FORM NR. 3318–902NL Rev A ProLine 20 pk Tractor Model nr. 30611 – 790001 en hoger Gebruikershandleiding BELANGRIJK: Lees deze handleiding aandachtig door. De handleiding bevat informatie ten behoeve van uw veiligheid en die van anderen. Zorg dat u vertrouwd bent met de plaats en functie van de bedieningsorganen voordat u de machine gaat gebruiken.
Inleiding Dank u voor de keuze van een Toro produkt. Wij bij Toro wensen dat u geheel tevreden bent met dit nieuwe produkt. Aarzel daarom niet contact op te nemen met uw erkende Toro Service Dealer voor eventuele hulp, service, originele Toro onderdelen of andere informatie. Wanneer u de dealer of de fabriek raadpleegt, dient u de model- en serienummers van de machine altijd te vermelden.
Inhoud Blz. Veiligheid . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 2 Instructies voor veilige bediening van cirkelmaaiers met zittende bestuurder . . . 2 Hellingsdiagram . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 5 Overzicht van symbolen . . . . . . . . . . . . . . . 7 Vóór het eerste gebruik . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 10 Losse onderdelen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 10 Bestuurdersstoel installeren . . . . . . . . . . . . 11 Stuurwiel installeren . . . . . . . . . . . . .
Veiligheid Instructies voor veilige bediening van cirkelmaaiers met zittende bestuurder onvoldoende rekening houden met de omstandigheden, met name op hellingen; onjuiste aankoppeling en verdeling van last. Instructie Voor ingebruikname 1. Lees deze handleiding aandachtig door voordat u de maaimachine gaat gebruiken. Let op de plaats en de functie van de bedieningselementen en hoe u de machine moet gebruiken. 1. Draag tijdens het maaien altijd een lange broek en stevige schoenen.
Veiligheid 5. 6. Controleer de messen, bevestigingsbouten en het maaimechanisme altijd op sporen van slijtage of beschadiging voor het gebruik. Vervang versleten of beschadigde messen en bouten altijd als complete set om een goede balans te behouden. • 6. Let op dat bij machines met meer maaimessen andere messen kunnen gaan draaien doordat u een mes draait. Gebruiksaanwijzing 1. Laat de motor niet in een afgesloten ruimte lopen, omdat zich giftige koolmonoxydedampen kunnen verzamelen. 2.
Veiligheid • voordat u de maaier gaat controleren, schoonmaken of andere werkzaamheden gaat uitvoeren. • als u een vreemd voorwerp raakt. Controleer de machine op beschadiging en voer alle benodigde reparaties uit alvorens hem weer te gebruiken; • als de maaier abnormaal trilt (direct controleren). 14. Schakel de aandrijving van werktuigen uit voor transport of wanneer u die niet gebruikt. 15.
Veiligheid Hellingsdiagram Lees alle veiligheidsinstructies op pagina 2–9.
Veiligheid 6
Veiligheid Overzicht van symbolen Veiligheidsalarm – symbool in de driehoek geeft het gevaar aan Veiligheidsalarm Lees de bedieningshandleiding Raadpleeg technische handleiding voor juiste onderhoudsprocedures Motor stoppen en sleutel uit contactslot verwijderen alvorens onderhoud of reparatie uit te voeren Bijtende vloeistoffen, brandwonden aan vingers of hand Vuur, open vlammen en roken verboden Vuur of open vlammen Explosie Loodbatterij niet bij huisvuil deponeren Blijf op veilige afstand van
Veiligheid Overzicht van symbolen Veiligheidsschermen niet openen of verwijderen terwijl de motor loopt Uitgeworpen voorwerpen, gevaar voor alle lichaamsdelen Uitgeworpen voorwerpen, gevaar voor alle lichaamsdelen Opgeslagen energie, terugslag of opgaande beweging Wacht totdat alle machinedelen volledig tot stilstand zijn gekomen voordat u ze aanraakt Machine kantelt, rijdende maaier Zorg dat beschermkappen en -platen gemonteerd zijn Afsnijden van tenen en vingers, draaiend maaimes Afsnijden van vi
Veiligheid Overzicht van symbolen Snel Motorolie Langzaam Accu Toename/afname Aan/Lopen Brandstofvoorraad Uit/Stop Vergrendeling Motor starten Aftakas Motor afzetten In werking stellen Hulpstarter Buiten werking stellen Remsysteem Werktuig heffen Parkeerrem Werktuig laten zakken 9
Vóór het eerste gebruik Losse onderdelen NB.: Controleer aan de hand van het onderstaande schema of u alle onderdelen hebt ontvangen.
