Form No. 3325-430 Rev A ® Groundsmaster® 328-D Tractie-eenheid met vierwielaandrijving Modelnr.
Inhoud Inhoud 2 Inleiding 3 Veiligheid Veilige bediening 4 4 Veiligheids- en instructiestickers 8 Specificaties 11 Voor het gebruik Motoroliepeil controleren Brandstoftank met benzine vullen Het koelsysteem controleren De hydraulische vloeistof controleren Controleren van de achteras Controleren van de smeer van de tweerichtingskoppeling 13 13 13 14 14 15 15 Gebruiksaanwijzing Bedieningsorganen Starten en stoppen van de motor Het brandstofsysteem ontluchten De interlockschakelaars controleren De
Waarschuwing duidt op een gevaarlijke situatie die zwaar lichamelijk letsel of de dood tot gevolg kan hebben wanneer de veiligheidsvoorschriften niet in acht worden genomen. Inleiding Lees deze handleiding zorgvuldig, zodat u weet hoe u het voertuig goed kunt gebruiken en onderhouden. De informatie in deze handleiding kan u en anderen helpen om letsel en schade te voorkomen. Hoewel Toro veilige producten ontwerpt en fabriceert, blijft u verantwoordelijk voor het juiste en veilige gebruik van het voertuig.
Veiligheid Onjuist gebruik of onderhoud door de gebruiker of eigenaar kan letsel veroorzaken. Om het risico van letsel te verminderen, dient u zich aan de volgende veiligheidsinstructies te houden en altijd op het veiligheidssymbool te letten dat betekent VOORZICHTIG, WAARSCHUWING of GEVAAR —“instructie voor persoonlijke veiligheid”. Nietnaleving van de instructie kan leiden tot lichamelijk (mogelijk dodelijk) letsel.
• • Verander niet de stand van de toerenregelaar van de motor en laat de motor niet te snel draaien. • Stop de machine op een horizontaal oppervlak, laat de maai-eenheden neer, zet het tractiepedaal in de neutraalstand schakel de aandrijvingen uit, stel de parkeerrem (indien aanwezig) in werking en zet de motor af voordat u de bestuurdersstoel om welke reden ook verlaat. • de bougie. Wacht totdat alle bewegende delen tot stilstand zijn gekomen voordat u de machine afstelt, reinigt of repareert.
Veilige bediening van de Toro Maaimachine De volgende lijst bevat veiligheidsinstructies die specifiek zijn toegesneden op Toro-producten, naast andere veiligheidsinstructies waarvan u op de hoogte moet zijn. • Raak de motor, de radiator of de geluiddemper niet aan als de motor loopt of direct nadat u deze heeft afgezet.
• machine omslaat, zal een omkiepbeveiliging waarin veranderingen zijn aangebracht, geen adequate bescherming bieden. Zorg ervoor dat de gehele machine goed is onderhouden en in een goede conditie voor gebruik verkeert. Controleer veelvuldig alle moeren, bouten en schroeven. Controleer veelvuldig of alle mesbouten van de maaieenheid zijn vastgedraaid met de gespecificeerde torsie (zie gebruikershandleiding van maaidek).
Veiligheids- en instructiestickers Veiligheidsstickers en veiligheidsinstructies zijn gemakkelijk zichtbaar voor de bestuurder en bevinden zich bij plaatsen waar gevaar kan ontstaan. Vervang alle beschadigde of verdwenen stickers. 1 1 1 93-7822 1. Voorzichtig—Vul de benzinetank tot 2,5 cm vanaf de onderkant van de vulbuis. Lees de gebruikershandleiding voor verdere instructies. 1 82-8940 1. Vergrendelt en ontgrendelt de stuurkolom 2 3 93-7275 4 1.
1 1 1 93-7272 2 3 93-7821 1. De ventilatorbladen kunnen letsel veroorzaken—Blijf uit de buurt van bewegende onderdelen. 1. Voorzichtig 2. Vullen met koelvloeistof tot 2,5 cm van de bovenkant van de tank. 3. Lees de gebruikershandleiding voor verdere instructies. 1 1 2 93-7830 1. Voorzichtig—Lees de gebruikershandleiding voor verdere instructies. 2. Specificatie torsie van wielen 2 4 1 3 93-7840 3 1. 2. 3. 4. 2 Koelvloeistofpeil Heet oppervlak—Houd afstand.
