Form No. 3355-824 Rev A Multi-Pro 1250 Gazonspuitmachine Modelnr.: 41179—Serienr. 260000001 og højere Registreer uw product op www.Toro.
Waarschuwing plaats van het modelnummer en het serienummer van het product aan. CALIFORNIË Proposition 65 De uitlaatgassen van de motor van dit product bevatten chemische stoffen waarvan bekend is dat ze kanker, geboorteafwijkingen of andere schade aan de voortplantingsorganen kunnen veroorzaken. Figuur 1 Belangrijk: De motor van dit product is niet uitgerust met een vonkenvanger.
Inhoud Aantekening voor speciale aandachtsgebieden ............ 40 Procedures voorafgaande aan onderhoud ................................ 41 De spuitmachine opkrikken ............... 41 Smering..................................................... 42 De spuitmachine smeren.................... 42 Onderhoud motor..................................... 43 Luchtinlaatrooster controleren .................................... 43 Onderhoud van het luchtfilter ............ 43 Motoroliepeil controleren..................
Veiligheid Verantwoordelijkheden van de bedrijfsleiding Onjuist gebruik of onderhoud door de gebruiker of eigenaar kan letsel veroorzaken. Om het risico van letsel te vermijden, dient u zich aan de volgende veiligheidsinstructies te houden en altijd op het veiligheidssymbool te letten, dat betekent VOORZICHTIG, WAARSCHUWING of GEVAAR – "instructie voor persoonlijke veiligheid". Niet-naleving van de instructie kan leiden tot lichamelijk of dodelijk letsel.
• • • • • Zorg ervoor dat uw huid zoveel mogelijk is bedekt als u chemische stoffen gebruikt. Zorg ervoor dat er schoon water voorhanden is, in het bijzonder als u de spuittank vult. Niet eten, drinken of roken als u met chemische stoffen werkt. Was altijd uw handen en onbedekte lichaamsdelen zo snel mogelijk nadat u de werkzaamheden hebt beëindigd.
Tijdens het gebruik riskante handelingen tijdens het rijden, waardoor u de controle over de machine kunt verliezen. – Voordat u achteruitrijdt, moet u achterom kijken om er zeker van te zijn dat er zich niemand achter het voertuig bevindt. Rij langzaam achteruit. De uitlaatgassen van de motor bevatten koolmonoxide, een reukloos, dodelijk gif. Laat de motor niet binnenshuis of in een afgesloten ruimte lopen. – Let op het verkeer bij het oversteken en in de buurt van de openbare weg.
Remmen doen. Maak nooit een scherpe of snelle bocht op een helling. • Verminder uw snelheid als u een obstakel nadert. Dit geeft u extra tijd om te stoppen of te draaien. Als u een obstakel raakt, kunnen de machine en de lading worden beschadigd. En wat belangrijker is, u kunt letsel oplopen. • Een zware lading heeft invloed op de stabiliteit van het voertuig. Verminder het gewicht van de lading en neem gas terug als u op een helling rijdt.
te voorkomen dat de machine omkiept of omslaat. • Denk erom dat vloeibare lading kan gaan schommelen. Dit gebeurt meestal als u draait, een helling op- of afrijdt, plotseling uw snelheid wijzigt of als u over oneffen terrein rijdt. Als de vloeistof gaat schommelen, kan de machine omslaan. • Als u een zware lading vervoert, moet u de snelheid verminderen en ervoor zorgen dat de remweg lang genoeg is. Trap niet abrupt op het rempedaal. Wees extra voorzichtig op hellingen.
Veiligheids- en instructiestickers Veiligheidsstickers en veiligheidsinstructies zijn gemakkelijk zichtbaar voor de bestuurder en bevinden zich bij plaatsen waar gevaar kan ontstaan. Vervang alle beschadigde of verdwenen stickers. 104-7628 1. Lees de Gebruikershandleiding. 100-8386 1. 2. Brandstof Leeg 3. 4. Half-vol Vol 100-8458 1. Snelheid van de machine 2. Om de machine in te stellen op een lage snelheid, moet u gas minderen en de snelheidsbegrenzer omhoog trekken. 3.
0-8470 1. Motor – Afzetten 5. 2. Motor – Lopen 3. Motor – Starten 4. Koplampen 6. 7. 8. Motortoerentalbegrenzer van neutraalstand Inschakelen AAN Uit 107-8621 1. Mengen Aan 2. Continu snelheidsregeling 3. Mengen Uit 100-8489 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 106-5065 1. Aan 2. Afvoer van tank 3. Uit Linker spuitboom Middelste spuitboom Rechter spuitboom Spuiten Aan Spuiten Uit Pomp Aan Uit 9. Continu verstelbare regeling, spuitdruk 10. Verhogen 10 11. 12. 13. 14. 15. 16. 17. 18. 19.
