Form No. 3328–877 Groundsmaster 4100-D Groundsmaster Tractie-eenheid Modelnr. 30411 – Serienr.
Waarschuwing Gebruiksaanwijzing . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . Bedieningsorganen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . Starten en stoppen van de motor . . . . . . . . . . . . . . Het brandstofsysteem ontluchten . . . . . . . . . . . . . . De interlockschakelaars controleren . . . . . . . . . . . De machine duwen of slepen . . . . . . . . . . . . . . . . . Kriksteunpunten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . Bevestigingspunten . . . . . . . . . . . . . . .
Controle op kromme messen . . . . . . . . . . . . . . . . . Maaimes(sen) vervangen en monteren . . . . . . . . . . Maaimes(sen) controleren en slijpen . . . . . . . . . . . Ongelijke meshoogten corrigeren . . . . . . . . . . . . . Drijfriem vervangen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . Scharnierkappen van maaidekken vervangen . . . . Borgmoeren aandraaien . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . Elektrisch schema . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . Hydraulisch schema . . . . . .
• Elke bestuurder en monteur moet ervoor zorgen dat hij of zij professionele en praktische instructie krijgt. De eigenaar is verantwoordelijk voor de instructie van de gebruikers. Bij een dergelijke instructie moet de nadruk liggen op: • Vervang defecte geluiddempers/knalpotten. • Controleer voor het gebruik de messen, bevestigingsbouten en het maaimechanisme altijd op sporen van slijtage of beschadiging.
• Let op het verkeer bij oversteken en in de buurt van de openbare weg. • Houd uw handen en voeten uit de buurt van de maaidekken. • Zet de maaimessen stil voordat u andere oppervlakken dan grasvelden oversteekt. • Kijk achterom en omlaag voordat u achteruitrijdt om er zeker van te zijn dat de weg vrij is. • Bij gebruik van werktuigen nooit de afvoeropening naar omstanders toe richten of personen in de buurt van de in werking zijnde machine laten komen.
• Zorg ervoor dat de brandstofafsluitklep is gesloten als u de machine stalt of transporteert. U mag brandstof niet opslaan in de nabijheid van een open vuur. Gebruiksaanwijzing • Voordat u een machine met omkiepbeveiliging gaat gebruiken, moet u ervoor zorgen dat de veiligheidsgordels zijn bevestigd en de stoel is vergrendeld om te voorkomen dat de stoel naar voren klapt. • Parkeer de machine op een horizontaal oppervlak.
• Als de motor moet lopen om onderhouds- of afstelwerkzaamheden uit te voeren, moet u uw kleding, handen, voeten en andere lichaamsdelen uit de buurt van de maaidekken, werktuigen en bewegende delen houden. Houd iedereen op afstand. • Als u een machine met omkiepbeveiliging gebruikt, moet u altijd de veiligheidsgordel omdoen. • Zorg ervoor dat u de veiligheidsgordel snel kunt losmaken als de machine in een vijver of een sloot, enz. terechtkomt. • Controleer veelvuldig de werking van de rem.
Veiligheids- en instructiestickers Veiligheidsstickers en veiligheidsinstructies zijn gemakkelijk zichtbaar voor de bestuurder en bevinden zich bij plaatsen waar gevaar kan ontstaan. Vervang alle beschadigde of verdwenen stickers. 93-7275 1. Raadpleeg de gebruikershandleiding. 2. Geen hulpstartknoppen gebruiken. 106-6764 93-7272 1.
105-7358 106-6752 (vervangt 106-6756 conform EU-voorschriften) 106-6756 1. Waarschuwing – Lees de Gebruikershandleiding. 2. Waarschuwing – Vergrendel de parkeerrem, zet de motor af en verwijder het sleuteltje uit het contact alvorens de machine te verlaten. 3. Waarschuwing – Doe de veiligheidsgordel om als u in de bestuurdersstoel zit. 4. Handen of voeten kunnen worden gesneden – Blijf uit de buurt van bewegende onderdelen. 5.
