Form No. 3441-255 Rev C LT2240 compacte triple gazonmaaier met vierwielaandrijving Modelnr.: 31654—Serienr.: 400000000 en hoger Registreer uw product op www.Toro.com.
Dit product voldoet aan alle relevante Europese richtlijnen; zie voor details de aparte productspecifieke conformiteitsverklaring. Deze handleiding wijst u op mogelijke gevaren en bevat veiligheidswaarschuwingen die u kunt herkennen aan het waarschuwingspictogram (Figuur 2), dat wijst op een gevaar dat ernstig letsel of de dood kan veroorzaken indien u nalaat de voorgeschreven maatregelen te treffen.
Toespoor achterwielen afstellen ....................... 48 Onderhoud koelsysteem ..................................... 49 Veiligheid van het koelsysteem ......................... 49 Vuil verwijderen uit het koelsysteem ................. 49 Het koelvloeistofpeil controleren ....................... 51 Onderhoud riemen .............................................. 52 Riem van dynamo spannen .............................. 52 Onderhoud bedieningsysteem ............................
Veiligheid Deze machine is ontworpen volgens norm EN ISO 5395. Algemene veiligheid Dit product kan handen of voeten afsnijden en voorwerpen uitwerpen. • Lees deze Gebruikershandleiding en zorg ervoor dat u deze begrijpt voordat u de motor start. • Geef uw volledige aandacht als u de machine gebruikt. Zorg ervoor dat u met niets anders bezig bent waardoor u kunt worden afgeleid, anders kunnen er letsels ontstaan of kan eigendom worden beschadigd.
Veiligheids- en instructiestickers Veiligheidsstickers en veiligheidsinstructies zijn gemakkelijk zichtbaar voor de bestuurder en bevinden zich bij plaatsen waar gevaar kan ontstaan. Vervang alle beschadigde of verdwenen stickers. decal93-9084 93-9084 decal111-3562 111-3562 1. Hefpunt/bevestigingspunt 1. Trap het pedaal in om de hoek van het stuurwiel te verstellen. decal93-6686 93-6686 1. Hydraulische vloeistof 2. Lees de Gebruikershandleiding. decal111-3567 111-3567 1.
decal127-0392 127-0392 1. Waarschuwing – Blijf uit de buurt van hete oppervlakken. decal111-3658 111-3658 1. Maaidek 3. Ontgrendelen 2. Vergrendelen decal134-4281 134-4281 decal117-3276 1. Waarschuwing – Lees de Gebruikershandleiding. 4. Als de rolbeugel omhoog is geklapt, draag dan de veiligheidsgordel. 2. Er is geen omkantelbeveiliging als de rolbeugel omlaag is geklapt. 5. Als de rolbeugel niet omhooggeklapt is, draag dan geen veiligheidsgordel. 3.
decal134-5122 134-5122 1. Waarschuwing – Zet de motor uit en verwijder het contactsleuteltje voordat u de veiligheidsgrendels losmaakt of gebruikt. decal134-4638 134-4638 1. Verlichting 4. Motor – Voorgloeien 2. Motor – Afzetten 3. Motor – Lopen 5. Motor – Starten decal134-5139 134-5139 1. Waarschuwing – Lees de Gebruikershandleiding; draag gehoorbescherming; verwijder het contactsleuteltje voordat u onderhoudswerkzaamheden uitvoert. 2.
decal134-5121 134-5121 1. Interval van 8 uur 7. Controleer alle slangen op lekken. 2. Lees de Gebruikershandleiding. 8. Controleer het peil van de hydraulische 14. Controleer het koelvloeistofpeil. vloeistof. 15. Reinig de radiateur. 9. Brandstofpeil controleren. 3. Om de 8 uur smeren. 13. Controleer de maai-eenheid. 4. Om de 50 uur smeren. 10. Oliepeil controleren. 16. Interval van 50 uur 5. De bandenspanning controleren. 11. Controleer de schakelaar van de bestuurdersstoel. 12.