106-5016 1. Waarschuwing – Lees de Gebruikershandleiding. 2. Gevaar voor elektrische schok, bovengrondse elektrische leidingen – Blijf uit de buurt van bovengrondse elektrische leidingen. 3. Ledematen kunnen bekneld raken, spuitboom – Houd omstanders op een veilige afstand van de machine. 107-8640 1. Waarschuwing – Lees de Gebruikershandleiding; spoel de tank om met vers, schoon water. 93-0688 1. Waarschuwing – Lees de Gebruikershandleiding. 2.
108-3307 108-3699 1. 30 A zekering, actuator van 6. linker spuitboom 2. 30 A zekering, actuator van 7. rechter spuitboom 3. 15 A zekering, 8. schuimmarkeerder 4. Leeg 9. 5. 30 A zeker, voeding 10. 108-3309 1. 2. 3. 4. 5. 6. Totale Oppervlak Spuitboom kiezen Snelheid Maateenheden Eenheden selecteren Gebruiksdosis 8. 9. 10. 11. 12. 13. 7. Sub oppervlak Breedte Afstand Snelheidskalibratie Sub Hoeveelheid Totale Hoeveelheid Kalibratie van de vloeistofstroommeter 108-3252 1.
104-8939 1. Motoroliepeil (peilstok) 5. Hydraulische zeef 2. Motorolielter 3. Peil transaxleolie/hydraulische vloeistof (peilstok) 4. Filter voor transaxleolie/hydraulische vloeistof 6. 7. Oliepeil in versnellingsbak Remvloeistof 8. Riemen, besturing en aandrijving 9. Brandstof, uitsluitend loodvrij 10. Brandstoflter 11. Accu 12. Luchtlter 13 13. Smeervet 14. Bandenspanning 15. Lees de instructies alvorens service- of onderhoudswerkzaamheden uit te voeren. 16.
Montage Losse onderdelen Gebruik onderstaande lijst om te controleren of alle onderdelen zijn geleverd.
1 4. Zet de slangadapter vast door de hendels naar de adapter te draaien en de hendels vervolgens te borgen met de R-pennen (Figuur 3). 5. Monteer de anti-overloopslang op het geribde uiteinde van de 90º elleboogfitting (Figuur 3). Montage van de anti-overloopaansluiting Belangrijk: U mag de slang niet verlengen zodat deze in contact kan komen met de vloeistof in de tank.
6. Monteer de Spray Pro-monitor op de flenskopbouten (Figuur 5) en draai de knoppen aan om de monitor vast te zetten. 7. Sluit de Spray Pro-stekkers aan op de stekkers onder het dashboard (Figuur 7). Figuur 5 1. Spray Pro-monitor 3. 2. Beugel 4. Figuur 7 Flenskopbout, 1/4 x 3/4 inch Knop 1. Stekkers van de spuitmachine 3. Plaats de 2 rijtuigschroeven, de rubberen ringen en de knoppen losjes op de beugel zoals wordt getoond in Figuren Figuur 5 en Figuur 6. 2.
Algemeen overzicht van de machine Figuur 8 1. Bestuurderspositie 2. Koplamp 3. 4. Schoonwatertank Brandstoftank 5. Chemicaliëntank 6. Anti-overloopaansluiting 7. Deksel van tank Figuur 9 1. Pedalen 2. Spoeltank 3. 4. Chemicaliëntank Pomp 5. Accu 6. Demper van pompdruk 17 7. Mengregelklep 8.
Bedieningsorganen Figuur 10 1. Stuurwiel 2. Spray Pro-monitor 4. 5. 3. Snelheidsbegrenzer 6. Choke Bedieningsorganen van spuitsysteem Vergrendelschakelaar voor gebruiksdosis 7. Parkeerrem 8. Hoofdvloerschakelaar van de spuitbomen 9. Schakelhendel 10. 11. Voltmeter Urenteller 12. Bedieningsorganen van machine Gaspedaal Het gaspedaal (Figuur 11) biedt de bestuurder de mogelijkheid de rijsnelheid van de spuitmachine te regelen. Als u het pedaal intrapt, verhoogt u de rijsnelheid.