Vóór het eerste gebruik Bestuurdersstoel installeren Stuurwiel installeren 1. Plaats de stoel op de stoelplaat, zorg ervoor dat de bevestigingsgaten tegenover elkaar staan (fig. 1). 1. Beweeg de achterwielen, zodat ze recht naar voren staan. 2. 2. Schuif de kabelklem over de kabel van de stoelschakelaar (fig. 1). Schuif de bus en het stuurwiel op de stuuras, zorg ervoor dat de bevestigingsgaten tegenover elkaar staan. Controleer of het logo op de stuurwielkap naar voren wijst. 3.
Vóór het eerste gebruik Accu activeren 2. Accuzuur met een soortelijk gewicht van 1,260 is verkrijgbaar bij een leverancier van accu’s. Verwijder de vuldoppen van de accu. Giet langzaam accuzuur in elke cel totdat het zuur tot aan de onderkant van de buis staat (fig. 4). 1 1. Als die al is geïnstalleerd, verwijdert u de accu uit de houder. POTENTIEEL GEVAAR • Accuzuur bevat zwavelzuur, een dodelijk gif dat ernstige brandwonden kan veroorzaken.
Vóór het eerste gebruik Accu installeren 4 Belangrijk: Vul de accu met zuur en laad de accu op alvorens deze te installeren. 2 3 1. Monteer de accu op de accusteun met de accupolen naar de benzinetank toe gericht (fig. 6). 2. Zet de accu vat met klem, steunstang en vleugelmoer (fig. 6). 1 NB: NIET TE VAST AANDRAAIEN. 3. Schuif de rode kap over de rode accukabel (fig. 6). 4. Monteer de pluskabel aan de pluspool (+) van de accu en de minkabel aan de minpool (–) van de accu.
Vóór het eerste gebruik Motoroliepeil controleren Het motorcarter is in de fabriek gevuld met ca. 2 liter olie. Het oliepeil moet worden gecontroleerd voordat de motor de eerste keer wordt gestart. Controleer het oliepeil; zie Motoroliepeil controleren, pagina 26. Hydrauliekoliepeil controleren Het hydraulisch systeem is in de fabriek gevuld met ca. 5 liter 10W–30 motorolie. Het oliepeil moet worden gecontroleerd voordat de motor de eerste keer wordt gestart.
Benzine en olie Aanbevolen benzine Stabilizer/Conditioner Gebruik LOODVRIJE normaalbenzine voor automobielen (octaangetal minimaal 85). Als loodvrije benzine niet verkrijgbaar is, kan gelode normaalbenzine worden gebruikt. Voeg de juiste hoeveelheid stabilizer/conditioner aan de benzine toe. Belangrijk: Nooit methanol, benzine die methanol bevat, of gasohol met meer dan 10% ethanol gebruiken, omdat het brandstofsysteem daardoor beschadigd kan worden. Geen olie door de benzine mengen.
Gebruiksaanwijzing Veiligheid staat voorop Lees aandachtig alle veiligheidsinstructies en symbolen in het hoofdstuk over veiligheid. Met behulp van deze informatie kunt u letsel van uw gezinsleden, omstanders, dieren en u zelf voorkomen. Stoppen 1. NB.: Zorg dat u vertrouwd bent met alle bedieningsorganen voordat u de motor start en de machine gebruikt. Starten en stoppen van de motor Zet het handgas in de stand “LANGZAAM” (fig. 7).