6-6754 1. Raak het hete oppervlak niet aan en houd omstanders op een veilige afstand van de machine. 2. Ledematen kunnen worden gesneden/geamputeerd, ventilator en worden gegrepen, riem – Blijf uit de buurt van bewegende onderdelen. 106-6753 (vervangt 43-8480 voor CE) 1. De machine kan voorwerpen uitwerpen – Houd omstanders op een veilige afstand van de machine. 2. Handen of voeten kunnen worden gesneden/geamputeerd, maaimes – Blijf uit de buurt van bewegende onderdelen. 104-8323 104-8324 1.
106-2046 1. 2. 3. 4. 5. Inschakelen Aftakas Uitschakelen Hoog Transmissie 10. 11. 12. 13. 14. 6. Laag 7. Vastzetten 8. Stromingsverdeler (optioneel) 9. Ontgrendelen Cruise control (optioneel) Geluiddemperknop Druk op de knop Contactschakelaar Motor – Voorgloeien 15. 16. 17. 18. Snel Continu snelheidsregeling Langzaam Nulstelknop koelvloeistoftemperatuur 93-7818 1. Gevaar – Lees de gebruikershandleiding voor de gespecificeerde torsie van het mes. 104-8325 1.
106-4250 1. Maaihoogte 100-5623 1. Maaihoogte-instelling, laag 2. Maaihoogte-instelling, hoog 106-4251 1. Maaihoogte 104-3579 1. Maaihoogte-instelling, laag 2. Maaihoogte-instelling, hoog 100-5622 1. Maaihoogte-instelling 93-6674 1. Handen kunnen bekneld raken – Lees de instructies alvorens service- of onderhoudswerkzaamheden uit te voeren. 104-3599 1. 2. 3. 4. 5. Niet hierop stappen.
Specificaties Specificaties Tractie-eenheid Motor Koelsysteem Brandstofsysteem Hydraulisch systeem: Tractiesysteem: Rijsnelheid Kubota, watergekoelde viercilinder turbo-viertaktdieselmotor, cilinderinhoud 122 kubieke inch. Afgeregeld op 58 hp @ 2600 tpm, Compressieverhouding 23:1. Laag stationair – 1500 tpm, hoog stationair – 2730 tpm. De carterinhoud is 7,6 liter met filter. De capaciteit is 10,4 liter voor een mengsel met een 50/50 verhouding van ethyleenglycol-antivries en water.
Specificaties Maaidek Maaidek, midden Zijmaaidekken 3 messen. Het maaidek kan worden gekanteld en worden vergrendeld om onderhoudswerkzaamheden te verrichten. 2 messen Maaihoogte 25–177 mm afstelbaar in stappen van 13 mm. De hoogte van het middelste maaidek kunt u afstellen door de afstandsstukken op de zwenkwielen te verplaatsen en de lengte van de steunkettingen te veranderen.
Montage Opmerking: Bepaal vanuit de normale bedieningspositie de linker- en rechterzijde van de machine. Losse onderdelen Opmerking: Gebruik deze lijst om te controleren of alle onderdelen die nodig zijn voor de montage, zijn geleverd. Zonder deze onderdelen kan de montage niet worden voltooid. Sommige onderdelen kunnen al in de fabriek zijn gemonteerd.
4. Als het oliepeil beneden de VOL-markering staat, verwijdert u de vuldop (Fig. 2) en vult u bij met olie totdat het oliepeil de VOL-markering bereikt. Niet te vol vullen. Voor het gebruik Voorzichtig Als u het sleuteltje in het contact laat, bestaat de kans dat iemand de motor per ongeluk start waardoor u of andere omstanders ernstig letsel kunnen oplopen. Verwijder het sleuteltje uit het contact voordat u onderhoudswerkzaamheden uitvoert aan de machine. 1 Figuur 2 Motoroliepeil controleren 1.
Het koelsysteem controleren Brandstoftank vullen Controleer het koelvloeistofpeil bij het begin van elke dag. De inhoud van het systeem is 10,4 liter. De inhoud van de brandstoftank is 72 liter. 1. Verwijder de dop van de brandstoftank (Fig. 4). 1. Verwijder voorzichtig de doppen van de radiator en de expansietank (Fig. 3). 2. Vul de tank bij tot ongeveer 2,5 cm onder de bovenkant van de tank, niet de vulbuis, met Nr. 2 dieselbrandstof. Plaats daarna de dop weer terug.