Chokehendel De choke wordt bediend met een kleine knop rechts van de bestuurdersstoel (Figuur 13). Om een koude motor te starten, moet u de chokeknop uittrekken. Nadat de motor is gestart, kunt u met behulp van de choke de motor regelmatig laten lopen. Zodra dit mogelijk is, zet u de chokeknop op Uit. Als de motor warm is, hoeft de choke niet of nauwelijks te worden gebruikt. Schakelhendel Figuur 12 1. Parkeerremhendel De schakelhendel bevindt zich rechts van de bestuurdersstoel en heeft 5 standen.
Contactschakelaar Hoofdschakelaar van de spuitbomen De contactschakelaar (Figuur 14), waarmee u de motor start en afzet, heeft drie standen: Stop, Lopen en Start. Draai het sleuteltje naar rechts op Start om de motor te starten en laat het sleuteltje los en draaien op Lopen als de motor is gestart. Draai het contactsleuteltje op Stop om de motor af te zetten. De hoofdschakelaar bevindt zich op de vloer van de cabine links van de bestuurder. Hiermee kunt u starten of stoppen met spuiten.
Vergrendelschakelaar voor gebruiksdosis De vergrendelschakelaar voor de gebruiksdosis bevindt zich op het bedieningspaneel aan de rechterkant van de bestuurderstoel (Figuur 16). Draai de sleutel linksom in de vergrendelde stand om de schakelaar voor de gebruiksdosis te blokkeren; hiermee voorkomt u dat iemand per ongeluk de gebruiksdosis verandert. Draai de sleutel rechtsom in de onvergrendelde stand om de schakelaar voor de gebruiksdosis te activeren.
Figuur 17 1. Regelklep voor gebruiksdosis 2. Vloeistofstroommeter 3. Kleppen van spuitbomen Vloeistofstroommeter Figuur 18 1. Mengregelklep De vloeistofstroommeter meet de doorstroomhoeveelheid van de vloeistof die wordt gebruikt door het Spray Pro™ systeem (Figuur 17). 2. Drukmeter Opmerking: Om te mengen, moet u de pomp inschakelen en de motor stationair laten lopen.
Spray Pro™-monitor bekijken en te controleren. De monitor controleert niet de gebruiksdosis. De Spray Pro-monitor biedt de mogelijkheid allerlei gegevens over de prestaties van het systeem, zoals snelheid van de machine en gebruiksdoses, te De monitor heeft een LCD-scherm dat de geselecteerde gegevens toont, een keuzeschijf en 4 knoppen om de monitor te kalibreren (Figuur 19). Figuur 19 1. 2. 3. 4. LCD-scherm Keuzeschijf Totale Oppervlak Snelheid 5. Maateenheden 6. 7. 8. 9. 10.
het Totale Oppervlak verandert. Als u op de kalibratieknop Terugstellen drukt, wordt Sub Hoeveelheid teruggesteld. • Snelheid/Afstand • Vloeistofstroommeter Specicaties • Afstand Toont de afstand die u hebt afgelegd in voeten (US en TURF) of in meters (SI) sinds u voor de laatste keer de kalibratieknop Terugstellen voor deze instelling hebt ingedrukt. Opmerking: Specificaties en ontwerp kunnen zonder voorafgaande kennisgeving worden gewijzigd.
Gebruiksaanwijzing 3. Als het oliepeil te laag is, moet u de vuldop losmaken van het klepdeksel (Figuur 20) en voldoende olie bijvullen totdat het peil de Vol-markering op de peilstok bereikt; zie Motoroliepeil controleren, Onderhoud motor, blz. 43, voor juiste type olie en viscositeit. Vul de olie langzaam bij en controleer daarbij veelvuldig het peil. Niet te vol vullen. Opmerking: Bepaal vanuit de normale bedieningspositie de linker- en rechterzijde van de machine. Veiligheid staat voorop 4.
Opmerking: De dop van de brandstoftank is voorzien van een meter die het brandstofpeil aangeeft; controleer dit geregeld. In bepaalde omstandigheden kan tijdens het tanken statische elektriciteit worden ontladen waardoor vonken ontstaan die benzinedampen tot ontbranding kunnen brengen. Brand of explosie van benzine kan brandwonden bij u of anderen en materiële schade veroorzaken. 1. Zet de motor af en stel de parkeerrem in werking. 2. Maak de omgeving van de dop van de brandstoftank schoon (Figuur 21).
• Controleer of het rempedaal werkt. • Controleer of de verlichting werkt. • Draai het stuurwiel naar links en naar rechts om de stuurreacties te controleren. • Controleer op olielekken, loszittende onderdelen en andere zichtbare gebreken. Zet de motor af en wacht totdat alle bewegende delen tot stilstand gekomen zijn voordat u controleert op olielekken, losse onderdelen of andere gebreken. 2. Duw de hendel van de parkeerrem naar voren om deze vrij te zetten.
