Form No. 3328-497 Workman 2110 Bedrijfsvoertuig Modelnr. 07277 – Serienr. 230000001 en hoger Modelnr. 07277TC – Serienr.
Waarschuwing Carteroliepeil controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . Remvloeistofpeil controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . Bandenspanning controleren . . . . . . . . . . . . . . . . . Brandstoftank . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . Peil van transmissie-olie controleren . . . . . . . . . . . Gebruiksaanwijzing . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . Veiligheid op de eerste plaats . . . . . . . . . . . . . . . . . Bedieningsorganen . . . . . . . . . . .
Er worden in deze handleiding nog twee woorden gebruikt om u op belangrijke informatie te wijzen. Belangrijk attendeert u op bijzondere technische informatie en Opmerking: duidt algemene informatie aan die uw bijzondere aandacht verdient. Inleiding Lees deze handleiding zorgvuldig, zodat u weet hoe u de machine op de juiste wijze kunt gebruiken en onderhouden. De informatie in deze handleiding kan u en anderen helpen letsel en schade te voorkomen.
• Wees uiterst voorzichtig als u om mensen heen moet rijden. Let altijd goed op waar omstanders zich kunnen bevinden. Verantwoordelijkheden van de bedrijfsleiding • Zorg ervoor dat de bestuurders grondig zijn getraind en bekend zijn met de gebruikershandleiding en alle stickers op het voertuig. • Alvorens het voertuig in gebruik te nemen, moet u altijd de delen van het voertuig controleren die speciaal worden genoemd in het hoofdstuk “Voor het gebruik” van deze handleiding.
• Als het voertuig niet veilig wordt gebruikt, kan dit leiden tot een ongeluk, omkiepen van het voertuig en ernstig lichamelijk of dodelijk letsel. Rij voorzichtig. U kunt op de volgende manieren voorkomen dat het voertuig omkiept of dat u de controle over het voertuig verliest: • Raak de motor of de geluiddemper niet aan als de motor loopt of direct nadat u deze heeft afgezet. Deze kunnen heet zijn en brandwonden veroorzaken.
• Wij adviseren u ten sterkste de optionele omkiepbeveiliging te monteren als u op heuvelachtig terrein moet werken. Gebruik op hellingen Waarschuwing Gebruik op oneffen terrein Als u het voertuig op een helling gebruikt, bestaat de kans dat het voertuig omslaat of gaat rollen. Ook bestaat de kans dat de motor afslaat of dat het voertuig op een helling vaart verliest. Hierdoor kan lichamelijk letsel ontstaan.
• Om het voertuig in goede conditie te houden, moet u ervoor zorgen dat alle moeren, bouten en schroeven goed zijn vastgedraaid. • Wees extra voorzichtig als de lading uitsteekt buiten de laadbak en als u een uit-middelpuntige lading vervoert die niet kan worden gecentreerd. Zorg ervoor dat de lading in evenwicht is en goed vastzit om te voorkomen dat deze gaat schuiven.
Hellingsdiagram BRENG DEZE RAND IN LIJN MET EEN VERTICAAL OPPERVLAK (BOOM, GEBOUW, PAAL, ENZ.) LANGS DE DAARTOE BESTEMDE LIJN VOUWEN VOORBEELD: VERGELIJK HELLING MET OMGEVOUWEN RAND.
Veiligheids- en instructiestickers Veiligheidsstickers en veiligheidsinstructies zijn gemakkelijk zichtbaar voor de bestuurder en bevinden zich bij plaatsen waar gevaar kan ontstaan. Vervang alle beschadigde of verdwenen stickers. 104-6591 1. Lees de Gebruikershandleiding. 2. Het totale gewicht van bestuurder en passagier mag niet meer dan 181 kg zijn. 3. Het gewicht van de lading mag niet meer dan 567 kg zijn. 4. Het basisgewicht van het voertuig is 500 kg. 5.
99-7343 Waarschuwing – Lees de Gebruikershandleiding. Kans op botsing – Dit voertuig is niet bestemd voor gebruik op de openbare weg. Kans op vallen – Vervoer geen passagiers in de laadbak. Kans op vallen – Laat kinderen nooit het voertuig besturen. Urenteller Koplampen Uit (ontsteking) Aan (ontsteking) Om de motor te starten, moet u plaats nemen op de bestuurdersstoel, de parkeerrem vrijzetten, het contactsleuteltje op Aan draaien, de chokehendel uittrekken (indien nodig) en het gaspedaal intrappen. 10.
