Form No. 3325-390 Rev A ® Groundsmaster® 228-D Tractie-eenheid Modelnr.
Inhoud Inhoud 2 Inleiding 3 Veiligheid Veilige bediening Veilige bediening van de Toro maaimachine Veiligheids- en instructiestickers 3 3 5 8 Specificaties 12 Achtergewichten monteren 14 Voor het gebruik Motoroliepeil controleren Het koelsysteem controleren Hydraulische vloeistof controleren Brandstoftank vullen 15 15 15 15 16 Bedieningsorganen 17 Gebruiksaanwijzing Starten en stoppen van de motor Het brandstofsysteem ontluchten Het veiligheidssysteem controleren Gebruikseigenschappen De tract
Inleiding Lees deze handleiding zorgvuldig, zodat u weet hoe u het voertuig goed kunt gebruiken en onderhouden. De informatie in deze handleiding kan u en anderen helpen om letsel en schade te voorkomen. Hoewel Toro veilige producten ontwerpt en fabriceert, blijft u verantwoordelijk voor het juiste en veilige gebruik van het voertuig. zwaar lichamelijk letsel of de dood tot gevolg kan hebben wanneer de veiligheidsvoorschriften niet in acht worden genomen.
leeftijd van degene die met de machine werkt. • • Inspecteer het terrein om vast te stellen welke accessoires en werktuigen nodig zijn om het gras veilig en goed te maaien. Gebruik alleen door de fabrikant goedgekeurde accessoires en werktuigen. • Draag geschikte uitrusting zoals een helm, een veiligheidsbril en gehoorbescherming. Lang haar, losse kleding of sieraden kunnen worden gegrepen door bewegende onderdelen.
• Gebruik de maaimachine niet als u onder de invloed van alcohol of drugs bent. • Wees voorzichtig als u de machine inlaadt of uitlaadt op een aanhanger of een vrachtwagen. • Wees voorzichtig bij het naderen van blinde hoeken, struiken, bomen, en andere objecten die het zicht kunnen belemmeren. vervangen. Probeer ze nooit recht te buigen of te lassen. • Houd uw handen en voeten uit de buurt van bewegende onderdelen. Stel indien mogelijk de machine niet af terwijl de motor loopt.
• • Maai uitsluitend bij daglicht of goed kunstlicht. • Let op het verkeer als u in de buurt van de openbare weg werkt of deze oversteekt. • Raak geen onderdelen van apparaten of werktuigen aan die tijdens het gebruik heet kunnen worden. Laat deze eerst afkoelen alvorens ze af te stellen dan wel onderhouds- of reparatiewerkzaamheden uit te voeren.
zoals een waakvlam van een boiler of een fornuis. • Zorg ervoor dat moeren en bouten goed zijn vastgedraaid, in het bijzonder de bevestigingsbouten van het mes. Houd de machine in goede conditie. • Knoei nooit met de veiligheidsvoorzieningen. Controleer of de veiligheidssystemen goed werken, telkens voordat u de machine in gebruik neemt. • Gebruik altijd originele onderdelen zodat de originele standaarden worden gehandhaafd. • Controleer veelvuldig de werking van de rem.
Veiligheids- en instructiestickers Veiligheidsstickers en veiligheidsinstructies zijn gemakkelijk zichtbaar voor de bestuurder en bevinden zich bij plaatsen waar gevaar kan ontstaan. Vervang alle beschadigde of verdwenen stickers. 2 1 1 2 93-7830 1. Gevaar—Lees de gebruikershandleiding 2. Specificatie torsie van wielen 93-7822 1. Gevaar 2. Lees de gebruikershandleiding 3. Vul de brandstoftank tot 2,5 cm vanaf de onderkant van de hals van de vulbuis 1 4 1 93-7841 5 6 1.
1 2 1 2 3 3 4 4 1 93-7276 1. Gevaar voor ontploffing—Draag oogbescherming 2. Risico van bijtende stof—Afspoelen met water en direct eerste hulp verlenen 3. Gevaar—Geen vonken of vuur en niet roken 4. Giftig—Houd kinderen op veilige afstand van de accu 2 100-6581 1. Om de parkeerrem te vergrendelen—de pedalen aan elkaar vastzetten, de rempedalen intrappen en de knop omhoogtrekken 2. Om de parkeerrem vrij te zetten—rempedalen intrappen 1 2 4 1 3 93-7840 1. 2. 3. 4.