Gebruiksaanwijzing Bediening van de aftakas Vooruit en achteruit rijden Met de aftakasschakelaar schakelt u de elektrische koppeling van de aftakas in en uit. Met het handgas regelt u het toerental van de motor (in omwentelingen per minuut). Zet het handgas in de stand “SNEL” voor het hoogste vermogen. Aftakas inschakelen Vooruit 1. 2. Laat het rijpedaal opkomen om de machine tot stilstand te brengen (fig. 8).
Gebruiksaanwijzing Parkeerrem MOGELIJK GEVAAR • Iemand zou de machine kunnen bedienen of wegrijden wanneer u deze onbeheerd achterlaat. WAT ER KAN GEBEUREN • Kinderen of omstanders kunnen gewond raken door onbevoegd gebruik van de machine. GEVAARLIJKE SITUATIES VOORKOMEN • Neem altijd de sleutel uit het contactslot en stel de parkeerrem in werking wanneer u de machine onbeheerd achterlaat, ook al is het maar heel even.
Gebruiksaanwijzing Hendel voor werktuig heffen De hendel voor werktuig heffen (fig. 9) wordt gebruikt om werktuigen te heffen en te laten zakken. Werktuig heffen 1. Laat het rijpedaal opkomen om de machine tot stilstand te brengen. 2. Trek de werktuighendel (fig. 9) naar achteren om het werktuig tot de gewenste hoogte te heffen. Veiligheidssysteem testen Test het veiligheidssysteem telkens voordat u de machine gebruikt.
Gebruiksaanwijzing Bestuurdersstoel instellen 1. U kunt de stoel naar voren en naar achteren verschuiven. De positie van de stoel moet zo zijn dat u de machine het best kunt bedienen en dat u comfortabel zit. Om de machine vooruit te duwen of te slepen, moet het rijpedaal helemaal in de richting vooruit worden ingetrapt. 2. Om de machine achteruit te duwen of te slepen, moet het rijpedaal helemaal in de richting achteruit worden ingetrapt. 1.
Onderhoud Onderhoudsschema Werkzaamheden Olie-peil controleren Elk gebruik Elke 8 uur Elke Elke Elke Elke 25 uur 50 uur 100 uur 200 uur X Olie-verversen* X Eerste X Oliefilter-vervangen* (elke 100 uur, bij elke 2e olieverversing) X X Veiligheidssysteem-controleren X Rem-controleren X Motor-buitenkant en koelribben reinigen X Lagers/bussen-smeren* Luchtfilter-stofreservoir reinigen* Onderhoud voor stalling X X X X X X X X X X Papieren luchtfilter-reinigen* X X Bougie(s)-controlere
Onderhoud MOGELIJK GEVAAR • Als u de sleutel in het contactslot laat zitten, kan een onbevoegde de motor starten. WAT ER KAN GEBEUREN • Per ongeluk starten van de motor kan leiden tot lichamelijk letsel van u of omstanders. GEVAARLIJKE SITUATIES VOORKOMEN • Verwijder de sleutel uit het contactslot en trek de bougiekabel(s) van de bougie(s) af alvorens onderhoud te verrichten. Druk de kabel(s) opzij, zodat die geen contact kunnen maken met de bougie(s). 3.
Onderhoud Reinigen van het luchtfilter Reinig het luchtfilter na elke 200 uur of vaker onder zeer stoffige of vuile omstandigheden, door middel van wassen of met perslucht. Vervang het element na elke zes reinigingsbeurten (1500 uur) of jaarlijks, waarbij de kortste periode moet worden aangehouden. NB.: 1. Aftakas uitschakelen, parkeerrem in werking stellen en de contactsleutel in de stand ”UIT” draaien om de motor te stoppen. Verwijder de sleutel uit het contactslot. 2.