2. Trek de hendel van de parkeerrem omhoog en naar achteren om de parkeerrem in werking te stellen. Chemische stoffen zijn gevaarlijk en kunnen lichamelijk letsel veroorzaken. 3. Zet de schakelhendel in de neutraalstand. • Lees de aanwijzingen op het fabrieksetiket voordat u gaat werken met chemische stoffen, en neem alle aanbevelingen en voorzorgsmaatregelen van de fabrikant in acht. 4. Draai het contactsleuteltje op Stop. 5.
ongeluk in contact zijn gekomen met chemische stoffen. Om de tapkraan van de watertank te openen, moet u de hendel op de kraan draaien. Figuur 24 1. Tankdeksel 2. Anti-overloopaansluiting 4. Giet ongeveer 3/4 van de benodigde hoeveelheid water in de spuittank via de anti-overloopaansluiting. Belangrijk: U moet de tank altijd vullen met schoon water. Giet nooit concentraat in een lege tank. Figuur 23 1. Schoonwatertank 2. Dop van vulbuis 3. Tapkraan 5.
De Spuitbomen bedienen komen de spuitbomen in een bijna horizontale stand op de achterkant van de machine te rusten. Aangezien de spuitbomen hierbij geen schade oplopen, dienen zij onmiddellijk te worden teruggeplaatst in de transporthouder. Opmerking: Voor het volgende gedeelte moet u een spuitboomset en spuitdoppen aanschaffen en installeren. Neem voor informatie over de verkrijgbare spuitboomsets en accessoires contact op met een erkende Toro-dealer.
C. Controleer of de monitor de correcte gebruiksdosis toont. Indien nodig gebruikt u de schakelaar voor de gebruiksdosis om de gewenste gebruiksdosis te verkrijgen. D. Keer terug naar het perceel waar u bent begonnen met spuiten. 6. Zet de hoofdschakelaar van de spuitbomen op Aan om te beginnen met spuiten. spoelset monteert, kunt u deze tank vullen met schoonwater en automatisch de hoofdtank, de toevoerleidingen van de spuitbomen en de spuitdoppen omspoelen.
C. Draai de kunststofmoer aan de onderkant van de hendel vast om de afvoerbuis van de tank in geopende stand te houden. 14. Spuit met een tuinslang de buitenkant van de spuitmachine schoon. Gebruik hierbij schoon water. D. Als de tank is afgetapt, draait u de moer los en drukt u de T-hendel zo ver mogelijk in. 15. Verwijder de spuitdoppen en reinig ze met de hand. Vervang versleten of beschadigde spuitdoppen. E. Draai de moer weer vast om de afvoerbuis in de gesloten stand te houden.
Kalibratie van de Spray Pro-monitor Figuur 27 1. 2. 3. 4. LCD-scherm Keuzeschijf Totale Oppervlak Snelheid 5. Maateenheden 6. 7. 8. 9. 10. Gebruiksdosis Afstand Sub Oppervlak Sub Hoeveelheid 11. 12. 13. 14. Totale Hoeveelheid 15. Keuze spuitboom De Spray Pro-monitor heeft een kalibratiemodus waarmee u verschillende instellingen kunt veranderen om het scherm aan te passen en de monitor te kalibreren overeenkomstig uw wensen.
8. Herhaal indien nodig stappen 4 tot en met 7 voor de andere spuitbomen. Stel de spuitbomen in werking totdat er geen lucht meer in de leiding zit en schakel ze daarna uit met de hoofdschakelaar. 9. Druk op de kalibratieknop totdat het rode lampje dooft. U kunt de kalibratiemodus ook verlaten door te gaan rijden met de spuitmachine. 5. Draai de keuzeschijf op Totale Hoeveelheid. 6. Druk net zolang op de Kalibratieknop terugstellen totdat "0" op het scherm verschijnt. Maateenheden instellen 7.
1. Alle banden controleren en op spanning brengen; zie Bandenspanning controleren in Onderhoud aandrijfsysteem, blz. 50. 2. Vul de schoonwatertank. 3. Vul de tank van de spuitmachine voor de helft met water. 4. Kies een recht, vlak stuk grond dat overeenkomt met de omstandigheden van uw gazon. 15. Als de waarde van de afstand op het scherm verschijnt, moet u deze met de kalibratieknoppen Verhogen of Verminderen wijzigen in 500 voeten.