1 2 1 93-6697 93-6668 1. Lees de bedieningshandleiding 2. Smeer van de achteras verversen na de eerste 50 bedrijfsuren en vervolgens om de 500 bedrijfsuren 1. De accu bevat lood. Werp deze niet in het afval. 1 1 93-7816 2 2 1. Vervang het hydraulische filter na de eerste 10 bedrijfsuren—Lees de gebruikershandleiding voor verdere instructies. 3 3 2 1 4 5 1 2 2 6 93-7839 1. Gevaar—Lees de bedieningshandleiding 2.
Specificaties Opmerking: Specificaties en ontwerp kunnen zonder voorafgaande kennisgeving worden gewijzigd. Algemene specificaties Motor Kubota vloeistofgekoelde driecilinder viertaktdieselmotor. 26 pk @ 3000. Motor is afgeregeld op onbelast motortoerental van 3200–3250 tpm, hoog stationair. Luchtfilter: Heavy-duty, afzonderlijk gemonteerd Geluiddemper: Volume gelijk aan ongeveer vijf maal de cilinderinhoud van motor voor optimale demping van het geluid.
Hoofdframe Gelast frame, staal met dikte nr. 11, versterkt met vierkante en rechthoekige buizen. Interlockschakelaars Aftakasschakelaar—Zet de motor af als de aftakas is ingeschakeld terwijl de bestuurder niet op de stoel zit. Tractieschakelaar—Zet de motor af als het tractiepedaal is ingetrapt terwijl de bestuurder niet op de stoel zit. Stoelschakelaar—Zet de motor af als de bestuurder de stoel verlaat terwijl de aftakas niet is uitgeschakeld en/of het tractiepedaal nog is ingetrapt.
Voor het gebruik Motoroliepeil controleren 4. Het carter van de motor is in de fabriek gevuld met 3,8 liter olie; het oliepeil moet echter worden gecontroleerd voordat de motor voor de eerste keer wordt gestart en daarna nog eens. Brandstoftank met benzine vullen 1. 2. 3. Plaats de vuldop en sluit de kap. GEVAAR Plaats de machine op een horizontaal oppervlak, zet de motor af en verwijder het sleuteltje uit het contact. Open de kap en plaats de kapsteun.
1 2. Als het koelvloeistofpeil te laag staat, verwijdert u de dop van de expansietank en vult u het systeem bij. NIET TE VOL VULLEN. 3. Plaats de dop van de expansietank terug. De hydraulische vloeistof controleren Het hydraulische systeem is ontworpen voor gebruik met hoogwaardige reinigingsolie met onderhoudsclassificatie SF/CC of CD van het American Petroleum Institute (API). De viscositeit van de olie— gewicht—moet worden geselecteerd in overeenstemming met de verwachte omgevingstemperatuur.
peilstokdop handvast op de vulbuis. Draai de peilstok daarna eruit en controleer het oliepeil. Als het oliepeil niet binnen 13 mm van de groef in de peilstok (Fig. 6) staat, moet u voldoende olie bijvullen totdat het peil de groef bereikt. Zorg ervoor dat het oliepeil niet hoger dan 13 mm boven de groef komt te staan als u olie bijvult.
Gebruiksaanwijzing Opmerking: Bepaal vanuit de normale bedieningspositie de linker- en rechterzijde van het voertuig. hendel naar achteren om het stuurwiel in de lengte in de gewenste werkstand te zetten en duw de hendel naar voren om de stand te vergrendelen. Bedieningsorganen Rempedaal Tractiepedaal Als u de motor afzet, moet u de parkeerrem (Fig. 9) in werking stellen teneinde te voorkomen dat de machine per ongeluk in beweging komt. Met het tractiepedaal (Fig.
laag is, moet u de motor afzetten en vaststellen wat de oorzaak is. Herstel het defect voordat u de motor weer start. werktuig is opgeheven, zet u de hefhendel in de TRANSPORT-stand. Het werktuig moet worden opgeheven als u van het ene werkgebied naar het andere rijdt, behalve als u een steile helling afdaalt. Laadindicator 1 De laadindicator licht op indien het laadcircuit van het systeem defect is (Fig. 11).
