Operator's Manual
19
Contactschakelaar
De contactschakelaar (Fig. 15), waarmee u de motor start
en afzet, heeft twee standen: Uit en Aan. Draai het
sleuteltje naar rechts op Aan om de motor in werking te
stellen. Als het voertuig stilstaat, draait u het sleuteltje naar
links op Uit. Verwijder het sleuteltje uit het contact.
1
2
3
4
5
m-7365
6
Figuur 15
1. Contactschakelaar
2. Urenteller
3. Lichtschakelaar
4. Oliedruklampje
5. Aansluitpunt
6. Claxonknop
Urenteller
De urenteller (Fig. 15) geeft het totale aantal uren aan dat
de motor in bedrijf is geweest. De urenteller gaat lopen als
de gaspedaal wordt ingetrapt.
Oliedruklampje
Dit lampje waarschuwt de bestuurder dat de oliedruk in de
motor beneden een veilig niveau daalt (Fig. 15). Als het
lampje gaat branden, moet het oliepeil worden gecontroleerd
en olie worden bijgevuld indien dit nodig is; zie Motoroliepeil
controleren, blz. 27.
Opmerking: Het oliedruklampje kan gaan flikkeren. Dit is
normaal en er hoeven dan geen maatregelen te worden
genomen.
Lichtschakelaar
Tuimelschakelaar om de koplampen te ontsteken.
Indrukken om de lampen te laten branden (Fig. 15).
Aansluitpunt
Het aansluitpunt dient voor de aansluiting van 12 V
optionele elektrische accessoires (Fig. 15).
Claxonknop
Met een druk op de claxonknop stelt u de claxon in werking
(Fig. 15).
Brandstofmeter
De brandstofmeter (Fig. 16) geeft aan hoeveel brandstof er
in de tank zit.
1
Figuur 16
1. Brandstofmeter
Handgrepen voor passagier
De handgrepen voor de passagier bevinden zich rechts van
het instrumentenpaneel en op de buitenkant van elke stoel
(Fig. 17).
1
2
m–4887
Figuur 17
1. Handgreep voor passagier 2. Heupsteun
Controle vóór het gebruik
Voer elke dag de volgende controles uit voordat u het
voertuig gaat gebruiken.
• Bandenspanning controleren.
Opmerking: Deze banden zijn anders dan autobanden:
zij vereisen een lagere spanning om compactie en
beschadiging van de grasmat te voorkomen.
• Controleer het peil van alle vloeistoffen. Indien het peil
te laag is, moet u bijvullen met de vereiste hoeveelheid
vloeistof overeenkomstig de specificaties.
• Controleer of het rempedaal werkt.
• Controleer of de verlichting werkt.
• Draai het stuurwiel naar links en naar rechts om de
stuurreacties te controleren.
• Controleer op olielekken, loszittende onderdelen en
andere zichtbare gebreken. Zet de motor af en wacht
totdat alle bewegende delen tot stilstand gekomen zijn
voordat u controleert op olielekken, losse onderdelen of
andere gebreken.