7. Zet de pompschakelaar op Aan om de pomp in werking te stellen. 8. Zet de schakelaar van elke spuitboom en de hoofdschakelaar van de spuitbomen op Aan. 9. Stel de druk in op de waarde die wordt aangegeven op de drukmeter, totdat de druk zich bevindt in het bereik voor de spuitdoppen die u hebt geïnstalleerd op de spuitbomen (normaal 276 kPa [40 psi]). Dit doet u met behulp van de schakelaar voor de gebruiksdosis. 10. Noteer de waarde op de drukmeter. 11.
Figuur 30 1. Bevestigingspunten De achterste bevestigingspunten zijn twee stalen ogen onder de achterkant van het chassis vlak voor het verstelbare boomframe. De spuitmachine slepen In noodgevallen kan de spuitmachine over een korte afstand worden gesleept. Toro adviseert echter hiervan geen standaard procedure te maken. Als u het voertuig bij een te hoge snelheid sleept, kunt u de macht over het stuur verliezen. Dit kan letsel veroorzaken. Sleep de machine nooit sneller dan 8 km per uur.
Onderhoud Opmerking: Bepaal vanuit de normale bedieningspositie de linker- en rechterzijde van de machine. Aanbevolen onderhoudsschema Onderhoudsinterval Onderhoudsprocedure Na de eerste 8 bedrijfsuren • • • • Wielmoeren aandraaien. Spanning van drijfriem controleren. Riem van stuurpomp controleren. Hydraulische lter vervangen. Na de eerste 50 bedrijfsuren • De motorolie verversen. Bij elk gebruik of dagelijks • Het motoroliepeil controleren. • Bandenspanning controleren.
Onderhoudsinterval Onderhoudsprocedure Om de 400 bedrijfsuren • Verricht alle jaarlijkse onderhoudsprocedures die staan vermeld in de gebruikershandleiding van de motor. • Brandstoeidingen controleren. • De primaire aandrijfkoppeling reinigen en smeren. • Pompmembraan controleren en indien nodig vervangen (neem contact op met een erkende Toro Service Dealer). • Blaas van drukdemper controleren en indien nodig vervangen (neem contact op met een erkende Toro Service Dealer).
Controlelijst Dagelijks Onderhoud Gelieve deze pagina te kopiëren ten behoeve van gebruik bij routinecontroles. Gecontroleerde item Voor week van: Ma. Wo. Di. Do. Vr. Werking van rem en parkeerrem controleren. Werking van schakelinrichting/neutraalstand controleren. Brandstofpeil controleren. Controleer het motoroliepeil. Het transaxle-oliepeil controleren. Luchtlter controleren. Koelribben van de motor controleren. Controleren of motor ongewone geluiden maakt.
Als u het sleuteltje in het contact laat, bestaat de kans dat iemand de motor per ongeluk start waardoor u en andere omstanders ernstig letsel kunnen oplopen. Haal het sleuteltje uit het contact en maak de bougiekabel(s) los voordat u onderhoudswerkzaamheden uitvoert aan de machine. Druk de kabel(s) opzij, zodat deze niet onbedoeld contact kan (kunnen) maken met de bougie(s). Figuur 31 Aandachtspunten voor onderhoud 1. Motoroliepeil (peilstok) 5. Hydraulische zeef 2. Motorolielter 3.
Figuur 32 1. Kriksteunpunten aan de voorzijde Het kriksteunpunt aan de achterkant van de machine bevindt zich op het steunpunt van het achterframe tussen de hoeknaden (Figuur 33). Figuur 34 Bij de wielen, drie aan elke kant 1. Smeerpunt Figuur 33 1. Kriksteunpunten aan de achterkant Smering Figuur 35 De spuitmachine smeren Stuurstangen 1. Smeerpunt Wij adviseren u alle lagers en lagerbussen om de 100 bedrijfsuren of een keer per jaar te smeren, waarbij de kortste periode moet worden aangehouden.
Figuur 40 Figuur 37 1. Aandrijfas op motor, vijf aan elke kant Smeerpunt 1. Smeerpunt Onderhoud motor Luchtinlaatrooster controleren Indien nodig dient u het luchtinlaatrooster op de voorkant van de motor om de 8 bedrijfsuren te controleren en te reinigen. Figuur 38 Onderhoud van het luchtlter Aandrijfas op transmissie, vijf aan elke kant 1. Smeerpunt Schuimelement: Om de 25 bedrijfsuren of jaarlijks reinigen en met olie bestrijken, waarbij de kortste periode moet worden aangehouden.