Hydraulische vloeistof controleren Biologisch afbreekbare hydraulische vloeistof – Mobil 224H Belangrijk Mobil EAL 224H is de enige biologisch afbreekbare vloeistof die is getest en goedgekeurd door Toro. Verontreiniging met minerale hydraulische vloeistoffen zal de biologische afbreekbaarheid en de giftigheid van deze vloeistof veranderen. Wanneer u omschakelt van een standaard vloeistof naar een biologisch afbreekbaar type, dient u de goedgekeurde spoelingsprocedures van Mobil op te volgen.
Olie van planeetwielaandrijving controleren 3. Giet indien nodig tandwielolie in de opening in de planeetwielaandrijving en de opening in de rem totdat de olie het juiste peil heeft bereikt. Plaats de pluggen. Controleer het oliepeil om de 400 bedrijfsuren of als er olie naar buiten lekt. Gebruik hoogwaardige SAE 85W-140 tandwielolie om de olie te verversen. 4. Herhaal stappen 1–3 bij het tegenover gelegen tandwielsysteem. De inhoud van het systeem is ongeveer 0,5 liter.
Smeerolie van tandwielkast controleren Torsie van wielmoeren of -bouten controleren De tandwielkast is in de fabriek gevuld met SAE 85W-140 tandwielolie. U moet echter het oliepeil controleren voordat u de machine voor de eerste keer in gebruik neemt en daarna om de 400 bedrijfsuren. De capaciteit van de tandwielkast is 0,5 liter. Controleer elke dag op lekkages.
3. Verwijder het klemkapje van de spilas (Fig. 10) en schuif de as uit de zwenkwielarm. Plaats de twee opvulstukken (3 mm) op de spilas zoals zij oorspronkelijk zijn geplaatst. Deze opvulstukken zijn nodig om ervoor te zorgen dat het maaidek over zijn gehele breedte horizontaal staat. Schuif het benodigde aantal afstandsstukken van 13 mm (raadpleeg onderstaande tabel) op de spilas om de gewenste maaihoogte te bereiken; schuif daarna de klemring op de as. 4.
Zijmaaidekken Raadpleeg onderstaande tabel om vast te stellen welke combinatie afstandsstukken moet worden gebruikt om de maaihoogte af te stellen. De hoogte van de zijmaaidekken kunt u instellen door een gelijk aantal afstandsstukken toe te voegen aan dan wel te verwijderen van de zwenkwielvorken. U plaatst hierbij de assen van de zwenkwielen in de bovenste of onderste openingen in de zwenkwielvorken. Vervolgens zet u de draaiarmen vast in de openingen in de beugel voor de gekozen maaihoogte. 1.
2. Houd de roller en het afstandsstuk recht voor de bovenste openingen in de beugels en zet deze vast met de tapbout en de moer. Maaimes afstellen Voor een goede werking van het maaidek moet de afstand tussen de randen van de messen van de zijmaaidekken en het middelste maaidek 13 ± 3 mm bedragen (Fig. 20). 1. Hef het maaidek op zodat de messen zichtbaar zijn, en zet het middelste maaidek vast zodat het niet per ongeluk naar beneden kan vallen.
Montage van middelste maaidek Ongelijke meshoogten corrigeren Draai de messen op elke as totdat de uiteinden in de lengterichting liggen. Meet de afstand van de grond tot de voorste rand van het mes. Plaats opvulstukken (3 mm) op de voorste zwenkwielvork(en) zodat de maaihoogte gelijk is met de sticker (Fig. 22); zie Schuinstand van het maaidek afstellen, blz. 51.
Montage van zijmaaidekken Draai de messen op elke as totdat de uiteinden in de lengterichting liggen. Meet de afstand van de grond tot de voorste rand van het mes. Plaats opvulstukken (3 mm) op het voorste zwenkwielvork zodat de maaihoogte gelijk is met de sticker (Fig. 23). Zie Schuinstand van het maaidek afstellen, blz. 51. 1 3 2 Figuur 23 1. Voorste zwenkwielarm 2. Zwenkwielvork 3. Opvulstukken Maaihoogte van maaidekken gelijk stellen 1.
