor af en wacht totdat alle bewegende onderdelen tot stilstand gekomen zijn. 2. Trek de stang van de grasvanger naar voren om de opvangbak te kantelen (Fig. 12). 5.
Afvoertunnel monteren 9. Verwijder de bout, de ring en de moer waarmee de uiteinden van de 2 strips aan elkaar vastzitten (Fig. 15). Gevaar Zonder aangebrachte grasgeleider, afvoerafsluiter of complete grasvanger kunnen u of anderen in aanraking met het maaimes of uitgeworpen voorwerpen komen. Contact met het draaiende maaimes en uitgeworpen voorwerpen kan lichamelijk of dodelijk letsel veroorzaken.
• Het tempo waarmee het gras groeit, varieert per jaargetijde. Om dezelfde maaihoogte te behouden, wat een goede gewoonte is, moet u in het vroege voorjaar vaker maaien. Als de groeisnelheid in de zomer afneemt, maait u minder vaak. 14. Verbind de uiteinden van de 2 strips rond de afvoertunnel zoals wordt getoond (Fig. 15). 15.
Onderhoud Opmerking: Bepaal vanuit de normale bedieningspositie de linker- en rechterzijde van de machine. Aanbevolen onderhoudsschema Onderhoudsinterval Elk gebruik Onderhoudsprocedure • • • • • • De bandenspanning controleren. Motoroliepeil controleren. Veiligheidssysteem controleren. Maaikast reinigen. De parkeerrem controleren. Controleren op losse onderdelen. Om de 5 bedrijfsuren • Maaimes controleren. Om de 25 bedrijfsuren • Voorwielen smeren.
Motorolie controleren 1 2 Controleer het oliepeil om de 8 bedrijfsuren of dagelijks. Ververs de motorolie na de eerste 5 bedrijfsuren en daarna om de 50 bedrijfsuren. 1 Opmerking: Ververs de olie vaker als de machine in zeer stoffige of zanderige omstandigheden wordt gebruikt. Type olie: Reinigingsolie (API-onderhoudsclassificatie SF, SG, SH, SJ of hoger) Carterinhoud: 1400 cc/1,4 l m-1868 Viscositeit: Zie onderstaande tabel. Figuur 17 GEBRUIK UITSLUITEND OLIE MET DEZE SAE-VISCOSITEIT 1.
8. Plaats de aftapslang over de aftapplug (Fig. 18). 1. Schakel de aftakas uit. 2. Stel de parkeerrem in werking. 2 3. Zet de motor af en wacht totdat alle bewegende onderdelen tot stilstand gekomen zijn. 4. Verwijder het contactsleuteltje. 5. Verwijder de motorkap. 1 6. Maak de minkabel (zwart) los van de accupool. Waarschuwing 3 Figuur 18 1. Olieaftapplug 2. Peilstok/vulbuis Als accukabels verkeerd worden verbonden, kan dit schade aan de machine en de kabels tot gevolg hebben en vonken veroorzaken.
Zuurpeil controleren 3. Verwijder de vuldoppen van de accu (Fig. 19). 1. Verwijder de motorkap. 4. Giet langzaam gedistilleerd water in elke cel van de accu totdat het zuurpeil de Bovenste streep (Fig. 19) op de accubehuizing bereikt. 2. Kijk aan de zijkant van de accu. Het zuurpeil moet tot aan de Bovenste streep komen (Fig. 19). Belangrijk De accu niet te vol vullen; uitgelopen accuzuur (zwavelzuur) kan ernstige corrosie en beschadiging van het chassis veroorzaken. 1 5.
2 5. Daarna maakt u de oplaadkabels los van de accuklemmen (Fig. 20). 1 4 2 1 3 Figuur 21 1. Luchtfilterdeksel m-4970 2. Hendel van luchtfilterdeksel Figuur 20 1. Pluspool van de accu 2. Minpool van de accu 3. Rode (+) oplaadkabel 4. Zwarte (–) oplaadkabel 3. Schuif het papierelement en het schuimelement voorzichtig van het ventilatorhuis (Fig. 22). 6. Monteer de accu in de machine en sluit de accukabels aan; zie Accu monteren, blz. 22.
Schuimelement en papierelement reinigen Onderhoud van de bougie 2. Schuimfilter in een schone doek wikkelen en droogknijpen. Geen olie smeren op het element. Controleer de bougie om de 25 bedrijfsuren. Monteer om de 100 bedrijfsuren een nieuwe Champion RJ-19LM of een bougie van een equivalent type. Controleer of de elektrodenafstand tussen de centrale elektrode en de massa-elektrode 0,76 mm bedraagt voordat u de bougie monteert.
Bougie controleren Machine smeren 1. Bekijk de binnenkant van de bougie (Fig. 24). Als de isolator lichtbruin of grijs is, werkt de motor naar behoren. Een zwarte laag op de isolator duidt meestal op een vuil luchtfilter. U dient de machine om de 25 bedrijfsuren of jaarlijks met universeel smeervet te smeren, waarbij de kortste periode moet worden aangehouden. De machine moet vaker worden gesmeerd bij gebruik in zeer stoffige of zanderige omstandigheden. 2 3 1. Schakel de aftakas uit. 1 2.