Papierelement controleren Controleer het papierelement op scheuren, een vettig oppervlak, beschadigingen van de rubberen afdichting, overmatig vuil of andere schade (Figuur 43). Als u een van deze zaken constateert, moet u het filter vervangen. Belangrijk: Het papierelement nooit reinigen met perslucht of vloeistoffen zoals oplosmiddelen, benzine of petroleum. Figuur 41 1. 2. 3. 4. Luchtlterdeksel Knop Dekselmoer Kap 5. 6. 7. 8.
• Vereiste onderhoudsclassificatie van API: SJ, JK, SL of hoger. • Aanbevolen olie: SAE 10W30 (boven -18 °C) • Alternatieve olie: SAE 5W30 (beneden 0 °C) 2. Stel de parkeerrem in werking, schakel de pomp uit, zet de motor af en verwijder het contactsleuteltje. 3. Maak de vergrendeling op de achterzijde van de bestuurdersstoel los en klap deze naar voren. Toro Toro Premium motorolie is verkrijgbaar bij uw dealer met een viscositeit van 15W40 of 10W30. Zie de Onderdelencatalogus voor de onderdeelnummers.
Motorolielter vervangen 1. Tap de motorolie af; zie Motorolie verversen, stappen . 2. Verwijder het oliefilter (Figuur 46). 2. Maak de vergrendeling op de achterzijde van de bestuurdersstoel los en klap deze naar voren. 3. Maak de kabels los van de bougies (Figuur 47). 4. Maak de omgeving van de bougie schoon om te voorkomen dat er vuil in de motor komt, wat beschadiging kan veroorzaken. 5. Verwijder de bougies en de metalen pakkingringen. Figuur 46 1. Olielter 2. Filtertussenstuk 3.
Figuur 48 1. Centrale elektrode met isolator 2. Massa-elektrode 3. Figuur 49 Elektrodenafstand (niet op schaal weergegeven) 1. 2. Slangklem Brandstofslang 3. 4. Filter Pijl voor stroomrichting 7. Monteer een nieuw filter en schuif de slangklemmen terug tot dicht bij het filter. Bougies monteren Zorg ervoor dat de pijl voor de stroomrichting naar de motor wijst. 1. Monteer de bougies en de metalen pakkingringen. 2. Draai de bougies vast met een torsie van 24,4 tot 29,8 Nm.
Houd de accu altijd schoon en volledig geladen. Gebruik een tissue om de accu en de accubak schoon te maken. Als de accupolen zijn geoxideerd, moet u deze schoonmaken met een oplossing van vier delen water en één deel zuiveringszout. Breng een laagje vet op de accupolen aan om corrosie te voorkomen. Spanning: 12 V, 280 A (koude start) bij -18° C Accu verwijderen 1.
Belangrijk: Zorg ervoor dat de accuhouder altijd op zijn plaats zit om de accu te beschermen en vast te zetten. 3. Sluit de pluskabel (rood) aan op de pluspool (+) van de accu en de minkabel (zwart) op de minpool (-) van de accu met behulp van de bouten en de vleugelmoeren. Schuif het rubberen kapje over de pluspool van de accu heen. 4. Monteer het accudeksel en zet dit goed vast met de 2 knoppen (Figuur 51).
Onderhoud aandrijfsysteem Belangrijk: Laat de accu niet te vol worden. Er zal dan accuzuur naar buiten stromen over andere delen van de machine. Dit kan ernstige corrosie en beschadiging veroorzaken. Onderhoud van de primaire aandrijfkoppeling Accu opladen Om de 400 bedrijfsuren of jaarlijks moet u de koppeling als volgt reinigen en smeren: 1. Zet de motor af, verwijder het sleuteltje en stel de parkeerrem in werking. 2. Hef het voorste uiteinde van de spuitmachine op en plaats deze op kriksteunen.
De wielen/banden controleren Controleer na de eerste 8 bedrijfsuren en daarna om de 100 bedrijfsuren of de wielen stevig zijn gemonteerd. Draai de bouten van de voorwielen vast met een torsie van 68-74 Nm en de moeren van de achterwielen met een torsie van 54-81 Nm. Figuur 53 1. Kap 2. U moet de banden minstens om de 100 bedrijfsuren controleren. Ongelukken tijdens werkzaamheden, zoals een botsing tegen een trottoirband, kunnen een band of een velg beschadigen en tevens de wieluitlijning verstoren.