Indicatielampje gloeibougie Starten en stoppen van de motor Als dit lampje gaat branden, zijn de gloeibougies in werking (Fig. 11). Belangrijk Het brandstofsysteem moet worden ontlucht indien zich één van de volgende situaties heeft voorgedaan. Contactschakelaar Drie standen: UIT, AAN / Voorgloeien en START (Fig. 11). A. Eerste keer starten van een nieuwe machine. B. De motor is gestopt omdat de brandstof op was. Gashendel C: Er is onderhoud uitgevoerd aan componenten van het brandstofsysteem; bijv.
VOORZICHTIG Zet de motor af en wacht totdat alle bewegende delen tot stilstand gekomen zijn voordat u controleert op olielekken, losse onderdelen of andere waarneembare defecten. 6. 1 Om de motor af te zetten, moet u de gashendel naar achteren op LANGZAAM zetten, de aftakasschakelaar op UIT zetten en het contactsleuteltje op UIT draaien. Verwijder het sleuteltje uit het contact om te voorkomen dat de motor per ongeluk start. Figuur 13 1. Ontluchtschroef brandstofinjectiepomp 4.
maken. motor loopt. Hoewel de motor blijft lopen als de aftakas is uitgeschakeld en het tractiepedaal niet is ingetrapt, raden wij u met klem aan de motor af te zetten voordat u de bestuurdersstoel verlaat. Belangrijk U mag de tractie-eenheid niet sneller dan 3 tot 4,8 km per uur duwen of slepen omdat hierdoor de transmissie kan worden beschadigd. Als de tractie-eenheid over een grote afstand moet worden verplaatst, moet u deze vervoeren op een vrachtwagen of een aanhanger.
voldoende vermogen voor de tractie-eenheid en de werktuigen is, moet u met behulp van het tractiepedaal het motortoerental hoog en enigszins constant houden. Een uitstekende regel is: de rijsnelheid verminderen als het werktuig zwaarder wordt belast, en verhogen als het werktuig minder wordt belast. WAARSCHUWING Onvoorzichtig gebruik in combinatie met de hoek van het terrein, afkaatsingen en verkeerde geplaatste veiligheidsschermen kunnen leiden tot letsel als gevolg van uitgeworpen voorwerpen.
Onderhoud Opmerking: Bepaal vanuit de normale bedieningspositie de linker- en rechterzijde van het voertuig. Aanbevolen onderhoudsschema Onderhoudsinterval Na de eerste 10 bedrijfsuren Onderhoudsprocedure • Spanning van de riem van de aftakas controleren. • Spanning van de riem van ventilator en wisselstroomdynamo controleren. • Transmissiefilter vervangen. • Wielmoeren aandraaien. Na de eerste 50 bedrijfsuren • Motoroliefilter vervangen. • Motortoerental controleren.
rem (Fig. 18); trekstang as (2) (Fig. 19) draaipen as (Fig. 19) draaipunt van asbesturing (2) (Fig. 19) cilinder stanguiteinden (4) (Fig. 19) aandrijfas (3) (Fig. 20); koppelingsbehuizing (Fig. 20) en lager van uitgangsas van motor (Fig. 21). Smeer ook beide remkabels bij het aandrijfwiel en de uiteinden van de rempedalen. Controlelijst Dagelijks Onderhoud ✓ Werking interlocksysteem controleren. ✓ Controleren of de grasgeleider omlaag staat. ✓ Werking van de remmen controleren.
(2) 1 (4) Figuur 22 1. Luchtfilterindicator (2) 3. Figuur 19 Zorg ervoor dat het deksel goed afsluit rondom het luchtfilterhuis. Onderhoud van het luchtfilter 1. Trek de vergrendeling naar buiten en draai het luchtfilterdeksel linksom. Verwijder het deksel van het huis (Fig. 23). Reinig de binnenkant van het luchtfilterdeksel. 1 Figuur 20 2 Figuur 23 1 1. Vergrendeling van luchtfilter 2. Luchtfilterdeksel Figuur 21 2. Algemeen onderhoud van het luchtfilter 1.