Onderhoud 2. Maak een oplossing van filterreiniger en water en laat het filterelement ca. 15 minuten inweken. Raadpleeg de instructies op de verpakking van de filterreiniger voor meer informatie. 3. Nadat het element ca. 15 minuten geweekt heeft, schoonspoelen met leidingwater. De waterdruk mag niet hoger dan 276 kPa zijn, om beschadiging van het filterelement te voorkomen. 4. Droog het filterelement met behulp van een warme luchtstroom (max. 71 C) of laat het element aan de lucht drogen.
Onderhoud 4. Monteer stofreservoir en stofklep. Breng de schroefknop achter het luchtfilterhuis en draai deze goed vast. Motorolie Onderhoudsinterval/Specificatie Motorluchtfilter reinigen Olie verversen: 1. • Na de eerste 8 bedrijfsuren. • Na elke 50 bedrijfsuren. Verwijder de vleugelmoer van de bovenkant van het motorluchtfilter. Verwijder het schuim voorfilter uit het luchtfilter. NB.: 2. Breng een felle lamp in het filterelement. 3.
Onderhoud Motoroliepeil controleren Olie verversen/aftappen 1. 1. Start de motor en laat die vijf minuten lopen. Hierdoor wordt de olie warm, zodat die beter kan worden afgetapt. 2. Parkeer de machine zo dat de aftapzijde iets lager dan de andere zijde is, zodat alle olie eruit kan lopen. Daarna aftakas uitschakelen, parkeerrem in werking stellen en de contactsleutel in de stand “UIT” draaien om de motor te stoppen. Verwijder de sleutel uit het contactslot. 3.
Onderhoud Bougie Motoroliefilter vervangen Onderhoudsinterval/Specificatie Onderhoudsinterval/Specificatie Vervang het oliefilter elke 100 bedrijfsuren of bij elke tweede olieverversing. NB.: 1. 2. 3. Vervanging van het oliefilter moet vaker plaatsvinden bij gebruik in zeer stoffige of zanderige omstandigheden. Motorolie aftappen, zie Motorolie verversen/aftappen, pagina 26. Verwijder het oude filter en veeg het contactvlak van de filteraansluiting (fig. 15 en 16) de afdichtring schoon.
Onderhoud 4. Druk het plastic deksel uit de opening in de plaat tussen de motor en de benzinetank. 5. Trek de kabels(s) van de bougie(s) af. Maak de omgeving van de bougie(s) schoon, om te voorkomen dat vuil in de motor terecht komt en schade veroorzaakt. 6. 2 3 1 1 mm Verwijder de bougie(s) en metalen ring. Figuur 18 1. Isolator middenelektrode 2. Zij-elektrode 3. Elektrodenafstand (niet op schaal) Bougie(s) monteren 1. Monteer de bougies en metalen ringen.
Onderhoud Smeren 2. Smeer de wielassen, stuuras en fusees (fig. 20). Onderhoudsinterval/Specificatie Alle lagers en bussen na elke 25 bedrijfsuren smeren. Het smeren moet vaker (dagelijks) plaatsvinden bij gebruik in zeer stoffige of zanderige omstandigheden. Type vet: universeel smeervet, lithiumverzeept. Methode van smeren 1. 2. Aftakas uitschakelen, parkeerrem in werking stellen en de contactsleutel in de stand “UIT” draaien om de motor te stoppen. Verwijder de sleutel uit het contactslot.
Onderhoud 4. Smeer de bussen van het rijpedaal en de stuuras met enkele druppels SAE 10W–30 olie of een droogsmeermiddel in sprayvorm (fig. 22). Rem Stel altijd de parkeerrem in werking als u de machine stopt of onbeheerd achterlaat. Als de parkeerrem slipt of onvoldoende remvermogen heeft, moet die worden afgesteld. Rem controleren 1. Parkeer de machine op een vlakke ondergrond. Aftakas uitschakelen, parkeerrem in werking stellen en de contactsleutel in de stand “UIT” draaien om de motor te stoppen.