Onderhouden remmen Remvloeistofpeil controleren Het reservoir voor de remvloeistof is in de fabriek gevuld met DOT 3 remvloeistof. Controleer elke dag het remvloeistofpeil voordat u de motor start. Figuur 55 1. Hart-op-hart-afstand achterkant wielen 2. Hart-op-hart-afstand voorkant wielen 3. Middellijn van as 4. Spanklem 5. Afstand middellijn van as 6. 15 cm liniaal 5.
Onderhoud riemen vullen tot het correcte niveau. Niet te vol vullen. Onderhoud van de drijfriem De remmen controleren Drijfriem controleren De remmen zijn van essentieel belang voor een veilig gebruik van de spuitmachine. De remmen moet om de 100 bedrijfsuren worden gecontroleerd. Hierbij gaat u als volgt te werk. De conditie van de drijfriem moeten na de eerste gebruiksdag worden gecontroleerd en vervolgens om de 200 bedrijfsuren. 1.
een speling van 5 mm hebben als u halverwege op de riem drukt met een kracht van 22 N. 1. Parkeer het voertuig op een horizontaal oppervlak, stel de parkeerrem in werking, draai het contactsleuteltje op Uit en verwijder het sleuteltje uit het contact. 2. Draai de bevestigingsbouten van de stuurpomp los (Figuur 61). Figuur 62 1. Peilstok 2. Vulopening Belangrijk: Zorg ervoor dat er geen vuil of andere verontreinigende stoffen in de opening komen als u de olie controleert. 3. Steek de peilstok in de buis.
Belangrijk: Gebruik uitsluitend de gespecificeerde hydraulische vloeistoffen. Andere vloeistoffen kunnen schade aan het systeem veroorzaken. 12. Start de motor en laat de spuitmachine rijden zodat de vloeistof zich verspreidt door het hydraulische systeem. Controleer nogmaals het oliepeil en vul indien nodig olie bij.
7. Schroef het filter erop totdat de pakking contact maakt met de bevestigingsplaat; draai het filter vervolgens nog eens een 1/2 slag. 8. Start de motor en laat deze ongeveer 2 minuten lopen om lucht uit het systeem te verwijderen. Zet de motor af en controleer of het peil van de hydraulische vloeistof correct is en of het systeem lekt. Onderhoud van het spuitsysteem Figuur 66 De slangen controleren 1. Tandwielkast van pompaandrijving 2.
2. Verwijder de beschermkap van de behuizing van de vloeistofstroommeter (Figuur 67). Figuur 68 1. Zuigkorf Figuur 67 1. Beschermkap 2. Schoepenwiel 3. Behuizing van vloeistofstroommeter 2. Maak de slang los van de tank. 3. Trek de zuigkorf uit het gat. 4. Reinig de zuigkorf met schoon stromend water. 3. Trek het schoepenwiel voorzichtig uit de behuizing. 5. Plaats de zuigkorf volledig terug in het gat. 6. Sluit de slang aan op de bovenkant van de tank en zet deze vast met de borgveer. 4.
Stalling Opmerking: Stabilizer/conditioner werkt het best als het met verse benzine wordt vermengd en altijd wordt gebruikt. 1. Parkeer de spuitmachine op een horizontaal oppervlak, stel de parkeerrem in werking, schakel de pomp uit, zet de motor af en verwijder het sleuteltje uit het contact. 2. Verwijder vuil en vet van de gehele machine, inclusief de buitenkant van de cilinder, de koelribben van de cilinderkop en het ventilatorhuis. B.
Belangrijk: De accu moet volledig opgeladen zijn, om te voorkomen dat deze bevriest en beschadigd raakt bij temperaturen beneden 0°C. Een volledig opgeladen accu kan ongeveer 50 dagen worden opgeslagen bij temperaturen beneden 4°C zonder tussentijds te hoeven worden opgeladen. Bij temperaturen boven 4°C moet u om de 30 dagen het waterpeil in de accu controleren en de accu opladen. 16. Controleer alle bouten, schroeven en moeren en draai deze vast. Repareer of vervang beschadigde delen. 17.
Problemen, oorzaak en remedie Problemen met de motor en de machine verhelpen Probleem Mogelijke oorzaak Remedie De startmotor slaat niet aan. 1. De schakelhendel staat in de versnelling en niet in de neutraalstand. 2. De elektrische aansluitingen zijn gecorrodeerd of zitten los. 3. Doorgebrande of losse zekering. 4. Accu is leeg. 1. Het rempedaal intrappen en de schakelhendel in de neutraalstand zetten. 2. Controleren of de elektrische aansluitingen goed contact maken. 5.
