Form No. 3328-314 Multi-Pro 1200 Gazonspuitmachine Modelnr. 41107—Serienr.
Waarschuwing Gebruiksaanwijzing . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . Veiligheid op de eerste plaats . . . . . . . . . . . . . . . . . Bedieningsorganen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . Controle vóór het gebruik . . . . . . . . . . . . . . . . . . . Motor starten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . Rijden met de spuitmachine . . . . . . . . . . . . . . . . . . Motor afzetten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
Er worden in deze handleiding nog twee woorden gebruikt om u op belangrijke informatie te wijzen. Belangrijk attendeert u op bijzondere technische informatie en Opmerking: duidt algemene informatie aan die uw bijzondere aandacht verdient. Inleiding Lees deze handleiding zorgvuldig, zodat u weet hoe u de machine op de juiste wijze kunt gebruiken en onderhouden. De informatie in deze handleiding kan u en anderen helpen letsel en schade te voorkomen.
• Voer ongebruikte chemische stoffen en verpakkingen voor chemische stoffen af volgens de instructies van de fabrikant en de plaatselijk geldende voorschriften. Verantwoordelijkheden van de bedrijfsleiding • Zorg ervoor dat de bestuurders grondig zijn getraind en bekend zijn met de Gebruikershandleiding, Handleiding voor de motor, en alle stickers op de spuitmachine. • Chemische stoffen en dampen in de tank zijn gevaarlijk; blijf altijd buiten de tank en houd uw hoofd nooit boven of in de opening.
• Rij niet als het donker is, vooral niet op onbekend terrein. Als u toch in het donker moet rijden, rij dan voorzichtig en steek de koplampen aan. Overweeg ook extra verlichting te gebruiken. • Als de spuitmachine niet veilig wordt gebruikt, kan dit leiden tot een ongeluk, omkiepen van de machine en ernstig lichamelijk of dodelijk letsel. Rij voorzichtig.
• Als de spuitmachine abnormaal trilt, moet u onmiddellijk stoppen, wachten tot alle bewegende delen tot stilstand zijn gekomen en de machine op beschadigingen controleren. Repareer alle schade voordat u de machine weer in gebruik neemt. Gebruik op hellingen of oneffen terrein Als u de spuitmachine op een helling gebruikt, bestaat de kans dat deze omslaat of gaat rollen. Ook bestaat de kans dat de motor afslaat of dat de machine op een helling vaart verliest. Hierdoor kan lichamelijk letsel ontstaan.
• Gebruik geen open bakken met brandstof of ontvlambare reinigingsvloeistoffen om onderdelen schoon te maken. De machine beladen Het gewicht van de lading kan verandering brengen in het zwaartepunt en de wijze waarop u de spuitmachine moet gebruiken. Om te voorkómen dat u de controle over de machine verliest waardoor lichamelijk letsel kan ontstaan, moet u de volgende richtlijnen in acht nemen: • Stel de rijsnelheidsregelaar niet af.
Veiligheids- en instructiestickers Veiligheidsstickers en veiligheidsinstructies zijn gemakkelijk zichtbaar voor de bestuurder en bevinden zich bij plaatsen waar gevaar kan ontstaan. Vervang alle beschadigde of verdwenen stickers. 104-7628 1. Lees de Gebruikershandleiding. 100-8489 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9. 100-8454 1. Lees de Gebruikershandleiding voor informatie over de transmissie. 2.
100-8882 1. Spuiten Aan 2. Spuiten Uit 3. Spuitdruk 4. Verhogen 5. Verminderen 100-8386 1. Brandstof 2. Leeg 3. Half vol 4. Vol 100-6836 1. Tank aftappen 2. Aan 3. Uit 100-8470 1. 2. 3. 4. Motor – Afzetten Motor – Lopen Motor – Starten Koplampen 5. Motortoerentalregelaar van neutraalstand 6. Inschakelen 7. Aan 8. Uit 100-8621 1. Waarschuwing – Lees de Gebruikershandleiding. 2. Machine kan kantelen – Verminder uw snelheid op oneffen terrein en als u een bocht maakt. 3.