Vergrendeling parkeerrem Gebruiksaanwijzing Een knop links van het bedieningspaneel activeert de vergrendeling van de parkeerrem (Fig. 24). Om de parkeerrem in werking te stellen, koppelt u de pedalen met de borgpen, drukt u beide pedalen omlaag en trekt u de vergrendeling voor de parkeerrem uit. Om de parkeerrem uit te schakelen, trapt u beide pedalen in totdat de vergrendeling van de parkeerrem wordt ingetrokken.
Waarschuwingslampje koelvloeistoftemperatuur Service-vergrendeling van maaidek Het lampje (Fig. 24) gaat branden en de motor slaat af als de koelvloeistof een buitensporig hoge temperatuur bereikt. Deze (Fig. 26) voorkomt dat de hefhendel van het middelste maaidek het maaidek neerlaat als deze is opgeheven. Indicatielampje van gloeibougies Contactschakelaar Als dit lampje (Fig. 24) gaat branden, zijn de gloeibougies in werking. De contactschakelaar (Fig.
Cruise control (optioneel) 1. Stel de parkeerrem in werking. Haal uw voet van het tractiepedaal en let erop dat het pedaal in de neutraalstand staat. Met de cruise controle (Fig. 26) regelt u de snelheid van de machine. 2. Zet de gashendel op midden stationair. 3. Draai het contactsleuteltje op Lopen. Het indicatielampje van de gloeibougie gaat branden. Brandstofmeter De brandstofmeter (Fig. 26) geeft aan hoeveel brandstof er in de tank zit. 4.
Het brandstofsysteem ontluchten De interlockschakelaars controleren 1. Parkeer de machine op een horizontaal oppervlak. Zorg ervoor dat de brandstoftank minstens half vol is. Voorzichtig 2. Ontgrendel en open de motorkap. Niet-aangesloten of beschadigde interlockschakelaars kunnen onverwachte gevolgen hebben op de werking van de machine. Dit kan lichamelijk letsel veroorzaken. Gevaar In bepaalde omstandigheden zijn dieselbrandstof en brandstofdampen uiterst ontvlambaar en explosief.
5. Neem plaats op de bestuurdersstoel, start de motor en zet het toerentalbereik op Laag. Zet de aftakasschakelaar naar voren om de maaidekken in te schakelen. 1 Belangrijk U moet de middelste hefhendel eventjes in de lage stand duwen zodat de aftakasschakelaar het aftakascircuit kan activeren. • Hef beide zijmaaidekken op in de transportstand. De maaidekken moeten stoppen. Als dit niet gebeurt, is er een defect in het interlocksysteem dat moet worden verholpen voordat u de machine gaat gebruiken.
Daarom moet u het tractiepedaal naar achteren laten bewegen als het motortoerental afneemt, en het pedaal langzaam intrappen als het toerental stijgt. Als u echter zonder belasting en met opgeheven maaidek van het ene naar het andere maaigebied rijdt, moet u de gashendel op Snel zetten en het tractiepedaal langzaam maar volledig intrappen om de maximum rijsnelheid te bereiken. 1 Een andere eigenschap waarop u moet letten, is het gebruik van de rempedalen.
Maai met correcte tussenpozen Voordat u de machine transporteert, moet u de maaidekken opheffen en de transportvergrendelingen vastzetten (Fig. 31). In de meeste normale condities moet u ongeveer om de 4 à 5 dagen uw gazon maaien. Houd er echter rekening mee dat gras niet het hele jaar door even snel groeit.
Onderhoud Aanbevolen onderhoudsschema Onderhoudsinterval Onderhoudsprocedure Na de eerste 10 bedrijfsuren • Spanning van de drijfriem van het maaidek controleren. • Spanning van de riem van ventilator en wisselstroomdynamo controleren. • Wielmoeren aandraaien. Na de eerste 50 bedrijfsuren • Motorolie verversen en filter vervangen. • Motortoerental controleren (stationair en op vol gas). • De borgmoeren op de draaipunten aandraaien.
Controlelijst Dagelijks Onderhoud Gelieve deze pagina te kopiëren ten behoeve van gebruik bij routinecontroles. Voor week van: Ma. Gecontroleerde item Di. Wo. Do. Vr. Za. Zo. Werking van veiligheidssysteem controleren. Werking van de remmen controleren. Het peil van de motorolie en de brandstof controleren. Peil van de koelvloeistof controleren. Brandstoffilter/waterafscheider aftappen. Indicator voor verstopping in luchtfilter controleren. Radiator, oliekoeler en scherm controleren op rommel.
