Form No. 3373-551 Rev B TX 427 Compacte multifunctionele lader Modelnr.: 22321—Serienr.: 312000201 en hoger Modelnr.: 22321G—Serienr.: 312000201 en hoger Modelnr.: 22322—Serienr.: 312000201 en hoger Registreer uw product op www.Toro.com.
onderhoud en garantie. Bestel vervangonderdelen bij de fabrikant van de motor. Dit product voldoet aan alle relevante Europese richtlijnen, zie voor details de aparte productspecifieke conformiteitsverklaring. WAARSCHUWING Inleiding CALIFORNIË Proposition 65 Waarschuwing De uitlaatgassen van de motor van dit product bevatten chemische stoffen waarvan bekend is dat ze kanker, geboorteafwijkingen of andere schade aan de voortplantingsorganen kunnen veroorzaken.
Onderhoud motor .....................................................28 Onderhoud van het luchtfilter ..................................28 Onderhoud uitvoeren aan de van de koolstofhouder...................................................29 Motoroliepeil controleren........................................29 Onderhoud van de bougies ......................................30 Onderhoud brandstofsysteem .....................................31 Brandstoffilter vervangen ........................................
Veiligheid • Inspecteer het terrein waarop u de maaimachine gaat gebruiken en verwijder eventuele voorwerpen die door de machine kunnen worden uitgeworpen. Onjuist gebruik of onderhoud door de gebruiker of eigenaar kan letsel veroorzaken. Om het risico van letsel te vermijden, dient u zich aan de volgende veiligheidsinstructies te houden en altijd op het veiligheidssymbool ( ) te letten, dat betekent: Voorzichtig, Waarschuwing of Gevaar – instructie voor persoonlijke veiligheid.
• Voordat u tractie-eenheid met een werktuig eraan bedient, • Gebruik de machine niet als u onder de invloed van • • • • • • • • • • • • • • • moet u controleren of het werktuig op de juiste wijze is bevestigd. alcohol of drugs bent. Wees voorzichtig als u de machine inlaadt op een aanhanger of een vrachtwagen of uitlaadt. Wees voorzichtig bij het naderen van blinde hoeken, struiken, bomen, en andere objecten die het zicht kunnen belemmeren. Lees de handleidingen van alle werktuigen.
• Zorg ervoor dat de bouten en moeren stevig zijn • Werk niet in de buurt van steile hellingen, greppels of vastgedraaid. Houd de machine in goede conditie. dijken. De machine kan plotseling omslaan als een rupsband over de rand van een klip of greppel komt of als een rand afbrokkelt. • Knoei nooit met de veiligheidsvoorzieningen. • Houd de machine vrij van gras, bladeren, of ander • Werk niet op nat gras. Als de machine grip verliest, kan aangekoekt vuil. Neem gemorste olie of brandstof meteen op.
Geluidsniveau Deze machine heeft een gegarandeerd geluidsniveau van 103 dBA, met een onzekerheidswaarde (K) van 1 dBA. Het geluidsniveau is vastgesteld volgens de procedures in ISO 6395. Trillingsniveau Gemeten trillingsniveau voor de rechterhand = 1,1 m/s2 Gemeten trillingsniveau voor de linkerhand = 1,1 m/s2 Onzekerheidswaarde (K) = 0,6 m/s2 De gemeten waarden zijn bepaald volgens de procedures in EN ISO 20643.
Stabiliteitsgegevens De volgende tabel bevat de aanbevolen maximale hellingshoek voor de tractie-eenheid in de aangegeven standen. Als de hellinghoek groter is dan de vermelde hellinghoek, kan de machine instabiel worden. Bij de gegevens in de tabel wordt ervan uitgegaan dat de armen van de lader volledig omlaag zijn. Als de armen van de lader omhoog staan, kan dit de stabiliteit beïnvloeden. De gebruikershandleiding van elk werktuig vermeldt drie stabiliteitswaarden, één per hellingshoek.
Hellingsindicator G011841 Figuur 3 Deze pagina mag worden gekopieerd voor persoonlijk gebruik. 1. Raadpleeg het hoofdstuk Stabiliteitsgegevens om de maximale hellingshoek te bepalen waarbij de machine veilig kan worden gebruikt. Gebruik de hellingsindicator om de hellingshoek te bepalen voordat u de machine op een helling gaat gebruiken. Gebruik de machine niet op hellingen die steiler zijn dan de maximale hellingshoek die in het hoofdstuk Stabiliteitsgegevens is aangegeven.