Montage Instructiemateriaal en aanvullende onderdelen Omschrijving Gebruikershandleiding Gebruikershandleiding van motor Hoeveelheid Gebruik 1 1 Lees de handleidingen voordat u de machine gebruikt. Bewaar het documentatiemateriaal op een veilige plaats voor toekomstig gebruik. Opmerking: Bepaal vanuit de normale bedieningspositie de linker- en rechterzijde van de machine. Algemeen overzicht van de machine Bedieningsorganen Bedieningselementen van bedieningspaneel g348038 Figuur 3 1.
g348129 Figuur 5 1. Claxonknop Gashendel • Om het toerental te verhogen, beweegt u de g348147 Figuur 7 gashendel (Figuur 6) naar voren. 1. Schakelaar voor automatische hefbeperking bij achteruitrijden • Om het toerental te verlagen, beweegt u de gashendel naar achteren. Opmerking: Het motortoerental beïnvloedt de snelheid van de andere functies, d.w.z. de rijsnelheid, het toerental van de messenkooi, en de snelheid waarmee de maai-eenheden omhoog worden gebracht.
Opmerking: De ledlamp in de schakelaar gaat Hefschakelaars branden wanneer de parkeerrem ingeschakeld is en het contactsleuteltje in de stand DRAAIEN is gezet. Gebruik de hefschakelaars om de maai-eenheden omhoog en omlaag te brengen (Figuur 9). g348146 Figuur 9 1. Hefschakelaar linker maai-eenheid (voor) 3. Hefschakelaar rechter maai-eenheid (voor) 2. Hefschakelaar achterste maai-eenheid g348063 Figuur 11 1. Vergrendelingsknop (oranje) Aandrijfschakelaar maaidek 2.
Indicatoren van bedieningspaneel g348164 Figuur 14 1. Waarschuwingslampje lage motoroliedruk Waarschuwingslampje oververhitting koelvloeistof Het waarschuwingslampje van de koelvloeistof gaat branden, de signaaltoon klinkt en de maaidekken stoppen (Figuur 15). g348058 Figuur 12 1. Waarschuwingslampje accu 5. Waarschuwingsindicator koelvloeistoftemperatuur 2. Waarschuwingsindicator oliedruk 6. Indicatielampje gloeibougie 3.
Indicatielampje transmissie in vrijstand Tractiepedalen Het indicatielampje transmissie in vrijstand gaat branden als de tractiepedalen in de NEUTRAALSTAND staan en het contactsleuteltje op DRAAIEN staat (Figuur 17). Vooruitrijden: Druk het tractiepedaal voor vooruit in om de machine vooruit te rijden en de rijsnelheid te verhogen. Laat het pedaal opkomen om de rijsnelheid te verminderen (Figuur 19).
Instellen van het gewicht van de bestuurder Draai de hendel rechtsom om de vering strakker in te stellen en linksom om de vering minder strak in te stellen. De schaal duidt aan of de stoelvering is ingesteld voor het gewicht van de bestuurder (kg); zie Figuur 22. g014549 Figuur 20 Bedieningselementen bestuurdersstoel Instellen in de lengterichting Beweeg de hendel naar boven om de stoel in de lengterichting te verstellen. Laat de hendel los om de stoel in zijn stand te vergrendelen (Figuur 21).
Brandstofmeter De brandstofmeter geeft aan hoeveel brandstof er in de tank zit (Figuur 25). g348122 Figuur 23 1. Hendel g348110 Aanpassen rugsteun Figuur 25 Trek de hendel naar buiten om de hoek van de rugsteun aan te passen. Laat de hendel los om de rugsteun in zijn stand te vergrendelen (Figuur 24).
de arm van de achterste maai-eenheid omlaag en plaats de arm naar voren en omhoog (Figuur 27). g348109 Figuur 27 1.
Specificaties Opmerking: Specificaties en ontwerp kunnen zonder voorafgaande kennisgeving worden gewijzigd. Transportbreedte 138 cm Maaibreedte 212 cm Totale breedte (koppen neergelaten) 231 cm Lengte 286 cm Hoogte 160,5 cm met ingeklapte rolbeugel 211,5 cm met rolbeugel in verticale bedrijfsstand 1.
Gebruiksaanwijzing • Gebruik uitsluitend een goedgekeurd vat of blik • Voor gebruik • Veiligheidsinstructies voorafgaand aan het werk • Algemene veiligheid • • Laat kinderen of personen die geen instructie • • • • • • hebben ontvangen, de machine nooit gebruiken of onderhoudswerkzaamheden daaraan verrichten. Plaatselijke voorschriften kunnen nadere eisen stellen aan de leeftijd van degene die met de machine werkt. De eigenaar is verantwoordelijk voor de instructie van alle bestuurders en technici.