2 9 8 3 4 7 3 1 6 4 5 1 3 5 6 1 2 93-7834 1. 2. 3. 4. 5. Geen opstap Tractiepedaal Tractie—vooruit Tractie—achteruit Gevaar—Schakel de aftakas uit alvorens de maaidekken op te heffen 6. Gevaar—Stel de maaidekken niet in werking als deze zijn opgeheven 93-7833 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9.
1 Onderdeelnr. 104-3484 1. Lees de gebruikershandleiding 7 1 2 6 3 4 5 Onderdeelnr. 105-7316 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.
Specificaties Opmerking: Specificaties en ontwerp kunnen zonder voorafgaande kennisgeving worden gewijzigd. Motor Kubota vloeistofgekoelde driecilinder viertaktdieselmotor. 26 pk @ 3000. Motor afgeregeld op onbelast motortoerental van 3200–3250 tpm, hoog stationair. Luchtfilter: Heavy-duty, afzonderlijk gemonteerd. Inhoud brandstoftank 32 liter. Uitgerust met een brandstoffilter/waterafscheider om te voorkomen dat er water in de brandstof komt.
Interlockschakelaars De interlockschakelaars voorkomen dat de motor start als het tractiepedaal niet in de neutraalstand staat of de aftakas is ingeschakeld. Zet de motor af als de bestuurder de stoel verlaat terwijl het tractiepedaal niet in de neutraalstand staat of de aftakas is ingeschakeld. Zet de motor af als het tractiepedaal is ingetrapt terwijl de parkeerrem in werking is gesteld.
Achtergewichten monteren De tractie-eenheden met tweewielaandrijving van de Groundsmaster 228-D-serie zijn in overeenstemming met de ANSI B71.4-1999 Standard als zij zijn voorzien van een achtergewicht. Gebruik onderstaande tabel om te bepalen wat de vereiste gewichtscombinaties zijn. U kunt onderdelen bestellen bij een erkende Toro-dealer. Vereist achtergewicht Vereist Onderdeelachtergewicht, Beschrijving Gewicht nummer Gewicht links Hoeveelheid 52" Maai-eenheid met achterafvoer (modelnr.
Voor het gebruik Motoroliepeil controleren VOORZICHTIG Het carter van de motor is in de fabriek gevuld met 3,8 liter olie; het oliepeil moet echter worden gecontroleerd voordat de motor voor de eerste keer wordt gestart en daarna nog eens. 1. Plaats de machine op een horizontaal oppervlak, zet de motor af en verwijder het sleuteltje uit het contact. Open de motorkap. 2. Verwijder de peilstok uit de vulbuis (Fig. 2) en veeg deze schoon. Steek de peilstok daarna weer in de buis.
Verwachte Omgevingstemperatuur 4. Aanbevolen viscositeit en type Controleer alle slangen en aansluitingen op lekkages. (Extreem) boven 32° C SAE 30, motorolie type SF, CC of CD (Normaal) 4–37° C SAE 10W-30 of 10W-40, motorolie type SF, CC of CD (Koel) –1 tot 10° C SAE –5W-30, motorolie type SF, CC of CD (Winter) Beneden –1° C Automatische transmissievloeistof, type “F” of “FA” ATF 1 Opmerking: Meng geen motorolie en automatische transmissievloeistof.
3. 4. Vul de tank (inhoud van 32 liter) met dieselbrandstof tot 2,5 cm vanaf de onderkant van de vulbuis. 1 Draai de tankdop daarna stevig vast. Figuur 5 1. Dop van brandstoftank Bedieningsorganen Serviceremmen 2 Het linker- en rechterrempedaal (Fig. 6) zijn verbonden met het linker- en het rechtervoorwiel.
Tractiepedaal 1 Het tractiepedaal (Fig. 8) heeft twee functies: de machine vooruit en achteruit te laten rijden. Om vooruit te rijden, moet u de bovenkant van het pedaal intrappen en om achteruit te rijden de onderkant van het pedaal. De rijsnelheid hangt af van hoever het pedaal wordt ingetrapt. Voor de maximale rijsnelheid trapt u het pedaal volledig in terwijl de gashendel op SNEL staat. De maximumsnelheid vooruit is ongeveer 16 km per uur.