Veiligheids- en instructiestickers Veiligheidsstickers en veiligheidsinstructies zijn gemakkelijk zichtbaar voor de bestuurder en bevinden zich bij plaatsen waar gevaar kan ontstaan. Vervang alle beschadigde of verdwenen stickers. 100-8821 93-6686 1. Ledematen kunnen bekneld raken en handen worden gesneden – Blijf op een veilige afstand van de voorzijde van de machine als de armen van de lader zijn opgeheven. 1. Hydraulische vloeistof 2. Lees de Gebruikershandleiding. 93-7814 1.
5-4856 1. Waarschuwing - lees de Gebruikershandleiding; maximaal draagvermogen van 228 kg; geen passagiers. 115-4861 1. Hulphydrauliek 3. Vooruit 2. Vergrendeld achteruit (uitsparing) 4. Neutraal (uit) 115-4857 1. Breng de armen van de lader omlaag. 4. Bak ophalen. 2. Bak leegstorten. 5. Bak boven de grond laten zweven. 115-4862 3. Laadarmen omhoog. 1. Laadvergrendeling open 115-4858 1. Handen of voeten kunnen bekneld raken - monteer de vergrendeling van de cilinder. 115-4859 1.
117–1806 115-4860 1. Waarschuwing - Lees de Gebruikershandleiding. 2. Waarschuwing - stel de parkeerrem in werking, zet de motor af, verwijder het contactsleuteltje en breng de armen omlaag voordat u de machine verlaat. 3. Ledematen kunnen bekneld raken – Monteer de vergrendeling van de cilinder en lees de instructies voordat u service- of onderhoudswerkzaamheden uitvoert. 4.
117-4045 1. Lees de Gebruikershandleiding, aan de achterzijde. 7. Choke 13. Motor - Lopen 2. Snel 3. Continu snelheidsregeling 8. UIT 9. Brandstof 14. Motor - Afzetten 15. Waarschuwing – Gebruik deze machine uitsluitend als u hiervoor instructie hebt ontvangen. 4. Langzaam 10. Hydraulische vloeistoftemperatuur 16. Gevaar voor elektrische schok, bovengrondse elektrische leidingen – Blijf uit de buurt van bovengrondse elektrische leidingen. 5. Gashendel 11. Urenteller 17.
Algemeen overzicht van de machine Figuur 4 1. Rupsband 5. Armen van de lader 9. Bevestigingsplaat 2. Afstelling rupsbanden 6. Motorkap 3. Hefcilinder 7. Hydraulische hulpkoppelin- 11. Schakelbord gen 4. Cilindervergrendeling 8. Kantelcilinder 10. Bevestigingsogen 13. Brandstoftank 14. Veiligheidsplaat voor achteruit 12.
bedienen. Voor een soepele, gecontroleerde bediening houdt u altijd beide handen op de referentiebalk tijdens het bedienen van de tractie-eenheid. Tractiebediening G008131 Figuur 9 • Voor een bocht naar links draait u de tractiebediening linksom (Figuur 10). Figuur 6 1. Referentiebalk (beweegt niet en biedt daardoor een referentiepunt en een vaste handgreep die u kunt vasthouden tijdens het bedienen van de tractie-eenheid) 2.
Aanslagstang van de bediening van de lader De aanslagstang van de bediening van de lader helpt uw hand stabiliseren terwijl u de hendel voor de laadarm/het werktuig bedient. Hendel voor hulphydrauliek Om een hydraulisch werktuig vooruit te bedienen, draait u de hendel voor hulphydrauliek naar achteren en trekt u deze omlaag naar de referentiebalk (Figuur 13, nummer 1).
Urenteller/toerenteller Om de rem vrij te zetten, duwt u de hendel naar voren en dan naar rechts in de inkeping. Als de motor is afgezet, verschijnt op de urenteller/toerenteller het aantal uren dat de tractie-eenheid in bedrijf is geweest. Als de motor loopt, toont de teller het motortoerental in omwentelingen per minuut (tpm). Brandstofmeter De brandstofmeter geeft aan hoeveel brandstof er in de tank zit. Na 50 bedrijfsuren en daarna om de 100 bedrijfsuren (dat is na 150, 250, 350, etc.