Brandstof tanken Brandstof (cont'd.) EN 590 EU ISO 8217 DMX Internationaal JIS K2204 Grade No. 2 Japan KSM-2610 Korea • Gebruik uitsluitend schone, verse diesel of 1. Parkeer de machine op een horizontaal oppervlak, laat de maai-eenheden neer, zet de motor af, stel de parkeerrem in werking en verwijder het sleuteltje. 2. Maak de omgeving van de dop van de brandstoftank schoon. Gebruik hiervoor een schone doek. 3. Verwijder de dop van de brandstoftank (Figuur 28). biodiesel.
• Gebruik de machine niet als u ziek, moe of onder VOORZICHTIG Niet-aangesloten of beschadigde interlockschakelaars kunnen onverwachte gevolgen hebben op de werking van de machine. Dit kan lichamelijk letsel veroorzaken. • Laat de interlockschakelaars ongemoeid. • Controleer elke dag de werking van de interlockschakelaars en vervang beschadigde schakelaars voordat u de machine weer in gebruik neemt.
Bescherming van de rolbeugel op de helling. Gebruik altijd uw gezond verstand en uw beoordelingsvermogen wanneer u dit onderzoek uitvoert. • Neem de onderstaande instructies door voor • Verwijder geen onderdelen van de rolbeugel van gebruik van de machine op hellingen. Beoordeel de omstandigheden van het terrein alvorens de machine te gebruiken om na te gaan of u de machine op een bepaalde dag op dit terrein kunt gebruiken.
g348269 Figuur 31 1. Pen van rolbeugel 3. g348267 Figuur 29 1. Pen van rolbeugel 3. R-pen 2. Bovenste draaibeugel (onderste frame van rolbeugel) 4. Bovenste rolbeugel 3. Terwijl u het gewicht van de bovenste rolbeugel ondersteunt, verwijdert u de pennen van de rolbeugel uit de draaibeugels (Figuur 29). 4. Laat de bovenste rolbeugel voorzichtig neer tot deze rust op de steunen van het onderste frame van de rolbeugel. 5.
4. WAARSCHUWING De machine gebruiken op een onveilige manier kan persoonlijk letsel veroorzaken. Belangrijk: U mag niet langer dan 15 seconden proberen de motor te starten. Voordat u de motor start, moet u ervoor zorgen dat: 5. • Er niemand in het werkgebied is. • De maaidekken uitgeschakeld zijn. Een waarschuwingslampje dat gaat branden, kan op een ernstig probleem wijzen dat lichamelijk letsel kan veroorzaken. • De tractiepedalen in de neutrale stand staan.
van het terrein, maar door de controlering van de middelste maai-eenheid iets lager in te stellen dan die van de linker en rechter maai-eenheid kunt u een goed maairesultaat behalen. De stand van de maai-eenheden afzonderlijk bedienen Gebruik de 3 hefschakelaars om de maai-eenheden afzonderlijk omhoog en omlaag te brengen. g014563 Figuur 34 De maai-eenheid omlaagbrengen De maai-eenheden gebruiken 1. Druk de schakelaar van de maaiaandrijving naar de stand VOORUIT DRAAIEN. 2.
De maai-eenheden omhoogbrengen Automatisch beperkt heffen Met de aandrijfschakelaar van de maai-eenheden in de stand AAN en de maai-eenheden neergelaten, zet u de 3 hefschakelaars (Figuur 37) naar achteren. Opmerking: De maai-eenheden worden onmiddellijk uitgeschakeld en omhooggebracht tot ongeveer 150 mm boven de grond. g348147 Figuur 38 1. Schakelaar automatisch beperkt heffen bij achteruitrijden 2. Met de maai-eenheden neergelaten en ingeschakeld, rijdt u de machine achteruit.
De aandrijving van de maai-eenheden inschakelen voor vooruit draaien Druk op de bovenkant van de schakelaar van de maaiaandrijving voor de stand vooruit draaien (Figuur 39). g348285 De aandrijving van de maai-eenheden inschakelen voor achteruit draaien Druk op de onderkant van de schakelaar van de maaiaandrijving voor de stand achteruit draaien (Figuur 39). Alle aandrijvingen van de maai-eenheden uitschakelen Druk de schakelaar van de maaiaandrijving naar de middelste stand (Figuur 39).
Obstructies verwijderen uit de maai-eenheden voelt met de machine, moet u zich oefenen in het open afrijden van hellingen. Het waarschuwingssysteem begrijpen WAARSCHUWING Probeer nooit om de maai-eenheden met de hand te draaien. Restdruk in het hydraulische systeem kan ervoor zorgen dat de maai-eenheid/maai-eenheden plotseling draaien wanneer u de obstructie wegghaalt, wat ernstig letsel kan veroorzaken. • Draag altijd beschermende handschoenen en gebruik een geschikt houten instrument.