4-8939 1. Motoroliepeil (peilstok) 2. Motoroliefilter 3. Peil transaxle-olie/hydraulische vloeistof (peilstok) 4. Filter voor transaxle-olie/hydraulische vloeistof 5. 6. 7. 8. 9. 10. 11. 12. 13. Hydraulische zeef Oliepeil in versnellingsbak Remvloeistof Riemen, besturing en aandrijving Brandstof, uitsluitend loodvrij Brandstoffilter Accu Luchtfilter Smeervet 14. Bandenspanning 15. Lees de instructies alvorens service- of onderhoudswerkzaamheden uit te voeren. 16. Pomp 87-0570 1.
Specificaties Opmerking: Specificaties en ontwerp kunnen zonder voorafgaande kennisgeving worden gewijzigd.
Montage Opmerking: Bepaal vanuit de normale bedieningspositie de linker- en rechterzijde van de machine. Om de spuitmachine te gebruiken, moet u een spuitboomset en spuitdoppen aanschaffen en installeren. Neem voor informatie over de verkrijgbare spuitboomsets en accessoires contact op met een erkende Toro-dealer.
Montage van de anti-overloopaansluiting 1 4 1. Verwijder de rubberen dop van de bout op de tankbeugel (Fig. 2). 4 5 4 2 1 6 3 2 3 1865 Figuur 2 1. Beugel voor slangaansluiting 2. Bout 3. Flensmoer, 5/16” Figuur 3 4. 90 elleboogfitting 5. Snelkoppeling 6. Slangadapter 1. Spray Pro-monitor 2. Beugel 3. Flens-kopbout, 1/4 x 3/4” 4. Knop 2. Plaats de 2 rijtuigschroeven, de rubberen ringen en de knoppen losjes op de beugel zoals wordt getoond in Figuren 3 en 4. 2.
Voor het gebruik Brandstof bijvullen Motoroliepeil controleren Gevaar Het carter van de motor is in de fabriek gevuld met olie. Desondanks dient u het oliepeil te controleren voordat u de motor voor de eerste keer start en daarna nog eens. In bepaalde omstandigheden is benzine uiterst ontvlambaar en zeer explosief. Brand of explosie van benzine kan brandwonden bij u of anderen en materiële schade veroorzaken. 1. Plaats de machine op een horizontaal oppervlak.
Brandstoftank vullen Remvloeistofpeil controleren De inhoud van de brandstoftank is ongeveer 21 liter. Het reservoir voor de remvloeistof is in de fabriek gevuld met DOT 3 remvloeistof. Controleer elke dag het remvloeistofpeil voordat u de motor start. Opmerking: De dop van de brandstoftank is voorzien van een meter die het brandstofpeil aangeeft; controleer dit geregeld. 1 1. Motor afzetten en parkeerrem in werking stellen. 2. Maak de omgeving van de dop van de brandstoftank schoon (Fig. 6).
Transaxle-olie/Hydraulische vloeistof controleren Schoonwatertank vullen De spuitmachine is uitgerust met een schoonwatertank (Fig. 10) zodat u uw ogen, uw huid of andere oppervlakken kunt schoonspoelen als deze per ongeluk in contact zijn gekomen met chemische stoffen. Vul de watertank altijd met schoon water voordat u gaat werken met chemische stoffen. 1.
Rempedaal Gebruiksaanwijzing Met het rempedaal kunt u de machine tot stilstand brengen of de snelheid verminderen (Fig. 11). Opmerking: Bepaal vanuit de normale bedieningspositie de linker- en rechterzijde van de machine. Voorzichtig Veiligheid op de eerste plaats Lees aandachtig alle veiligheidsinstructies en -stickers in het hoofdstuk Veilige bediening. Met behulp van deze informatie kunt u voorkomen dat omstanders of uzelf letsel oplopen.
Schakelhendel Voltmeter De schakelhendel bevindt zich links van de bestuurdersstoel en heeft 5 standen. 3 vooruit, neutraalstand en achteruit (Fig. 13). De motor start pas als u de schakelhendel in de neutraalstand hebt gezet. Daarnaast moet u de rem volledig intrappen en de spuitmachine tot stilstand hebben gebracht om te schakelen. De voltmeter (Fig. 13) geeft de laadtoestand van de accu aan.
