Form No. 3327-646 13-32H Wheel Horse Rijdende maaimachine met achterin gemonteerde motor Modelnr. 70184—Serienr.
Belangrijk De motor van dit product is niet uitgerust met een vonkenvanger. In sommige landen is het verboden deze machine te gebruiken in een bosgebied of op een met dicht struikgewas of gras begroeid terrein. Benzine aftappen uit de brandstoftank . . . . . . . . . Brandstoffilter vervangen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . Onderhoud van de zekeringen . . . . . . . . . . . . . . . Onderhoud van het maaimes . . . . . . . . . . . . . . . . Maaidek horizontaal stellen . . . . . . . . . . . . . . . . .
Veilige bediening In deze handleiding is een systeem gebruikt om mogelijke gevaren aan te duiden en u te attenderen op bijzondere aanwijzingen om lichamelijk (mogelijk dodelijk) letsel van u en anderen te voorkomen. De termen Gevaar, Waarschuwing en Voorzichtig duiden de mate van het risico aan. Ga als regel altijd voorzichtig te werk. De volgende instructies zijn ontleend aan de CEN norm EN 836:1997. Dit product kan handen of voeten afsnijden en voorwerpen uitwerpen.
• Denk eraan dat elke helling gevaarlijk is. Wees extra voorzichtig als u rijdt op met gras begroeide hellingen. Om te voorkomen dat de machine kantelt: Voor ingebruikname • Draag tijdens het maaien altijd een lange broek en stevige schoenen. Draag geen schoenen met open tenen en loop niet op blote voeten.
• Aandrijving naar werktuigen uitschakelen, motor afzetten en bougiekabel(s) losmaken of sleuteltje uit het contact verwijderen Veilige Bediening Toro Rijdende Maaimachine – voordat u verstoppingen losmaakt of de afvoertunnel ontstopt; De volgende lijst bevat veiligheidsinstructies die specifiek zijn toegesneden op Toro-producten, of andere veiligheidsinstructies die niet zijn opgenomen in de CEN-norm.
Hellingsdiagram BRENG DEZE RAND IN LIJN MET EEN VERTICAAL OPPERVLAK (BOOM, GEBOUW, PAAL, ENZ.) LANGS DE DAARTOE BESTEMDE LIJN VOUWEN VOORBEELD: VERGELIJK HELLING MET OMGEVOUWEN RAND.
Veiligheids- en instructiestickers Veiligheidsstickers en veiligheidsinstructies zijn gemakkelijk zichtbaar voor de bestuurder en bevinden zich bij plaatsen waar gevaar kan ontstaan. Vervang alle beschadigde of verdwenen stickers. 105-0531 105-0529 1. Maaimes uitschakelen. 1. Waarschuwing—Raak het hete oppervlak niet aan. 105-0532 1. Maaimes inschakelen. 106-2940 105-0530 1. Waarschuwing—Kom nooit met uw handen of voeten onder het maaidek. 106-2941 106-2942 1. Maaihoogte 1.
Benzine en olie Aanbevolen benzine Gebruik normale LOODVRIJE benzine voor automobielen (octaangetal minimaal 85). Gelode normale benzine kan worden gebruikt als loodvrije benzine niet verkrijgbaar is. Belangrijk Nooit methanol, benzine die methanol bevat of gasohol met meer dan 10% ethanol, gebruiken, daar deze het brandstofsysteem van de motor kunnen beschadigen. Geen olie bij de benzine mengen. 106-1802 1. Waarschuwing—Lees de Gebruikershandleiding. 2.
Gebruik van stabilizer/conditioner Gebruiksaanwijzing Opmerking: Bepaal vanuit de normale bedieningspositie de linker- en rechterzijde van de machine. Gebruik van stabilizer/conditioner in de machine biedt de volgende voordelen: • Houdt de benzine vers gedurende stalling van 90 dagen of minder. Voor langere stalling wordt aanbevolen alle benzine uit de tank af te tappen. Veiligheid staat voorop Lees aandachtig alle veiligheidsinstructies en –stickers in het hoofdstuk Veilige bediening.