De bevestigingspunten zoeken of droog gras. Wees voorzichtig als u tussen objecten rijdt zodat u de machine of de maai-eenheden niet per ongeluk beschadigt. De achterrolschrapers gebruiken Verwijder de achterrolschrapers als de omstandigheden dit toelaten voor de optimale afvoer van gras. Monteer de schrapers als modder en gras beginnen aan te koeken op de rollen. Wanneer u de schraperdraden monteert, moet u deze juist opspannen.
De remmen van de wielmotor vrijzetten 6. 1. Stel de parkeerrem in werking en blokkeer de wielen van het trekvoertuig. 2. Blokkeer de voorwielen van de machine. 3. Breng het platform omhoog; zie Het platform omhoogbrengen (bladz. 35). 4. Verwijder de 2 bouten (12 x 40 mm) en 2 ringen (12 mm) die zijn opgeborgen in de draagrails van het platform (Figuur 42). Verwijder de zeskantige plug aan de remeenheid van de rechter voorwielmotor (Figuur 44). g292377 Figuur 44 1. Zeskantige plug 7.
De maaimachine staat nu in de vrijloop en kan met een lage snelheid over een korte afstand worden gesleept. Belangrijk: U moet de machine handmatig sturen terwijl deze wordt gesleept. Wanneer de motor uitgeschakeld is, is er geen hydraulische stuurhulp – het voelt zwaar aan om de machine te sturen. g014450 Figuur 47 1. Transmissiekleppen omloopleiding De remmen herstellen 1.
WAARSCHUWING Als u de machine gebruikt zonder dat het remsysteem naar behoren werkt, kunt u de controle over de machine verliezen, wat kan leiden tot ernstig letsel bij u en omstanders. Alvorens de machine in gebruik te nemen, moet u controleren of de remmen correct werken. Controleer de machine vooraf terwijl u bij een lage snelheid rijdt. Gebruik de machine niet als de remmen beschadigd of losgekoppeld zijn. g292377 Figuur 49 1. Zeskantige plug 3.
Onderhoud Opmerking: Bepaal vanuit de normale bedieningspositie de linker- en rechterzijde van de machine. Opmerking: Om een elektrisch of hydraulisch schema van uw machine te verkrijgen, kunt u terecht op www.toro.com/en-gb. Veiligheid bij onderhoud • Voer indien mogelijk geen onderhoudswerkzaamheden uit als de motor draait. Blijf uit de buurt van bewegende onderdelen. • Doe het volgende voordat u de bestuurdersstoel verlaat: – Parkeer de machine op een horizontaal oppervlak.
Onderhoudsinterval Onderhoudsprocedure Om de 100 bedrijfsuren • Controleer het waarschuwingssysteem van motoroververhitting. • Slangen van koelsysteem controleren. • Controleer de conditie en de spanning van de riem. Om de 150 bedrijfsuren • Motorolie verversen en filter vervangen. Om de 250 bedrijfsuren • Controleer de transmissieregelkabel. • De slangen van het koelsysteem controleren. Om de 400 bedrijfsuren • Motortoerental controleren (stationair en op vol gas). • Het brandstoffilter vervangen.
Controlelijst voor dagelijks onderhoud Gelieve deze pagina te kopiëren ten behoeve van gebruik bij routinecontroles. Voor week van: Gecontroleerde item Ma. Di. Wo. Do. Vr. Za. Werking van veiligheidssysteem controleren. Werking van de remmen controleren. Het peil van de motorolie en de brandstof controleren. Indicator voor verstopping in luchtfilter controleren. Radiateur en scherm controleren op vuil. Controleren of motor ongewone geluiden maakt.
Procedures voorafgaande aan onderhoud De machine klaar maken voor onderhoud 1. Parkeer de machine op een horizontaal oppervlak. g290372 Figuur 52 2. Stel de parkeerrem in werking. 3. Breng de maai-eenheden omlaag. 4. De motor af te zetten en het sleuteltje te verwijderen. 5. Wacht totdat alle bewegende onderdelen tot stilstand zijn gekomen. 6. Laat de machine afkoelen voordat u deze afstelt, reinigt of er onderhoudswerkzaamheden aan verricht.
