Operator's Manual

33
m–5640
1
Figuur 33
1. A-arm, links
6. Draai de bout om de rijhoogte in te stellen vast met een
torsie van 183–224 Nm.
7. Monteer de bout waarmee de speling wordt begrensd
(Fig. 32).
Opmerking: U moet wellicht die kant van het voertuig
neerlaten op de grond om de bout te monteren.
8. Draai de centreerbouten vast met een torsie tot
325–393 Nm.
9. Controleer de rijhoogte bij de voorste tong met behulp
van de maten en parameters die bij het begin van deze
procedure zijn gegeven.
Toespoor voorwiel afstellen
Het toespoor van het voorwiel moet u om de 100 bedrijfs-
uren of jaarlijks controleren, waarbij de kortste periode
moet worden aangehouden.
De voorwielen moeten een toespoor van 3 – 16 mm hebben
met de volgende parameters:
De banden moeten een spanning hebben van 83 kPa
(12 psi).
De rijhoogte moet correct zijn voordat het toespoor wordt
afgesteld; zie Voorwielophanging instellen, blz 32.
U moet het voertuig een paar keer naar voren en
achteren laten rijden om de A-armen te ontspannen.
Meet het toespoor terwijl de wielen recht naar voren
zijn gericht en een persoon met een gewicht van
79–102 kg heeft plaatsgenomen op de bestuurdersstoel.
Opmerking: De bestuurder moet naar de meetplaats
rijden en op de stoel blijven zitten terwijl de rijhoogte
wordt gemeten.
Als het voertuig meestal met een middelzware of zware lading
wordt gebruikt, moet u het toespoor op een hogere waarde in
het aanbevolen bereik afstellen. Als het voertuig meestal met
een lichte lading wordt gebruikt, moet u het toespoor op een
lagere waarde in het aanbevolen bereik afstellen.
1. Zorg ervoor dat de voorwielophanging correct is
ingesteld; zie Voorwielophanging instellen, blz. 32.
Indien nodig instellen.
2. Meet ter hoogte van de as de afstand tussen de
voorwielen aan de voorkant en de achterkant van de
wielen (Fig. 34). De afstand aan de achterkant van de
voorwielen ter hoogte van de as moet worden gemeten
met behulp van een spanklem of een uitlijnmaat.
Gebruik dezelfde spanklem of uitlijnmaat om de afstand
aan de voorkant van de voorwielen ter hoogte van de as
te meten (Fig. 34).
m–5639
1
2
3
5
5
6
4
132 cm
Figuur 34
1. Hart-op-hart-afstand—
achterkant wielen
2. Hart-op-hart-afstand—
voorkant wielen
3. Middellijn van as
4. Spanklem
5. Afstand middellijn van as
6. 15 cm lineaal
3. Als de afstand buiten het gespecificeerde bereik valt
(zie de maten en parameters bij het begin van deze
procedure), moet u de contramoeren aan beide uiteinden
van de trekstangen losdraaien (Fig. 35).