Onderhoudsschema Voorzichtig Als u het sleuteltje in het contact laat, bestaat de kans dat iemand de motor per ongeluk start waardoor u of andere omstanders ernstig letsel kunnen oplopen. Verwijder het sleuteltje uit het contact voordat u onderhoudswerkzaamheden uitvoert aan de machine. • Kogelverbinding van trekstang (2) (Fig. 35) Lagers en lagerbussen smeren • Lagerbus van koppelpen (2) (Fig. 35). De bovenste nippel op de koppelpen hoeft slechts één keer per jaar te worden gesmeerd (twee keer pompen).
Maaidek, midden • Lagerbus van as van zwenkwielvork (2) (Fig. 36) • Draaipunt van sluiting (2) (Fig. 37) • Bovenste scharnierverbinding (4) (Fig. 37) • Onderste scharnierverbinding (4) (Fig. 37) • Lager van spilas (3) (Fig.
Figuur 38 Hefmechanismen, middelste maaidek • Lagerbus van hefarm (2) (Fig. 39) • Lagerbus van hefcilinder (4) (Fig. 39) • Kogelverbinding van hefarm (2) (Fig. 40) Figuur 40 Hefmechanismen, zijmaaidekken • Hefcilinder van zijmaaidek (4) (Fig.
Zijmaaidekken • Lagerbus van as van zwenkwielvork (elk) (Fig. 42) 2 • Lager van spilas (4) (Fig. 38) 1 3 Figuur 43 1. Luchtfilterindicator 2. Sluiting van luchtfilter 3. Luchtfilterdeksel 2. Schuif het voorfilter (Fig. 44) voorzichtig uit het luchtfilterhuis om zo weinig mogelijk stof te verplaatsen. Zorg ervoor dat u niet met het filter tegen het luchtfilterhuis stoot. Verwijder het veiligheidsfilter niet (Fig. 45).
7. Plaats het deksel terug en maak de sluiting vast. Zorg ervoor dat de bovenkant van het deksel BOVEN is. 3. Controleer het voorfilter en gooi dit weg als het beschadigd is. Een beschadigd filter mag niet worden gewassen of opnieuw worden gebruikt. 8. Stel de indicator (Fig. 43) opnieuw in als deze rood is. Belangrijk Probeer nooit een veiligheidsfilter te reinigen (Fig. 45). Plaats steeds een nieuw veiligheidsfilter als het voorfilter drie onderhoudsbeurten heeft gehad.
Onderhoud van het brandstofsysteem C. Smeer schone olie op de pakking van de filterbus. D. Monteer de filterbus met de hand totdat de pakking contact maakt en draai deze vervolgens nog een halve slag verder. Gevaar In bepaalde omstandigheden zijn dieselbrandstof en brandstofdampen uiterst ontvlambaar en explosief. Brand of explosie van brandstof kan brandwonden of materiële schade veroorzaken.
Het koelsysteem van de motor reinigen 2 Vuil verwijderen Verwijder dagelijks het vuil van de oliekoeler en de radiator. Reinig ze vaker als in vuile omstandigheden wordt gemaaid. 1. Zet de motor af en open de motorkap. Verwijder met perslucht grondig al het vuil dat zich rond het motorgedeelte bevindt. 1 2. Verwijder de knoppen (Fig. 50) waarmee de oliekoeler is bevestigd aan het frame. Figuur 51 1. Oliekoeler 2. Radiator 4. Kantel de oliekoeler weer in positie.
De gashendel afstellen Hydraulische vloeistof verversen Stel de gaskabel (Fig. 53) zodanig af dat de regelhendel op de motor contact maakt met de stelbouten voor laag en hoog toerental voordat de gashendel tegen de gleuf in het bedieningspaneel aan komt. Ververs de hydraulische vloeistof in normale omstandigheden om de 800 bedrijfsuren. Als de vloeistof verontreinigd raakt, moet u contact opnemen met uw plaatselijke Toro-dealer omdat het systeem dient te worden schoongespoeld.