• Controleer of het rempedaal werkt. Motor afzetten • Verlichting controleren. 1. Trap het rempedaal in om de machine te stoppen. • Draai het stuurwiel naar links en naar rechts om de stuurreacties te controleren. 2. Trek de hendel van de parkeerrem omhoog en naar achteren om de parkeerrem in werking te stellen. • Controleer op olielekken, loszittende onderdelen en andere zichtbare gebreken.
De spuitmachine slepen Hendels van de spuitbomen In noodgevallen kan de spuitmachine over een korte afstand worden gesleept. Toro adviseert echter hiervan geen standaard procedure te maken. De hendels van de spuitbomen bevinden zich op de achterzijde van het bedieningspaneel aan de rechterkant van de bestuurdersstoel (Fig. 16). Zet de hendels omlaag om de corresponderende spuitboom in te schakelen en omhoog om deze uit te schakelen.
3 4 2 1 1 2 Figuur 18 Figuur 17 1. Regelklep voor gebruiksdosis 2. Vloeistofstroommeter 1. Mengregelklep 3. Kleppen van spuitbomen (3) 4. Omloopkleppen van spuitbomen 2. Drukmeter Om te mengen, moet u de pomp inschakelen en de motor boven stationair laten lopen. Als u wilt gaan mengen, als de spuitmachine stilstaat moet u, de schakelhendel in de neutraalstand zetten, de parkeerrem in werking stellen, het gaspedaal volledig intrappen en de motortoerentalregelaar van de neutraalstand inschakelen.
Aftapknop van tank Spray Pro Monitor De aftapknop van de tank bevindt zich boven op de tank (Fig. 20). Draai de knop naar links om de tank af te tappen. De Spray Pro-monitor biedt de mogelijkheid allerlei gegevens over de prestaties van het systeem, zoals snelheid van de machine en gebruiksdoses, te bekijken en te controleren. De monitor controleert niet de gebruiksdosis. De monitor heeft een LCD-scherm dat de geselecteerde gegevens toont, een keuzeschijf en 4 knoppen om de monitor te kalibreren (Fig.
• Application Rate (Gebruiksdosis) Kalibratie van de Spray Pro-monitor Toont de gebruiksdosis in Amerikaanse gallons per acre (US), liters per hectare (SI) of Amerikaanse gallons per 1000 sq ft (TURF). De Spray Pro-monitor heeft een kalibratiemodus waarmee u verschillende instellingen kunt veranderen om het scherm aan te passen en de monitor te kalibreren overeenkomstig uw wensen.
5. Gebruik de [+] of [–] knoppen om de gewenste maateenheden te kiezen. 11. Als het kalibratievolume wordt getoond, wijzigt u deze met behulp van de [+] of [–] knoppen in de hoeveelheid water waarmee u de tank hebt gevuld. 6. Druk op [CAL] totdat het rode lampje dooft. U kunt de kalibratiemodus ook verlaten door te gaan rijden met de spuitmachine. Vloeistofstroommeter kalibreren 12.
15. Druk net zolang op [CAL] totdat het rode lampje op de monitor gaat branden. 6. Trap het gaspedaal volledig in en zet de schakelaar van de motortoerentalregelaar van de neutraalstand op Aan. Het scherm zal afwisselend de kalibratiewaarde van de snelheid (aangegeven met “CAL” op de monitor) en de kalibratieafstand laten zien. 7. Zet de pompschakelaar op Aan om de pomp in werking te stellen. 8. Zet de hendels van alle 3 spuitbomen en de hoofdhendel van het spuitsysteem op Aan. 16.
Bediening en gebruik van de spuitmachine 5. Start de motor, trap het gaspedaal volledig in en zet de motortoerentalregelaar van de neutraalstand op Aan. 6. Zet de pompschakelaar op Aan. Op de spuitmachine te gebruiken, moet u eerst de spuittank vullen. Vervolgens spuit u de oplossing op het werkgebied en als u daarmee klaar bent, reinigt u de tank. Het is belangrijk dat u deze drie stappen vlak na elkaar uitvoert om schade aan de spuitmachine te voorkomen.