Opmerking: Hierdoor komen de haken van de grendel los van de grendelstaaf. g290369 Figuur 54 1. Greep van platformvergrendeling 2. Grendelstaaf g348234 Figuur 56 3. Laat het platform volledig neer en beweeg de greep van de platformvergrendeling naar de achterkant van de machine totdat de haken van de grendel de grendelstaaf helemaal vastgrijpen (Figuur 55). 1. Ring 3. Opslagcompartiment 2. Knop 2.
g348233 Figuur 57 1. Ring g014447 Figuur 58 3. Opslagcompartiment 1. Hefpunt linksvoor 2. Knop 3. Achterste hefpunt 2. Hefpunt rechtsvoor 3. Sluit de deur van het opslagcompartiment. De maaimachine opheffen van de grond De hefpunten bepalen Opmerking: Gebruik assteunen om de machine te ondersteunen wanneer u deze hijst. WAARSCHUWING WAARSCHUWING Als u zich onder een machine met een draaiende motor begeeft, kunt u ernstig letsel oplopen of dodelijk verwond raken.
ondersteunt; zie De hefpunten bepalen (bladz. 37). 6. Als u de voorkant van de machine heft, blokkeert u de achterwielen om te voorkomen dat de machine wegrolt. Opmerking: De handrem werkt uitsluitend op de voorwielen. 7. Ondersteun de machine met assteunen.
Smering De lagers, lagerbussen en scharnieren smeren Onderhoudsinterval: Bij elk gebruik of dagelijks—Spuit vet in de smeernippels die dagelijks gesmeerd horen te worden. Om de 50 bedrijfsuren—Spuit vet in de smeernippels die om de 50 uur gesmeerd horen te worden. Belangrijk: Smeer de lagers, lagerbussen en scharnierpunten meteen na elke reinigingsbeurt, ongeacht het vermelde onderhoudsinterval. Te gebruiken vet: lithiumvet nr. 2. 1.
Onderhoud motor Veiligheid van de motor • U moet de motor afzetten voordat u het oliepeil controleert of het carter bijvult met olie. • Verander de snelheid van de toerenregelaar niet en laat de motor het maximale toerental niet overschrijden. Het waarschuwingssysteem voor motoroververhitting controleren g348369 Onderhoudsinterval: Om de 100 bedrijfsuren 1. Maak de machine klaar voor onderhoud; zie De machine klaar maken voor onderhoud (bladz. 35). 2. Ontgrendel en open de motorkap. 3.
3. (2,76 bar) grote hoeveelheden aangekoekt vuil verwijderen dat aan de buitenkant van de filterbus zit. Controleer de indicator voor blokkage in het luchtfilter (Figuur 61). Belangrijk: Als de indicator rood is, moet u het primaire luchtfilter controleren en vervangen als dit filter vuil of beschadigd is; zie Het primaire luchtfilter vervangen (bladz. 41). Opmerking: Deze reiniging voorkomt dat er vuil in de inlaat terechtkomt als het filter wordt verwijderd.
Het veiligheidsfilter vervangen de vol-markering op de peilstok reikt, kan de olie verdund zijn met brandstof. Als het oliepeil in de motor tot boven de vol-markering reikt, moet u de motorolie verversen. Het luchtfilter is binnen het primaire filter uitgerust met een secundair veiligheidsfilterelement dat moet voorkomen dat losgeraakt stof en andere objecten in de motor komen bij het vervangen van het hoofdelement.
g348421 Figuur 65 1. Dop van vulbuis 2. Kleppendeksel 5. Plaats de vuldop en de peilstok terug. 6. Sluit en vergrendel de motorkap. g348422 Figuur 67 1. Oliefilter (motor) Olievolume in het carter 5,1 l met het filter Motorolie verversen en filter vervangen Onderhoudsinterval: Na de eerste 50 bedrijfsuren—Motorolie verversen en filter vervangen. 6. Smeer een dun laagje schone olie op de pakking van het oliefilter. 7.
Onderhoud brandstofsysteem de motor. Het kan even duren voordat alle lucht uit het systeem is verwijderd. De motor kan onregelmatig aanslaan tot alle lucht is verdwenen. Als alle lucht is verwijderd en de motor gelijkmatig loopt, laat u de motor nog enkele minuten draaien om zeker te zijn dat hij helemaal luchtvrij is. GEVAAR In bepaalde omstandigheden zijn dieselbrandstof en brandstofdampen uiterst ontvlambaar en explosief. Brand of explosie van brandstof kan brandwonden of materiële schade veroorzaken.