Specificaties Opmerking: Specificaties en ontwerp kunnen zonder voorafgaande kennisgeving worden gewijzigd. Basisgewicht 476 kg (droog) Nominale inhoud (op een horizontaal oppervlak) Totaalgewicht 749 kg inclusief bestuurder (90,7 kg) en passagier (90,7 kg), lading, tonggewicht van aanhangwagen, maximaal toelaatbaar totaalgewicht van aanhangwagen, accessoires en werktuigen Maximaal toelaatbaar totaalgewicht van voertuig (op horizontaal oppervlak) 1.
Montage Opmerking: Bepaal vanuit de normale bedieningspositie de linker- en rechterzijde van de machine. Losse onderdelen Opmerking: Gebruik onderstaande lijst om te controleren of alle onderdelen zijn geleverd. Omschrijving Hoeveelheid Gebruik Wiel-set 2 Montage achterwielen (Modelnr. 07277TC) Wiel-set 2 Ring 2 Stofkap 2 Stuurwiel 1 Montage stuurwiel (Modelnr. 07277TC) Bumper 1 Montage bumper (Modelnr. 07277TC) Trekhaak 1 Montage trekhaak (Modelnr.
Voorwielen monteren Bumper monteren Opmerking: Deze procedure is alleen van toepassing voor Modelnr. 07277TC. Opmerking: Deze procedure is alleen van toepassing voor Modelnr. 07277TC. 1. Maak de bevestigingen los waarmee de wielen zijn vastgezet. 1. Verwijder de 2 bouten, ringen en moeren aan de voorkant van het frame. 2. Maak de transportbeugel los van de assen. 2. Plaats de montageopeningen op één lijn en monteer de bumper aan het frame met de bevestigingen die u eerder hebt verwijderd (Fig. 5).
Trekhaak monteren 4. Steek de rechtse draaibeugel in het montagegat in de laadbak en monteer deze aan het frame. Opmerking: Deze procedure is alleen van toepassing voor Modelnr. 07277TC. 5. Laat een ander persoon u helpen om de laadbak op te halen. 1. Verwijder de 4 bouten en moeren achter aan de binnenkant van het frame. 6. Draai de bout los waarmee de klem van de steun is bevestigd aan het frame totdat u het J-haakeinde van de steun onder de klem kunt schuiven (Fig. 9). 2.
3. Plaats de vuldoppen terug en sluit een acculader van 3–4 A aan op de accupolen. Laad de accu op gedurende 4 tot 8 uur bij 3–4 A (12 V). De accu niet te ver opladen. 3. Als het oliepeil te laag is, moet u de vuldop losmaken van het klepdeksel (Fig. 10) en voldoende olie bijvullen totdat het peil de Vol-markering op de peilstok bereikt; zie Motoroliepeil controleren, blz. 25, voor juiste type olie en viscositeit. Vul de olie langzaam bij en controleer daarbij veelvuldig het peil. Niet te vol vullen.
Brandstoftank Brandstoftank vullen Aanbevolen benzine De inhoud van de brandstoftank is ongeveer 26,5 liter. 1. Motor afzetten en parkeerrem in werking stellen. Gebruik loodvrije, normale schone benzine voor automobielen (octaangetal minimaal 87). Gelode benzine kan worden gebruikt als loodvrije benzine niet verkrijgbaar is. 2. Maak de omgeving van de dop van de brandstoftank schoon (Fig. 11).
u de hendel naar achteren trekken. Om de parkeerrem vrij te zetten, moet u de hendel naar voren duwen. Als u het voertuig op een steile helling parkeert, moet u erop letten dat de parkeerrem in werking is gesteld. Plaats blokjes achter de wielen om te voorkomen dat het voertuig de helling afrolt. Gebruiksaanwijzing Opmerking: Bepaal vanuit de normale bedieningspositie de linker- en rechterzijde van de machine.
Contactschakelaar Brandstofmeter De contactschakelaar (Fig. 16), waarmee u de motor start en afzet, heeft twee standen: Uit en Aan. Draai het sleuteltje naar rechts op Aan om de motor in werking te stellen. Als het voertuig stilstaat, draait u het sleuteltje naar links op Uit. Verwijder het sleuteltje uit het contact. De brandstofmeter (Fig. 17) geeft aan hoeveel brandstof er in de tank zit. 1 Urenteller De urenteller (Fig. 16) geeft het totale aantal uren aan dat de motor in bedrijf is geweest.