Tips voor bediening en gebruik 4. Start de motor. • Overlap geen stukken waar u eerder hebt gespoten. 5. Zet de schakelhendel in de neutraalstand, trap het gaspedaal volledig in en zet de motortoerentalregelaar van de neutraalstand op Aan. • Controleer of er geen spuitdoppen zijn verstopt. Vervang versleten of beschadigde spuitdoppen. 6. Zorg ervoor dat de mengregelklep is ingeschakeld. • Schakel eerst met de hoofdhendel de spuitbomen uit voordat u de spuitmachine tot stilstand brengt.
Onderhoud Opmerking: Bepaal vanuit de normale bedieningspositie de linker- en rechterzijde van de machine. Aanbevolen onderhoudsschema Onderhoudsinterval Onderhoudsprocedure Na de eerste 8 bedrijfsuren • • • • 8 bedrijfsuren • Het motoroliepeil controleren. • De bandenspanning controleren. • Zuigkorf reinigen.3 25 bedrijfsuren • Schuimelement van luchtfilter reinigen en met olie bestrijken.2 50 bedrijfsuren • Accuzuur controleren. • Aansluitingen van de accukabels controleren. • Zuigkorf reinigen.
Controlelijst Dagelijks Onderhoud Gelieve deze pagina te kopiëren ten behoeve van gebruik bij routinecontroles. Voor week van: Ma. Gecontroleerde item Werking van rem en parkeerrem controleren. Werking van schakelinrichting/neutraalstand controleren. Brandstofpeil controleren. Motoroliepeil controleren. Het transaxle-oliepeil controleren. Luchtfilter controleren. Koelribben van de motor controleren. Controleren of motor ongewone geluiden maakt. Controleren op ongewone geluiden tijdens het gebruik.
Voorzichtig Als u het sleuteltje in het contact laat, bestaat de kans dat iemand de motor per ongeluk start waardoor u of andere omstanders ernstig letsel kunnen oplopen. Haal het sleuteltje uit het contact en maak de bougiekabel(s) los voordat u onderhoudswerkzaamheden uitvoert aan de machine. Druk de kabel(s) opzij, zodat hij niet onbedoeld contact kan maken met de bougie(s).
Schuim- en papierelement verwijderen 2 1. Stel de parkeerrem in werking, schakel de pomp uit, zet de motor af en verwijder het contactsleuteltje. 1 2. Maak de vergrendeling op de achterzijde van de bestuurdersstoel los en klap deze naar voren. 3. Maak de omgeving van het luchtfilter schoon om te voorkomen dat er vuil in de motor komt en schade veroorzaakt (Fig. 26). m–3247 Figuur 27 1. Schuimelement 2. Olie 2 5. Knijp in het filter om de olie te verdelen.
Motoroliepeil controleren 1 U moet om de 100 bedrijfsuren de motorolie verversen en het filter vervangen. Type olie: Reinigingsolie (API-onderhoudsclassificatie SG of SH) Carterinhoud: met filter, 2.0 l Viscositeit: Raadpleeg de onderstaande tabel. GEBRUIK UITSLUITEND OLIE MET DEZE SAE-VISCOSITEIT Figuur 29 1. Aftapplug carterolie 6. Als alle olie is afgetapt, plaatst u de aftapplug terug en zet u deze vast met een torsie van 13,6 Nm. 7. De oude olie afgeven bij een erkend inzamelcentrum.
Motoroliefilter vervangen 1. Laat de olie weglopen uit de motor; zie Motorolie verversen, blz. 32, stappen 1 tot en met 7. 2. Verwijder het oude filter (Fig. 31). 1 Figuur 32 2 Figuur 31 1. Oliefilter 2. Filtertussenstuk 3. Veeg het oppervlak van de pakking voor het filtertussenstuk schoon (Fig. 31). Figuur 33 Vier aan elke kant 4. Smeer een dun laagje schone olie op de rubberen pakking van het nieuwe filter (Fig. 31). 5. Plaats het nieuwe filter op het filtertussenstuk.