Gashendel Instelhendel bestuurdersstoel— Deluxe stoel Met de gashendel (Fig. 9) kunt u de motor met verschillende toerentallen laten werken. Zet de gashendel naar voren op SNEL om het motortoerental te verhogen en naar achteren op LANGZAAM om het toerental te verlagen. Met de gashendel regelt u de snelheid van de maaimessen en met het tractiepedaal de rijsnelheid van de tractie-eenheid.
Gebruiksaanwijzing rechts om de stuurreacties te controleren. Zet de motor af en controleer het peil van de vloeistoffen. Controleer ook op olielekken, loszittende onderdelen en andere zichtbare gebreken. Opmerking: Bepaal vanuit de normale bedieningspositie de linker- en rechterzijde van het voertuig. Starten en stoppen van de motor Belangrijk Het brandstofsysteem moet worden VOORZICHTIG ontlucht indien zich één van de volgende situaties heeft voorgedaan.
2. Ontgrendel en open de motorkap. 3. Draai de ontluchtschroef op de brandstofinjectiepomp open (Fig. 10). tractiepedaal in de neutraalstand staat en de aftakas is uitgeschakeld. Daarnaast zal de motor afslaan als de aftakas is ingeschakeld of het tractiepedaal is ingetrapt terwijl de bestuurder niet op de stoel zit of de parkeerrem in werking is gesteld. 1 1. Zet de aftakasschakelaar op UIT en haal uw voet van het tractiepedaal. 2. Draai het contactsleuteltje op START. De motor moet starten.
worden belast, en verhogen als de maaimessen minder worden belast. Hierdoor kan de motor—met behulp van de transmissie—bepalen wat de juiste rijsnelheid is en de snelheid van het mes op het hoge niveau houden dat noodzakelijk is voor een goede maaikwaliteit. Daarom moet u het tractiepedaal laten opkomen als het motortoerental afneemt en het pedaal langzaam intrappen als het toerental stijgt.
Onderhoud Opmerking: Bepaal vanuit de normale bedieningspositie de linker- en rechterzijde van het voertuig. Aanbevolen onderhoudsschema Onderhoudsinterval Na de eerste 10 bedrijfsuren Onderhoudsprocedure • Spanning van de riem van de aftakas controleren. • Spanning van de riem van ventilator en wisselstroomdynamo controleren. • Transmissiefilter vervangen. • Wielmoeren aandraaien. Na de eerste 50 bedrijfsuren • Motoroliefilter verversen. • Draai de motorkop aan en controleer het motortoerental.
Onderhoudsschema’s CONTROLE/ONDERHOUD (DAGELIJKS) Filters A. Lucht B. Brandstof C. Brandstof D. Transmissie-olie E. Motorolie Onderdeelnr. 98-9763 98-7612 98-9764 23-2300 99-8384 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9. 10. Oliepeil (motor/transmissie) Koelvloeistofpeil Bandenspanning Riemen (ventilator en aftakas) Brandstof—uitsluitend diesel Accu Smeerpunt smeren Radiatorscherm Luchtfilter Afstand elektrische koppeling 0,42–0,80 mm 11. Spanning aftakasriem 12. Waterafscheider 13.
Smering VOORZICHTIG Lagers en lagerbussen smeren Als u het sleuteltje in het contact laat, bestaat de kans dat iemand de motor per ongeluk start waardoor u of andere omstanders ernstig letsel kunnen oplopen. Haal het sleuteltje uit het contact en maak de bougiekabel los voordat u onderhoudswerkzaamheden uitvoert aan het voertuig. Druk de kabel opzij, zodat deze niet onbedoeld contact kan maken met de bougie. De tractie-eenheid is voorzien van smeernippels die regelmatig moeten worden gesmeerd met Nr.