Belangrijk: Gebruik uitsluitend door Toro goedgekeurde werktuigen. Andere werktuigen kunnen zorgen voor een onveilige werkomgeving of schade aan de tractie-eenheid veroorzaken. GEVAAR Gebruiksaanwijzing In bepaalde omstandigheden kan tijdens het tanken statische elektriciteit worden ontladen waardoor vonken ontstaan die benzinedampen tot ontbranding kunnen brengen. Brand of explosie van benzine kan brandwonden bij u of anderen en materiële schade veroorzaken.
2. Verwijder het sleuteltje en laat de motor afkoelen. 3. Reinig de omgeving van de tankdop en verwijder deze. Opmerking: De dop is aan de brandstoftank bevestigd. 4. Vul de benzinetank met loodvrije benzine tot aan de onderkant van de vulbuis. Belangrijk: De ruimte in de tank geeft de benzine de kans om uit te zetten. Vul de brandstoftank niet helemaal. 5. Plaats de brandstoftank nauwkeurig en draai deze totdat de tank op zijn plaats klikt. Figuur 16 1. Dop van vulbuis 6. Neem gemorste brandstof op. 2.
motor 2 tot 5 minuten halfgas laten lopen voordat u de gashendel op Snel (haas) zet. Opmerking: Als de buitentemperatuur onder het vriespunt is, sla de machine dan in een garage op. Zo blijft de machine warmer en kan deze makkelijker starten. Motor afzetten 1. Zet de gashendel op 3/4 in de richting van de stand Snel. 2. Laat de armen van de lader neer tot op de grond. Figuur 17 1. Dop van vulbuis 3. Draai het contactsleuteltje op Uit. 2.
1 3 G004182 2 Figuur 19 1. Cilindervergrendeling 2. Hefcilinder Figuur 18 1. Linker sleepklep (rechter rupsband) 3. Lynchpen 2. Rechter sleepklep (linker rupsband) 5. Breng de cilindervergrendeling omlaag over de cilinderstang en bevestig deze met de lynchpen (Figuur 19). 4. Sleep de tractie-eenheid indien nodig. 6. Breng langzaam de armen van de lader omlaag totdat de cilindervergrendeling contact maakt met de cilinder en het uiteinde van de staaf. 5.
Een werktuig bevestigen Belangrijk: Gebruik uitsluitend door Toro goedgekeurde werktuigen. Werktuigen kunnen verandering in de stabiliteit en de gebruikseigenschappen brengen en de machine minder stabiel maken. De garantie op de machine kan komen te vervallen als werktuigen worden gebruikt die niet zijn goedgekeurd. Belangrijk: Voordat u het werktuig monteert, moet u ervoor zorgen dat de bevestigingsplaten vrij van vuil zijn en de pennen onbelemmerd ronddraaien.
Opmerking: Als u eerst de mannelijke aansluiting van het werktuig bevestigt, heft u de druk in het werktuig op. 5. Als het werktuig hydraulisch wordt bediend, schuift u de kraag op de hydraulische koppeling terug en maakt u deze los. Belangrijk: Koppel de slangen van het werktuig aan elkaar om te voorkomen dat het hydraulische systeem tijdens de opslag wordt verontreinigd. WAARSCHUWING Hydraulische vloeistof die onder druk ontsnapt, kan door de huid heen dringen en letsel veroorzaken.
Onderhoud Opmerking: Bepaal vanuit de normale bedieningspositie de linker- en rechterzijde van de machine. Aanbevolen onderhoudsschema Onderhoudsinterval Onderhoudsprocedure Na de eerste 8 bedrijfsuren • Hydraulisch filter vervangen. Na de eerste 50 bedrijfsuren • Ververs de motorolie en vervang het filter. • Controleer de spanning van de rupsbanden en breng ze op de juiste spanning. Bij elk gebruik of dagelijks Om de 25 bedrijfsuren Om de 100 bedrijfsuren • • • • • Motoroliepeil controleren.
VOORZICHTIG Als u het sleuteltje in het contact laat, bestaat de kans dat iemand de motor per ongeluk start waardoor u en andere omstanders ernstig letsel kunnen oplopen. Haal het sleuteltje uit het contact en maak de bougiekabel los voordat u onderhoudswerkzaamheden uitvoert aan het voertuig. Druk de kabel opzij, zodat deze niet onbedoeld contact kan maken met de bougie. Procedures voorafgaande aan onderhoud Zet de motor af en verwijder het contactsleuteltje voordat u de kappen opent.