Bestuurdersstoel instellen Het maaimes uitschakelen U kunt de stoel naar voren en naar achteren verschuiven. De positie van de stoel moet zo zijn dat u de machine het best kunt bedienen en dat u comfortabel zit. 1. Trap het rempedaal in om de machine te stoppen. 1. Til de stoel op en draai de 4 bouten los (Fig. 3). De maaihoogte instellen 2. Schakel de aftakas uit (Fig. 4). 2. Verschuif de zitting in de gewenste positie en draai de bouten weer vast.
3 2 1 2 3 Figuur 8 1 1. Starten 2. Lopen Figuur 6 1. Uitgeschakeld 2. Ingeschakeld 3. Stoppen 3. Maaikoppelingshendel (aftakas) Stoppen 4. Zet de gashendel op Choke (Fig. 7). 1. Zet de gashendel op Langzaam (Fig. 7). Opmerking: Als de motor heeft gelopen en warm is, hoeft u stap 4 mischien niet uit te voeren. 2. Draai het contactsleuteltje op Stop (Fig. 8).
KeyChoice schakelaar instellen voor Werken in de Achteruit-stand. 1 Dankzij een interlockschakelaar op de tractor wordt de aftakas uitgeschakeld als u achteruit rijdt. Als u de machine in de achteruit-stand zet terwijl de aftakas is ingeschakeld (dat wil zeggen als er maaimessen of andere werktuigen in gebruik zijn), zal de motor afslaan. Niet in de achteruit-stand maaien, tenzij dat strikt noodzakelijk is.
Veiligheidssysteem testen Vooruit en achteruit rijden Controleer de werking van het veiligheidssysteem telkens voordat u de machine in gebruik neemt. Als het veiligheidssysteem niet werkt zoals hieronder beschreven, moet u het direct laten repareren door een erkende Service Dealer. Met de gashendel regelt u de snelheid van de motor, oftewel het toerental (in omwentelingen per minuut). Om vooruit of achteruit te rijden, zet u de parkeerrem vrij; zie Parkeerrem vrijzetten, blz. 11.
Grasvanger leegmaken Gebruik van de machine Als het waarschuwingslampje van de grasvanger op het voorste bedieningspaneel gaat branden, is de grasvanger vol en moet deze worden geleegd. 1. Hef de grasvanger op. 2. Schuif de bedieningshendel van de aandrijving naar rechts en trek deze uit (Fig. 12). Hierdoor wordt het aandrijfsysteem ingeschakeld. 1. Schakel de aftakas uit. 3. Laat de grasvanger neer. 2. Trek de stang van de grasvanger naar voren om de opvangbak te kantelen (Fig. 11). 3.
De Recycler -kap monteren De tractor wordt geleverd met een Recycler-kap. De kap wordt gebruikt als u het grasmaaisel niet wilt opvangen. Gevaar Zonder aangebrachte grasgeleider, afvoerafsluiter of complete grasvanger kunnen u of anderen in aanraking met het maaimes of uitgeworpen voorwerpen komen. Contact met draaiende maaimes(sen) en uitgeworpen voorwerpen kan lichamelijk letsel of de dood veroorzaken. 2 1 m–5981 Figuur 13 • Verwijder de grasgeleider nooit van het maaidek 1.
Maaitips Lang gras Snel-stand gashendel Als u het gras iets langer dan normaal hebt laten groeien of als het een hoog vochtgehalte heeft, moet u de maaihoogte hoger dan normaal instellen en het gras op deze hoogte maaien. Daarna het gras op de lagere, normale hoogte maaien. Voor een optimaal maairesultaat en een maximale luchtcirculatie moet u de gashendel op Snel zetten.