Benzine aftappen uit de brandstoftank Brandstoffilter vervangen Vervang het brandstoffilter om de 100 bedrijfsuren of jaarlijks, waarbij de kortste periode moet worden aangehouden. U kunt het brandstoffilter (Fig. 25) het best vervangen als de brandstoftank leeg is. Na verwijdering mag u nooit een vuil filter opnieuw aan de brandstofslang monteren. Gevaar In bepaalde omstandigheden is benzine uiterst ontvlambaar en zeer explosief.
Onderhoud van het maaimes 6. Pak het uiteinde van het mes vast met een lap of een dikgevoerde handschoen. Verwijder vervolgens de mesbout, de klemring, de mesversteviger en het mes (Fig. 28). Plaats indien nodig een houten blok tussen het maaimes en het maaidek om het mes vast te zetten, zodat u de bout kunt losdraaien. Om een goed maairesultaat te verkrijgen, moet u het maaimes scherp houden. Een extra maaimes vergemakkelijkt het slijpen en vervangen.
Het maaimes monteren 8. Draai de moer op de achterkant van de stelstang los (Fig. 31). 1. Monteer het mes, de mesversteviger, de klemring en de mesbout (Fig. 28). 9. Draai de stelstang totdat het maaidek de gewenste horizontale stand heeft. Belangrijk Het gebogen deel van het mes moet naar de binnenzijde van de maaikast wijzen om een goede maaikwaliteit te garanderen. 10. Draai de moer vast. 11. Monteer de borgpen. 2. De mesbout aandraaien tot 61–82 Nm.
9. Schakel de aftakas uit. Reiniging en stalling 10. Zet de motor af en wacht totdat alle bewegende onderdelen tot stilstand gekomen zijn. 1. Schakel de aftakas uit. 2. Stel de parkeerrem in werking. 11. Verwijder het contactsleuteltje. 3. Zet de motor af en wacht totdat alle bewegende onderdelen tot stilstand gekomen zijn. 12. Draai de kraan dicht en maak de snelkoppeling los van de wasaansluiting. 4. Verwijder het contactsleuteltje.
11. Verwijder en controleer de bougie; zie Onderhoud van de bougie, blz. 25. Nadat de bougie uit de cilinder is verwijderd, giet u twee eetlepels motorolie in het bougiegat. Gebruik de elektrische startmotor om de motor te laten draaien en zo de olie over de cilinderwand te verspreiden. Monteer de bougie, maar sluit de kabel niet aan op de bougie. 12. Maak de minkabel van de accu los. Reinig de accu en de accupolen. Controleer het accuzuurpeil en laad de accu volledig op; zie Onderhoud van de accu, blz. 22.
1 S B A X Y I I A S B NO CONNECTION B I A AND X Y BIS S1 (IGNITION) OFF ON START KEY SWITCH GND BLACK RED 3 RED/BLACK RED/BLACK 6 5 ORANGE TURQUOISE 7 RED/WHITE 8 7.5A F2 21 9 8 2 RED 12V DC BATTERY 2 3 SM 9 30 GND WHITE/BLACK 20 22 23+24 27 GND 19 25 ORANGE LAMP RED LAMP (BAG FULL) (OVER RIDE) SOLENOID 4 ORANGE 7.
Storingen, oorzaak en remedie Probleem De startmotor slaat niet aan. De motor start niet, start moeilijk of slaat af. Mogelijke oorzaken Remedie 1. De aftakas is ingeschakeld. 1. Schakel de aftakas uit. 2. De parkeerrem is niet in werking. 2. Stel de parkeerrem in werking. 3. De accu is leeg. 3. Accu opladen. 4. De elektrische aansluitingen zijn gecorrodeerd of zitten los. 4. Controleren of de elektrische aansluitingen goed contact maken. 5. Een van de zekeringen is doorgebrand. 5.
Probleem De motor verliest vermogen. g De motor raakt oververhit. De machine trilt abnormaal. Het mes draait niet. De machine drijft niet aan. Mogelijke oorzaken Remedie 1. De motor is te zwaar belast. 1. De rijsnelheid verminderen. 2. Het luchtfilterelement is vuil. 2. Het luchtfilterelement reinigen. 3. Het oliepeil in het carter is te laag. 3. Het carter bijvullen met olie. 4. De koelribben en luchtkanalen onder het ventilatorhuis van de motor zijn verstopt. 4.
Probleem De maaihoogte is ongelijk. De maaikwaliteit is slecht. De grasvanger wordt niet gevuld. Mogelijke oorzaken Remedie 1. De bandenspanning is niet correct. 1. Zorg ervoor dat de banden de correcte spanning hebben. 2. Het maaidek staat niet horizontaal. 2. Het maaidek horizontaal stellen. 3. De onderkant van het maaidek is vuil. 3. Reinig de onderkant van het maaidek. 1. Het maaimes is versleten. 1. Maaimes slijpen of vervangen. 2. De maaihoogte is verkeerd. 2. Maaihoogte instellen. 1.