Radiator en scherm reinigen Het scherm en de voorkant van de radiator moeten vrij van rommel worden gehouden om te voorkomen dat de motor oververhit raakt. Controleer elke dag het scherm en de voorkant van de radiator en verwijder indien nodig het aanwezige vuil. In buitengewoon stoffige en vuile omstandigheden moet u het scherm elk kwartier en de radiator elk uur controleren en reinigen. 1 Opmerking: Dit kan vooral noodzakelijk zijn als een maai-eenheid met een achterafvoer wordt gebruikt.
5. Verwijder en vervang het oliefilter (Fig. 26). Brandstoftank De brandstoftank moet jaarlijks of om de 800 bedrijfsuren worden afgetapt en gereinigd, waarbij de kortste periode moet worden aangehouden. Ook moet de tank worden afgetapt en gereinigd als het brandstofsysteem vervuild raakt of wanneer de machine voor langere tijd gestald gaat worden. Gebruik schone dieselbrandstof om de tank uit te spoelen. 1 Figuur 26 Brandstofleidingen en -verbindingen 1. Oliefilter 6.
pakking contact maakt en draai deze vervolgens nog een halve slag verder. Brandstoffilter vervangen Vervang het brandstoffilter (Fig. 28) tussen de brandstoftank en de brandstofpomp om de 400 bedrijfsuren of jaarlijks, waarbij de kortste periode moet worden aangehouden. 1. 2. 1 Klem de beide brandstofslangen die zijn aangesloten op het brandstoffilter, op zodanige wijze samen dat de brandstof niet kan weglekken als de slangen worden verwijderd. Figuur 29 1. Spuitmond nr.
Koelvloeistof verversen De inhoud van het koelsysteem is ongeveer 5,7 liter. Het koelsysteem moet worden gevuld met een oplossing die half uit water, half uit permanente ethyleenglycol-antivries bestaat. Om de twee jaar moet u de koelvloeistof aftappen uit de radiator door het aftapkraantje open te draaien (Fig. 30). Nadat de koelvloeistof is afgetapt, moet u het hele systeem schoonspoelen en vullen met een oplossing die half uit water, half uit permanente ethyleenglycol-antivries bestaat. 1 Figuur 32 1.
correcte speling heeft. Draai vervolgens de borgmoer van de spanpoelie vast (Fig. 33). Riem van koelventilator 1. Ontgrendel en open de motorkap. 2. Draai de tapbouten (5) los waarmee de riembescherming van de ventilator is bevestigd, en verwijder de riembescherming (Fig. 34). 5. De riem vervangen: 1 1. Om de riem te vervangen, moet u bovengenoemde procedures in stappen 1 en 2 uitvoeren. 2.
De bedieningsstang van de tractie afstellen Frictiewiel van tractiepedaal afstellen 1. 1. Draai de twee moeren los waarmee de as van het tractiepedaal is bevestigd aan de rechterkant van het pedaal (Fig. 38). 2. Draai de as zodat het afgesleten oppervlak van het frictiewiel wordt afgekeerd van de onderkant van het tractiepedaal. 3. Draai de moeren aan om de as en het wiel vast te zetten in hun positie. 2.
pompplaat tegen de kant van de transmissie wordt gehouden. Controleer de afstelling met de gashendel op LANGZAAM en SNEL. De interlockschakelaar van de tractie afstellen 1. Stel de transmissie af voor de neutraalstand; zie De tractie-aandrijving afstellen voor de neutraalstand, blz. 30. 2. Zorg er met behulp van de pomphefboom (Fig. 39) voor dat alle onderdelen onbelemmerd werken en zich in de juiste positie bevinden. 3. Draai de contramoer los. Draai de stelschroef van de schakelaar (Fig.