Onderhoud Opmerking: Bepaal vanuit de normale bedieningspositie de linker- en rechterzijde van de machine. Aanbevolen onderhoudsschema Onderhoudsinterval Na de eerste vijf bedrijfsuren Na elk gebruik Onderhoudsprocedure • Motorolie verversen. • • • • • • De bandenspanning controleren. Motoroliepeil controleren. Veiligheidssysteem controleren. Maaikast reinigen. De parkeerrem controleren. Controleren op losse onderdelen. Om de 5 bedrijfsuren • Maaimes controleren.
Motoroliepeil controleren 1 2 Controleer het oliepeil om de 8 bedrijfsuren of dagelijks. Ververs de motorolie na de eerste 5 bedrijfsuren en daarna om de 50 bedrijfsuren. 3 Opmerking: Ververs de olie vaker als het voertuig in zeer stoffige of zanderige omstandigheden moet werken. Type olie: Reinigingsolie (API-onderhoudsclassificatie SF, SG, SH, SJ, of hoger) Carterinhoud: 1400 cc/1,4 l m–1868 Viscositeit: Zie onderstaande tabel. Figuur 14 1. Oliepeilstok 2.
6. Als alle olie is afgetapt, verwijdert u de aftaptrechter en plaatst u de aftapplug terug. 4. Schuif het rubberen kapje van de pluskabel (rood) terug over de kabel. Maak de pluskabel (rood) los van de accupool. Opmerking: De oude olie afgeven bij een erkend inzamelcentrum. 5. Verwijder de accu uit de accubak. 7. Giet ongeveer 80% van de gespecificeerde hoeveelheid olie langzaam in de vulbuis (Fig. 14). Controleer het oliepeil; zie Oliepeil controleren, blz. 20, stappen 4–5. Accu monteren 1.
Accu bijvullen met water 4. Zodra de accu volledig is opgeladen, haalt u de oplader uit het stopcontact en maakt u vervolgens de oplaadkabels los van de accuklemmen (Fig. 17). U kunt de accu het best bijvullen met gedistilleerd water net voordat u het voertuig gaat gebruiken. Het water vermengt zich dan goed met het accuzuur. 1. Verwijder de accu uit de tractor; zie Accu verwijderen, blz. 21. 4 2 2. Maak de bovenkant van de accu schoon met een tissue.
Schuimelement en papierelement reinigen 1. Schuimelement A. Schuimfilter in warm water met vloeibare zeep wassen. Grondig in schoon water uitspoelen. 1 B. Schuimfilter in een schone doek wikkelen en droogknijpen. C. Giet 30 tot 60 gr olie op het filterelement (Fig. 21). Knijp in het filter om de olie te verdelen. 2 m–1884 Belangrijk Schuimfilter vervangen wanneer het gescheurd of versleten is. Figuur 18 1. Knop 2. Luchtfilterdeksel 2 4.
Schuimelement en papierelement installeren Bougie controleren Belangrijk Motor nooit laten lopen zonder dat het complete luchtfilter gemonteerd is, daar anders de motor kan worden beschadigd. 1. Bekijk de binnenkant van de bougie (Fig. 24). Als de isolator lichtbruin of grijs is, werkt de motor naar behoren. Een zwarte laag op de isolator duidt meestal op een vuil luchtfilter. 1. Schuif het schuimelement voorzichtig over het papierelement (Fig. 19). Belangrijk Bougie nooit schoonmaken.
Bandenspanning controleren Benzine aftappen uit de brandstoftank De voor- en achterbanden moeten een spanning van respectievelijk 150 kPa en 200 kPa hebben. Controleer de bandenspanning na elk gebruik. De bandenspanning kan het best bij koude banden worden gecontroleerd. Gevaar In bepaalde omstandigheden is benzine uiterst ontvlambaar en zeer explosief. Brand of explosie van benzine kan brandwonden bij u of anderen en materiële schade veroorzaken.
Brandstoffilter vervangen Onderhoud van het maaimes Vervang het brandstoffilter om de 100 bedrijfsuren of jaarlijks, waarbij de kortste periode moet worden aangehouden. Om een goed maairesultaat te verkrijgen, moet u het maaimes scherp houden. Een extra maaimes vergemakkelijkt het slijpen en vervangen. U kunt het brandstoffilter (Fig. 25) het best vervangen als de brandstoftank leeg is. Na verwijdering mag u nooit een vuil filter opnieuw aan de brandstofslang monteren.