6. Zet de aftapklep onderaan de filterbus vast en sluit de ontluchtingsschroef bovenaan de bevestigingsbeugel van de bus. 7. Reinig de omgeving rond het brandstoffilter en de filterkop (Figuur 69). Onderhoud elektrisch systeem Veiligheid van het elektrisch systeem • Koppel de accu af voordat u reparaties aan de • Onderhoud van de accu g348433 Figuur 69 1. Filterkop GEVAAR 2. Brandstoffilter 8. Verwijder de filterbus en reinig de filterkop (Figuur 69). 9.
Belangrijk: Als u de accu monteert, dient u altijd Het elektrische systeem controleren de minkabel (-) het laatst te bevestigen. Onderhoudsinterval: Om de 500 bedrijfsuren In normale gebruiksomstandigheden heeft de accu geen verdere zorg nodig. Als de machine constant is gebruikt bij hoge omgevingstemperaturen, bestaat de kans dat het accuzuur moet worden bijgevuld met water. Controleer alle elektrische aansluitingen en kabels en vervang deze indien ze zijn beschadigd of gecorrodeerd.
Onderhoud aandrijfsysteem Bandenspanning controleren Controleer de spanning van de voor- en achterbanden. Raadpleeg de onderstaande tabel voor de juiste druk. Belangrijk: Zorg ervoor dat alle banden steeds de juiste bandenspanning hebben voor het gewenste contact met de grasmat. Banden g351786 Figuur 72 1. 50 A (hoofdstroomcircuit) 7. 10 A (koplampen – optioneel) 2. 40 A (ECU) 8. 10 A (luchtgeveerde stoel – optioneel) 3. 50 A (gloeibougies) 9. 10 A (zwaailicht – optioneel) 4. Leeg 10.
De transmissieregelkabel en het bedieningsmechanisme controleren gebruikt, mag het toe- of uitspoor van de achterwielen niet meer dan 5 mm zijn. Onderhoudsinterval: Om de 250 bedrijfsuren Controleer de conditie en de bescherming van de kabel en het bedieningsmechanisme bij de rijpedalen en de uiteinden van de transmissiepomp. 1. Draai het stuurwiel zodanig dat de achterwielen recht naar voren wijzen. 2. Maak de machine klaar voor onderhoud; zie De machine klaar maken voor onderhoud (bladz. 35). 3.
Onderhoud koelsysteem Veiligheid van het koelsysteem • Motorkoelvloeistof inslikken kan vergiftiging veroorzaken; buiten het bereik van kinderen en huisdieren houden. g348714 Figuur 75 1. Spoorstang • Als u hete, onder druk staande koelvloeistof over 3. Uiteinde van stang u heen krijgt of in aanraking komt met een hete radiateur of omliggende delen, kunt u ernstige brandwonden oplopen. 2. Contramoer 2. Lijn de wielen uit door aan de spoorstang te draaien (Figuur 75).
g348599 Figuur 78 1. Vergrendelingen van oliekoeler 7. Draai de vergrendelingen van de oliekoeler naar binnen, en draai de oliekoeler (Figuur 78 en Figuur 79). g348598 Figuur 77 3. Ontgrendel en open de motorkap (Figuur 77). 4. Reinig de binnenkant van de schermen van de motorkap met perslucht (Figuur 77). 5. Verwijder grondig al het vuil dat zich rond het motorgedeelte bevindt. 6. Reinig de oliekoeler met perslucht onder lage druk (3,45 bar) (Figuur 78). g348600 Figuur 79 1. Radiateur 8.
Het koelvloeistofpeil controleren Onderhoudsinterval: Bij elk gebruik of dagelijks Het koelsysteem bevat een mengsel met een 50/50 verhouding van water en permanente ethyleenglycol-antivries. Controleer elke dag vóór het starten van de motor het koelvloeistofpeil in de expansietank. VOORZICHTIG Als de motor heeft gelopen, kan de hete koelvloeistof, die onder druk staat, ontsnappen indien de radiateurdop wordt verwijderd. Dit kan brandwonden veroorzaken. • Verwijder de radiateurdop nooit als de motor loopt.
Onderhoud riemen Riem van dynamo spannen Onderhoudsinterval: Na de eerste 50 bedrijfsuren Om de 100 bedrijfsuren 1. Maak de machine klaar voor onderhoud; zie De machine klaar maken voor onderhoud (bladz. 35). 2. Ontgrendel en open de motorkap. g348613 Figuur 83 g348710 Figuur 82 3. Controleer de conditie van de riem. 4. Scharnierbout dynamo 2. Spanbout van dynamo 5. Dynamo 3. Riem Opmerking: Vervang de riem als deze 5. versleten of beschadigd is. 4. 1.