Inspectieluik aan de achterzijde sluiten. 5 1. Plaats het inspectieluik aan de achterzijde van de tractie-eenheid en zorg ervoor dat de lipjes zijn uitgelijnd in de sleuven. 2. Duw het inspectieluik naar voren en zorg ervoor dat de schroeven van de handknoppen zijn uitgelijnd met de openingen met schroefdraad in de machine. 3. Draai de handknoppen goed vast om het inspectieluik aan de achterzijde op zijn plaats vast te zetten. Zijschermen verwijderen g013122 Figuur 26 1. Open de motorkap. 2.
Smering De tractie-eenheid smeren Onderhoudsinterval: Bij elk gebruik of dagelijks (onmiddellijk na elke wasbeurt). Type smeermiddel: Universeel smeervet. 1. Breng de armen van de lader omlaag en zet de motor af. Verwijder het sleuteltje. 2. Reinig de smeernippels met een doek. 3. Sluit een smeerpistool aan op elke smeernippel (Figuur 29. Figuur 28 1. Moer 2. Oliekoeler 3. Voorscherm 4. Borstbouten 7. Verwijder het voorscherm. 8.
Onderhoud motor 6. Reinig de binnenkant van het luchtfilterdeksel met perslucht. Onderhoud van het luchtfilter 7. Controleer de luchtfilteronderhoud-indicator. • Als de indicator niet rood is, reinig dan het vuil van de deksel en plaats het deksel terug. Onderhoudsinterval: Bij elk gebruik of dagelijks—Controleer de luchtfilteronderhoud-indicator. Zorg ervoor dat het deksel goed vastzit en de luchtfilterbehuizing helemaal afsluit.
Onderhoud uitvoeren aan de van de koolstofhouder 3. De verende slangklemmen aan beide zijden van het purgeerlijnfilter van de koolstofhouder wegnemen van het filter (Figuur 31). 4. Verwijder het purgeerlijnfilter en gooi het weg (Figuur 31). Het luchtfilter van de koolstofhouder vervangen 5. Monteer een nieuw filter op de slang. De pijl op het filter moet weg van de koolstofhouder wijzen. Bevestig met de slangklemmen (Figuur 31).
VOORZICHTIG Onderdelen kunnen heet zijn als de tractie-eenheid heeft gedraaid. U kunt zich verbranden als u hete onderdelen aanraakt. Laat de tractie-eenheid afkoelen voordat u onderhoudswerkzaamheden uitvoert of onderdelen onder de motorkap aanraakt. 4. Verwijder de aftapplug (Figuur 33). Figuur 34 1. Oliefilter 4. Vul de motor met nieuwe olie van het juiste type via de middelste opening van het filter. Houd op met vullen als de olie de onderkant van de schroefdraad bereikt. 5.
Onderhoud brandstofsysteem Brandstoffilter vervangen Onderhoudsinterval: Om de 200 bedrijfsuren/Jaarlijks (houd hierbij de kortste periode aan) 1. Breng de armen van de lader omlaag, zet de motor af en haal het sleuteltje uit het contact. Figuur 35 1. Bougiekabel 2. Open de motorkap en verwijder het linker zijscherm. 2. Bougie 3. Draai de tankdop los om de druk te verminderen. 4. Klem de brandstofleidingen aan beide zijden van het brandstoffilter (Figuur 37). 4. Maak de omgeving van de bougies schoon.
Brandstof aftappen uit de brandstoftank Onderhoud elektrisch systeem GEVAAR Onderhoud van de accu In bepaalde omstandigheden is benzine uiterst ontvlambaar en zeer explosief. Brand of explosie van benzine kan brandwonden bij u of anderen en materiële schade veroorzaken. Onderhoudsinterval: Om de 100 bedrijfsuren—Controleer het peil van het accuzuur (alleen vervangende accu). • Tap de benzine af uit de brandstoftank wanneer de motor koud is. Doe dit buiten op een open terrein.
5. Wacht na het bijvullen van de accucellen vijf tot tien minuten. Vul indien nodig gedestilleerd water bij totdat het zuurpeil de Bovenste streep (Figuur 38) op de accubehuizing bereikt. 2 6. Plaats de vuldoppen op de accu. 3 Accu opladen WAARSCHUWING 1 Bij het opladen produceert de accu gassen die tot ontploffing kunnen komen. G003794 Figuur 38 1. Vuldoppen Rook nooit in de buurt van de accu en zorg ervoor dat er geen vonken of vlammen vlakbij de accu komen. 3. Onderste streep 2.