Probleem De motor start, maar blijft niet lopen. Mogelijke oorzaak 1. De ontluchting van de brandstoftank wordt belemmerd. 2. Vuil of water in het brandstofsysteem. 3. Het brandstoflter is verstopt. 4. Doorgebrande of losse zekering. 5. De brandstofpomp is defect. 6. De carburateur is defect. 7. Losse kabels of slechte aansluitingen. 8. De pakking van de cilinderkop is kapot. De motor loopt, maar klopt of hapert. 1. Vuil, water of oude brandstof in het brandstofsysteem. 2. Een bougiekabel zit los. 3.
Probleem Motor loopt niet stationair. Mogelijke oorzaak 1. De ontluchting van de brandstoftank wordt belemmerd. 2. Vuil, water of oude brandstof in het brandstofsysteem. 3. 4. 5. 6. 7. 8. De motor raakt oververhit. Remedie 1. Brandstoftankdop vervangen. 2. Brandstof aftappen uit de brandstoftank en deze schoonspoelen. Tank vullen met verse brandstof. Een bougie is beschadigd 3. Bougie vervangen. of defect. 4. Neem contact op met De leegloopkanalen een erkende Service van de carburateur zijn Dealer.
Probleem De motor verliest vermogen. Mogelijke oorzaak 1. Verkeerd oliepeil in het carter. 2. Het luchtlterelement is vuil. 3. Vuil, water of oude brandstof in het brandstofsysteem. 4. 5. 6. 7. Abnormale trilling of geluid. 1. Vullen of aftappen totdat het oliepeil de Vol-markering bereikt. 2. Reinigen of vervangen. 3. Brandstof aftappen uit de brandstoftank en deze schoonspoelen. Tank vullen met verse brandstof. De motor is oververhit. 4. Zie Motor raakt oververhit. 5. Bougie vervangen.
Probleem De machine rijdt in geen van beide richtingen. Mogelijke oorzaak Remedie 1. De schakelhendel in de neutraalstand zetten. 2. 3. 4. 5. 1. Het rempedaal intrappen en de schakelhendel in een versnelling zetten. De parkeerrem is niet vrij 2. De parkeerrem vrijzetten gezet of de parkeerrem of de koppeling komt niet vrij. controleren. De transmissie is defect. 3. Neem contact op met een erkende Service Dealer. 4.
Probleem Mogelijke oorzaak Remedie Een spuitboom kan niet worden uitgeschakeld. 1. De klep is beschadigd. 1. Het spuitsysteem en de pomp uitschakelen en de spuitmachine afzetten. De borgveer onder de klep van de spuitboom verwijderen en de motor en de stang naar buiten trekken. Alle onderdelen controleren en vervangen als zij beschadigd zijn. Een klep van een spuitboom lekt 1. Een O-ring is versleten. 1. Het spuitsysteem en de pomp uitschakelen en de spuitmachine afzetten.
Problemen met de Spray Pro-monitor Probleem Mogelijke oorzaak Remedie De monitor werkt niet. 1. De kabel van de 1. De kabel van de monitor monitor zit los of is aansluiten. niet aangesloten. 2. De monitor of de kabel is 2. Neem contact op met een erkende Service beschadigd. Dealer. De snelheid staat steeds op 0 of is onregelmatig. 1. De kabel van monitor zit 1. De kabel van de monitor los. aansluiten. 2. De snelheidssensor is 2. De snelheidssensor niet correct gekalibreerd. kalibreren. 3.
Probleem Mogelijke oorzaak Remedie Totale Hoeveelheid is onnauwkeurig. 1. De vloeistofstroommeter 1. De vloeistofstroommeter is vuil of verstopt. reinigen. 2. De vloeistofstroommeter 2. De vloeistofstroommeter is niet correct kalibreren. gekalibreerd. 3. De vloeistofstroommeter 3. Neem contact op met een erkende Service is beschadigd. Dealer. De monitor toont 6553.5 in de instelling voor de gebruiksdosis. 1. De monitor ontvangt geen gegevens van de snelheidssensor. 1.
Schema's Elektrisch schema, machine (Rev.
Elektrisch schema, spuitsysteem (Rev.
Hydraulisch schema (Rev.
De algemene garantiebepalingen voor Toro-producten 2 jaar garantie Voorwaarden en producten waarvoor de garantie geldt De Toro Company en de hieraan gelieerde onderneming, Toro Warranty Company, bieden krachtens een overeenkomst tussen beide ondernemingen gezamenlijk de garantie dat uw Toro-product (hierna: het "Product") gedurende twee jaar of 1500 bedrijfsuren* vrij van materiaalgebreken of fabricagefouten is, met dien verstande dat hierbij de kortste periode moet worden aangehouden.