Figuur 13 Figuur 16 Figuur 14 Figuur 17 Figuur 15 26
tegen het luchtfilterhuis stoot. Algemeen onderhoud van het luchtfilter 1. Controleer het luchtfilterhuis op schade die mogelijk een luchtlek kan veroorzaken. Vervang een beschadigd luchtfilterhuis. 2. Geef het luchtfilter een onderhoudsbeurt wanneer de luchtfilterindicator (Fig. 18) rood is, of om de 400 uur (vaker in uiterst stoffige of vuile omstandigheden). Geef het luchtfilter niet te vaak een onderhoudsbeurt. 1 Figuur 20 1. Filter 1 3.
Radiator en scherm reinigen Het scherm en de radiator moeten vrij van rommel worden gehouden om te voorkomen dat de motor oververhit raakt. Controleer in normale omstandigheden elke dag het scherm en de radiator en verwijder het aanwezige vuil. Het zal echter nodig zijn het scherm en de radiator vaker te controleren als de machine in buitengewoon stoffige en vuile omstandigheden wordt gebruikt. 1 Figuur 21 1.
1. Brandstofleidingen en -verbindingen Controleer de brandstofleidingen en -verbindingen om de 400 bedrijfsuren of jaarlijks, waarbij de kortste periode moet worden aangehouden. Inspecteer op slijtage, beschadigingen of loszittende verbindingen. GEVAAR Waterafscheider In bepaalde omstandigheden zijn dieselbrandstof en brandstofdampen uiterst ontvlambaar en explosief. Brand of explosie van brandstof kan brandwonden of materiële schade veroorzaken.
Injectors ontluchten 2 Opmerking: Deze procedure mag uitsluitend worden toegepast als het brandstofsysteem is ontlucht met behulp van de normale ontluchtingsprocedures en de motor niet start; zie Brandstofsysteem ontluchten. 1. Draai de leidingconnector naar spuitmond nr. 1 en de houder op de injectiepomp los. 1 Figuur 26 1. Wisselstroomdynamo 2. Montagebout 1 De gashendel afstellen 1. Figuur 25 1. Spuitmond nr. 1 2. Zet de gashendel op SNEL. 3.
stootblok van de bevestigingsbeugel kunt verwijderen (Fig. 29). 38 mm 2 4 5 1 3 2 Figuur 28 1. Spanveer 2. Contramoer van spanstang 3. Spanbout 3. 4. 3 Gebruik een 1⁄2" sleutel om de spanveer van de riem strakker of losser te zetten (Fig. 28). Stel de veer in totdat deze een lengte van 38 mm heeft. 6 1 Draai de contramoer vast. Figuur 29 1. 2. 3. 4. 5. 6.
1. Parkeer de machine op een horizontaal oppervlak en zet de motor af. Trap alleen het rechterrempedaal en stel de parkeerrem in werking. 2. Krik de linkervoorkant van de machine omhoog totdat het wiel vrij komt van de vloer van de werkplaats. Zorg ervoor dat de machine steunt op de rustpunten van de krik om te voorkomen dat de machine per ongeluk valt. 3. De interlockschakelaar van de parkeerrem afstellen 1. Zet de motor af en verwijder het contactsleuteltje. De parkeerrem niet in werking stellen.
moet er elektrische stroom op het circuit van de schakelaar staan. Als dit niet het geval is, beweegt u de kraag iets omhoog op de stang totdat er stroom op het circuit van de schakelaar staat. Daarna draait u de stelschroef van de kraag vast. 8. transmissievloeistof. Dit kan schade aan een onderdeel van het hydraulische systeem veroorzaken. Als u een vloeistof ververst, moet u tevens het transmissiefilter vervangen. GEBRUIK GEEN DEXRON II ATF.
6. 7. Start de motor, laat de stuur- en hefcilinders een cyclus doorlopen en controleer op olielekken. Laat de motor ongeveer vijf minuten lopen. Zet daarna de motor af. Onderhoud van de accu Belangrijk Voordat u laswerkzaamheden aan de machine verricht, moet u de aardingskabel loskoppelen van de accu om beschadiging van het elektrische systeem te voorkomen. Controleer na twee minuten het peil van de transmissie-olie; zie Hydraulische vloeistof controleren.
C. Smeer een dun laagje Grafo 112X-vet (Toro onderdeelnr. 505-47) of petrolatum op de kabelklemmen en de accupolen om corrosie te voorkomen. Stalling Tractie-eenheid 1.