De spanning van de rupsbanden afstellen Onderhoud aandrijfsysteem Er moet 7 cm ruimte zijn tussen de spanmoer en de achterzijde van de spanbuis (Figuur 41). Als dit niet het geval is, stal dan de spanning van de rupsbanden aan met behulp van de volgende procedure: Onderhoud van de rupsbanden Onderhoudsinterval: Na de eerste 50 bedrijfsuren—Controleer de spanning van de rupsbanden en breng ze op de juiste spanning. Bij elk gebruik of dagelijks—Reinig de rupsbanden.
10. Begin onderaan het spanwiel en laats de rupsband rond het wiel door de rupsband naar achteren te draaien terwijl u de aansluitpunten in het wiel drukt. 6. Laat de tractie-eenheid neer op de grond. Rupsbanden vervangen (modellen 22321 en 22321G) 11. Draai de spanschroef linksom tot de afstand tussen de spanmoer en de achterzijde van de spanbuis (Figuur 41) 7 cm is. Vervang de rupsbanden als deze versleten zijn. 1.
6. Verwijder de moer waarmee het buitenste spanwiel is bevestigd en verwijder het wiel (Figuur 44). 7. Verwijder de rupsband (Figuur 44). 8. Verwijder de moer waarmee het binnenste spanwiel is bevestigd en verwijder het wiel (Figuur 44). 9. Trek de 4 grote ringen uit de de 2 wielen, 1 aan elke zijde van elk wiel. 10. Verwijder oud vet en vuil uit het gebied waar de ringen zaten en reinig de lagers in de wielen. Vul vervolgens dit gebied aan elke kant van elk wiel met vet. Figuur 45 1. Wegwielen 11.
Onderhoud riemen bevestigingsmateriaal dat u eerder hebt verwijderd. Haal de bouten aan met 91 tot 112 Nm. 10. Plaats de rupsbanden, zie Rupsbanden vervangen. Aandrijfriem vervangen/controleren Onderhoudsinterval: Om de 25 bedrijfsuren—De aandrijfriem op slijtage of beschadigingen controleren. Om de 200 bedrijfsuren—De drijfriem vervangen. Vervang de riem als u tekenen van slijtage, scheuren of schade ontdekt of na 200 bedrijfsuur, waarbij de kortste periode moet worden aangehouden.
Figuur 48 Veerhoes niet afgebeeld 1. Spanpoelie 2. Drijfriem 5. De riem van de drie poelies verwijderen (Figuur 49). Figuur 47 1. Veerverwijderaar 4. Spanpoelie 2. Drijfriem 5. Motor (doorzichtig weergegeven ter verduidelijking van de afbeelding) Figuur 49 Veerhoes niet afgebeeld 3. Spanpoelieveer (veerhoes niet afgebeeld) 6. Plaats een nieuwe riem rond de drie poelies (Figuur 48). 4. Verwijder de spanpoelieveer van de spanpoelie (Figuur 48). 7.
Onderhoud bedieningsysteem De bedieningsorganen worden in de fabriek afgesteld voor de tractie-eenheid wordt verzonden. Na vele bedrijfsuren moet u echter mogelijk de uitlijning van de tractiebediening, de neutraalstand van de tractiebediening en de sporing van de tractiebediening in de stand volledig vooruit opnieuw afstellen. Figuur 51 Belangrijk: Voer alle procedures volledig en in de juiste volgorde uit om de bedieningsorganen correct af te stellen. 1. Tractiebediening 2. Bout en moer 5.
De sporing van de tractiebediening in de stand volledig vooruit afstellen. Als de tractie-eenheid niet recht rijdt als u de tractiebediening tegen de referentiebalk houdt, moet u de volgende procedure uitvoeren: 1. Rijd met de tractie-eenheid terwijl u de tractiebediening tegen de referentiebalk duwt en kijk in welke richting de tractie-eenheid afwijkt. 2. Laat de tractiebediening los. 3.