Belangrijk De draden van de schakelaar zullen 3 worden beschadigd als u de contramoeren te vast aandraait. 6. 7. Sluit de stekker van de schakelaar aan op een doormeetapparaat of een weerstandsmeter. Als de aftakashendel op AAN staat, mag er geen elektrische stroom op het circuit van de schakelaar staan. Als er stroom op de schakelaar staat, moet u nog eens controleren of de schakelaar goed is gemonteerd. Als er geen stroom op de schakelaar staat, gaat u verder met de volgende stap. 2 1 Figuur 41 1.
controleren of de schakelaar in goede staat verkeert of goed is gemonteerd. Stuurverstelling afstellen Als de hendel om het stuur te verstellen moet worden afgesteld, gaat u als volgt te werk: 1. 2. 3. Verwijder de knop van de parkeerrem en de parkerschroeven van de beschermkap van de stuurkolom. Schuif de kap omhoog langs de stuuras zodat de draaibeugel zichtbaar wordt (Fig. 43). 1 3 2 Figuur 44 1. Kogelverbinding 2. Trekstang 3.
1 1 Figuur 45 1. Contramoer Figuur 46 2. 3. 1. Gleuf Als de remkabel geen speling van 13 tot 25 mm kan krijgen, moet u de stermoer aan de binnenkant van de remtrommel afstellen. Voordat u de stermoer afstelt, moet u echter de moeren van de remkabels losdraaien om te voorkomen dat de kabels onnodig worden belast. 6. Draai de vijf wielmoeren los waarmee het wiel en de band samen zijn bevestigd aan de wieltappen. 4. Krik de machine omhoog totdat het voorwiel vrij komt van de grond.
De vergrendeling van de hefhendel afstellen Hydraulisch filter vervangen Het hydraulische filter houdt het hydraulische systeem betrekkelijk goed vrij van verontreinigende stoffen en moet met regelmatige intervallen een onderhoudsbeurt krijgen. Vervang het filter na de eerste 10 bedrijfsuren en vervolgens om de 125 bedrijfsuren of jaarlijks, waarbij de kortste periode moet worden aangehouden. Als u het filter vervangt, moet u een origineel Toro-oliefilter, Onderdeelnr. 23-9740, monteren.
De hydraulische vloeistof verversen De hydraulische olie moet om de 250 bedrijfsuren worden ververst of elk seizoen, waarbij de kortste periode moet worden aangehouden. Het hydraulische systeem is ontworpen voor gebruik met hoogwaardige reinigingsolie met onderhoudsclassificatie SF/CC of CD van het American Petroleum Institute (API). De viscositeit van de olie—gewicht—moet worden geselecteerd in overeenstemming met de verwachte omgevingstemperatuur in het seizoen waarin het product zal worden gebruikt.
Smeer van de tweerichtingskoppeling verversen 1 Na iedere 400 bedrijfsuren moet de olie in de tweerichtingskoppeling worden ververst. 2 Figuur 51 1. Peilstok 2. Groef Smeer van de achteras verversen 1. Plaats het voertuig op een horizontaal oppervlak. 2. Reinig de omgeving van de controleplug op de koppeling. 3. Draai de koppeling zodanig dat de controleplug naar beneden wijst (Fig. 53). Na iedere 400 bedrijfsuren moet de olie in de achteras worden ververst. 1.
Zekeringen Winterstalling Er zijn 3 zekeringen in het elektrische systeem van de machine. Deze bevinden zich onder het bedieningspaneel. Tractie-eenheid 1. 4 1 3 Reinig de tractie-eenheid, de maai-eenheden en de motor grondig en let daarbij speciaal op de volgende punten: • Radiatorscherm • De onderkant van de maai-eenheid • Ruimte onder de drijfriemkappen van de maai-eenheid • Veren van tegengewicht • Aftakasmechanisme • Alle smeer- en draaipunten 2 5 Figuur 54 1. 2. 3. 4. 5.
D. Laad de accu langzaam om de 60 dagen 24 uur lang op om loodsulfatie van de accu te voorkomen. Motor 1. Tap de motorolie af uit het carter en plaats de aftapplug weer terug. 2. Verwijder het oliefilter en gooi het weg. Plaats een nieuw oliefilter. 3. Verwijder de vuldop en vul bij met 3,8 liter olie, type SAE 10W-30, met classificatie CD, CE, CF, CF-4 of CG-4, totdat het oliepeil de VOLmarkering bereikt. NIET TE VOL VULLEN. 4. Start de motor en laat deze ongeveer twee minuten stationair lopen. 5.