Hydraulische filters vervangen Hydraulische slangen en leidingen controleren Vervang de 2 hydraulische filters na de eerste 200 bedrijfsuren. Vervang de hydraulische filters daarna in normale omstandigheden om de 800 bedrijfsuren. Gebruik ter vervanging Toro-filters (Onderdeelnr. 94-2621 op de linkerkant van de machine en Onderdeelnr. 75-1310 op de rechterkant van de machine).
Testpoort “B” (Fig. 57) op de rechterzijde van de machine wordt gebruikt om de druk in de tractie in de achteruit-stand te meten. 1 Figuur 60 1 1. Testpoort “E” Figuur 57 Testpoort “F” (Fig. 61) onder de bestuurdersstoel wordt gebruikt om de druk in het hefcircuit te meten. 1. Testpoort “B” Testpoort “G” (Fig. 61) onder de bestuurdersstoel wordt gebruikt om de druk in het laadcircuit te meten. Testpoort “C” (Fig.
De testpoort voor het tegengewicht (Fig. 63) wordt gebruikt om de druk in het tegengewichtcircuit in te stellen. De aanbevolen druk voor het tegengewicht is 3241 kPa (470 psi). Om de druk voor het tegengewicht af te stellen, draait u de stelschroef (Fig. 63) naar rechts om de druk te verhogen of naar links om de druk te verlagen. 1 38 mm 2 2 1 Figuur 65 1. Aanslag van tractiepedaal Figuur 63 1. Testpoort voor tegengewicht 2. Stelschroef voor het tegengewicht 2. Steun 3.
De serviceremmen afstellen 3. Als alle olie is afgetapt, zet u het wiel in een zodanige stand dat de opening van de plug op tien uur of twee uur staat. Stel de serviceremmen af als het rempedaal meer dan 25 mm “speling” heeft of als de remmen niet effectief functioneren. Met speling wordt de afstand bedoeld die het rempedaal wordt ingetrapt voordat er remweerstand wordt gevoeld. 4. Plaats een opvangbak onder de remkast aan de andere kant van het wiel (Fig. 68). 5.
Smeerolie in de achteras verversen 7. Vul voldoende olie bij totdat het peil de onderkant van de openingen van de controlepluggen bereikt; zie Smeerolie van de achteras controleren, blz. 19, en Smeerolie van tandwielkast controleren, blz. 20. Ververs de olie na de eerste 200 bedrijfsuren en daarna om de 800 bedrijfsuren. 8. Plaats de pluggen. 1. Plaats de machine op een horizontaal oppervlak. Toespoor achterwiel controleren 2.
De accu in gebruik nemen, opladen en aansluiten Gevaar Accuzuur bevat zwavelzuur; dit is een dodelijk gif dat ernstige brandwonden veroorzaakt. Waarschuwing • U mag accuzuur nooit inslikken en moet elk contact met huid, ogen of kleding vermijden. Draag een veiligheidsbril en rubberhandschoenen om uw ogen en handen te beschermen. • Vul de accu alleen bij op plaatsen waar schoon water aanwezig is om indien nodig uw huid af te spoelen.
6. Verwijder de vuldoppen. Giet langzaam accuzuur in elke cel totdat het peil net boven de vulring komt. Plaats de vuldoppen terug. Accu-onderhoud Belangrijk Laat de accu niet te vol worden. Er zal dan accuzuur naar buiten stromen over andere delen van de machine. Dit kan ernstige corrosie en beschadiging veroorzaken. Belangrijk Voordat er laswerkzaamheden worden verricht aan de machine, moet u de accupoolconnector losmaken van de wisselstroomdynamo om schade aan het elektrische systeem te voorkomen. 7.
1 Figuur 74 Figuur 76 1. Maaihoogteketting Middelste maaidek rechtop draaien (kantelen) Opmerking: Hoewel dit niet is vereist voor normale onderhoudswerkzaamheden, kunt u het middelste maaidek rechtop draaien (kantelen). Indien u het maaidek wilt kantelen, moet u als volgt te werk gaan: 1. Hef het middelste maaidek en de zijmaaidekken iets op van de grond, stel de parkeerrem in werking en zet de motor af. Verwijder het contactsleuteltje. 2.