• Controleer of het rempedaal werkt. Laadbak • Verlichting controleren. Laadbak ophalen • Draai het stuurwiel naar links en naar rechts om de stuurreacties te controleren. 1. Schuif de grendel omhoog naar het bovenste deel van de uitsnijding in het frame van de bak (Fig. 19). • Controleer op olielekken, loszittende onderdelen en andere zichtbare gebreken.
Grendels van de achterlaadklep • Varieer de snelheid van het voertuig tijdens het gebruik. Vermijd snel starten en stoppen. 1. Om de achterlaadklep te openen, drukt u de hendels van de grendels naar boven (Fig. 21). De grendels klappen naar het midden van de achterlaadklep. Laat de achterlaadklep langzaam neer. • De motor heeft geen inrij-olie nodig. De originele motorolie is hetzelfde type olie dat is voorgeschreven voor regelmatige olieverversingen.
Transport van het voertuig 1. Verwijder de drijfriem; zie Drijfriem vervangen, blz. 31, stappen 1 en 2. Om het voertuig over grote afstanden te verplaatsen, moet u een aanhanger gebruiken. Zorg ervoor dat het voertuig stevig is bevestigd aan de oplegger. Zie Figuren 22 en 23 voor de plaats van de bevestigingspunten. 2. Bevestig een sleepkabel aan de tong op de voorzijde van het frame (Fig. 23). 3. Zet het voertuig in de neutraalstand en zet de parkeerrem vrij.
Onderhoud Opmerking: Bepaal vanuit de normale bedieningspositie de linker- en rechterzijde van de machine. Aanbevolen onderhoudsschema Onderhoudsinterval Na de eerste 8 bedrijfsuren Om de 8 bedrijfsuren Na de eerste 20 bedrijfsuren Onderhoudsprocedure • Motorolie verversen. • Spanning van aandrijfriem controleren. • Spanning van startriem controleren. • Het motoroliepeil controleren. • De bandenspanning controleren. • Toespoor van voorwiel controleren op de juiste rijhoogte.
Controlelijst Dagelijks Onderhoud Gelieve deze pagina te kopiëren ten behoeve van gebruik bij routinecontroles. Voor week van: Ma. Gecontroleerde item Werking van rem en parkeerrem controleren. Werking van schakelinrichting/neutraalstand controleren. Brandstofpeil controleren. Motoroliepeil controleren. Het transaxle-peil controleren. Luchtfilter controleren. Koelribben van de motor controleren. Controleren of motor ongewone geluiden maakt. Controleren op ongewone geluiden tijdens het gebruik.
Voorzichtig Als u het sleuteltje in het contact laat, bestaat de kans dat iemand de motor per ongeluk start waardoor u of andere omstanders ernstig letsel kunnen oplopen. Haal het sleuteltje uit het contact en maak de bougiekabel los voordat u onderhoudswerkzaamheden uitvoert aan het voertuig. Druk de kabel(s) opzij, zodat hij niet onbedoeld contact kan maken met de bougie(s). Waarschuwing Gevaar De bak moet worden opgehaald voordat sommige routine-onderhoudswerkzaamheden worden uitgevoerd.
Neutraalstand controleren en afstellen 2 2 Als u routine-onderhoudswerkzaamheden uitvoert en/of de motor test, moet u de transaxle in de neutraalstand zetten (Fig. 26). Het voertuig heeft een neutraalstand op de schakelhendel, waarmee u de transaxle in de neutraalstand kunt zetten. Om ervoor te zorgen dat de schakelhendel de transaxle naar behoren in de neutraalstand zet, moet u de volgende stappen uitvoeren: 4 5 3 3 1 m–6184 1. Zet de schakelhendel op Neutraal. Figuur 27 2.
Olie verversen/aftappen Omgeving van motorkoeling reinigen 1. Start de motor en laat deze enkele minuten lopen zodat de olie warm wordt. Reinig het roterende scherm, de koelribben en de buitenkant van de motor om de 100 bedrijfsuren of vaker als u het voertuig in buitengewoon stoffige en vuile omstandigheden gebruikt. 2. Parkeer het voertuig op een horizontaal oppervlak, stel de parkeerrem in werking, draai het contactsleuteltje op Uit en verwijder het sleuteltje uit het contact. 3.