Onderhoud hydraulisch systeem WAARSCHUWING Hydraulische vloeistof die onder druk ontsnapt, kan door de huid heen dringen en letsel veroorzaken. Vloeistof die in de huid is geïnjecteerd, dient binnen enkele uren operatief te worden verwijderd door een arts die bekend is met deze vorm van verwondingen, omdat anders gangreen kan ontstaan. • Houd lichaam en handen uit de buurt van kleine lekgaten of spuitmonden waaruit onder hoge druk hydraulische vloeistof ontsnapt.
Materiaaleigenschappen Viscositeit, ASTM D445 cSt bij 40 °C: 55 tot 62 cSt bij 100 °C: 9,1 tot 9,8 Viscositeitsindex ASTM D2270 140 tot 152 Stolpunt, ASTM D97 -37 tot -43 °C Industriestandaarden API GL-4, AGCO Powerfluid 821 XL, Ford New Holland FNHA-2-C-201,00, Kubota UDT, John Deere J20C, Vickers 35VQ25 en Volvo WB-101/BM. Opmerking: Veel hydraulische vloeistoffen zijn bijna kleurloos, zodat het moeilijk is lekkages op te sporen.
Reiniging Hydraulische leidingen controleren Vuil verwijderen van de tractie-eenheid Onderhoudsinterval: Om de 100 bedrijfsuren—Controleer de hydraulische leidingen op lekkages, losgeraakte aansluitingen, kinken, loszittende steunen, slijtage, beschadigingen als gevolg van weersinvloeden en de inwerking van chemicaliën. (Voer alle noodzakelijke reparaties uit voordat u de machine weer in gebruik neemt.
Figuur 58 1. Zijgewichten 3. Brandstoftank 2. Achterpaneel 4. Chassis 1. Breng de voorzijde van de tractie-eenheid omhoog en ondersteun deze. Figuur 59 2. Zet de motor af en haal het sleuteltje uit het contact. 1. Zwarte kabel 4. Ontluchtingsslang 3. Koppel de minkabel van de accu los. 2. Oranje draad 5. Naar de koolstofhouder 4. Verwijder de bouten, ringen en borgringen waarmee de twee zijgewichten zijn bevestigd en verwijder de gewichten (Figuur 58). 3. Ontluchtingsnippel brandstoftank 5.
Stalling Belangrijk: Zorg ervoor dat er geen water in de motor of het elektrische systeem terechtkomt. 16. Schuif de brandstoftank gedeeltelijk in het chassis (Figuur 58). 1. Breng de armen van de lader omlaag, zet de motor af en haal het sleuteltje uit het contact. 17. Maak de ontluchtingsopening weer vrij en sluit de ontluchtingsslang erop aan. 2. Verwijder vuil en roet van de buitenkant van de gehele machine, met name van de motor.
F. Start de motor totdat deze niet meer start. G. U moet brandstof op de juiste wijze afvoeren. Verwerk deze volgens de plaatselijk geldende voorschriften. Belangrijk: Bewaar benzine waaraan stabilizer/conditioner is toegevoegd niet langer dan 90 dagen. 12. Controleer de spanning van de rupsbanden en breng ze op de juiste spanning; zie De spanning van de rupsbanden afstellen (bladz. 34). 13. Controleer alle bouten, schroeven en moeren en draai deze vast. Repareer of vervang beschadigde delen. 14.
Problemen, oorzaak en remedie Probleem De startmotor slaat niet aan De motor start niet, start moeilijk of slaat af. Mogelijke oorzaak 1. Accu is leeg. 1. Accu opladen of vervangen. 2. De elektrische aansluitingen zijn gecorrodeerd of zitten los. 3. Relais of schakelaar is beschadigd. 2. Controleren of de elektrische aansluitingen goed contact maken. 3. Neem contact op met een erkende servicedealer. 1. De brandstoftank is leeg. 1. Vul de tank met benzine. 2. De choke staat niet op Aan. 2.
Schema's g013124 Elektrisch schema (Rev.
Hydraulisch schema (Rev.
Opmerkingen: 50
Opmerkingen: 51
Toro garantie Compact Utility Equipment Een beperkte garantie gedurende een jaar Voorwaarden en producten waarvoor de garantie geldt CUE-producten Zaken en gevallen die niet onder de garantie vallen The Toro® Company en de hieraan gelieerde onderneming, Toro Warranty Company, bieden krachtens een overeenkomst tussen beide ondernemingen gezamenlijk de garantie dat uw Toro Compact Utility Equipment (hierna: het 'product') vrij is van materiaalgebreken of fabricagefouten.