Onderhoud Brandstoffilter Rem afstellen Als de aandrijfwielen niet vrij draaien as de remhendel in de stand UIT staat, of de rem slipt als de hendel in de stand AAN staat, moet de rem worden afgesteld. 1. Zet de remhendel in de stand AAN. 2. Meet de afstand tussen de remschijfhefboom en de aanslagpen op de asbeugel (fig. 23). De afstand moet minder dan 6 mm bedragen. 3. 4.
Onderhoud Bandenspanning 2. Om oververhitting en mogelijke motorschade te voorkomen, gras, vuil, stof en olie van de buitenkant van de motor, het luchtinlaatrooster en de demper verwijderen. 3. Om de koelribben van de cilinderkop te reinigen, de motor uit het chassis verwijderen en de koelingkappen verwijderen. De koelingkappen altijd weer monteren voordat u de motor start. Onderhoudsinterval/Specificatie Houd de voor- en achterbanden op de voorgeschreven spanning.
Onderhoud Figuur 27 1. 2. 3. 4. Tussenasriem Drijfriem Tussenaspoelie Transmissiepoelie 5. Spanrol 6. Koppelingspoelie 7. Motorpoelie Figuur 26 1. 6 mm afstand 2. Afstelling van spanrol V-snaren vervangen Om een V-snaar van aandrijving of tussenas te vervangen, moeten de volgende werkwijzen worden aangehouden en de snaren als volgt worden geleid (fig. 27). 1.
Onderhoud Hefcilinder en tegenwichtveren afstellen 4. Start de motor en hef de hefarmen (maaier) totdat de hefcilinder helemaal ingeschoven en de hefinrichting (maaier) volledig geheven is. 1. Start de motor en laat de onderste hefarmen (maaier) zakken, totdat de hefcilinder helemaal uitgeschoven en de hefinrichting (maaier) volledig gezakt is. 5. Controleer de afstand tussen de borgpen en de onderste haken van de veren (fig. 26). De afstand moet 6 mm of minder bedragen. 6. 2.
Onderhoud Neutraalstand van transmissie afstellen De machine mag niet “kruipen” als het rijpedaal wordt losgelaten. Als de machine kruipt, moet hij worden afgesteld. 1. Parkeer de machine op een vlakke ondergrond, laat de maaier zakken en stop de motor. Aftakas uitschakelen en parkeerrem in werking stellen. 2. Krik de voorkant van de machine op, totdat de banden vrij van de vloer zijn. Plaats bokken onder de machine om te voorkomen dat hij valt. 1.
Onderhoud 4. In ontkoppelde toestand is de juiste afstand tussen de koppelingsplaten 0,30–0,45 mm. Deze ruimte moet in elk van de drie sleuven worden gecontroleerd, om te verzekeren dat de platen evenwijdig aan elkaar zijn. Hydrauliekoliepeil controleren Het hydraulisch systeem is bedoeld voor gebruik van SAE 10W–30 motorolie, of als alternatief SAE 10W–40 motorolie. De tank is in de fabriek gevuld met ca. 2,5 liter 10W–30 motorolie.
Onderhoud Hydrauliekolie verversen De olie in het hydraulisch systeem moet na elke 250 bedrijfsuren of jaarlijks worden ververst, waarbij de kortste periode moet worden aangehouden. De tank heeft een inhoud van ca. 2,5 liter. 1. Parkeer de machine op een vlakke ondergrond, laat de maaier zakken, stel de parkeerrem in werking en stop de motor. 2. Maak de omgeving van het hydrauliekoliefilter schoon en verwijder het filter uit de onderkant van het filterhuis.
Onderhoud Besturing afstellen 1. Meet de toesporing (op ashoogte) aan de vooren achterkant van de gestuurde wielen. De afstand aan de voorkant moet 6 mm kleiner zijn dan aan de achterkant. 2. Om de toesporing af te stellen, de contramoeren losdraaien en de stuurstang draaien (fig. 34). 3. Draai het stuurwiel tot aanslag linksom om een volledige bocht naar links te maken (fig. 34). 4. Controleer de afstand tussen de linkerband en de stuurstang. Er moet in deze positie 25 mm ± 6 mm ruimte zijn. 5.