Onderhoud bedieningsysteem Onderhoud hydraulisch systeem De werking van de pedalen vooruit/achteruit controleren Veiligheid van het hydraulische systeem • Waarschuw onmiddellijk een arts als er hydraulische vloeistof is geïnjecteerd in de huid. Geïnjecteerde vloeistof moet binnen enkele uren operatief worden verwijderd door een arts. Schakel de motor uit, trap de rijpedalen vooruit/achteruit volledig in en controleer of zij zonder haperen uit zichzelf terugkeren naar de NEUTRAALSTAND .
Specificaties hydraulische vloeistof is compatibel met de elastomeren die worden gebruikt in hydraulische systemen van Toro, en is geschikt voor een groot aantal temperatuursomstandigheden. Deze vloeistof is geschikt voor gewone minerale oliën, maar voor maximale biologische afbreekbaarheid en prestaties moet u de gewone vloeistof grondig uit het hydraulisch systeem spoelen. De hydraulische vloeistof is verkrijgbaar in emmers van 19 liter of vaten van 208 liter bij een erkende Toro distributeur.
3. Reinig aan de linkerkant van de machine de omgeving rond de filterkop en plaats een opvangbak onder het filter (Figuur 85). g348614 g348708 g014570 Figuur 84 1. Dop van hydraulische tank g348615 Figuur 85 2. Vloeistoftank 3. Kijkglas 5. 1. Filterkop Verwijder de dop en vul de tank met de gespecificeerde hydraulische vloeistof tot de bovenste markering op het kijkglas. Belangrijk: Vul het reservoir niet te vol. 6. Plaats de dop terug op de tank. 7.
2. Ontgrendel en open de motorkap. 3. Reinig aan de linkerkant van de machine de omgeving rond de filterkop en plaats een opvangbak onder de filterbehuizing (Figuur 86). g351915 g348673 Figuur 86 1. Filterkop 3. Filterbehuizing 2. Element g351916 4. Verwijder de filterbehuizing uit de filterkop en neem het element eruit (Figuur 86). Figuur 87 1. Demper 3. Moer Opmerking: Gooi het filterelement weg. 2. Ring 5. Monteer een nieuw filter op de filterkop (Figuur 86). 3. Verwijder de demper. 6.
vergelijking met schone vloeistof melkachtig of zwart uit. De hydraulische vloeistof aftappen 1. Parkeer de machine op een horizontaal oppervlak, laat de maai-eenheden neer, zet de motor af, stel de parkeerrem in werking en verwijder het sleuteltje. 2. Verwijder het opslagcompartiment; zie Het opslagcompartiment verwijderen (bladz. 36). 3. Zet een opvangbak onder de hydraulische tank, verwijder de aftapplug van de tank en laat de hydraulische vloeistof volledig weglopen (Figuur 88).
Onderhoud van de maai-eenheid gebaseerde carborundumpasta aan op de snijvlakken van de messenkooien. Carborundumpasta nummer 80 Veiligheid van de messen Versleten of beschadigde messen of ondermessen kunnen breken en een stuk ervan kan naar u of naar omstanders worden uitgeworpen en zo ernstig lichamelijk of dodelijk letsel toebrengen. • Controleer op gezette tijden de maaimessen en ondermessen op overmatige slijtage en beschadigingen. • Wees voorzichtig als u de messen controleert.
9. 10. Onderhoud van het chassis Als het wetresultaat onvoldoende is, herhaal dan stappen 2 tot en met 8. Verwijder alle resten van carborundumpasta van de messenkooien en ondermessen. De veiligheidsgordel controleren De maai-eenheden slijpen • Slijp messenkooimessen of ondermessen om Onderhoudsinterval: Bij elk gebruik of dagelijks botte of vervormde messenkooimesranden of ondermesranden te corrigeren. 1. Controleer de veiligheidsgordel op slijtage, insnijdingen en andere beschadigingen.
Reiniging Stalling De machine wassen Veiligheid tijdens opslag • Zet de motor af, verwijder het contactsleuteltje Reinig de machine indien nodig met alleen water of een mild reinigingsmiddel. U kunt een vod gebruiken wanneer u de machine wast. en wacht totdat alle bewegende onderdelen tot stilstand zijn gekomen voordat u de bestuurderspositie verlaat. Laat de machine afkoelen voordat u deze afstelt, reinigt, stalt of er onderhoudswerkzaamheden aan verricht.