De spanning van de drijfriemen van het maaidek afstellen 4. Start de motor en hef het middelste maaidek langzaam op. 5. Hef beide zijmaaidekken langzaam op totdat het zwaartepunt verandert en het maaidek in de verticale positie gaat draaien. Zet de motor af en haal het sleuteltje uit het contact. De conditie en de spanning van de drijfriemen van het maaidek moeten na de eerste 8 bedrijfsuren worden gecontroleerd en vervolgens om de 50 bedrijfsuren.
Middelste maaidek afstellen 1. Draai de contramoeren op de bovenkant of de onderkant van de veerstrop van de maaihoogteketting los (Fig. 78). 1 2. Stel de bovenste moeren af om de achterkant van het maaidek hoger of lager te zetten en een correcte schuinstand te verkrijgen. 3 3. Draai de onderste contramoeren vast. 2 2 1 Figuur 79 Figuur 78 1. Maaihoogteketting 1. Zwenkwielarm 2. Zwenkwielvork 2. Veerstrop Zijmaaidekken afstellen 1.
Onderhoud van de lagerbussen in de zwenkwielarmen Onderhoud van zwenkwielen en lagers In de boven- en onderkant van de buis in de zwenkwielarmen zitten lagerbussen gedrukt. Deze lagerbussen zullen na vele bedrijfsuren slijten. Om de lagerbussen te controleren, moet u de zwenkwielvork naar voren en naar achteren en van links naar rechts bewegen. Als de zwenkwielas los in de lagerbussen zit, zijn de lagerbussen versleten en moeten deze worden vervangen. 1.
3. Controleer de lagers, het afstandsstuk en de binnenkant van de wielnaaf op slijtage. Beschadigde delen vervangen. Maaimes(sen) vervangen en monteren 4. Om het zwenkwiel in elkaar te zetten, drukt u het lager in de wielnaaf. Om de lagers te monteren, moet u op de buitenste loopring van het lager drukken. Een mes moet worden vervangen als u vast voorwerp heeft geraakt, of als het mes uit balans of krom is.
Als u het maaimes controleert en een onderhoudsbeurt geeft, moet u op twee plaatsen letten: de wiek en de snijrand. Zowel de snijranden als de wiek – dat is het deel dat naar boven steekt tegenover de snijrand – zorgen ervoor dat het mes een goede maaikwaliteit levert. De wiek is belangrijk omdat dit het gras rechtop zet zodat het gelijkmatig wordt gemaaid. De wiek zal echter tijdens het gebruik langzaam slijten, en dit is normaal.
Ongelijke meshoogten corrigeren Drijfriem vervangen De drijfriem van het mes, die wordt gespannen door de vaste spanpoelie, is vervaardigd van zeer duurzaam materiaal. De riem zal echter na vele bedrijfsuren tekenen van slijtage gaan vertonen. Tekenen dat een riem aan het slijten is zijn: gieren tijdens het draaien van de riem, als de messen slippen tijdens het maaien, gerafelde randen, schroeiplekken en scheuren. Vervang de riem als u deze zaken constateert.
Borgmoeren aandraaien 6. Plaats de hydraulische motor op het maaidek nadat u de riem om de poelies hebt gelegd. Bevestig de motor aan het maaidek met de bouten die u hebt verwijderd in stap 3. Na de eerste 50 bedrijfsuren moeten de moeren op de onderste scharnierverbindingen (Fig. 89), de pennen op de hefarmen (Fig. 90) en de bevestigingen van de cilinders van de zijmaaidekken (Fig. 91) worden aangedraaid met een torsie van 217–244 Nm. 7.
Elektrisch schema 58
Hydraulisch schema 59
Voorbereidingen voor winterstalling Motor Tractie-eenheid 2. Verwijder het oliefilter en gooi het weg. Plaats een nieuw oliefilter. 1. Tap de motorolie af uit het carter en plaats de aftapplug. 1. Reinig de tractie-eenheid, de maaidekken en de motor grondig. 3. Vul het oliecarter met 7, 6 liter motorolie, type SAE 10W-30 CD, CE, CF, CF-4 of CG-4. 2. Controleer de bandenspanning; zie Bandenspanning controleren, blz. 20. 4. Start de motor en laat deze ongeveer twee minuten stationair lopen. 3.