4. Schuif het filter voorzichtig uit het luchtfilterhuis om zo weinig mogelijk stof te verplaatsen (Fig. 29). Zorg ervoor dat u niet met het filter tegen het luchtfilterhuis stoot. 2. Plaats het nieuwe filter in het luchtfilterhuis. Zorg ervoor dat het filter op de juiste wijze afsluit door de buitenring van het filter aan te drukken als u het filter monteert. Druk niet op het flexibele midden van het filter. 5. Controleer het filter en gooi dit weg als het beschadigd is. 3.
Onderhoud van de remmen Parkeerrem afstellen De remmen controleren Controleer de afstelling van de parkeerrem om de 200 bedrijfsuren. De remmen zijn van essentieel belang voor een veilig gebruik van het voertuig. Zoals alle veiligheidsvoorzieningen moeten de remmen regelmatig grondig worden gecontroleerd om de beste prestaties te verkrijgen en er zeker van te zijn dat het voertuig veilig kan worden gebruikt. De volgende controles moeten om de 100 bedrijfsuren worden uitgevoerd. 1.
Voorwielophanging instellen 5. Draai de voorste A-arm in de gewenste positie (zie opmerking hieronder) en monteer de bout om de rijhoogte in te stellen (Fig. 34). De rijhoogte van beide zijden van het voertuig kan afzonderlijk worden ingesteld. De rijhoogte moet 22,2–24,1 cm met de volgende parameters: Opmerking: De A-armen zijn vervaardigd van rubber en hebben verschillende veerconstanten.
Toespoor voorwiel afstellen 6 Het toespoor van het voorwiel moet u om de 100 bedrijfsuren of jaarlijks controleren, waarbij de kortste periode moet worden aangehouden. 1 5 4 De voorwielen moeten een toespoor van 3–16 mm hebben met de volgende parameters: 2 • De banden moeten een spanning hebben van 83 kPa (12 psi). 3 • De rijhoogte moet correct zijn voordat het toespoor wordt afgesteld; zie Voorwielophanging instellen, blz. 29.
Onderhoud van de drijfriem Aandrijfriem controleren Riem van de dynamo van de starter afstellen De conditie en de spanning van de drijfriem moeten na de eerste gebruiksdag worden gecontroleerd en vervolgens om de 200 bedrijfsuren. De spanning van de riem van de dynamo van de starter moet na de eerste gebruiksdag worden gecontroleerd en vervolgens om de 200 bedrijfsuren. 1.
Onderhoud van het brandstofsysteem 1. Maak de omgeving van de bougies schoon zodat er geen ongerechtigheden in de cilinder kunnen terechtkomen als u de bougie verwijdert. Brandstofleidingen en -verbindingen 2. Maak de kabels los van de bougies en verwijder de bougies uit de cilinderkop. Controleer de brandstofleidingen en -verbindingen om de 400 bedrijfsuren of jaarlijks, waarbij de kortste periode moet worden aangehouden. Inspecteer op slijtage, beschadigingen of loszittende verbindingen. 3.
1 1 2 3 m–5323 Figuur 44 2 1. Ontstekingsinstallatie 2. Lichten m–4849 3. Aansluitpunt Figuur 42 1. Aftapplug 2. Opening van niveau-aanwijzer Koplampen vervangen Specificatie: GE Koplamp nr. H7610 3. Vul het reservoir (Fig. 43) met ongeveer 1,4 liter SAE 10W30-motorolie of totdat het oliepeil de onderkant van de opening van de niveau-aanwijzer bereikt (Fig. 42). 1. Stel de parkeerrem in werking, draai het contactsleuteltje op Uit en verwijder het sleuteltje. 2.
6. Bevestig de koplamp aan de kabelboom met behulp van de schroeven die u eerder hebt losgedraaid. 4. Maak de minkabel (zwart) los van de accupool. Waarschuwing 7. Houd de inkeping op de buitenkant van de afdichting voor de inkeping op de kap. Druk de koplamp met de afdichting in de kap totdat deze stevig op zijn plaats zit. Als accukabels verkeerd worden verbonden, kan dit schade aan het voertuig en de kabels tot gevolg hebben en vonken veroorzaken.
Zuurpeil controleren Waarschuwing Controleer het peil van het accuzuur om de 50 bedrijfsuren of om de 30 dagen, wanneer het voertuig is opgeslagen. Bij het opladen produceert de accu gassen die tot ontploffing kunnen komen. 1. Haal de bak op en zet deze vast met de steun. Rook nooit in de buurt van de accu en zorg ervoor dat er geen vonken of vlammen vlakbij de accu komen. 2. Verwijder de vuldoppen.
Elektrisch schema 36