Het maaimes verwijderen Het maaimes slijpen 1. Zet de motor af en haal het sleuteltje uit het contact. Trek de kabel van de bougie. 1. Gebruik een vijl om de snijranden aan beide uiteinden van het mes te slijpen (Fig. 29). Houd daarbij de oorspronkelijke hoek in stand. Het mes blijft in balans als u van beide snijranden dezelfde hoeveelheid materiaal verwijdert. 2. Stel de parkeerrem in werking. 3. Pak het uiteinde van het mes vast met een lap of een dikgevoerde handschoen.
3. Zorg ervoor dat de voor- en achterbanden de aanbevolen spanning hebben; zie Bandenspanning controleren, blz. 25. 1 2 3 4. Verwijder de borgpen op de voorkant van de stelstang (Fig. 31) 5. Draai de moer op de achterkant van de stelstang los (Fig. 31). 3 m–3118 Figuur 32 1 1. Wasaansluiting 2. Snelkoppeling 3. Slang 3. Zet het maaidek op de laagste maaihoogte. 4. Neem plaats op de bestuurdersstoel en start de motor. Schakel de aftakas in en laat de motor van de machine één tot drie minuten lopen.
De machine wassen C. Zet de motor af, laat deze afkoelen en tap de benzine af uit de brandstoftank; zie Benzine aftappen uit de brandstoftank, blz. 25. 1. Zet de motor af en haal het sleuteltje uit het contact. Wacht 10–15 minuten om de motor af te laten koelen. D. Motor opnieuw starten en laten lopen totdat deze afslaat. 2. Was de machine met een mild reinigingsmiddel en water. E. Bedien de choke of hulpstarter. Belangrijk Gebruik hiervoor nooit een hogedrukreiniger.
1 S B Y A X I S1 (ONTSTEKING) UIT GEEN AANSLUITING AAN BIA EN XY START BIS I A S B CONTACTSCHAKELAAR GND ZWART 5 6 7 9 8 2 ROOD/ZWART ROOD/ZWART TURQUOISE ORANJE ROOD/WIT 8 7,5 A F2 21 3 ROOD 12 V DC ACCU 2 ORANJE ROOD 7,5 A F1 9 30 20 22 23+24 27 29 14 30 GRIJS 29 MAGNEET GRIJS GND 19 25 ROOD ORANJE RODE LAMP (TIJDELIJK AFZETTEN) WIT/ZWART ORANJE LAMP (ZAK VOL) SOLENOÏDE 4 GND WIT SM 33 5 3 4 2 1 13 28 S4 (STOEL) BRUIN 14 ORANJE ZWART
Storingen, oorzaak en remedie Probleem De startmotor slaat niet aan. De motor start niet, start moeilijk j of slaat af. De motor verliest vermogen. Mogelijke oorzaken Remedie 1. De aftakas is Ingeschakeld. 1. Aftakas Uitschakelen. 2. De parkeerrem is niet in werking. 2. De parkeerrem in werking stellen. 3. De accu is leeg. 3. Accu opladen. 4. De elektrische aansluitingen zijn gecorrodeerd of zitten los. 4. Controleren of de elektrische aansluitingen goed contact maken. 5.
Probleem De motor raakt oververhit. hit Mogelijke oorzaken Remedie 1. De motor is te zwaar belast. 1. De rijsnelheid verminderen. 2. Het oliepeil in het carter is te laag. 2. Het carter bijvullen met olie. 3. De koelribben en luchtkanalen onder het ventilatorhuis van de motor zijn verstopt. 3. De koelribben en luchtkanalen ontstoppen. 1. Het maaimes is verbogen of niet in balans. 1. Nieuw maaimes monteren. 2. De bevestigingsbout van het maaimes zit los. 2.