Figuur 38 Figuur 35 Vijf aan elke kant Brandstoffilter vervangen Vervang het brandstoffilter om de 100 bedrijfsuren. 1. Stel de parkeerrem in werking, schakel de pomp uit, zet de motor af en verwijder het contactsleuteltje. 2. Maak de vergrendeling op de achterzijde van de bestuurdersstoel los en klap deze naar voren. 3. Klem de slangen af aan beide zijden van het brandstoffilter om te voorkomen dat er benzine uit de slangen stroomt als u het filter verwijdert. 4. Plaats een opvangbak onder het filter.
Transaxle-olie /Hydraulische vloeistof verversen 8. Monteer de zeef. U moet om de 800 bedrijfsuren de transaxle-olie/hydraulische vloeistof verversen, het filter vervangen en de zeef verwijderen. 10. Monteer de aftapplug en draai deze vast. 9. Monteer de hydraulische slang en de 90 fitting. 11. Vul het reservoir met ongeveer 7,0 liter Dexron IIl ATF. Belangrijk Gebruik uitsluitend de gespecificeerde hydraulische vloeistoffen. Andere vloeistoffen kunnen schade aan het systeem veroorzaken. 1.
6. Zorg ervoor dat de plaats waar het filter wordt bevestigd, schoon is. De remmen controleren 7. Schroef het filter erop totdat de pakking contact maakt met de bevestigingsplaat; draai het filter vervolgens nog eens een 1/2 slag. De remmen zijn van essentieel belang voor een veilig gebruik van de spuitmachine. De remmen moet om de 100 bedrijfsuren worden gecontroleerd. Hierbij gaat u als volgt te werk. 8. Start de motor en laat deze ongeveer 2 minuten lopen om lucht uit het systeem te verwijderen.
Toespoor voorwiel afstellen 5. Als deze afstand buiten het gespecificeerde bereik valt, moet u de contramoeren aan beide uiteinden van de trekstangen losdraaien (Fig. 46). Het toespoor van het voorwiel moet u om de 100 bedrijfsuren of jaarlijks controleren, waarbij de kortste periode moet worden aangehouden. Het toespoor moet 0 tot 6 mm zijn. 1 2 1 1. Vul de tank met ongeveer 303 liter water. 2. Alle banden controleren en op spanning brengen; zie Bandenspanning controleren, blz. 14. 3.
Onderhoud van de drijfriem Riem van stuurpomp afstellen Drijfriem controleren De spanning van de riem van de stuurpomp moet na de eerste gebruiksdag worden gecontroleerd en vervolgens om de 100 bedrijfsuren. De riem moet een speling hebben van 5 mm als u halverwege op de riem drukt met een kracht van 22 N. De conditie en de spanning van de drijfriem moeten na de eerste gebruiksdag worden gecontroleerd en vervolgens om de 200 bedrijfsuren. 1.
Bougies vervangen Bougies controleren Vervang de bougies om de 200 bedrijfsuren. Controleer of de elektrodenafstand correct is voordat u de bougies monteert. Gebruik een bougiesleutel voor het (de)monteren van de bougies en een voelermaat voor het meten en afstellen van de elektrodenafstand. 1. Bekijk de binnenkant van de bougies (Fig. 50). Als de isolator lichtbruin of grijs is, werkt de motor naar behoren. Een zwarte laag op de isolator duidt meestal op een vuil luchtfilter.
Zekeringen vervangen Houd de accu altijd schoon en volledig geladen. Gebruik een tissue om de accu en de accubak schoon te maken. Als de accupolen zijn geoxideerd, moet u deze schoonmaken met een oplossing van vier delen water en één deel zuiveringszout. Breng een laagje vet op de accupolen aan om corrosie te voorkomen. Er zijn 2 zekeringen en 2 lege sleuven in het elektrische systeem. Deze bevinden zich onder de bestuurdersstoel (Fig. 51).
Waarschuwing Gevaar Accupolen of metalen gereedschappen kunnen kortsluiting maken met metalen onderdelen van de machine, waardoor vonken kunnen ontstaan. Hierdoor kunnen accugassen tot ontploffing komen, die lichamelijk letsel kunnen veroorzaken. Accuzuur bevat zwavelzuur; dit is een dodelijk gif dat ernstige brandwonden veroorzaakt. • U mag accuzuur nooit innemen en moet elk contact met huid, ogen of kleding vermijden. Draag een veiligheidsbril en rubberhandschoenen om uw ogen en handen te beschermen.