Onderhoud Hydraulisch schema OVERBRENGING TANK FILTER VENTIEL CILINDER T-0084 39
Onderhoud Olie van vooras verversen Accu Na elke 500 bedrijfsuren moet de olie in de vooras ververst worden. Onderhoudsinterval/Specificatie 1. Laat de machine rijden om de olie te verwarmen alvorens die te verversen. Warme olie stroomt beter en voert meer vuildeeltjes mee dan koude olie. 2. Maak de omgeving van de aftapplug schoon en plaats een opvangbak onder de aftapplug van de as (fig. 35). 3. Verwijder de aftapplug en laat de olie in de opvangbak lopen (fig. 35).
Onderhoud Accu bijvullen met water Het beste moment om de accu met water bij te vullen is net voordat u de tractor gebruikt. Het water wordt dan goed vermengd met de zuuroplossing. 1. Maak de bovenkant van de accu met een tissue schoon. 2. Verwijder de celdoppen (fig. 36). 3. Giet langzaam gedestilleerd water in elke accucel, totdat het peil tot aan de onderkant van de celbuis staat (fig. 36). Belangrijk: 4.
Onderhoud Schema elektrische installatie CONTACTSLOT CIRCUIT DIODE MODULE START B+S+I LOPEN A+B+I UIT OPEN AANSLUITING X+Y KOPPELING GRIJS WIT ZWART ZWART BEDRIJFSURENTE LLER ZWART AAN UIT GROEN C NAAR MAGNETO RELAIS BLAUW AFTAKASSCHAKELAAR MOTORAANSLUITING O C BLAUW BLAUW NAAR SPANNINGSREGELAA R A+B C+D A BRUIN BC AFTAKASSCHAKELAAR D I X ORANJE Y A VIOLET NAAR STARTMOTOR S B CONTACTSLOT PARKEERREM GESLOTEN ALS PARKEERREM IN UIT-STAND STAAT NEUTRAAL GESLOTEN ALS RIJPED
Onderhoud Reiniging en stalling 1. Aftakas uitschakelen, parkeerrem in werking stellen en de contactsleutel in de stand “UIT” draaien om de motor te stoppen. Verwijder de sleutel uit het contactslot. 2. Maaisel, vuil en vet van de buitenkant van de gehele machine verwijderen, met name van de motor. Verwijder vuil en kaf van de buitenkant van de koelribben van de cilinderkop en het luchttoevoerhuis. Belangrijk: De machine met een zacht wasmiddel en water wassen. Geen hogedrukreiniger gebruiken.
Problemen, oorzaak en remedie PROBLEEM Startmotor draait niet. Motor start niet,, moeilijk j of blijft j niet i t lopen. l 44 MOGELIJKE OORZAAK REMEDIE 1. Aftakasschakelaar is INGESCHAKELD. 1. Zet de aftakasschakelaar op UITGESCHAKELD. 2. Rijpedaal niet in neutrale stand. 2. Rijpedaal in neutrale stand brengen. 3. Elektrische verbindingen geoxydeerd of los. 3. Elektrische verbindingen op goed contact controleren. 4. Zekering doorgebrand. 4. Zekering vervangen. 5. Accu is leeg. 5.
Problemen, oorzaak en remedie PROBLEEM Motor levert onvoldoende vermogen. Motor raakt oververhit. Abnormale trillingen. Machine rijdt niet. MOGELIJKE OORZAAK REMEDIE 1. Motor is overbelast. 1. Rijsnelheid verlagen. 2. Luchtfilter is vuil. 2. Luchtfilterelement reinigen. 3. Oliepeil in carter is te laag. 3. Carter bijvullen met motorolie. 4. Koelribben en luchtkanalen onder motorkoelinghuis zijn verstopt. 4. Verwijder verstoppingen uit koelribben en luchtkanalen. 5.