Operator's Manual
29
Motorolie controleren
Controleer het oliepeil telkens voor gebruik.
Ververs de motorolie na de eerste 8 bedrijfsuren en daarna
om de 50 bedrijfsuren.
Vervang het oliefilter om de 100 bedrijfsuren.
Opmerking: Vervang de olie en het oliefilter vaker als de
machine wordt gebruikt in zeer stoffige of zanderige
omstandigheden.
Type olie: Reinigingsolie (API-onderhoudsclassificatie SF,
SG, SH, SJ, of hoger)
Carterinhoud: 1,4 liter als het filter wordt vervangen.
Viscositeit: Zie onderstaande tabel
F
–20 0 20 40 60 80 100
°
C
–30
°
–20 –10 0 10 20 30 40
GEBRUIK UITSLUITEND OLIESOORTEN MET
DEZE SAE-VISCOSITEIT
Oliepeil controleren
Voor controle van oliepeil, zie Carteroliepeil controleren,
blz. 18.
Olie verversen/aftappen
1. Start de motor en laat deze enkele minuten lopen zodat
de olie warm wordt.
2. Parkeer het voertuig op een horizontaal oppervlak, stel
de parkeerrem in werking, draai het contactsleuteltje op
Uit en verwijder het sleuteltje uit het contact.
3. Haal de bak op en zet deze vast met de steun.
4. Koppel de bougiekabels en accukabels los.
5. Verwijder de aftapplug (Fig. 26) en laat de olie in een
opvangbak lopen. Als er geen olie meer naar buiten
stroomt, plaatst u de aftapplug terug.
Opmerking: De oude olie afgeven bij een erkend
inzamelcentrum.
1
2
Figuur 26
1. Aftapplug motorolie 2. Motoroliefilter
6. Giet olie in de vulopening totdat het peil de Vol-markering
op de peilstok heeft bereikt. Vul de olie langzaam bij en
controleer daarbij veelvuldig het peil. Niet te vol vullen.
7. Plaats de vuldop en de peilstok weer stevig op hun plaats.
Motoroliefilter vervangen
Vervang het oliefilter om de 100 bedrijfsuren of jaarlijks,
waarbij de kortste periode moet worden aangehouden.
1. Tap de motorolie af; zie Olie verversen/aftappen, blz. 29.
2. Verwijder het oude oliefilter (Fig. 26). Smeer een dun
laagje schone olie op de pakking van het filter.
3. Draai het nieuwe oliefilter totdat de pakking contact maakt
met de bevestigingsplaat. Draai het filter vervolgens nog
eens een 1/2 tot 3/4 slag. Niet te vast draaien.
4. Vul het carter met het juiste type nieuwe olie; zie
Motorolie controleren, blz. 29.
5. Start de motor en laat deze lopen om te controleren op
olielekkages.
6. Zet de motor af en controleer het oliepeil. Zonodig olie
bijvullen.
Omgeving van motorkoeling
reinigen
Reinig het roterende scherm, de koelribben en de
buitenkant van de motor om de 100 bedrijfsuren of vaker
als u het voertuig in buitengewoon stoffige en vuile
omstandigheden gebruikt.
Belangrijk Als u de motor gebruikt met een verstopt
scherm, vuile of verstopte koelribben, of verwijderde
uitlaatringen, zal dit leiden tot beschadiging van de motor
als gevolg van oververhitting.
Belangrijk Reinig de motor nooit met een hogedruk-
reiniger omdat er dan water in het brandstofsysteem kan
terechtkomen.