Opslag van de accu Vloeistofstroommeter reinigen Als u de machine langer dan 30 dagen gaat opslaan, moet u de accu verwijderen en volledig opladen. U moet de accu apart opslaan of in de machine laten zitten. De accukabels mogen niet aangesloten zijn op de accu als u deze in de machine laat zitten. Sla de accu op in een koele omgeving om te voorkomen dat de batterij snel ontlaadt. Om te voorkomen dat de accu bevriest, moet deze volledig zijn opgeladen.
Opslag E. Choke de motor. 1. Parkeer de spuitmachine op een horizontaal oppervlak, stel de parkeerrem in werking, schakel de pomp uit, zet de motor af en verwijder het sleuteltje uit het contact. G. U moet brandstof op de juiste wijze afvoeren. Verwerk deze overeenkomstig de plaatselijk geldende voorschriften. 2. Verwijder vuil en vet van de gehele machine, inclusief de buitenkant van de cilinder, de koelribben van de cilinderkop en het ventilatorhuis.
Storingen, oorzaak en remedie Problemen met de motor en de machine verhelpen Probleem De startmotor slaat niet aan. De motor draait, maar start niet. Mogelijke oorzaken Remedie 1. De schakelhendel staat in de versnelling en niet in de neutraalstand. 1. Het rempedaal intrappen en de schakelhendel in de neutraalstand zetten. 2. De elektrische aansluitingen zijn gecorrodeerd of zitten los. 2. Controleren of de elektrische aansluitingen goed contact maken. 3. Doorgebrande of losse zekering. 3.
Probleem De motor start, maar blijft niet lopen. De motor loopt, maar klopt of hapert. Motor loopt niet stationair. Mogelijke oorzaken Remedie 1. De ontluchting van de brandstoftank wordt belemmerd. 1. Brandstoftankdop vervangen. 2. Vuil of water in het brandstofsysteem. 2. Brandstof aftappen uit de brandstoftank en deze schoonspoelen. Tank vullen met verse brandstof. 3. Het brandstoffilter is verstopt. 3. Brandstoffilter vervangen. 4. Doorgebrande of losse zekering. 4.
Probleem De motor raakt oververhit. Mogelijke oorzaken Remedie 1. Verkeerd oliepeil in het carter. 1. Vullen of aftappen totdat het oliepeil de VOL-markering bereikt. 2. Machine is te zwaar belast. 2. De lading verminderen; met een lagere snelheid rijden 3. De luchtinlaatroosters zijn vuil. 3. Bij elk gebruik reinigen. 4. De koelribben en luchtkanalen onder de behuizing van de motorventilator en/of het draaiende luchtinlaatrooster zijn verstopt. 4. Bij elk gebruik reinigen. 5.
Probleem De spuitmachine rijdt in geen van beide richtingen. Mogelijke oorzaken Remedie 1. De schakelhendel is in de neutraalstand. 1. Het rempedaal intrappen en de schakelhendel in een versnelling zetten. 2. De parkeerrem is niet vrij gezet of de parkeerrem komt niet vrij. 2. De parkeerrem vrijzetten of de koppeling controleren. 3. De transmissie is defect. 3. Neem contact op met een erkende Service Dealer. 4. De koppeling van de bediening moet worden afgesteld of worden vervangen. 4.
Problemen met de Spray Pro-monitor Probleem De monitor werkt niet. Mogelijke oorzaken Remedie 1. De kabel van de monitor zit los of is niet aangesloten. 1. De kabel van de monitor aansluiten. 2. De monitor of de kabel is beschadigd. 2. Neem contact op met een erkende Service Dealer. 1. De kabel van monitor zit los. 1. De kabel van de monitor aansluiten. 2. De snelheidssensor is niet correct gekalibreerd. 2. De snelheidssensor kalibreren. 3. De snelheidssensor is beschadigd. 3.