8. Zorg ervoor dat het luchtfilter grondig wordt gereinigd en een onderhoudsbeurt krijgt. 9. Plak de luchtfilterinlaat en de uitlaat af met weerbestendige tape. 10. Controleer de antivriesbescherming en vul het systeem bij met een oplossing die half uit water, half uit ethyleenglycol bestaat. Vul zoveel bij als nodig is met het oog op de plaatselijk te verwachten minimumtemperatuur. Het elektrische systeem gebruiksklaar maken 1.
Problemen, oorzaak en remedie Probleem Er bevinden zich stukken ongemaaid gras bij het punt van overlapping tussen de maai-eenheden. Er zijn over de volle breedte ribbels in het maairesultaat dwars op de rijrichting. Mogelijke oorzaak Remedie 1. U draait te scherp. 1. Maak een bredere bocht. 2. De machine glijdt opzij bij het dwars over een helling rijden. 3. Eén kant van de maai-eenheid maakt geen contact met de grond door slecht geleide slangen of fout aangebrachte hydraulische adapters. 4.
Probleem Mogelijke oorzaak Er zijn strepen van niet of slecht gemaaid gras in de rijrichting. 1. Er zijn golven in de snijvlakken als gevolg van contactdruk bij een slechte afstelling van de messenkooi ten opzichte van het ondermes. 1. De randen wetten of slijpen. 2. Het ondermes raakt de grond. 3. Het ondermes is met de neus omlaag gericht. 4. De maai-eenheden stuiteren op en neer. 5. Bepaalde messenkooilagers/scharnieren van lagerbehuizingen zijn versleten. 6.
Probleem De hydraulische vloeistof is te heet. Mogelijke oorzaak 1. Er is een scherm verstopt. 1. Reinig het scherm. 2. De ribben van de vloeistofkoeler zijn vuil/geblokkeerd. 3. De radiateur van de motor is vuil/geblokkeerd. 4. De ontlastklep is te laag ingesteld. 2. Reinig de ribben. 5. Het vloeistofpeil is te laag. 6. De remmen zijn ingeschakeld. 7. De messenkooien drukken tegen de ondermessen. 8. Een ventilator of ventilatoraandrijving werkt niet. Het remsysteem werkt niet correct.
Probleem De machine werkt eerst naar behoren, maar verliest dan vermogen. Mogelijke oorzaak 1. Een pomp of motor is versleten. 1. De pomp of motor naargelang behoefte vervangen. 2. Het peil van de hydraulische vloeistof is te laag. 3. De vloeistof in het hydraulische systeem heeft de verkeerde viscositeit. 2. Tank van hydraulische vloeistof bijvullen tot het vereiste peil. 3. Vervang de vloeistof in de hydraulische tank door vloeistof met de juiste viscositeit; raadpleeg het hoofdstuk Specificaties. 4.
Probleem De maai-eenheden starten niet wanneer zij worden neergelaten om te maaien. Mogelijke oorzaak 1. De stoelsensorschakelaar werkt niet goed. 1. Mechanische en elektrische werking van schakelaar controleren. 2. Het peil van de hydraulische vloeistof is te laag. 3. Er is een aandrijfas gebroken. 2. Vul het reservoir van de hydraulische vloeistof tot het vereiste peil. 3. Controleer de aandrijfassen van de motor en de messenkooi, en vervang ze indien nodig. 4. De ontlastklep laten nakijken.
Privacyverklaring EEA/VK Toro's gebruik van uw persoonlijke gegevens The Toro Company (“Toro”) respecteert uw recht op privacy. Wanneer u onze producten koopt, kunnen we bepaalde persoonlijke informatie over u verzamelen, ofwel rechtstreeks via u ofwel via uw plaatselijk Toro bedrijf of dealer.
Toro garantie Garantie gedurende 2 jaar of 1500 bedrijfsuren Voorwaarden en producten waarvoor de garantie geldt Onderdelen De Toro Company biedt de garantie dat uw Toro product (hierna: het 'product') gedurende 2 jaar of 1500 bedrijfsuren* vrij van materiaalgebreken of fabricagefouten is, met dien verstande dat hierbij de kortste periode moet worden aangehouden. Deze garantie geldt voor alle producten met uitzondering van beluchters (zie de afzonderlijke garantieverklaringen voor deze producten).